Nieuwsbrief nr. 51
ISSN 1386-6451
juli 2018 - 25e jaargang nr. 2



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Column: De moeilijkheid van BEPeter de Zwaan
20 jaar bobevers.nlRoger Schenk
Hoe het allemaal begonHenk Beentje
Voorspelbaar geboefteRoger Schenk
Recensie van deel 60 : Slot van het complot in LotSchout-bij-kunstlicht Spook
Recensie van deel 61 : Prangend probleem rondom de portee van preppaleisSchout-bij-kunstlicht Spook
Recensie van het eerste Bob Evers-verhalenboek : Kortstondige comeback van een blauwogige blondineSchout-bij-kunstlicht Spook
Reactie van de auteurPeter de Zwaan
Liefde is vindingrijkHenry W.
Bob Bronnen (4) : Knodsgekke knokpartijen middels een knodskerrieBert Brandsma
Enkele foto’s uit Frankfurt am MainRoger Schenk
De Nieuwe GILJohn Beringen




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen

De delen 60 en 61 benevens de eerste Bob Evers-verhalenbundel verschenen!


Voorzijde van „Schatgraven in een stationshal”,
door Lia Krijnen

Voorzijde van „Het preppaleis van de Holenman”,
door Lia Krijnen


Definitief einde van de Bob Evers-stripboekenreeks?

Het is inmiddels alweer acht jaar geleden dat het vijfde en tot nu toe laatste Bob Evers-stripalbum, „Een overval in de lucht”, verscheen. Kregen de vaste afnemers aanvankelijk nog een kerstkaartje van Uitgeverij Boumaar waarop naast de beste wensen ook nieuwe delen werden aangekondigd, later hield de toezending van die kaarten op. Wij vermoedden het dus al, maar sinds 12 april jl. weten we het zeker: er komen geen nieuwe stripdelen!
Tekenaar Hans van Oudenaarden beantwoordde op die dag namelijk een vraag van een fan op Facebook:

Ik ga je een antwoord geven dat je misschien een saai en vervelend antwoord vindt. Dat een lezer vanzelfsprekend niet wil horen. Ik ga het over geld hebben. Excuus daarvoor.
Als lezer hoef je je daar natuurlijk helemaal niet druk om te maken, maar het tekenen van strips is nog een van de allerlaatste „echte” ambachten. Elk plaatje moet exact worden bedacht en lijntje voor lijntje met de hand getekend. Script, storyboard, schets, kleur, tekst, noem maar op. De computer schiet hier en daar te hulp (hoewel vaak zó dat het takenpakket van de tekenaar alleen maar telkens wordt uitgebreid), maar het daadwerkelijke tekenen moet de tekenaar toch nog steeds helemaal zelf doen.
Daarnaast is ondergetekende ook nog een taaaaamelijk trage tekenaar. Kortom, het maken van een compleet BE-album kost deze tekenaar tussen de negen en twaalf maanden!!!
Okee, ben je er nog? Nou koester ik OOK NOG de merkwaardige overtuiging dat, los van inspiratie en enthousiasme (vanzelfsprekend), een strip(serie) op de lange termijn alleen maar levensvatbaar kan zijn, als de makers in staat zijn hun ... inkomen te genereren uit hun werk.
Het is niet anders, maar ik moet het in dit antwoord nu toch gaan hebben over ... GELD.
Ik weet dat sommige mensen dit een bizar, geldwolverig idee vinden, maar ik heb gemerkt dat ik dit werk alleen vol kan houden als ik overdekt slaap en ook af en toe iets erbij eet. Negen maanden werk zou, volgens mij, toch op een of andere manier, uiteindelijk negen maanden inkomen moeten opleveren. Misschien niet meteen bij het eerste album hoor, maar dan toch wel na een paar boeken. Okee. DIT bleek nu een serieuze hobbel voor onze Bob Evers-stripserie.
Even ontnuchteren. In de klassieke verkoop levert een album de makers ongeveer 10 procent royalty’s op de verkoopprijs (minus BTW) op. De rest gaat naar rechtenhouders, uitgever, drukker en winkel. Die 10 procent moet daarna ook nog worden verdeeld tussen scenarist en tekenaar (soms 50-50, soms krijgt de tekenaar iets meer). Soooooms is er voorpublicatie à 150 euro per pagina. Natuurlijk wel ingekleurd en geletterd, persklaar aanleveren (veel werk). Scenarist krijgt daarvan ook weer de helft.
Nu kun je uitrekenen hoeveel albums er moeten worden verkocht, voordat het werk een beetje jaarinkomen begint op te leveren voor de makers. Los van het enthousiasme van de kopers: met de verkoopcijfers in Nederland redden we dat niet, dus buitenlandse uitgaven moeten erbij komen, willen de makers het vol kunnen houden. Nederlanders kopen niet zoveel strips. Ik heb uitgebreid geleurd met de strip, maar kreeg geen buitenlandse uitgever warm voor de jaren vijftig-avonturen met drie parmantige knaapjes.
Wees ervan overtuigd, ik ben eigenlijk al langer met de Bob Evers-strip doorgegaan dan (financieel) verantwoord was. Het laatste deel had ik eigenlijk niet moeten maken, maar op een gegeven moment waren Frank en ik gewoon een beetje door ons spaargeld heen. We hebben het echt geprobeerd met deze strip, maar we hebben het gewoon niet volgehouden. We konden er na al die jaren nog steeds niet van leven. De strip heeft een warm plekje in m’n hart, maar ik zie gewoon niet in hoe ik ermee verder kan, zonder mezelf arm te tekenen.

HEEEEEL misschien is er t.z.t. wel iets crowdfund-achtigs mogelijk met deze serie. Iets „special edition”-achtigs. Intekenen op ZEEER beperkte oplage, super-luxe albums. Schetskatern, ex-libris, gesigneerd, Originele pagina erbij in de verkoop, dat soort dingen. Als de uitgever en de winkelier er dan tussenuit (willen) gaan, en de prijs per exclusief album-pakket hoog genoeg kan worden, dan kan er misschien op zo’n manier wél een beetje een inkomen worden gegenereerd voor de makers ... vooraf en gegarandeerd.
In zo’n model zou ik, als iemand anders dat allemaal zou willen organiseren en stroomlijnen, nog wel willen denken over nieuwe albums.

Dit is typisch zo’n gevalletje „jammer, maar het is niet anders”... tenzij er hier iemand met heel veel geld en/of een briljant idee voor iets „crowdfund-achtigs” meeleest. Hans’ andere ideeën zijn in het verleden allemaal al geprobeerd, met softcovers, hardcovers, luxe edities, zeer luxe edities, extreem luxe edities, nóg veel luxere edities, enz., dus het moet wel écht een geheel nieuw en briljant idee zijn! Wie weet...? Reacties graag via de redactie van deze Nieuwsbrief.

Bestaat Cooper’s Valley nou wel of niet?

In „Vreemd gespuis in een warenhuis” speelt een aanzienlijk deel van het verhaal zich af in het fictieve plaatsje Cooper’s Valley, het stadje dat niet zo groot is als Chicago, maar veel gezelliger, volgens de plaatselijke bevolking. Hoe zou Willem toch aan die naam zijn gekomen?
Welnu, ten zuidoosten van Allentown/Pa. liggen op steenworp afstand van elkaar de plaatsjes Coopersburg – niet te verwarren met Akkrum! – en Center Valley. De kans bestaat dat Willem, net als de redactie dat deed in „The Gousha Pennsylvania Street Atlas”, zat te bladeren in een atlas en deze plaatsjes bij toeval zag staan. De geografisch niet erg uitblinkende Willem maakte in dat geval van Coopersburg en Center Valley een mooie contaminatie, waarmee hij de truck van The Galleries wel een nogal bizarre, 750 mijl lange route door Pennsylvania bezorgde. Als om Walter Ketterings uitleg over de Turnpike te bevestigen voegt Google Maps er wel de waarschuwing aan toe: „Op deze route moet je tol betalen”.



Graf

Ruim tweeëneenhalf jaar geleden werd Willems tweede zoon, Paul van den Hout, begraven op R.K. Begraafplaats Sint-Barbara in Amsterdam. Inmiddels is er een grafsteen geplaatst, waarop behalve Pauls gegevens een prachtig en ontroerend sonnet van zijn eigen hand te zien is, waarin hij voor het laatst – maar wel voor eeuwig – zijn liefde verklaart aan zijn Lydwina.
Aangezien het graf van Pauls grootouders op het kerkhof Hintham in Den Bosch (foto in Nieuwsbrief 34) inmiddels geruimd is en Pauls ouders en oudste broer gecremeerd zijn, is dit zo ongeveer het enige nog bestaande Van den Hout-graf: een geheel nieuw bedevaartsoord voor Van den Hout-fans is geboren…



Bob Evers leeft nog steeds!

Ook in het jaar 2018 wordt de naam Bob Evers nog af en toe genoemd; de eerste keer was in het artikel „Een lange, goed gebouwde, besnorde man” van Monse Weijers in het blad Argus van 23 januari 2018. Daarin komt Kathinka Schallies aan het woord, die wij kennen uit „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” (hoofdstuk „Het Afscheidsconcert van Peter Schilperoort” en „Toen ik een Nieuw Leven ging beginnen...”). Zij beweert boud dat zíj de Bob Evers-boeken geschreven zou hebben. Ach, juffie toch...
Nauwelijks een maand later verscheen een wat serieuzere publicatie van Han van der Horst, „Nepnieuws. Een wereld van desinformatie” (Uitgeverij Scriptum, Schiedam, ISBN 9789463190831), waarin ’s werelds meest notoire bedenkers van nepnieuws ten tonele worden gevoerd: types als Caesar, Cicero, Trump, Wilders, handenvol pausen en vele, vele anderen. In het hoofdstuk „Psychologische oorlogsvoering” komen de twee, volgens de schrijver, meest gewiekste Nederlandse experts op dat gebied aan bod, te weten Meyer Sluyser en Willem van den Hout; aan deze laatste figuur – ons welbekend – zijn de pagina’s 210 t/m 214 gewijd. Een zeer interessant en leerzaam boek. De redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief heeft slechts één punt van kritiek op dit boek: in datzelfde hoofdstuk worden vlak vóór Sluyser en Van den Hout „Tokyo Rose”, „Axis Sally”, „de Roos van Makassar” en „Hanoi Hannah” genoemd: propaganda-uitzendingen die poogden vijandige soldaten te beïnvloeden. De missing link tussen deze dames en Willem van den Hout is „Mary of Arnhem”, twee dames die exact hetzelfde deden als „Axis Sally”, compleet met jazzmuziek en al, maar dan opererend vanuit Hilversum; aan deze Kampfsender heeft natuurlijk ook Willem van den Hout meegewerkt, dus deze „Mary of Arnhem” had wat ons betreft best genoemd mogen worden in het boek.
Wie schetst der redactie verbazing toen wij van niemand minder dan Peter de Zwaan een tweede artikel uit het blad Argus kregen. U weet dat de Bob Evers Nieuwsbrief strict onafhankelijk en neutraal is en nooit reclame maakt, maar jongens: wát een tijdschrift! Het bestaat nog geen jaar en nu al twee keer een artikel over onze eigen Willem! En dan te bedenken dat er honderden, misschien wel duizenden tijdschriften zijn, die al meer dan honderd jaar bestaan en nog nooit één artikel over de besnorde bandiet hebben geproduceerd. De titel van het artikel in de Argus-uitgave van 29 mei 2018 is „Een onzorgvuldig gezinsleven” en is van de hand van Jean Pierre Rawie, een goede vriend van zowel Paul van den Hout als Driek van Wissen; met o.a. laatstgenoemde plus de vader van Paul bestierde hij in de jaren ’70 het bij Bob Evers-fans bekende literaire tijdschrift De Nieuwe Clercke.

Behalve aandacht voor de drie nieuw verschenen Bob Evers-delen (niet alleen in het „redactionele nieuwsbericht”, maar ook door middel van drie recensies van onze geheimzinnige Schout-bij-kunstlicht Spook en een reactie van Peter de Zwaan) vinden we in de onderhavige Nieuwsbrief ook een reeds in de vorige eeuw geschreven beschouwing van Henk Beentje, die tot op heden om onverklaarbare redenen op de steeds stoffiger wordende archiefplank is blijven liggen maar nu dan eindelijk de ruimte krijgt die ze verdient. Terug van weggeweest na het jubileumnummer zijn de rubrieken „Bobs Bronnen” (Bert Brandsma) en „Enkele foto’s uit ...” (Roger Schenk). Peter de Zwaan deed niet alleen drie nieuwe boeken verschijnen én een reactie op commentaar op een van die nieuwelingen, maar ook een nieuwe column; er is aandacht voor de bijeenkomst in Maarssen van afgelopen najaar, er is uiteraard weer een kort, oud en ondeugend verhaal van Willem en de hoofdredacteur liet zijn licht schijnen over de voorspelbaarheid van de boeken. Als klap op de vuurpijl verzorgde John Beringen een nieuwe versie van het na Dolle Dinsdag verdwenen blad „De GIL”. Kortom: voor elk wat wils.

Stond er dan tóch nog niet in wat u wilde? Dan hebben wij een spectaculair nieuwtje voor u: u kunt uw eigen BE-ei uiterlijk 1 december kwijt via nieuwsbrief@apriana.nl of via het in de kop genoemde postadres.





De moeilijkheid van BE
Peter de Zwaan

Twee vragen die vaak worden gesteld:
1. een boek schrijven, is dat moeilijk?
2. een Bob Evers-boek schrijven, is dat moeilijk?
De vragen zijn eerder aan de orde geweest in columns, maar dan los van elkaar en niet alle lezers zijn goed in het combineren.
Eerst vraag één: jullie zien, ik hou van een logische volgorde. Het antwoord is: nee. Een timmerman timmert, een schilder schildert en een schrijver schrijft. Als een schrijver daar moeite mee heeft, kan hij het beter proberen als timmerman of schilder.
Nu vraag twee. Het antwoord is: ja. Omdat je met zoveel dingen rekening moet houden dat je er soms dol van wordt, dingen die vaak niet te combineren zijn.
Neem het taalgebruik, dat is al met al bijsterbaarlijk aan de serie gebonden. Lezers die niet met Jan, Bob en Arie zijn opgegroeid, vragen zich soms met enige verbijstering af waar het vandaan komt.
Van vroeger.
Het zijn clichés, soms barre clichés, maar ze zijn door de schrijver zelf bedacht en passen prachtig in de serie. Het woord cliché is eigenlijk niet goed. Vervang het maar door: vondsten die een andere schrijver niet snel zal gebruiken, gloeiendeglorietreinen nogantoe.
De meeste lezers zijn als kind in BE geraakt en zijn dat gebleven, ze vinden het leuk als ze elk jaar twee keer, in 2018 zelfs drie keer, een uur of wat lekker nostalgisch kunnen doen.
Maar bij sommige lezers slaat de nostalgie wel erg hard toe. Een computer? Mag niet, was er bij Willy ook niet. Een mobieltje? Maak het nou, als Jan, Bob en Arie elkaar willen spreken vragen ze KPN maar of die een oude telefooncel wil herplaatsen. Meer dan drie boeken over hetzelfde onderwerp? Schande. Willy kwam niet verder dan een trilogie, en wat is nou vier, een quatrologie; als het woord al bestaat, is het niet te onthouden.
De groep die zo redeneert, is in de loop der jaren kleiner geworden. Een dozijntje nog, schat ik, maar dat zijn dan wel de keiharden die niet, nooit, nimmer te vermurwen zullen zijn. Ze kopen, vermoed ik, de nieuwe delen als het donker is in winkels waar het skimasker op mag blijven.
Dan de onderwerpen. Seks? Oei. Als Bob een keer langer dan twee seconden naar een meisje kijkt, krijg ik al mailtjes met schimpscheuten. Drugs? Past niet in de serie (vind ik ook). Vrouwenhandel en Me Too-gedoe? Populair de laatste tijd, maar niks voor J, B en A.
De onderwerpen die het vaakst in de kranten te vinden zijn, kunnen/mogen niet. Bedenk dan maar eens iets anders, zonder dat het oubollig wordt.
Tot zover de moeilijkheden. Als ik heb besloten dat ik ze allemaal ga negeren is een nieuwe BE weer gewoon een nieuw boek. Niks moeilijks aan. Ik ben schrijver en als ik er moeite mee krijg, kan ik altijd nog gaan, nee niet schilderen of timmeren, dat is voor mij niet weggelegd. Vakkenvullen, dat zal wel lukken. Of folders rondbrengen. Lekker in de gezonde buitenlucht en je krijgt er niet, zoals na vijf hoofdstukken tikken, gruwelijke pijn in je vingers van.





20 jaar bobevers.nl
Roger Schenk

Aangezien het vorige nummer van de Bob Evers Nieuwsbrief een jubileumnummer was, hebben wij daarin geen aandacht besteed aan het feit dat Marco Meinders’ informatieve website bobevers.nl in 2017 alweer twintig jaar bestond. Om dat heuglijke feit te vieren deed Marco een oproep aan alle fans om op 3 september 2017 naar „De Heeren van Maarssen” te komen; hij deelde ons mede dat er geen programma en geen eindtijd waren, maar dat alleen de locatie en het begintijdstip vaststonden. Uiteindelijk kwam een aantal fans – ik heb hen niet geteld, maar Marco zelf kwam tot het voor ons soort mensen „ronde getal” 32 – als verschillend gekleurde ballen op een Russisch biljart even na het middaguur in het gat Maarssen terecht.
Juist omdat er geen vastgesteld programma was, werd het erg gezellig: het tweeëndertigtal vermaakte zich uitstekend met kletsen, keuvelen en kouten. Voorzichtig wisselden enkele boeken van eigenaar en na enkele uren besloot ongeveer de helft van het aantal aanwezigen om dit genoeglijke samenzijn nog even te rekken door ook het diner te gebruiken in „De Heeren van Maarssen”. Kortom: een uiterst sfeervolle dag, waarvan ik hier enkele sfeerbeelden heb weergegeven, vijf van mezelf en eentje van Bart Koop-Henzen.










Hoe het allemaal begon
Henk Beentje

Een kort vergelijkend onderzoek over de begin-nen van de eerste dertig delen, die ik beschouw als de hard(kaft)core van het oeuvre. Ikzelf begin met een serie korte resumés van de aanvang van elk deel. Bij drieluiken zijn de tweede en derde boeken aangegeven tussen haakjes, en met k.i. bedoel ik korte inhoud. De volgorde is natuurlijk die der harde kaften, en ik hanteer de spelling die daarin ook gebruikt wordt - geen moderne spelling aan mijn lijf.

Volume/deelplaatsdatum/weerstart
I1. Amsterdam, huize Prins
          (2.) huize Prins
          (3.) huize Roos
10 Aug., rotweer
Aug.
(?)
telefoontje van Bob → Schiphol
Bob k.i. aan de kolonel
Arie k.i. aan Pa Roos
II4. Amsterdam, HBS
          (5.) Stille Zuidzee, strand
          (6.) Stille Zuidzee, invasiesloep
mid-schooljaar?
half Sept., heet
Januari?, ’s nachts
advies schoolhoofd → Esperanza
k.i. door verteller
k.i. door verteller
III7. Amsterdam, huize Roos 2e Kerstdag, 09:45, 4° C brief John Bennett: Vonnie Vassar
IV8. wegberm Amsterdam-Amersfoort
          (9.) Den Haag, politiebureau
          (10.) Napels, hotel Colossa
eind Juli, 15:15, zeer heet
eind Juli
(Aug.?), holst v.d. nacht, mooi weer
geldtekort → lift op vrachtwagen
k.i. Masters/Strauss/onze drie
Bob k.i. aan Crick
V11. Amsterdam, huize Roos eind Juli, 11:00 telegram Bob → Rotterdam
VI12. Utrecht, C.S. Pinkstervacantie, snoeiheet geldtekort; opdracht van man in Skoda
VII13. Amsterdam, Stadionsluis
          (14.) kanaal van Hansweert,
                    Waterjuffer
          (15.) Nijmegen, hotelkamer
Augustus, 14:45
Aug., ’s nachts, onweer

Aug., ’s nachts 02:15, heet
Jan ziet statiegeld
onze drie k.i. aan Pijnenburg

Arie k.i. aan Pa Roos
VIII16. Amsterdam, huize Roos (?)
          (17.) Miami, hotel Lincoln
          (18.) Trinidad, bananenboot
eind Juli, zon
heet
heet
telefoontje Masters → geheime ontmoeting
A&J k.i. aan Peraira, B k.i. met Masters
onze drie k.i. aan politie-inspecteur
IX19. Hollywood, hotel Excelsior Aug./Sept., warm Arie gaat een meloen kopen
X20. Hollywood, hotel Excelsior warm voorstel Kelly → Mexico
XI21. Mexico City, hotel Reforma eind Sept., 11:15, heet gerant vraagt om nette kleding
XII22. Pittsburgh, huize Evers
          (23.) Harrisburg, politiecel
          (24.) Pittsburgh, huize Evers
regenstorm
Sept., 22:00
eind Sept., blakerende zon
telefoontje Pa Evers → boodschap
k.i.: krantenknipsel
Bob k.i. aan Pa Evers
XIII25. Amsterdam, huize Prins herfst, prachtig herfstweer Pa Roos heeft een klusje
XIV26. Huize Van der Heide Aug., bloedheet telefoontje Schilperoort → Roosendaal
XV27. Amsterdam, huize Prins
          (28.) Humbeek, kanaalkade
          (29.) weg Antwerpen-Brussel,
                    in Ferrari
winderig
(?)

rotweer
telefoontje Pa Roos: hij heeft hulp nodig
k.i. Dick Parsons/onze drie

k.i.: Arie belt Pa Roos
XVI30. Antwerpen, trottoir dreigende wolken Pa Evers heeft een klusje

Allereerst is er het begin van het avontuur zelf; van een drieluik of een eenboeksverhaal. Het begint bijna altijd in de vacantie; dat is logisch, en combineert natuurlijk aardig met de tijd dat zo’n boek als cadeau werd gegeven (als je mazzel had, en een hele lieve tante die je begreep). De zomervacantie is het meest gebruikelijk; dat geeft de nodige armslag voor een drieluik, en daarna kunnen we weer braaf naar de schoolbanken. Kortere delen gebeuren ook wel in de Kerst- of Pinkstervacantie. Zelfs later, als het eindexamen achter de rug is, houdt dit stramien aan.
In de eerste 18 delen begint het verhaal meestal met actie: telefoontje van Bob om meteen naar Schiphol te komen; telegram van Bob om meteen naar Rotterdam te komen; telefoontje van Masters voor een geheim rendez-vous. Of pa Roos die Arie met een glas water uit bed jaagt, omdat Vonnie Vassar op bezoek komt. Maar ook geldgebrek speelt soms een rol, waardoor ze moeten liften en een krat van een passerende auto zien lazeren, of een opdracht krijgen van een Skoda-rijder. Later, van deel 19 af, wordt het begin trager, en krijgen we heerlijk lange sfeertekeningen: Arie zit vaak in het open raam, Jan doet iets handwerkzaams, Bob leest comics of kijkt TV. Een klassiek voorbeeld is het eerste hoofdstuk van deel 21, „Pyjama-rel”, waarin vrijwel niets gebeurt. Prachtig is dat.
Dezelfde splitsing geldt voor de plaats waar volumes (een drieluik, of een eenboeksverhaal) starten: tot en met Vol. VIII (de illegale immigranten-sage) begint het allemaal in of nabij Amsterdam, met een woeste uitschieter in Vol. VI (Kabaal), helemaal op Utrecht CS. De onder-delen, deel twee en drie van een drieluik, kunnen natuurlijk verderop starten, in Italië, de Zuidzee of Nijmegen; maar het principe is dat het vlakbij huis begint, zodat we zelf, wegdromend op onze kamer, ook kunnen fantaseren dat we morgenavond in Kaapstad of Hollywood zitten, telefonerend naar roomservice of vastgebonden in een kelder. Maar bij deel 19 (in het jaar nadat ze hun eindexamen haalden, dus) begint het in de Nieuwe Wereld, vier volumes lang.
Daarna starten sommige van de mooiste avonturen weer in Amsterdam - 25 en Vol. XV horen bij mijn favoriete verhalen. Is er trouwens wel eens een verkiezing gehouden, waarbij mensen hun top drie instuurden? En wat was de uitslag? Als ik zelf moest kiezen, zouden het van de enkele verhalen 25 zijn, en van de drieluiken 13 en 28. Maar wat is het moeilijk, om te kiezen. Analyseren is makkelijker!

Het is duidelijk dat de sfeertekening in het eerste hoofdstuk wordt opgezet. Regelmatig wordt de tijd duidelijk aangeduid (zie tabel), maar belangrijk is het weer. Dat is vaker spectaculair dan vaag: heet, zeer heet, snoeiheet; onweer, rotweer, regenstorm. Het meest sfeervol vind ik het begin van „Ali Roos”: rotweer, tussen Antwerpen en Brussel, in een tomaatrode Ferrari racewagen; felle koplichten door de regenstralen, slecht wegdek, sluis vooruit; Arie eet een stuk overjarige kaas, Jan heeft tienduizend gulden op zak, Bob rijdt. Meesterlijk!

In deel twee en drie van een drieluik is er de korte inhoud van het voorafgaande. Dit is natuurlijk verplichte kost, omdat je soms noodgedwongen het middelste deel eerst las. In de Stille Zuidzee-verhalen gebeurt dit door de verteller, maar daarna wordt het naadloos (nou ja) in het verhaal ingeweven, meestal omdat een boze vader gesust moet worden. Je kent dat wel: Pa Roos vindt het dat er nu wel genoeg gerausd is tussen Buiten-Mongolië en Madagascar, en roept zijn kroost terug naar het ouderlijk pand. Arie legt uit waarom dat niet direct mogelijk is en binnen vijf minuten heeft hij moeite om vaderlief buiten de boevenjacht te houden. Soms ook gebeurt de korte inhoud door uitleg aan medespelers zoals Masters, Crick Darry (wat een naam), Pijnenborg of Dick „dickhead” Parsons.

Er zijn ook links tussen sommige delen; in deel 13 vertelt de intro ons dat dit deel direct aansluit op deel 11; deel 12 wordt niet genoemd! Deel 19 en 20 noemen beide het voorafgaande deel. Deel 26 noemt 25: Schilperoort heeft nog een avontuur te goed. En deel 30 is het directe vervolg op deel 29, met overlap: verschillende zaken moeten nog opgelost worden (Fordje in de plomp, 40.000 gulden moet geparkeerd...).
Door de links te combineren met de maand waarin het verhaal speelt, komen we tot een interne chronologie. Als we de delen 4-6 tellen als het jaar Nul, dan spelen 1-3 en 7 in het jaar Een, 8-10 in het jaar Twee, 11 in het jaar Drie, 12-15 in het jaar Vier, 16-21 en mogelijk 22-25 in het jaar Vijf - dit jaar halen Arie en Jan hun eindexamen hoera hoera (deel 16); 26-30 jaar Zes. Ik concludeer dat de heren minstens zes jaar op de HBS hebben gezeten, en hun avonturen behoorlijk jong begonnen, maar een kniesoor die zich daaraan stoort.

Last and almost least is Marianne. Deze behulpzame dame komt alleen in het eerste hoofdstuk voor, een heel enkele uitzondering daargelaten. Alleen ma Roos heeft een vergelijkbare rol. Deze huiselijke toets spiegelt zich in de locatie: huize Roos, Prins of Evers komen voornamelijk in het eerste hoofdstuk voor, slechts een enkele keer dient er later iets opgehaald te worden (een pistool bijvoorbeeld) of wordt er vlug even geslapen. Dat is zoals het hoort: deze boeken zijn een perfect voorbeeld van escapisme, en daarbij dient het ouderlijk huis ontvlucht te worden - behalve als het even nodig is!

Dat was het - ik heb nog bladzijden vol met bespiegelingen, maar ik wil niet overdrijven. Wel wil ik dit verhaal over beginnen eindigen met Wordt Vervolgd - in mijn hoofd zit nog een studie over alle einden. En misschien een vergelijkende studie over de bladzij 73 in elk deel, met taalboompjes en numerologische analyse. Ik zie wel, of liever, ik hoor wel of de heren Kleppe mijn proza blijven blieven.

De vellen





Voorspelbaar geboefte
Roger Schenk

Of het nou komt door bovenstaand schema van Henk Beentje of door een opmerking van Ferry Groothedde op het veelgeplaagde Facebook, weet ik nog steeds niet helemaal zeker. Laten wij het er maar op houden dat deze twee zaken er samen toe geleid hebben dat ook ik mij aan een schema heb gewaagd. Die arme Ferry kon of wilde maar niet snappen wie welke rol speelde en wie nou met wie meewerkte in het korte verhaal „In het spoor van sollicitanten” in Peters recent verschenen eerste Bob Evers verhalenboek „Botsingen met oude bekenden”. En ja, het kan aan Ferry liggen, het kan natuurlijk ook aan mij liggen, maar ik vind dit verteltechnisch een van de sterkste avonturen van ons drietal: de manier waarop Arie keer op keer op het verkeerde besproete been wordt gezet – en wij dus ook –, is fenomenaal en redelijk uniek voor de Bob Evers-serie. Echt jammer dat het „maar” een kort verhaal is! Want, laten wij nou even wel wezen, in de meeste boeken van Willy van der Heide, maar ook in een groot aantal boeken van Peter weet de – veelal jonge – lezer vrijwel meteen wie de good guys en wie de bad guys in het avontuur zijn. Dat is helemaal niet zo’n ramp, want dat gebeurt wel meer in jeugdseries en -boeken en het is uiteraard de kracht van beide schrijvers dat de boeken toch geen moment vervelen: we weten van meet af aan wie de te bestrijden misdadiger is, maar we zijn steeds maar weer benieuwd hoe Willy en Peter erin slagen om door allerlei nevenhandelingen de overmeestering van de schurk in kwestie een trilogie lang uit te stellen. Op pagina 7 van het allereerste (hardcover)boek weten we al dat Jeffries de delinquent van dienst is, maar we lezen én herlezen met jeugdig enthousiasme en heel veel plezier de 598 daaropvolgende pagina’s tot deze Jeffries eindelijk is uitgeschakeld. Intussen hebben we dan o.a. een vliegtuigkaping, een insluiping, een speurtocht door Amsterdam, een razende race door Alkmaar en een totaal ontredderd dorp en een vrachtschip op stelten in Engeland achter de rug.

Zoals we uit de briefjesjacht-trilogie maar al te goed weten, komt er naderhand nog allerlei ander gespuis op de proppen, maar ik beperk me even tot de hoofdpersoon, aangezien – in deze trilogie – Breitstein en Barnett aan dezelfde kant staan als Jeffries. Dat doe ik bij elk avontuur; in „Tumult”, de Digazo-trilogie, „Fort B”, de Tomaten-trilogie, et c., gaat het echter om twee verschillende boeven(bendes), die niets met elkaar te maken hebben. Voor de rest beperk ik me om het eerste contact met de bedoelde boevenbende: Mark van Vliet („Circusdetective”) is natuurlijk niet de voornaamste booswicht in de Dollarjacht-trilogie, maar via hem leidt het spoor via Dausenberg, Sardoni en Bordoni uiteindelijk naar Berini.
Het wordt tijd voor de aangekondigde tabel, waarin ik laat zien vanaf welke pagina in het avontuur wij een sterk vermoeden dan wel absolute zekerheid hebben wie de galgenbrok(ken) is of zijn:

Avontuuronverlaatdeel /
pagina
vermoeden
zekerheid
citaat
I. Briefjesjacht-trilogie (1-3)Jeffries
[☞ Barnett]
1,7
1,8
vermoeden
zekerheid
„Een van de passagiers heet Jeffries. Jarvis Jeffries.”
„Die Jeffries is een gevaarlijk heerschap.”
II. Zuidzee-trilogie (4-6)Braggart c.s.4,64
4,72
vermoeden
zekerheid
„Er klopt iets niet.” „Er klopt iets helemáál niet.”
„Luister. Dit is een schip vol muiters.”
III. Tumult (7)Barclay /



smokkelaars
7,10

7,11 /

7,56

7,57
vermoeden

zekerheid /

vermoeden

zekerheid
„Nu is die directeur van dat hotel tevens mijn voogd en die beheerde dus het aandeel dat ik in dat hotel heb. Of liever: hàd.”
„Die boef van een voogd van me heeft het zo weten te draaien, dat mijn aandeel ongemerkt is weggetoverd.” /
„Dacht je dat de schoenpoetser van een hotel alle hakken met X-stralen ging bekijken?”
„Charles had bordenwasser in een hotel moeten worden. Of klerk op de griffie van een kantongerecht. Geen diamantsmokkelaar!”
IV. Dollarjacht-trilogie (8-10)Mark van Vliet
[☞ S.P. Berini]
8,17


8,23
vermoeden


zekerheid
„Ben ik hier bij Prins?”
„Dat klopt,” zei Jan, kortaf, want er was iets aan die man dat hem helemaal niet beviel.
Op het ogenblik dat Jan het licht aanknipte vloog de indringer op hem af, hem een slag tegen de keel toedienend, dat Jan hijgend naar adem in een hoek van de grote, ouderwetse schouw tolde.
V. Caravan (11)Van Seventer11,15


11,49
vermoeden


zekerheid
„Ssst! Kijk niet meteen, jongens, maar er staat een vent aan de havenkant alsmaar naar ons te loeren. Tegen die stapel kisten daar.”
De man die met een lantaren stond bij te lichten zei kortaf, in een scherp, onvervalst Amerikaans:
„Don’t be a fool!... (Wees geen ezel). Wij hebben geen tijd te verliezen.”
VI. Kabaal (12)Van Busekom12,10

12,13
vermoeden

zekerheid
„Merkwaardig,” zei hij, voorzichtig langs zijn door de felle voorjaarszon gehavende neus wrijvend.
„Is het gelukt, Hugo?”
De man met het zwarte snorretje, die Hugo werd genoemd, gaf gas en reed het smalle straatje uit.
VII. Grimbos-trilogie (13-15)Hennie Schol13,15

13,76
vermoeden

zekerheid
„Dat verhaal van die vent klopt niet. En de manier waarop hij uit zijn ogen keek bevalt me óók niet.”
Hij liet plotseling de asbak vallen, deed een snelle greep met twee handen en had Arie bij nek en pols te pakken in een deskundige greep.
VIII. Immigranten-
               trilogie (16-18)
Stevens
[☞ Peraira]
16,39

16,41
vermoeden

zekerheid
„Ik wil jullie aan boord nemen en over de Atlantische Oceaan brengen.”
„Dat is hem!” zei Masters vergenoegd. „Stevens heet hij.”
IX. Vreemd krakeel (19)trompettist
[☞ „Blatski”]
19,51

19,169
vermoeden

zekerheid
Arie besefte dat deze trompettist, met al zijn rare streken, verre van dom was.
Het kostte Arie weinig moeite, uit die vragen op te maken dat dit inderdáád de man was, die op de boodschap over de sinaasappeloogst had zitten wachten.
X. Lotgevallen (20)Porfirio Montez
[☞ Talavera]
20,42
20,85
vermoeden
zekerheid
„Een halfbloed Mexicaan uit El Paso. Montez heet hij, of zoiets.”
„Wij hebben die Montez bij de auto gelaten toen we die verbandtrommel uit zijn helicopter gingen halen.”
XI. Pyjama-rel (21)Bennie
[☞ Peraira]
21,24

21,24
vermoeden

zekerheid
En dat was ook zo: tussen de rij belangstellenden stond een betrekkelijk kleine man, met een strak en nijdig gezicht.
Toen hij zich met de koffer oprichtte, schoot het als een flits door hem heen: de nacht van de dynamietontploffing op de tafelberg! Peraira!
XII. Juwelenjacht-
               trilogie (22-24)
Specs Hildebrant
[☞ Johnny Dalmonte]
22,11


22,24
vermoeden


zekerheid
„Die hebben wat te bespreken, wat wij niet mogen horen. Het kan die vent niets schelen wat die machine speelt, zolang er maar lawaai uit komt.”
„Naar wij verder vernemen vermoedt de politie reeds lang, dat „Specs” Hildebrant de dader is van de geruchtmakende inbraak in het kapitale huis van de bankier C. W. Praed, [...]”
XIII. Vliegtuigsmokkel (25)Kees & Frank25,21

25,23
vermoeden

zekerheid
Hij vond het maar vreemde knapen, en ze waren hem véél te zenuwachtig.
„Sta stil, jullie. Handen omhoog!”
XIV. Stampij (26)Fransmannetje
[☞ Eddie Bulk]
26,23


26,74
vermoeden


zekerheid
En dat was heel vervelend voor een klein Fransmannetje dat aan het einde van de trein heel rustig in een hoekje van een tweede klas coupé had gezeten.
„Jullie hoefden alleen maar in Amsterdam op je bips te blijven zitten en wachten tot ik met de bullen kwam aanwandelen.”
XV. Schilderijensmokkel-
               trilogie (27-29)
„Koksmaat”
[☞ Kresse c.s.]
27,52

27,62
vermoeden

zekerheid
„Mijn kop eraf als die koksmaat daarbinnen er niet meer vanaf weet.”
„Jij bent de smokkelaar. Wij zijn hier op het schip om uit te vissen wie het spul overbrengen naar de United States. Op heterdaad hebben we je betrapt!”
XVI. Heibel (30)Zakaroea
[☞ Mac & Bennie]
30,56

30,64
vermoeden

zekerheid
„Simpson merkte dat hij werd gevolgd en heeft een vent in een auto klem gereden.”
„Ik heb u toch geen kwaad willen doen, wel? Ik werd ervoor betaald.”
XVII. Digazo-trilogie (31-33)Buster & Philips /





Fargas
31,37


31,37 /


32,70
32,73
vermoeden


zekerheid /


vermoeden
zekerheid
Er ontstond dat bekende moment van onzekerheid tussen twee autobestuurders die van elkaar niet weten wat zij zullen of willen gaan doen.
Zonder waarschuwing trof Arie’s hand de man naast hem in de nek.
„Naar beneden! Vlug!” /
„Bob! Er komen twee kerels het pad naar dit huis af!”
Meteen deed hij een pas voorwaarts en zijn linkerhand greep Jan bij de pols, metéén een draai gevend, niet naar buiten, maar naar binnen toe.
XVIII. Fort B (34)rebellen /



Juan Cabral
34,69

34,69 /

34,102


34,134
vermoeden

zekerheid /

vermoeden


zekerheid
„Ze hebben geweren bij zich. Ze leggen aan, ook! Die gekken zijn toch niet van plan op ons te gaan knallen?”
Vrijwel meteen klonk zwak, maar toch duidelijk herkenbaar, het snel ratelen van een automatisch wapen. /
„Juan Cabral is de vent die de kaarten met alle gegevens over de ligging van de verdwenen smaragdmijn aan die Newyorkse miljonairs van Podulka heeft verkocht!”
„Cabral! Smeerlap! Doe open!”
XIX. Ruilmatroos (35)Carlos & Manuel
[☞ Czappa]
-
35,30
vermoeden
zekerheid
-
„Hou je niet voor mogelijk, man! Wij zijn overvallen door twee stoere knapen met pistolen en die gingen er spoorslags vandoor met onze doos wasgoed.”
XX. Tomaten-trilogie (36-38)Benno & Uschi
[☞ M. Tardini] /



Lino Borrini
36,48



36,62 /
36,113
36,114
vermoeden



zekerheid /
vermoeden
zekerheid
Nog juist op tijd om de achterkant van hun vrachtwagen-combinatie vanaf het plein waarop het ding geparkeerd had gestaan, de weg op te zien zwenken, terug in de richting waaruit zij kort tevoren waren gekomen.
‘Mensch! Das ist ja etwas!’ /
‘... u weet wel, van de douane in Chiasso.’
Hij had een hekel aan alles wat op papier stond en dat was maar goed ook, want hij was dagelijks betrokken bij gemiddeld 37 zaken en daarvan konden er hooguit drie door de beugel.
XXI. Bouwbonje (39)Ian Purcell
[☞ Ben Moy]
39,62

39,63
vermoeden

zekerheid
De man had hem eerder die nacht volkomen ongeschikt geleken voor het bewakingsvak en hij wilde geen blok aan het been.
Hadden deze inbrekers te maken met de serie ongelukken waardoor de bouw was vertraagd of waren het gelegenheidsdieven die gereedschap wilden jatten?
XXII. Motorblokken-
               trilogie (40-42)
R. & W. Ebens
[☞ Klaus Schuster]
40,97

40,99
vermoeden

zekerheid
‘Dacht je dat hij voor zijn warme lol in deze houten keet gaat zitten.’
‘Het zal er wel op uitdraaien dat we vanavond uren bezig zijn met nieuwe wrakken.’
XXIII. Vakantiebussen-
               trilogie (43-45)
Bernie Ritter
[☞ Gene Archer]
43,147

43,187
vermoeden

zekerheid
Hij trekt Suzanne mee, dacht Jan en hij deed een stap vooruit. Ze wordt gekidnapt.
Hij stelde net vast dat hij de stad Detroit voor zich had toen een hand zich om zijn nek sloot.
XXIV. Feestelijke
               veldslagen
(46)
Lupe Herrera
[☞ H., J. & M. Nunez]
46,80


46,84
vermoeden


zekerheid
Misschien heb ik te maken met de meest opgewekte man die ooit in het shirtwezen heeft gezeten, maar ik heb er een hard hoofd in.
De deur ging dicht en Bob hoorde duidelijk het geluid van een grendel die voor de deur wordt geschoven. En zo te horen was het een zware grendel.
XXV. Reserve-acteur (47)Richard Milhouse
[☞ Buchanan]
47,14



47,14
vermoeden



zekerheid
Dat had hij beter wel kunnen doen, want zijn vage gevoel van onheil kreeg vlak na de entree tastbare vorm in de gestalte van een man die van top tot teen in het zwart was gekleed en die zich in volle lengte voor hem opstelde.
Het duurde zeker drie tellen voor Arie door had wat er gebeurde en het zou misschien nog langer hebben geduurd als de man geen mes had laten zien dat hij verborgen had gehouden onder zijn zwarte jas.
XXVI. Vendike-
               trilogie (48-50)
Youri van den Hout48,5

48,175
vermoeden

zekerheid
‘Baudrieux, onze man in New Orleans, had een adres, maar geen naam, in elk geval niet bij de hand.’
‘Oplichting, zei onze man. Hij gaat ervanuit dat we de oplichter opsporen, bij zijn schurkachtige kladden pakken en naar Margolin slepen, desnoods naar New Orleans.’
XXVII. Mexico-
               trilogie (51-53)
Antonio Rivas51,32


51,144
vermoeden


zekerheid
Omdat hij vrijwel ter hoogte van de chauffeur liep was het uitgesloten dat die niets wist van de wandelaar, en dat was vreemd.
‘Omdat meneer Antonio Rivas die accountant van beroep is kans heeft gezien om miljoenen dollars achterover te drukken.’
XXVIII. Dollemansrit (54)Brad Homer54,157


54,168
vermoeden


zekerheid
‘Ik heb ook aan Brad gedacht, jongens, maar ik heb het vage gevoel dat het net even anders zit. Niet veel, misschien, maar wel een beetje.’
‘Ik durf er om te wedden dat die jongen Homers zoon Brad is.’
XXIX. Nederland-
               trilogie (55-57)
Rafael Dupont /





Maikel Landleben
55,7


55,118 /


55,178


56,127
vermoeden


zekerheid /


vermoeden


zekerheid
‘[...] Ik stond gewoon naar de voorkant van het huis te kijken toen de deur werd opengerukt en een grote man zei dat ik weg moest gaan.’
De kamer waar hij werd ingezwiept had wel een deur, eentje van hardhout met serieuze sloten. En met tralies voor de twee smalle ramen die uitkeken op de achterkant. /
‘ [...] Maar ik bedoel vooral dat ik weten wil of Maikel Landleben er mee te maken had, al was het maar als financier, want dat geeft wel even een speciale kijk op zijn erfenis. [...]’
‘[...] De man wil ons in handen krijgen en wij willen dat niet. We gaan hem duidelijk maken dat hij niet van die boze gedachten over ons moet uiten tegen een man als Dennis.’
XXX. Masters-
               trilogie (58-60)
Rafael Dupont /


Maikel Landleben /


Matty Rog
[☞ Jee-em Verbaan]
-
58,11 /

-
58,11 /

58,19

58,24
vermoeden
zekerheid /

vermoeden
zekerheid /

vermoeden

zekerheid
-
‘Evenals voor diens oude maatje, de kunstschilder,’ ging Masters onverstoorbaar door. /
-
‘Ik denk dat ze ook wel luisteren naar verhalen over de man die zo bang voor hem leek te zijn.’ /
‘Helemaal, Bobbie. Ik heb me een omgekatte wagen in mijn maag laten splitsen. […]’
‘Iemand als Barend Sluiz,’ zei Jan. ‘Als het om kletsen gaat, wint hij goud op alle soorten spelen.’

De eerste zestig delen – deel 61 is het begin van een trilogie, dus die heb ik nog even buiten beschouwing gelaten – omvatten dus precies 30 verschillende avonturen: 19 daarvan komen uit Willems koker, de laatste 11 uit die van Peter.
Een tot op heden onderbelicht kenmerk komt uit deze tweedeling naar voren: bij de Willem-delen duurde het gemiddeld 47 pagina’s voor Jan, Bob en Arie een vermoeden hadden wie de dader(s) was/waren en 65 pagina’s voor ze het zeker wisten. Bij Peter de Zwaan duurt het gemiddeld 66 pagina’s tot ons drietal een vermoeden heeft en maar liefst 106 bladzijden voor ze dat zeker weten! Daarbij dient overigens aangetekend te worden dat de bengels in „Vreemd krakeel” aanvankelijk dachten dat Kelly c.s. de deugniet van dienst was; een zelfde dwaalspoor volgden ze in „Geheim agent” („Slaphoed” c.s.), in „Fort B” (Podulka), „Bizarre klussen” (Suzanne en Bill Holden) en „Dollemansrit” (Darrin Trasco) en dat gedurende vele, vele bladzijden. In „Geheim agent” en „Cnall-effecten” is het mij nooit helemaal duidelijk geworden of Buster, Philips en Fargas c.s. tot dezelfde bende behoren, maar ik heb de neiging om te denken dat het om twee verschillende boevenbendes gaat, gezien de opmerking op pagina 189 van „Geheim agent”: „Aber doch! Wij hebben zeer vele vijanden.”
Nu heeft De Zwaan er in het recente en minder recente verleden veelvuldig op gewezen dat wij de boeken te zeer als volwassenen lezen. Terecht! Willems serie verscheen voor het eerst in 1950 (copyright zelfs 1949) en pas in 1965 was hij bezig met deel 33 (en anderhalf decennium later verschenen ook nog eens de delen 34 en 35, tien jaar later gevolgd door (de eerste helft van) deel 36): de laatste zes delen van Willem hebben een ‘volwassener’ karakter dan de oudere delen: wilde hij – of z’n uitgever – het jeugdige lezerpubliek dat in 1949 twaalf jaar was vasthouden? Deze twaalfjarigen van toen waren bij het verschijnen van „Cnall-effecten” namelijk al zesentwintig! En zo heeft ook Peter bewust of onbewust (hetgeen waarschijnlijker is, gelet op zijn hierboven geciteerde verzuchting) zijn schrijfstijl aangepast aan de fans van toen die inmiddels helaas geen jeugdige lieden meer zijn. Op pagina 12 van „De jeugdboeken top 100 aller tijden. Boeken die je nooit vergeet” (Groningen/Amsterdam) stellen Everhard Huizing en Joke Linders onomwonden: „Serieboeken doen het goed, omdat die weinig eisen stellen aan de lezer, omdat er vertrouwde en dus herkenbare figuren en situaties in voorkomen.” En in het kader van het typische serieboek voor de jeugd past een plot waarin je al redelijk in het begin weet wie de aterling is (Willem!) natuurlijk een stuk beter dan wanneer je dat pas halverwege of zelfs aan het einde van het boek te weten komt (Peter!). De gemiddelde Bob Evers-lezer is anno 2018 net een „paar” jaar ouder dan twaalf, dus die zou de thriller-achtige Bob Evers-plots van Peter inmiddels op hun merites moeten kunnen beoordelen.





Recensie van deel 60 : Slot van het complot in Lot
Schout-bij-kunstlicht Spook

Inderdaad: het slot van het avontuur met Dupont en Landleben. En dat is best wel raar, want dat zou dus betekenen dat we voor het eerst in de serie niet te maken zouden hebben met een los deel of een trilogie, maar om een duologie (als dat woord tenminste bestaat). Uiteraard weet Peter de Zwaan zelf als geen ander hoe de vork in de steel zit: op zijn website beschouwt hij het avontuur met de omgekatte Mitsubishi Outlander („De magistrale misverstanden van J. Masters”) en de jacht op Landleben en Dupont in Frankrijk („Ratzelraadsels bij het château de Faux” en „Schatgraven in een stationshal”) als één geheel, door hem de Masters-trilogie genoemd. Net als in deel 58 gaan we nu dus terug naar het begin. Inderdaad: het slot van deze trilogie. In het vorige deel maakten we kennis met een zekere Bridget, een jongedame uit San Antonio, voor wie Bob te oordelen naar zijn aangebrande reacties stiekem meer gevoelens heeft dan voor pak ’m beet Masters, Cnall, Rikkers, Cree of andere helpers uit het verleden. Dankzij de aanwijzingen van „Texas-Bridget”, zoals ik haar net als Jan en Arie zal noemen, verplaatst het strijdtoneel zich van de Dordogne naar Lot. Daar ergens zou de schilderende kopiist VanderBrugghe alias Dupont ergens een station bezitten. Door een onvoorzichtige opmerking van de steeds onsympathieker overkomende Masters haast Jan zich het departement uit naar het station van Limoges (Haute-Vienne), waar hij en Arie getuige worden van het op werkelijk weergaloze wijze kaltstellen van Carolus Ratzel door Maikel Landleben, de schavuit met nog meer pseudoniemen dan Willem van den Hout.
Van de zogenaamde rechercheur Ratzel hebben de jongens (en Landleben) dus voorgoed geen last meer, van de Franse politie echter des te meer. Ze vluchten gedrieën naar Vichy (Allier), ooit een chic kuuroord en tussen 1940 en 1942 zelfs nog even een soort van hoofdstad van een soort van Frankrijk, waar in een zeer duur hotel kostelijke scènes volgen wanneer Bob en Jan Arie slachtoffer laten worden van een intensieve badkuur.
Met Jan, Arie, Landleben en Ratzel hebben we dan al een hele tijd doorgebracht op het prachtige station Limoges-Bénédictins, dus al lezende vragen wij ons een hele tijd af wanneer dat schatgraven uit de titel nou eigenlijk begint. Maar nee, voor de finale moeten wij terug naar Lot, waar het stationnetje van Dupont blijkt te liggen in een gehucht onder Gourdon, Saint-Clair. Peter schijnt een voorliefde te hebben voor die naam: in „Een festival vol verwikkelingen” kwam ook al een heuvel met diezelfde naam voor, maar dit terzijde. Bob gaat blij van zin nog even terug naar de Dordogne, om Bridget nadere info te ontlokken, maar hij wordt ernstig teleurgesteld omdat zij en haar mede-„kunstenaars” zich ontpoppen als een halve eeuw te laat geboren, dronken hippies. Toch weet hij de naam Saint-Clair aan de hippietroep te ontlokken, maar tegelijkertijd is ook Arie op geheel eigen wijze aan precies diezelfde wijsheid gekomen en die arriveert als eerste. Voor het eerst in de Bob Evers-geschiedenis duikt een burgemeester op en die zorgt ervoor dat Arie en Jan hun intrek mogen nemen in het huis van een Engelse oud-majoor, pal tegenover Duponts station. Toeval bestaat niet, heeft Willem ons altijd geleerd, dus het zal dan wel geen toeval zijn dat al in de tweede nacht dat Jan en Arie daar logeren, Landleben en enkele krachtpatsers op het anders zo verlaten stationnetje afkomen met de door hen gevangen Dupont in hun kielzog. Dat het geen toeval is, kan aardig kloppen, omdat Bob – verleid door een originele Horch P240 – zich door een kennis van Landleben in het ootje heeft laten nemen: deze Kitler (rijmt op ...) genoemde handlanger plaatst een zendertje onder Bobs auto en zo leiden Jan, Bob en Arie Landleben nota bene zelf keurig naar Saint-Clair! Na een rausj- en ragpartij wordt netjes afgerekend met alle beschikbare tegenstanders, waarna de drie jongens eindelijk beginnen met schatgraven of liever gezegd schatkangoën. Onder het beton vinden zij obligaties en contanten: de schat van Dupont. Tot intens verdriet van Jan gaat het om het spel en niet om de knikkers, dus de complete schat wordt netjes overgedragen aan de FBI.
Peter de Zwaan, „Schatgraven in een stationshal”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2018. ISBN: 9789082661217.





Recensie van deel 61 : Prangend probleem rondom de portee van preppaleis
Schout-bij-kunstlicht Spook

Vanaf het moment dat bekend werd wat de titel van deel 61 zou worden, gonsde het van de gissingen: wat zou, in naam van alles wat roodharig is, een ‘preppaleis’ zijn? Zelfs het wijze, buitengewoon honoraire hoofd van Ton Kleppe boog zich over de mogelijke betekenis van het woord. Ik weet niet of iemand het bij het rechte eind had, maar sinds eind april weten wij allemaal wat een preppaleis is, althans wat Peter de Zwaan eronder verstaat.
Iedereen roemt het feit dat de Bob Evers-serie zo „internationaal” overkomt, omdat Jan, Bob en Arie over de hele wereld avonturieren, maar toch ... stiekem vinden wij de verhalen die in Nederland spelen het leukste. Dat was al zo bij Willem en dat is bij Peter niet anders. Kortom: we zijn blij dat we weer in Nederland zijn en wel in een van de provincies die er de afgelopen 60 delen nogal bekaaid vanaf is gekomen: Drenthe. Afgezien van een hoofdstukje in „Rumoer in een rustgebied” zijn de jongens nog nooit in die provincie geweest.
Het verhaal begint echter in de hoofdstad van Overijssel, waar de jongens op verzoek van moeder Roos zijn om een ogenschijnlijk eenvoudig klusje op te knappen. Tot ieders verrassing, ook die van Arie, blijkt de redersvrouw al jarenlang contact te hebben met Tante Ginny, die we nog kennen uit „Een overval in de lucht”. En die blijkt dan weer een kennis te hebben, die in Zwolle zegt te wonen en een piano heeft verkocht; of de jongens – Jan en Arie, want Bob drukt ditmaal heel laf zijn snor! – zo vriendelijk willen zijn om te helpen deze piano naar beneden te sjouwen. Zo gezegd, zo gedaan, maar als de nieuwe eigenaar van de piano zich met geld en bakfiets meldt om de piano op te halen, barst het feest pas goed los: de kennis van de kennis van de moeder van Arie is niet wie ze beweert te zijn! Zij is een ex-scharrel van ene Freek Oltman, al beweert ze later weer dat ze een soort privé-detective is die deze Oltman in de gaten moet houden. Niets of niemand is wat of wie het lijkt in dit nieuwste deel, een eerste deel van een volgende trilogie, dus wat haar exacte rol in het verhaal is, zal in het voorjaar van 2019 pas blijken. Ik loop nu echter vooruit op de zaken – iets wat wij oud-militairen met de nodige graagte doen, vraag dat maar na aan kolonel Prins. De heer Oltman komt nog tijdens het inladen van de bakfiets thuis en vraagt niet lang hoe of wat, maar begint meteen met slaan – of liever gezegd: laten slaan door allerlei ongure types, zoals de trouwe Bob Evers-lezer er in zestig delen al zo veel voorbij heeft zien komen. De ene louche kerel is nog niet uitgeschakeld of er komt alweer een soortgenoot opduiken en met z’n allen proberen ze de reis van de piano van Zwolle naar het noorden van Drenthe te verhinderen. Dat Jan en Arie daar een stokje voor steken, spreekt uiteraard vanzelf. Dat gaat echter niet zonder slag of stoot, want de nieuwe eigenaar van de beroemde piano, waar iets mee aan de hand moet zijn – dat snappen we natuurlijk vanaf het begin van het verhaal – weigert het ding in iets anders dan in een bakfiets te vervoeren. Een koppig type dus, deze bakfiets-, piano- en preppaleisbezitter, die wel naar de naam Hotze luistert, maar niet naar de goede raad van de twee helden, die hem dringend maar vergeefs adviseren om een busje te huren. Hotze? De enige Hotze die wij niet-Friezen sinds jaar en dag kennen, kwam uit Langezwaag en was een collega van Willy en Peter. Het spoor zal in de volgende delen dus ongetwijfeld naar Friesland voeren, ook zo’n „nieuwe” provincie voor Jan, Bob en Arie. Zolang er maar geen veelkleurige racebootjes, fantaserende boerenknechten en veldwachters aan te pas komen, vind ik alles best!
En wat nou een preppaleis is? Tja, misschien moet iedereen zelf maar „Het preppaleis van de Holenman” aanschaffen om dat met eigen ogen te ontdekken!
Nieuw, maar voor de echte fans ook een beetje jammer, is dat Peter de Zwaan de boeken niet meer volledig signeert, maar alleen nog maar een paraafje zet. Dat gemis wordt echter meer dan goed gemaakt door het feit dat er geen twee, maar drie nieuwe boeken van zijn hand verschenen!
Peter de Zwaan, „Het preppaleis van de Holenman”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2018. ISBN: 9789082661224.





Recensie van het eerste Bob Evers-verhalenboek : Kortstondige comeback van een blauwogige blondine
Schout-bij-kunstlicht Spook

We kennen natuurlijk allemaal de Biggles-verzamelbundels van W.E. Johns en de Karl May-verhalenbundels en we dachten dat alleen buitenlandse schrijvers zoiets als een verhalenbundel lieten verschijnen. Nee, wacht! Carel Beke heeft ooit twee korte Pim Pandoer-verhalen geschreven; dus toch ook in Nederland! Hoe dan ook, in de geschiedenis van Bob Evers is dit een unicum: een verhalenboek! Maar liefst vier korte verhalen over ons geliefde trio, dat in drie van de vier verhalen echter los van elkaar opereert.
De officiële titel van het verhalenboek is: „Botsingen met oude bekenden”. In het eerste verhaal botst Jan Prins op oude bekenden Frank en Kees (uit „Vliegtuigsmokkel”), die inmiddels over achternamen blijken te beschikken én over een wagonlading reuzepompoenen die ze allemaal te schillen hebben met ons drietal. Jan denkt de twee Nieuwendijknozems op vernuftige wijze in de gaten te houden, maar intussen hebben zij hem natuurlijk ook al lang in de gaten. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat zij, zo gauw de kans zich voordoet, Jan in diens prinselijke nekvel grijpen en opsluiten. Jan weet zichzelf net als indertijd in de Bethaniënstraat dankzij zijn technische kennis te bevrijden.
In het tweede verhaal, dat zich in Pittsburgh/Pa. afspeelt, stuit Bob Evers op het oogverblindende blonde gangsterliefje Tootsie Griff en een broer van Pietro Rossi. Indertijd, met Jan en Arie, lukte het vrij eenvoudig om de complete bende van de Pittsburghse mafiabaas Johnny Dalmonte het hoofd te bieden, maar in z’n eentje is Bob geen partij voor inmiddels mevrouw Dalmonte en de handlangers van haar man, al haalt hij wel, zoals het de ware held van een verhaal betaamt, nog wat aardige stunts uit; daarbij krijgt hij, zij het schoorvoetend, een heel klein beetje hulp van een andere oude bekende, privé-detective Paul Hubary, die inmiddels, net als de rest van de staalstad, doodsbang is voor de mafia. De stad zelf wordt een stuk realistischer neergezet dan in de boeken van Van der Heide.
Het derde verhaal is zonder meer het leukste, want daarin heeft Arie Roos de hoofdrol. Hij helpt daarin andere privé-detective, Pijnenborg. Nu de heer Colenbrander niet meer voor hem werkt, moet Pijnenborg op zoek naar sollicitanten en het is Arie’s taak om deze sollicitanten te testen. Arie wordt van hot naar her in Nederland gestuurd en Colenbranders vrouw, Jacoba, speelt ook mee, maar dan wel haar eigen spel. Doordat het voor Arie niet geheel duidelijk is welk spelletje Jacoba Colenbrander en Pijnenborg zelf spelen, worden hij en de lezers voortdurend op het verkeerde been gezet. Arie zou Arie echter niet zijn als hij het kluwen niet op geheel eigen wijze wist te ontwarren.
In het laatste verhaal is het drietal herenigd; dit is tevens een verhaal waarin wij tot het laatst toe vol spanning zitten te wachten op die beroemde oude bekende, maar die wil maar niet komen.
Peter de Zwaan zet een storm neer die nu al minstens net zo klassiek is als de storm van de „Surfpride”, er passeren diverse personen de revue, van wie je als lezer denkt: „Aha, dat is toch zeker ...” om vervolgens tot de conclusie te komen dat het tóch niet om een oude bekende gaat. Thrillerschrijver De Zwaan zet ons wederom op het verkeerde been en dat tot het einde toe!
Al met al een aanrader, dit verhalenboek, en zeker voor herhaling vatbaar: bij voorkeur elk jaar, zodat we vanaf nu weer gewoon jaarlijks drie spiksplinternieuwe Bob Evers-boeken krijgen, net als in die goeie ouwe tijd!
Peter de Zwaan, „Het eerste Bob Evers verhalenboek: Botsingen met oude bekenden”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2018. ISBN: 9789082661231.





Reactie van de auteur
Peter de Zwaan

De eerste verhalenbundel over Jan, Bob en Arie is er, en verreweg de meeste liefhebbers van de serie bleken er blij mee. Ik zal niet zeggen dat dat onverwacht kwam, maar ervaring heeft me geleerd dat onder de geharde fans lezers zijn die niet houden van verandering. Ik begin niet opnieuw over ‘wel of geen computer’ en ‘mag de auto gemaakt zijn na de eeuwwisseling of moeten het oudjes blijven’, maar over de bundel verhalen valt toch wel iets te zeggen, want verhalen vallen buiten de oude orde. Een verhaal over het trio heeft Willy niet geschreven en dan weet je maar nooit hoe het valt.
Nu is er iets aan de hand met verhalen, iets bijzonders en wees als lezer maar blij dat je daar niet over na hoeft te denken. Ze moeten niet flauw/saai/vervelend zijn, dat is duidelijk. Als je als lezer denkt: tja, het is een verhaal geworden omdat het onderwerp te lullig is om er een boek van te maken, dan zit je als schrijver fout. Te veel verhalen zijn domweg afleggertjes. De schrijver begon, zag er na een poosje niets meer in en dacht: als verhaal kan het net en dan verdien ik er tenminste nog een stuiver mee.
Maar als een verhaal zich lijkt te ontwikkelen tot een boek dan zit je als schrijver ook behoorlijk spijt te krijgen: als ik het iets anders had aangepakt dan had ik er een mooi boek van kunnen maken, het thema is er.
Volgend jaar komt er weer een verhalenboek. De (werk)titel is: „Drie dubbele duo’s en een trio”. Een van de verhalen draaide om Jan en Bob die bij de Duitse grens een zomerhuisje op moeten knappen, maar snel te maken krijgen met ernstige vormen van pesterijen. Toen ik het verhaal klaar had, dacht ik: sufferd, dit is een heel boek waard, je bent gek als je het afdoet met een verhaal.
Ik heb een vervangend verhaal gemaakt en ga het zomerhuisje uitwerken tot een boek: deel 64, dus voor voorjaar 2020.
Terug naar de verhalen. Veel positieve reacties, maar ook een enkele negatieve. ‘Te weinig interactie tussen de jongens,’ schreef iemand. Dat lijkt een overbodige opmerking, want met één hoofdpersoon valt er weinig te interactiën, maar de achtergrond zit dieper, denk ik. Veel fans willen niet alleen Jan, of Arie, of Bob, ze willen ze alle drie, dat Willy een paar keer twee jongens liet opdraven was al erg genoeg.
En ze moeten winnen, maakt niet uit van wie. In het laatste verhaal in de eerste bundel, dat over onweer op een camping, worden ze weggestuurd. Ze druipen af, letterlijk en figuurlijk. Dat mag niet, want verliezen is geen optie. Jan, Bob en Arie vieren zege. Altijd. En of ik daar maar rekening mee wil houden.
Doe ik. Beslist. Erewoord. Ik doe het tot het moment waarop ik er anders over denk en mezelf kennende kan dat maar zo een keer gebeuren.





Liefde is vindingrijk
Henry W.

Onderstaand verhaal werd in 1950 voor het eerst onder het pseudoniem „Henry W.” gepubliceerd in Amor’s Magazine nr. 9; hetzelfde pseudoniem van Willem van den Hout kwamen we ook al tegen in het korte verhaal van Nieuwsbrief 46.
Als devies geeft de erudiete „Henry W.” het verhaal een aforisme van Joost van den Vondel mee:
                    
Het vrouwvolk ringeloort en knevelt mannekracht.

„Zo jongen, voor vandaag is het genoeg. Denk er nu aan direct flink van leer trekken. Niet afwachten maar aanvallen, steeds maar aanvallen. Punten verzamelen, zie je. Zo, dat is dat en nu praten we nergens meer over. Morgen is de grote match. Ga vroeg naar bed. Morgen zal ik je nog een uurtje masseren en dan zullen we er het beste maar van hopen.”
Beps manager steekt een grote sigaar op en verlaat met grote passen de kamer. Nauwelijks is hij weg, of de deur gaat weer langzaam open.
„Mag ik binnenkomen?”
„Ha Mary, natuurlijk lieveling. Voor jou heb ik geen geheimen.”
Met lenige pasjes komt zijn meisje binnen.
Verliefd drukt Bep haar tegen zijn naakte body.
„Fijn dat je gekomen bent, schat. Ik ga me vlug aankleden en dan gaan we ergens lekker eten. Goed?”
Een liedje neuriënd verdwijnt de jonge bokser onder de douche.
„Mary?”
„Ja?”
„Kom eens hier bij me?”
„Neen, beste jongen, zal heus niet gaan.”
„Als je niet komt, laat ik me morgen K.O. slaan.”
„Als je dat doet, kijk ik je nooit meer aan.”
„Geef m’n handdoek dan maar even aan. Toe Mary, wees nu eens lief en droog mijn rug even af. Ik heb zo’n gevoelige huid.”
„Arme stakker. We zijn anders nog niet getrouwd. Zulke dingen doet een net meisje niet.”
„Wees niet bang kindje, er komt hier geen mens die het zien zal.”
Mary vindt het toch maar secuurder om de deur even op slot te doen. Dan neemt ze de handdoek en kruipt bij haar verloofde achter het gordijntje. Eerst kijkt ze een beetje schuw, maar dan moet ze bekennen dat haar jongen toch maar een prachtige body heeft. Zo echt mannelijk. Ze vindt het heerlijk om die gebruinde rug te strelen.
„Zeg lieverd, als je nu de kraan eens dichtdraaide, kon ik je misschien afdrogen.”
„O, ja, natuurlijk. Die knop daar vlak achter je.”
Mary draait zich naar de aangeduide richting en haalt het handeltje over. Ineens stort het water als een zondvloed uit de 3 sproeiers naar beneden. In een ommezien is ze drijf en drijf nat.
„Bep .... Bep .... Help! Doe die kranen dicht. ... Ik .... verdrink!”
Maar Bep staat zo onbedaarlijk te lachen, dat hij krampen in zijn spieren krijgt. Als hij eindelijk de kranen allemaal dicht gedaan heeft, ziet Mary er uit als een poedel die te water is geraakt.
„O, wat moet ik nu doen. Lach asjeblieft niet .... zeg liever wat ik doen moet. Ik kan toch zo niet blijven staan?”
„Je zult al die natte kleren uit moeten trekken, liefste.”
„Dat kan ik toch niet doen. Wat zouden de mensen er wel van zeggen?”
„Mary, doe niet zo idioot. We hebben maling aan de mensen. Of moeten we ons nog voor elkaar schamen?”
Lachend neemt hij zijn meisje in zijn armen.
„Wij gaan toch immers volgende week trouwen, vrouwtje?”
„Meen je dat heus? Ook als je geen kampioen wordt?”
„Ook dan kleine lieve schat. Kom hier, ik zal je even helpen.”
De kleren van Mary drogen snel op bij de gloeiende geizer. Hoewel beiden eigenlijk heel geen haast meer hebben. Wat is tijd in de liefde?
’s Avonds na het diner wordt Bep, zeer tegen zijn zin naar bed gestuurd. Hij moet de volgende dag in conditie zijn.
In het andere hotel aan het einde van de straat heeft de andere bokser zijn intrek genomen. Ook hij wordt door zijn verzorgers vroeg naar bed gestuurd. Maar als hij de trap oploopt naar zijn kamer komt hem een lief slank meisje tegemoet.
Met een ondeugend knipoogje wil ze hem voorbij gaan. Jonge, jonge, wat een snoes. Jammer, zeer jammer dat hij naar zijn kamer moet.
Verlangend kijkt hij achterom en ziet een klein handschoentje op de grond liggen. Vlug raapt hij het op en loopt het meisje achterna.
„Pardon dame, is deze handschoen misschien van U?”
„Ach ja dank U”. Haar ogen kijken in de zijne en daar is de arme kerel niet tegen opgewassen. „Woont U ook in dit hotel?”
„Neen, waarom vraagt U dat?”
„Ja ziet U .... ik ben Parelle de bokser. Morgenavond moet ik een partij uitvechten en daarom sturen ze me nu al naar mijn kamer.”
„Nu al? Het is net half negen. Idioot om nu al naar bed te gaan.”
„Dat vind ik ook ziet U en nu dacht ik ..... als U nu ook in dit hotel logeerde, konden we misschien ....”
„Wat?”
„Nu ja.. ik bedoel, met tweeën is het veel gezelliger dan alleen.”
„En dus nodigt U mij uit met U mee te gaan naar Uw kamer? .... Foei!”
Maar het eind van het liedje is toch dat het meisje met hem mee naar boven gaat. Voorzichtig gluurt Parelle naar alle kanten of er geen onraad in de buurt is en dan sluipen ze beiden naar binnen.
„De deur open laten.”
„Maar dame, dat gaat toch niet? Als er nu eens iemand hier binnen komt?”
„Wat wij doen mag iedereen zien Als je de deur niet open laat, ga ik.”
„Neen schat, niet doen. Kom even bij me zitten. We drinken een heerlijk glas wijn.”
„Ik dacht dat een bokser nooit dronk als hij een belangrijke wedstrijd moet boksen?”
„Een belangrijke wedstrijd? Haha, die vent, die Bep dinges? In de eerste ronde heb ik hem in mijn zak. Wat verbeeldt die knaap zich wel?”
„Neen, voor dat kleine mannetje behoef je heus niet bang te zijn.”
„Als mijn verzorgers het zien krijgen ze een ber.... enfin.... winnen doe ik toch. Geef me nog maar een borrel. Kom je morgen ook?”
„Natuurlijk. Weet je wat ik zal doen? Ik zal je een talisman geven. Heb je die bokshandschoenen? Dan zal ik die kussen.”
„Alleen mijn sportbroekje heb ik. Je kunt beter mij kussen.”
„Neen lieve jongen, als je morgen hebt gewonnen mag je me kussen zoveel als je wilt, maar niet eerder. Waar is je sportbroekje?”
„Hier netjes in de kast.”
Het mooie meisje kust het broekje.
„Ik weet het nog beter jongen. Ik zal mijn lippen op dit stukje plastic drukken. Zo, kijk, precies de afdruk van mijn lippen. Dat plak ik hier in je broekje. Voorzichtig hoor, dat het niet loslaat. Je zult eens zien. In de eerste ronde heb je gewonnen. En dan ....?”
„En dan ....”
Voorzichtig legt Parelle het broekje op zijn plaats. Als hij omkijkt wuift het meisje hem in de deuropening goeden avond en ..... tot morgen.
De volgende avond is Carré uitverkocht. De beroemde Parelle zal zijn meestertitel verdedigen tegen een nog jonge onbekende bokser. Niemand twijfelt aan de uitslag.
Met hartelijk handgeklap wordt Bep ontvangen.
Ze willen de jongeman aanmoedigen voor de zware strijd die hem wacht. Bep is echter vol zelfvertrouwen. Bovendien heeft hij zijn meisje beloofd dat hij zou winnen. En voor geen geld van de wereld wil hij zijn aanstaande vrouw teleurstellen.
Parelle staat hoogmoedig in de ring en wuift naar alle kanten. Zijn tegenstander gunt hij amper een blik. Dat prutsventje!
Op de eerste rij ziet hij het meisje zitten van gisteravond. Hij zal haar eens laten zien wat een bokser hij is. De eerste paar ronden zal hij zo’n beetje spelen met zijn tegenstander om hem dan in de derde ronde k.o. te slaan.
De gong geeft het teken voor de eerste ronde. Fel valt Bep zijn tegenstander aan, die alle moeite heeft zijn tegenstander van zijn lijf te houden. Hij begint te zweten. En dat al in de eerste ronde. Neen, Bep Dinges is toch gevaarlijker dan hij dacht. Hij is blij dat de eerste ronde voorbij is. Vlug loopt hij naar zijn hoekje en laat zich op zijn stoel vallen.
„Au .... wat is dat!” Dan herinnert hij zich ineens het plastic pleister in zijn broekje. Zijn talisman!!! Lachend kijkt hij naar zijn meisje. Het publiek juicht echter om Bep.
„Vooruit Bep .... Vooruit Bep!”
Aangemoedigd door deze geestdriftige toeschouwers begint hij direct als de gong de tweede ronde aankondigt energiek aan te vallen.
Parelle weert zich geducht, maar.. Hij krijgt zo’n raar gevoel van onderen. Het begint te kriebelen ....
Hij schudt zijn achterste heen en weer, maar het gekriebel wordt hoe langer hoe erger. Het is of er een heel nest mieren in zijn broek zit. Telkens wil hij zijn hand even naar zijn achterdeel brengen om te krabben, maar Bep geeft hem geen kans. Op het laatst houdt hij het niet meer uit. Als een dolle rent Parelle door de ring. Hij moet even .... heel even maar krabben ....
Zijn twee handen gaan naar zijn onderlichaam. Dan ziet hij ineens een rechtse hoek naderen .... te laat ....
Met een doffe knal raakt de sterke vuist met volle kracht de onbeschermde kaak. Direct volgt nog een linkse opstoot tegen de vooruitgestoken kin. Tegen twee zulke mokerslagen is zelfs Parelle niet bestand. Als een blok stort hij bewusteloos tegen de vlakte.
„Een, twee, drie ........... acht, negen ....!”
Maar de scheidsrechter had evengoed tot honderd kunnen tellen. Buiten westen wordt de onttroonde koning weggedragen. Het volk juicht en schreeuwt zich de kelen hees.
„Leve de wereldkampioen ....!”
In de kleedkamer ligt Mary in Beps armen. Tranen van geluk staan in haar mooie ogen.
„Mijn liefste kleine schatje .... heb ik je niet gezegd dat ik zou winnen? Morgen gaan we aantekenen op het stadhuis. Mijn grootste overwinning zal mijn huwelijksgeschenk zijn aan jou.”
Mary heeft haar man nooit verteld wie hem aan de overwinning heeft geholpen. Maar als ze hem later hoort snoeven over zijn beroemde overwinning op Meester Parelle, denkt ze glimlachend aan de jeukpoeder, die ze met een plastic pleistertje in Parelle’s broekje had geplakt en hoe ze in angst had gezeten dat de pleister niet los zou laten ....





Bobs Bronnen (4) : Knodsgekke knokpartijen middels een knodskerrie.
Ofwel:
Heeft Willem van den Hout boeken gelezen, geschreven door Nienke van Hichtum?

Bert Brandsma

Jeugdliteratuur geschreven door een auteur die onder synoniem werk in trilogievorm laat uitgeven, waarin de jeugdige hoofdpersonen riskante avonturen beleven in verre oorden, waar de schrijver zelf nooit is geweest. Kaapstad, de Kalahari-woestijn, een tafelberg, amok makende olifanten, jacht inclusief omsingeling op bavianen, spiertje trekken, een overhangende rots. Af en toe Nederlandse producten of gewoontes aanprijzen en een zeker superieuriteitsgevoel beschrijven van blanke mensen ten opzichte van bevolkingsgroepen met een donkere huidskleur. Gevangen en vastgebonden worden, door slimmigheid en handigheid weer weten te ontsnappen.

Deze thema’s kennen wij, dit klinkt ons als muziek in de oren, als „we” er gemakshalve van uitgaan dat de lezers van deze Nieuwsbrief de benodigde basiskilometers hebben gemaakt in de beste werken die Willem van den Hout schreef, uiteraard gebruik makend van zijn pseudoniem Willy van der Heide.

Boeiend wordt het als blijkt dat er een vrouw is geweest die eerder, zelfs al zo’n 15 jaar voordat Van den Hout werd geboren, gebruik heeft gemaakt van exact dezelfde elementen. Nienke van Hichtum (soms ook Nynke fan Hichtum) is het pseudoniem dat geplakt werd op de werken van Sjoukje Maria Diderika Troelstra-Bokma de Boer (1860-1939). Troelstra overigens, heette ze alleen tijdens het deel van haar leven dat ze gehuwd was met de politicus Pieter Jelles Troelstra.
Haar bekendste werk is zonder twijfel „Afke’s Tiental”, vermoedelijk geschreven in 1902, voor het eerst uitgegeven in 1903. In de jaren daarvoor kwam er echter een trilogie van haar hand uit, bestaande uit de titels: (let ook even op het gebruik van alliteratie in de benaming van het eerste deel)
     -     „Oehoehoe I. Hoe een kleine Kafferjongen page bij den koning werd” (1899)
     -     „Oehoehoe in de wildernis. II.” (1900)
     -     „Een Kafferse heldin of Hoe Oezinto Oehoehoe terugvond. III.” (1901)

Verschillen met de Bob Evers-serie zijn er te over. De hoofdpersonen maken lange tijd nauwelijks iets samen mee. Sterker nog, in deel 1 en 2 is Oehoehoe het figuur waarom het draait en komt de ander nauwelijks voor, deel 3 draait hoofdzakelijk om de belevenissen van Oezintho, pas op het laatst speelt Oehoehoe weer een actieve rol.

Waar ik altijd een beetje mee heb geworsteld in deel 3 van de pocket-telling van de Bob Evers-serie, „De strijd om het goudschip”, is de beschrijving van de inlandse bevolking die de muiters op de „Frisco” aantreffen op het atol eiland. Negers, koelies, zwarten, apekoppen, schreeuwlelijkers en in de eerste editie zelfs veelvuldig nikkers of in latere uitgaven inboorling zijn de gebezigde woorden. Het gaat me nu even niet zozeer over het inmiddels totaal niet meer politiek correct zijn van deze uitdrukkingen, laten we wel zijn, van een ruig stelletje muiters kun je tenslotte niet al te veel inlevingsvermogen of subtititeiten verwachten, maar omdat ik dacht dat mensen met een echt donkere, zeg maar zwarte huidskleur oorspronkelijk uit Afrika kwamen en ik niet echt begreep hoe die op een eiland midden op de Stille Oceaan terecht waren gekomen. Na het nodige speurwerk heb ik met hulp van
Wikipedia in ieder geval het volgende bijgeleerd: „De term neger of negroïde wordt soms ook gebruikt voor de oorspronkelijke bewoners van Melanesië, die eveneens negroïde kenmerken hebben, ofschoon ze niet direct verwant zijn met zwarte Afrikanen.”.
De volgende, bijna onvermijdelijke zoekterm is dan Melanesië: „... is samen met Polynesië en Micronesië een van de drie grote eilandengroepen in de Grote of Stille Oceaan die samen met Australië, Oceanië vormen.” Willems benaming neger hoeft dus puur feitelijk bezien niet per se fout te zijn.


Van Hichtum geeft in haar boeken een veel subtielere beschrijving van de volkeren die voorkomen in het zuidelijke deel van Afrika, waar de avonturen uit haar serie boeken zich afspelen. Volgens haar is de stam der Negers slecht één van de vele volkeren die daar leefden in de tijd dat haar verhaal speelt. Ze meldt duidelijk dat dit zo’n 50 jaar eerder speelt dan dat ze het opschrijft, dus zo rond 1850. Naar haar zeggen een tijd dat een aantal stammen nog niet of nauwelijks in contact is geweest met blanke mensen. Ze benoemt de volgende bevolkingsgroepen:
     -     Kaffers
     -     Zoeloes
     -     Negers (die een duidelijk donkerder huidskleur hebben dan de andere stammen)
     -     Matabelen
     -     Amakangaos (die zich destijds nog schuldig maakten aan menseneten)
     -     Bosjesmannen
     -     Hottentotten
     -     Bamangwato’s
     -     het groote A-Bantoe-volk

Bij tijd en wijle vochten deze stammen elkaar de tent uit. Stalen elkaars vee en kinderen, namen krijgsgevangenen en verhandelden die weer aan slavenhandelaren, veelal van Arabische afkomst. Het is opmerkelijk hoe gedetailleerd Van Hichtum de groepen en hun onderlinge verschillen qua gedrag en uiterlijke kenmerken, inclusief subtiel onderscheid in huidskleur weet te beschrijven. Bovendien wordt het niet gebracht als droge kost, maar meerendeels als terloopse informatie tussen de hoofdverhaallijn, de spannende avonturen van Oehoehoe, door.
Hier valt dus wel weer een parallel met het werk van Van der Heide te vinden, die bijvoorbeeld midden in een verhaallijn een verhandeling over de werking van het differentieel wist te verwerken.

Een opmerkelijke overeenkomst is dat zowel Van Hichtum (deel 1, hoofdstuk 1) als Van der Heide, middels de muiter O’Connor, de hutten van de oorspronkelijke bewoners de bijnaam: bijenkorven mee geven: ‘Voorwaarts!’ had O’Connor geschreeuwd. ‘Verderop zullen we wel méér van die bijenkorven vinden.’ („De strijd om het goudschip”, derde hoofdstuk).
Van Hichtum: „Behalve dat de hutten der opperhoofden een beetje grooter waren dan de andere, zagen ze er allen precies gelijk uit. Van buiten geleken ze veel op platte bijenkorven.”

In Willy’s „Drie jongens als circusdetective” komt een jacht voor op een baviaan, inclusief omsingeling door de jagers. Bij Van Hichtum is zelfs twee keer sprake van een dergelijk tafereel.
De gelijkenis in naamgeving is frappant: Nienke heeft het over: „Groote baviaan of Sjakma”, waar bij Willy de baviaan Sankia heet.

Wat bij Van der Heide een min of meer subtiel element is, is het veelvuldig cafébezoek van de hoofdpersonen, inclusief nuttiging van alcoholische versnaperingen. Bij Van Hichtum wordt regelmatig bier gedronken, zelfs door één der hoofdpersonen, als hij nog maar 12 jaar is. Anno 2017 is dit nauwelijks nog voor te stellen in jeugdliteratuur, maar destijds was het kennelijk niet zo problematisch.

Deel 2 van Nienke’s trilogie, „Oehoehoe in de wildernis”, speelt net als „Een overval in de lucht” van de Bob Evers-serie, grotendeels in de Kalahari-woestijn. Oehoehoe heeft het niet makkelijk, maar weet daar toch op slimme wijze voedsel te vinden en ziet de nodige begroeiing, zij het veelal in tamelijk dorre vorm. Jan Prins en Arie Roos treffen hoofdzakelijk zand en rots aan. Dit verschil is wel te verklaren: „Jan riep uit: ‘Hout! Hier? Er is hier geen boom of struik te bekennen [...] We zitten hier in het noordelijk deel van de Kalahariwoestijn, en dat plukje zand en rotsen ...’” Oehoehoe daarentegen komt vanuit het zuiden de woestijn binnen en zit dus in een heel ander deel.

In „Drie jongens op een onbewoond eiland” wordt nogal uitgeweid over hoe de jongens aan voedsel komen, hoe ze dieren vangen, slachten, het vlees klaarmaken en de kunst van het bouwen van een kampvuur. Dergelijke gedetailleerde beschrijvingen vinden we eveneens bij Van Hichtum, die bovendien nog eens diep ingaat op de variëteit aan plantengroei die ter plekke te vinden is. Ze gaat dermate ver dat je je begint af te vragen waar ze al die kennis toch vandaan kan hebben gehaald. Zelf stelt ze duidelijk dat ze nooit in Afrika is geweest, maar zich er intensief in heeft verdiept middels kennis uit boekwerken van anderen. Dit is een methode waarvan bekend is dat ook Willem van den Hout er veelvuldig gebruik van maakte.
Pas in het laatste deel van haar trilogie, geeft Van Hintum een kleine tip: ze benoemt het werk van een zekere heer Shooter. Daaruit volgde van mijn kant een nieuwe speurtocht naar wie dat toch geweest moge zijn. Wel, dat is boven tafel gekomen, met name dank zij de zoekmachine Google en de Universiteit van California, die een exemplaar heeft laten scannen en online ter inzage heeft gezet.
Het gaat om:
     -     „The Kafirs of Natal and the Zulu country”,
geschreven door Rev. (afkorting van reverend = pater of eerwaarde) Joseph Shooter, voor het eerst uitgegeven in 1857 door E. Stanford te London. (Euh nee, NIET Stenvert....)
Betreffende eerwaarde Shooter blijkt wel zelf in het betrokken gebied te zijn geweest en heeft na langdurig onderzoek een diepgravende studie op papier weten te zetten.
Nagenoeg al haar ter zake doende kennis heeft Nienke van Hichtum aan dit specifieke boekwerk kunnen ontlenen, het vertaald vanuit het Engels en bovenal in de veel prettiger leesbare vorm van een avonturenroman voor de jeugd gepresenteerd.

Gelijkenissen zijn er, verschillen ook, met name het derde deel van Van Hichtum, dat op zichzelf weer in twee helften op te splitsen is, heeft een heel eigen karakter. Het begint met een nieuwe hoofdpersoon, Oezintho, die ook daadwerkelijk heeft bestaan en beschrijft haar avontuurlijke zoektocht om de hoofdfiguur uit boeken 1 en 2, Oehoehoe terug te vinden. De tweede helft is radicaal anders van karakter, het beschrijft de inleiding tot het huwelijk tussen de twee en wat er allemaal bij komt kijken. Dat is nogal wat, want door dit (vrijwillige) huwelijk wordt zij de slaaf van hem.
Dit soort romantische bezigheden is nogal een ver van mijn bed show voor Willy van der Heide, alhoewel hij onder het pseudoniem Sylvia Sillevis, in de drie meisjes-serie zich nog wel enigszins op het glibberige pad der liefde heeft begeven.

Bewapening

Het sterkste argument, dat gegronde reden geeft om de vraag of Willem wellicht boeken van Nienke heeft gelezen, positief te beantwoorden, is te vinden in de bewapening. In de Wanda Moens-serie komt in deel 2, „Drie meisjes en een Lord”, terloops het wapen de knodskerrie voor. Voor zover ik heb kunnen nagaan, zijn er slechts twee Nederlandse auteurs die zich hiervan hebben bediend, in geschrift en in deze spelling wel te verstaan. (Mochten er andere voorbeelden zijn van het gebruik van dit woord in de Nederlandse (jeugd)literatuur, ik leer graag bij!) Dat zijn, het moge inmiddels niet meer verbazen, Nienke van Hichtum in alle drie delen van haar Oehoehoe-serie en Willem van den Hout. Bovendien gebruiken ze beiden dit wapen doorgaans in één zin in combinatie met een ander wapen.
Wanda Moens: „... als zocht hij een knodskerrie of een ezelskakebeen.”
Nienke van Hichtum: „... hij had geen assegaai of knodskerrie!”

Laatstgenoemde is gelukkig zo vriendelijk om er uitleg bij te geven om wat voor wapens het gaat:

Assegaai – Een soort van speer, die de Kaffers overal voor gebruiken.

Knodskerrie – Dit wapen wordt gesneden uit het binnenste harde hout van de witte acacia, en Oehoehoe had ook al beproefd er een te maken met zijn scherpen steen, maar dat was hem niet gelukt.

Ongetwijfeld is deze naam een vertaling vanuit het Afrikaans, aldus volgens Wikipedia: „A Knobkierie, also spelled knobkerrie, knopkierie (Afrikaans) or knobkerry, is a form of club used mainly in Southern and Eastern Africa. Typically they have a large knob at one end and can be used for throwing at animals in hunting or for clubbing an enemy’s head. The knobkierie is carved from a branch thick enough for the knob, with the rest being whittled down to create the shaft.”

Willem gebruikt beide wapens, onder pseudoniem Willem W. Waterman, bovenal in zijn ietwat bizarre werk: „De avonturen van Waltertje Waerachtig en den wilden Waman”, (zich grotendeels afspelend in Den Haag en Giethoorn, met een vader die kolonel is geweest in Indië, denk ook aan „Varkensleren koffer”) uit 1943. Een verwarrende tijd voor Willem, maar tevens het jaar dat de publicatie startte van het eerste R(B)ob Evers-avontuur in 31 afleveringen in het blad „Jeugd” onder de titel „De avonturen van drie jongens in de Stille Zuidzee”.
     -      „De assegaaien en de Knodskerrie hangen tegen den muur van Waltertje’s werkkamer …” (eind Hoofdstuk 3)
     -      „In een heel raar zaakje vond Waltertje een tweetal Zuid-Afrikaansche assegaaien benevens een Knodskerrie.” (bladzij 53-54)

Deze overeenkomsten lijken te bijzonder om nog op toeval te kunnen berusten, bovenal: was het niet Willem zelve, die beweerde dat toeval niet bestaat?





Enkele foto’s uit Frankfurt am Main
Roger Schenk

Na een korte onderbreking van deze rubriek vanwege het jubileumnumer 50 van de Bob Evers Nieuwsbrief pakken we de draad weer op bij deel dertien in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
Na Frankfurt (Oder) in Nieuwsbrief 41 wordt het hoog tijd om bijna-naamgenoot Frankfurt am Main – door Willem overigens vrij consequent als Frankfort (am Main) gespeld – eens aan een nader onderzoek te onderwerpen.


Kaartje van Frankfurt am Main
De nummers 1 t/m 9 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.



Het zal geen enkele Bob Evers-fan verbazen, maar Arie Roos moet wel zo’n beetje Neerlands laatste homo universalis zijn: naast studies geologie (deel 34) en archeologie (deel 35) blijkt hij in deel 31, „Arie Roos wordt geheim agent”, ook nog een studie letteren te hebben gedaan! In die laatste hoedanigheid wil hij het geboortehuis van Johann Wolfgang von Goethe bezoeken, zo laat hij Franz „Slaphoed” weten. (1)



Het door Willem „„Grethenweg-Hotel”” genoemde hotel heet in werkelijkheid „Hotel am Berg”; het adres, Grethenweg 23, klopt wel, evenals als de wonderlijke constatering dat het hotel géén vierde verdieping heeft. De enorme villa, die dateert uit de Gründerzeit, maakte met haar torentje op Willem blijkbaar de indruk van een kasteeltje. (2)



„Hotel am Berg” gaat er prat op dat alle kamers in een verschillende stijl zijn ingericht. Alle kamers zijn trouwens enorm groot, een gevolg van de architectonische beperkingen van het ombouwen van een villa tot hotel: men kan nou eenmaal geen hotelkamer zonder ramen aanbieden. De vier (!) bedden in „onze” kamer waren vrij modern, maar de rest lijkt zó uit het Bob Evers-deeltje te zijn weggelopen: jaren ’50-leunstoelen, waarin je Bubi bijna ziet zitten wachten op de komst van „geheim agent” Roos, het salontafeltje, het tapijt en de dubbele wasbak (waarvan er hier slechts eentje zichtbaar is). (3)



De kans is inderdaad levensgroot dat „onze” kamer de historische kamer is waarin ook Arie Roos trachtte te slapen, want pal eronder ligt de tuin, van waaruit het een koud kunstje is om een baksteen door het raam te gooien, al dan niet met een gezellig briefje eraan. (4)



Nadat Arie onzacht gewekt is door de steen, volgt de vrolijke verwijt- en schreeuwpartij in het trappenhuis; pas dan komt Arie er achter dat er in zijn tijd geen andere gasten in het „„Grethenweg-Hotel”” zijn. Dat was in „onze” tijd wel anders. (5)



Een foto van de keuken die ten tijde van „Arie Roos wordt geheim agent” blijkbaar zeer modern was ingericht, heb ik helaas niet; maar omdat Arie, Fritzi en Bubi daar een vroeg ontbijt nuttigen, kan een foto van de ontbijtzaal van het hotel hier volstaan. (6)



En terwijl Arie (een deel van) de nacht doorbrengt in het luxueuze „„Grethenweg-Hotel””, pendelt die arme, plichtsgetrouwe Jan bij nacht en ontij tussen een parkeerplaats aan de Groβ Bockenheimer Landstraβe en het station. Langs de in werkelijkheid Bockenheimer Landstraβe geheten weg lag in die tijd tussen de flatgebouwen nog een braakliggend stuk grond dat dienst deed als parkeerplaats, o.a. voor Franz „Slaphoeds” caravan. (7)



Frankfurt Hauptbahnhof is nog steeds een zogenaamd kopstation. Willems beschrijving van het fenomeen kopstation is onovertroffen: „Dat betekent dat alle spoorbanen er vanuit één richting binnenkomen en evenwijdig aan elkaar doodlopen op een dwarsperron waar de tussen de banen rails liggende zijperrons op uitkomen zoals de tanden van een hark. Maar een hark zonder steel, dan altijd. Aan het brede dwarsperron liggen de bagagedepôts, wachtkamers, geldwisselkantoren en winkeltjes met prentbriefkaarten, asbakjes en andere min of meer monsterlijke souvenirs van Frankfort en omgeving. Aan beide zijden heeft dit hoofdperron uitgangen, die evenwel heel verschillend zijn. Via de ene uitgang wordt de reiziger zonder veel fratsen of omhaal meteen de straat op gespuid als afvalwater uit een riool.” (8)



In de even beroemde als prachtige Palmengarten bevinden zich naast uiteraard palmen paviljoens, theehuizen en een vijver waar geheim agenten in spe al waterfietsend rustig kunnen overleggen: „Kunnen we rustig praten en het is gezond ook nog.” ... De eerste zwanen kwamen juist van achter een groep struiken met gele bloemen eraan te voorschijn glijden, toen Arie zijn verhaal startte. (9)







De Nieuwe GIL
John Beringen

Terug van weggeweest:
Politiek satirisch en volkomen
onafhankelijk blad voor
Nuchtere Nederlanders
De Nieuwe GIL Eerste nummer,
gratis ter kennismaking

3 juni 2018

Van de redactie: Eenieder die dacht dat De Gil was uitgegild, komt bedrogen uit. Toegegeven: het blad stierf in 1944 een stille dood, maar is weer terug en beter dan ooit te voren. De politieke ontwikkelingen van de 21ste eeuw schreeuwden – om niet te zeggen: GILDEN – om een nieuw, volkomen onafhankelijk blad waarin datgene wordt gepubliceerd waar andere uitgaven angstvallig over zwijgen. Het is met gepaste trots dat wij u nieuws kunnen presenteren dat u nergens anders zult aantreffen. Zaken over sponsoring en adverteren zullen in één van onze volgende edities uitgebreid aan de orde komen.


Wie zei dat Willem W. Waterman alles verzon?

CARENTAN/WIJK BIJ DUURSTEDE – In de Gil van 20 juni 1944 werd melding gemaakt van de zg. „Riool-robot”, zijnde een geheim wapen van de geallieerden. Een leuk grap, zo meende iedereen. Edoch... in het riool van Carentan werd echter daadwerkelijk een exemplaar aangetroffen. De robot bleek in deplorabele toestand te verkeren en werd overgebracht naar de Nederlandse professor Borghesius, de autoriteit op het gebied van de cybernetica. Deze is er in geslaagd om de robot weer 100 % functioneel te maken. Meer nieuws volgt.

Uitgelekt: Absurde Europese maatregel

BRUSSEL – In het Europarlement werd onlangs gesproken over de zorgwekkend stijgende ziektekosten. Aldaar heeft men geconcludeerd dat veel ongelukken ontstaan door voetgangers, in combinatie met slecht schoeisel.
Daarom wordt, zo is vernomen, in 2020 de Pedestale verkeerspolitie opgericht die voetgangers, op straffe van hoge boetes, zal controleren op voldoende profiel op de schoenzolen, deugdelijk vastgemaakte veters en duidelijk zichtbaar burger-servicenummer op de achterzijde van de hak, hetgeen m.i.v. 1-1-2020 verplicht zal zijn binnen alle Europese lidstaten.
Schoenfabrikanten uit Nederland, Duitsland, Italië en Frankrijk hebben al aangekondigd in verzet te gaan tegen deze maatregel.


Oproep:

Kunt u nog gillen? Gil dan mee. Want er moet meer en meer gegild worden omdat u, lezers, de ogen en oren vormen van deze onovertroffen krant. Schroom niet om nieuws, hoe absurd ook, aan ons kenbaar te maken. Wij vormen het platform voor allerlei zaken waarover gegild MOET worden. Het spreekt uiteraard vanzelf dat discretie, indien gewenst, in acht zal worden genomen.


(advertentie)

Wilt u genieten van een echte borrel? Dat kan... want DE OUDE GIL is weer leverbaar. Vraag er naar bij uw slijter. Hij weet er alles van. PROOST!

Opmerkelijke primeur in Theater Carré

AMSTERDAM – Bij het ter perse gaan van dit nummer is bekend geworden dat toneelgroep „De leukste thuis” in het komende najaar in het bekende theater Carré een politieke klucht in drie bedrijven, getiteld „Graai, graai, graai” zal opvoeren. Nadere details ontbreken nog, maar wel is bekend gemaakt dat de regie in handen zal zijn van Mark Rutte en dat de stunts alsmede de speciale effecten zullen worden verzorgd door Jesse Klaver.
„De leukste thuis” heeft laten weten dat „Graai, graai, graai” een hoogstandje is in de geschiedenis van het Vaderlandse toneel. „Veel Nederlandser kan het niet,” aldus de voorlichter. Behalve AIVD’ers is iedere bezoeker welkom.





Bladzijde 2 De Nieuwe GIL 3 juni 2018



PVV: Naast sollicitatieplicht ook kennismakingsplicht

DEN HAAG – Geert Wilders, fractieleider van de PVV, diende onlangs een motie in binnen de bijstandswetgeving: kennismakingsplicht. „Iedereen vindt het gewoon dat bijstandsgerechtigden moeten voldoen aan de sollicitatieplicht,” zo laat hij weten. „Dat is een voorwaarde die wordt opgelegd door Sociale Diensten om aanspraak te maken op een uitkering. Maar Sociale Diensten kunnen ECHT sociaal zijn als zij wat doen aan het isolement waarin de meeste alleenstaande bijstandsgerechtigden verkeren: de kennismakingsplicht. Enerzijds help je zo mee aan een extra stukje geluk voor de betrokkenen en anderzijds komt dit het budget voor de uitkeringen ten goede. Er liggen zoveel kansen. Het enige wat men hoeft te doen, is mannen en vrouwen uit de uitkering sorteren op leeftijd en kennis te laten met elkaar. Als hier dan een relatie uit ontstaat, kunnen de twee vervolgens gaan samenwonen waardoor er slechts één wat grotere uitkering hoeft te worden verstrekt i.p.v. twee kleine. Dat is de eerste winst. Daarnaast komt er zo per geslaagde actie een woning vrij waardoor de woningnood ook iets minder wordt.” Hij voegt er aan toe dat e.e.a. natuurlijk wel zorgvuldig dient te geschieden. „Je kunt uiteraard niet zomaar twee mensen bij elkaar gaan brengen; er moeten wel wat overeenkomsten zijn. Als beiden bijvoorbeeld graag naar GTST kijken en ze houden allebei van Chinees eten dan ben je al een aardig eind op weg met een succesvol gearrangeerde relatie.”
DIVOSA (het overkoepelende orgaan van alle Sociale Diensten, red.) heeft laten weten niet geheel negatief tegenover dit plan te staan.


Mededeling:
Binnenkort ook „Gil-TV”.
Lees er meer over in de volgende editie.

„De vervuiler betaalt” geldt niet langer alleen voor automobilisten

AMSTERDAM – de fractie GroenLinks van de Amsterdamse Gemeenteraad heeft zich gebogen over de zorgwekkende toename van uitlaatgassen in de Amsterdamse binnenstad. „De auto vervuilt” laat de voorzitter weten. „Maar we moeten voor alle eerlijkheid ook e.e.a. van de andere kant bekijken.” Ter illustratie verwijst hij naar de oversteekplaatsen waar voetgangers middels een drukknop het verkeerslicht voor de auto op rood kunnen zetten om vervolgens zelf veilig te kunnen oversteken. „Een auto vervuilt het minst als deze gewoon met een constante snelheid kan doorrijden. Maar in het zojuist geschetste voorbeeld ontstaat de situatie dat een auto moet stoppen, enige tijd stil moet staan om vervolgens weer op te trekken. DAT levert extra vervuiling op. Wij willen die faciliteit met de drukknop uiteraard niet afschaffen. Neen... de drukknop dient te worden vervangen door een muntautomaat waarin men één Euro moet deponeren om het voetgangerslicht op groen en het verkeerslicht op de rijbaan op rood te zetten. Je zou dan kunnen spreken van een „eigen bijdrage veilige oversteek”.”


(advertentie)

We kunnen het WEL leuker maken
Omdat de belastingdienst af wil van het eeuwige imago van boeman, organiseert deze dienst een loterij. „Uw burgerservicenummer is uw lotnummer,” zo laat de dienst weten. Prijzen: o.a. geen vervolging bij maximaal 40 uur zwart werk.





Van de redactie:
Toen wij zo hier en daar bekend maakten dat er een Nieuwe GIL zou verschijnen, kregen wij regelmatig de vraag waarom dit blad na ruim 70 jaar weer zo nodig opnieuw het levenslicht moest zien. Het antwoord is heel eenvoudig: Omdat er meer en meer gegild moet worden.

Verwarde man aangehouden

AMSTERDAM – Het personeel van het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis keek heel raar op toen zich aldaar vorige week een man aandiende met een metaaldetector, een pneumatische hamer, een spa en nog wat ander onduidelijk gereedschap. De man maakte een uiterst verwarde indruk en verklaarde dat hij een gat in de keukenvloer wilde maken omdat er zich op die plaats op ongeveer anderhalve meter diepte een zinken koker zou bevinden die in december 1972 aldaar zou zijn begraven vlak voordat het horeca-etablissement op die plaats opgetrokken zou worden. Die koker wilde hij opgraven. Een normaal gesprek met de man bleek niet mogelijk zodat de politie werd gebeld die zich vervolgens over hem ontfermde waardoor de rust wederkeerde.


OPSPORING VERZOCHT!

DEN HAAG – In het afgelopen weekeinde is restaurant ’t Gouden Hooft ernstig gedupeerd door een bezoeker die aldaar een flink aantal alcoholische consump-ties nuttigde en vervolgens het etablissement verliet zonder te betalen. Op grond van getuigenverklaringen is bovenstaande compositie-tekening samengesteld.
Signalement: ruim 1,90 m lang, kalend, grote snor, bril en luide stem. Mensen die mogelijk weten wie deze man is, wordt verzocht contact op te nemen met de politie of de directie van het genoemde horeca-etablissement.

Opmerkelijk voorstel van de Socialistische Partij

DEN HAAG – Dat het opstellen van de begroting voor de regering vaak een bron is van veel touwtrekkerij waarbij regelmatig zg. „proefballonnetjes” worden opgelaten, mag algemeen bekend zijn. De SP kwam echter met een heel wonderlijk idee om ’s lands financiën op orde te krijgen. Dat bestond uit het te koop zetten van de Nachtwacht en de Gouden Koets. Het leverde veel commotie op in de Tweede Kamer. Toen de rust was weergekeerd, liet de zegsman weten dat er voor de Nachtwacht veel interesse bestond bij een niet nader te noemen, en zeer financieel draagkrachtige, persoon in het Midden-Oosten en dat een vooraanstaande politicus uit Suriname heel graag een bod wilde doen op de Gouden Koets om die vervolgens te verhuren voor trouwerijen. Vooralsnog ziet het er naar uit dat dit voorstel niet aangenomen zal worden.


OPROEP:

Met het oog op het te verwachten grote aantal abonnementen van De Nieuwe GIL zoeken wij nette bezorgers of bezorgsters. Goede verdiensten. Mensen die in de komende periode voor ons willen flyeren, zijn overigens ook welkom.





Bladzijde 3 De Nieuwe GIL 3 juni 2018


Figuranten gezocht

AMSTERDAM – Regisseur/producent J.O.C. Murgatroyd heeft bekend gemaakt een nieuwe film op te nemen met als titel „Hij was altijd al gek.” Hiervoor worden enige tientallen figuranten gezocht voor een scène in een gekkenhuis.
Van de kandidaten wordt verwacht dat deze op geloofwaardige wijze een gestoord persoon kunnen neerzetten. De voorkeur gaat daarom uit naar ex-politici die zowel uit de landelijke, provinciale als gemeentelijke politiek afkomstig mogen zijn. In onze volgende editie zal bekend gemaakt worden waar en hoe men kan reageren.

Schrijven is moeilijker dan u denkt...

UTRECHT – Achteraf kunnen de medewerkers van uitgeverij Bizar er wel om lachen, maar de man die vorige week aldaar stennis kwam schoppen omdat zijn verhaal niet werd gepubliceerd, leeft binnen het bedrijf wel voort als „iemand die niet helemaal van deze wereld is”, zoals men het aldaar met een scheve grijns formuleert. Wat was er aan de hand? In de decembermaand had Bizar een verhalenwedstrijd georganiseerd met als thema „De ideale Kerstgedachte”, waarbij de tien beste verhalen zouden worden gepubliceerd in een verzamelbundel. Nadat de namen van de winnaars bekend werden gemaakt, kwam echter één inzender verhaal halen omdat hij daar geen deel van uitmaakte. „Schrijven is moeilijker dan u denkt,” laat één van de medewerkers weten. „En sportief verlies accepteren eveneens,” vult zijn collega aan. „De man begon zijn verhaal nog relatief rustig met de opmerking dat wij, als wij gevoel voor kwaliteit zouden hebben, zijn niet minder dan briljant te noemen verhaal heus wel hadden gepubliceerd, maar de verwensingen aan ons adres die daarna uit zijn mond kwamen, zal ik u besparen, maar ik kan u verzekeren dat hetgeen de man ons tussen neus en lippen naar het hoofd gooide, niet helemaal strookte met de Kerstgedachte. En dan druk ik het nog heel netjes uit,” besluit hij.

De Nieuwe GIL

Tel mee en lees De Nieuwe GIL.
Dit blad kent geen taboes en legt de vingers op plekken die door de andere media angstvallig worden gemeden.
Zij kunnen voortaan de pot op... behalve de doofpot natuurlijk want die breken wij genadeloos open.


Wonderlijke geluidsoverlast...

WASSENAAR – Een 58-jarige man heeft wel een héél bijzondere bekeuring gekregen wegens geluidsoverlast. De man had vorige week meegedaan aan een weddenschap waarbij hij binnen een bepaalde tijd 3 liter Coca-Cola moest drinken. Die weddenschap won hij. Alleen moest hij hierna zo vaak en hard boeren dat het tweejarige zoontje van zijn buurman regelmatig huilend van schrik wakker werd en de labrador – eveneens deel uitmakend van het gezin – iedere keer aansloeg. De buurman belde hierop de politie die poolshoogte kwam nemen. De gezagsdragers waren in eerste instantie van mening dat e.e.a. wellicht schromelijk overdreven was, maar kwamen op andere gedachten toen zij zelf hoorden welk een lawaai regelmatig vanuit de naastgelegen woning te horen was. Ze brachten een bezoek aan de boerende buurman. Het geldbedrag dat deze man met zijn weddenschap had gewonnen was toereikend om ongeveer de helft van de opgelegde bekeuring te betalen.

CADEAU-TIP

Dames... vreest u een huwelijkscrisis omdat u bent getrouwd met een man wiens humeur regelmatig te wensen overlaat? Geef hem dan een abonnement op De Nieuwe GIL cadeau en u zult zien dat zijn stemming met sprongen stijgt.

(OPROEP)

Bent u ook zo ontevreden over het weer?
Volkomen terecht, want niemand DOET er wat aan.
Blijf echter niet mopperen maar laat uw stem horen. Dien een klacht in bij het KNMI.




Gilletjes... rubriek voor, door en over kinderen.



Teken een nieuwe bril voor Mark Rutte



Jongens en meisjes: hier zien jullie onze minister-president zonder bril. Teken een nieuwe bril op zijn neus. Knip dit vierkantje uit, doe er een papiertje bij met daarop je naam, adres en leeftijd en lever het in bij één van de mensen die op straat flyeren met De Nieuwe GIL. De meest originele inzendingen worden beloond met een leuke prijs.

Zou jij ook wat willen schrijven in De Nieuwe GIL?

Nou, dat kan, hoor. Als je niet ouder bent dan 14 jaar, dan mag je van alles inleveren. Dan kijken wij op de redactie of het voor publicatie geschikt is. Wees niet boos als jouw stukje niet geplaatst wordt want we zullen natuurlijk heel veel inzendingen ontvangen en de ruimte is (nog) beperkt. En wat zou je kunnen schrijven? Alles mag: leuke, gekke of bijzondere dingen die je meemaakt op school, maar ook iets over een bijzondere hobby kan heel leuk zijn. Je mag ook over ernstige dingen schrijven. Bijvoorbeeld wat jij zou veranderen als jij de baas van Nederland was of welk merk chips jij het lekkerst vindt. En weet je even niks? Praat er dan over met je ouders of de juf of meester op school. Die kunnen je vast aan nuttige ideeën helpen en beslist willen meewerken als je vertelt dat je wat voor De Nieuwe GIL wilt schrijven. En als wij wat van jou plaatsen, kunnen wij jou – als je dat leuk vindt – ook interviewen voor dit blad. Het zou toch heel stoer zijn als jij zelf een keer in De Nieuwe GIL verschijnt? Iedereen zal trots op je zijn!

Pinokkio ernstig ziek

Het zit onze vriendelijke Pinokkio niet mee.
Eerst constateerde men houtworm in zijn gewrichten en nu verkeert hij ook nog in een depressie omdat politici nooit lange neuzen krijgen. Wij wensen hem veel beterschap.





Bladzijde 4 De Nieuwe GIL 3 juni 2018


VAN HOREN ZEGGEN ...

Een oud spreekwoord zegt: „Waar rook is, is vuur”. Soms is er echter ook sprake van een situatie waarin er wel vuur is, maar geen rook. We spreken dan van een gerucht. Of zo men wil „De zucht van een gerucht”, om een term te gebruiken die de oplettende lezer wellicht zal herkennen uit één van de edities van De GIL van heel lang geleden...
Maar dit even terzijde. Waar het hier om gaat, is het feit dat er soms berichten opduiken waarvan de herkomst niet helemaal duidelijk is en waarvan men zich afvraagt of e.e.a. wel authentiek is en/of op waarheid berust. De redactie is desondanks van mening dat deze geruchten wel dienen te worden vermeld waarbij wij benadrukken dat wij op geen enkele wijze aansprakelijk gesteld kunnen worden voor eventuele gevolgen, voortkomend uit de berichtgeving in kwestie. Wel willen wij hieraan toevoegen dat wij uiteraard in een latere editie nader terug komen op één of meerdere onderstaande als blijkt dat het gerucht juist blijkt te zijn.


Deeltijd-detentie

Het groeiend cellentekort baart Justitie al geruime tijd ernstig zorgen. Men meent daar echter wat op gevonden te hebben waarmee men zowel „kolen als geiten” weet te besparen. De effectieve methodiek in deze zou de zgn. „deeltijd-detentie” zijn die in eerste instantie zal worden toegepast op gevangenisstraffen van maximaal twee maanden.
Hoe werkt dat in de praktijk? Voorbeeld: drie personen krijgen een gevangenisstraf opgelegd van 1 maand. Er is echter één cel beschikbaar. Dan krijgen we de situatie waarin veroordeelde 1 gaat zitten van 00.00 – 08.00 u, veroordeelde 2 van 08.00 – 16.00 u en veroordeelde 3 van 16.00 - .00.00 u.
Nadeel is dat het uitzitten van de straf voor de veroordeelde drie keer zoveel tijd in beslag neemt, maar het voordeel is weer dat deze straf kan worden uitgezeten naast een baan en de veroordeelde dus niet na het uitzitten van de straf naar het arbeidsbureau of de reclassering hoeft omdat men inmiddels zijn of haar baan heeft verloren. Op het eerste gezicht bizar, maar zo wordt de kans op recidive aanzienlijk verkleind.


Autorijden moet „anders”

Het mag algemeen bekend zijn dat de BOVAG en de politiek het vaak oneens zijn als er maatregelen worden geopperd die nadelig kunnen zijn voor de automobilist. Toch heeft ook de BOVAG nu erkend dat het fileprobleem onrustbarende vormen aanneemt. Een voorstel dat – bij niet nader genoemde – autofabrikanten ingang lijkt te vinden, is het produceren van auto’s waarin men niet zit, doch alleen kan staan. Het voordeel in deze zou bestaan uit het feit dat een auto dan niet groter hoeft te zijn dan 2,5 meter, waardoor de lengte van de files wordt gehalveerd en het aantal beschikbare parkeerplaatsen in steden wordt verdubbeld. Een ander punt is dat autorijden zo een wat meer inspannender bezigheid wordt waardoor men wellicht wat selectiever zal omgaan met het gebruik van de auto en sneller zal kiezen voor het openbaar vervoer waar men WEL kan zitten. E.e.a. houdt overigens wel in dat de capaciteit van het openbaar vervoer wellicht vergroot zal moeten worden, maar met de fysieke ruimtewinst op de wegen zal dat niet zo’n groot probleem vormen.


„If you can’t beat it, join it”

Een probleem dat iedereen kent, maar waar niemand over wil praten: corruptie bij overheidsinstanties. Het bestond, bestaat en zal altijd BLIJVEN bestaan, of wat dat nou leuk vinden of niet. De VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten – overigens niet te verwarren met „DNG”, want dat staat uiteraard voor „De Nieuwe GIL” – red.) kent de trefwoorden binnen deze materie maar al te goed: steekpenningen, smeergelden, vriendjespolitiek... enz. „Gelet op het feit dat wij koffieshops gedogen, waar softdrugs worden verkocht, moet er ook een dergelijke aanpak mogelijk zijn m.b.t. tot deze kwestie,” zo redeneert de VNG.
„Procedures om ambtenaren, die in de fout zijn gegaan, te vervolgen zijn tijdrovend en kostbaar. Daarnaast speelt ook nog het feit mee dat het ambtenarenapparaat hierdoor op lange termijn behoorlijk uitgedund zou raken en het is NU al zo moeilijk om alle werkplekken met capabele mensen bezet te krijgen en te houden.”
Het voorstel blijkt te bestaan uit de methodiek dat ambtenaren die op de een of andere manier beter worden van een laakbare handeling verplicht moeten worden tot het verstrekken van spaarzegels aan burgers die hen onder de tafel geld of goederen toestoppen in ruil voor een voorkeursbehandeling, een verleende gunst, etc. Het „voor wat, hoort wat” zou dan wat rechtvaardiger en meer ter algemene nutte uitpakken omdat een volle spaarkaart dan bijv. recht kan geven op het bezoek aan een museum of pretpark. De VNG laat weten op dit idee gekomen te zijn na het lezen van het boek „Willem Waterman en het Konkelbergproces”, geschreven door ene J.J. Beringen.








Nieuwsbrief 50
Nieuwsbrief 51 als pdf
Nieuwsbrief 52
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina