Nieuwsbrief nr. 52
ISSN 1386-6451
januari 2019 - 26e jaargang nr. 1



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Column: Verhalen en voornemensPeter de Zwaan
Bobs Bronnen (5) : Manipulaties met een mijnRoger Schenk
Stationsstraat 26B, AmersfoortJohn Beringen
Café Sport: wat we wistenRoger Schenk
Café Sport: wat we niet wistendrs. F.F.M. Repko
(Gast)column: De wraak is zoetPaul Alberts
Over vrouwen …John Beringen & Roger Schenk
De droomkiesWilly van der Heide
Enkele foto’s uit ZürichRoger Schenk
De Nieuwe GIL 2John Beringen




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen

2019.

Allereerst natuurlijk de beste wensen voor het nieuwe jaar van de gehele redactie: Hans, John, Roger en Ton.
2019 is alweer een tijdje onderweg en het belooft minstens net zo’n prachtig jaar te worden als bijvoorbeeld 1954 of 2018: er zullen in één jaar namelijk drie nieuwe Bob Evers-boeken verschijnen. Voor de eerste maal kunnen wij hiernaast het aanminnige gelaat van tante Ginny aanschouwen; zij duikt voor het eerst sinds „Een overval in de lucht” weer op om een belangrijke rol te spelen in deel 62, „De gouden greep van tante Ginny” en 63, „Deining rond een drafbaan”. Daarnaast zal Peter de Zwaan de tweede Bob Evers-verhalenbundel uitbrengen onder de titel „Een trio en drie dubbele duo’s”. Honi soit qui mal y pense, jongens: de titel slaat gewoon op het aantal jongens en tegenstanders dat per verhaal optreedt: een van die verhalen speelt in Nederland, twee in „Trumpistan” en het vierde op Bermuda. Blijkens volgend mailtje van Uitgeverij Zwarte Zwaan aan de corrector zijn de feestelijkheden in volle gang: Dank voor de drie boeken, het moet weer heel veel werk zijn geweest, maar weet dat je niet alleen onze dank hebt, maar ook die van Bob E., Jan P. en Arie R. Ze vinden het plezierig als ze tussen de avonturen door foutloos door het leven kunnen gaan.
Laat het maar snel april worden, dus: niet meer dat weertype waar alleen rayonhoofden en hun fans blij van worden, maar aangenaam lenteweer, dankzij de laatste stuiptrekkingen van de zomertijd heerlijk lange voorjaarsavonden en dankzij Onze Man Uit Meppel drie nieuwe meesterwerkjes om van te genieten!
2019 is óók alweer een jaar vol mijlpalen: de genummerde pdf-versie van de Nieuwsbrief passeert het magische aantal van 1000 pagina’s. Laat dat eens even op u inwerken: meer dan duizend bladzijden boordevol zin en onzin over onze geliefde serie! Deze maand is het ook 75 jaar geleden dat het satirische tijdschrift „De GIL” verscheen; vanaf aflevering 4 werkte een zekere Willem W. Waterman mee aan dat blad. Deze zelfde Willem W. Waterman bedacht de term „Dolle Dinsdag”, op 5 september a.s. óók 75 jaar geleden. Een kleine twee weken later is het driekwart eeuw geleden dat de zo tragisch verlopen Slag bij Arnhem begon, een feit dat natuurlijk niet alleen in Bob Evers-kringen wordt herdacht; wel zijn wij in zo verre apart, dat wij weten dat Willem tien jaar na de slag onder het pseudoniem Victor Valstar het epische gedicht „De slag bij Arnhem” schreef en later C.B. MacKenzie’s relaas over de slag, „It was like this!”, vertaalde. In oudere drukken staat de naam van de vertaler: Willy van der Heide, in de wat nieuwere drukken niet meer.
2019: een bijzonder jaar en dat is het!

Met „Bombarie” heeft het weinig te maken, maar toch ...

Op 17 januari 2019 werden wij opgeschrikt door het bericht dat de brug van Humbeek ontzet is; dat is nog eens wat anders dan een ontzette Spanjaardsbrug! Naar verluidt, stond de brug open om een schip te laten passeren, maar had het hefbare deel duidelijke haast om weer te dalen en overzag het een tweede schip, de Maranta, die vol werd geraakt. De schade aan schip, brug en seinhuis lijkt volgens de eerste berichten zeer groot, maar gelukkig deden zich geen persoonlijke ongelukken voor. Wie „De Maritiem” over wil steken, moet omrijden via de Verbrande Brug in Grimbergen of de Jan Bogaertsbrug in Kapelle-op-den-Bos.
Daarmee is de situatie, zoals die ten tijde van „Bombarie om een bunker” (en „De smokkelvaart van de ‘Maia’”) bestond, op hardhandige wijze in ere hersteld: het huis van Kresse lag ongeveer vier kilometer ten noorden van Humbeek, maar om daar te komen, dienden Jan, Bob, Arie en Dick Parsons eerst vier kilometer naar het zuiden te rijden, een voorloper van de Verbrande Brug te passeren om vervolgens weer acht kilometer noordwaarts te koersen. De oorspronkelijke brug, die de twee dorpshelften van Humbeek met elkaar verbond, was in de oorlog vernietigd, en de huidige brug van 38,4 meter lengte werd pas in 1968 gebouwd. Aan het filmpje Humbeek, Strombeek, Grimbergen zoals het vroeger was! ontleenden wij drie van de volgende foto’s, die de situatie van vóór de meidagen van 1940 laten zien. De tramlijn Brussel-Humbeek, die nog te zien is op twee foto’s, werd eind 1961 vervangen door een bus.


De recente schade aan de Humbeekbrug, zoals de brug heel treffend, maar ook heel onorigineel heet.


De oude brug, die in de Tweede Wereldoorlog werd verwoest; uiterst links zien we de tram, die veel Brusselaars voor, maar vooral ook tijdens de oorlog gebruikten om in Humbeek de markt te bezoeken.



De oude brug was een ophaalbrug en lang niet zo lang en breed als de huidige Humbeekbrug.


Tussen het afgebrande huis van Kresse en Antwerpen lag ook vroeger al een sluis, waarvan Jan, Bob en Arie aan het begin van „Ali Roos als Arie Baba” de lampen van verre zien opdoemen.



Bovenwoning van Willem en Wiesje resp. Luuk van Genderen verkocht.

In de maand december 2018 is de bovenwoning aan de Stationsstraat 26B te Amersfoort verkocht. In het huidige tijdsgewricht betekent dat een dergelijke woning op funda.nl verschijnt en zoals wij inmiddels allemaal weten, biedt deze onvolprezen website zowel de serieuze historicus als de ordinaire gluurder ongekende mogelijkheden. Wij weten niet in welke categorie u de redactie van de Nieuwsbrief wenst te plaatsen, maar kijkt u gerust even met ons mee.
Allereerst vernemen wij dat de woning van de hand is gedaan voor de lieve somma van 285.000 euro. Ten tweede constateren wij dat het huis een heel stuk groter is dan je aanvankelijk zou kunnen afleiden uit de beschrijving van Luuk van Genderens woning in „Drie jongens als circusdetective”: de manke valsemunter bezat op de eerste verdieping een voorkamer, die ingericht was als zitkamer, en een achterkamer, die fungeerde als slaapkamer. Ook in de tijd van Willem en Wiesje (4 oktober 1940 - 3 maart 1941) was er sprake van een voorkamer en een achterkamer. In „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?” is nergens expliciet sprake van een bovenwoning, bestaande uit twee verdiepingen, maar dit moet toentertijd wel degelijk het geval zijn geweest, want op pagina 8 van voornoemd boek komt Mia, een van de niet weg te slane gasten in Willems woning, naar beneden om Willem en Wiesje te vertellen dat ze een zak „meel” had gevonden in de speelkamer van (Willem-)Peter en (Charles-)Paul: op de begane grond woonden twee nieuwsgierige juffrouwen (weerloze slachtoffers van het Waterman-geweld op de eerste verdieping), dus Willem en Wiesje bewoonden de eerste verdieping en die speelkamer moet zich dus op de tweede verdieping hebben bevonden.
Tussen de treurige aftocht van Luuk van Genderen en nu moet de muur tussen voor- en achterkamer op de eerste verdieping doorgebroken zijn. De twee ton wit zand die Willems „vriend” Wicher Hooite Jager op de vloer van de woonkamer had laten strooien, zijn inmiddels uiteraard verdwenen, maar het geoefende oog van de serieuze of glurende redactie kan zelfs de gaten van de krammen waarmee het echtpaar Van den Hout-Grossouw plus aanhang een tent had opgeslagen niet meer ontdekken, dus die zijn in de tussentijd zorgvuldig gerepareerd.
Op de vierde foto zien we de trap die de nieuwsgierige en voorbarige Jan Prins afdaalde om het nachtelijke telegram van Herr Ingenieur Dausenberg aan Luuk van Genderen in ontvangst te nemen. En dat gegeven vormt dan weer een mooi bruggetje naar de fotorubriek van Bob Evers-locaties, verderop in deze Nieuwsbrief.


Rectificatie.

Hoe zeer de redactie ook haar best doet om de lezers een foutloze Bob Evers Nieuwsbrief te bezorgen, bestaat zij ook maar uit mensen en die maken nou eenmaal fouten. Hoorspelliefhebber en oplettende lezer John van Houten attendeerde de redactie erop dat er in Nieuwsbrief 40 een storende fout was geslopen: een foto van hoorspelacteur Herman van Eelen was op onverklaarbare wijze verwisseld met een foto van Gerard Hartkamp, eveneens een hoorspelacteur. De fout is inmiddels rechtgezet, met dank aan de heer Van Houten!

Liefdevolle rivaliteit”.

Hoera! Hoera! In oktober 2018 is eindelijk weer eens een boek verschenen van het sympathieke bestuurslid van het Bob Evers Genootschap, Geerten Meijsing! Of eigenlijk is het beter om te spreken over een half boek, want het betreft hier de langverwachte briefwisseling tussen Geerten en zijn zeven jaar geleden overleden zus Doeschka. De titel van het door Nop Maas van voetnoten en aantekeningen voorziene boek is „Liefdevolle rivaliteit” en dat is inderdaad de beste benaming die de correspondentie tussen broer en zus had kunnen krijgen: literaire rivaliteit was een van de twee zaken die de verhouding tussen beide grootmeesters van de Nederlandse literatuur kenmerkt, zoals we al in hun eerste en tot 2018 toe enige gezamenlijke productie, „Moord & Doodslag”, konden lezen. Ondanks deze rivaliteit gingen beide Meijsings respect- en liefdevol met elkaar om; wat hen o.a. bond, was een verschijnsel dat de lezers van deze Nieuwsbrief maar al te goed zullen herkennen: de liefde voor Bob Evers.
Het lezen van deze brievenbundel is voor de fijnproever een feest der herkenning en die beperkt zich heus niet alleen tot de heer Van den Hout, die de nodige keren de revue passeert: het curieuze feit dat Doeschka bevriend was met Wim Hottentot, bij wie de hoofdredacteur van deze Nieuwsbrief in zijn jonge jaren nog colleges Cicero en Martialis heeft gelopen, was een aangename verrassing; dat Doeschka een eigen bijnaam had voor de overgewaardeerde Michel Houellebecq („Hellebek”) en dat Geerten nogal jaloers was op figuren als Tessa de Loo die van de opbrengsten van haar „niet zo fantastische” boek („De Tweeling”) een huis kon kopen, deed de redactie schateren. Dat broer en zus het niet zo hadden op de door Matthijs van Nieuwkerk als verplichte kost voor grachtengordeldieren voorgeschreven auteurs, was ons natuurlijk al sinds 1992 bekend, toen Geerten een van zijn eerste meesterwerken schreef, „De Grachtengordel”, maar het is fijn om dit nogmaals bevestigd te zien. Hilarisch is het om de zoektocht van journalist Frans Keijsper naar de identiteit van Eefje Wijnberg (zoals we weten een pseudoniem van Geerten) te volgen waarbij zowel broer als zus nog even een dwaalspoor legt door te verwijzen naar „onze eigen” Van der Heide/Waterman, leuk is het om te zien dat ook Geerten getracht heeft om de route uit „Moterboot voor een drijvend fleschje” (sic! en nog eens sic!) na te zeilen en lief is het om te lezen hoe Geerten aan Doeschka vraagt of zij een abonnement op het Bob Evers Nieuwsblad wil (door Nop Maas terecht verbeterd in Nieuwsbrief). Het hoogtepunt moet dan echter nog komen in de vorm van de als appendix („Spätlese”) toegevoegde column „Het nautische element”, waarin Geerten voor het eerst sprak over de dood van Doeschka: de Bob Evers Nieuwsbrief, om precies te zijn nummer 38, had indertijd deze wereldprimeur! Het herlezen van deze ontroerende ontboezeming bezorgt de redactie bij iedere regel opnieuw kippenvel.
Geerten Meijsing & Doeschka Meijsing, „Liefdevolle rivaliteit. De correspondentie” (bezorgd door Nop Maas), Atheneaum & Querido, 2018 (ISBN 9789021408514).

Bob Evers leeft nog steeds!

In de VPRO-gids van 29 september t/m 5 oktober 2018 wordt aandacht besteed aan het KinderBoekenHuis in het Groningse Winsum; in de aula van het voormalige uitvaartcentrum op Kerkpad 2 worden naar verluidt 30.000 klassieke en minder klassieke kinderboeken bewaard, tentoongesteld en uitgeleend. In de inleiding van het gedrukte exemplaar stelt schrijfster Katja de Bruin: „De Kinderboekenweek leidt steevast tot gesomber over de toekomst van het lezende kind. In het KinderBoekenHuis te Winsum worden Bob Evers, Stijfkopje en Mariska de circusprinses gekoesterd.” Het doet ons nostalgische, ouderwetse, ja zeg maar reactionaire hart goed dat gedrukte exemplaren van boeken en artikelen ook in de 21ste eeuw nog steeds hun voordeel hebben boven onlineversies, want deze laatste verschilt nogal van de versie zoals ze op papier is verschenen: „De Kinderboekenweek leidt steevast tot gesomber over de toekomst van het lezende kind. In het KinderBoekenHuis in Winsum bestaat de collectie uit hele oude, maar ook betrekkelijk nieuwe kinderboeken. In Winsum koesteren ze de klassiekers. ‘De nostalgiefactor is groot.’”. In de rest van het artikel - zowel die op papier als die op het beeldscherm - komt de naam van onze meest geliefde jeugdheld niet meer voor, maar het is belangrijk om te weten dat er een museum van oude kinderboeken bestaat. Wie de afstand naar Winsum niet te groot vindt, moet er beslist eens een kijkje gaan nemen. Let daarbij wel even op de instellingen van uw navigatiesysteem, want ook de belendende provincie Friesland blijkt over een Winsum te beschikken, maar daar wonen veel minder mensen en daar hebben ze naar alle waarschijnlijkheid ook veel minder boeken!
Op 19 december 2018 verscheen een paginagroot artikel over Willem in „De Vierklank”, een plaatselijke krant uit De Bilt; ook nu weer is er een behoorlijk verschil te bespeuren tussen wat er in druk verscheen en wat er op internet staat. In dit geval mogen wij echter gerust stellen dat de internetversie vollediger is; ze is bovendien voorzien van bronnen en net als in het boek van broer en zus Meijsing wordt onze eigen Bob Evers Nieuwsbrief genoemd door de auteur van het artikel, Bernard Schut. Maar niet alleen de Nieuwsbrief wordt genoemd: in beide versies noemt de auteur het pseudoniem Joke Xaviera: een contaminatie van Joke Raviera en Xaviera Hollander of gewoon een typfout? Desondanks een lezenswaardig artikel!
Bob Evers wordt ook genoemd in een boekje van Maarten van Rossem dat eind 2018 is verschenen. Zelfs onze nationale knorrepot lijkt momenten van geluk te kennen. Lijkt, dunkt ons, want wij vragen ons af waarom iemand die het fenomeen geluk aan den lijve heeft ondervonden, in een 76 pagina’s durende zoektocht naar „Wat is geluk?” een literatuurlijst van tien boeken nodig heeft. Maar goed: ook Maarten was in zijn jeugd besmet met het Bob Evers-virus, want (blz. 19): „Ik was in de jaren vijftig ook zeer te spreken over de Bob Eversboeken, waarin drie opgroeiende jongens tal van opwindende avonturen beleefden. In het beste deel in deze serie strandden zij op een onbewoond eiland. Er zijn maar weinig zaken die zo bevredigend zijn als avonturen op een onbewoond eiland”, om daarna naadloos verder te gaan over „De Kon-Tiki expeditie” van Thor Heyerdahl; de link tussen Bob Evers en de Kon-Tiki is wel vaker gelegd.
Maarten van Rossem, „Wat is geluk?”, Nieuw Amsterdam 2018, ISBN 9789046824412.
En als wij volledig willen zijn, mogen we Geen Stijl niet onvermeld laten: in een poging om grappig te zijn toonde deze populistische website vanaf 7 januari 2019 een aantal gephotoshopte voorkanten van Nederlandse kinder- en jeugdboeken, zoals Hielke en Sietse Klinkhamer aan boord van hun duwboot in het gezelschap van een in een zwarte nikab geklede persoon en de voorzijde van Bob Evers’Vreemd gespuis in een warenhuis”, waarbij de originele omslagtekening is vervangen door een door een opsporingscamera gemaakte foto van een donkere man met een petje in een supermarkt of tankstation. Ach.

Naast de niet meer weg te denken column van Peter de Zwaan, die voor de verzamelaars zeer goed, maar voor de liefhebbers van nieuwe avonturen misschien minder goed nieuws bevat, vinden we in deze 52ste Nieuwsbrief ook de traditionele rubrieken Bobs Bronnen en Enkele foto’s uit …; ditmaal is Zürich het onderwerp van die laatste rubriek. Zo verslavend als de jacht op briefjes was voor John Bennett, zo verslavend is het schrijven De Nieuwe GIL voor die andere John: niemand neemt hem dat kwalijk, sterker nog: wij zijn hem er dankbaar voor. Frans Repko ruimt een aloude beschuldiging aan het adres van Willem W. Waterman uit de weg; uit pure vreugde hierover laat deze laatste zich in het hoorspel „De droomkies” van zijn allerbeste pedagogische kant zien en Paul Alberts was zo onder de indruk van „Botsingen met oude bekenden” dat hij prompt in de pen klom om ons te verblijden met een verrassende gastcolumn. En over inspiratie gesproken: John Beringen was zo geïnspireerd door bovenstaande foto’s van Stationsstraat 26B te Amersfoort dat hij spontaan zijn eigen herinneringen aan zijn bezoek aan dat pand ophaalde. Misschien komt het wel door die twee juffrouwen die door een kwaadaardig soort Fatum ineens de familie Van den Hout-Grossouw met nogal wat aanhang boven zich gehuisvest zagen (en hoorden!) worden, misschien zijn sommige oeroude spreekwoorden van Maarten Rikkers gewoonweg waar; in dit geval is dat het spreekwoord „waar het hart vol van is, loopt de mond van over”. Hoe dan ook: feit blijft dat John, na zijn artikel „Erotiek in de Bob Evers-serie” (Nieuwsbrief 37) wederom een artikel aan de diverse dames in deze onuitputtelijke serie heeft gewijd. En omdat het met vrouwen net zo gesteld is als met Bob Evers-boeken: hoe meer, hoe liever 😉, heeft Roger Schenk dat artikel nog verder uitgebreid door er de dames uit de tweede helft van de serie aan toe te voegen.

En ook u zelf kunt een gastcolumn of een andere aanval van creativiteit in deze Nieuwsbrief laten vereeuwigen; uw bijdrage willen wij in dat geval graag vóór 1 juni 2019 ontvangen via ons webadres nieuwsbrief@apriana.nl; kaarten, (luchtpost)brieven, telegrammen vanuit landen waar deze nog bestaan en zelfs postduiven zijn ook welkom, maar die laatste liever niet in al te ruime mate: die beestjes maken zo’n rommel en van dat stompzinnige gekoer wordt de redactie ook niet echt blij.





Verhalen en voornemens
Peter de Zwaan

Of er nog een column kon komen, vroeg de beheerder en samensteller van deze Bob Evers Nieuwsbrief.
Oei, dacht ik, en ai, wat is er nu weer met mijn hoofd aan de hand, ik heb een tijd geleden toch een stukje gestuurd? Het was langer geleden dan ik dacht: word vooral ouder, dan leer je dat tijd en geheugen andere vormen beginnen aan te nemen. Niet direct iets om je zorgen over te maken, maar wel zo dat je denkt: moet ik nou echt alles nakijken voor ik iets beweer of denk?
Ja, dat moet, en daarom heb ik even nagelezen wat ik over herdrukken heb geschreven. Te weinig, dat is duidelijk, want het aantal vragen erover neemt gestaag toe.
Deel 51 is uitverkocht, deel 52 ook, deel 53 loopt op z’n laatste benen en de delen 54 en 55 vormen nog maar kleine stapels.
Moeten wij (van Zwarte Zwaan) dus herdrukken? Let hier op het woord dus. Dus betekent in dit geval dwang en daar kan ik slecht tegen. Wij (van Zwarte Zwaan) moeten dus helemaal niks.
Blijft de vraag of wij willen.
Nou, eerlijk gezegd: eigenlijk niet. Herdrukken betekent me zorgen op de hals halen waar ik niet op zit te wachten. Een kleine herdruk is relatief duur, een grote herdruk levert een stapel dozen op en over een paar maanden, als de delen 62, „De gouden greep van tante Ginny”, en 63, „Deining rond een drafbaan”, plus het tweede verhalenboek, „Een trio en drie dubbele duo’s”, van de drukker komen, mag ik blij zijn als de auto nog in de garage kan.
Herdrukken leiden tot vragen. De antwoorden zijn bijna altijd te vinden op mijn website, maar fans hebben liever antwoord van mij persoonlijk. Dat heeft een leuke kant, maar ook een tijdrovende. Zorg voor een herdruk en vergeet maar dat je in alle rust verder kunt met je volgende boek.
Wij (van Zwarte Zwaan) denken na over herdrukken, maar we doen dat langzaam
1.
Dit jaar komt er dus opnieuw een verhalenboek. Het kan het laatste wel eens zijn. Dat zeg ik nu, maar ik ken mezelf: als ik morgen zin krijg een verhaal te maken dan doe ik dat. Ik ben alleen van plan om geen zin te gaan krijgen.
Het bedenken van een verhaal vraagt ongeveer evenveel tijd als het bedenken van een boek en voor vier verhalen moet je tamelijk diep gaan. Met als risico dat een van de verhalen de kracht van een boek of een trilogie blijkt te bezitten waarna je het verhaal weggooit en opnieuw begint; ik schreef hier vorig jaar al een column over.
Drie boeken dus in 2019 en twee in 2020. Die twee komen er zeker, want ze zijn al geschreven, dus daar kan weinig meer mee mis gaan.
Wat doe je dan de rest van het jaar, luie bliksem? Ik hoor het jullie denken dan wel vragen.
Een deel van de rest van dit jaar ga ik besteden aan een misdaadroman. De zesde Jeff Meeks die ik al een poosje had liggen zal dit najaar verschijnen bij uitgeverij Ellessy onder de titel „Lenny the Giant”. Toen ik het contract had getekend deed ik wat ik mezelf had beloofd: ik begon aan Jeff Meeks-roman nummer zeven en ik ga er de tijd voor nemen. Dat is het plan, noem het een voornemen. Helaas komen voornemens zelden uit en voor ik het weet, schiet me toch een Bob Evers-verhaal te binnen. De Nieuwsbrief houdt jullie daarvan op de hoogte. (januari 2019)

1

„Elk nadeel hep se foordeel,” zei een tamelijk bekend orakel eens; de Nieuwsbrief is ditmaal door omstandigheden erg laat. Daar staat tegenover dat de traditionele Nieuwjaarsborrel van Uitgeverij Zwarte Zwaan inmiddels plaats heeft gevonden. Uit onvrede over de belachelijke prijzen die er op de tweede-, derde- en wellicht vierdehandsmarkt worden gevraagd voor de delen 51 en 52 hebben alle medewerkers van deze uitgeverij borrelenderwijs en unaniem besloten dat er hoe dan ook op niet al te lange termijn een herdruk zal komen van deze twee delen en voor de zekerheid ook alvast van deel 53. Omdat Zwarte Zwanen van aanpakken houden, hebben zij meteen contact opgenomen met de drukker, die hun heeft verzekerd dat de herdrukken nog vóór het einde van deze louwmaand in het nest van de Zwarte Zwaan komen te liggen, klaar om naar alle windstreken uit te vliegen. Lees je even mee, Simon „Drukgeschiedenis” Kuipers? Dat wordt dus inmiddels de vierde druk van deel 51, de derde van deel 52 en de tweede van deel 53. Bestellen kan als vanouds via de website van Peter de Zwaan. Jullie lezen het: de man heeft het erg druk met het schrijven van nieuwe delen, dus bespaar hem nou alsjeblieft een hoop tijd, geld en inspanning door bij het bestellen eens een keer je adre-hes te vermelden!
Wij van de Nieuwsbrief zijn nooit zo dol geweest op Nieuwjaarsborrels (de échte gaan per slot van rekening alleen maar ten koste van Strauβ en Garmisch), maar dit is warempel een Nieuwjaarsborrel geweest die onze volmondige instemming heeft.








Bobs Bronnen (5) : Manipulaties met een mijn
Roger Schenk

Op pagina 50 van „Bob Evers belegert Fort B” vindt Jan Prins twee getypte vellen in de kaart die hij van Sam Houston heeft gekregen. (Dat wil zeggen: in de Van Holkema & Warendorf-editie; in de door Peter de Zwaan bewerkte Eekhoorn-editie is dat pagina 52 geworden. Voor het gemak beperk ik mij hieronder tot de onbewerkte oerversie uit 1977). De titel van het stuk leesvoer is hier „Een en ander over smaragdmijnen”. Zes bladzijden verderop noemt Van der Heide het „Een en ander over smaragden”, hetgeen ik lang geleden in mijn „Apriana” als fout heb aangemerkt; inmiddels heb ik goede gronden om aan te nemen dat het precies andersom is: het verhaal gaat over smaragden, niet over smaragdmijnen.
In ieder geval is het verhaal geschreven door Peter W. Rainier, zoals Willy vermeldt. Deze afstammeling van de Britse admiraal Peter Rainier (1741-1808; naar deze voorouder is de hoogste berg van de staat Washington, de stratovulkaan Mount Rainier, genoemd) werd in 1890 geboren achter in een ossenwagen die door het district Ehlanzeni in de huidige Zuid-Afrikaanse provincie Mpumalanga, trok. Zijn vader, een voormalig adelborst in de Britse marine, onderhield een ten tijde van de Zuid-Afrikaanse gold rush een ossewa-koeriersdienst tussen de plaatsen Barberton in de toenmalige provincie Oos-Transvaal en Lourenço Marques (dat nog genoemd wordt in „Een overval in de lucht”, maar 27 jaar na het verschijnen van dat boek herdoopt werd tot Maputo) aan de Mozambiquaanse kust. De exacte locatie van ’s mans geboorteplaats is na al die jaren natuurlijk niet meer na te gaan; omdat het district tegen de grens van Swaziland aan ligt, beweren sommigen dat Peter William Rainier in dat laatste land is geboren. Zijn nauwelijks begonnen schoolcarrière op een kostschool in Natal werd al snel beëindigd door het uitbreken van de Boerenoorlog op 12 oktober 1899; wat hem als onvrijwillig schoolverlater restte, was het leger: als cavalerist in de Natal Carabineers hielp hij een eind maken aan een Zoeloe-opstand. Na de demobilisatie verdiende hij de kost als o.a. goud- en diamantzoeker en olifantenjager. Gedurende de Eerste Wereldoorlog vinden wij hem terug als verkenner in de South African Forces die in het huidige Namibië tegen de Duitsers streden: hij nam deel aan de beslissende slag bij Gibeon (april 1915), waarna hij vergeefse pogingen deed om overgeplaatst te worden naar het westelijke front in Frankrijk. Gezien zijn ervaring als goud- en diamantzoeker achtte de Britse regering het echter beter om Peter als opzichter van een voor de oorlogsindustrie belangrijke tinmijn op het Bauchi-plateau, zo’n 850 kilometer ten noorden van de toenmalige hoofdstad Lagos. Kort voor het einde van de oorlog stond zijn eerste vrouw, Winnie Rainier-Miller, op het punt om voor het eerst te bevallen, maar de beruchte Spaanse griep-pandemie maakte op haar kraambed een einde aan het leven van moeder en kind. Een wereldoorlog later was Peter William Rainier opgeklommen tot majoor in de British Royal Engineers, een soort van (vijandige) collega van Schumann uit „Een meesterstunt in Mexico” dus.

Je houdt het nauwelijks voor mogelijk bij iemand die twee wereldoorlogen heeft meegemaakt, maar het interbellum is veruit de avontuurlijkste periode uit het leven van Rainier. Als oud-militair krijgt hij in 1919 de kans om voor het eerst het vaderland van zijn voorouders te bezoeken; het Verenigd Koninkrijk dat toentertijd net als binnenkort geen deel uitmaakte van de Europese Unie scheen hem echter maar matig te bevallen, want in no time trekt Rainier verder naar het „Land van de Onbegrensde Mogelijkheden”, een decennium of wat later door een zekere Willem W. Waterman het „Land der Onbegrensde Waanzinnigheden” genoemd. Hij wordt ingenieur bij de Bucyrus Steam Shovel Company of Chicago/Illinois. Door dat bedrijf wordt hij naar de kolenmijnen in Pennsylvania (!) gestuurd om daar bij diverse mijnbouwontginningsmaatschappijen de enorme stoombaggermachines te assembleren. Toen het succes van deze ontginning hem ietwat naar het hoofd steeg, begon hij samen met een andere mijnbouwingenieur al snel (voorjaar 1920, om precies te zijn) een eigen bedrijf, aanvankelijk met groot succes. Bij de Bitard Moshannon Coal Mine in het bergachtige deel van Pennsylvania legde hij een Z-vormige, 25 kilometer lange spoorweg aan met een stijgingspercentage van 8; hij maakte zo’n beetje als eerste gebruik van een geheel nieuw type locomotief, die werd aangedreven met tandwielen en die hellingen van 10% aankon. Een vleugje CAMCy („Lotgevallen rond een locomotief”) klinkt door …
In deze tijd trouwde Peter voor de tweede keer, nu met een „Pennsylvania Dutch”-weduwe met de naam Margaret; zij had al twee kinderen uit haar eerder huwelijk en schonk Peter nog twee dochters, Margaret („Marge”, 1922) en Dorothy (1924). Daarmee hield het geluk van de jonge familie abrupt op, want de grote mijnontginningsmaatschappijen namen Rainier en zijn partner Bill Bitard, die - net als Bernhard Cnall jaren later - zo droomden van een eigen bedrijf, niet zozeer judo- als wel straatgevechttechnisch in de heupzwaai. Daarop trok Rainier naar het gebied van de Elephant Butte Dam in New Mexico om zijn oude beroep van goudzoeker weer op te nemen; nog geen half jaar later zag hij het kansloze van zijn missie in en maakte samen met Bitard handig gebruik van een maas in de Amerikaanse wet om grote lappen land in Zuidwest-Florida te bemachtigen. Het duurde anderhalf jaar voor de autoriteiten deze maas ontdekten en repareerden; het enige wat Rainier restte, was de eer dat er in de Everglades een meer naar hem werd genoemd (Lake Rainier; precies aan de tegenovergestelde kant van het land als die berg van zijn voorouder, dus) en een huis in Florida, waar Margaret hem een zoon, Peter, had geschonken.
Na acht jaar met wisselend succes in de Verenigde Staten te hebben gewerkt verlegde hij zijn aandacht nu weer naar het zuidelijk halfrond: een consortium van New Yorkse bankiers (!) gaf hem de leiding over de herontdekte smaragdmijn van Chivor bij Somondoco in Colombia. Sinds de herontdekking van de historische mijn had deze nog maar weinig opgeleverd. In vier jaar tijd wist Rainier wel veel smaragden te ontrukken aan deze „vergeten” mijn; dat leverde hem niet alleen veel geld op, maar ook de naam van een van ’s werelds meest toonaangevende autoriteiten op het gebied van smaragden; en dat voor een man die tot 1927 nog nooit één smaragd in zijn handen had gehad! Het New Yorkse consortium liet hem nog net een troep Colombiaanse bandieten (!) dat de mijn had bezet, opruimen en kocht hem daarna uit, omdat ze zagen dat Rainier wel erg veel geld verdiende aan de ontginning van deze mijn, geld dat zij liever in hun eigen zak staken. Voor het eerst in zijn leven hield hij een aardige grijpstuiver over aan zijn voormalige werk en van de opbrengst kocht hij een lap jungle van meer dan 20.000 km², waar hij een estancia, Las Cascadas („De Watervallen”) genaamd, kocht.


Een van de weinige foto’s van Peter William Rainier: de man maakte talloze foto’s; het tragische lot van mensen die heel veel foto’s maken, is dat zijzelf vrijwel altijd aan de andere kant van de camera staan en dat er nauwelijks opnames van henzelf bestaan.


In 1931 werd de Chivormijn overvallen door bandieten; de indiaanse arbeiders waren, net als in „Bob Evers belegert Fort B” het oerwoud ingevlucht. Rainier (geheel rechts) verdedigde haar echter succesvol met slechts één man minder tot zijn beschikking dan het zevental Jan, Bob, Arie, Houston, Rikkers, Podulka en de Colombiaanse piloot; Rainiers belangrijkste medewerker was de bejaarde mijnwerker Chris Dixon, hier als derde van rechts te zien tussen zijn twee zoons.


Vervolgens wordt hij ingehuurd door de Colombiaanse overheid om in navolging van Chivor de zieltogende smaragdmijn Muzo nieuw leven in te blazen. Hij slaagde er niet alleen in om Muzo weer winstgevend te maken, maar hij wist als leek ook een einde te maken aan de eeuwenoude epidemie die locaal bekend stond als „Muzokoorts”. Rainier zag overeenkomsten in de symptomen van deze koorts en die van de gele koorts, die hij in Afrika had leren kennen. Hoewel de artsen in koor riepen dat deze overeenkomst onzin was, zette hij toch koppig door en hij bleek warempel gelijk te hebben: de „Muzokoorts” werd verspreid door bedwantsen, die door Rainier succesvol werden bestreden met FLIT, een insecticide. Bij bedwantsen was het middel effectief, bij muizen niet, zoals een kellner van het „Seaview Hotel” in „Tumult in een toeristenhotel” ervoer. Rainiers belangrijkste „wapenfeit” uit de tweede helft van de jaren ’30 is echter de aanleg van een hangbrug over de tot dan toe „onpasseerbaar” geachte rivier de Guavio. Nadat zijn tweede vrouw Margaret tijdens een operatie was gestorven, begonnen de rouw en de voortdurende inspanning in het hooggebergte hun tol te eisen. Daarom schreven de artsen hem een rustkuur op zeeniveau voor. Hij verkocht zijn estancia en vertrok naar Egypte, waar hij trouwde met zijn derde vrouw, Ruth, weduwe van een voormalige vriend uit Florida.
Relatief snel weer beter geworden deed hij na 1 september 1939 - de datum van de Duitse invasie in Polen, het feitelijke begin van de Tweede Wereldoorlog - diverse vergeefse pogingen om in dienst te komen bij het Britse leger, maar zijn leeftijd was blijkbaar een obstakel. Na de „Blood, toil, sweat and tears”-toespraak van Winston Churchill op 13 mei 1940 was die leeftijd blijkbaar geen probleem meer en hij werd de oudste tweede luitenant - hij was inmiddels 50 - van de Britse strijdkrachten. Zijn eerdere ervaring met onherbergzaam terrein stelde hem in staat om met succes een pijpleiding aan te leggen die het Britse Achtste Leger van het broodnodige en levensreddende water voorzag in de bittere woestijnoorlog tegen het Afrikakorps van „Desert Fox” Erwin Rommel; je weet wel, het korps dat uniformen droeg, niet ongelijk aan de kleur van meest opvallende auto uit de Bob Evers-serie. Na de uiteindelijke geallieerde overwinning op de legers van de As-mogendheden in Afrika op 13 mei 1943 (op de kop af drie jaar na de aangrijpende speech van Churchill) nam Rainier met de rang van majoor afscheid van het Achtste Leger, als een van de laatste oorspronkelijke leden van het Nijlleger, de befaamde „Dertigduizend” van Generaal Wavell).


Ook van Rainiers estancia in de jungle, Las Cascadas, bestaan nauwelijks foto’s; deze opname dateert uit de jaren ’50, betrekkelijk kort na het verlaten ervan door weduwnaar Peter W. Rainier en diens kinderen. Of Van der Heide deze foto ooit heeft gezien, valt ernstig te betwijfelen, maar met een beetje Arie Roos-fantasie kun je de bouwwerkjes aanzien voor fortjes.


Wat er nog over was van Las Cascadas in 2015, ziet er desolaat uit, maar lang niet zo overwoekerd door de jungle als je zou verwachten van menselijke bouwwerken die 77 jaar lang leeg hebben gestaan; de indruk bestaat dat indianen de estancia als behuizing hebben gebruikt.


Na het beëindigen van de oorlogshandelingen in het westen was Peter William Rainier een van de sprekers op een internationale conferentie over het mijnwezen in Red Lake, Ontario, Canada. Het hotel waar hij verbleef, werd begin juli 1945 getroffen door een uitslaande brand; Rainier probeerde door een raam te springen: terwijl de vlammen zijn vingers en voeten al hadden verbrand, had hij nog de kracht om op de vensterbank te klimmen, maar werd alsnog door het vuur ingehaald. Op 6 juli 1945 overleed hij aan zijn verwondingen.
Zijn zoon, eveneens Peter William Rainier geheten, diende in de Tweede Wereldoorlog bij de RAF in Italië. Na de oorlog emigreerde hij naar Canada, waar hij geoloog en directeur van een oliemaatschappij werd. Van zijn hand is de roman „The Bogota Connection”, waarin hij beschrijft hoe een Colombiaans drugskartel infiltratiepogingen in de Canadese regering onderneemt.
Dat vader en zoon beiden onder de naam Peter W. Rainier boeken schreven en schrijven, maakt het samenstellen van een uitvoerige bibliografie er niet bepaald makkelijker op. Dat is dan ook geenszins mijn bedoeling. Voor deze Nieuwsbrief is alleen Peter (sr. ) W. Rainiers „Green Fire” van belang, een ietwat geromantiseerde autobiografie over zijn werk in Colombia. Ik weet niet of de met Duits, Italiaans en geallieerd bloed doordrenkte Libysche woestijn de meest ideale plek op aarde is om een boek te schrijven, dus ik vermoed dat het manuscript al vóór de oorlog gereed was, maar het boek zelf verscheen in 1942 bij Random House in New York. Ergens tussen het moment van publicatie en zijn tragische dood in 1945 was Peter W. Rainier zo aardig om mijn exemplaar te signeren. Op de pagina’s 27, 28 en 42 vertelt Rainier over het New Yorkse consortium, vanaf pagina 216 gaat het over de Colombiaanse bandieten die de mijngebouwen bij Chivor bezetten. Of er ook een bulldozer te pas kwam aan de bevrijding, vermeldt het verhaal niet, maar het lijkt mij niet erg waarschijnlijk: nog in 2015 was een expeditie naar de mijn van Chivor aangewezen op vervoer per muilezels, omdat het voor auto’s en zelfs tanks en vliegtuigen werkelijk onmogelijk is om het gebied te bereiken. Zelfs voor helikopters lijkt het mij een hele kluif, aangezien er geen horizontaal stuk onbegroeide jungle te vinden is waar een heli zou kunnen landen. De naam van de New Yorkse bankiers die het consortium vormden dat Rainier financierde, worden helaas niet genoemd; maar het raadsel waarom pa Evers en Sam Houston zich in het begin van „Bob Evers belegert Fort B” bij bankier Sunderland in New York bevinden en niet in Pittsburgh/Pa., is hiermee wel opgelost, denk ik. De rest van het avontuur in deel 34 heeft Van der Heide zelf verzonnen en niet aan „Green Fire” ontleend, op één belangrijke uitzondering na. Peter W. Rainier heeft nooit een werkstuk van twee A4’tjes, genaamd „Een en ander over smaragden” geschreven. Die twee A4’tjes zijn Willems eigen bewerking annex samenvatting van hoofdstuk 3, „About Emeralds” (pp. 29-42), van „Green Fire”. Ter vergelijking volgen hieronder het origineel van Rainier en de bewerking van Willy van der Heide, zoals we die kennen van de pagina’s 58 t/m 60 van „Bob Evers belegert Fort B”.


Uitgave met stofomslag van „Green Fire” uit 1942.

De originele handtekening van Peter W. Rainier in mijn exemplaar van „Green Fire” compenseert het ontbreken van de stofomslag ruimschoots.



About Emeralds

MIX beryllium with aluminum in a certain way and you’ve got an emerald. A white one. There are white emeralds - I’ve mined them by the hatful. So far it sounds quite simple, and man can make a synthetic white emerald as easily as he makes a synthetic diamond, but only nature knows how to add to the emerald that dash of chromium which turns it green. The more chromium in the mixture the darker the green color and the more valuable the gem. A white emerald is merely a geological curiosity, worth nothing in dollars and cents; while the dark-green bit of fire which is a first-grade emerald may be worth anything up to five thousand dollars a carat. Five carats weigh one gram and thirty-odd grams weigh one ounce. One ounce of the very best emerald material - grade one super - would therefore be worth the greater part of a million dollars.
[…]

Een en ander over smaragden

Om een smaragd te krijgen hoef je alleen maar beryllium op een bepaalde manier te mengen met aluminium. Dan krijg je wel een zuiver witte smaragd, en die zijn geen cent waard. Je kunt in een laboratorium onder grote druk en hitte even makkelijk witte smaragden synthetisch maken als diamanten, maar groene... nee. Alleen de natuur kent (tot dusver) het geheim om er precies dát kleine tikje chroom aan toe te voegen, waardoor die typische groene kleur ontstaat. Hoe meer chroom in het mengsel - hoe donkerder de groene tint en hoe kostbaarder de steen. Een witte smaragd is een waardeloze geologische speling, maar het dondergroene brokje vuur dat men een eerste klasse smaragd noemt kan tot 10.000 dollar per karaat gewicht opbrengen. En een karaat is één vijfde van een gram...

But to get back to emeralds in general. Having thus created one of the most concentrated forms of wealth known to man, nature took good care to hide her treasure from him. She hid her emeralds in the appendices of mountain peaks and placed the mountains as far from civilized centers as possible. To make them still more secure, she covered the region with a thick layer of forest, just in case some clue to the contents of the mountain might be visible on the surface. At least, that is what she did with the Colombian emerald deposits, and Colombia produces most of the world’s worthwhile emeralds.
[…]

Smaragden behoren tot de allerzeldzaamste soorten edelsteen, en het lijkt wel of de natuur die groene stenen met opzet op de meest moeilijk te ontginnen plaatsen heeft verstopt. Zo zit het tenminste in Colombia, waar verreweg de meeste en beste smaragden vandaan komen.

The Chibcha Indians of the high plateau of Colombia mined emeralds from Chivor before the Spanish conquest. There were no gold deposits in their country, so they used to acquire gold by trading for it with the Tolima Indians across the Magdalena River. They used to give emeralds and salt in exchange for the gold with which they plastered their Eldorado or threw into the sacred lake as sacrifice to their sun-god.
Soon after the conquest the Spaniards were shown Chivor. According to the old Spanish historian, “The Indians were reluctantly persuaded to disclose the source of the green gem.” “Reluctantly persuaded” is a good term. Hanging by one toe over a slow fire was probably one of the methods of persuasion used - if those cruel, iron-hearted Spanish conquerors were running true to form. Whatever the dubious means by which they had acquired it, the Spaniards began to develop the mine just before the middle of the sixteenth century. For a hundred years they continued to develop it, until the conquest of the Muzo Indians, in the Carare valley across the eastern chain of the Andes, opened up a temporarily more attractive and virgin source of supply. The conquest of the Muzo Indians and the discovery of the Muzo mine constitute quite an epic, but have no place here.
[…]

De Chibcha-Indianen op de Colombiaanse hoogvlakte dolven al smaragden vóór de Spanjaarden hun land veroverden. Hun bodem leverde geen goud op, dus zij kwamen aan goud door smaragden en zout te ruilen met de Tolima-Indianen aan de overzijde van de Magdalena rivier.
De roofgierige Spanjaarden, kort na het jaar 1500, kwamen daar snel achter en wisten die Indianen „ertoe te bewegen” hen de plaatsen aan te wijzen waar die edelstenen vandaan kwamen. „Ertoe te bewegen” is natuurlijk netjes uitgedrukt. Je wordt gemakkelijk „ergens toe bewogen” als je aan één grote teen ondersteboven wordt opgehangen boven een brandend houtskoolvuur. Ongeveer een eeuw lang gebruikten de Spanjaarden de Indianen als slaven bij het ontginnen der rotsmijnen, tot gans Zuid-Amerika in opstand kwam en een einde maakte aan de Spaanse overheersing en uitbuiting.

Chivor lay abandoned after the discovery of Muzo. From the middle of the seventeenth century till early in the twentieth no man trod the deep valleys and vast mountain slopes of the Chivor region. Plentiful rainfall and warm sunshine caused the jungle to grow till a great forest clothed the district where hundreds of men had toiled and died for a century in search of the emerald.
[…]

Daarna ontstond een zeer verwarde situatie. Sommige Indianenstammen lieten de mijnen gewoon verwaarloosd liggen - andere stammen namen de moeite, hun ingangen met zorg te verbergen, en het oerwoud zorgde dan wel voor de rest. In enkele jaren tijd werden de dichtgegooide mijningangen op de berghellingen volkomen door het oerwoud overwoekerd.

It was Pacho Restrepo, the Antioquenian, who picked on the lost Chivor mine as his quarry. Like most of his fellow citizens of the Departamento of Antioquia in Colombia, Pacho was a stout fellow. He needed to be, if he were to rediscover Chivor. lts general location in the Somondoco district was known, of course, but that might mean anywhere in an area of fifty square miles - two thousand five hundred square miles of dense forest. There was hardly an acre of it that was not tilted up on edge. Why, a man might scramble over the old workings themselves without knowing that he was on the object of his search, so overgrown with vegetation would those old emerald pits be. Ditches would be so overgrown with roots that no trace of them would be visible. The old Spaniards had used tunnels for mining in the early days of the conquest before they learned that a tunnel might be driven within a foot of emeralds worth a king’s ransom without any clue to their presence being discovered. Only after many years of experience had they developed the same pit system of mining that we were using at Chivor - after experience had taught them that the only profitable system of mining the emerald is to move the mountain bodily and sift it, bit by bit. Yes, a tunnel might provide the clue to Chivor’s location, if you could only find the mouth of it. But tree roots have a habit of masking the mouths of tunnels if you give the trees enough centuries in which to grow.

Een van die verdwenen mijnen was de befaamde Chivormijn, waarover veel te lezen valt in oude Spaanse rapporten. Daarin stond ook te lezen dat die beroemde mijn ergens in het Socomondo-district moest liggen, maar ja... dat betekende ergens in een gebied van ruwweg 80 bij 80 kilometer... geheel en al bestaande uit berghellingen en diepe ravijnen, dat alles overwoekerd met oerwoud. Er was binnen die 6400 vierkante kilometer nauwelijks een stuk grond te vinden, zo groot als een normaal parkeerterrein, dat niet half op zijn kant stond...

But good old Pacho did have one clue. In his history of the Spanish conquest, Fray Simone, the priestly historian, had written of Chivor: „The mines of Chivor are situated on the point of a ridge from which the llanos of the Orinoco can be seen.” To one who knows the region that seems a slender clue. But, still, a clue it was, and Pacho set out to follow it. Climb to the top of every ridge in that forest sea. That was his plan. Set foot on every mountain top in the area. If the llanos could be seen from it he would search its sides foot by foot for the oId workings of Chivor. Scores of ridges, each ridge bristling with peaks. Between the ridges, gigantic valleys through which swift mountain rivers raced toward their destiny on the level plains below. Dense forest clothed the well-nigh precipitous slopes. Pathless. Each step of progress must be made by hacking a path through vegetation so dense as to approximate a solid. Month after month. Year after year. Don Pacho’s once substantial fortune began to become attenuated with the strain of maintaining the force of men required in such an uninhabited wilderness. Axemen and macheteros for hacking trails. Scores of pack Indians to bring in supplies - sixty pounds of grain or yuca on a pair of humped shoulders while the bearer eased his way down or clambered up slopes.

Er was echter één aanwijzing die houvast leek te geven. In zijn „Historie van de Spaanse Veroveringen” schreef de priester Fray Simone: „De Chivormijnen liggen aan het einde van een rotsrug van waaruit men de llanos (vlakten) van de Orinocorivier kan waarnemen”.
Een koppige, taaie Colombiaan, Pacho Repestro geheten, kreeg het in zijn hoofd om een voor een al die rotsruggen te gaan afkruipen. Het vervelende was wel, dat er heel wat rotsruggen bleken te zijn, vanwaar je de llanos van de Orinoco heel in de verte kon zien liggen. Maar zoals ik al zei: Pacho was een koppige, ouwe taaie. Elke keer als hij op een rotsrug was beland, vanwaar hij die llanos kon zien, ging hij in het oerwoud snuffelen naar mogelijke sporen van vroegere ontginning. Het was werkelijk beestenwerk. Gelukkig voor hem had de man wat kapitaal van zichzelf, anders had hij het nooit vol kunnen houden. Maand na maand, jaar na jaar ging hij door met zoeken. Hij had ploegen van tien tot twintig Indianen in betaalde dienst die geregeld als lastdieren door de oerwoudpaden zijn voorraden aansleepten: zestig pond graan, mais, suiker of gedroogd vlees per nek; bergop- bergaf.

Meat was scarce and Don Pacho’s men depended for their meat ration on what the forest provided. Squirrels darting along the fern-wreathed branches of the huge yellow laurel or cedar trees, coneys in their holes in the rocky cliffs. Down in the warmer valleys were monkeys, but the monkey is thinblooded and refuses to inhabit the higher, colder regions. The fat buruga - the South American version of the North American ground-hog. It was a buruga that found Chivor for Don Pacho. One of his Indians chased the sluggish animal into a hole and proceeded to dig it out. After a yard or so of digging the opening widened. The Indian entered and stood upright. Regular walls and arched roof. A tunnel. In the soft rock through which it had been driven were the pick-marks of long-dead Indian slaves - three centuries dead or more.
The “lost” mine of Chivor had been found.
Don Pacho spent the scanty remnant of his fortune on developing his find. His luck was small - a few emeralds of low value. In the end he was glad enough to unload it on an American syndicate. Several times thereafter the mine changed hands before my employers drew in a deal what was well on the way to being regarded in mining circles as a white elephant. The reputation of a mine is tender as that of a virgin. And now - if I were lucky - I expected to redeem Chivor’s reputation. A rich strike enhances the reputation of the man who makes it. As yet, I was unknown in my profession in Colombia. But, if I were to make Chivor famous, I should become an engineer of note, a man marked for advancement by success.
Chivor would produce worth-while emeralds. I knew it. Don Marco knew it, too, and never during daylight hours, relaxed his grim perambulations round the working places in the pit. No Indian miner could reach down to pick up something from the ground without Marco’s shadow falling across him with a demand to see what he had picked up. The Indian miners knew it also and redoubled their efforts to win the bonus by being the first to make the discovery they felt was imminent. In their cunning minds, too, was the hope that there might be one moment - just one short moment in which they could get their itching fingers on the emerald vein to grab a few souvenirs for themselves before Marco or I could reach the spot.
[…]

Natuurlijk gingen Pacho en zijn mannen geregeld op jacht om hun rantsoenen aan te vullen met vers vlees, maar op deze berghellingen schoten ze weinig anders dan eekhoorns of buruga’s. Meer naar beneden, in de valleien waar het minder koud was, waren er apen genoeg, maar op de koudere berghellingen waren ze al blij met af en toe een vette buruga. Deze buruga is de Zuidamerikaanse neef van het Noordamerikaanse aardvarken. En laat het nou zo’n buruga zijn die Pacho op het spoor bracht van de verloren Chivormijn! Een van zijn Indianen zat een aangeschoten buruga achterna, zag het beest in een hol verdwijnen en begon het uit te graven. Na een kleine meter graven stortte er een flink brok aarde tussen de boomwortels weg en kwam er een donkere holte te voorschijn. De Indiaan maakte het gat wijder en kroop omzichtig naar binnen... in een tunnel met gemetselde muren van rotsblokken en een gebogen plafond... De zolang verloren mijn van Chivor was teruggevonden.
Don Pacho besteedde het restant van zijn kapitaal aan het verder ontginnen van zijn vondst, maar met gering resultaat. Hij vond wel wat smaragden, en hij vermoedde ook wel, dat zijn betaalde Indianen de beste stenen stiekum voor zichzelf hielden, maar daar kon hij weinig aan doen. Toen hij tenslotte een bod kreeg van een Amerikaanse firma om de mijn aan hen over te doen, nam hij dat graag aan, en ging de rest van zijn levensdagen zitten uitrusten op een terras in Bogotá.

Month by month passed. Some months were more profitable than others, but each month that pit showed a hand some profit. By the time my first year on the mine had passed I had not only shown a profit for that year but had gone far to recoup the owners for the mine’s previous losses. Month by month the pit deepened. Month by month we explored the veins which our excavations uncovered. At last the character of the rock changed. The silky texture left it. The bottom of the pit was now formed of formation which fractured sharply into jagged edges, quite unlike the square-breaking strata which had produced emeralds. Once an emerald vein approached that jagged layer on which it lay the green streak ceased. The fissure closed. I knew that if we sunk a mile deeper not another emerald would we recover. The pit had “bottomed.” We must now open a new pit and wait many months till it had reached the same stratum of formation that we had just finished exploiting.

Die Amerikanen hadden meer kapitaal en meer tijd en haalden er in de loop van tientallen jaren nu en dan prachtige stenen uit. Want dat is de pest van smaragdmijnen: de stenen zitten in klompjes bij elkaar en niet regelmatig verspreid. Je kunt dus dwars door een berg een stel tunnels boren en alleen wat klein grut tegenkomen, met de blinde kans, dat je precies tussen twee vette potten van schitterende juwelen hebt door gewerkt. Je zou zo’n hele berg eigenlijk laag voor laag moeten afgraven, net zoals je plakjes van een kaas snijdt. Maar je weet nooit, natuurlijk... Je kunt ook gaan gokken...”




Kaartje van Centraal-Colombia, getekend door Rainier zelf, op het schutblad van „Green Fire”.
Duidelijk is dat Willy van der Heide vrijwel alle geografische namen aan dit kaartje heeft ontleend, inclusief de voor Noord-Europeanen begrijpelijke, maar foutieve spelling
Monte Christo. Alleen de naam Suribamba-rivier (pagina 152) heeft Willy zelf verzonnen, terwijl het kaartje van Rainier toch een ruime keuze aan rivieren biedt.
Opvallend is verder dat Willy de naam van het Somondoco-district foutief heet overgenomen („Socomondo”) en dat hij van een
groundhog (bosmarmot) een aardvarken heeft gemaakt, hetgeen decennialang onze voorstelling van een buruga aanzienlijk heeft beïnvloed. Nu is een bosmarmot een soort eekhoorn: zou de ruzie met de uitgeverij van die naam Willy tijdens het schrijven van „Bob Evers belegert Fort B” nog steeds zo dwars hebben gezeten, dat hij zelfs het woord eekhoorn niet wilde gebruiken?







Stationsstraat 26B, Amersfoort
John Beringen

Stationsstraat 26B is een adres dat wij maar al te goed kennen. Eerst komt het voor in het boek „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?”, waarin Willem beschrijft dat hij aldaar enige tijd woonachtig was; van 4 oktober 1940 tot 3 maart 1941 om precies te zijn. Vervolgens speelde het adres een rol in „Drie jongens als circusdetective”. In dat verhaal woonde smokkelaar Luuk van Genderen aldaar op een bovenkamertje. Amersfoort is slechts een steenworp verwijderd van mijn woonplaats Wijk bij Duurstede en zo kon het gebeuren dat ik op een zomerse dag in 1987 besloot om wat foto’s te nemen van het beroemde pand. De foto, die ik toen maakte van de voorgevel, zou later verschijnen in mijn boek „Het verschijnsel Bob Evers”.
Nou had ik ook „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?” gelezen waarin de perikelen rondom de massaal aangeleverde nachtkastjes werden beschreven. Die werden vervolgens allemaal tot brandhout voor de kachel gehakt en al deze restanten werden opgestapeld op het balkon aan de achterzijde van het huis. Nou had ik gezien dat er aan de zijkant van het huizenblok een soort „achterom” was: een overdekt poortje waardoor je de achtertuinen van de woningen op de begane grond kon bereiken. In dat poortje - u gelooft het niet - stond een nachtkastje (!) met een marmeren bovenblad. Helaas heb ik daar geen foto van genomen - iets waar ik overigens vandaag aan de dag nog steeds spijt van heb… Het balkon leek mij interessanter om te fotograferen. Helaas waren de heggen van de tuinen te hoog om zicht te krijgen op het balkon… ook die foto kwam er dus niet.
Inmiddels was het najaar 2000 geworden. Internet had zijn intrede gedaan. En het mooie was dat je kon zoeken naar telefoonaansluitingen op adressen. Stationsstraat 26B werd ook keurig vermeld. De lezer voelt ’m al aankomen: ik belde het betreffende nummer. Mijn eerste vraag aan de bewoner was of hij wist dat hij in een heel bijzonder huis woonde. Nee, dat wist hij niet… Bob Evers? Nooit van gehoord (foei). Maar de man (wiens naam mij helaas is ontschoten) werd wel reuze nieuwsgierig en zou de volgende dag meteen naar de boekhandel gaan om een exemplaar van „Drie jongens als circusdetective” aan te schaffen. Ik maakte hem overigens opmerkzaam op de op handen zijnde bijeenkomst op het Kaageiland in november van dat zelfde jaar. Dat bleek een goede zet, want hij was dusdanig nieuwsgierig geworden dat hij daar eveneens naartoe kwam. Hierop nodigde hij mij uit om een keer langs te komen zodat ik wat foto’s kon maken. Dat gebeurde in begin 2001 en leverde onderstaande prentjes op.


De ramen aan de voorzijde. Ooit werd bekend gemaakt dat er huizen aan de Stationsstraat gesloopt zouden worden, hetgeen bij menigeen lichte paniek veroorzaakte. Gelukkig bleek het slechts om de panden aan de overkant te gaan. Op de achtergrond zien we de inmiddels verrezen nieuwbouw.


De deur naar het beroemde balkon.



Het balkon alwaar het brandhout werd opgestapeld.


Het raam waardoor Jan Prins naar buiten loerde.







Café Sport: wat we wisten
Roger Schenk

Sinds het verschijnen van „Het preppaleis van de Holenman”, het eerste deel van de Tante Ginny-trilogie, mag de Groest zich weer in de warme belangstelling van de Bob Evers-liefhebbers verheugen. Aan deze straat, waar jongeheer Evers zich lang geleden afvroeg of Jan en hij nou in Hilversum I of II waren, bevond zich op nummer 36 tussen 1928 en 1945 Café Sport van Teus van Schaik; na de oorlog veranderde hij de naam in Dancing Benelux en in de jaren ’60 bood het café jazzliefhebbers elke zondag de gelegenheid om live van hun favoriete muzieksoort te genieten. In die tijd traden hier ook met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk de in Bob Evers-kringen bekende Rita Reys en het trio Pim Jacobs op. Anno 2019 zit Dille & Kamille in het pand.

De Groest in de jaren ’60; het gebouw links, met het witte torentje, is Dancing Benelux.


Peter Gerritse noemt het café ook in zijn artikel „Het mannetje van de radio” in Panorama van 29 september 1975:

Nadat het satirische weekblad De Gil roemloos aan zijn einde was gekomen, nam Willem Waterman de draad van zijn kolderieke journalistiek weer op in de Radio Gil Club. Hij draaide jazz-platen, grapte over negermuziek, maar bleef tussen de regels door nazipropaganda spuien. Tijdens de Slag om Arnhem werkte hij mee aan de zender „Mary of Arnhem”, waarvan de uitzendingen de bedoeling hadden verwarring te stichten in het geallieerde kamp. Dit lukte boven verwachting. „Men relayeerde gewoon de BBC-uitzendingen op een uitgekiend ogenblik schakelde men de nieuwslezer uit en gaf in voortreffelijk Engels eigen nieuws ertussen.” („Radio Hilversum 1940-1945”, Dick Verkijk).
De inhoud was niet propagandistisch en leek zelfs uit een onverdachte bron te komen. Dappere krijgsdaden van de Engelsen werden echter aan de Amerikanen toegeschreven en omgekeerd, waardoor tussen de geallieerden onderling grote stampij ontstond. Willem gebruikte hiervoor geallieerde krijgsgevangenen, die in de waan werden gelaten voor de goede zaak te werken.
Gedurende de laatste maanden van de oorlog opereerde er vanuit het Gooi ook een zogenaamd illegale zender die gecodeerde berichten doorgaf. Deze codes waren de Duitsers door verraad in handen gevallen. Ze sloegen er een grote slag mee, nadat ze een gecodeerde oproep hadden laten uitgaan aan alle Gooise illegalen om op een bepaald tijdstip in café Sport aanwezig te zijn, bekend verzamelpunt voor ondergrondse activiteiten. Vele illegalen gaven gehoor aan de oproep en werden prompt door de Gestapo ingerekend. Volgens de op dit punt zeer deskundige journalist Dick Verkijk is het „zeker dat ook hierbij Willem W. Waterman een bedenkelijke rol heeft gespeeld.”
„Is dat waar, Willem?” vroeg ik.
WWW: „Ik heb daar niets mee te maken gehad. Wil je dat horen?”
„Dan heb je Verkijk zeker wel aangeklaagd wegens smaad?”
WWW: „Nee, ik heb hem wel verteld: Dick, als je denkt dat je met dat boek van je inderdaad een tijdbom onder Hilversum kunt leggen, dan vergis je je deerlijk. Alle archieven zijn gesloten. We leven in de tijd van de grote stilte.”
Ken je die slagzin nog? „Hallo, hallo! Wie stinkt daar zo. Het mannetje van de radio.”


De ten ijs beslagen Bob Evers-liefhebber zal dit artikel natuurlijk kennen, net als het genoemde boek van Dick Verkijk, waarover hieronder meer. Het artikel „Het mannetje van de radio” was, zoals de fans weten, een voortzetting van „Wie zei er dat je niet meer lachen kon?”, een week daarvoor gepubliceerd in hetzelfde tijdschrift. Wat Peter Gerritse in 1975 nog niet wist, is dat de zender Mary of Arnhem pas op 11 november 1944 startte met haar verderfelijke uitzendingen, een symbolische datum: op de kop af 26 jaar eerder werd de wapenstilstand getekend die het einde van de Eerste Wereldoorlog betekende. Na het BBC-nieuws van 8 uur ’s ochtends nam Mary of Arnhem de uitzending over en hield een gloedvol betoog over „onze mannen” die in de met bloed doordrenkte bodem van Frankrijk onder de klaprozen lagen, vergeefs gestorven omdat de leiders van toen hun hadden wijsgemaakt dat zij vochten voor een goed doel, namelijk om een einde te maken aan alle oorlogen… Willem werkte pas in een later stadium mee aan deze zender. Hoe dan ook: deze zender, die tot maart 1945 in de lucht bleef, zond dus nog niet uit tijdens de Slag bij Arnhem. Sterker nog: de zender - die opereerde vanuit een Hilversumse villa - had helemaal niets met Arnhem te maken, maar de makers hadden deze naam alleen maar gekozen omdat de genoemde slag de stad wereldfaam had bezorgd.
Dick Verkijk, wiens naam al een paar keer is gevallen, publiceerde in 1974 een 832 pagina’s dikke pil over de rol van de omroep in de oorlog, „Radio Hilversum 1940-1945”. Op pagina 711 valt niet alleen de naam Café Sport, maar ook die van Willem W. Waterman, van wie Verkijk zo zeker was dat hij een bedenkelijke rol heeft gespeeld:

De Dolle Dinsdag had Taubert en de zijnen ook niet onberoerd gelaten. Nog diezelfde avond vertrok er om zeven uur een trein met de ‘Gefolgschaft’ van de RBS (Rundfunkbetreuungstelle; chef daarvan was sinds 1 mei 1941 Ir. E.K.Th.F. Taubert, RS) - óók naar Deventer. Een paar zijn in Hilversum gebleven voor de lopende zaken.
Die lopende zaken hielden in de eerste plaats in het in stand houden van een soort binnenlands programma. Er werden alleen grammofoonplaten gedraaid, onderbroken door de nieuwsuitzendingen van de BNO (Berichtendienst Nederlandsche Omroep, RS) - het enige programmaonderdeel dat ‘normaal’ doorging. Een soort Hilversum III avant la lettre.
Maar er waren nog allerhande nevenactiviteiten. In de eerste plaats runde de RBS een zender die zich ‘Mary of Arnhem’ noemde en die bedoeld was om verwarring in het geallieerde kamp te stichten. De opzet was geraffineerd. Men relayeerde gewoon de BBC-uitzendingen en op een uitgekiend ogenblik schakelde men de BBC-nieuwslezer uit en gaf in voortreffelijk Engels eigen nieuws ertussendoor. De inhoud was niet propagandistisch en leek zelfs uit onverdacht geallieerde bron te komen. De verwarring moest juist komen uit kleine accentverleggingen. Men speculeerde o.a. op de tegenstelling tussen Engelsen en Amerikanen en Mary of Arnhem heeft tijdens het Ardennenoffensief een aantal dappere krijgsdaden van Engelse legeronderdelen toegeschreven aan Amerikaanse, waarover volgens Prachthäuser (Alfred Prachthäuser, een medewerker van de Rundfunkbetreuungsstelle, RS) in de echte geallieerde uitzendingen nog een week is doorgebakkeleid. De maker noemde zich, volgens Jan Moene (verzetsman en technicus bij de VARA, RS), ‘Peacock’; als technicus werd een NSB’er gebruikt. Willem W. Waterman maakte voor deze zenders zelfs een cabaretprogramma onder de titel ‘Pirate Club’ (om precies te zijn: Golden Pirate Club, RS) met behulp van Engelse, Canadese en Amerikaanse krijgsgevangenen. Lang kon zo’n zender geen succes hebben want aan geallieerde kant had men zulke trucs gauw door.
[…]
Een tweede zender noemde zich ‘De zender van het bevrijde zuiden’. De apparatuur stond in het gebouw van de Feldgendarmerie aan de ’s-Gravelandseweg en de antenne liep over de straat heen naar het sociëteitsgebouw aan de overkant. Dit station was bedoeld voor consumptie in bezet gebied en heette afkomstig te zijn uit het door de geallieerden al bevrijde deel van Nederland. Elke avond om acht uur werden tussen ogenschijnlijk anti-Duits nieuws door reportages uitgezonden waarin mensen zich beklaagden over het schandelijk optreden van de geallieerde troepen. Deze programma’s werden gemaakt door Corstiaan Tonneman, een ex-omroeper van Radio Bremen (op 30 december 1948 door de Raad van Beroep voor de Perszuivering gehoord als getuige à décharge van Willem, RS), en Wim Sassen (een beruchte Nederlandse nazi, die later bekendheid zou krijgen door zijn interviews met Adolf Eichmann in de jaren 1956-1960, RS).
Van veel ernstiger aard was een zender zogenaamd van de illegaliteit. Volgens Prachthäuser ging het om een wekelijkse uitzending van een uur, die door twee Nederlandse programmamakers (wiens namen hij zich niet meer weet te herinneren) en de NSB-technicus Huizinga werden gemaakt. Men beschikte, ‘door verraad’ zegt Prachthäuser, over door de illegaliteit gebruikte codes. Men wist, dat Café Sport in Hilversum een verzamelplaats van illegalen was en via die codes heeft men mensen uit de illegaliteit opgeroepen op die-en-die-dag op-dat-en-dat-uur in Café Sport bijeen te komen. Dat gebeurde en ze zijn allemaal prompt gearresteerd, ‘einkassiert’, zoals Prachthäuser het uitdrukt. Na een uitzending of zeven, acht heeft men de zender - die hoogst waarschijnlijk geen groter gebied dan Hilversum bestreek - gesloten; omdat toen wel was doorgelekt dat het een Duitse zender was. Was het dezelfde zender als die van Tauberts PR Sonderkonto? Het lijkt zeer waarschijnlijk, ook gezien de waarschuwing die Zij van den omroep indertijd tegen soortgelijke pogingen in 1942 heeft gegeven. Zeker is, dat ook hierbij Willem W. Waterman een bedenkelijke rol heeft gespeeld.


Helaas noemt Verkijk geen bron, waaruit zou kunnen blijken dat het zo zeker was dat Willem W. Waterman een bedenkelijke rol heeft gespeeld bij deze zender en de inval in Café Sport.

Jaren later rijst de terechte vraag of er überhaupt wel een inval is geweest in Café Sport. In 2001 stuurt Klaas de Krijger, de sympathieke eigenaar van Antiquariaat De Papieren Cirkel een kopie van het artikel „Het mannetje van de radio” aan de historicus drs. Frans Frederik Meindert Repko (1929-2003), prominent oud-lid van de Hilversumse Historische Kring „Albertus Perk” en de Hilversumse) Gemeentelijke Werkgroep „Herdenking mei ’40-’45”. Als dank hiervoor onthult deze in een brief aan De Krijger de waarheid omtrent Café Sport; een kopie van deze brief bevond zich in het uitgebreide archief van de Kleppe Brothers.
Zo zie je maar weer dat wat ik al die jaren als een uiterst zwak verweer van Willem heb beschouwd, „Ik heb daar niets mee te maken gehad. Wil je dat horen?” (in het Panorama-artikel), niets meer of minder is dan de onmogelijkheid om zich te verweren tegen de meest ongegronde beschuldigingen.

„Dat kan wel,” zei Pietje. „Ik weet al wat je zeggen wil. Dat heeft Pietje Bell gedaan. O ja, ik krijg van alles de schuld. Ik ben toch zo’n ongelukkig jongetje, ik krijg altijd de schuld. Als er een ruit ingegooid wordt... dat heeft Pietje Bell gedaan... Als er een tram van de rails loopt... dat heeft Pietje Bell gedaan... als morgen de Grote Kerktoren omvalt... dan heeft Pietje Bell dat gedaan...”
„Ja, jongen, je hebt nu eenmaal de naam. Maar dit is wat anders. […]”
[Uit: Chris van Abkoude, „Nieuwe avonturen van Pietje Bell”]







Café Sport: wat we niet wisten
drs. F.F.M. Repko

Geachte heer De Krijger,

In dank ontving ik van u de kopie van het artikel “Het mannetje van de radio” door Peter Gerritse uit het blad Panorama over de zaak Willem W. Waterman, alias Willy van der Heide. Volgens uw informatie zou dit artikel in de jaren ’70 zijn geschreven en strijdig zijn met het boek van Dick Verkijk, “Radio Hilversum 1940-1945” (Amsterdam 1974).

In het Panorama-artikel wordt gesproken over een inval door de Gestapo in Café Sport te Hilversum, waarbij veel illegalen werden gearresteerd, mede als gevolg van een - volgens Verkijk - bedenkelijke rol van Willem W. Waterman.

Ik heb hierover informatie ingewonnen bij twee bekende oud-verzetsstrijders uit Hilversum, die ook betrokken waren bij een illegale zender, waarover sprake is in genoemd Panorama-artikel. Het betreft de heren Gé Verheul (na de oorlog verbonden aan de NCRV) en Gilles Reijn (in de oorlog in dienst bij de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek te Hilversum). Verder heb ik “Hilversum en de Omroep” geraadpleegd, dat in 1995 is uitgebracht door de Hilversumse Historische Kring “Albertus Perk”, waarvan ik oud-voorzitter ben. Tenslotte heb ik het boek “Hilversum, onderdrukking en verzet 1940-1945” er op nagelezen, dat in 1985 is uitgegeven door de gemeentelijke werkgroep “Herdenking mei ’40-’45”, waarvan ik lid ben.

Uit deze informatie komt het volgende naar voren:
1. Te Hilversum was in het hotel “Hof van Holland” op de Kerkbrink (thans afgebroken) een geheime zender gevestigd voor de verbinding met Engeland. Deze zender werd door de Duitsers opgerold, waarbij de leider Van den Hul werd gevangen genomen. Daarna werd de geheime zender verplaatst naar de Noorderkerk aan de Johannes Geradtsweg. Deze zender had geen functie voor de onderlinge verbindingen tussen de illegalen. Hun onderling contact verliep via een geheim telefoonnet met twee lijnen, dat door bevriende PTT-medewerkers was aangelegd.
2. Café Sport was gelegen aan de Groest, dicht bij de Stationsstraat (thans niet meer aanwezig). Het was een ruig café, eigendom van Teus van Schaik, een NSB-er. Het café werd in de oorlog dan ook veel bezocht door Duitse soldaten. In elk geval niet door illegalen. De heer Verheul is getuige geweest van een overval van een peloton WA-ers, die de inboedel in het café kort en klein hebben geslagen. Het incident is door de heer Verheul gemeld aan de politie, waarop hoofdagent Van de Berg de orde heeft hersteld, o.a. door een van de WA-ers in het oor te bijten. Kennelijk was er sprake van een afrekening tussen foute Nederlanders onderling.

Conclusies:
1. Het Panorama-artikel spreekt over een gecodeerde oproep door de Duitsers aan alle Gooise illegalen om op een bepaald tijdstip aanwezig te zijn in Café Sport. Daarbij zou gebruik gemaakt zijn van de code die door verraad in handen was gevallen van de Duitsers en die werd gebruikt door een illegale zender. Dit moet onjuist zijn omdat de zender uitsluitend gericht was op Engeland. Voor de interne communicatie maakten de illegalen gebruik van een eigen telefoonnet.
2. Café Sport werd niet bezocht door illegalen, integendeel: het werd bezocht door Duitsers. Illegalen kunnen daar dan ook niet zijn ingerekend door de Gestapo.
3. Willem W. Waterman is wel bekend bij de illegaliteit als redacteur van het foute satirische blad “De Gil”, maar niet dat hij betrokken was bij een arrestatie van Gooise illegalen.
4. Van een grootschalige arrestatie van Gooise illegalen is ook overigens niets bekend bij de oud-verzetsstrijders.
5. Waarschijnlijk is hier sprake van een door elkaar mengen van verschillende verhalen uit de oorlog, die pas in 1974 (dus bijna 30 jaar daarna) door Verkijk zijn opgetekend, waardoor er een aanzienlijke vervorming van de werkelijke gang van zaken is opgetreden.

Ik hoop u hiermee van dienst te zijn geweest en verneem graag waartoe en op welke wijze u deze informatie zult gebruiken.

Met vriendelijke groet,

F.F.M. Repko.







De wraak is zoet
Paul Alberts

Eindelijk begint de Bob Evers-serie „volwassen” te worden! In deze serie is het fenomeen wraak een betrekkelijk nieuw verschijnsel, terwijl het toch een van de oudste drijfveren in de geschiedenis van de mens is.
Het oog om oog, tand om tand-principe vinden we terug in allerlei religieuze geschriften, zoals de „Talmoed”, de „Bijbel” en de „Koran”. Soortgelijke wraakgevoelens komen we ook tegen in de het Griekse epos en de daarvan afgeleide tragedies. Achilles die wraak wil op Agamemnon, omdat deze hem zijn slavinnetje had afgenomen, Ajax die de Griekse aanvoerders wil afslachten omdat hij Achilles’ wapens niet kreeg en de aaneenschakeling van moorden in het koningshuis van Agamemnon zijn treurige, maar wereldberoemde voorbeelden van al dan niet geslaagde wraakacties. De oude Grieken en Romeinen kenden in hun mythologie zelfs een drietal wraakgodinnen, Erinyen of Furiën genaamd; naarmate het recht op schrift wordt gesteld, zien we echter een toenemende regulering van het wraakprincipe. Naast Erinyen hadden de Grieken nog een wraakgodin: Nemesis; zij is de godin van de gerechtvaardigde wraak. Dit wijst erop dat zij blijkbaar verschil maakten tussen ongerechtvaardigde en gerechtvaardigde wraak. In onze westerse samenleving heeft de staat het geweldsmonopolie, hetgeen er in de praktijk op neerkomt dat wraakneming strafbaar is gesteld. Speciale vormen van wraak, zoals bloedwraak (de vergelding van een moord; in Italië spreekt men van vendetta) en eerwraak (vergelding van een familieschande) komen echter ook in de 21ste eeuw nog in diverse culturen voor. In de „Koran” wordt het recht op bloedwraak nadrukkelijk erkend, al wordt moslims in de tweede soera geadviseerd om genoegen te nemen met diya, bloedgeld. Een generaties lang durende wedloop van wraak en wederwraak noemt men een vete; vaak weet niemand meer waarom of wanneer deze is begonnen. Wraak, bloedwraak en vetes vormen een steevast terugkerende thematiek in de tragedies van William Shakespeare, zoals „Hamlet”, maar bovenal „Romeo and Juliet”, het wereldberoemde verhaal van de vete tussen de families Capulet en Montague. Wraak is ook het motief in de lijvige roman „Le comte de Monte-Cristo” van Alexandre Dumas père. In de Russische literatuur is het hels moeilijk om een boek of toneelstuk te vinden dat níét over wraak gaat.
Goed, in de Bob Evers-serie hadden we natuurlijk de bende van Peraira, die in „Pyjama-rel in Panama” wraak wil nemen op Jan, Bob en Arie omdat dezen in een eerder avontuur een stokje hebben gestoken voor het lucratieve illegale immigrantenspel. Het gevangen zetten van Jan, Bob en Arie in de waterkelder in San Francisco („Hoog spel in Hong-Kong”, Red.) kunnen we ook plaatsen in de categorie wraak. Maar dat was dan ook alles… tot vorig jaar.
In de verhalenbundel „Botsingen met oude bekenden” treffen we ineens twee oude en een nieuwe vijand aan, die uit wraak handelen. Allereerst duiken daar de uit „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” bekende Kees en Frank weer op, die wraak proberen te nemen op Jan Prins; het zijn en blijven echter onhandige Nieuwendijk-nozems, dus het blijft bij een poging. Dan krijgt Bob Evers te maken met wraakacties van Tootsie Griff, die we nog kennen uit de juwelenjacht-trilogie en die inmiddels getrouwd blijkt te zijn met de ons welbekende Johnny Dalmonte; de wraak van deze mafioso blijft niet beperkt tot Bob, maar heeft zich blijkbaar ook al een hele tijd gericht tegen de schutterige privédetective Paul Hubary, die Bob schoorvoetend en vooral onwillig een (zeer klein) handje helpt. Over schutterige privédetectives gesproken: in het derde verhaal van de eerste Bob Evers-verhalenbundel wordt Arie Roos geconfronteerd met Jacoba Colenbrander, inderdaad: de vrouw van de dubbele horloge-fanaat uit „Een motorboot voor een drijvend flesje”. Arie heeft Colenbrander natuurlijk nooit een strobreed in de weg gelegd, dus het is niet meer dan logisch dat de wraak van eega Jacoba zich niet op Arie richt, maar op Pijnenborg, de voormalige werkgever van Colenbrander, vanwege het feit dat Pijnenborg Colenbrander - die over de voornaam Gerben blijkt te beschikken - heeft ontslagen. Zoiets roept wraakgevoelens op, zeker bij vrouwen.
Vandaar mijn verzuchting aan het begin van deze column dat de Bob Evers-serie eindelijk volwassen begint te worden. En het is verbazingwekkend dat wraak in de reguliere serie 1 t/m 61 eigenlijk slechts één keer is voorgekomen, want in talloze andere boekenseries is wraak een Leitmotiv: denk maar eens aan de wraakgevoelens van Erich von Stalhein jegens James Bigglesworth tussen de delen 3 en 52 van de beroemde Engelse serie Biggles. Karl May beschrijft in zes kloeke delen hoe Omar Ben Sadek Hamd el Amasat, de moordenaar van zijn vader, achtervolgt van Tunesië tot in Albanië; dat hij Hamd niet vermoordt, zoals de primitieve Arabische bloedwraak voorschrijft, maar hem onder invloed van de Europese, dus „beschaafde”, door-en-door christelijke Kara Ben Nemsi - een alter ego van Karl May - „slechts” de ogen uitdrukt, schrijven we dan maar toe aan de tijdgeest van de late 19de eeuw. De „eeuwige” wraakgevoelens van Sjareltje de Vroet, alias de Rode Spin, zijn voor elke Nederlandse (ex-)jeugdboekenlezer gesneden koek. Zelfs in kinderboeken als De Kameleon is het verschijnsel wraak niet onbekend: de visdieven die door Hielke, Sietse en Cor worden gedwongen hun buit af te staan, komen later terug om wraak te nemen.
Mede daarom en vanwege het feit dat de door Jan, Bob en Arie gedwarsboomde lieden jarenlang de ene na de andere kans hebben laten liggen om wraak te nemen op het edele trio, is het zo verbazingwekkend dat pas in een verhalenbundel een drietal echte wraakacties worden geprobeerd - afgezien van de twee in het begin genoemde voorbeelden. De muiters uit de Zuidzee zijn dood of ver weg in Amerika, Jeffries en Barnett bevinden zich ook ver weg buiten de EU, net als veel andere schurken, te veel om op te noemen. Maar zo’n Mark van Vliet, de „Bolle”, Luuk van Genderen, Buikmans, Van Busekom, Lottie Doberman en de „Kapitein”, Hennie Schol, Frank, Kees, Bulk, Kresse, noem hen allemaal maar op: die lopen potverdorie door Amsterdam (of op z’n minst door Nederland), net als Jan en Arie, vaak zelfs ook Bob. Zij moeten toch het bloed van Jan, Bob en Arie wel kunnen drinken! Het is ten enenmale onmogelijk dat zij hun verlies schouderophalend hebben afgedaan. Een gemiste kans voor open doel, Willy van der Heide, om hier prachtige verhalen en intriges van te maken! In de rebound kopt Peter de Zwaan de voorzet gelukkig wel in het doel, 69 jaar na het verschijnen van het eerste Bob Evers-boek.





Over vrouwen …
John Beringen & Roger Schenk

In de Bob Evers-verhalen lieten en laten Willem en Peter vaak vrouwen optreden die net iets anders in elkaar zaten dan de gemiddelde vrouw. Trefwoorden als dominant, nadrukkelijk aanwezig, eigenzinnig, sluw en jongensachtig passeren de revue als men deze karakters bekijkt. De eerste in de rij is tante Ginny uit „Een overval in de lucht”. Het is een omvangrijke dame die - zo wordt men gewaar - gewend is om de lakens uit te delen. Van de dertien passagiers van de „PH-XKY” waren er twee van de vrouwelijke kunne, een ongewoon hoog aandeel voor een Bob Evers-boek. De andere dame is natuurlijk het onvergetelijke, roodharige katje Lalou Lalonde, voor wie de eveneens allitererende Claudette Colbert model heeft gestaan. Wie het karakter van Claudette een beetje kent, heeft zelfs zonder het eerste boek van de serie gelezen te hebben al een aardig idee van Lalou’s karakter. In deze zelfde eerste trilogie treffen we ook Lois Bennett aan; een sportief en kordaat meisje van 21 jaar met blond haar. Marie-José heeft mij [John Beringen, red.] ooit toevertrouwd dat de verschijning van Lois op haarzelf was geënt. Lois, een van de twee erfgenamen van professor Hathaway, vertelt haar broer dat een andere dame die in dit boek voorkomt, Annie Jansen-Barley, volgens de verhalen een heel knap meisje was geweest en „misschien is ze het nog wel,” aldus John Bennett.
Daarmee zijn we er nog niet qua vrouwen in de eerste trilogie, want wie kan ooit de Schotse postmeesteres van Bromborough vergeten: Mrs. Fentwick? Zij is niet makkelijk te overtuigen en ook niet voor een kleintje vervaard: eventuele onverlaten die bij haar binnendringen, dreigt ze met de stijfselkwast achter het behang te plakken.
In „Tumult in een toeristenhotel” maken we kennis met Carlotta en Lilian; twee van de vier diamantsmokkelaars. Over Lilian wordt vermeld dat ze „onschuldige blauwe ogen” heeft. Carlotta, die wordt omschreven als een mooi meisje, presteerde het om eerst haar man Charles bijna radeloos te maken met haar gezanik. Als deze daar wat over opmerkt, laat Carlotta doodleuk weten: „Dat zijn vrouwengrillen. Daar mag een man niet op letten.”
In „Drie jongens en een caravan” speelt Yettie Sanders een vrij grote rol. Een ondernemend meisje wier gedrag een beetje aan dat van Lois Bennett doet denken. Hoe ondernemend zij ook is, toch staat zij altijd onder invloed van haar „paatje”. Sonja Straperli uit „Kabaal om een varkensleren koffer” blijkt een zeer eigenzinnige dame te zijn, wier idee van reizen een soort tournee van garage naar garage is. Zij zwaait heel indrukwekkend met een pistool, maar kan daar niet mee omgaan.
In de trilogie over de Grimbos-schat zijn Lottie Doberman en mej. C.B. Schol op z’n zachtst gezegd „niet erg makkelijk in de omgang”. Datzelfde geldt ook voor de mevrouw naar wie de trilogie is genoemd en die haar man - met het karakter van een bos klaprozen – volledig overvleugelt. Wie eveneens als „niet gemakkelijk in de omgang” omschreven kan worden, is Vera Vitella, de slangendanseres („danst u MET slangen of ALS een slang?”) uit „Vreemd krakeel in Californië”. En dan hebben we het nog niets eens gehad over de ronduit vreemde en ook een beetje griezelige waarzegster „La Paraquita” in „Trammelant op Trinidad”.
Als meest geslepen type mag wel Tootsie Griff worden aangemerkt, het meisje en de latere echtgenote van de gangster Johnny Dalmonte. Zij treedt op in „Vreemd gespuis in een warenhuis” en later zien wij haar terug in „Botsingen met oude bekenden”. Zij wordt als volgt omschreven: „Haar wapen bestond niet uit een achtschots automatisch pistool, maar uit haar wijdopen, helblauwe ogen die iemand als heldere vijvers van onschuld konden aankijken, ook al was haar ziel een modderige poel vol leugens.” In „Wilde sport om een nummerbord” laat Willy alweer een vrouw optreden; als Bill haar in één woord moet omschrijven, gebruikt hij het woord „droog”, als wij haar in één woord moeten omschrijven, gebruiken wij liever de term „onbeschoft”, eventueel nog aangevuld met de opmerking „niet van plan en/of in staat om haar eigen kinderen op te voeden”. Die arme Walter Kettering! Wie minstens even onsympathiek overkomt, is de vrouw van garagehouder Dorus Steensma in „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen”; in datzelfde deel is er in de hardcoverversie sprake van een meisje in de categorie „slonzig”: zij haalt zes keer in een halve minuut haar neus op. Ongetwijfeld gaat het hier om een bekende van Willem, daar in dat café aan de Ringvaartdijk. In de pocketversie is daar overigens geen sprake meer van.
In „Superslag in een supermarkt” krijgt Bob hulp van een au pair-meisje, genaamd Joyce, dat zich al snel als heel wat slagvaardiger en bijdehanter dan Bob zelf ontpopt. Hulpvaardig is ook Frau Hauser in Reckahn („Schermutselingen bij een zandafgraving”). Haar motief om Jan te helpen is waarschijnlijk dat zij in hem iets van haar zoon herkent, die in militaire dienst is en die zij mist. In datzelfde deel komt ook nog een naamloze oude vrouw voor, die Jan opsluit in een betonnen schuur vol gereedschap dat Jan naar hartenlust kan en mag gebruiken om uit die betonnen schuur te ontsnappen; bij het lezen van dit deel heb ik [Roger Schenk, red.] altijd gedacht dat het hier ging om de moeder of grootmoeder van monteur Lothar; maar even zovele keren heb ik mij afgevraagd waarom zij een foto van Wolf of Reinie Ebens op haar dressoir heeft. Een wat geheimzinnig type dus, dat niet echt geschikt is om mee te converseren.
De daaropvolgende trilogie wordt ingeleid door een eveneens geheimzinnig type met wie dan wel valt te converseren, zonder daarbij echter ook maar één waarheidsgetrouw woord te vernemen; zij noemt zichzelf aanvankelijk Suzanne MacGarrigle, omdat ze een nicht is van de Schotse machinist van de „Frisco”, maar van de rest van haar verhaal klopt minder dan niets; toch blijkt zij uiteindelijk aan de goede kant te staan, maar dat gaat niet echt van harte. Het gaat in deze trilogie om een busreis door de Verenigde Staten; Jan neemt als passagier plaats in de bus en het is dus onvermijdelijk dat we kennis maken met grote aantallen medepassagiers, van wie naar schatting de helft vrouwelijk is. Niet één van hen maakt een blijvende of sympathieke indruk, al ligt dat voornamelijk aan de non-assertieve houding van Jan.
Ook niet helemaal soepel verloopt de samenwerking tussen Jan en een kwartet secretaresses van Rederij Roos: Brigit, Elle-May, Loes en Nette. Ligt het feit dat zij zich meer als giechelende schoolmeiden dan als eerbiedwaardige secretaresses gedragen, aan hen of ook weer aan Jan? Een open vraag, die wij hier niet gaan beantwoorden.
In de trilogie die begint met het binnenkort weer leverbare „Clandestiene streken op een cruiseschip” wordt het weer eens tijd voor een sterke en geraffineerde vrouw. Aanvankelijk ziet het ernaar uit dat de hoofdpersoon een man is, de uit Salt Lake City ontsnapte accountant met lange vingers Antonio Rivas, maar in de erop volgende delen blijkt dat de drijvende kracht achter het geheel de kleine, zwartharige Cristina Rivas is, een schoonzus van Antonio en tevens familie van de burgemeester van het plaatsje La Gloria.
In de meest recente trilogie van Peter de Zwaan worden wij gewaar dat de uit de eerste trilogie bekende tante Ginny na het avontuur in de Kalahariwoestijn op de een of andere manier bevriend is geraakt met Arie’s moeder; via haar komen Jan, Bob en Arie uiteindelijk in aanvaring met Freek Oltman en zijn handlangers. Het nog dit jaar te verschijnen deel 62 draagt zelfs de titel „De gouden greep van tante Ginny”. Tante Ginny dus aan het begin en het einde van de serie: de literatuurkenner zou het een perfecte ringcompositie noemen, ware het niet dat de Tante Ginny-trilogie nog lang niet de laatste uit de serie zal zijn en ware het niet dat Peter de Zwaan in deze trilogie een nóg vreemdere „tante” aan het palet van vreemdsoortige vrouwen toevoegt: de keiharde juf die zich aanvankelijk Frederique Oltman noemt, maar in werkelijkheid Heleen ten Holt blijkt te heten. Zij ontpopt zich als een keiharde tante, van wie het zeer lange tijd volkomen onduidelijk blijft of ze nou een mede- dan wel een tegenstandster is van onze drie nauwelijks voor hormonen bevattelijke vrienden.
Maar naast al deze ietwat excentrieke types kan men ook wel ronduit aandoenlijke vrouwen aantreffen. Binnen deze context mogen ma Roos en Marianne, de huishoudster van kolonel Prins hiertoe gerekend worden. Opvallend is dat deze twee binnen het oeuvre van Peter de Zwaan een veel grotere rol spelen dan in de delen van Willy van der Heide. Om Marianne en haar „erfenis” heen is zelfs een gehele trilogie geschreven („De perikelen van kolonel Prins”, „Spektakelspel van Fons de Schilder” en „Smokkelspoor van meneer Maik”).
Naast de hierboven genoemde dames treedt er natuurlijk ook nog veel meer vrouwvolk op in de serie, maar hun rol is dusdanig beperkt dat we hen hier buiten beschouwing hebben gelaten. Alles bij elkaar mogen we stellen dat er een bonte verzameling van vrouwen bestaat die in geringe of grote mate de Bob Evers-verhalen verluchtigen met hun opvallende aanwezigheid en waarvan de omschrijvingen uiteenlopen van amusant tot femme fatale.





De droomkies
Willy van der Heide

Op woensdag 11 augustus 1943 van 14.30 tot 14.45 zond Hilversum I het hoorspel „De droomkies” van Willy van der Heide uit. Willem van den Hout schreef gedurende de oorlog tegen de 100 hoorspelen, onder de pseudoniemen Willem W. Waterman, Willy van der Heide en Philip van de Wetering. Mijn (RGHS’) aanvankelijke veronderstelling dat hij de naam Willy van der Heide alleen benutte voor onschuldige, op de jeugd gerichte hoorspelen, bleek een misvatting: we mogen wel stellen dat hij als Willy van der Heide voornamelijk voor de jeugd schreef, maar niet uitsluitend. Enkele, uiterst politiek beladen hoorspelen zoals „De legende der Amerikaansche democratie” en „De Martelgang van Britsch Voor-Indië” vermelden als auteur ook de naam Willy van der Heide, benevens het beste, maar qua foute propaganda duidelijk het vuigste hoorspel dat hij ooit heeft geschreven: „Assistentie … wij zinken”, dat dan weer wel op de wat rijpere jeugd was gericht.
De droomkies” echter laat onze Willy werkelijk van zijn beste pedagogische kant zien. Het hoorspel bevat elementen van een fabel en zoals alle goede fabels bevat ook dit verhaal een zeer duidelijke moraal: het jongetje Jaap heeft kiespijn, maar durft niet naar de tandarts. Een boze droom vol dieren en orthodontische kabouters zorgt er echter voor dat het uiteindelijk maar al te graag naar de tandarts gaat.



VOOR DE KINDEREN
ROLVERDEELING:
Jaap
Nettie
Moeder
Kabouter
Koe
Poes
Paard
Hond
Muis
Varken
Schaap
Ezel


(GEKREUN JAAP) :

O…. O….

NETTIE:

Wat is er, Jaap?

JAAP:

O… O…. O…

NETTIE:

Wat heb je toch?

JAAP:

O, ik heb zoo’n kiespijn.

NETTIE:

Stumper! Ga maar gauw naar den tandarts, dan ben je er vlug van af.

JAAP:

Naar den tandarts? Ik denk er niet aan. O, o, wat ’n pijn.

NETTIE:

Hoe denk je dan van je kiespijn af te komen?

JAAP:

Dat weet ik niet, maar ik ga niet naar den tandarts.

NETTIE:

Als Moeder merkt dat je kiespijn hebt, moet je er natuurlijk naar toe.

DEUR.

MOEDER:

Zoo kinderen, wat zitten jullie hier met z’n tweetjes?

JAAP: (ZACHT)

Ssst... niets tegen Moeder zeggen.

MOEDER:

Waarom gaan jullie niet naar buiten? Het is zulk heerlijk weer. Je moet profiteeren van je vrijen middag.

NETTIE:

Ik ga straks een eindje fietsen, moeder.

MOEDER:

En jij Jaap?

JAAP:

Ik? O, ik ga ook fietsen.

MOEDER:

Wat zie je er vreemd uit Jaap, het lijkt wel of je een dikke wang hebt. Je hebt toch geen kiespijn?

JAAP:

Kiespijn? Ik? Hoe komt U erbij? Ik heb niets.

MOEDER:

Dan is het goed. Want als je kiespijn hebt, moet je naar den tandarts, hoor, wacht je er te lang mee, dan is dat slecht voor je gebit.

JAAP:

Natuurlijk! Maar ik heb geen kiespijn!

MOEDER:

Nu kinderen, prettig fietstochtje!

JAAP:

Dag, Moeder.

NETTIE:

Dag, Moeder.

JAAP: (KREUNEND)

Zou een kiespijnpoeder helpen?

NETTIE:

Misschien. Maar ga toch naar den tandarts.

JAAP:

Zeker om getrokken te worden. Ik dank je lekker. Als ik er aan denk hoe dat laadje met die tangen er uit ziet en hij met zoo’n tang naar je toekomt. Hu.

NETTIE:

Bangerd! Het is niet eens zeker dat je getrokken wordt, misschien moet je alleen maar geplombeerd worden.

JAAP: (SMALEND)

Alleen maar, zei je toch? Hè?

NETTIE:

Nou, houdt dan maar kiespijn. Jíj voelt het, ik niet. In jouw plaats zou ik naar den tandarts toe hóllen en liever éven pijn hebben dan misschien den heelen dag of de heele week.
Kom, ik ga uit, je moet het zelf weten, maar als ik jou was, zou ik maar gauw naar den...

JAAP: (WOEDEND)

Als je nog eens het woord tandarts noemt, dan …

NETTIE: (PLAGEND)

Nou, wat dan?... Ik ben een half hoofd grooter dan jij. Daaaag veel plezier vanmiddag!

DEUR SLAAT DICHT.

JAAP: (KREUNEND)

O, wat is dat toch afschuwelijk om kiespijn te hebben. Weet je wat, ik neem een aspirientje en ga wat op mijn bed liggen dan gaat de pijn misschien over.

STAPPEN

Hè, hè, daar lig ik, ik zal probeeren te gaan slapen … Het is net of de pijn wat minder wordt zonder den tandarts, lekker! Ha, ha ben ik even slim geweest. (GAAPT) Ik krijg heusch al slaap. (GAAPT, ZUCHT EN SNURKT ZACHTJES)

(MEN HOORT NU ZAGEN, BEITELEN EN ZACHTJES HAMEREN) . . . . . . . .

JAAP:

Wat is dat hier in mijn kamer? Vier kabouters? Wat doen jullie hier?

KABOUTER:

Zoo Jaap. Hoe gaat het met de kiespijn?

JAAP:

Best hoor. Maar wat doen jullie hier en hoe zijn jullie hier gekomen?

KABOUTER:

Hoe we hier komen, is ons geheim, maar wat we doen, mag je wel weten. Kijk eens wat we hier hebben?

JAAP:

Hè, wat een gekke witte dingen, het lijken wel groote kiezen.

KABOUTER:

Dat zijn het ook.

JAAP:

Wat mal! Wat doen jullie daarmee?

KABOUTER:

Dat zijn kiezen voor onze verzameling, we verkoopen kiezen, moet je weten, en de kapotte kiezen maken we. Kijk eens, dit is jouw kies en als ik er op hamer, voel je het.

(HAMEREN)

JAAP:

Au, au, schei uit, maar hoe kan dat eigenlijk, want mijn kies zit toch in mijn mond?

KABOUTER:

Dat denk je maar; je echte kies zal er gauw genoeg uit zijn. Niet als je vanmiddag naar den tandarts was gegaan, dan was hij geplombeerd, nu zal hij wel getrokken moeten worden. Dít hier is zoolang je droomkies. Je voelt alles wat we er mee doen, en kijk de andere kabouters zijn ook met kiezen bezig.

KABOUTER:

Kom makkers; het wordt tijd om naar onzen kiezenwinkel te gaan. Ik hoor dat er al een heeleboel liefhebbers zijn. Kom maar mee, Jaap.

JAAP:

Ik heb heelemaal geen zin, ik lig hier heel best in mijn bed ... Als ik me maar even beweeg, is het net of de kiespijn veel erger wordt. Nee hoor, ik heb geen zin ...

KABOUTER:

Geen zin? Daar trek ik me niets van aan, je móét mee, want misschien kan ik nog meer tanden van je gebruiken.

JAAP:

Je blijft van mijn tanden en kiezen af! Ze zijn toch van mij! (HUILERIG)

KABOUTER: (SPOTTEND)

En je zorgt er zoo goed voor, hè? Kom Jaapje, je bed uit!

JAAP:

O wat is die kabouter vreeselijk sterk. Waar gaan we naar toe? Wat is dit voor een lange donkere gang? Hier ben ik nog nooit geweest en wat hoor ik toch voor een gekke geluiden? Het lijken wel allerlei beesten!

GEHINNIK, GELOEI, GEMIAUW, GEPIEP EN GEBLAAT, EERST ZACHTER EN DAN HARD.

KABOUTER:

Stilte Dames en Heeren, alstublieft.

STILTE.

KABOUTER:

Zoo, nu kunt U mij tenminste verstaan, wel, wel, wat zijn er veel liefhebbers vandaag. Heeft U allemaal een tand of kies noodig?

DEZELFDE GELUIDEN EN DAN STILTE.

KABOUTER:

Nu, ik heb weer een prachtige verzameling hoor, nog mooier dan ooit tevoren want deze jongen hier, Jaap, wil U met plezier wat van zijn tanden en kiezen geven.

DEZELFDE GELUIDEN

JAAP:

Niet waar, ik geef mijn tanden en kiezen niet weg.

KOE: (EERST LOEIEND)

Wat is dat, Kabouter, U houdt ons toch niet voor den mal? Ik heb net een groote kies verloren omdat ik vanochtend per ongeluk op een stuk ijzer heb gebeten dat in het gras lag.

POES: (MAUWEND)

En ik heb twee nieuwe tanden noodig omdat ik, toen ik juffrouw muis achterna zat, met mijn kop tegen de muur ben geslagen.

KABOUTER:

Ik houd jullie volstrekt niet voor den gek. Mevrouw Koe kan een nieuwe kies van me krijgen en juffrouw Poes, ik heb een paar scherpe tandjes voor U.

JAAP:

Maar niet van mij hoor, de mijne krijgt ze niet!

(EVEN TUMULT VAN GELUIDEN)

KABOUTER: (GERUSTSTELLEND)

Luistert U maar niet naar hem, hij heeft niets in te brengen.

JAAP:

Wat? heb ik niets in te brengen? Ik ben baas over mijn eigen gebit.

KABOUTER:

O neen, dat heb je verspeeld toen je niet naar den tandarts wilde vanmiddag.

JAAP:

O, maar nu wil ik wel. Ik ga dadelijk.

KABOUTER:

Hier blijven jongetje, je tanden en kiezen zijn nu van ons.

JAAP:

Laat los, leelijke Kabouter.

PAARD: (HINNIKEND)

Wat leelijke Kabouter, het is een best mannetje, hoor, want hij helpt ons aan nieuwe kiezen en tanden.

HOND (BLAFFEND)

Nu geen gezeur verder, ik heb ook een kies noodig. Ik heb er een verloren toen ik een dief in zijn been beet. Het was een houten been, weet je - ik schrok me ’n hoedje, want het is een eng gevoel, hoor, zoo’n hard houten been in plaats van lekker zacht vleesch. Ik mag voor den schrik wel een echte mooie kies van je hebben, Kabouter.

KABOUTER:

Natuurlijk. Kijk eens Dames en Heeren, hier heeft U de verzameling van vandaag: olifantstanden, leeuwenkiezen, muizentandjes, U ziet: er is van alles bij, Maar als er iemand is die er niets bij vindt, dan mag hij een kies van Jaap hebben. Dat zijn droomkiezen en die passen iedereen.

JAAP:

Ik ga er vandoor, ik blijf hier niet. Stel je voor, dat ik zoomaar mijn tanden en kiezen zou weggeven!

(MEN HOORT LOOPEN, GEROEP VAN KABOUTERS (“PAK ’M”) EN ALLERLEI BEESTENGELUIDEN. GELUID VAN WORSTELEN EN GEHIJG)

KABOUTER:

Ziezoo Jaapje; nu blijf je rustig zitten, en pas op als je weer weg probeert te loopen.

JAAP: (HALF HUILEND)

Ik wil naar huis, ik wil naar den tandarts!

KABOUTER:

Hoor, hij roept niet om zijn moeder, maar om den tandarts! Je bent een beetje te laat. Nu, Dames en Heeren, heeft U al een keus gedaan?

KOE: (LOEIEND)

Hier, deze kies wil ik graag hebben, hoeveel kost die, Kabouter?

KABOUTER:

Twee liter melk.

KOE: (LOEIEND)

Goed, zet U hem gelijk maar in mijn bek.

KABOUTER:

Doet Uw bek open, dan zal ik hem er in hameren.
(GEHAMER) Ziezoo, die past prachtig, U ziet er nu weer keurig uit. Wie nu?

VARKEN: (KNORREND)

Nou ik. Ik moet een hoektand hebben, ik heb hem er gisteren door het paard uit laten trekken, want ik had er zoo’n pijn aan!

KABOUTER:

Hoe heeft hij dat gedaan?

VARKEN: (KNORREND)

Wel, hij heeft een paar haren van zijn staart om mijn tand geknoopt en is er ineens in galop vandoor gegaan. Ik gaf een gil van pijn, maar de tand was er uit en bengelde aan het paard zijn staart.

JAAP: (LACHEND)

Ha, ha, ik zie het al!

PAARD: (HINNIKEND)

Lach je ons soms uit? Jij durft niet eens je kies laten trekken.

KABOUTER:

Stil, we gaan verder. Wie heeft nog meer tanden en kiezen noodig? Hier, Mevrouw Varken, zijn Uw hoektanden. Het kost maar twee pond spek.

MUIS: (PIEPEND)

Ik moet een paar knabbeltandjes hebben, Kabouter, ik heb niets om mee te betalen. Ik kan echter heel hard loopen en zal ik dan boodschappen voor U doen?

KABOUTER:

Dat is goed. Denk erom Poes, dat je dus de muis hier niet opeet. Nog iemand iets noodig?

SCHAAP: (BLATEND)

Ik, Kabouter, ik. Och, ik heb toch zoo’n kiespijn; kunt U de kies niet trekken? En me dan een nieuwe geven? Ik heb de laatste dagen geen takje hei naar binnen kunnen krijgen en ik rammel van den honger.

KABOUTER:

Natuurlijk kan dat. Zeg, andere Kabouter, geef me mijn tang eens. Doe nou Uw bek open. Zoo, een, twee … krak! Hij is er uit, hoor.

SCHAAP:

Wat ben ik blij, wat is me dat een opluchting. Heeft U nu een nieuwe kies voor me?

KABOUTER:

Zeker, zeker, even zoeken (GEROMMEL).
Deze lijkt me heel geschikt voor U. Ja kijk eens, hij zit als gegoten.

SCHAAP:

Dank U wel, Kabouter. Wat moet ik ervoor betalen?

KABOUTER:

Een lekker wollen dekentje, voor van den winter, anders niet.

SCHAAP:

Dat is best, ik zal het U morgen brengen.

KABOUTER:

Zijn er nog meer liefhebbers?

EZEL: (BALKEND)

Ik moet twee kiezen en drie tanden hebben, maar er is hier geen bij die me past. Ik moet dus de tanden en kiezen van dien jongen hebben .

JAAP:

Wat?! Geen denken aan! Ik zal m’n tanden en kiezen aan een ezel geven!

EZEL:

Dat zal je zeker moeten. Is ’t niet, Kaboutertje, ik mag z’n tanden en kiezen hebben?

KABOUTER:

Ja zeker mag dat. En ik zal de rest er ook uithalen, dan heb ik een prachtige verzameling.

JAAP: (HALF HUILEND)

Het mag niet. Je mag niet aan mijn kiezen komen. Laat me los Kabouters!

KABOUTER:

Goed zoo, andere Kabouters, houdt hem stevig vast, doe z’n mond open, mooi zoo. Daar gaan je tanden en kiezen, Jaapje! (KRAK, KRAK, KRAK) Nog eentje … goed zoo ... ja …

JAAP: (LISPELEND PRATEND)

O, o, daar liggen al mijn tanden en kiezen op tafel. Wat moet ik beginnen? Ik kan niet eens meer goed praten! Hoe moet ik nu eten?

EZEL: (BALKEND)

Ha, ha, wat praat die Jaap gek! Ha … ha …

JAAP: (WOEDEND)

Houdt je bek, domme ezel, geef mij mijn kiezen en tanden terug.

EZEL:

Dat kan lekker niet, ze zitten al in mijn bek. Wat kosten ze, Kabouter?

KABOUTER:

Waarmee kan je betalen?

EZEL:

Je mag net zooveel op mijn rug rijden als je wilt. Is dat goed?

KABOUTER:

Ja hoor, dat is best. Wel, Jaap, wat kijk je treurig? Dacht je dat ik je zoo maar zonder tanden en kiezen liet staan? Nee hoor, je krijgt een mooi nieuw gebit en je mag zelf kiezen! Wil je muizentandjes of koeienkiezen? Olifantstanden alleen heb ik niet meer voor je.

JAAP:

Ik wil geen muizentanden of koeienkiezen. Ik wil mijn eigen tanden en kiezen terug.

KABOUTER: (ONGEDURIG)

Ja, dat gaat nu eenmaal niet; je hebt je eigen gebit verspeeld, door niet naar den tandarts te gaan, en je mag blij zijn dat je nog een ander van me krijgt.
Hier is een keurig muizengebit, pas dat eens. Kom Jaap open je mond, nu hoe bevalt het je?

JAAP:

Afschuwelijk gewoonweg, het rammelt.

EZEL: (BALKEND)

Stop hem ezelskiezen en tanden in zijn mond. Ha … ha … ha …

PAARD: (HINNIKEND)

Of een paardengebit, dat steekt dan heelemaal uit zijn mond. Ha, ha, ha …

JAAP: (WOEDEND)

Lachen jullie niet om me! Ik zal jullie wel krijgen. Ha, wat zie ik daar? Een leeuwengebit? Dat doe ik aan, en nu kan ik lachen! Kom eens hier als jullie durven. Durven jullie niet? Mooi dan kom ik bij jullie! (BRULLEND)

ALLE BEESTEN MAKEN VERSCHRIKTE GELUIDEN EN VEEL LAWAAI, TERWIJL JAAP ROEPT:

JAAP:

Ik eet jullie op met huid en haar, Ha, ha, wat zijn ze bang, kijk ze eens loopen.

GELUIDEN ALS GETRAPPEL ENZ. STERVEN WEG

Zoo, ze zijn weg, gelukkig. Maar wat moet ik nu doen? Ik kan toch niet met een leeuwengebit blijven rondloopen? Wat zouden ze thuis schrikken! En wat begint het me een pijn te doen, mijn heele gezicht gloeit ervan. O, het is niet om uit te houden. Hoe krijg ik het gebit eruit? Ik zal met mijn hoofd tegen den muur loopen, dan valt het er misschien wel uit. (GEBONK) Au, au …..

MOEDER:

Jaap, jongen wat is er? Word wakker, je droomt.

JAAP:

O Moeder, moeder, is het leeuwengebit eruit? Gelukkig, waar is het?

MOEDER:

Leeuwengebit? Wat zeg je toch? En waarom lig je midden op den dag in bed? Ben je ziek?

JAAP:

O Moeder , ik heb zoo’n kiespijn, en ik durfde niet naar den tandarts, toen heb ik een vreeselijken droom gehad, Maar nu ren ik naar den tandarts, denkt U dat het nog niet te laat is? En hij nog niet getrokken hoeft te worden?

MOEDER:

Laat eens even naar je kies kijken. Neen, hij ziet er nog niet erg slecht uit, hij zal wel geplombeerd moeten worden .

JAAP:

Gelukkig. U zult wel moeten lachen als ik U straks mijn droom vertel, ik houd het liefst mijn eigen gebit. Ik mag wel gaan hè? Dag Moeder, tot straks.

DEUR VALT DICHT.







Enkele foto’s uit Zürich
Roger Schenk

Wat is het toch jammer dat er geen Charlottenstraβe bestaat in Zürich, anders had ik zomaar het woonhuis van Herr Ingenieur Dausenberg kunnen laten zien. Niet gezegend met het speurdersbloed van Arie Roos ben ik er ook niet in geslaagd om het huis waar Bob gevangen werd gehouden te vinden: zo gek veel platenzaken zijn er niet meer in Zürich en de straten waar ze wel zijn, worden van tijd tot tijd opgewekt door het vrolijke getinkel van trams. Zeer waarschijnlijk waren er in de jaren ’50 meer platenzaken in Zürich, hetgeen de speuractie van Arie alleen maar bewonderenswaardiger maakt.
Desondanks bevat deel veertien van de serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie genoeg fraais.



Kaartje van Zürich.
De nummers 1 t/m 7 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt. Foto nummer 8 valt helaas een behoorlijk eindje buiten het bereik van dit kaartje
.



Op Zürich Hauptbahnhof schenkt men slechtere koffie dan Jan Prins in Holland ooit heeft gedronken, de oorlog niet meegeteld dan. En als Jan Prins een dergelijke mededeling doet, neem ik die graag voor waar aan, dus wij stelden ons tevreden met het bewonderen van de architectonische bijzonderheden van de buitenzijde van het station. (1)



De straat die vanaf Zürich Hauptbahnhof in de richting van de Zürichsee loopt en die Bahnhofstraβe heet, zoals Arie terecht ried, is de duurste winkelstraat van het toch al peperdure Zürich; om de vrouwen ook enig vertier te gunnen terwijl hun mannen in Zwitserse bankfilialen met (zwart?) geld spelen, hebben alle zichzelf respecterende modehuizen wel een vestiging op of op z’n minst in de buurt van deze straat. (2)



En als er dan al eens iets anders aan de Bahnhofstraβe ligt dan een modehuis, is het wel een sportzaak, die het aan zijn stand verplicht is om ook prijzen te vragen waar iemand als Jan Prins jarenlang nachtmerries aan overhoudt. Gelukkig voor hem moest hij in deze sportzaak in hartje zomer informeren naar Friese schaatsen, zodat het bezoek aan deze winkel voor hem zonder financiële consequenties verliep. Tot een tweede bezoek aan deze sportzaak komt het niet, want je weet het, hè: „Amerikaanse organisatie! Poeh! Als de Moffen zoiets moesten organiseren, hadden ze een geval als dit voorzien.” (3)



Er zijn twee ingrijpende verschillen met de vroege jaren ’50: toen was het „Elite Carlton” nog een hotel, nu is het alleen nog maar een restaurant; toen lag de ingang aan de Bahnhofstraβe, nu aan de min of meer parallel verlopende Nüschelerstraβe; dat laatste zal ongetwijfeld te maken hebben met de dure grondprijzen: Chanel en Van Cleef & Arpels moesten per slot van rekening ook ondergebracht worden op de Bahnhofstraβe ... (4)



Bob telde nog liever de passagiers van alle passerende trams dan dat hij aan de boorden van de Limnat of de Zürichsee „Wachtje am Rhein” ging zitten spelen. Welnu, Bob, hier is alvast één tram, onderweg van de Bahnhofstraβe naar de wijk Frankental in het noordwesten van Zürich.
Een uniek kijkje in de werkwijze van de heer Van der Heide, die zijn informatie en zijn namen lukraak uit alle windrichtingen bij elkaar heeft gesprokkeld, want Frankenthal is ook de naam van de man die Bob vanuit het „Elite Carlton Hotel” kidnapte en bij Sardoni afleverde. Willy vond deze naam blijkbaar erg mooi, want enkele jaren later gebruikte hij hem nogmaals, nu voor een niet-bestaande straat in Utrecht: daar zou de Nederlands-Duitse Handelsmaatschappij met de onbetrouwbare procuratiehouder zijn gevestigd.
(5)



Vroeger was lang niet alles beter, al denken sommigen van wel. Bij het maken van mijn eerste „Encyclopaedia Apriana” had ik alleen maar de beschikking over een zeer summier kaartje van Zürich, zodat ik ervan uit moest gaan, dat er geen Berninaplatz bestond. Inmiddels weet ik beter: de Berninaplatz bestaat wel degelijk en ze ligt in de wijk Oerlikon in het noordoosten van Zürich. (6)



De Erste Schweizerische Metallspielzeugwerke aan Berninaplatz 217 waren volgens Masters net vóór „Een dollarjacht in een D-trein” nieuw gebouwd ... alleen maar om vervolgens vervangen te worden door een nóg nieuwer gebouw: winkelcentrum City Bernina.
Wij hebben het bange vermoeden dat de zaken van deze Metallspielzeugwerke na de tragische ontmaskering van Herr Ingenieur Dausenberg niet meer zo florissant verliepen als daarvoor. (7)



Op dezelfde zaterdagochtend waarop Jan en Bob hun eerste ervaringen hadden met Zwitserse koffie, arriveerde Mark van Vliet (onder de valse naam Ulrich Stein) op het vliegveld van Zürich, dat een voor Nederlanders nogal hilarische naam draagt. Kloten ligt een aardig eindje ten noorden van Zürich, reden waarom de plaats en het vliegveld niet op het kaartje hierboven aangegeven zijn. (8)







De Nieuwe GIL 2
John Beringen

Terug van weggeweest:
Politiek satirisch en volkomen
onafhankelijk blad voor
Nuchtere Nederlanders
De Nieuwe GIL Nr. 2

Postbus 278
2500 AB Den Haag


5 januari 2019

Nieuws van de redactie
Het verschijnen van de Nieuwe Gil heeft veel stof doen opwaaien. De toonzetting van de vele brieven en mails die wij mochten ontvangen, loopt van lyrisch tot vernietigend. Een heel normaal verschijnsel waarbij wij echter wel één opmerking willen maken: wat de één prachtig vindt, zal een ander weer als waardeloos aanmerken. Kortom: een heel normale ontwikkeling. Wij geloven dan ook niet in het idee-fixe dat wij de enige club in de geschiedenis van de mensheid zijn die iets kan produceren wat door iedereen leuk wordt gevonden. Als wij dat denkbeeld zouden aanhangen, zouden we beter klavertjes vier kunnen gaan zoeken. Een aantal reacties is weergegeven, verderop in dit blad, in de rubriek „lezerspost”.



Treinsurfers overwegen kort geding tegen de NS


AMSTERDAM - Treinsurfers zijn (meestal) jongeren die bovenop de trein kruipen om zo een rit mee te maken waarbij dan ook filmpjes worden gemaakt van hun capriolen. Niet geheel ongevaarlijk i.v.m. mogelijke elektrocutie en doordat het risico bestaat dat men van de trein kan vallen met alle gevolgen van dien. „Het is voor de kick” laten Mark en Joop (*) weten. Beiden zijn hartstochtelijke treinsurfers. Wat is daar nou de lol van? Mark: „In de eerste plaats reis je voor nop, want in de loop der jaren zijn de prijzen van de treinkaartjes de pan uitgerezen.” Joop knikt bevestigend. „En het is gewoon cool,” verklaart hij grijnzend. „We maken ook altijd mooie filmpjes die het goed doen op YouTube.”
De jongens verklaren dat ze het hele jaar door actief zijn omdat de vraag naar filmpjes op YouTube steeds groeiende is en dat daarin het probleem schuilt. „Kijk,” verduidelijkt Mark, „in de zomer is het lekker om zo even uit te waaien, maar in de winter is het wel een ramp, hoor. Je vriest dan zowat halfdood. Wij hebben ons georganiseerd in soort vakgroep en vanuit die

hoedanigheid overwegen wij om de NS een petitie aan te bieden of desnoods een kort geding aan te spannen.”
Wat willen de treinsurfers daarmee bereiken? Mark legt het uit: „De pantografen van de treinen bevinden zich op een wat verhoogd plateau. Wij willen dat er in de rand aan de achterkant van deze plateau’s een rooster komt waarachter zich een elektrische straalkachel of warmteblower bevindt zodat wij ons tijdens het surfen een beetje warm kunnen houden. Technisch gezien moet dat heel eenvoudig zijn en die 220 of desnoods 380 volt die daarmee gemoeid is, is maar een fractie van de spanning die wordt aangevoerd via de bovenleiding. Het zal beslist niet zo zijn dat daardoor de vereiste dienstsnel-heid niet meer verwezenlijkt kan worden. En als de NS daad-werkelijk gehoor geeft aan onze wens, zijn wij natuurlijk ook niet te beroerd om bij al onze filmpjes onze waardering hiervoor kenbaar te maken.”

(*) De namen Mark en Joop zijn om privacy-redenen gefingeerd.

Partij voor de Dieren wil van Paashaas af.

Een wonderlijk voorstel van de Partij voor de Dieren: de Paashaas moet worden afgeschaft. De indiener, die vooralsnog anoniem wil blijven, formuleert het als volgt: „Het is een schande en hoogst dier-onvriendelijk om die haas met zoveel werk op te zadelen door hem aan Jan en alleman eieren te laten uitdelen en dan ook nog eens het gevaar laten lopen om als dank tijdens de Kerst op de eettafel te eindigen.”
Of deze kwestie inderdaad een serieus agendapunt van de Tweede Kamer wordt teneinde ter stemming te worden gebracht, lijkt onwaarschijnlijk.





Geruststellend of zorgwekkend?


Onlangs werd op NOS Teletext bekend gemaakt dat er in 2018 (weer) minder bedrijven failliet waren gegaan dan het in voorgaande jaar. Gelet op de toonzetting van het bericht krijgt men de indruk dat het wordt verwoord als een positieve ontwikkeling en dat het dalende aantal faillissementen een trend is die zich voortzet, hetgeen men als gunstig zou kunnen aanmerken.
Maar… is dat wel zo? Men hoeft tenslotte geen wiskundige of econoom te zijn om te constateren dat er na elk aantal faillissementen (ook al is dat dalende) steeds minder bedrijven overblijven die nog failliet KUNNEN gaan. Het is maar vanuit welke invalshoek men het bekijkt…




Wat is er mis met de piek?

Begin december werden wij opmerkzaam gemaakt op het feit dat de piek als versiering van de kerstboom zogezegd „uit de tijd” zou zijn, om niet te spreken van „not-done”.
Dat bleek geen verzinsel te zijn, maar werd via vele officiële kanalen daadwerkelijk serieus verklaard. Uit de vele brieven die wij hierover mochten ontvangen, bleek dat de verontwaardiging hierover niet van de lucht is. Kreten als: „Wat IS dit voor onzin?”, „Wie verzint zoiets?” en „wat is er ineens mis met de piek?” kwamen veelvuldig voor in de reacties.
Wij stuurden journalisten op pad teneinde te trachten enige duide-lijkheid te krijgen omtrent de beweegredenen in deze kwestie. Een duidelijke verklaring konden wij niet boven water krijgen, wel twee hypotheses die wij met u delen.
De eerste mogelijke verklaring zou

zijn dat de piek als seksistisch kan worden aangemerkt omdat het als een fallussymbool gezien kan worden. Dat komt ons echter als hoogst onwaarschijnlijk over. De tweede hypothese lijkt een stuk realistischer. Daarin wordt gesteld dat het woord „piek” associaties oproept met ons vroegere betaal-middel: de gulden. Hiervan weten wij dat die in 2002 tien tot twintig procent te goedkoop is ingewisseld voor de Euro, hetgeen bij velen nog steeds een gevoel van onvrede oproept. En juist tijdens de Kerst, die staat voor bezinning, zou het woord „piek” herinneringen oproepen aan die actie die menigeen indertijd zo negatief trof in de portemonnee. Wij moeten overigens wel eerlijk zijn door hieraan toe te voegen deze theorie geen stand houdt m.b.t. het beoogde doel door slechts de piek uit de kerstboom te verbannen als enige maatregel. Woorden als piekhaar, piekbelasting, vakantie-piek, enz., zullen dan ook aangepast moeten worden om iedere associatie met ons voormalige betaalmiddel te elimineren…





Bladzijde 2 De Nieuwe GIL 5 januari 2019



Hoe Willem W. Waterman anderen tot uitvindingen brengt


Kort na het uitbrengen van de eerste editie van De Nieuwe GIL kregen wij een brief van meneer Van Zanten uit Eindhoven. De man verklaarde na het lezen van een verhaal uit „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” op een origineel idee gekomen te zijn. Even ter verduidelijking voor degenen die dit boek niet kennen: op bladzijde 175 vertelt Willem dat hij een lichtbakje boven de voordeurbel had gemonteerd dat oplichtte als men de belknop indrukte. Dan verscheen de tekst „Niet storen s.v.p.”. Hij kon van binnenuit de bel overschakelen naar het balkje en hoopte zo rustig te kunnen werken.
Nieuwsgierig geworden stuurden wij één van onze verslaggevers op pad naar Eindhoven alwaar dhr. Van Zanten zijn vinding demonstreerde. Hij bleek naast de voordeur twee belknoppen gemonteerd te hebben. Bij de bovenste was de volgende tekst te lezen: „Bezoek en mensen die wat komen brengen” en bij de tweede was een bordje aangebracht met daarop de tekst: „Collectanten, colporteurs en andere mensen die proberen wat aan te smeren of aan te praten”.
„Het is heel simpel,” laat van Zanten weten. „Ik erger mij constant aan de zoveelste collecte waarbij wordt gebedeld voor het een of andere goede doel waar ik nog nooit van gehoord heb.” Hierop drukt hij achtereenvolgens op de twee bellen. De bovenste laat een vrolijk ‘pling-plong’ horen; de onderste geeft een indringende zoemtoon weer. „Zo kan ik horen wat voor volk er voor de deur staat,” licht van Zanten toe. „Als de zoemer gaat, dan weet ik dat ik niet open hoef te doen.” Op het eerste gezicht een waterdicht systeem... Maar wat als nu een collectant toch op de bovenste knop drukt?
Van Zanten: „Dan laat ik weten dat de persoon gebruik heeft gemaakt van de verkeerde knop. Ik sommeer hem of haar dan om terug te lopen, het tuinpad af, om dan opnieuw te komen aanlopen en op de juiste knop te drukken.” En dan? „Niks,” luidt het korte commentaar van Van Zanten. „Dan kom ik gewoon niet in beweging.”

Geert Wilders: Winkeldief als erkend beroep


Dat Geert Wilders (PVV) soms met bizarre moties en voorstellen voor de dag kan komen, moge bekend zijn. Onlangs kwam hij echter met een idee dat door velen fronsend werd ontvangen: winkeldief als erkend beroep. Wij bezochten de PVV-voorman die zich heel bereidwillig toonde om aan ons de opzet van zijn plan toe te lichten.
„Laat ik dit toelichten met een voorbeeld,” zo begint hij. „Je had vroeger de Kijkshop en de V & D. Wat niet iedereen weet, is dat de Kijkshop een onderdeel was van de V & D. Nou komt het: een bepaald artikel kostte bij de V & D bijvoorbeeld 10 euro. Datzelfde artikel kostte bij de Kijkshop echter 7,95 euro. Dat verschil zit hem natuurlijk deels in het feit dat de Kijkshop minder personeel had dat betaald moest worden, minder energiekosten, enzovoorts… Een groot verschil in overheadkosten dus; dat zal iedereen begrijpen. Maar een ander punt is dat je bij de Kijkshop niet kon stelen. Je vulde daar een bon in van het gewenste artikel, dat rekende je af bij de kassa en enige momenten later werd dat aangeleverd. Kortom: waterdicht. Maar dat houdt tevens in dat bij de V & D ook winkeldiefstallen werden verdisconteerd in de meerprijs van de artikelen. Wat nu als er in een periode GEEN winkeldiefstallen waren? Dat houdt in concreto in dat je in die situatie betaalt voor NIET gepleegde winkeldiefstallen. En dat is óók een vorm van diefstal; in dit geval naar de klant toe.”
Op dit punt onderbreken wij de parlementariër door aan te geven dat wij die redenering deels begrijpen, maar dat het zeer onduidelijk is waar hij nu precies naartoe wil. Wilders knikt begrijpend en legt uit: „Ik snap dat dit in eerste instantie heel bizar overkomt. De erkende winkeldief moet een pasje krijgen waarmee hij zich als zodanig kan legitimeren wanneer hij door een winkelmedewerker wordt betrapt op diefstal. Dat heeft voor hem dan geen verdere consequenties. Alleen de winkeldief die géén pasje kan overleggen - de beunhaas dus - mag worden aangehouden. Daar moet ik aan toevoegen dat de erkende winkeldief wel de verplichting heeft om aan het einde van iedere week een staatje in te leveren waarop hij vermeldt wat hij precies gestolen heeft. We brengen daarmee dus alle diefstallen perfect in kaart. En nu zult u zich waarschijnlijk afvragen wat nu het nut van deze aanpak is.”
Wij bevestigen dit.
„Het is heel simpel,” laat Wilders weten. „Dan kan men als klant bij de kassa worden verrast met de mededeling dat hij x-procent korting krijgt omdat de erkende winkeldief de afgelopen week ziek was, een vrije dag had of met vakantie was.”




Uitlaatklep


Naast „Lezerspost” hebben wij tevens de nieuwe rubriek „Uitlaatklep” ondergebracht in De Nieuwe GIL. Een rubriek waarin men zijn of haar hart kan luchten en waarin men kenbaar maakt wat iemand bezig houdt, ontroert of juist heel boos maakt. In deze editie een brief van meneer Stieltjes uit Winschoten die zich stoort aan de rekenmethode van het Kabinet. Om praktische redenen hebben wij zijn geschrift wat ingekort en enige hoofdpunten de revue laten passeren.
„Linksom of rechtsom… je bent altijd de klos,” zo begint dhr. Stieltjes zijn brief. Hij licht dit toe met het volgende voorbeeld: „Stel dat de BTW in Duitsland met 1 procent wordt verhoogd… dan begint men hier meteen te gillen (bravo voor deze term, red.) dat zulks hier eveneens dient te geschieden onder het mom dat het zogezegd ‘eerlijker ten opzicht van…’ is. Maar als de BTW in Duitsland met 1 procent wordt VERLAAGD, dan is dat totaal anders want dan staat het weer ‘los van elkaar’ en kun je gewoon blijven dokken.. het ‘eerlijker ten opzichte van’ geldt dan ineens niet meer.”
Een ander punt waar dhr. Stieltjes zich boos over maakt, gaat over de aardgasbaten: „Het is eigenlijk te zot voor woorden. Als we een strenge winter krijgen, moet de gasprijs omhoog omdat er zogezegd veel vraag naar is, maar als we een kwakkelwinter krijgen, dan begint men te jammeren dat de aardgasbaten tegenvallen, waar vervolgens de burger voor mag opdraaien d.m.v. een nieuwe heffing of verhoging van het tarief. Wat is dat voor flauwekul? Iedereen betaalt wat hij neemt, zo simpel is dat! U zou zich eens moeten voorstellen dat dit in de supermarkt ook zo zou werken. Stel dat u een artikel koopt van 1 euro en de caissière doodleuk laat weten dat de winst door deze kleine aankoop tegenvalt… of u maar even een dubbeltje meer wilt betalen… De supermarkt zou te klein zijn voor de verontwaardiging die dan zou ontstaan. Waarom nemen wij in deze situatie GEEN genoegen met zo’n handelswijze maar tolereren wij de eerder aangehaalde voorbeelden WEL?”
Op deze vraag kunnen wij dhr. Stieltjes geen antwoord geven. Wel vinden wij dat hij een punt heeft dat zoveel mogelijk gedeeld moet worden. Bij deze. Inmiddels kunnen wij verklappen dat er vergevorderde plannen bestaan voor de zg. „Gil-radio”. Als die van de grond komt, zullen wij dhr. Stieltjes uitnodigen om samen voor de microfoon nader in te gaan op deze materie.

Omissie!


„Lezerspost”, „Uitlaatklep”, „Gilletjes”: ja, wij willen post van u, jonge en iets minder jonge lezer! Desnoods dreigbrieven, overlijdensberichten of ansichtkaarten. Heel fraai allemaal, maar om post te kunnen ontvangen is het misschien wel handig – of zo u wilt, noodzakelijk - om ons postadres kenbaar te maken en uitgerekend dát waren wij in de vorige Nieuwe GIL helaas vergeten.
Gelukkig wist een groot aantal lezers zich het postbusnummer van De GIL (om het onderscheid met De Nieuwe GIL duidelijk te maken, vanaf nu De Oude GIL genaamd) te herinneren, zodat wij niet helemaal verstoken bleven van post. Want, beste lezers en lezeressen, ons postadres is na al die jaren altijd nog hetzelfde gebleven: Postbus 278 te ’s-Gravenhage, in de wandel- en andere gangen ook wel Den Haag genoemd. Het enige wat nieuw is, is dat er bij dat postbusnummer een postcode hoort. En aangezien ieder huishouden in dit land sinds de invoering van de postcode in 1978 van overheidswege over een post-codeboek beschikt, kan iedereen die postcode uitstekend zelf opzoeken.





Bladzijde 3 De Nieuwe GIL 5 januari 2019





Gilletjes... rubriek voor, door en over kinderen.



Deze rubriek heeft, zo is gebleken n.a.v. brieven van kinderen, in enkele gevallen tot wat minder leuke voorvallen geleid bij sommige pupillen. E.e.a. zal u duidelijk worden door de open brief die wij hieronder weergeven:

Open brief aan alle schoolmeesters en juffrouwen

Geachte mevrouw, mijnheer,
Wij ontvingen van jeugdige briefschrijvers berichten dat zij standjes en zelfs strafwerk kregen toen zij kenbaar maakten iets te willen schrijven voor ons blad “De Nieuwe GIL”.
Laten wij voorop stellen dat wij het onderwijs - in welke vorm dan ook - zeer hoog in het vaandel hebben staan. Tenslotte brengt u kinderen kennis bij in alle mogelijke denkbare varianten; u leert uw kinderen tal van vaardigheden aan, normbesef, juiste omgangsvormen enzovoorts… kortom: uiterst nuttige bagage waarmee u kinderen voorbereidt op de volwassen wereld waarin hij of zij zich het grootste deel van zijn of haar leven zal gaan voortbewegen. En dat gebeurt in een beschermde omgeving. Maar buiten diezelfde omgeving bevindt zich de echte wereld waarover wij elkaar niets nieuws hoeven te vertellen. Bedrog, hebzucht, criminaliteit… het ligt allemaal op de loer. Helaas, en ondanks uw moeite en inspanning, zijn er nog tal van kinderen die daarin stranden… Echter… dat u “De Nieuwe GIL” kennelijk tot een facet rekent dat eveneens behoort tot laakbare zaken, door kinderen te bestraffen als zij iets voor ons blad willen doen, is naar onze mening hoogst onjuist. “De Nieuwe GIL” is juist educatief. U weet als geen ander dat door grapjes en hilarische vergelijkingen ernstige zaken heel goed kunnen doordringen resp. beter begrijpelijk gemaakt kunnen worden in kinderlijke breinen. Eén van onze briefschrijvers formuleerde het treffend als “mensen aan het denken zetten”. En dat is ook het doel dat wij beogen: “Waarom is dat zo gek?”, “Waarom kan dat niet?”, “Wat bedoelen ze daarmee?”: het zijn allemaal vragen die bij kinderen op kunnen komen en waaraan wij een steentje willen bijdragen. Het is toch mooi als serieuze zaken zo bespreekbaar gemaakt kunnen worden? Wij spreken de hoop uit dat u in dit licht bezien “De Nieuwe GIL” met andere ogen zult bekijken.

w.g. redactie van “De Nieuwe GIL”




Het is veel ouders een doorn in het oog dat hun kinderen uren- en soms zelfs dagenlang van huis wegblijven zonder enig bericht of excuus. Dat kwam vroeger echt niet voor en in die tijd hadden kinderen nog niet eens de beschikking over een mobiele telefoon. „Hoe beter de communicatiemiddelen worden, hoe minder kinderen met hun ouders communiceren,” is dan ook de verzuchting van de getroffen ouders.
Dat het ook anders kan, bewijst de Whatsapp-conversatie tussen Rob Jetten, de nieuwe en piepjonge fractieleider van D66, waarop de redactie van „De Nieuwe GIL” op bijzonder curieuze wijze de hand wist te leggen. Kijk, zo hoort het nou: Robje vraagt keurig toestemming aan zijn „mama” om wat later thuis te komen, omdat hij werk te doen heeft in Den Haag.
Eén ding heeft ons echter pijnlijk getroffen: het grote aantal schrijf- en taalfouten, iets wat vaker voorkomt in haastige chatconversaties, maar Robje maakt het wel érg bont. Dat krijg je er nou van als je meer tijd besteedt aan het je met je ellenbogen naar boven werken in de politiek dan aan je huiswerk! Er zit dus ook nog een waarschuwing in deze conversatie verstopt: zorg dat je je moedertaal goed beheerst!
En dat is nou precies de reden waarom „De Nieuwe GIL”-redactie besloten heeft om deze intieme conversatie tussen de jonge Rob en zijn moeder hier weer te geven, alle privacygevoeligheid ten spijt. Wij verloten 5 pluchen exemplaren van Rob Jettens belangrijkste inspiratiebron onder alle jongeren onder de 18, die in staat zijn om meer dan 25 fouten uit onderstaand whatsapp-gesprek te halen en die op te sturen naar Postbus 278, 2500 AB Den Haag.




ROB JETTEN: mama mag ik vanavend wat langer opblijven? ik wil blijven spelen met klaas en marc en jesse en cherry
MAMA: CHERRY? ZIJN ER MEISJES BIJ JE? ROB, WAAR BEN JE NU?
ROB JETTEN: nee mama. cherry is een jongentje. hij heet ook nog Bidet, ik weet niet hoe je dat schrijft. Hij praat soms een b
ROB JETTEN: eetje raar. de meester op school zegt dat dat latijn is vind u dat nou niet gek?
ROB JETTEN: cherys opa zit altyd naast hem hij praat ook n beetje raar. maar dat is geen latijn zegt de meester
MAMA: ROB, JE KUNT NIET TE LAat thuiskomen, wie moet jouw luier verschonen?
ROB JETTEN: dat doet klaas mama. klaas vind het heel mejeubewust dat ik kattoene luiers moet dragen in plaats van pempers
MAMA: wie is Klaas?
ROB JETTEN: het vriendje van marc en nu ook mijn vriendje
MAMA: Maar waar ben jij nou eigenlijk, Rob?
ROB JETTEN: bij marc in de kamer mama. hij heeft ook nog een kamer want hij noemt dit altijd zijn 2e kamer
MAMA: O, die Marc? Die altijd zo vrolijk lacht?
ROB JETTEN: ja
ROB JETTEN: maar mama mag het nou?
MAMA: Ik weet niet of … Hoe laat ben je dan thuis, Rob?
ROB JETTEN: marc zegt dat het heel laat word mama. toe nou
MAMA: 😡
ROB JETTEN: toe nou mama. mama dit is een leueke speeltuin
MAMA: Vooruit dan maar.
ROB JETTEN: 😀
MAMA: Maar wel vóór 12 uur thuis zijn, he? Dan zal ik nog een beker chocomel voor je opwarmen, daar krijg je energie van
ROB JETTEN: dat mag niet van marianne mama. die zegt dat opwarmen slecht is voor het mejeu en dan gaan alle koetjes en schappjes dood en de lieve geitjes ook
MAMA: wie is Marianne nou weer? Er ziin dus toch meisjes bij. Rob, ik wil dat jE ONMIDDELLIJK NAAR HUIS KOMT, HOOR JE?
ROB JETTEN: nee mama. marianne is stom. die wil niemand mee spelen
MAMA: Goed dan maar weer. Maar dan blijf ik niet op. Kijk je uit dat je papa niet wakker maakt als je thuiskomt?
MAMA: In de koelkast staat een fles Roosvicee. Neem daar maar wat van
ROB JETTEN: zit dat in een glaze fles mama. jesse zegt dat plestik slecht is voor het mejeu
MAMA: Ik weet het niet, Rob. Ik weet wel dat jij rare vriendjes hebt, Rob
ROB JETTEN: 😭
MAMA: En ik vertrouw het niet met dat meisje erbij
ROB JETTEN: nee mama er zijn maar 2 meijses hier. marianne is is stom. lilian is stom
MAMA: Lilian? O, ik weet wie je bedoelt. Kijk uit voor Lilian, Rob, want die wil alles wat jij hebt, weer van je afpakken
ROB JETTEN: nee mama ik speel alleen met marc en klaas en jesse. en toenaham. toenaham is ook lief. meisjes zijn stom
MAMA: Goed zo, Rob, mama is trots op je
ROB JETTEN: 😀
ROB JETTEN: en bart is ook stom mama. die is het vriendje van jesse en die speelt met vuurwerk en die wil dat jij en papa zonnepaneermeel op het dak leggen, want dat is goed zegt bart
MAMA: Nee, jij kunt beter naar Thierry luisteren. Dat jongetje spreekt Latijn, dus dat is een goed vriendje voor jou
ROB JETTEN: ja mama. ik zal cherry vragen of hij mij ook latijn wil leren
MAMA: Dat hoeft nou ook weer niet, Rob. Van mensen die Latijn spreken is nog nooit iets terecht gekomen
ROB JETTEN: 😮
ROB JETTEN: maar cherry is wel lief he mama
MAMA: Goed zo, knul. Doe je best, he. Mama is trots op je. En wat zeggen we dan?
ROB JETTEN: kusje mama
MAMA: 😍 😍 😍



Door de open brief en de unieke inkijk in de conversatie van de familie Jetten is er in de rubriek Gilletjes wat minder ruimte beschikbaar dan gebruikelijk, maar we plaatsen nog wel twee raadseltjes. (de oplossing hiervan kun je helemaal onderaan aantreffen)

1: Een man nadert een hangbrug boven een ravijn. Er staat een bord bij met de volgende tekst:
          „Deze brug kan slechts het gewicht dragen van één persoon”
De man loopt de brug op… als hij halverwege is, stort de brug in en valt de man in de diepte. Hoe kan dat?

2: Hoeveel emmers water gaan er in het IJsselmeer?





Bladzijde 4 De Nieuwe GIL 5 januari 2019


Oproep!

Loopt u tegen iets aan waarvan u vindt dat het aandacht behoeft in „De Nieuwe GIL”? Schroom dan niet om dat kenbaar te maken door onze redactie hierover een berichtje te sturen: Postbus 278, 2500 AB Den Haag. Uiteraard beoordelen wij e.e.a. op geschiktheid; mocht het item passen binnen onze strategie dan sturen wij verslaggevers op pad.


Lezerspost

Stompzinnig
Welke idioot komt nou op het idee om De Gil opnieuw uit te geven? Een stompzinnig blaadje dat alleen maar vol staat met allerlei flauwekul waar niemand op zit te wachten. De Bob Evers Nieuwsbrief is een uitgave die ik altijd met veel plezier lees, maar om het dan, mogelijk wegens gebrek aan kopij, aan te vullen met die zogenaamde “Nieuwe Gil” is werkelijk een vlag op een modderschuit. Het is ongeveer het zelfde als het sjokkende paard van de groenteboer inzetten bij de paardenrennen.
Dhr. E. uit Hoofddorp
Naschrift redactie: Het staat u helemaal vrij om uw ongezouten mening te geven over dit blad, maar uit uw woorden bespeuren wij een beetje de stelling: „IK vind het niks, dus IS het niks”.

Geweldig
Wat leuk! De Nieuwe Gil… Ik heb stevig zitten lachen toen ik de artikelen las. Toegegeven: soms wel wat absurdistisch, maar absurdisme is ook weer iets wat mensen aan het denken kan zetten. En dat geeft toch wat sjeu in deze grijze tijd waarin we via de gesettelde media alleen maar worden overspoeld met rampspoed, flauwe humor en gewichtig doende en volgegeten parlementariërs die laten weten dat Jan met de pet de broeksriem nog wat moet aanhalen. Een nieuwe vrolijke noot die voor mij persoonlijk meer dan welkom is; zeker nadat we het al zo’n lange tijd zonder Koot en Bie moesten stellen die zich eveneens van dit type humor bedienden. Geweldig! Ga zo door.
Mevrouw R. uit Amsterdam
Naschrift redactie: Wij doen ons best.

Bijdragen
Het was een leuke verrassing om de Nieuwe Gil aan te treffen in de ons zo vertrouwde Nieuwsbrief. Ik heb nog wel twee vragen. 1: mogen lezers ook bijdragen insturen die mogelijk geschikt zijn als item voor de Nieuwe Gil? 2: Ik ben momenteel een leuk hilarisch feuilleton aan het schrijven dat n.m.m. perfect aansluit bij de Nieuwe Gil-filosofie. Zouden daarvan één of twee hoofdstukken geplaatst kunnen worden in uw blad?
Dhr. K uit Middelburg
Naschrift redactie: Bijdragen zijn altijd welkom (zie hiervoor onze oproep elders in dit blad). Voor uw feuilleton ligt het echter iets anders. „De Nieuwe GIL” is niet van zins om een soort opstap te vormen voor aankomend literair talent. Wel overwegen wij om betaalde advertentieruimte beschikbaar te stellen zodat eenieder aandacht kan vragen voor zijn of haar aspiraties op welk gebied dan ook.

Rioolrobot
Met grote belangstelling las ik uw artikel over de rioolrobot die in Carentan gevonden is. Hoe is het daar verder mee gegaan? Ik heb de oude Gil uit juni 1944 er even bij gepakt en heb meer gelezen over dit item. Je zou denken dat het maar een fantastisch verzinsel was, maar nu blijkt e.e.a. toch op waarheid te berusten. Krijgen we daar nog meer van te horen?
Dhr. P. uit Drachten.
Naschrift redactie: Wij hebben contact gezocht met de mensen die zich hiermee bemoeien, maar men is vooralsnog zeer terughoudend in het verstrekken van informatie hierover. Wij hopen er in de volgende editie meer over te kunnen vertellen.

Kat op het spek binden
Wat een idioterie! Het is werkelijk niet te geloven… jarenlang lees ik met veel plezier de Nieuwsbrief en dan komt men ineens met “De Nieuwe Gil” op de proppen. Als er nou nog wat zinnigs in zou staan… Neem nou dat stuk over de eigen bijdrage veilige oversteek of die kennismakingsplicht. Beseffen jullie wel dat jullie hiermee de kat op het spek binden? Met jullie onzin kunnen jullie de dames en heren uit Den Haag alleen maar op “goede ideeën” brengen zodat we NOG meer uitgeknepen gaan worden. Bedankt, stelletje malloten!
Dhr. S. uit Apeldoorn
Naschrift redactie: U hebt wellicht de opzet/achtergrond van De Nieuwe GIL niet geheel begrepen. Wij tonen slechts aan dat het geen uniek privilege is van slechts de elite uit Den Haag om met absurde ideeën voor de dag te komen die vervolgens heel serieus worden gepresenteerd en waarover dan tot laat in de avond wordt gedebatteerd. Wij adviseren u om voortaan niet meer de Nieuwsbrief te lezen, maar de Donald Duck of de Bobo.


Oplossing raadseltjes:
1: Een gewaarschuwd man telt voor twee.
2: Tien emmers, als men ze groot genoeg neemt.








Nieuwsbrief 51
Nieuwsbrief 52 als pdf
Nieuwsbrief 53
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina