Nieuwsbrief 54

Nieuwsbrief 55
als pdf

Nieuwsbrief 56

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana

Nieuwsbrief nr. 55
ISSN 1386-6451
juli 2020 - 27e jaargang nr. 2



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Bijzettafel vol Bob-boekenPeter de Zwaan
Recensie van deel 64: Starnakelse stennis met Tukkerse TokkiesSchout-bij-kunstlicht Spook
Recensie van deel 65: Slimme spitsvondigheden in een Dom dorpSchout-bij-kunstlicht Spook
Konkelbergse wortelsJohn Beringen
Bobs Bronnen (8) : Cities of the World No. 22 : Hong KongDemaree Bess
Van Prima donna tot mascotteJohn Beringen
„(Gast)column: Yankee DoodleFrank Engelen
Weinreb en Willem, twee fantastenTon Kleppe
The Weinreb-Case„Friedrich Weinreb”
De Amerikaan bezien door verschillende brillen … John Beringen
Enkele foto’s uit DomburgRoger Schenk
De Nieuwe GIL 5John Beringen & Roger Schenk




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen


De delen 64 en 65 van de onverwoestbare Bob Evers-serie zijn verschenen!


Voorzijde van „Bliksemacties bij de Buurserbeek”,
door Lia Krijnen

Voorzijde van „Een opdracht van inspecteur Onge”,
door Lia Krijnen


Autobiografie van een bezeten bladenmaker

De ons allen bekende Peter J. Muller heeft in zijn leven heel wat meer gedaan dan voorzitter van het Bob Evers Genootschap zijn: we kennen hem ook als uitgever van Aloha, Hitweek, Candy, Weekend, Aktueel, Foxy en De Nieuwe. Dat laatste blad was een Nederlandse navolging van het Amerikaanse Weekly World News, waarin de grootst mogelijke onzin voor waar werd verkocht, maar ook het blad De GIL heeft zijn sporen nagelaten op deze krant uit de eerste helft van de jaren ’90.
Nu hij niet meer zoveel tijd kwijt is aan al die bladen had Peter J. Muller de tijd om een lang gekoesterde wens in vervulling te doen gaan: het schrijven van een autobiografie. Op 30 januari 2020 was het zover en kon „Seksbaron tegen wil en dank” in journalistencafé Scheltema in Amsterdam worden gepresenteerd. Het is een heerlijk boek geworden en je moet al van extreem goeden huize komen, wil je het niet in één adem uitlezen. Nou hebben de redactie van deze Nieuwsbrief en Jan, Bob en Arie één ding gemeen: ze hebben geen belangstelling voor porno. En toch ging onze speciale belangstelling uit naar Peters wederwaardigheden met Candy en dat heeft dan weer alles te maken met de bijdragen van de eerste schrijver van Bob Evers aan het roemruchte seksblad. Het begon allemaal met ‘voorlichtende artikelen’ onder de naam drs. G.J. van der Voort (de redactie is de tel een ietsepiets kwijt geraakt: het hoeveelste pseudoniem van de besnorde bandiet is dit nou? De lezer van deze Nieuwsbrief die ons het juiste aantal kan noemen, krijgt van ons een gratis exemplaar van Candy).
Maar hoe zat het nou precies met Joke Raviera? Peter J. Muller gaf in 2014 – slechts luttele meters boven de roemruchte Genootschapskoker – in een gesprek met een klein deel van de redactie pertinent te kennen dat Willem niet Joke Raviera was. Als het gaat om de persoon Joke Raviera, kan dat aardig kloppen: p. 97: „Op een studentenfeestje in augustus 1969 raakte ik [Peter J. Muller, Red.] in gesprek met de twintigjarige Liesbeth Mooney, een jeugdige en fris ogende verschijning in wie ik gelijk mijn ideale ‘Lieve Mona’ ontdekte. Zij reageerde enthousiast op mijn voorstel om als ‘Joke Raviera’ het visuele boegbeeld van de brievenrubriek te worden, maar alles in het nette. Dat kwam goed uit want mijn ideale Joke diende zich, in tegenstelling tot de inhoud van veel lezersbrieven, als een toonbeeld van beschaving te presenteren. Het lezen, selecteren en beantwoorden van de brieven reserveerde ik voor mijzelf. ‘Dus in woord een slet, in beeld een heilige maagd,’ vatte Lindenboom [wijlen Coen van der Linden, Red.] het treffend samen.”
Als we het begin jaren ’70 verschenen boekje „Brieven aan Joke” of de brievenrubriek van Candy erop naslaan, krijgen wij een ander beeld: achter Joke Raviera mag dan wel op foto’s deze Mooney schuilgaan, die overigens contractueel had laten vastleggen niet naakt of halfnaakt in beeld te verschijnen, maar zowel in de „ingezonden brieven” als de antwoorden daarop herkennen wij duidelijk de hand van Willem en zijn leerling Coen van der Linden. Al beweert Muller nog altijd stellig: ‘Dat WWW luidkeels verkondigde het brein achter Joke Raviera te zijn was een gotspe. Ook in mijn periode mocht de veelschrijver met geen letter, en helemaal niet met zijn tengels, aan ‘mijn’ Joke Raviera komen.’ (p. 252).
Maar in 1974 neemt Koos Verkaik, de beroemde science fiction- en fantasy-auteur, het hoofdredacteurschap van Candy over; op p. 251/2 komt hij aan het woord en bevestigt in ieder geval: ‘Ik wist dat ze zelf niets schreef, maar wel veel geld voor een paar portretfotootjes wilde hebben. Dat heeft even geduurd en daarna hebben we Liesbeth nooit meer gezien.’ Volgens Verkaik werden ‘de Joke-brieven na de overname door Veerkamp niet door Willem, maar door een medewerkster geschreven, ik geloof dat ze Irene heette.’
Willem was toen overigens nog verbonden aan het blad, maar stapte al snel over naar concurrent Cash van Paul Metz; vanaf 1974/1975 tot aan zijn dood in 1985 is hij ‘onder een reeks van schuilnamen’ voor dit blad blijven schrijven. Pagina 197 t/m 199 gaan over Geerten Meijsings eerste ontmoeting met zijn jeugdheld Willem W. Waterman in Café De Oude Wester en de onvermijdelijke oprichting van het Bob Evers Genootschap; Muller noemt als datum van oprichting 2 december 1972. De eerste daad van het Genootschap was het begraven van de koker met de statuten van het Genootschap op de plek van het Noord-Zuidhollands Koffiehuis. Vergist Peter zich nou vier dagen of werd de roemruchte koker pas vier dagen na de oprichting begraven? Degene die toentertijd de schop hanteerde, wordt in dit kader – zoals helaas maar al te vaak – niet genoemd; zijn naam komt wel voor op p. 107 van het boek en als anderen hem dan niet noemen, zal de redactie van deze Nieuwsbrief hem de passende eer bewijzen: Jaap Verduijn.
Maar niet alleen voor degene die geïnteresseerd is in Willem W. Waterman is dit boek een must, maar voor iedereen die zo heeft genoten van het tijdsbeeld van de jaren ’60 en ’70.
Naar aanleiding van deze autobiografie vonden er talloze interviews met de schrijver plaats of op z’n minst artikelen. Een mooi interview van redacteur Rudie Kagie van Argus is terug te zien op : YouTube. Van de andere artikelen over Peter J. Muller trokken met name de laatste zinnen van NPOradio1.nl (29 januari 2020) – „Zijn volgende project wordt een blad voor oude mensen. „Zij vinden dat vroeger alles beter was. Ik ga ze daarin bevestigen met een tijdschrift.’’ – en Quotenet.nl (12 april 2020) – „Nu, vele jaren later, heb ik een droom: een tijdschrift voor ouderen. Niet zo braaf als Plus, maar nostalgie met een knipoog. Vroeger was alles beter, zoiets. Want dat was het ook.” – onze aandacht. Het gevoel dat vroeger alles beter was, zullen vrijwel alle Bob Evers-lezers met „hun” voorzitter eens zijn.
Peter J. Muller, „Seksbaron tegen wil en dank. De persoonlijke geschiedenis van een bezeten bladenmaker in de bizarre jaren ’60 en ’70”, Uitgeverij Mulstra Boek, 2020. ISBN: 9789090322735.

Guess who’s back?

Willem Waterman!
In sommige opzichten is John Beringen de tegenpool van Peter J. Muller. Waar Muller zijn lezers van De Nieuwe ooit op het verkeerde been zette door een priester te laten verklaren dat de hemel vol was, hetgeen door sommige mensen wel erg serieus werd genomen, schreef Beringen ooit een boek, genaamd „De hel is vol”, hetgeen door sommige mensen wel erg serieus werd genomen.
Onze eigen Beringen schreef ook, naar aanleiding van de honderdste geboortedag van Willem van den Hout, het boek „Willem Waterman en het Konkelbergproces”, met dat mooie beeldje op de voorzijde, weten jullie nog wel? We zijn inmiddels vijf jaar verder en het vervolg op dat laatstgenoemd boek is verschenen: „De terugkeer van Willem Waterman”, bij John traditioneel zonder de middelste „W.” van zijn strijdnaam. Wie iets van dit boek wil begrijpen, moet in gedachten even terug naar 20 juni 1944, twee weken na D-Day en de dag waarop het achtste De GIL verscheen. In dat nummer stelde Willem ons voor aan de Riool-Robot:
Een der meest ingenieuze uitvindingen van de geallieerde technici is zonder twijfel de Riool-Robot, een geheel radiotelefonisch bestuurde namaakmensch, speciaal geconstrueerd op het zich banen van wegen door de riolen van steden waarom hevig wordt gestreden. De Robot wordt gedreven door een explosiemotor, welke loopt op rioolgassen die hij door een in de mechanische handen gehouden slang inzuigt. De Robot kan op simpele vragen antwoord geven, zooals „Stinkt het erg?”, „Schiet je al op?”, „Mot je nog peultjes?” en „Wat vliegt de tijd, hè?”
De Robot baant zich een weg door de riolen en luistert geheel automatisch aan de invoerpijpen tot hij Duitsch hoort spreken. Zijn apparatuur is zoo afgesteld, dat hij dan zoo kwaad wordt, dat hij een zwakken electrischen stroom opwekt, welke een springlading doet ontploffen en zoo een stadskwartier met Duitsche bezetting in de lucht laat vliegen. De Riool-Robot is bestand tegen ratten en reageert niet in het minst op lachen en lonkjes van vrouwelijke spionnen. SPREEK DUS NOOIT DUITSCH TEGEN EEN RIOOL-ROBOT als u er eentje tegenkomt in een riool. Dat is levensgevaarlijk! Onderstaande actueele foto is afkomstig van een der riolen van Carentan, waarin een bataljon van deze Robots werd losgelaten. Dit offensief werd echter geen succes, daar de Duitsche bezetting van Carentan een Zwabisch dialect bleek te spreken en de Robots dachten dat het Schotsch was.

In „De terugkeer van Willem Waterman” duikt een van deze rioolrobots van lang geleden op; het ding is ongeveer 1,70 meter groot en in het jaar waarin De GIL nummer 8 verscheen vervaardigd in Pittsburgh/Pa. („Maar dat is logisch,” zou het Orakel uit de Watergraafsmeer gezegd hebben). Er passeren heel wat bekende namen de revue voor het moment suprême is aangebroken, waarop de rioolrobot ontploft: dat hoogtepunt uit het boek krijgt een aardig slotakkoord middels de kreet: „Wie zei dat Willem Waterman alles verzon?”
Het sneven van de rioolrobot werd vastgelegd in een filmpje, maar de bedoeling is dat het gehele boek ooit verfilmd gaat worden. Wij zijn benieuwd: lezing van het boek maakt ons in ieder geval nieuwsgierig naar de film, al is het alleen maar om te weten te komen waarom het verkeerslicht op de voorkant van het boek verkeerd om staat, met het groene licht aan de bovenkant. Het boek geeft helaas geen antwoord op die prangende vraag …
John Beringen, „De terugkeer van Willem Waterman. Weerzien in Konkelberg”, Uitgeverij Boekscout Soest, 2020. ISBN: 9789463899178.


v.l.n.r. John Beringen, de rioolrobot en Figaro


Maar er zijn ook boeken die niet verschijnen

Sinds de overname van de rechten door Uitgeverij Overamstel bleef het een tijdje stil; als donderslag bij heldere hemel verschenen daarna de teksten van de eerste 32 Bob Evers-pockets als epub. Vervolgens bleef het nog lang stil, maar sites als bol.com en eci.nl kondigden in het najaar van 2017 al de verschijning van nieuwe versies van de eerste 32 Bob Evers-delen aan, die gepland stond op 11 april 2020; Nieuwsbrief 50 maakte daarvan gewag. Puur uit nieuwsgierigheid en om zich zelf een gedegen oordeel over deze nieuwe uitgaven te vormen heeft onze hoofdredacteur Roger twee deeltjes besteld en betaald op de site van bookspot.nl, de opvolger van eci.nl. Na ongeveer een week werd het bedrag eerlijk teruggestort met de ietwat teleurstellende mededeling dat deze titels „niet langer leverbaar” waren. Het woord „langer” kan wat ons betreft regelrecht richting prullenbak, want ze zijn natuurlijk nooit leverbaar geweest. Een wijs besluit, lijkt ons, dat Uitgeverij Pantheon (de opvolger van Overamstel?) in ieder geval voor een financiële ramp heeft behoed, want in de boeken en de epubs gaat het naar verluidt om de tekst van de pockets, diezelfde pockets die je in elke goed gesorteerde tweedehandsboekwinkel voor een euro per stuk kunt aanschaffen (en met een beetje geluk in de kringloopwinkels voor nog veel minder). Van de andere kant: weer eens een nieuw rijtjes pockets erbij zou een welkome aanvulling zijn op onze verzamelingen, nietwaar? Peter de Zwaan timmert aardig aan de weg met zijn twee deeltjes per jaar, zodat het moment waarop hij Willem qua aantal inhaalt, niet al te ver verwijderd meer is, maar 32 nieuwe pockets tegelijk produceren, nee, dat kan zelf de Magiër uit Meppel niet.

Bob Evers leeft nog steeds!

Ja, natuurlijk, wat dacht je dan? Bob Evers overleeft alle stormen en alle crises!
Bert Mulder tipte de redactie dat Bobs trouwe Ronson-aansteker, een Ronson Varaflame Windlite Butane Cigarette Lighter om precies te zijn, te koop werd aangeboden op eBay:

Hij begon in zijn broekzakken te rommelen en vond zijn trouwe Ronson-aansteker. Niet dat hij die bepaalde aansteker al zo lang had . . . het was precies het zesde exemplaar dat hij bezat. Telkens raakte hij er een kwijt op zijn avonturen, maar hij kocht tèlkens koppig een nieuwe – altijd van hetzelfde type. Het vlammetje spoot op en onthulde een betonnen ruimte, van ongeveer vier bij vijf meter, met volkomen kale wanden . . . zeker vijf meter hoog, en met als enige inrichting een stapel van drie versleten matrassen, precies midden onder het valluik gelegd.

Kijk, zijn naam staat erop, ongetwijfeld tegen het verlies; het hielp niet, want ook dit exemplaar is hij vast verloren bij een van zijn avonturen, maar dat jaartal? Voor zo ver wij weten, schreef Willem zijn deel van „Een zeegevecht met watervrees” in 1965. Het daaropvolgende deel, „Bob Evers belegert Fort B”, speelt zich vroeg in de jaren ’70 af, dus de redactie is al sinds het bericht koortsachtig bezig zich af te vragen welk avontuur Bob in 1966 dan toch beleefde. Nou, Bert, je wordt bedankt, hoor, voor al die slapeloze redactionele nachten!

Het zal niemand ontgaan zijn dat sinds de door al te krachtdadig ingrijpen van de Minneapolitaanse politie veroorzaakte dood van een zekere meneer George steeds meer onschuldige zaken moeten wijken voor de terreur van het grauw – als we die term nog mogen gebruiken. Standbeelden werden gesloopt of beklad, net als na natuurrampen zoals orkaan Katrina of na de dood van andere Afro-Amerikanen greep de meute deze uitgelezen kans om kleding- en elektronicawinkels in met name het duurdere segment te plunderen met beide handen aan en ook films en boeken moesten het ontgelden. Als een van de eerste moest de klassieker „Gone with the wind” eraan geloven, omdat bepaalde bevolkingsgroepen blijkbaar het historische feit willen ontkennen dat vrijgelaten slaven in de jaren 1860 het in vrijheid zó slecht hadden, dat ze vrijwillig weer in dienst traden bij hun oude meesters. Wat vooral opvalt, is dat niet alleen voornoemde George het leven moest laten, maar dat met name de humor in het steeds hetere debat sneuvelde. „Fawlty Towers” kon ineens niet meer, net zo min als „Little Britain” en als je vóór het behoud van de traditie van de Renaissancistische Moorse knecht van een Griekse bisschop uit Myra, die op onnavolgbare wijze in Spanje terecht is gekomen, bent, word je in het gunstigste geval uitgescholden voor nazaat van Rosenberg, Goebbels of Eichmann en kun je in het ongunstigste geval een trap in je gezicht krijgen van een ongenuanceerd krijsende nakomeling van slavenjagers.
Het jongste slachtoffer is (een aantal afleveringen van) „South Park”, hetgeen Annabel Nanninga van een zeker politiek partijtje een tweet ontlokte, die op zijn beurt weer uitvoerig werd becommentarieerd op de als altijd weer olie op het vuur smijtende site van Geen Stijl (die je, gezien de ondertitel „Tendentieus, ongefundeerd & nodeloos kwetsend”, met het volste recht een navolger van De GIL mag noemen). Het is altijd weer grappig om te zien hoe snel en uitbundig werkeloos Nederland op dergelijke commentaren op dat soort sites reageert; zo meent een zekere „Met_baard”:
„Ik heb nog een stel Bob Evers-boeken waarin ne... uhm wacht, ah, zwarte personen van kleur onheus worden aangesproken door een van de hoofdfiguren. Zal die pagina’s maar eruit scheuren en in de brand steken, hè?
En wat te denken van al die zwaar racistische Kuifje-albums, zoals „Kuifje in Afrika” of „Amerika”? (familie van Kuifje van hier?)
Suske & Wiske waren hier en daar ook fout.
Het wordt weer drukker bij de oud-papier-container op de milieustraat.”
Wellicht was dit commentaar van de heer „Met_baard” wel de aanleiding voor Danny Engelman om de integrale tekst van „De strijd om het goudschip” op zijn website over te nemen en het aantal keren neger, nikker, blanke, et c., te tellen. Ach ja, het woord nikker kwam wel vaker voor in de (jeugd)literatuur van de jaren ’50, ook bijvoorbeeld in Biggles en Oki en Doki. In feite kwam het woord zo vaak voor dat je zou gaan denken dat het toentertijd een normale uitdrukking was. De schrijver van Biggles, W.E. Johns, nam in het 98e Biggles-avontuur, het onvoltooide „Biggles en de nieuwe rekruut”, op geheel eigen wijze „wraak” op degenen die hem racisme verweten door als Biggles’ opvolger bij Scotland Yard een halfbloed (half-Schots, half-indiaans) aan te wijzen. Willem en Henri Arnoldus kwamen bij lange na niet aan dergelijke aantallen: wie weet wat zij nog voor ons in petto hadden gehad in deel 98 van Bob Evers resp. Oki en Doki.
De vraag die zich natuurlijk, gelet op de huidige beeldenstorm, vroeg of laat ook aan ons, fans van Biggles, Bob Evers en Oki en Doki op zal dringen, is: moeten deze boeken verboden worden?
Deze vraag kan door de intelligente lezer natuurlijk alleen maar met een tweeëndertigwerf „NEEN” beantwoord worden: het gaat om historische documenten die precies laten zien hoe men in de jaren ’50, toen ook Zwarte Piet nog een ongelooflijke boeman was, over bepaalde dingen dacht: een mooi tijdsbeeld, zeker vergeleken met de jaren ’60; en later, waarin de gewraakte term nikkers in nieuwe drukken van Bob Evers en Oki en Doki werden vervangen door negers, een term die 60 jaar later óók al niet meer mag, hoewel ze is afgeleid van het Latijnse woord niger, dat gewoon zwart betekent, dus eigenlijk zeggen we allemaal hetzelfde.

Naast de gebruikelijke column van Peter de Zwaan en recensies van diens nieuwe delen treft u in deze Nieuwsbrief na lange tijd nog eens een bijdrage van Ton Kleppe aan, en wat voor een! Een uitvoerig relaas over Friedrich Weinreb, de meesteroplichter, en de relatie tot zijn celgenoot in het Scheveningse „Oranjehotel”, Willem van den Hout. Daarop is Roger Schenk op zoek gegaan naar het pamflet dat deze Willem in opdracht van Weinreb schreef; en wie zoekt, zal vinden, dus ook dit pamflet, een waar meesterwerk op het gebied van vuile propaganda – zoals we dat van onze ouwe Kanjer met Knevel gewend zijn –, is hieronder te bewonderen. We hopen dat de lezers de Engelse taal voldoende machtig zijn, want er is nóg een bijdrage in het Engels opgenomen: een reportage van Demaree Bess uit The Saturday Evening Post, om precies te zijn het stuk waaruit Jan Prins in „Hoog spel in Hong-Kong” citeert. Dit is inmiddels alweer deel 8 uit de serie Bobs Bronnen. Naast andere langlopende series, zoals Enkele foto’s uit … en De Nieuwe GIL is er natuurlijk weer een gastcolumn, ditmaal van de immer originele Frank Engelen en schrijft redacteur Beringse John wijze woorden over Arie Roos, Amerikanen en „Konkelberg”.

Kunt u nog schrijven? Schrijf dan mee! Je zou toch zeggen dat er binnen de Bob Evers-GoeGemeente wel enkele mensen te vinden zijn die een toetsenbord van een computer kunnen bedienen en die dat ding voor andere doeleinden gebruiken dan het vorsen naar alle dingen die de regering nu alweer eens fout zou hebben gedaan of het uiten van scheldkanonnades aan het adres van wildvreemden die toevallig een iets andere mening hebben! Ja toch? Mochten zij hun naam eens vereeuwigd willen zien in de Bob Evers Nieuwsbrief, dan kunnen zij uiterlijk 1 december hun bijdrage naar nieuwsbrief@apriana.nl sturen! Wij hopen vurig, heel vurig op wat meer reacties dan die arme Jan Hulshof, die in de vorige Nieuwsbrief een oproep deed aan mensen die in het gelukkige bezit zijn van drukplaten van Bob Evers-stofomslagen: dat leverde hem het overweldigende aantal van twee reacties op …





Bijzettafel vol Bob-boeken
Peter de Zwaan

Wij (van Zwarte Zwaan) hielden ons hart vast in maart. De boeken waren besteld en lagen klaar in het magazijn van de drukker. Wij hadden tientallen, sorry: honderden bestellingen. En de Chinezen hadden een virus. Toen de eerste series boeken waren verzonden wisten we ongeveer wat voor virus het was, eentje van de beroerde soort die niet alleen niet van Chinees houdt.
Het meeste risico was voor ouderen, vooral oudere ouderen. Niet veel aan de hand als je het hebt over jongensboeken, maar erg veel aan de hand als die jongensboeken om Jan, Bob en Arie draaien. Als er in de wereld één jongensboekenserie is waar oudere ouderen voor in de rij staan dan is het Bob Evers. Veel ouder moet het niet worden, denk ik elk jaar als de familie komt vertellen dat ik nu toch, eindelijk en definitief, tot de ... Vroeger zeiden ze: tot de sterken ben gaan behoren. Tegenwoordig is het: ben gaan behoren tot de favoriete klanten van corona dat covid is gedoopt omdat je het de mensen nooit te makkelijk moet maken.
Voor een website over misdaadromans heb ik geschreven dat ik blij was dat het virus meer kwaad kon voor oud dan voor jong, want ik moet er niet aan denken dat ik mijn kleinzoon ziek hoest, maar die blijheid gaat niet zo ver dat ik met liefde een portie benauwdheid op me neem. Of die de lezers toewens, want daar had ik het over: lezers. Vooral die van Bob Evers en dat zijn in meerderheid virusdoelgroepers.
We hielden ons hart dus vast ... en lieten het korte tijd later weer los. Want óf de lezers van Bob Evers zijn tamelijk ongevoelig voor een vuil virus, óf ze bestellen de nieuwste delen met inspanning van hun laatste krachten.
Het aantal bestellingen lag tussen de vijf en tien procent hoger dan vorig jaar en er kwamen lezers van wie we niet eerder hadden gehoord, maar die wel in één keer alle delen na nummertje 50 bestelden, plus de twee verhalenboeken. Dan ben je toch vlot tegen de 300 euro kwijt en ik heb nog nooit van mijn leven in een keer voor bijna 300 euro aan boeken besteld. Maar er zijn liefhebbers die het doen. ‘Dan maar geen vakantie in Turkije, zeventien Bob-boeken op het bijzettafeltje is een stuk veiliger dan een après-zwem in een te warm land.’
Gelijk hebben ze natuurlijk.
Wij (nog steeds van Zwarte Zwaan) zijn benieuwd in welke leeftijdscategorie de nieuwe lezers vallen en hoe ze kans hebben gezien jarenlang de voortgang van de serie te missen. Zijn ze jonger dan gemiddeld? Het lijkt erop als we het overzicht bekijken van de lezers die wel hun leeftijd hebben genoemd. ‘Ik bestel ze voor mijn man van 43.’ ‘Mijn zoon van dertien leest ze, dus ...’ Zo komen bestellingen binnen en geloof maar dat we plezier aan de teksten beleven. Volgend jaar komen er weer nieuwe delen. Twee stuks, en e-mail nou niet meteen dat je ze wilt bestellen, want ik heb het over februari-maart-april 2021, die tijd. Wat ons (van Zwarte Zwaan, hè) betreft, is het virus dan gesneuveld, want we nemen met liefde genoegen met minder bestellingen als daar het vertrek van de firma corona tegenover staat.


Peter de Zwaans kleinzoon heeft – niet geheel toevallig – dezelfde voornaam als de advocaat van de familie Evers.







Recensie van deel 64: Starnakelse stennis met Tukkerse Tokkies
Schout-bij-kunstlicht Spook

Nou, dát doen we dus nooit meer, hè? Door omstandigheden lagen de twee nieuwe Bob Evers-delen drie lange weken weliswaar uitgepakt, maar toch ongelezen op de keukentafel. In de tussentijd ben ik eens gaan grasduinen op het veelbesproken Facebook. Wist u dat op dat forum een heuse Bob Evers-groep bestaat? Stomme vraag, natuurlijk wisten jullie dat, want jullie zijn de fans, dus jullie weten dat; maar voor mij was het nieuw, ook al noem ik mij sinds jaar en dag een fan. Hoe dan ook, je hoeft niet eens lid te worden van die groep om toch alle berichten te lezen. En die berichten stemden mij niet bepaald hoopvol ten aanzien van deel 64. Dat bedoelde ik hierboven dus, toen ik deze recensie begon met „dát doe we dus nooit meer, hè?” Ik wil altijd graag mijn eigen oordeel vormen en al helemaal als het gaat om mijn geliefde Bob Evers-serie.
Maar onwillekeurig laat je je oren toch hangen naar de meningen van anderen: toen ik het boek eind april voor het eerst las, vond ik er – ongetwijfeld door deze massale beïnvloeding – helemaal niets aan, waarschijnlijk omdat er weinig verplaatsingen waren: het hele verhaal speelt zich af in Buurse. Maar dat zou wis en waarachtig tekort doen aan het boek, dus ik heb het boek daarna nog twee keer gelezen en ik ontdekte er voldoende pareltjes in om ook dit deel tot een echt Bob Evers-boek te maken! Sterker nog: ik liet het boek aan mijn oudste kleindochter lezen en haar schitterende oogjes zeiden mij genoeg: „Bliksemacties bij de Buurserbeek” kan wel eens een klassieker worden. Unheimische (het verhaal speelt zich dicht bij de Duitse grens af, dus zo’n Duitse term misstaat niet, vind ik) figuren proberen te verjagen met behulp van het geluid van een cd, geweldig! Het is dat ik uit betrouwbare bron weet dat ditzelfde al eens met succes is gedaan in en om een studentenflat in een bekende Nederlandse studentenstad, waar een Chinese student blijkbaar niet erg gecharmeerd was van de muziek die wij in die wilde jaren ’60 en ’70 mooi vonden en zijn hele hifi-installatie tevoorschijn haalde plus een handvol langspeelplaten met opera’s van Richard Wagner, anders zou ik niet hebben geloofd dat dergelijke stunts effect hebben. „Die Walküre” won het indertijd altijd, ook van de drumsolo van „In-a-gadda-da-vida”; wat dat betreft, kon deze Chinees aardig concurreren met de gemiddelde kunstmagneet, al had hij – helaas voor ons – geen hifi-kelder.
Jan en Bob lukt het echter niet; je zou enigszins verwachten dat deze twee ezels zich geen tweemaal aan dezelfde steen konden stoten: ze drukken het ditmaal niet met zoveel woorden uit, maar na de twee Nieuwendijknozems uit „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” onderschatten ze ook deze Tukkerse tokkies, die nauwelijks fatsoenlijk Nederlands praten. Het gescharrel van onze twee avonturiers onder de zomerhut doen heel sterk denken aan de situatie in „Schermutselingen bij een zandafgraving”, al had je daar, in het oude Oost-Duitsland, tenminste nog cd’s van Chuck Berry en Creedence Clearwater Revival. Hier hebben ze de beschikking over een cd met donder- en bliksemgeluiden, die half Twente in rep en roer brengt, maar de zelfverklaarde tegenstanders niet.
En daar hebben we meteen het enige zwakke punt in het boek te pakken: als de Tukkerse tokkies met onoorbare zaakjes bezig zijn, waarom trekken ze dan zo de aandacht van Jan en Bob door „hun” vakantiehuisje met eieren te bestoken?
Aan het begin van het boek is Arie in opdracht van zijn vader in België; dat klinkt wel heel erg naar de „ernst des levens” waar Jan het – ook alweer in „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” – over heeft. Het zal binnenkort toch niet allemaal afgelopen zijn met de avonturen van ons drietal omdat hun vaders hen rücksichtslos aan het werk zetten? Laten we hopen van niet. Voorlopig is het nog niet zo ver, want gelukkig kan Arie zich losrukken van zijn Belgische bezigheden en naar Buurse komen om daar een typische Roos-stunt uit te halen: hij koopt een e-bike, maar komt er al snel achter dat het ding loodzwaar is en eigenlijk meer last dan gemak oplevert. De vooruitgang zit niet altijd mee! Elke Bob Evers-lezer herinnert zich ongetwijfeld nog de eerste aarzelende kennismaking van ons trio met de mobiele telefoon in „Grof geschut op Schateiland”; misschien gaan Jan, Bob en Arie het nut van een e-bike nog eens ooit inzien als ze net zo oud zijn als ze op grond van de verschijningsdatum van hun eerste avontuur eigenlijk hadden moeten zijn. Eerder beslist niet. Maar om zijn rode haar te verbergen koopt onze sproetenkoning – mag die term nog wel? – iets wat je alleen van een Arie Roos kunt verwachten: een helm die sterk doet denken aan het model helm dat een andere bekende Nederlandse roodharige ooit droeg in de videoclip van een carnavalshit.
Ik noemde „Grof geschut op Schateiland” al: dat deel is meteen gezakt naar de derde plaats van Bob Evers-delen waarin het minste aantal kilometers wordt afgelegd. „Bliksemacties bij de Buurserbeek” komt met stip binnen op nummer twee: het is dat Arie zijn e-bike en helm in Enschede aanschaft, anders had er zelfs een eerste plaats in gezeten. Die eer blijft nu voorbehouden aan „Bombarie om een bunker”, waarmee maar weer eens bewezen wordt dat spannende boeken niet unbedingt iets te maken hebben met grootschalige verplaatsingen, al denken wij altijd dat die noodzakelijk zijn voor spannende acties!
Met dat al mag ik concluderen dat ook deel 64 van Bob Evers een zeer lezenswaardig en grappig boek is. Een goede raad voor anderen: lees het boek en laat je niet op het verkeerde been zetten door fans die teleurgesteld zijn in het feit dat er geen duizenden kilometers worden afgelegd en dat Jan, Bob en Arie soms andere dingen doen dan de fans van hen verwachten!
Peter de Zwaan, „Bliksemacties bij de Buurserbeek”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2020. ISBN: 9789082661279.





Recensie van deel 65: Slimme spitsvondigheden in een Dom dorp
Schout-bij-kunstlicht Spook

Het leek er warempel even op dat „Bliksemacties bij de Buurserbeek” een losstaand deel was, zeker omdat we ons aan het begin van „Een opdracht van inspecteur Onge” weer in Amsterdam bevinden, waar Jan Prins van zijn warme bedje wordt gelicht. Er was even geen jongetje met flaporen en een fotografisch geheugen beschikbaar, dus het is niet zo verwonderlijk dat inspecteur Onge in al zijn haast om iets of iemand te arresteren het verschil tussen een „s” en een „z” niet zo helder voor ogen had: er had een zekere J. Prinz, wonende op de Prinsengracht, opgepakt moeten worden, maar in plaats daarvan greep de heilige Hermandad J. Prins in diens kraag. Toch lijkt inspecteur Onge aanvankelijk wel in zijn nopjes met deze arrestant, vooral als daar een hele waslijst aan wandaden aan gekoppeld wordt, waarover de politie in Haaksbergen (waaronder Buurse ressorteert) deze zware crimineel, de echte J. Prins, eens graag aan de tand zou voelen.
Deze Haaksbergse politie is zeer geïnteresseerd in het doen en laten van een zekere Otto de Pruis, tegenstander van het ongeregelde zooitje Tukkerse tokkies uit het vorige deel en inmiddels opererend in Amsterdam en Zuidwest-Nederland. Inspecteur Onge heeft het curriculum vitae van Jan, Bob en Arie dan allang erbij gepakt en weet wat hij aan hen heeft, dus hij laat het opsporen van Otto de Pruis graag aan hen over, liever dan hen over te dragen aan zijn collega’s in het verre oosten van het land. Jan, Bob en Arie blijken Otto Onge, het neefje van de inspecteur te kennen uit de verhalen, maar het komt niet in hun hoofd op om te vragen waarom oom Onge zijn neefje niet inzet. Waarschijnlijk zouden ze op een dergelijke vraag toch alleen maar het antwoord hebben gekregen dat hij zijn neefje liever niet bij politiewerk betrekt als dat niet strikt noodzakelijk is. Kort en goed: Jan, Bob en Arie krijgen een nauwkeurig signalement van Otto de Pruis dat in niets lijkt op bijvoorbeeld de hiernaast afgebeelde Otto de Oost-Fries. Of … toch wel? Otto de Pruis zou zich bevinden in Domburg, zodat ons trio zich weer eens in de stromende regen naar de provincie Zeeland begeeft, net als in „Een motorboot voor een drijvend flesje”. Volgens mij was het Geerten Meijsing die ons er ooit op wees dat het in Bob Evers altijd óf bloedheet is óf door- en doornat van de regen. Nou, dat klopt dan dus: er is inderdaad zelden of nooit sprake van „normaal” weer.
Voor de derde maal in hun avontuurlijke bestaan reizen Jan, Bob en Arie dus af naar het Zeeuwse land, ditmaal zonder Amsterdamse dichters en/of reders die hen vergezellen op het glibberige pad van avontuur. Vraag aan de lezers: welke Nederlandse provincie hebben Jan, Bob en Arie „officieel” nog nooit bezocht?
Jan en Arie nemen hun intrek in een bungalowtje in het vakantiepark Roompot, terwijl Jan uiteraard liever een caravan huurt, omdat die nou eenmaal goedkoper is, maar het vooruitzicht van een warme douche na eventuele koude en glibberige avonturen geeft zelfs voor zuinige Jan de doorslag. Waar een alleen reizende Amerikaan in eerdere delen automatisch als „raar” wordt bestempeld, geldt dat argument nu blijkbaar niet meer: hij neemt zijn intrek in „Hotel ter Duyn” met als argument dat Otto de Pruis ongetwijfeld in een duur hotel vlakbij het strand zal wonen. Dat deze redenatie terecht is, blijkt pas achteraf: hij heeft Otto al een paar keer ontmoet, zonder te weten dat hij het was, omdat er van het opgegeven signalement geen sikkepit klopte. Bovendien blijkt Otto niet zijn voor-, maar achternaam: zou Peter de Zwaan, die jarenlang in Enschede heeft gewoond en gewerkt, zich soms hebben laten inspireren door Heini Otto, in de jaren ’70 voetballer van de plaatselijke FC?
Waar het normaliter Jan is, die zich vastkletst en in netelige posities terecht komt, is het ditmaal de beurt aan Bob: als slachtoffer van het vooroordeel dat alle Amerikanen goed basketbal kunnen spelen maakt hij zonder het te willen kennis met Horst Moeller, de handlanger van Otto. Niet alle vooroordelen zijn terecht, zo blijkt maar weer: wat een modern boek toch weer! Maar juist door dit voorval komen hij en zijn vrienden op het spoor van Otto, al gaat dat gepaard met nogal wat hachelijke situaties voor de finale van het boek plaatsvindt in en om de haven van Vlissingen.
Aan het eind van het boek wordt traditiegetrouw alweer een volgend deel aangekondigd: „Valstrikken in en om een Veluwse Villa”, waarschijnlijk het laatste deel van deze trilogie, want Otto, de hoofdpersoon, is bij die finale ontsnapt, maar minstens even zo waarschijnlijk níét het laatste deel van de serie, want Peter de Zwaan heeft ooit verklaard niet te zullen stoppen voor hij minstens één deeltje meer heeft geschreven dan Willy van der Heide. Gemakshalve gaan we ervan uit dat Willy 34 hele en ongeveer twee halve delen heeft geschreven, dus het is een hele geruststelling om te weten dat Peter in ieder geval verder zal schrijven tot deel 71.
Peter de Zwaan, „Een opdracht van inspecteur Onge”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2020. ISBN: 9789082661286.





Konkelbergse wortels
John Beringen

Enige tijd geleden postte P. Visser een foto op de Bob Evers Mailinglist met daarop een fles wijn van het merk Konkelberg. Daar kleeft een hoogst opmerkelijk verhaal aan dat ik u niet wil onthouden.
Maar laat ik bij het begin beginnen: Toen ik „Willem Waterman en het Konkelbergproces” schreef, had ik alle verwikkelingen en het daarop volgende strafproces voor ogen waarvan de naam naar de bewuste gemeente moest verwijzen net zoals dat het geval was bij het Neurenbergproces. Nu zat ik nog wel met één probleem: hoe moest die nederzetting gaan heten? Ik had sowieso het begrip nomen est omen voor ogen en kwam zodoende uit op een enorme berg van malversaties, bedrog ... gekonkel (!). Vandaar dus Konkelberg. Enige maanden daarna kwam ik er tot mijn grote verbazing achter dat er een wijn bleek te bestaan met de naam Konkelberg. Het boek was toen allang de wereld in gestuurd, maar dit even terzijde. Op dat moment moest ik stevig lachen (en dat is dan nog zwak uitgedrukt). „De wijnkenners onder de Waterman-liefhebbers moeten wel gedacht hebben dat het boek ging over een schandaal rondom deze wijn,” zo redeneerde ik. En laten we eerlijk zijn: de combinatie Willem/wijn is op zich natuurlijk ook niet geheel onlogisch.
Kortom: ik had nog nooit van de Konkelberg-wijn gehoord. E.e.a. moet welhaast kosmisch geregeld zijn dat ik uitgerekend op deze naam uitkwam na mijn overpeinzingen. Ronduit hilarisch. „Om te gillen!” zou Marie-José hierover opgemerkt hebben. Maar nu ik toch op de praatstoel zit, moet ik nog wat anders uiteenzetten. De meeste lezers weten dat ik vroeger bij de Gemeente Zeist werkte. Eenieder die de Slotstad bezoekt, doet er goed aan om aldaar even op „Het Rond” te gaan kijken. Daar bevindt zich namelijk het Gemeentehuis. Als je daar recht tegenover staat, zie je boven de ingang het balkon dat bij de kamer van de burgemeester hoort en dat uitkijkt op een groot plein. Rechts van het Gemeentehuis bevindt zich het park (waar in het boek dus de haveloze man op een bankje zat). En links van dat geheel vindt men de ingang van Slot Zeist. Aldaar gebeurde ooit iets wat ik ook maar in „Het Konkelbergproces” plaatste om wat extra sjeu aan het verhaal te geven én omdat ik het zonde vond om het zo maar in de vergetelheid te laten geraken. We gaan terug naar de periode 1995 – 2000. De personeelsvereniging van de Gemeente Zeist organiseerde een privébezoek van Sinterklaas voor de kinderen van de ambtenaren. Dat gebeurde altijd op een zaterdag ergens in eind november. Nou werd er natuurlijk wel eerst geïnformeerd hoeveel mensen er zouden komen en dan vooral: hoeveel kinderen, zodat de personeelsvereniging wist hoeveel autootjes en poppetjes er moesten worden aangeschaft om uit te delen. In die tijd was ik dus één van de Zwarte Pieten (dat was toen trouwens nog niet zo bezwaarlijk zoals dat nu het geval is). We werden allemaal geschminkt in het zwembad en daarna met een busje naar het Slot vervoerd. Op de grote zolder zaten de kinderen met hun ouders in afwachting van onze binnenkomst. We stonden met z’n allen daar boven voor de deur en hoorden dat de kinderen bezig waren om hun kelen schor te zingen. Op dat moment maakte ik tegen onze Sinterklaas de opmerking over „O, when the saints go marching in” (blz. 15 van „Het Konkelbergproces”). Hebt u wel eens een Sinterklaas dubbel zien liggen van het lachen? Nou… ik dus wel. Het leidde er toe dat het nog even duurde voordat we de deur open konden doen omdat Sinterklaas eerst even zijn tranen van het lachen moest drogen (en die kinderen maar braaf doorzingen). Het leverde me later nog wel een „reprimande” op in de trant van: „Jôh… daar moet ik ernstig en waardig binnen komen schrijden en dan kom jij met zo’n opmerking.” (hij vond hem trouwens wel heel leuk, dat dan weer wel).


Schaalmodel van de rioolrobot in het Bob Evers Museum (in oprichting)







Bobs Bronnen (8) : Cities of the World No. 22 : Hong Kong
Demaree Bess

In „Hoog spel in Hong-Kong” is Jan Prins in het gelukkige bezit van een kleurige reisbrochure, genaamd „Steden der Wereld No 22: Hong Kong”. Het is een bewerking van een artikel van Demaree Bess dat op 21 juli 1956 in The Saturday Evening Post was verschenen. Het artikel uit The Saturday Evening Post vinden we op blz. 22, 23, 57, 58 en 60 van het betreffende nummer: drie hele pagina’s en twee halve, met in totaal 8 foto’s van Horace Bristol. Dan moet de bewerking wel enorm zijn geweest, want met pakweg 4 pagina’s en wat foto’s vul je geen complete reisbrochure, stel ik mij zo voor. Of gaat het om een reisbrochure waarin domweg diverse artikelen uit Amerikaanse tijdschriften zijn gebundeld? De term „artikel” op pagina 8 van „Hoog spel in Hong-Kong” én Jans citeren van de kop van het artikel uit The Saturday Evening Post lijken daarop te wijzen.
Van 11 december 1954 t/m 19 januari 1957 verschenen er in totaal 26 afleveringen in de serie „Cities of the World” in
The Saturday Evening Post, gemiddeld eens in de vijf weken. De eerste negen zijn niet genummerd (Kyoto, Algiers, Madrid, Malta (!), Singapore, Marrakesj, Marseille, Buenos Aires en Sydney), maar vanaf nr. 10 (Barcelona, in de editie van 13 augustus 1955) zijn de steden keurig genummerd (Dublin, São Paulo, Bangkok, Johannesburg, Guatemala City, Florence, Quebec City, München, Kopenhagen, Calcutta, Athene, Hong-Kong (!), Moskou, Genua, Istanboel en Parijs zijn de nummers 11 t/m 26). Het lijkt eerder een lukrake greep uit wereldsteden te zijn waar journalisten van dit tijdschrift toevallig ooit waren geweest, want hoe valt de afwezigheid van steden als Amsterdam, Berlijn, Londen, Mexico City, Rio de Janeiro, Rome en Tokio – om maar eens wat voor de hand liggende wereldsteden te noemen – anders te verklaren? Vijf „steden der wereld” worden besproken door Harold H. Martin, vijf door James P. O’Donnell, drie door Ernest O. Hauser, twee door Robert Sherrod; de overige elf zijn van elf verschillende journalisten, onder wie dus Demaree Bess, wiens (bewerkte) artikel over Hong-Kong dus door Jan wordt voorgelezen.
Demaree Caughey Bess (28 juli 1893 – 2 juni 1962) was Verre Oosten-correspondent voor o.a.
The Saturday Evening Post en Foreign Affairs en Rusland-correspondent voor de Christian Science Monitor; ook schreef hij het boek „In Search of Soviet Gold”. In het geruchtmakende artikel „The Axis is a Myth” (The Saturday Evening Post van 24 januari 1942) pleit hij voor een voortzetting van de isolationistische politiek van de Verenigde Staten: omdat de Japanse aanval op Pearl Harbor volgens hem – en vele andere Amerikanen – niet gecoördineerd is door Hitler, ziet hij weinig in een oorlogsverklaring aan Nazi-Duitsland. Gelukkig voor ons Europeanen (en, laten we wel wezen: misschien nog wel meer voor de Amerikanen zelf) trok Franklin D. Roosevelt zich niet bijsterbaarlijk veel aan van Bess’ hartenkreet.
Willem putte rijkelijk uit het Hong-Kong-artikel van Bess. Je zou misschien verwachten dat hij ook de andere afleveringen van deze serie „steden der wereld” had gebruikt, maar dat is niet het geval. Wel lijdt het geen twijfel dat Willem de naam van de Chase National Bank, genoemd in „
Heibel in Honoloeloe”, aan dit artikel van Demaree Bess heeft ontleend; wat Willem daarbij over het haarloze hoofd zag, is dat de Chase National Bank in 1955 fuseerde met de Bank of the Manhattan Company en sindsdien Chase Manhattan Bank heette (tot een volgende fusie in december 2000, waarna de bank verder ging als JPMorgan Chase Bank, N.A.).
Hieronder vinden we het complete artikel „Cities of the World No. 22: Hong Kong”, zoals dat op 21 juli 1956 in
The Saturday Evening Post is verschenen, met dien verstande dat de passages die – vertaald en wel – tussen pagina 6 t/m 30 van „Hoog spel in Hong-Kong” door Jan worden voorgelezen of liever gezegd: geparafraseerd, door de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief onderstreept zijn.




In the foreground is downtown Hong Kong as it appears from the resplendent “Peak.”
Across the harbor lies that part of Hong Kong called Kowloon. Beyond: Red China.


This British metropolis nestled against the Chinese Bamboo Curtain finds business better than usual, now that it has taken over Shanghai’s night life and become the Asiatic base for professional spies.

      The British crown colony of Hong Kong has inherited, for the time being, the place in American hearts and minds which once belonged to China. Although this Asiatic metropolis is British territory, it is the place most like prewar China to which Americans have easy access. Since 1949 the Chinese mainland has been out of bounds for almost all Americans, with the exception of one small fragment of hilly land. That fragment is part of Hong Kong, so that Britain’s Far Eastern outpost is the spot where Americans can keep in closest touch with developments in the world’s most populous country. Ninety-nine per cent of Hong Kong’s residents are Chinese, and thousands of them travel to and from China every week, as do many Europeans.
      That explains why the colony has become a focal point for a wide variety of American activities, and why more than 170,000 Americans visited Hong Kong during 1955. The permanent American community has mushroomed to 1800 persons, as compared with 13,000 Britons. Hong Kong’s American Club now has 300 members, and the American University Club, only six years old, includes 200. The American consulate, which used to get along with fewer than a dozen Americans, now has 150 assigned to it, plus local assistants. Because the United States has no consulates in Red China, much of the work previously done by them has been shifted to Hong Kong.
      Hong Kong has become particularly popular with American servicemen. Over in Korea last April Pfc. Michael Wise, of New York City, faced a difficult decision. Prince Rainier and Grace Kelly of Monaco had invited him to attend their wedding. (The temporary GI had met the couple while doing public relations for television before starting his military service.) Wise was free to accept the invitation to the glamorous ceremony – he had accumulated twenty days of leave and had saved enough money to make the round trip by air to Monte Carlo. However, Pfc. Wise sent his regrets to the Prince and Her Serene Highness because he already had earmarked his money for a Hong Kong holiday, and not even the lure of a royal wedding could induce him to sacrifice that project. His determination to get to Hong Kong before he went home is shared by most American servicemen stationed in the Far East. Unofficial polls taken by our Pacific fleet show that nine out of ten American sailors have elected Hong Kong as their favorite leave city in the Orient.
      This growing American interest in Hong Kong is viewed with mixed feelings by the few thousand Britons who govern the crown colony. On the one hand, they welcome the tourist dollars which pour into Hong Kong at the rate of about 12,000,000 a year. This helps to compensate for the postwar drop in trade with China. Resident Americans spend freely, while the tourist trade is unusually steady because so many thousands of Americans are based across the Pacific nowadays, and our Navy rotates the ships it sends to Hong Kong for leaves. Many Americans find Hong Kong’s varied attractions so agreeable that they return again and again.
      Hong Kong’s latest Chinese arrivals – almost a million newcomers since 1949 – benefit from the activities of American missionary societies and relief organizations. Here these organizations have established a sizable number of schools and hospitals, orphanages and nurseries. There are nine so-called refugee colleges in Hong Kong, as well as scores of lesser Chinese-language schools.
      On the other hand, old-time British residents shake their heads about certain features of the American influx. They complain that some of the newcomers behave as if they were taking over the place. A Hong Kong newspaper recently published an indignant letter which protested: “There is evidence that U.S. Government personnel has interfered in the private affairs of this colony to an extent wholly at variance with the formal functioning of a consular body.” Hong Kong officials particularly look askance at the activities of a few mysterious Americans who circulate in the colony and are popularly supposed to have ample funds at their disposal. Hong Kong has become the Asiatic base for professional free-lance spies, just as postwar Vienna was for several years in Europe. These men and women claim to have all sorts of secret information about Red China, and offer their dubious wares to the highest bidder.
      When a Hong Kong immigration officer noted that I was a journalist, he asked me to explain why so many American “hack writers” who, he said, “cannot even spell,” had arrived recently in Hong Kong with the avowed intention of writing books about it. I suspected he was slyly referring to the rumor, widely circulated, that one American intelligence agency has tried to disguise its representatives as roving writers.
      That much-abused word “unique” is the precise word for Hong Kong. Only since the Red conquest of China has the outside world begun to appreciate what a remarkable synthesis between East and West has been achieved here. British rulers contribute their talent for orderly administration and sound business principles. The Chinese residents contribute everything else. While Hong Kong is classified as a crown colony, it is actually just a good-sized metropolitan area which has been spread over 198 large and small islands and a sizable chunk of the Chinese mainland. Its 391 square miles are smaller than Los Angeles, with an area of more than 450 square miles. The name “Hong Kong,” first used to describe the single mountainous island upon which the first British seaside town of Victoria was built in 1842, is now used to designate the entire metropolitan area. The magnificent harbor, with its seventeen square miles of sheltered anchorage and openings at both ends, is surrounded by British-controlled territory. Facing each other across the harbor, seven minutes apart by the ferries which scurry back and forth every few minutes, are the twin cities of Victoria – on the original island – and Kowloon – on the mainland. Between them they share most of Hong Kong’s 2,400,000 inhabitants. Suburbs have sprung up in all directions, some on islands and some on the mainland.

      This self-possessed metropolis, with its cool, unperturbed administrators, presents a welcome contrast to neighboring Asiatic states still suffering from nationalist resentments and amateur government. Holiday-seeking Americans find in Hong Kong all the attractions of the biggest “Chinatown” outside of China itself, plus a Western government which keeps things clean, healthy and orderly. The visitor can find here any kind of holiday he prefers. If he wants peace and quiet, Hong Kong has it. This semitropical setting offers dazzling vistas of blue sea and green-clad mountain peaks rising steeply as high as 1800 feet above the ocean on several of its islands. The best roads in Asia wind around the peaks to numerous sandy beaches. Scores of soothing island retreats or picturesque fishing villages, which existed before Columbus discovered America, are reached quickly and cheaply by ferries, launches or the curious little Chinese craft called sampans. Nowhere else in Asia are there more pleasant walks and agreeable sails. Nowhere else is it possible to operate a small boat more cheaply. A boatman can be hired full time for sixty cents a day. Boats are the best means of escape from the enervating heat of Hong Kong’s worst season – May through September. Boats also provide floating homes permanently for 200,000 Chinese residents of Hong Kong. These are mostly fishermen – the flamboyant Chinese gypsies called Haklo.
      Tourists used to consider Hong Kong a rather stuffy town, but no longer. The fact is the dazzling night life of Shanghai has emigrated en masse to Hong Kong, bringing along many of the pretty Chinese hostesses for whom Shanghai was famous, as well as restaurants serving the varied dishes of every Chinese province. When I first visited Hong Kong in the 1920’s most of the Chinese food here was Cantonese, and the only world-famous eating places were the floating fish restaurants in the suburb of Aberdeen, which are still there. But today the colony has attracted famous restaurateurs and chefs from all over China, while first-rate French and English food is offered in such grill rooms as Jimmy’s Kitchen and the Parisian Grill – universally known as the P.G. – in which the experienced Landau brothers compete with each other. Because Hong Kong is a free port, it is also a shopper’s paradise. Customs duties are confined to a few luxury items, and goods from all over the world sell from 10 to 20 percent cheaper than in the countries of their manufacture. Chinese merchants operate on narrow profit margins, and American servicemen can take advantage of their Navy’s Purchasing Office to get wholesale prices for guaranteed goods of all kinds. The American Women’s Association here, in co-operation with Catholic and Protestant churches, has organized a center for visiting sailors, which maintains rooms on the Navy’s landing pier. There, American women volunteers greet the sailors and give them sound advice about shopping and holiday making.
      More serious-minded visitors also get interested in Hong Kong’s extraordinary government, which challenges in many ways American notions of what is right and proper. This is one of the few places left where nineteenth-century British imperialism survives in an undiluted form. There is not even a pretense of practicing what Americans call democracy, or any kind of local representative government. The present British governor, appointed by the Queen of England, has powers as absolute as did the first governor assigned to rule the original rocky island. The government established then has endured with amazingly few changes. The remarkable flexibility which it has shown during the past critical decade has upset some of the pet theories of political scientists.

      This government is a kind of museum piece, a relic of the days when few Englishmen doubted their divine right to govern other races. Moreover, Hong Kong is perched precariously on the edge of Red China, the most aggressive revolutionary government in Asia. Peking’s communist rulers insist – as did Chiang Kai-shek, when he was in the saddle – that Hong Kong really belongs to China. Yet the British crown colony not only has managed to survive during years when many more modern governments were being toppled but it also has done more to provide tolerable living conditions for its Asiatic population than most of its Asian neighbors.
      No metropolis anywhere has been confronted with more perplexing adjustments. Before the war, almost all Chinese residents of Hong Kong were natives of neighboring Kwangtung Province. They came to Hong Kong to make money for a few years or to escape the chaos of wars and rebellions in China. Then they went home to retire, when things got better there. The colonial government long ago got accustomed to swarms of refugees pouring in and squatting on government-owned vacant land, where they erected crude tar-paper shacks for themselves. During chaotic periods in China thousands always have slept in Hong Kong’s streets. Charitable organizations have been maintained permanently to provide relief for the destitute, until they slip back into China. That was an old story in Hong Kong. After the Sino-Japanese war started in 1937, the city’s population fluctuated even more wildly. Between 1937 and 1940 it leaped from about 800,000 to 1,600,000. Then, during Japan’s wartime occupation of Hong Kong, in World War II, the population plunged to its lowest point in modern times, 600,000. But 1,000,000 additional Chinese poured in soon after the British rulers came back in 1945, although the city was badly damaged by bombing and looting. After the Red conquest of China in 1949, Hong Kong began growing still more, until it reached today’s figure of 2,400,000 – jammed into a space not suited to accommodate more than half that number.
      For the first time in its history, Hong Kong’s Chinese community has become a true cross-section of China. Since 1949, families have made their way here from all of China’s eighteen provinces, speaking all sorts of dialects. Many Chinese cannot understand one another, and use English as a common language. The newcomers include many of China’s most distinguished citizens as well as humble peasants and workers.
      The colonial government at first noted the refugee flood calmly, expecting it to recede again, as it always had done in the past. But this time the recent arrivals have stayed put. They refused to return to the austerities and uncertainties of Red rule in China, even after a series of disastrous fires wiped out flimsy squatters’ colonies. During one night – Christmas of 1953 – more than 50,000 men, women and children were made homeless by one fire. That was a turning point in the Hong Kong government’s official policy toward refugees. A few months after that great fire, in 1954, the government embarked upon an ambitious program to provide permanent housing, schools and hospitals for the present population.
      This program must overcome several unique handicaps. Because so much of Hong Kong’s land consists of rocky hills and cliffs, new building sites must literally be made to order at great cost. The usual method is to cut the top off a rocky hill and drop the debris into shallow nearby waters. The smoothed-over hilltop becomes one building site and the debris reclaims another site from the sea. Hong Kong officialdom calls this process “site formation.” Great new communities of multistoried tenements, accommodating up to 30,000 people each, are being erected with government assistance on such sites. When the Hong Kong airport ran out of land for extending its runways, the government commissioned a French firm to “manufacture” the necessary land by filling in a portion of the harbor.
      A perpetual water shortage presents an even greater problem. Hong Kong has been struggling for generations to provide its fluctuating population with fresh water. The government not only must anticipate erratic ups and downs of population, but also freakish distribution of rainfall. An elaborate series of dams, reservoirs and catchments for rain water has been constructed, and still the demand always exceeds the supply. One great new dam now under construction was intended to provide the colony’s needs for many years to come, but it is already clear that more dams will be needed. Meanwhile, Hong Kong residents long since learned how to plan a daily routine in which they have running water only three or four hours a day.


This new community in the suburbs will house thousands of refugees now living in flimsy squatters’ colonies.






American sailors consider Hong Kong the best liberty port in the Orient.






Many Hong Kong Chinese visit their Red-ruled homeland, but few choose to stay there.






Easter party at the home of Mrs. Keyes Beech (r.), wife of a U .S. correspondent.



A jeweler weighs a gold bracelet to decide its price.






Queens Road Center, commercial hub of the colony. A free port, the Crown Colony is a bargain hunter’s heaven.






Actress Molly Oong models a reversible satin coat at Hong Kong’s American-owned Mandarin Textiles factory. Most of the firm’s output goes to America.





© foto’s: Horace Bristol /
    The Saturday Evening Post.

      Hong Kong’s British rulers give the impression that they are trying to show the world – and especially Americans who distrust all types of colonial rule – that nineteenth-century British imperialism deserved a better reputation than it got. The semiautonomous colonial government has firmly resisted efforts to change its status, despite pressure from many directions. During World War II, President Roosevelt and Gen. Chiang Kai-shek joined forces in efforts to persuade Winston Churchill to hand Hong Kong over to the Chinese Government, but Churchill refused. Nobody here doubts that if he had agreed, Red China would today rule Hong Kong.
      That is one reason why “old hands” still watch American activities affecting the colony very closely, and insist upon keeping all the top official posts and everything else as firmly under their own control as possible. Not one influential official ever has been elected in Hong Kong, nor are plans being made to elect any in future. When Britain had a socialist government in 1946 and 1947, London approved a plan for an elected Municipal Council. But Chinese residents of Hong Kong joined with Britons to persuade London that any such reforms would merely give Chinese politicians, including communists, an opportunity to make trouble. The project was quietly dropped in 1948. There has been no agitation for it since.
      How has the Hong Kong government managed to confound its critics, who considered it one of the weakest links in Britain’s world-wide empire? I have discussed that question with dozens of residents – Chinese, British and American – and most of them attribute the colony’s durability to one kind of Englishman and two kinds of Chinese. The Englishman is Sir Alexander Grantham, governor of Hong Kong since 1947, who seems to be a throwback to the British Empire’s golden age. Sir Alexander is a convinced imperialist of the old school, who believes that British imperialism still can give more to the world than it takes. Like the imperialists ’of older days, such as Raffles of Singapore, Sir Alexander has devoted many years to study of the languages of the people he governs. He came to China as a boy and has been a keen student of the country’s history, customs and politics ever since. The standard maximum term for governor in Hong Kong is five years, but Sir Alexander already has served nine years and has been reappointed until 1958. He has never lost confidence in Britain’s ability to hang on to this last imperial outpost in the Far East for several more decades.
      But Sir Alexander would be the first to admit that the British crown colony could hardly have survived in its present form without powerful Chinese support, both positive and negative. The positive support has come from the great majority of Hong Kong’s 2,300,000 Chinese residents, who are desperately anxious to keep the metropolis noncommunist. That can be done only so long as it remains British. As a result, there is less agitation against colonialism in this ancient stronghold of colonialism than in almost any other part of Asia. The communist rulers in Peking have given negative support to Hong Kong by leaving it alone. Nobody doubts they could make the colony’s existence extremely disagreeable, if they chose to do so. The Hong Kong government has never even considered outlawing Chinese communists, who operate openly. They publish newspapers, organize trade-unions, penetrate teaching staffs and even the police. They constitute a fifth column big and strong enough to create serious internal disorders whenever ordered to do by Peking.
      But months and years have passed and the word has not come from Peking. Some of the old residents, who hastily liquidated their possessions and fled from Hong Kong after communist armies reached its borders in 1949, now have shamefacedly returned. Aware of what had happened in Peking and Shanghai, Americans were particularly nervous about the communists, and at one time Washington ordered women and children of its officials to leave Hong Kong. Some American concerns, including the Chase National Bank’s branch, closed down.
      Of course, Americans are not the only persons who make bad guesses. The British residents of Shanghai sadly misjudged what would happen to them. Although their government quickly recognized the Red regime, Shanghai Britons got the same treatment Americans did. Why was Hong Kong’s fate different? British officials here explain: “Hong Kong has been British territory for more than a century, and that was never true of Shanghai or any other Chinese city. The Peking government know Britons would fight to protect their own territory.”
      When I returned to Hong Kong recently I ran into an old friend of prewar China days, as one does frequently here – old China hands find Hong Kong a more congenial habitat than any other place. My friend said, “There is a very big news story here if you can get it. The entire British community in Hong Kong, inside and outside the government, is behaving as if it had positive assurances that Red Peking will not upset this crown colony for many years to come. It looks as if the British have made some kind of definite deal with Peking.”
      Naturally I followed up my friend’s tip and questioned numerous Hong Kong officials and other informed residents. I then concluded that there has been no definite deal with Peking. But I also concluded that the Hong Kong government has taken a leaf out of the communist book and adopted a very specific plan. The communists prefer Five-Year Plans, but Hong Kong’s rulers have outbid them. They have drawn up a Forty-One-Year Plan, ending in 1997. That is the year when the lease expires upon 356 of Hong Kong’s 391 square miles. This British colonial metropolis was put together in three stages. The original mountainous island, covering thirty-two square miles, was ceded outright to Britain in 1842. At that time it was inhabited only by a few poor fishermen. The second stage came in 1860, when the Chinese Government ceded another sizable island in the harbor – called Stonecutters’ Island – together with a three-square-mile chunk of the mainland peninsula called Kowloon. The last addition, and by far the largest, came in 1898, when the Chinese Government agreed to lease for ninety-nine years – but not to cede outright – the 356 square miles on the mainland which has been known ever since as the New Territories.
      Those territories are not new anymore; they have been a part of Hong Kong for fifty-eight years. The lease on them has just forty-one more years to run, and I have found nobody here who expects that lease ever win be renewed by a Chinese government, regardless of what kind of government rules China in 1997. Meanwhile the New Territories have been made such a vital part of the communal body of the colony that most experts agree the loss of the New Territories would make British rule in Hong Kong impracticable. That means, in effect, that a clear terminal date has been set for Britain’s last Far Eastern outpost. By 1997, at the latest, this British colony is almost certain to be automatically liquidated.
      For that very reason Hong Kong’s shrewd and cool British rulers count upon Red Peking not to attempt to take by force a place which, with a little patience, will fall to them without fuss or effort. If these calculations prove to be sound, Hong Kong will, during the next forty-odd years, remain one of the world’s most fascinating experiments, as well as one of the world’s top ten beauty spots. One of the most antiquated governments on earth is undertaking to demonstrate here that it can do a better job for its people than its huge communist neighbor.
      Thus far the Hong Kong government has succeeded altogether too well. Every Chinese resident is free to return to China at any time, and the colonial government has done its best to encourage an exodus to China to relieve overcrowding. Thousands of Chinese have gone back recently to visit relatives and have a look at conditions in China. But the great majority of them have decided to come back to the frantic competition of bursting Hong Kong. A surprising amount of private capital also is still being invested in Hong Kong, mostly by Chinese. Everywhere one turns, one sees new office buildings, apartment houses, housing developments and businesses. But all these investments have one common characteristic. They assure a complete return of capital, plus adequate interest, within about five years, sometimes even three. In all cases capital return is assured before 1997.
      For Americans with every kind of interest, Hong Kong will continue to serve as a magnet, at least so long as Washington refuses to recognize the Red regime in China and Hong Kong remains a crown colony. In the Asiatic metropolis’ good season, October through April, Hong Kong offers extraordinary natural beauty. The picturesque setting is spiced for American tourists by the fact that everybody does live a little dangerously. Perhaps Hong Kong will be permitted to carry out its Forty-One-Year Plan, but there is always the chance that it will not.
      Most visiting Americans make the trip by train or bus or in limousines over smooth roads to the border between Hong Kong and Red China. They may, if they wish, touch the soil of Red China with outstretched fingers while Chinese communist soldiers impassively look on. Some of them return from the border shaking their heads, as they notice again how serenely Hong Kong’s residents go about their affairs. The visitors exclaim, “Well, these Hong Kong people are amazing, whether or not they are living in a fool’s paradise.”





Van Prima donna tot mascotte
John Beringen

In het interview met Pamela Koevoets laat Willem over Arie Roos het volgende weten: „Arie Roos, die de briljante Prima donna gaat worden met die dikke buik van hem.” Nou hoef je geen talenwonder te zijn om te bespeuren dat de term „Prima donna” iets met een vrouw te maken heeft. Als we kijken welke definitie hiervoor wordt gegeven, treffen we het volgende aan:

Italiaans voor „eerste vrouw”
Het is de aanduiding voor de eerste sopraan van een operagezelschap, die dus normaliter de vrouwelijke hoofdrol zal spelen in het door het gezelschap opgevoerde repertoire. Sommige van deze dames, die vaak door het publiek worden verafgood en door de kritiek op handen worden gedragen, zijn zich nogal van hun kwaliteiten bewust en worden dan wat moeilijk en veeleisend in de omgang, vandaar dat in uitdrukkingen als
primadonnagedrag, ook op andere terreinen, weleens een zekere afkeuring doorklinkt.

De enige link die je met wat fantasie zou kunnen leggen tussen Arie en de Prima donna is de in de definitie genoemde term „primadonnagedrag”. Arie schept wel eens op over zijn geniale „Roos-brein”, vindt zichzelf een enkele keer een Übermensch en verklaart regelmatig dat hij voor drie moet denken. Als wij dit echter in de juiste context plaatsen, kunnen we constateren dat hierbij niet zozeer sprake is van opschepperij, maar dat het tot doel heeft om (voornamelijk) Jan Prins op de kast te jagen. Deze toont zich steevast een dankbaar slachtoffer in dit soort situaties. Maar eerlijk is eerlijk: Arie Roos KOMT ook vaak met een oplossing of een idee voor de dag waarbij de monden van zowel Jan als Bob openvallen.
Aan het einde van „De strijd om het goudschip” gebeurt echter iets opmerkelijks: Jan Prins blijkt een lok haar van Arie afgeknipt te hebben toen deze lag te slapen. Het ging om een weddenschap met Bob. Jan verkocht de lok haar vervolgens aan „een van die gekke juffrouwen” zoals hij het formuleert. Dat roept vragen op. Welke juffrouwen? Waarschijnlijk één van de stewardessen aan boord van het vliegtuig. Al met al een listige en lucratieve streek die je eerder zou verwachten van Arie Roos. Maar goed… het gaat om geld en dan is het aan te nemen dat Jan Prins ineens heel vindingrijk kan zijn. Hoewel: de extreme zuinigheid van Jan komt niet echt uit de verf tijdens het Zuidzee-avontuur. En met deze tegenstrijdigheden kunnen we dan nog weg komen als we letten op een andere uitspraak die Willem maakte in het interview: „De karakters waren nog niet zo duidelijk gevormd.” Maar een juffrouw die tien dollar over heeft voor een pluk haar van Arie? Er zullen beslist ooit meiden zijn geweest die dat bedrag wel hadden willen neertellen voor een haarlok van Elvis Presley, Sylvester Stallone of John Travolta… maar Arie komt niet in de buurt van dit soort types (Jan en Bob trouwens evenmin).
Onze roodharige vriend is ongetwijfeld de gangmaker en dus de meest in het oog springende persoon van het drietal vanwege zijn slimmigheden, zijn humor en zijn grappen en grollen. Maar een Prima donna kan hij echter nooit zijn omdat deze titel, zoals eerder opgemerkt, uitsluitend op een vrouw van toepassing kan zijn. Laten we het er dus maar op houden dat hij een mascotte is door zijn opvallende aanwezigheid in de avonturen. En dan krijgt een lok haar van hem een andere symbolische betekenis en is tien dollar eigenlijk nog een koopje.





Yankee Doodle
Frank Engelen

Verschillende malen komt in een werk van Willem het lied „Yankee Doodle” voor. In zijn kinderboek „Woutertje Wipneus” is er een hoofdstuk aan gewijd en treedt er zelfs ene Yankee Doodle in levenden lijve op:

- [„Woutertje Wipneus”, blz. 158 e.v.] De voorste van de twee mannen, die op kleine paardjes langs het water kwamen aanrijden, was aan het zingen: „Yankee Doodle ging naar Londen. Hij reed op een paardje. Hij stak een pluimpje op zijn hoed. En in zijn mond een taartje.” -

Yankee Doodle” is een oud, van oorsprong Europees lied, dat overgewaaid is naar Amerika en daar een patriottische betekenis heeft gekregen. Zoals zoveel van dat soort wijsjes is de exacte herkomst duister. Zo’n liedje werd bedacht ergens in de 18e eeuw, of nog wel eerder, en werd gezongen en gefloten tot iemand op het idee kwam om de tekst op papier te zetten. Het was een lied, waarin de Britten de kolonisten op de hak namen. Het gaat over een onbehouwen boer, die denkt dat dansen bestaat uit het zo hard mogelijk op de grond stampen en in de rondte rennen en zo de meisjes kan imponeren. Hij wil zich mooier voordoen dan hij is, steekt een veer op zijn hoed, aldus denkend dat hij een „macaroni” is. Een macaroni is een fatje, een parvenu. Hij weet niets van omgangsregels en militaire rangen en standen, maar doet alsof, zichzelf aldus volkomen voor gek zettend.
Waarschijnlijk is Yankee een verbastering van Jan-Kees. Hollanders werden in Amerika wel als onbehouwen boeren gezien, die een lelijk taaltje spraken waar geen touw aan vast was te knopen en die de Engelse beleefdheid en omgangsvormen totaal misten. Doodle komt mogelijk van het Hollandse doedel, wat weer komt van het Nederduitse düdel of dödel, wat zoveel betekent als dwaas, simpele ziel.

In de loop der eeuwen zijn er verschillende uitvoeringen van dit lied verzonnen en steeds weer aangepast. Maar de meest bekende is toch wel de versie zoals wij het nu kennen:

- „Yankee Doodle went to town, a-riding on a pony
Put a feather on his hat and called it macaroni
Yankee Doodle Doodle Day
Yankee Doodle Dandy…” -

Maar overal waar Willem het lied citeert, schrijft hij London in plaats van town. Nou had Yankee Doodle in Amerika geen enkele reden om naar Londen te gaan en het is ook, de verdere tekst van het lied in aanmerking genomen, een volkomen onlogische actie. De onbehouwen boer ging naar de stad. Hoe komt Willem erbij hem naar Londen te sturen?

Welnu. In 1942 verscheen er een muziekfilm in de Verenigde Staten, „Yankee Doodle Dandy” geheten. Deze film is gebaseerd op een musical uit 1904: „Little Johnny Jones”.

Hierin is Yankee Doodle een paard, dat meedeed in een Engelse Derby. (N.B.: In „Woutertje Wipneus” rijdt Yankee Doodle op een paardje). De schrijver van deze musical gebruikte vaak delen van Amerikaanse volksliedjes in zijn werk. Zo maakte hij van:

- „Yankee Doodle went to town, a-riding on a pony…” -

deze variatie:

- „Yankee Doodle came to London
Just to ride the ponies …” -



Het beroemde schilderij The Spirit of ’76 van Archibald MacNeal Willard (1836-1918) stond vroeger ook bekend onder de naam Yankee Doodle.

Hier wordt dus een deel van de originele muziek gezongen, maar met London in plaats van town. Maar town is één lettergreep en London twee. Dus de laatste noot, town, werd in tweeën gehakt: Lon Don.

Willem had deze film waarschijnlijk wel gezien, of het lied uit de film op de radio gehoord, en hij gebruikte deze tekst, behalve dus in „Woutertje Wipneus”, verscheidene malen in verschillende Bob Evers-verhalen:

- [deel 18, blz. 70] „Hij zal zeggen ... ken je dat Amerikaanse liedje: „Yankee Doodle”?” „Yankee Doodle went to London ...?” „Precies. Die man zegt: „Yankee Doodle ...” en dan antwoordt degene van jullie die de telefoon aanneemt: „Went to Trinidad” … -

- [deel 15 HC, blz. 91] „… En toen, tot Jans mateloze verbazing, begon het beest duidelijk, al brommende, de melodie van „Yankee Doodle”, dat overbekende, Amerikaanse volksliedje: „Yankee Doodle went to London, riding on a pony - he put a feather in his cap and called it macaroni”… -

- [Deel 33 blz. 58] „De biefstukken schenen nu in de bloedsomloop van Cnall te zijn doorgedrongen, want hij begon rauw en luidkeels te zingen: „Yankee Doodle went to London riding on a pony - he put a feather in his cap and called it macaroni. Yankee Doodle, doodle doo ...” -

Het lied uit de film dus.

Maar ergens, op een dag, hoorde Willem het oorspronkelijke lied. Het viel hem meteen op en misschien wist hij niet eens dat dít de originele muziek was. In ieder geval, hij kon het mooi gebruiken in „Motorboot”:

- [Deel 13 HC, blz 135] „Hm!” zei Arie, stond even stil en begon toen opnieuw te fluiten; wat harder. Hij floot „Yankee Doodle” (dat bekende Amerikaanse volksmelodietje) maar hij floot het op een speciale manier. Vóór hij de laatste maat tussen zijn lippen door had geblazen, hield hij plotseling op en legde zijn oor tegen de houten wand. Zacht, maar duidelijk klonk van ergens binnen een dof geklop; zo zacht dat iemand, die het huisje achteloos passeerde, het zeker nooit zou hebben vernomen. Arie klopte snel terug in Morse-signaal. Vlak daarop kwam het antwoord: „Taak-tok-tok-tok; taak-taak-taak; taak-tok-tok-tok.” Het woord BOB in telegraafschrift! Arie gaf bliksemsnel het sein: „Begrepen!” en ging in het gras zitten met zijn rug tegen het huisje, om na te denken.” -

„Voor hij de laatste maat …” Het is niet waarschijnlijk dat de jongens complete volksliederen zouden gaan fluiten als ze geheime boodschappen wilden doorgeven. Voor hij de laatste maat had geblazen interpreteren we dus: voor hij de laatste maat van de eerste regel gecompleteerd had.
De eerste regel bestaat uit twee maten: „Yan kee Doo dle” staat in de eerste en „went to Lon don” in de tweede maat. Town werd London. Maar zoals gezegd, dat is een lettergreep meer. Te veel dus voor de originele toonzetting. De laatste noot, town, werd in tweeën gedeeld: Lon Don. Dat klinkt heel anders. Als je alleen de filmversie kent en niet de originele muziek, lijkt het net of de laatste maat wordt afgekapt.

Nou zocht Willem een geheim fluitje dat de jongens op een speciale manier gebruikten. Dus de jongens hebben bedacht om „Yankee Doodle” op deze „foute” manier te fluiten in uren van gevaar.

Maar in alle delen die spelen ná „Motorboot”, grijpt Willem toch weer terug op de filmversie, met een lettergreep te veel. Geniaal toch? Want anders zou zijn oorspronkelijke idee, het een speciaal fluitje van de jongens laten zijn, ontkracht worden. Dan zou het een doodgewoon fluitje zijn en dus ongeschikt zijn voor een geheime boodschap.





Weinreb en Willem, twee fantasten
Ton Kleppe

Een mogelijk verband tussen Wilhelmus Henricus Maria van den Hout, 3 juni 1915 – 24 februari 1985 (alias Willy van der Heide, Willem Waterman enz. enz.), en Friedrich Weinreb, 18 november 1910 – 19 oktober 1988, heeft mij, sinds ik las over mogelijke illegale dollartransacties die bedacht zouden zijn tijdens en na hun gezamenlijke detentie, sterk geïntrigeerd.
Om enige orde te scheppen in zijn vele pseudoniemen zal ik „onze Willem” hierna steeds simpelweg „Willem” noemen.

In de zogeheten „Kleppemap (III)” uit 1995 verscheen een aantal van de hieronder genoemde artikelen.
Verderop komt Weinreb aan de orde, bronnen worden daar genoemd.
Niet iedereen heeft de „Kleppemap (III)”, hierna een aantal opgenomen artikelen.

Willem als: Schrijver, journalist, hoorspelauteur, tekstschrijver, redacteur, dichter, recensent, feuilletonschrijver én -schrijfster en vertaler
Onder de naam Willy van der Heide alsmede een hele rij andere pseudoniemen verscheen een uitgebreid oeuvre.

Willem: „Ik zie het schrijven van de Bob Evers-boeken zuiver als een vak-trick. Hemingway zei eens: „All foreign countries look exactly like the movies.” Daar had-ie gelijk in. Als je van nature een beetje fantasie hebt, je leest veel en je ziet een kleurenfilm over de Bahama’s, dan hoef ik niet meer naar de Bahama’s om nog wat couleur locale op te doen. Dat is lariekoek. Ik blijf gewoon thuis en schrijf dat boek. En dan krijg ik brieven: meneer, hoe hebt u die sfeer zo zuiver weten te treffen? Hahaha!”
(Haagse Post, 11-11-1978)

Willem als: Agent in the field, dubbelagent Willem: „Mijn baas hier in Den Haag heeft altijd volgehouden: ‘Dit is onze agent, wat hij gedaan heeft, heeft hij in onze opdracht gedaan.’ Maar mijn baas kreeg in die dagen ruzie met zijn baas in Amsterdam, de landelijke chef Mickey Schoenmaker. Er was een paar ton zoek. Den Haag beschuldigde Amsterdam, dat ze het naar de hoeren hadden gebracht, en Amsterdam zei tegen Den Haag: nee, die paar ton hebben jullie erdoor gedraaid. En door die hooglopende ruzie wilde Schoenmaker de verklaringen, die mijn baas over mij gaf niet bevestigen, hij beweerde dat hij nooit van me had gehoord. Hahaha!
Mijn baas, zegt Waterman, was in de oorlog ondergedoken in de Van Speykstraat. In 1948 kwam hij op een tramhalte de vent tegen bij wie hij in huis had gezeten. Die vent was naar Indië geweest en teruggestuurd met een kogel in zijn poot. ‘Wist je, dat er nog een kistje met papieren van jou bij mij op zolder staat?’ vroeg-ie m’n baas. ‘Jezus Christus! Roept ie, dat was ik helemaal vergeten!’ Ze nemen een taxi naar de Van Speykstraat, maken het kistje open en vinden bovenin de eigenhandig geschreven spionage-opdracht van de landelijke chef Schoenmaker aan mij. De volgende dag werd ik vrijgelaten. Daar moet je niet kwaad over worden. It’s all in the game. Hahaha. Ik heb zelden zo vreselijk gelachen als die jaren in de lik. Kijk in dit vak, dit dubbelspel, moet je niet bang zijn…”
(Haagse Post, 11-11-1978)

De kop van een krantenartikel in De Telegraaf uit 1997 luidt:
„Prins bij verzetsheld”; het gaat in dat artikel om een bezoek van prins Bernhard aan verzetsheld Willem Schoemaker, noemnaam in de oorlog „Miki”, dus Miki Schoemaker (anders gespeld dan in bovenstaand krantenartikel in de Haagse Post). Ongetwijfeld wordt hiermee dezelfde persoon aangeduid, die, volgens het Telegraaf-artikel, reeds op 24-jarige leeftijd hoofd was van de Geheime Dienst Nederland (GDN). (De Telegraaf, 29-11-1997)

Naschrift:
Dit is dus dezelfde persoon die Willem noemt als de landelijke chef GDN. Daarmee is nog niet gezegd dat Willems zelfbenoemde rol als dubbelagent bevestigd is, want na de oorlog zal de naam Miki Schoemaker wel algemeen bekend zijn geworden.

Willem als: Activist in de jaren zestig
Krantenbericht: „De Hagenaar W.H.M. van den H. (51) vernielde vannacht vier ruiten van de ambtswoning van burgemeester mr. G. van Hall
¹ aan de Herengracht, omdat hij – naar hij tegenover de politie beweerde – verontwaardigd was over het ontslag van hoofdcommissaris H.J. van der Molen.
Van den H. had gedronken toen hij werd gearresteerd. De recherche van het bureau Singel heeft proces-verbaal wegens vernieling opgemaakt.” (Nieuws van de Dag, 30-6-1966)

Naschrift:
Het boterde al langer niet meer tussen Van Hall en Van der Molen; daar kwam nog bij dat zij het oneens waren over het politieoptreden rond het huwelijk van prinses Beatrix en het optreden bij de rellen met de provo’s na het huwelijk. Dit draaide uit op het ontslag van Van der Molen, waartegen onze „Don Quichot” protesteerde.

Commentaar van Willem op het ingooien van de ruiten: „Ik wilde ook mijn steentje bijdragen.”

Willem als: Hoge pontriarch van de Machineese wereldkerk Met pretoogjes pocht de nieuwbakken kerkleider dat dit de religie is waarop de hele wereld wacht. Als dit eenmaal gaat rollen walst Mani heel Nederland plat, schatert de geestelijke in vrijetijdskleding. Een goede grap of bittere ernst? Beide wordt al gauw duidelijk. Want achter de hoge pontriarch gaat Willem W. Waterman schuil.
De Willem W. Waterman-kenner voelt inmiddels wel aan dat er meer dan een goeie grap achter steekt, en Waterman doet er niet moeilijk over. Hij heeft ontdekt hoe je als burger gebruik van kerkelijke privileges kunt maken. Namelijk om te profiteren van de belastingvoordelen die kerkgenootschappen genieten.
(Nieuwe Revu, 14-12-1979)

Willem als: Seksuoloog en preadviseur voor psychiatrie

W.H.M. van den HOUT
Prae-adviseur voor PSYCHIATRIE,
C.B.Mc INVERNESS
Psycho-Analyst (USA)


Het bovenstaande stond op een zwart marmeren plaat naast zijn huisdeur aan de Hugo de Grootstraat nr. 26 te ’s-Gravenhage.
In het verlengde hiervan is hij ook Dr. P.G. van der Woude voor het Vlaamse pornoblad Cash en schrijft hij regelmatig artikelen voor de seksbladen Candy en Chick.
(Panorama, 26-9-1975)
In „De roof van de Sabijnse Maagden” is knappe erotische rijmelarij verluchtigd met expliciete etsen van Flip van der Burgt.

De verzamelwoede van Willem voor reeksen vrouwen was buiten alle proporties. In een dronken bui vertelde hij mij (Ab Pruis) eens in het bezit te zijn van een collectie vrouwelijk schaamhaar. Ik geloofde het niet en heb ook nooit iets gezien van deze collectie.
Ze zou in een kleine vitrine zijn en ieder plukje zou zijn voorzien van een klein strikje.
(Uit het boek „Het Stinkdier” van Ab Pruis)

Willem als: Lid en propagandaleider van het Nationaal Front Willem: „Ik ben in januari 1941 aangesteld tot propagandaleider van Arnold Meijer’s Nationaal Front. Ik heb in augustus zowel mijn lidmaatschap van die beweging als uiteraard daarmede mijn propagandafunctie neergelegd, hoofdzakelijk omdat ik bevel kreeg tot het voeren van een propagandacampagne tot het oprichten van een anti-bolsjewistisch legioen.”
(Publicatie als W.H.M. van den Hout: „Arnold Meijer strijdt om Nederland”, Den Haag: De Veste 1941)

Willem als: Intrigant in het blad De GIL en de Radio GIL Club
De GIL was een pseudo-illegaal blad, onder Duitse supervisie, dat door Willem vanaf het vierde nummer grotendeels werd volgeschreven. Met een ten opzichte van de Duitsers wisselende pro- en contrahouding, maar vooral met stekeligheden ten opzichte van de NSB en grappen over haar leider Mussert ² die met een oudere tante was getrouwd (trouwfoto hiernaast van Anton Mussert en zijn tante/vrouw, Maria Witlam).
De GIL schiep verwarring over haar status als blad, met als voorbeeld een kop over de hele pagina: „Grote Duitse verliezen in het Oosten” en „NSB-gespuis zal worden opgehangen” en verwarring was precies de bedoeling.
De ogenschijnlijk anti-Duitse houding was om de lezers op een dwaalspoor te brengen en de schijn van een illegaal blad op te houden. Er werd een postadres gegeven, Postbus 278 in Den Haag. Daar kwam serieuze post binnen van lezers die open en bloot voor hun vaderlandslievende mening uitkwamen, maar ook post van lezers die alles serieus opnamen en niet in de gaten hadden niet met een illegaal blad te doen te hebben.
Honend haalde De GIL uit naar al die NSB’ers die vanaf 5 september 1944, „Dolle Dinsdag” (allitererende term van Willem, die tot op de dag van vandaag wordt gebruikt), het land uit vluchtten.

Ondanks de ambivalente houding van De GIL beroept Waterman zich er op in opdracht van de Engelse geheime dienst te hebben gehandeld. Zijn contactman in dezen zou de heer Cageling zijn geweest. Cageling was ex-hoofdredacteur van de NSB-krant Nationaal Dagblad en werd aangetrokken als medewerker van De GIL.
(maandblad Ratio, aug/sept 1965)

Na de beëindiging van het blad De GIL nam Willem Waterman de draad van zijn kolderieke journalistiek weer op in de Radio GIL Club. Hij draaide jazzplaten, grapte over negermuziek, maar bleef tussen de regels door nazipropaganda spuien. Na de Slag om Arnhem werkte hij mee aan de zender „Mary of Arnhem”, waarvan de uitzendingen de bedoeling hadden verwarring te stichten in het geallieerde kamp.
(Panorama, 26-9-1975)

Willem als: Kroegtijger
Na zijn vermeend overlijden bij een verkeersongeluk ontving de redactie van het ANP twee telefoontjes van twee bezorgde mensen;
1. De directie van restaurant „’t Goude Hooft”, en
2. De eigenaar van de (3e rangs) nachtclub „Slawa” in de Lange Houtstraat.
Beiden vragen of ’t echt waar is, want W. heeft bij deze etablissementen nog een aanzienlijke schuld.
(bericht ANP, 20-5-1962)

„Naarmate de aangedragen hoeveelheid jenevers steeg, werd de kapitein (Willem) luidruchtiger en zijn gezang valser. Daarbij kwam dat de aanspreekbaarheid van de kapitein inmiddels tot een kritiek stadium was gevorderd. Zijn fysieke coördinatie verliep nogal chaotisch en bij het brullen van een van zijn liederen sloeg hij een glas bier van een van de bezoekers van de tap. Hè, toe nou Willem, werd er geroepen. Kort daarop verliet Willem het pand, ondersteund door twee menselijke krukken. Hij komt hier wel vaker, zei de barkeeper, op een van zijn dagelijkse caférondes.” (Vrij Nederland, 16-8-1975)

Willem: „Dan ga je een dag of twee aan de rol. Dan is je hoofd weer fris. Dat verklaart ook misschien de vreemde reputatie die ik heb. Ze zien me alleen maar lazarus in de kroeg. Maar geen hond ziet me als ik hier braaf zit te werken.”
(Haagse Post, 11-11-1978)

Willem Waterman, kleurrijke zonderling, gespecialiseerd in burengerucht op alcoholbasis.
(NRC Handelsblad, 6-8-1988, Martin van Amerongen, „Een alcoholische brulaap”)

Processen en veroordeling
Na de oorlog is Willem in hoger beroep veroordeeld door de Raad van Beroep voor de Perszuivering tot 10 jaar ontzegging van journalistiek werk.

Onder de door de autoriteiten ingestelde Bijzondere Rechtspleging zat Willem ruim drie jaar in voorarrest, maar tot een uitspraak door het Bijzonder Rechtscollege is het niet gekomen. Na drie jaar detentie werd Willem in vrijheid gesteld omdat, volgens een aantekening in zijn strafdossier, de detentie lang genoeg had geduurd.
(Raadplegen Strafdossier Nationaal Archief)

Willem en Friedrich samen in de gevangenis
Ik heb gezocht naar artikelen waar de aanwezigheid van Willem en Weinreb in één en dezelfde gevangenis wordt genoemd en waar aanwijzingen gevonden konden worden over (illegale) dollartransacties.

Interview Peter Gerritse met Willem:
In 1947 terwijl hij vergeefs op zijn berechting wachtte, ontmoette Willem Waterman in de Scheveningse strafgevangenis de legendarische dr. F. Weinreb, de superintelligente joodse econoom-filosoof. Een heel sterk gerucht wilde ik in elk geval graag bij Willem Waterman verifiëren, namelijk dat hij in de strafgevangenis samen met Weinreb heeft gewerkt aan financiële transacties met geblokkeerde dollars.
(Peter Gerritse, in Panorama van 26-9-1975)
WWW: „Kerels zoals ik werden betaald om na de oorlog hun bek dicht te houden en niet om te smoezen... Dus ik noem geen namen. Dat van die geblokkeerde dollars is waar. In de gevangenis zat een meneer Huppeldepup. Die kreeg enkele mensen van het Beheersinstituut op bezoek. Zo, meneer Huppeldepup, zeiden ze, we hebben ontdekt dat u nog een kwart miljoen dollars op de bank hebt staan in Amerika. Daar is intussen een jaar of zeven rente op bijgeschreven. Dus, wilt u dit formulier even tekenen, zodat dat bedrag op de deviezenrekening van de Nederlandse Bank kan worden overgeboekt? Nou, daar voelde meneer Huppeldepup natuurlijk niets voor. Ik kreeg een idee. Amerikaanse banken hebben een gloeiende pest aan staatsinmenging.
Ik schreef dus een brief, voorzien van de bekende Amerikaanse standaardkreten. Ik deelde mee dat de bezitter van bankrekeningnr. zoveel, tijdelijk in arrest zat, maar dat hij nu geprest werd om dit bezit over te dragen aan de Staat der Nederlanden, afdeling Vijandelijk Vermogen. Ik schreef dat dit een duidelijk geval van State Blackmail was en dat ze meneer Huppeldepup waarschijnlijk zo sterk onder druk zouden zetten dat-ie op den duur de machtiging wel zou tekenen. Maar, schreef ik, dat zou hij dan doen met een handtekening die afweek van het origineel. Zodat hen verzocht werd de machtiging met deze handtekening terzijde te leggen. Onmiddellijk kwam er een brief terug dat ze op geen enkele manier aan State Blackmail zouden meewerken. Mijnheer Huppeldepup plaatste toen die rare handtekening onder de machtiging, maar inmiddels hadden wij het gehele bedrag met zijn echte handtekening op een Zwitserse bank overgeboekt. We beschikten toen over zo’n anderhalf miljoen gulden aan zwart geld. Waarschijnlijk heeft Weinreb toen gedacht: Die Waterman dat is een bruikbaar mannetje.
(Peter Gerritse, in Panorama van 26-9-1975, hier te raadplegen)

„Uitgebreid vertelde Willem over zijn lesbiese inlichtingennet en van de avonturen in het interneringskamp fort Blauwkapel te Utrecht, (dan wel de cellenbarakken in Scheveningen) waar hij samen met Freek Weinreb enige tijd verbleef.”
„In 1970 publiceerde Willem in een krantje, Weekend Express van uitgeverij Kerco in Ridderkerk een aantal verhalen. Daarin reisde Willem naar Zwitserland in opdracht van Weinreb, om daar een paar mensen bang te maken met allerlei in het verhaal onduidelijk vermelde feiten. Echte onthullingen bleven uit, het was net of iemand te weinig durf had om alles te vertellen. De naam van Weinreb werd min of meer in discrediet gebracht, zonder werkelijke gegevens te vermelden. De pretentie van de verhalen was Weinreb aan de kaak te stellen als een groot deviezen-manipulator. Willem is altijd erg sterk geweest in de kunst van het insinueren.”
(Enkele passages uit het boek „Het Stinkdier” van Ab Pruis)

Noot 1: volgens het boek met de titel: „Het Stinkdier” van Ab Pruis waren Freek Weinreb en Willem Waterman niet samen in detentie in Scheveningen (zoals vermeld in het artikel van Peter Gerritse in Panorama van 26-9-1975), maar wel in fort Blauwkapel te Utrecht.

Noot 2: volgens Willem was hij eerst geïnterneerd aan de Levantkade in Amsterdam, daarna in Fort Blauwkapel te Utrecht en ten slotte in de Cellenbarakken te Scheveningen.
(Haagse Post, 11-11-1978).

In het boek van Weinreb „De gevangenis”, dat hij schreef tijdens zijn detentie, komen geen verwijzingen voor naar dollartransacties, dat zou natuurlijk ook niet erg slim zijn geweest. Wel wordt in dat boek de gezamenlijke detentie met een medegevangene genoemd. (Zo goed als zeker gaat het om „onze” Willem, Red.).
Citaat: „Een Nederlander die eveneens in voorlopige hechtenis had gezeten en die weliswaar met de nazi’s had gesympathiseerd maar niets had ‘gedaan’, werd, omdat hij geen ‘geval’ was, ontslagen na drie jaar ‘onderzoek’ (dat natuurlijk nooit had plaatsgevonden).”

Bij mijn zoektocht naar de dollartransacties van Weinreb en Willem kwam ik steeds meer de figuur Friedrich Weinreb tegen, dit bleek een man te zijn wiens „activiteiten” tijdens de oorlog zijn weerga niet gekend hebben. Was hij te goeder trouw of een door de omstandigheden verworden verrader, wellusteling, intrigant enz.?
Volgens velen was het een figuur met een niet voor te stellen gewiekste doortraptheid, waarbij m.i. de meest spannende films verbleken. Niettemin werd in 1986 een film gemaakt die met een aantal facetten gebaseerd was op de Weinreb-affaire met de titel: „In de schaduw van de overwinning”.
Kortom op zijn zachtst gezegd een buitengewoon controversieel mens, die Weinreb.
Mede daarom wil ik de verzamelde informatie over Weinreb niet aan de lezers van deze Bob Evers Nieuwsbrief onthouden. Wellicht zijn er lezers die zich al veel eerder en meer hebben verdiept in de figuur Weinreb, en kunnen en willen zij aanvullende info delen. In dat geval: reacties graag per e-mail naar de hoofdredactie van de nieuwsbrief sturen.

Om te beginnen een uitstekende samenvatting over de Weinreb-affaire en de verschillende opponenten zoals Hermans, Rubinstein en Nuis, door historicus Wim Berkelaar.

W.F. Hermans en de Weinreb-affaire
Altijd gelijk maar eeuwig verongelijkt
Door: Wim Berkelaar
Willem Frederik Hermans (foto hiernaast) is dood. Zijn opmerkelijke persoon en oeuvre kregen in de media ruime aandacht, waarbij vooral zijn optreden als ‘meester-polemist’ werd gememoreerd. Teneur van de reacties: Hermans had altijd gelijk.

Steevast werd daarbij verwezen naar de zogenoemde Weinreb-affaire. Maar wie weet nog waar die over ging — en vooral: waar het Hermans om ging? Reconstructie van een eenmansguerrilla tegen links Nederland.

Fryderyk (roepnaam: Freek) Weinreb zou allang tot het leger der naamlozen hebben behoord als de Amsterdamse historicus Jacques Presser er niet was geweest. In 1965 verscheen na jarenlange studie en emotionele inzinkingen zijn monumentale tweedelige studie „Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom, 1940-1945”: een meeslepend werk, waarin gaandeweg duidelijk wordt dat Presser het tragische lot van het Nederlandse jodendom tijdens de oorlog niet slechts boekstaaft, maar ook verwerkt. In verschillende passages in het boek spreekt niet zozeer ‘de historicus’ Presser als wel de mens. Een van die passages betreft Weinreb. Het leven van deze figuur is een treffende illustratie van het gezegde dat sommige werkelijkheid iedere fantasie overtreft. Weinreb, geboren in 1910 te Lemberg (Oostenrijk-Hongarije), kwam in 1916 met zijn ouders naar Nederland, waar het gezin zich in Scheveningen vestigde. Hij studeerde economie aan de Nederlandse Handelshogeschool in Rotterdam en deed in 1938 doctoraalexamen. Tot 1940 verzorgde Weinreb een rubriek in Economisch-Statistische Berichten en werkte hij aan een dissertatie over de ontwikkeling van het bouwbedrijf in Nederland. Een promotie en een glanzende carrière als econoom leken in het verschiet te liggen.
De Duitse inval veranderde het leven van Weinreb drastisch. Anders dan veel joodse lotgenoten onderging de man uit Lemberg het aanvankelijk psychische en al snel fysieke geweld van de nazi’s niet noodgedwongen passief, maar speelde hij van meet af aan een actieve, uiterst ingewikkelde rol. Tussen 1941 en 1944 voerde hij een toneelspel op, waarmee hij niet alleen joodse lotgenoten en de bezetter een tijdlang wist te misleiden, maar twintig jaar na de oorlog ook zijn verdedigers.

Aanzien
Weinreb begon zijn later zo omstreden activiteiten naar eigen zeggen omstreeks februari 1942. In die tijd genoot hij als academicus enig aanzien bij de joodse gemeenschap in Scheveningen. Het was echter geen ‘aanzien op afstand’. Al voor de oorlog had Weinreb zich ontwikkeld tot een vertrouwenwekkende figuur die men om raad kon vragen. Tijdens de oorlog bleef hij zijn rol van adviseur spelen – ditmaal om joden te vrijwaren van de dreigende deportatie. Naar eigen zeggen had Weinreb begin 1942 vernomen dat joden de werkkampen konden ontlopen door zich te laten plaatsen op een zogenaamde emigratie-lijst. Hij zou een bedreigde inwoner van Scheveningen hebben geholpen door een schriftelijke verklaring op te stellen waarmee deze uit handen van de Duitse instanties kon blijven. Toen Weinreb merkte succes te hebben, zou hij een eigen lijst hebben opgesteld. Doel daarvan was deportatie van joden te voorkomen. De lijst zou zijn voorgelegd aan de bezetter en daarna goedgekeurd.
Later onderzoek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie wees uit dat de toedracht een heel andere was. Weinreb was al in 1941 met een eigen lijst gekomen en spiegelde de joden voor naar Zuid-Frankrijk te kunnen vertrekken – tegen betaling van honderd gulden per volwassene. Maar het belangrijkste verschil met zijn eigen verhaal: Weinreb had helemaal geen contact met de Duitsers gehad; zijn ‘lijst’ was van a tot z verzonnen.
In de loop van 1942 nam de jodenvervolging ernstiger vormen aan. Onder joden uit Scheveningen en omgeving groeide de hoop dat de Weinreb-lijst hen kon behoeden voor deportatie en gedwongen tewerkstelling. In plaats van terughoudendheid te betrachten, kwam Weinreb met steeds grotere beloften. De oorspronkelijk dertig personen die naar Zuid-Frankrijk mochten vertrekken, waren dertig families geworden. Dit zou Weinreb zelf hebben vernomen van luitenant-generaal Von Schumann. Als bewijs van zijn goede contacten met deze hooggeplaatste Wehrmachtofficier toonde Weinreb een vervalst document waarin de toestemming voor vertrek stond aangegeven. Was getekend: Von Schumann. Dat deze figuur was ontsproten aan de dikke duim van Weinreb, had niemand door. Daarvoor was de vervalsing te geraffineerd. Het was voor joden trouwens praktisch onmogelijk het document te controleren: het zou een gang naar het hol van de leeuw (de gevreesde Sicherheitsdienst) hebben betekend. De gedachte aan controle was de betrokkenen om nog een andere reden vreemd. Wie zou zo’n vervalsing immers bedenken? De gedachte alleen al zou op ongepast wantrouwen hebben gewezen.

Doktertje spelen
Weinreb vormde een team van medewerkers om zich heen dat de formaliteiten voor de komende ‘reis’ naar Zuid-Frankrijk moest regelen: de betrokkenen moesten pasfoto’s inleveren, formulieren invullen en medisch worden gekeurd. De keuringen werden in veel gevallen door Weinreb zelf verricht. Hij wendde voor medisch bevoegd te zijn en vond zo een vrijbrief om ‘doktertje’ te spelen. Het draaide erop uit dat hij, zoals Loe de Jong het in deel zeven van „Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog” omschreef, vrouwen ‘vaginaal toucheerde’. Wie ‘goedgekeurd’ was, werd op de lijst geplaatst en kon wachten op ‘vertrek’. Op 11 september 1942 liep Weinreb tegen de lamp. Hoe dat kwam, is nooit opgehelderd.
Weinreb beweerde kort na de oorlog dat hij was verraden door Bep Turksma (foto hiernaast), die twee dagen eerder, op 9 september 1942, door de Sicherheitspolizei was gearresteerd. Turksma heeft, zo is later onomstotelijk vastgesteld, Weinreb nooit gekend. Hij moet haar naam voor het eerst hebben gehoord van de Polizist Koch, die Weinreb in hechtenis had genomen. Vermoedelijk heeft Koch het verhaal over het ‘verraad van Turksma’ bedacht om Weinreb een alibi te verschaffen na zijn vrijlating. Die vrijlating zou immers opzien baren in de joodse gemeenschap. Verwacht kon worden dat Weinreb door de mand zou vallen en onmiddellijk naar een concentratiekamp zou worden gestuurd. Het tegenovergestelde gebeurde. Weinreb zette zijn reeks fantastische vertellingen voort.
Weinreb hield tegenover Koch gewoon vol dat ‘luitenant-generaal Von Schumann’ bestond. Hij (Weinreb) had de ‘luitenant-generaal’ in 1941 het leven gered bij een verkeersongeval. Von Schumann was natuurlijk bereid hem een wederdienst te bewijzen en onderhield contact met Weinreb via twee tussenpersonen, ‘Von Rath’ en ‘Six’. Zo zou de Weinreb-lijst zijn ontstaan. Koch geloofde Weinreb. In later onderzoek werd de Duitser als ‘een gemakkelijk slachtoffer’ omschreven: hij zou goedgelovig en zelfs wat onnozel zijn. Maar Koch had ook reden tot geloof. Medio 1942 was diverse keren melding gemaakt van corruptie in de gelederen van SS en Wehrmacht. Hoe dit ook zij, Weinreb werd op vrije voeten gesteld. De Duitsers hoopten met zijn hulp (!) ‘Von Schumann’ te kunnen arresteren.

Bluf
De vrijlating verschafte Weinreb een ongekend prestige onder de geregistreerden van zijn lijst. Dat hij al na enkele dagen op vrije voeten was, vormde voor hen het beste bewijs dat de Sicherheitspolizei de lijst had goedgekeurd. Weinreb sprak dat niet tegen en breidde zijn activiteiten zelfs uit. In Den Haag, Rotterdam en Amsterdam installeerde hij plaatselijke vertegenwoordigers. Hij hield de ingeschrevenen nu voor dat er in plaats van één trein drie treinen koers zouden zetten naar de vrijheid. Het was bluf, maar ook een manier om de inmiddels duizenden ingeschrevenen aan zich te binden (het gerucht over de lijst had zich als een lopend vuurtje verspreid). Het geduld van de geregistreerden was echter niet onuitputtelijk. Weinreb zag zich daarom gedwongen een vertrekdatum te noemen: 24 december 1942. Wat er die dag verder ook gebeurde, er vertrok geen trein naar Zuid-Frankrijk. De betrokken joden stonden vertwijfeld op het station te wachten. Wie, ondanks zijn belofte hen uitgeleide te doen, natuurlijk afwezig was: Weinreb.
Om opheldering gevraagd, verzon hij een aannemelijk excuus: de treinen konden niet naar Zuid-Frankrijk. Heel Frankrijk was in november 1942 namelijk door de nazi’s bezet.
Raakte Weinreb zo steeds verder verstrikt in zijn eigen web van leugens en bedrog, een uitgesproken verrader was hij (nog) niet. In die tijd hielp hij inmiddels ernstig bedreigde joden onder te duiken en schonk hij een deel van zijn verdiende kapitaal, afkomstig van de geregistreerden, aan het verzet. Maar hij koos niet voor het verzet — kon dat ook niet meer, zelfs als hij het zou hebben gewild. Want de Sicherheitspolizei hield hem nauwlettend in de gaten, in de hoop zo ‘luitenant-generaal Von Schumann’ op te sporen. Weinreb besefte een gebaar te moeten maken. Hij vond iemand bereid zich uit te geven voor contactpersoon ‘Six’. Weinreb repeteerde met deze ‘Six’ een verhaal dat Koch en de Sicherheitspolizei opnieuw zou moeten misleiden. Maar ‘Six’ viel bij de eerste ontmoeting al door de mand. Gevolg: Weinreb werd op 19 januari 1943 opnieuw gearresteerd.

Klikken
Nu het bedrog eindelijk was doorzien, werd hij een willoze prooi in handen van de Sicherheitspolizei. Onmiddellijk na zijn arrestatie biechtte Weinreb (foto hiernaast) het bedrog op en noemde hij de namen van enkele onderduikers die hij hulp had verleend. Omdat de deportatie desondanks dreigde, besloot hij opnieuw zijn ‘onmisbaarheid’ voor de Duitsers te bewijzen. Ditmaal was zijn inzet echter veel minder onschuldig dan bij zijn eerste arrestatie. Speelde hij toen een spelletje met de Duitsers, nu riskeerde hij de levens van enkele tientallen joden door enkele maanden na zijn arrestatie een onderduikadres in Den Haag te verraden. Daarmee bewees hij zijn waarde voor Koch. Weinreb werd weliswaar met zijn gezin naar het kamp Westerbork gestuurd, maar enige tijd later werd hij daar weer uitgehaald, om overgeplaatst te worden naar de strafgevangenis in Scheveningen. Koch meende hem opnieuw te kunnen gebruiken bij opsporing – ditmaal van ondergedoken joden en verzetsstrijders. Weinreb kreeg de opdracht te ‘klikken’: hij moest zijn medegevangenen uithoren en hun informatie doorgeven aan de Sicherheitspolizei. Daar bleef het niet bij. De Duitsers wilden ook dat Weinreb een nieuwe lijst ging samenstellen.
Was het doel van de eerste lijst zelfs Weinreb niet precies bekend, over de tweede lijst kon geen enkel misverstand bestaan: de bezetter hoopte zo onderduikers uit hun schuilplaatsen te lokken. Om geloofwaardig te lijken werd de lijst ook opengesteld voor al gearresteerde joden. Zo konden bewoners van het kamp Westerbork zich op de lijst laten plaatsen in de (ijdele) hoop ditmaal naar Portugal te kunnen uitwijken. Omdat de ‘Weinreb-joden’ enige tijd uitstel van deportatie naar het Oosten werd verleend, ontstond de indruk dat de lijst redding bood. Maar al na enkele maanden hieven de Duitsers de lijst op. De ongeveer negenhonderd joden die hun toevlucht tot de lijst hadden gezocht, werden naar Auschwitz gedeporteerd waar ze bijna allemaal om het leven kwamen. Weinreb begreep nu dat het spel uit was. Op 7 februari 1944 dook hij onder.

Dreyfus
Na de bevrijding werd Weinreb op grond van aanklachten uit de joodse gemeenschap gearresteerd. In 1947 kreeg hij drieëneenhalf jaar gevangenisstraf. Later kwam daar nog eens tweeëneenhalf jaar bij. „De rechtsorde,” motiveerde De Bijzondere Raad van Cassatie haar strenge oordeel, „gedoogt niet dat enig mens in vertrouwen op eigen kunnen en naar eigen morele maatstaven aldus beschikt over het leven en lot van anderen.” Het vonnis kreeg in de pers geen onverdeeld gunstige ontvangst. Kranten als het Rooms-Katholieke De Linie, het sociaal-democratische Het Vrije Volk en het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW) koesterden grote twijfels over de rechtsgang. Het NIW vroeg zich voorzichtig af „of hier niet een groot onrecht geschiedt aan een man, van wie misschien nimmer alles duidelijk zal worden, maar die getracht heeft alles voor zijn mede-lotgenoten te doen.”

Andere kranten gingen nog verder en vergeleken Weinreb met de joodse legerkapitein Dreyfus, die een halve eeuw eerder op grond van vals bewijsmateriaal uit Frankrijk was verbannen. De voormalige verzetsman Frits Kief meende zelfs dat met het vonnis de illegaliteit in diskrediet was gebracht. Weinreb zou illegaal hebben gehandeld en daarvoor nu zwaar zijn gestraft. Op 6 november 1948 schreef Kief in Ons Baken: „De Bijzondere Raad van Cassatie heeft slechts schijnbaar Weinreb veroordeeld, in werkelijkheid heeft hij de Illegaliteit de oorlog verklaard.”
Terwijl het proces nog in volle gang was, werd in 1948 in joodse kring een comité opgericht voor vrijlating van en eerherstel voor Weinreb. Het comité was nog niet in actie gekomen of Weinreb had zijn vrijheid al herwonnen. Op 11 december 1948 werd hem, in het kader van het vijftigjarig ambtsjubileum van Koningin Wilhelmina, amnestie verleend.

Zondebok
Daarmee leek de kous af. De zaak-Weinreb werd er een als alle andere oorlogskwesties: niet waard om nog aandacht aan te besteden. Begin jaren zestig behandelde Loe de Jong de jodenvervolging in zijn televisieserie „De bezetting”, maar Weinreb kwam daar niet in voor. Dat Presser in „Ondergang” wèl uitvoerig aandacht aan hem besteedde, was een kwestie van verschil in persoonlijkheid. De Jong, die hem na 1945 enkele keren ontmoette, moest niets van de orthodox-gelovige Weinreb hebben en toonde zich ook ongevoelig voor diens ingewikkelde oorlogsverleden. Voor Presser lag dat anders. Hij zag in Weinreb zijn tegenpool: geen bange man die onderdook, maar een man die moed tot verzet toonde. Het joods verzet tijdens de oorlog fascineerde Presser, zoals uit verschillende passages in „Ondergang” blijkt. Het is alsof hij de lezer èn zichzelf wil overtuigen dat de joden zich niet willoos naar de slachtbank hebben laten leiden. In het geval van Weinreb kwam daar nog iets bij: zijn ingewikkelde spel van leugen en bedrog was na de oorlog afgestraft. Presser zag daarvoor een reden: Weinreb zou tot ‘zondebok’ zijn verheven om het falen van de overige Nederlanders te verdoezelen.
De stellige overtuiging waarmee Presser Weinrebs onschuld verdedigde, liet niet na grote indruk te maken. Eerste-Kamerlid Fred Polak, bekend futuroloog, vroeg minister van Justitie Ivo Samkalden op 25 mei 1965 of deze in Pressers studie geen aanleiding zag tot herziening van het vonnis. Samkalden antwoordde ontkennend: Presser mocht dan wel een ander oordeel over de strafzaak tegen Weinreb hebben, nieuwe gegevens had hij niet aangedragen. Enkele rechtsgeleerden deelden Samkaldens ontnuchterende oordeel: Pressers betoog was emotioneel en sneed juridisch geen hout; Weinreb was in 1948 terecht veroordeeld.
Het gekrakeel rond Pressers oordeel ergerde één persoon in het bijzonder: Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein. Onder de indruk van Pressers relaas was zij nieuwsgierig geworden naar Weinreb, over wie zo veel werd geschreven, maar die zelf niets van zich liet horen. In overleg met Presser nam zij contact op met Weinreb en spoorde hem aan zijn herinneringen aan de oorlog op te schrijven. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd: Weinreb had al een begin gemaakt met zijn memoires, maar was daar halverwege mee gestopt. Nu, in 1966, zette hij zich opnieuw aan het schrijven.

Tijl Uilenspiegel
„Ik schreef deze memoires direct uit mijn herinnering,” zo luidt de eerste zin van de driedelige serie „Collaboratie en verzet 1940-1945. Een poging tot ontmythologisering”, die in 1969 onder redactie van Renate Rubinstein verscheen. In ruim 1800 bladzijden vertelde Weinreb zijn verhaal: hier en daar spannend, vaker langdradig en vooral: altijd rancuneus. Vrijwel geen van de tegenspelers van Weinreb, of zij nu Duitsers of joden waren, kwam er goed van af. Het beeld dat hij opriep, was dat van de ‘burgerlijk ongehoorzame rebel’, van de man die alleen stond in zijn strijd tegen de bureaucratie, die hij telkens te slim af was.
In haar ‘verantwoording’, voorafgaand aan het eerste deel, vergelijkt Rubinstein hem met Tijl Uilenspiegel, de legendarische figuur die door zijn streken burgers en overheid belachelijk maakte.
Het boek kwam op het juiste moment: provo roerde zich, studenten liepen te hoop tegen het ‘repressief tolerante’ vaderland, en het Vrij Nederland van Renate Rubinstein zette zich, na een periode van volgzaamheid, af tegen de gevestigde orde. Maar niet alleen in linkse kring mocht „Collaboratie en verzet” na verschijning rekenen op een gunstig onthaal. De historicus M.C. Brands, leerling en medewerker van Presser, schreef in De Volkskrant van 23 mei 1969: „Wat in dit werk ontbreekt of vergeten is, is moeilijk vast te stellen. Volgens een kenner als Presser is dit weinig. Ik kan me dan ook niet voorstellen dat onze minister van Justitie in dit waardevolle document geen aanleiding vindt om stappen te ondernemen. Het wordt hoogste tijd.” Aanzienlijk scherper uitte zich de schrijver Adriaan van der Veen. Hij deed in een beschouwing in de NRC van 24 mei 1969 een poging het nog altijd bestaande wantrouwen over de integriteit van „Collaboratie en verzet” in diskrediet te brengen: „Aan deze herinneringen van Weinreb zullen alleen mensen twijfelen die ook zo lang weigerden te geloven dat de joden in Polen werden vergast.”

‘Ik gun hem alles’
Ook W.F. Hermans las Weinrebs memoires, zonder dat die enige indruk op hem maakten. Toen De Gids Hermans vroeg een beschouwing te schrijven over „Collaboratie en verzet” ‘als roman’, antwoordde hij per kerende post zich daar niet aan te wagen. Weinreb liet hem nog onverschillig, zo blijkt aan het eind van zijn brief aan redacteur Sybren de Groot: „Ik ben er ten volle van overtuigd dat hij een zielige man is, pechvogel, zondebok, wat je maar wilt. Ik gun hem revisie, gratie, amnestie, alles.”
Even later zou de Weinreb-affaire losbarsten. Bep Turksma had een klacht ingediend tegen Weinreb. Tot haar stomme verbazing had ze in „Collaboratie en verzet” gelezen dat haar verraad op 11 september 1942 de oorzaak was geweest van Weinrebs eerste arrestatie. Turksma voelde zich belasterd omdat ze Weinreb tijdens de bezetting nimmer had ontmoet. Ook bij Renate Rubinstein deed ze haar beklag. Rubinstein maakte zich van de kwestie-Turksma af door op 14 juni 1969 in Vrij Nederland te schrijven dat voormalige leden van de Sicherheitspolizei de lezing van Weinreb kort na de oorlog al hadden bevestigd.
Het optreden van Bep Turksma wekte pas echt de belangstelling van Hermans voor de zaak-Weinreb. Nauwgezet volgde hij haar strijd tegen Weinreb, Rubinstein en Aad Nuis, die in een nawoord van „Collaboratie en verzet” had gepleit voor herziening van het vonnis van 1948. Turksma’s luidruchtige protest zal Hermans onmiddellijk hebben doen beseffen dat hier meer aan de hand was dan Weinreb deed voorkomen. Renate Rubinstein poogde Hermans in een persoonlijke brief van 13 oktober 1969 tot andere gedachten te brengen. Ze verzekerde hem („Beste Wim”) dat alle betrokkenen bij Weinrebs arrestatie diens lezing bevestigden. Daartegen kon Hermans weinig inbrengen: Rubinstein leek in het kader van de uitgave van „Collaboratie en verzet” het Weinreb-dossier immers geheel te hebben bestudeerd. Toch vertrouwde hij haar niet. En bovendien ergerde hij zich aan de arrogantie waarmee Turksma door Rubinstein was bejegend.

Links-revolutionair
Vooralsnog hield Hermans zijn kruit droog. Onder de tegenstanders van Weinreb waren het vooral Abel Herzberg (in het Rooms-Katholieke De Tijd) en de onvermijdelijke Henriëtte Boas (in Het Vrije Volk) die de trom roerden. De voorstanders van Weinreb hadden hun bolwerk, althans in de ogen van Hermans, in het linkse Vrij Nederland. In januari en februari 1970 schonk het weekblad veel aandacht aan Weinreb. Columniste Rubinstein hield als Tamar felle pleidooien voor diens rehabilitatie.
Op 14 januari 1970 sprak ze schande van minister van Justitie Samkalden, die weigerde het vonnis te herzien. Tamar herhaalde wat al in 1948 door sommige kranten was opgemerkt: dit kon een tweede Dreyfus-affaire worden. Ruim een maand later was die opvatting nog eens in de kolommen van Vrij Nederland terug te vinden, ditmaal verwoord door Igor Cornelissen. In een tweetal artikelen, gepubliceerd op 14 en 21 februari 1970, ging hij nogmaals op diens werk in. Henriëtte Boas aanvallend, schreef hij op 21 februari dat die eenvoudig niet begreep „dat linkse mensen zich druk maken over, laat ik maar zeggen, anderen, en zij begrijpt nog minder dat ‘sympathie’ helemaal niet hoeft te betekenen dat men ’s mans opvattingen omarmt. Nog altijd vind ik het een rotvergelijking, maar het moet nu dan maar: was het niet links dat het indertijd voor Dreyfus opnam terwijl deze Dreyfus toch allerminst linkse sympathieën had?”
Linkse sympathieën – daaraan ontbrak het Cornelissen destijds niet. Hoewel Cornelissen onderkende dat de orthodoxe jood Weinreb bepaald niet links kon worden genoemd, meende hij dat de ‘links-revolutionair’ anno 1970 wel degelijk lering uit Weinrebs gedrag kon trekken: „List gebruiken en liegen om een vijandige wereld, met veel fantasie, te bestrijden. In de oorlog voor de illegaal een vanzelfsprekend uitgangspunt, iets waarmee de links-revolutionair ook nu nog geen moeite zal hebben.” Weinreb was, zo meende Cornelissen op 14 februari 1970, in diens memoires „tot dezelfde conclusies gekomen als zovelen die zich op een politieke basis, vrijwel overal ter wereld, verzetten tegen bestaande orde en gezag.”
Cornelissens betoog was gefundenes Fressen voor Hermans. Het bewees dat links Nederland het gedrag van Weinreb niet slechts goedpraatte, maar zelfs ten voorbeeld stelde als middel in de strijd om de macht in Nederland. De strijd tegen Weinreb was voor Hermans van meet af aan eveneens een strijd tegen Vrij Nederland als symbool van het gehate links. In De Haagse Post van 4 maart 1970 zette hij de toon: „Als je progressief bent en je schrijft in Vrij Nederland, is alles wat Fryderyk Weinreb beweert, echt waar. Als je twijfelt of het waar is, zegt Links dat je rechts bent en dus een grote schurk.” In werkelijkheid, meent Hermans, interesseert de waarheid omtrent Weinreb links niet. Weinreb „zal en moet een Heilige van Links zijn.” En vooral: „Hij moet en zal tot een soort Nederlandse Dreyfus worden opgevijzeld.”

Spot
Hermans viel op 4 maart niet alleen het Vrij Nederland-duo Cornelissen en Rubinstein aan, maar richtte zijn peilen nadrukkelijk ook op Presser, met wiens „Ondergang” de Weinreb-affaire was begonnen. Hermans hield niet van dat boek. Hij vond het „onverteerbaar door de meest schaamteloze retoriek”, daarmee doelend op de manier waarop Presser het lot van de joden in de concentratiekampen beschreef. Vooral het feit dat ‘deze historicus’, zoals Presser zichzelf voortdurend in het verhaal presenteert, zich tegenover ‘de lezer’ verontschuldigt voor de gruwelijke zaken die hij beschrijft, wekte Hermans’ spotlust. Zijn boutade getuigde niet van inlevingsvermogen en goede smaak, merkte Vrij Nederland-journalist Jan Rogier op 16 mei 1970 terecht op: „Een stuitend procedé en een pijnlijke onthulling, voor zover dat nog nodig was, van de rancune, die Hermans zelfs niet verlaat als hij raakt aan de onbeschermde kern van Pressers leven.”
De affaire was nu volledig tot uitbarsting gekomen. Op 12 maart, een week nadat Hermans in De Haagse Post naar Weinreb en de zijnen had uitgehaald, werd aan de universiteit van Groningen een forum belegd over de kwestie. Daarin hadden onder anderen Hermans en Rubinstein zitting. De laatste, in het nauw gedreven door de steeds sterker wordende twijfel aan Weinrebs oorlogsverleden, verklaarde er zeker van te zijn dat hij was verraden door Bep Turksma. Ze zou dat in het dossier hebben gelezen. Tegen haar bewering werd onmiddellijk geprotesteerd door de aanwezige Bep Turksma. Voor Hermans was de verklaring van Rubinstein de druppel die de emmer deed overlopen.
In de periode na het Groningse forum wierp hij zich steeds nadrukkelijker op als verdediger van de beschuldigde Turksma. Bij gebrek aan nieuwe gegevens, verzandde de Weinreb-affaire na 1970. Er verschenen nog wel enige werken pro- en contra-Weinreb, maar hoofdrolspelers Hermans, Rubinstein en Aad Nuis waren in afwachting van „Het Weinreb-rapport” dat het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in opdracht van de regering voorbereidde.
De bevindingen van de onderzoekers waren vernietigend voor Weinreb en zijn verdedigers. Bep Turksma werd gerehabiliteerd: Rubinsteins herhaalde verzekering een dossier te hebben bestudeerd waarin gewag werd gemaakt van het ‘verraad’ van Turksma, deed het rapport met één zin af: „Zij heeft eenvoudig gebluft.”

Ironie
Hermans’ overwinning was totaal. Maar wie zijn artikelen over Weinreb na 1976 ter hand neemt, treft geen tevreden mens. Verbitterd polemiseerde hij verder – niet langer tegen Weinreb, die zijn oorlogsverleden maar liever niet nogmaals oprakelde, maar tegen Aad Nuis en Renate Rubinstein. Zij weigerden „Het Weinreb-rapport” als het laatste woord te aanvaarden. Rubinstein achtte de bewijslast van het rapport niet waterdicht. Op 29 oktober 1988 omschreef ze het rapport in Vrij Nederland als „een opeenstapeling van kwaadwillige gissingen”. Nuis had eerder al (in 1979) meer tekst gebruikt: hij schreef een boek tegen het rapport en bestreed Hermans, die hij kenschetste als „een rampzalige kletskous” en „de grootste mond van Nederland”.
Het verleidde Hermans tot een nieuwe serie aanvallen op Rubinstein en Nuis waarin hij de polemiek nog eens dunnetjes overdeed. Dat het duo weigerde toe te geven Weinreb verkeerd te hebben beoordeeld, werd een obsessie voor Hermans. Iedereen die maar een vriendelijk woord aan hen wijdde, trachtte hij op zijn nummer te zetten. Zo sprak hij schande van de historicus Schöffer, die het gewaagd had in het Tijdschrift voor Geschiedenis Rubinstein „te goeder trouw” te noemen. Dat Rubinstein en Nuis zich mogelijk te goeder trouw voor Weinreb hebben ingezet en gaandeweg verstrikt zouden kunnen zijn geraakt in de affaire, is een gedachte die hij nooit heeft willen aanvaarden. Wat dat betreft, was Hermans’ eendimensionale mensbeeld zowel zijn kracht als zijn zwakte in de Weinreb-affaire. Zijn kracht, omdat hij haarscherp doorhad wanneer Weinreb en Rubinstein fantaseerden. Zijn zwakte, omdat hij hun ingewikkelde motieven niet doorgrondde en hen alleen maar moreel veroordeelde. Het is niet zonder ironie dat de grote anti-moralist Hermans, die zo scherp en hilarisch de morele verontwaardiging van priesters, dominees en welzijnswerker kon beschrijven, zelf ook leed aan een tekort aan begrip door een teveel aan moraal. Het onbegrip van Hermans, de onverzoenlijke haat waarmee hij hun geen geruisloze aftocht toestond, versterkte de weerstand bij Nuis en Rubinstein om hun ongelijk te bekennen. In het autobiografische verhaal „Het grote medelijden” uit 1967, opgenomen in de bundel „Een wonderkind of een total loss”, heet het: „Ik sla mijn slag niet, ik sloeg erop los.” Zo was het ook in de Weinreb-affaire. Hij bleef erop los slaan, ook nadat zijn gelijk allang en breed was bewezen. Zijn ‘overwinning’ op Rubinstein en Nuis had daardoor iets van een Pyrrusoverwinning. Hoezeer hij ook gelijk kreeg, het zoet van de overwinning smaakte hem niet. Altijd gelijk maar eeuwig verongelijkt.
(Verschenen in Historisch Nieuwsblad, 1995, nummer 3)

Nog wat meer informatie over de persoon Weinreb uit andere bronnen.
Friedrich Weinreb (1910-1988) was een joods-chassidische verteller, schrijver en econoom. Hij was het onderwerp van de zogenoemde Weinreb-affaire rond zijn activiteiten als Duits collaborateur en vermeend Jodenhelper tijdens de Tweede Wereldoorlog.
(Wikipedia).
Deze affaire hield in dat Weinreb claimde dat hij joden heeft behoed voor deportatie, dit in tegenstelling tot anderen, die hem als collaborateur beschouwden. De Bijzondere Raad van Cassatie veroordeelde Weinreb wegens verraad en celspionage tot zes jaar gevangenisstraf, een straf die al in december 1948 werd omgezet in gratie na voorarrest.

Geruime tijd na de oorlog ontspon zich alsnog een polemiek over het handelen van Weinreb die al tientallen jaren voortduurt. Aanleiding was het boek van de historicus Dr. Jacques Presser: „Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945”, uit 1965, 564 pagina’s, waarin Presser het voor Weinreb opnam.
Vervolgens kwam een door Renate Rubinstein en Aad Nuis geredigeerde biografie van Weinreb op de markt met de titel: „Collaboratie en Verzet 1940-1945” in drie delen van in totaal 1926 pagina’s. De boeken van Presser en Weinreb deden veel stof opwaaien en de Weinreb-affaire was geboren.
De fanatieke voor-en tegenstanders van Weinreb, en dat waren niet de minsten, groeven zich steeds verder in. Men ging steeds meer met modder gooien naar Weinreb en naar elkaar. Verderop een aantal „originele” uitspraken van de opponenten.
In talloze krantenartikelen en in een groot aantal boeken is geschreven over de Weinreb-affaire. Om een indruk te geven van de omvang van de affaire Weinreb hierbij wat cijfers:

De polemiek in de jaren zestig en zeventig omvatte al bijna 1800 kortere en langere artikelen.

Rapporten en enkele boeken
Het Weinreb-rapport” uit 1976, door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie uitgebracht aan de minister van Justitie inzake de activiteiten van drs. F.Weinreb gedurende de jaren 1940-1945, in het licht van nadere gegevens bezien. 1683 pagina’s.
Onderzoek naar de activiteiten van de heer Weinreb in de Duitse bezettingstijd”, aanvulling op voornoemd rapport, 79 pagina’s.
De dissertatie van promovenda Regina Grüter: „Een fantast schrijft geschiedenis. De affaires rond Friedrich Weinreb”, 444 pagina’s.
Dr. René Marres, „Frederik Weinreb: verzetsman en groot schrijver”, 173 pagina’s: „Weinreb is onrecht aangedaan, men behoort hem als onschuldig te beschouwen’.
Aad Nuis, „Het monster in de huiskamer”, 93 pagina’s, een pro-Weinreb boek.
Jan Werkman, „Achterhaalde waarheden, Oorlogsdocumentatie en geschiedvervalsing in Nederland” 692 pagina’s, een pro-Weinreb boek.
F. Weinreb, „De Gevangenis, herinneringen 1945-1948”, 192 pagina’s, over zijn tijd in voorarrest.

Weinreb als vermeend redder van de te repatriëren joden
Interview met Loe de Jong: Dr. L. de Jong: „Door toedoen van de joodse bedrieger Friedrich Weinreb kwamen tijdens de oorlog tientallen joden om. Begin jaren zeventig ontspon zich een hartstochtelijke discussie rond Weinreb, waarin Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein en de politicus Aad Nuis het voor Weinreb opnamen. Hij spiegelde honderden joden tijdens de vervolging toen ze nergens meer heen konden, tegen betaling emigratiemogelijkheden voor. Daarnaast was hij een seksmaniak met een obscene voorkeur voor vaginaal onderzoek. Toch had deze valse Messias trouwe volgelingen die onvoorwaardelijk in hem geloofden. Deze ‘Weinrebbisten’ gingen voor hem door het vuur.”
De RIOD-onderzoekers A.J. van der Leeuw, historicus ³ en Mr. D. Giltay Veth, oud-rechter, deden zes jaar onderzoek naar de affaire Weinreb.
Alle hoofdstukken van het onderzoek zijn voor publicatie aan Dr. De Jong voorgelegd met het verzoek om kritiek. In alle pagina’s staat geen woord waar hij het niet mee eens is. (Historisch nieuwsblad, 1/2001, over de Weinreb affaire)

De (vernietigende) conclusies uit het rapport van Giltay Veth en Van der Leeuw zijn:
„De Bijzondere Raad van Cassatie is in zijn arrest over Weinreb uitgegaan van diens aanvankelijke goede bedoelingen. Dat die goede bedoelingen werkelijk aanwezig waren, kan na ons onderzoek niet meer worden aangenomen. De talloze nieuwe feiten, resp. nieuwe bewijsmiddelen voor destijds reeds geheel of gedeeltelijk bekende feiten, die ons onderzoek heeft opgeleverd zijn daarnaast – hoe belangrijk zij ook zijn – van secundaire betekenis. De juistheid van de feiten op grond waarvan Weinreb in 1947 en 1948 veroordeeld is, is door ons onderzoek volledig bevestigd. Weinreb heeft zich veel ernstiger misdragen dan de rechterlijke instanties in 1947 en 1948 hebben kunnen vaststellen.”

Enkele „originele” kwalificaties over Weinreb en over elkaar :
- RIOD-onderzoeker en historicus A.J. van der Leeuw omschreef Weinreb als „een ernstig criminele psychopaat”.
- W.F. Hermans noemde Weinreb „een van de allergrootste schoften die onder de Duitsers gecollaboreerd hebben”, een „chassidische literaire stinkbom” en een „bigotte zedenmeester”.
Volgens Hermans was Aad Nuis een „meedogenloze scherpslijper en tot in het beschimmelde merg van zijn sidderende gebeente oneerlijk.”
Samen met Renate Rubinstein (columniste bij Vrij Nederland, Red.) vormde hij (Nuis, Red.) een „smoezelig tweetal” dat behept met hun „verrotte leugenaarsbrein de persvrijheid misbruikte door totaal onschuldige particulieren in het openbaar van de vreselijkste misdaden te betichten”.
Weinreb, zo meende Hermans, was „op een gedesoriënteerde manier krankjorum” en verdiende daarom nog enige clementie. Daarom waren de politicologen die „deze zielige psychopaat voor hun seksadvertentiebladen spanden (bedoeld wordt het Vrij Nederland van Rubinstein) des te gewetenlozer”.
(René Zwaap, „Nooit meer Weinreb”, De Groene Amsterdammer, Jaargang 123, nr. 10, 10 maart 1999).

- Dr. René Marres, letterkundige en filosoof, schrijft over „Het Weinreb-rapport” van Giltay Veth en Van der Leeuw: „Zij hebben door hun extreme vooringenomenheid een karikatuur gemaakt van hun historisch onderzoek. Hun rapport lijkt door de omvang een indrukwekkend monument, maar het gebouw achter de façade is, wat het hoogst belangrijke deel van de verraadzaken betreft, wrak en hol. Van der Leeuw en Giltay Veth zijn zo bevooroordeeld dat je goed doet geen woord van hen op voorhand te geloven. Van der Leeuw noemde Weinreb een criminele psychopaat. Hijzelf is, misschien door verblinding, een van de sluwste demagogen die zich ooit als onderzoeker hebben vermomd. Want al is het rapport erger dan waardeloos, als misleidingsmanoeuvre is het knap en geslaagd. Mocht iemand iets over Nederland in de Tweede Wereldoorlog willen weten, dan kan hij beter het betrouwbare boek van Weinreb lezen.”
Harde noten ook kraakt Marres over het Weinreb-boek van de gepromoveerde Regina Grüter. „Haar ‘betoog’ bestaat uit vaardig napraten, zoals gehaaste journalisten dat doen, en kromredeneren, dat de naam van redeneren niet verdient.”
(René Zwaap, „Weinreb onschuldig”, De Groene Amsterdammer, Jaargang 123, nr. 39, 29 september 1999).

Tot een definitieve conclusie over de activiteiten van Willem en Weinreb in de oorlog, waar zeer geletterde onderzoekers tientallen jaren onderzoek hebben gedaan, durf ik mij niet te wagen. Nog steeds staan twee onverzoenlijke kampen lijnrecht tegenover elkaar zoals in het nog onlangs uitgebrachte pro-Weinreb-boek van:
Jan Werkman, „Achterhaalde waarheden. Oorlogsdocumentatie en geschiedvervalsing in Nederland”. In dit in 2018 verschenen boek van 692 pagina’s doet Werkman onderzoek naar de vraag of de joodse econoom en mysticus Friedrich Weinreb (1910-1988) tijdens de Tweede Wereldoorlog een verzetsheld was of zich juist schuldig maakte aan collaboratie en verzet, met als conclusie dat Weinreb moet worden vrijgepleit van alle schuld.

Zie ook een dubbelinterview in De Groene Amsterdammer van 16 augustus 2003:
René Zwaap, „De tijd zal de waarheid baren”, De Groene Amsterdammer, Jaargang 127, nr. 10, 16 augustus 2003.

Een afsluitende constatering wil ik wel maken: ik denk dat de titel boven dit werkstuk sowieso recht doet aan beide persoonlijkheden.
Met voor beiden een belangrijke toevoeging: voor Willem wil ik graag de kwalificatie van Henk van Gelder overnemen: „Een onverbeterlijke mystificator met ongebreidelde fantasie.”

De strapatsen van Weinreb liggen in het verlengde van de fantasie van Willem, maar zijn een behoorlijk graadje erger. Voor Weinreb licht ik er slechts één aspect uit. Beschreven is dat door zijn toedoen op 24 december 1942 vaders en moeders met kinderen vergeefs, en soms voor dik geld, op een gereserveerde plaats in een trein naar Frankrijk/Portugal wachtten om deportatie te voorkomen. Zij stonden daar angstig en voor Jan met de korte achternaam, dus tevergeefs, Weinreb hield er weerzinwekkende en waanzinnige praktijken op na.

Literatuur
L. de Jong, „Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog” (29 delen).
Hierna zijn de delen en bladzijden genoemd voor het opzoeken van nagenoeg alle passages waarin Weinreb en/of Willem voorkomen in bovengenoemd standaardwerk. De link naar de te downloaden delen is: Koninkrijk.

De Jong, deel 6, pagina 270
De Jong, deel 7, pagina 423, 446-461, 1362, 1363
De Jong, deel 8, blz. 666 * voetnoot
De Jong, deel 10b, blz. 286 n
De Jong, deel 12, blz. 583-588
De Jong, deel 13, blz. 120
De Jong, deel 14, blz. 496

¹

Mr. Gijs van Hall was met zijn broer Walraven van Hall in het verzet. Zij werkten samen met personeel van De Nederlandsche Bank om het verzet te financieren. Dit werd gedaan door middel van het vervalsen van schatkistpapier dat werd omgeruild met de originelen uit de kluis van De Nederlandsche Bank.
Het is te complex om hier in kort bestek verder op in te gaan. Zie verder het internet over de grootse bankroof uit de Nederlandse geschiedenis: historiek.net.

²

Ir. A.A. Mussert (1894-1946) was een cum laude afgestudeerd ingenieur, oprichter en leider van de NSB (Nationaal Socialistische Beweging).
Je kunt veel zeggen van Mussert, maar niet dat het geen familieman was. Mussert huwde met een tante, Maria Witlam (1876-1951) die achttien jaar ouder was dan hij. Voor dit huwelijk tussen bloedverwanten was door de koningin dispensatie verleend. (Zodoende kun je zelfs spreken van een Koninklijke bruiloft, Red.)
De destijds gevleugelde uitdrukking „Wil je een goed ras bouwen, dan moet je met je tante trouwen” had zomaar in De GIL kunnen staan.
Naderhand kreeg Mussert een liefdesrelatie met een achternichtje Marietje Mijnlieff (1923-2016). Mussert werd na een proces ter dood veroordeeld en is op 7 mei 1946 geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte. Zijn laatste woorden, die voor een periode van 75 jaar aangemerkt zijn als Staatsgeheim, zullen volgend jaar bekend worden gemaakt. Wij zijn benieuwd.
Wie geïnteresseerd is in verdere gegevens betreffende Anton Mussert; op het internet is een gigantische hoeveelheid informatie te raadplegen.

³

Toeval of niet, maar deze zelfde Anthonie Johannes (Hans) van der Leeuw (1919-2003) leidde ook het strafrechtelijk onderzoek naar Willems daden in de oorlog.







The Weinreb-Case
„Friedrich Weinreb”

In „Het Weinreb-rapport” van mr. D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw (’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1976, p. 1432) beweert – naar alle waarschijnlijkheid – laatstgenoemde het volgende: „Zoals uit een citaat in paragraaf 6 zal blijken, was Weinrebs celgenoot in die dagen [april 1947, Red.] de journalist W.H.M. van den Hout (ps. Willem W. Waterman), de ex-hoofdredacteur van ‘De Gil’, die vóór de oorlog geruime tijd in Amerika had gewerkt [sic!]. Het verbaasde ons niet, dat de heer Van den Hout ons in augustus 1973 mededeelde, dat hij op verzoek van zijn celgenoot Weinreb dit artikel had geschreven, hetgeen trouwens voor ieder, die Weinrebs en Watermans geschriften heeft gelezen, zonneklaar is. Zelfs tegenover zijn raadsman achtte Weinreb blijkbaar een kleine onwaarheid nuttig om te kunnen optreden als de alleskunner, die ook een artikel voor de Amerikaanse kranten in de juiste stijl kon schrijven.” Anthonie Johannes van der Leeuw heeft ook het onderzoek tegen Willem van den Hout geleid en heeft daartoe zoveel van Willems schrijfsels gelezen dat hij met gerust hart een kenner van Willems stijl mag worden genoemd.
Regina Grüter („
Een fantast schrijft geschiedenis. De affaires rond Friedrich Weinreb” (1997), p. 210) schrijft: „Zelf deed Weinreb voorafgaand aan de eerste zitting van het Bijzonder Gerechtshof al een poging via de Amerikaanse pers aandacht voor zijn lot te vragen. Zijn celgenoot van dat moment, W.H.M. van den Hout […], schreef een artikel in Amerikaanse stijl over Weinrebs onverdiende lot. Hoewel Weinreb zijn raadsman wilde doen geloven dat hij de tekst voor het artikel zelf had geschreven, was alleen de inhoud van hem afkomstig. Na een uitvoerige kop […] kwam een zeer uitgebreid relaas, waarin Weinrebs heldendom en beschuldigingen aan de Nederlandse autoriteiten elkaar afwisselden.”
Inderdaad, als je alleen al die 52 (!) woorden van de kop van dat artikel leest, zie je als het ware
De GIL voor je. Wie zei dat Willem in dezen tijd geen Amerikaanse stijl kon hanteren?
Uit angst dat iemand in de gaten krijgt dat Willem pamfletten, brieven en lijsten in Weinrebs naam schrijft, noemt hij de naam van zijn celgenoot maar één keer en niet eens in verband met de schriftelijke hand- en spandiensten die Willem voor hem verrichtte:
‘M?n celgenoot, de schrijver Waterman, wordt in een dichterlijke bevlieging wakker en rijmt, Kroms illegale naam Bijl er bij betrekkend:
«Meneer B?l die niet dom is
Maak Recht wat Krom is.»
En Weinrebs commentaar daarop luidt: … Men kan dat op verschillende wijze lezen en het heeft symboliek. Het kan als motto voor mijn roman dienen.’
Johannes H.C. Krom was lid van het Haagse politiekorps, later van het
Judenreferat en na de oorlog ineens aan de goede kant van de wet; hij gebruikte de schuilnaam Bijl.
Weinrebs raadslieden stuurden het pamflet inderdaad door naar verscheidene Amerikaanse kranten en joodse organisaties, maar het werd niet gepubliceerd. Alleen de New Yorkse krant
PM wijdde een artikeltje aan de rechtszaak tegen Weinreb (Grüter, p. 211).
Dat Willem werkzaamheden verrichte voor Weinreb, wisten we ook al uit „
Het Stinkdier” van Ab Pruis: „Freek Weinreb als orthodoxe talmoedjood onthield zich principieel van enige arbeid” (p. 33).
Het hieronder volledig weergegeven pamflet „
The Weinreb-Case” is stilistisch en qua taalgebruik een meesterwerk van Willem. Hij bedient zich van een „Sylvaans” soort retoriek: „Die arme Weinreb zit alleen maar vast omdat de gehele Nederlandse politiemacht antisemitisch is.” Het argument dat Weinreb vastzit „omdat hij te veel weet”, gebruikte Willem twee maanden eerder al – maar dan van toepassing op zichzelf – in zijn eigen pleidooi „Analyse en weerlegging der beschuldigingen inzake W.H.M. van den Hout”. Gespeculeerd wordt al tijden over de vraag wat in „The Weinreb-Case” inhoudelijk van Weinreb is en wat van Willem; gezien dat laatste argument, mogen we concluderen dat er erg veel van Willem in het pamflet zit.
Een van de dingen die Willem in opdracht van Weinreb op papier zette, is het geheimzinnige en omstreden
Mauretania-dossier, een dossier met de namen van Nederlanders, die joden hadden verraden. Ook dit dossier wordt genoemd in „Het Stinkdier” (pp. 45-47); Willems vriend Jaap Verduijn (wiens naam nu al voor de tweede keer in deze Nieuwsbrief wordt genoemd) verklaarde ooit dat Willem en Weinreb na hun vrijlating al dan niet tezamen de in het dossier genoemde mensen bleven chanteren.




De Dodencel in het „Oranjehotel” in Scheveningen.

THE WEINREB-CASE
FAMOUS GESTAPO-FOE WHO SAVED HUNDREDS OF JEWS FROM DEPORTATION, STILL KEPT IN JAIL BY DUTCH NAZI-COLLABORATORS.
SECRET ANTI-SEMITISM IN HOLLAND
TRAGIC FATE OF HEROIC JEWISH ECONOMIST WHO FOUGHT AND FOOLED GESTAPO BRUTES FOR THREE YEARS, BUT KNOWS TOO MUCH ABOUT DOUBLE ROLE PLAYED BY NOW-PROMINENT DUTCHMEN DURING GERMAN OCCUPATION.

The Hague, April 1947
A Dutch Jewish economist who started and operated single handed an underground organization for the protection and safe-guarding of his fellow-compatriots, thereby saving the lives of hundreds of Jews, is still kept in jail by the Dutch authorities NOW: – two years after the complete liberation of the Netherlands by the Allies. This unbelievable fact throws a gloomy light on the utterly abnormal conditions, under which operates the «Directorate of Special and Political Jurisdiction» in Holland.
In the early and darkest period of the War – in 1942 – the Gestapo gave the Dutch police-force (not a Nazi-organization) order to round up the Jews by ten thousands to be deported to the extermination-camps in Poland. At that time there existed not yet a well organized underground movement which could properly deal with this situation and take care of the welfare and projection on a large scale of these unfortunate men, women and children. One single Jew, Frederic Weinreb, since many years member of the Netherlands Economic Institute (financed by the Rockefeller Foundation) decided then to take action, without anybody’s help, and evolved a plan so fantastic in scope and design, as will only be equaled by few other mystery plots in recent underground-history.
Weinreb approached the Gestapo and made it appear as if he acted on behalf of some very high placed generals of the Wehrmacht attached to Headquarters in Berlin. He purely invented the names of some generals who allegedly had approved a plan to compose an emigration-list of Jewish people in Holland, and which allowed to emigrate to neutral countries in exchange against German citizens, interned by the Allies. During the course of the negotiations of putting this plan into action Weinreb succeeded the Gestapo to agree that no Jew whose name figured an this emigration-list should be deported. Weinreb had guessed well and speculated rightly on the typical German admiration for big names, high ranking officers and a carefully worked out plan. All went well, the mentioning of a couple of brass-hats, faked documents, signed by non-existing generals led the Gestapo up the garden path. They approved the Weinreb-plan. Orders were given out in accordance with Weinrebs suggestions and hundreds of Jews whose names figured on the so-called «Weinreb-List» were prevented from deportation and kept in a relatively well-organized concentration-camp in one of the Northern provinces of Holland.
It was, however, of utmost importance for the success of this masquerade that everybody included – Gestapo as well as Jews – should firmly believe in the existence of the Weinreb-generals and the emigration-plan. Weinreb created with masterhand a fiction-world of his special connections with generals, authorities, meetings, correspondence, too complicated for checking-up and so substantiating the necessity of his emigration-list and the prevention of deportation. The danger of too-close a check-up by the Gestapo was always there, but Weinreb played va-banque with his life by speculating on the fact that no Gestapo-chief had enough imagination to suppose in the least that a Jew has enough daring to approach them with some kind of cock and bull story. Such an idea not even crossed their minds. All this, on the other hand, forced Weinreb almost daily to create a stream of incredible tales which sometimes had the character of legends. The most intricate adventures followed each other up like a Hollywood thriller, every day more complicated, more daring. The mystification and resulting confusion saved, however, the lives of hundreds of Jews, waiting for their emigration and whose deportation was either postponed month after month or had the opportunity to disappear underground.
But when finally liberation came to Holland, there was no liberation for Weinreb. More or less accidentally he was clapped in jail on an alleged charge of «collaboration» with the Germans. That Weinreb’s collaboration with the Gestapo consisted of the greatest fooling-plot ever played, was even too much to swallow for the simple and sober minded Dutch authorities, devoid of any sense for Weinreb’s phantasia or knowledge thereof.

LIBERATION LANDS WEINREB IN JAIL. This was June 1945! And now May 1947 Weinreb is still in the same jail. Weinreb has been heard, endlessly interrogated and his «crime-file» counts a couple of thousand pages – the incredible story of his adventures during four exhaustive years of plotting, fooling, imprisonment, beating, secret trips, illness in concentration-camps and endless interrogations and conferences with the Gestapo. One might conclude that the truthful picture of all what happened during these years would stimulate among those in authority now, apart from utmost hilarity, a deep sense of gratitude and admiration for Weinreb’s deeds. But – no. He had unfortunately become tangled up in another complicated process in which the Dutch Directorate of Special Jurisdiction seems to be closely involved.
The following statement of facts might have been very humorous, if there would not have been a very sinister and disturbing background. Although testimonies and documents by the dozen are available which give complete clarity of Weinreb’s attitude and actions during the German occupation, the present Dutch authorities keep him stubbornly jailed, as if there exist no more important matters in Holland to deal with. His narrative of adventures since 1942 would easily constitute a novel sequence, a dramatic story of the greatest diversity in which highlights of subtile humor alternate with highlights of the deepest sorrow and horrors. But that is just what the Dutch authorities of «special jurisdiction» are most afraid of. Present-day Holland has become a sort of police-state and the greatest evil is that many real collaborators and traitors are still in power, especially in this directorate of special jurisdiction for political offenses during occupation. They realize quite well that they have made a big blunder in this Weinreb-case and now they don’t know what to do with him and how to safe their own face. It is quite probable that Weinreb just knows a bit too much, as result of his intimate experience with the Gestapo and his knowledge of their secret files. Therefore Weinreb is kept in jail on high, but sinister orders without the prospect that any Dutch power can alter anything to this situation.

HOW IT WORKED?
Financially or spiritually. He himself was convinced, however, that this game could not go on for ever and that sooner or later some clever Gestapo-fellow would see through or that some unforeseen events might cause his amazing scheme to fall like a pack of cards. He knew that this would irrevocably mean death for himself and his family. Although he himself was in a position, enabling him to get underground any moment he wanted, he did not do so, but kept his dangerous post inside the lions’ den, realizing that his presence there and his influence with the Gestapo-people meant life and freedom from deportation for hundreds of his own people. The optimistic invasion-propaganda by the Dutch broadcasting in London kept his hope alive that he could sustain this comedy until the arrival of the Allies, thereby saving the lives of all those who had filled in an application for emigration.
However, the long hoped-for invasion did not come, the fervent radio-promises by Radio Oranje proved again to be mere propaganda and so it happened that the Gestapo finally found out that they had been fooled in an uncertain manner. On top of that it came to light that the money, cashed by Weinreb from all those who had filled in an application far emigration (100 guilders per person), had been used by Weinreb for the procurement of false identification-papers and for financial aid for those without means, enabling them to get underground and stay there. The chaos which the Gestapo discovered was absolutely undisentangable and this made them mad with fury.
Weinreb was promptly arrested and sent to the notorious Scheveningen penitentiary (where he is still at present). Terrible months followed, the regular beating and abuse and all the sadistic ill-treatment which are now too well-known to almost everybody. None of the Jews who figured on his emigration-list, not those who had disappeared underground could be found which sent the Gestapo roaring with madness. They had hoped to catch a large haul, both in human beings and booty, thereby saving their faces after the silly figure they had cut in the eyes of their superiors. They now conceived a sardonic plan of revenge, speculating on the fact that Weinreb after many months of imprisonment and hardship would be physically and morally sufficiently groggy to do everything they proposed, as long as his life was spared. Taking his family as hostages and speculating on Weinreb’s influence in Jewish circles, they wanted him to bring out in the open, under false pretenses, those Jews who had disappeared underground, and then round them up. They promised him release from jail if he was willing to cooperate in this scheme and if he should refuse certain death for himself and his family. Although Weinreb had physically severely suffered and was still very ill, his morale was unbroken and his mind still very active. He saw through their schemes and their new tactics, realizing that this meant only postponement of execution. But it also meant time, time to conceive new plans of his own, precious time which every day brought liberation and freedom nearer and nearer. And here began a new sequence of the Weinreb-case.

THE GESTAPO FOOLED FOR THE SECOND TIME.
Weinreb was released from jail, working now secretly under orders of the Gestapo. The most incredible happened again. He succeeded again in obtaining the confidence of Gestapo-circles and they listened eagerly to his advice and new proposals. Weinreb discarded the original Gestapo-scheme, as being too obvious and developed a new set-up, running on similar lines as his previous emigration-plan. It incorporated again the necessity to arrange for a deportation-stop and keep the Jews in Holland until the time was ripe to round them up. Weinreb became special confidence-man of the Gestapo and obtained innumerable facilities for the carrying-out of his scheme.
He travelled free between the Gestapo-Headquarters in The Hague and the Jewish concentration-camp, where he used his authority to prevent the deportation of 1500 Jews to Poland. He also used such trips to smuggle letters and food stuff to those poor creatures who had all based their sole hope of survival in him. Time passed and it became spring 1944. The Gestapo was eagerly waiting for the results of Weinreb’s actions. His position, however, became gradually more and more unbearable and he was nearly at the end of his wits in inventing new explications and reasons for the postponement of the final show-down. His sole purpose was to gain time if only invasion would come, and quickly. But it now happened that a Dutch Gestapo-agent, who had orders to keep an eye on Weinreb, began to smell a rat and successively found out that Weinreb was again fooling the Gestapo. His attitude towards Weinreb was such, however that the latter got now suspicious too and realized that the game was up. In the nick of time Weinreb and his family disappeared under cover, but again many people owned their lives to his action. The Gestapo was fooled for a second time. Instead of a well-earned revenge, they felt as if they had actually helped Weinreb to save hundreds of Jews from extermination in Poland. Not being able to find out about his whereabouts, they tried to liquidate him by circulating stories about him that he was a Gestapo confidance-man, in the hope that underground forces would find him out and kill him. But this devilish plan did not work, Weinreb was in good company.

THE MAN WHO LOOKED BEHINDTHE SCENES.
During the many months that Weinreb was still on «good terms» with the Gestapo-people he had seen and heard quite a lot of what was going on in Holland. He had carefully gathered and collected a mass of material and data which cast an interesting light on the working methods of the Gestapo and the strange acts of many Dutch citizens as well.
Immediately after the arrival of the Allies in Holland, Weinreb went back to The Hague to report about his work during the occupation and substantiate this with the material he had collected. This worked out entirely different as he had hoped and it started a sequence of events of rather comical nature, for poor Mr. Weinreb on the contrary with a tragic background. His sudden appearance in The Hague acted on many people as a flash of lightning from a clear sky. They presumed him in Poland, maybe safely dead, and they had already made use of his person to create a heroic atmosphere for themselves. And all of a sudden here was the very man who ought to know everything, who had proved to be far from stupid and who was thoroughly initiated in the dark secrets of the Gestapo. Not even the positions they had secured for themselves during the chaotic days which followed immediately upon V.E.day came into danger, but also their own security was seriously jeopardized by the sudden appearance of the man who was in the know.
The first action they took was to take care that Weinreb himself disappeared into this chaos. He was arrested, put in jail and strongly isolated. Interrogations followed and he was carefully pumped, and when it became apparent that he had the intention to come into the open with his knowledge, his circumstantial reports were destroyed and more scrupulous care was taken that he should not communicate with the outside. A notorious traitor, who had betrayed several Jews to the Gestapo, but now had been able to secure a judicial function for himself, visited Weinreb in prison and threatened with murder if Weinreb should tell what he knew about him. But Weinreb did not give in and he adhered to his opinion that he would make the truth known as soon as opportunity presented itself. But now other methods were put into operation; a fantastic charge of treason was framed against him. Hereby they obtained the official cooperation of the «Special Jurisdiction», which does not apply – at least not in the beginning – that this department was fully conversant with what was going on behind the walls of the Scheveningen penitentiary. In order to obtain prejudiced evidence, the Gestapo-agent who had shadowed Weinreb during his activity for the second emigration-plan, and who was originally unwilling to make any false statements about Weinreb’s behavior, was severely ill-treated and with actual Nazi-methods finally forced to sign a testimonial evidence as constructed by his interrogators. Other people were instigated against Weinreb with a mass of lies, distorted facts and false statements. These indictments were, however, contradictory on every point. All so-called witness testimonials formed one great chaotic sequence of denials for and in itself. This was inevitable, since all these indictments were devoid of any proper basis of truth.
Nevertheless the Dutch authorities – who were now quite aware of this – adhered to these indictments, realizing that Weinreb, knowing what he did, could not be released from jail without causing the certain dethronement of many people who held prominent positions. This went on for more than a year and a half. Then, one day the ill-treated Gestapo-agent came out with the truth and told the actual course of events and how he was pressed to make a false statement about the Weinreb-case. Further interrogations by more neutral detectives of Gestapo-officers brought to light the actual part Weinreb had played and they proved that he had spoken the truth in every detail. All his previous statements fitted like a jig-saw puzzle and his fantastic real culprits became known. The position of the Dutch authorities became utterly embarrassing. ...

HOW TO JAIL FRIENDS AND INFLUENCE PUBLIC OPINION.
It will be understood that in the meantime the famous Weinreb-case was no longer a secret to the world outside, many facts had leaked through. The political-judicial authorities had to admit that all indictments on grounds of treason and collaboration were void and unfounded, and that they had been obliged to drop these.
In any self-respecting and normal country a man, who had suffered as Weinreb had, should immediately have been released from jail with the apologies of the authorities, indemnification for the losses sustained and official acknowledgment of his valuable achievements. And at least the real culprits would have been called to account.
But not so in Holland. Many things had happened in Holland since 1940. Real democracy was since long amissing. Many political gangsters and desperados had infiltrated the political-judicial apparatus, similarly as had happened previously in Nazi-Germany. These obscure powers now persevered that a big mistake was continued. It was decided to gain time (one thing they had learned from Weinreb) and not to let Weinreb return to society at any price. And to bring this about a new, an entirely new indictment had to be construed, since it had appeared that a charge of collaboration was nonsensical and had cast aspersions on the actions of the political police.
After nearly two years of detention Weinreb was now accused of having collected under false pretences registration-fees for his preventive emigration-action! The present charge assumes now that the money collected did not serve the purpose of emigration of Jews on a basis of exchange against German internees, but solely to keep the Jews from deportation to Poland. The Prosecutor found a special clause in the politico-penal law which would apply to the Weinreb-case, i.e. collecting money by taking advantage of special circumstances due to enemy occupation. Weinreb had lied and secured money under false pretext and this was in itself a breach of law. Weinreb could easily prove by a score of witnesses that he had spent the money (in total some 40.000 – 50.000 guilders) solely for patriotic purposes and had never benefited himself by it. On the contrary, during those years he lost all his possessions and private money. But that was not the issue. Weinreb should be kept in jail and the fact that he had obtained money under false pretext during German occupation was the only loophole in the law which served the purpose. Do those now in authority presume that Weinreb could have saved any number of Jews by precisely telling the Germans what game he was up to??? As the case lies now Weinreb will be prosecuted for gathering of funds on account of the circulation of false rumors in connection with an alleged emigration-plan. That this line of action was necessary to bamboozle the Gestapo, that this action saved the lives of hundreds of Jews and severely endangered his own safety and cost the lives of three members of his family, is not in the least taken into account.

ANTI SEMITISM TWO YEARS AFTER LIBERATION.
Weinreb personally also considers this distorted construction of his case as a direct inheritance of Nazism, to wit: a strong anti-semitic tendency in certain prominent circles in Holland who openly dare to affirm that the Germans left too many Jews alive behind them. This tendency is also noticeable in other directions and has made a subject of discussion in the Dutch press. In the same way as the murderer is affected when meeting the ghost of his victim, certain Dutchmen become irritated if they still find some remnants of the Jewish colony around.
Any legal procedure of his case is continually postponed on account of newly invented of foolish loopholes. The authorities find Weinreb too hard a nut to crack and are trying any means, good or foul, to force an excuse for their attitude and keep him in prison. We repeat again that Weinreb has now been detained nearly two years, abused and maltreated in a country liberated by the Allies, starved, threatened, blackmailed by those who stand for democracy. His honor and name besmirched by collaborators – now in authority and power – in order to influence public opinion against him. They shrink not back in willfully circulating thumping lies about him, if necessary with the help of Gestapo-prisoners, thereby extending the anti-Weinreb-campaign from the times that the Gestapo sought to liquidate Weinreb.
Weinreb lost every penny he possessed to the Germans. One of his children died in a concentration-camp. Personally he suffered the beastliest abuse from the hands of the Nazi-bullies after his fantastic game came to an end. His family, wife and three children were separated from him and suffered the same unhuman treatment. And all this because Weinreb in his single-handed operation tried to save the lives of innumerable innocent people which the Gestapo had decided to destroy. All this because he did not choose to put himself and his family in safety – as so many others did – but preferred to fulfil his duty towards humanity at the most dangerous spot: Gestapo Headquarters. Numerous grateful letters and testimonials prove this!!

THERE IS SOMETHING ROTTEN IN THE STATE OF HOLLAND.
The arrival of the Allies in Holland did not put an end to Weinreb’s sufferings. A new period of distress and unhappiness began, now in prisons and camps under Dutch and democratic supervision. Amidst those same Nazis he had previously fought with his life and health at stake, and who now insulted and scoffed at him, whereas the Dutch police authorities took good care to sling enough slander around to make his life in prison as unbearable as it was under Nazi oppression. His wife suffered a severe nervous breakdown as result of the never ending excitement and moral suspense regarding her husband’s fate. His children had to be taken care of by other people. Again we state: all this because a number of collaborators mistook the part he played and thought they could now safely put the responsibility of their own actions on Weinreb’s shoulders, putting him out of their way and so making the road free for grabbing prominent positions.
Since a couple of months this strange history has drawn the attention of various people abroad, especially in the United States. Based on well-documented reports, adequate inquiries and requests for exact information have been addressed to the constituted Dutch authorities; inquiries prompted by a feeling of great uneasiness and anxiousness. Also the World Jewish Congress took a lively concern in this case and requested an explanation and assurances regarding Weinreb’s fate. But the Dutch authorities maintained complete silence. Of course, they cannot and dare not admit that in a democratic country such things are still liable to happen. It would be too disastrous for many people who now hold prominent functions, to admit that an innocent Jew is kept in jail because he knows too much about their behavior during the occupation; and also because he is a Jew. The highest circles in Holland are diligently busy in construeing and formulating a fictitious charge of indictment. One of their means of achieving their purpose may be illustrated by the following fact. A short time ago the police authorities published a summons in the Dutch press, requesting information about Weinreb. The summons, however, composed by the Political Investigation Branch of the Police, intimated that Weinreb had a great deal to answer for and was guilty in some way or another. The same false rumors previously used by the Gestapo to annihilate Weinreb, are now again used by the Dutch authorities to safe their face.
Weinreb’s friends and his lawyer have used every lawful means to obtain his release from prison. Tens of thousands of suspected collaborators walk around in freedom while their case is being investigated by the Special Political Police. Why not the same attitude with regard to a Jew, who was terrorized by the Nazis and who lost everything, also as result of the attitude of the Dutch police during the occupation which assisted the Germans in every possible way in anti-Jewish actions, against which Weinreb had to fight alone. It appears now that Holland and the same Dutch police has for this heroic Jew no other place than a concentration-camp for S.S. and Gestapo-prisoners. But the highest Dutch authorities who are in a position to order his immediate release now that the judicial and political investigation has proved nothing against him, simply refuse this. Is this attitude only based on the fact that Weinreb in order to deceive the Germans has invented his fantastic emigration story to save the lives of innumerable people?? How many underground workers haven’t done the same? Who is going to believe this false construction by the constituted authorities of a nation which calls itself democratic?
Scores of courteous requests for information from American officials have been put forward, but the Dutch authorities do not even take the trouble for the courtesy to reply. Such requests were put forward on humanitarian motives for which this war was finally fought. In the firm belief of the Rights of Men American soldiers crossed the Atlantic, also to help liberate Holland from German oppression. And that’s also why the United States financially supported Holland in its gigantic reconstruction task. Now that it appears possible that things happen in Holland, such as related above, we feel the necessity to bring these facts before the eyes of the great American public, hoping that democratic America will show the Dutch people the road to true democracy. It does not solely and specially concern the Weinreb-case. Injustice must be put right; the Rights of Men are of prime importance. Weinreb’s fate and that of his family justifies for us this course of action of putting this case before the great American public.’





De Amerikaan bezien door verschillende brillen
John Beringen

In de Bob Evers-verhalen valt regelmatig waar te nemen dat Jan en Arie de draak steken met de Amerikaanse cultuur. Ze willen Bob nog wel eens jennen met kreten in de trant van: „Amerikanen geloven alles, als het maar gek is” of: „Daar moet je Amerikaan voor zijn om zoiets idioots te bedenken.” En ook de alwetende verteller doet regelmatig een duit in het zakje om een en ander te onderschrijven. Bijvoorbeeld door te stellen dat je een Amerikaan desnoods in een jurk kan hijsen en als je dan zegt dat het om een Amerikaan gaat, dan kijkt niemand meer vreemd op. Men zal zogezegd hooguit met een „Tja, Amerikanen, hè?” de schouders ophalen. Willem doet er zelfs nog een schepje bovenop als hij in het interview met Pamela Koevoets zegt: „Amerikanen zijn ook niet dom; ze zijn heel handig … net als apen.” Kortom: de Oude Wereld lacht regelmatig om de Nieuwe Wereld (zoals dat ergens in de Bob Evers-verhalen heel plastisch wordt verwoord). Het omgekeerde gebeurt echter ook. Zo is het Bob die zich erover verbaast dat men er in Europa kennelijk lol in had om het hele continent te verdelen in afzonderlijke staatjes die allemaal een eigen taal hadden en totaal andere wetten. En in het avontuur rondom de schuiftrompet bekruipt hem de haast profetische gedachte dat het nog heel lang kon duren voordat een verenigd Europa met een paar pennenstreken gerealiseerd zou kunnen worden. En bezien vanuit Amerikaans standpunt valt hier natuurlijk ook weer wat voor te zeggen.
Maar nu richten we de schijnwerpers op Olivier B. Bommel. Die kwam als nieuweling de verhalen van Tom Poes binnenstappen toen deze net waren verschenen. In een interview dat Marten Toonder in 1992 gaf, verklaart hij hierover het volgende:

De oorlog was nog vrij jong op het moment dat Tom Poes startte. Toen besloot ik om Tom Poes een vreemdeling te laten ontmoeten. En dan is het heel aantrekkelijk om die vreemdeling uit een land te laten komen dat niet in oorlog is. Dat was Amerika natuurlijk. En hoe ziet een Amerikaan er uit? Nou ja, de Teddybeer komt uit Amerika; dat is punt één. Ze dragen vrij opzichtige pakken met grote ruiten. Dat doen ze nu nog trouwens. En het zijn toeristen; ze komen Europa „doen”. Dat was toen al zo. Hij had dus een verrekijker bij zich en kwam hier gewoon naar toe en wist nergens van. Dat was de opzet. En Bommel was in eerste instantie een figurant. Een persoon waar Tom Poes mee kon praten. En Bommel praatte als een Amerikaan. Dus zonder veel cultuur en zonder veel opvoeding. Zo was hij in het begin. Een vrij ordinaire figuur eigenlijk…
Einde citaat.

Nu kunnen we bij Willem nog aanvoeren dat hij de Bob Evers-verhalen na de oorlog optekende. Dus in de tijd dat de Amerikanen zich oppermachtig hadden getoond, bijvoorbeeld door middel van D-Day waar zij over bijna onuitputtelijke man- en slagkracht bleken te beschikken. Toen kwamen de jaren ’50; alles moest groter en moderner zijn dan elders in de wereld. Niet zelden werd dit geaccentueerd met de nodige kitsch. Denk in deze context bijvoorbeeld alleen maar aan auto’s: het was op zeker moment voor de fabrikanten haast een wedstrijd welke auto de grootste staartvinnen had en het meeste chroom. Die gekte zou trouwens na 1959 weer gaan afnemen. Een behoorlijke mate van overdrijving dus, waardoor hij Jan en Arie veel „munitie” in handen kon geven waarmee ze de Amerikaanse cultuur konden ridiculiseren. In een enkel geval bijt Bob echter terug en ventileert een stukje superioriteitsgevoel als Jan en Arie naar zijn mening te ver gaan. Hij laat dan fel weten dat geen land ter wereld de USA ooit „in een pak” zal kunnen krijgen.
Maar terug naar Marten Toonder.
Wikipedia laat over Olivier B. Bommel het volgende weten:

In de strip maakte hij zijn debuut op 12 juli 1941, in het derde avontuur van Tom Poes („In de tovertuin”). Aanvankelijk was hij een domme, lawaaierige, rijke buitenlander. Interviewer Joop Lücker van De Telegraaf adviseerde Toonder in augustus 1941 Ollie B. Bommel geen Amerikaans staatsburgerschap te geven. De VS zou wellicht in de oorlog stappen, hetgeen van Bommel een fout personage zou maken.

Dat Bommel in 1941 ten tonele verscheen – en waarbij Toonder hem bepaalde eigenschappen toebedeelde die naar zijn mening typisch Amerikaans waren – wil al zeggen dat men toen (wellicht ook al vóór de oorlog) al op een vreemde manier naar Amerikanen resp. de Amerikaanse cultuur keek.





Enkele foto’s uit Domburg
Roger Schenk

Deel zeventien in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
We blijven nog even in de provincie Zeeland, omdat die Bob Evers-technisch actueler is dan ooit: het nieuwste deel, „Een opdracht van inspecteur Onge” speelt zich grotendeels af in Domburg, de op twee na oudste badplaats van ons land.


Kaartje van Domburg
De nummers 1 t/m 10 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.



In de vorige aflevering van „Enkele foto’s uit …” liet ik een boot van Rijkswaterstaat in het Kanaal door Zuid-Beveland zien met de naam „RR Roompot” en vertelde toen dat dat geen toeval kon zijn: inderdaad, in „Een opdracht van inspecteur Onge” nemen Jan en Arie hun intrek in deze bungalow, nr. 4, in Roompot Vakantiepark Hof Domburg, zoals de officiële naam luidt (ter onderscheiding van de andere 150 vakantieparken van de Roompot-keten. De naam Roompot is afgeleid van de gelijknamige vaargeul in de Oosterschelde. Vrijstaande bungalows, zoals in het boek, heb ik daar niet gezien en dat moet ook niet: mensen die dergelijke vakantieparken frequenteren, klitten bij voorkeur op elkaar. (1)



Voor mensen die van vakantieparken houden, moet Roompot Vakantiepark Hof Domburg een waar dorado zijn: in principe hoef je het terrein van het park niet eens af gedurende je verblijf: supermarkten, brasserieën, snackbars, een minigolfparcours, trampolines, tennisbanen, noem maar op. Je zou hier, bij wijze van spreken, maanden kunnen doorbrengen zonder ook maar één glimp van de nabijgelegen Noordzee op te vangen. Het hoeft verder geen betoog dat Brasserie Het Speelkwartier door Bob als ideaal voor Arie wordt aangemerkt. (2)



De keerzijde van de medaille is dat de toeristen, met name de kinderen onder hen, op een zonnige dag allemaal patat wensten op de tijdstippen waarop Arie dat ook wenste en wel in en om Snackbar De Kombuis. Het lijkt tamelijk bizar om deze snackbar een Nederlandse naam te geven, want voor de rest is alles gericht op onze oosterburen, maar de enige twee oosterburen die in „Een opdracht van inspecteur Onge” voorkomen, logeren nou uitgerekend níét in dit vakantiepark. Gelukkig voor de enkeling die geen Duits verstaat, staat er ook een Nederlandse vertaling bij de openingstijden en prijslijsten in de snackbar. (3)



Een van de greens – om er maar eens een andere buitenlandse taal tegenaan te gooien – van de Domburgsche Golfclub, waar Horst Moeller een „geintje” wil uithalen met een van de terreinknechten. (4)



Hoog boven het golfterrein uit steekt de Hoge Hil (Engeland is nooit ver weg), een perfect uitkijkpunt voor wie in één oogopslag zee, strand, golfterrein en het stadje wil zien. Arie is geen Jan, dus het is niet eens zo opvallend dat hij geen gebruik maakt van deze gratis observatiepost, want ... (5)



... aan de voet van dit duin bevindt zich Strandpaviljoen High Hill Beach, met veel voedsel en drank, dus het is niet zo gek dat Arie hier een (on)behoorlijke rekening opbouwt in de geruime tijd die hij hier doorbrengt. En uitgerekend vanuit dit Strandpaviljoen dat niet onderdoet voor Luilekkerland vangt Arie een eerste glimp op van Horst Moeller. De strandhuisjes waarin dit heerschap woonde, worden in de winter blijkbaar afgebroken. (6)



Zoals Bob tot zijn verbazing constateerde, draagt dit veredelde fietspad tussen de duinen en het stadje de mondaine naam Boulevard Van Schagen.
De „boulevard” is niet genoemd naar het Noord-Hollandse stadje, maar naar de Domburgse dichter en graficus J.C. van Schagen (1891-1985) die hier met enige regelmaat rondwandelde
. (7)



In Strandpaviljoen De Stenen Toko – grotendeels van hout en glas en zeker geen toko, maar ach, het beestje moet een naam hebben, nietwaar? – wilden Jan en Bob overleggen, maar door de toch nog onverwachte verschijning van Horst Moeller ging dit niet door. (8)



Terwijl Jan en Arie hun intrek nemen in het vakantiepark, kiest Bob (een alleen reizende Amerikaan is nu blijkbaar niet meer automatisch iets raars, zoals in „Cnall-effecten in Casablanca”) voor het statige Hotel ter Duyn; om Jan te jennen verdubbelt hij het aantal sterren dat het hotel gerechtigd is te dragen. Feit blijft wel dat het hotel vroeger vele bekende Nederlanders heeft gehuisvest en nu dus een onbekende Amerikaan; dat er ook een onbekende Duitser woont, is op zich niet spectaculair: in Reckahn of Frankfurt (Oder) zie je tegenwoordig bij wijze van spreken meer gele nummerborden dan in Domburg. (9)



Zoals de jongens constateren, is half Zeeland omgetoverd tot camping. Zo liggen er ook rondom Domburg talloze mini-campings, waarvan Bob Roos en Doorn, De Dankbare en ’t Zeeuws Knoopje noemde, welke laatste naam de meeste indruk maakte op Jan. Al deze mini-campings afstruinen op zoek naar Otto de Pruis en Horst Moeller is onbegonnen werk, hetgeen verklaart waarom Jan en Arie terechtkwamen in Roompot Vakanties, waar ze overigens ook bot vingen, maar dit geheel terzijde. (10)







De Nieuwe GIL 5
John Beringen

Terug van weggeweest:
Politiek satirisch en volkomen
onafhankelijk blad voor
Nuchtere Nederlanders
De Nieuwe GIL Nr. 5

Postbus 278
2500 AB Den Haag


14 juli 2020


Mogen wij trots zijn op onze geschiedenis?


Op het eerste gezicht lijkt deze vraag onzinnig, want eenieder zal hierop onmiddellijk „ja” zeggen, maar een en ander krijgt een geheel ander karakter wanneer we binnen deze context de veranderende tijdgeest kritisch in ogenschouw nemen. Ook hier zullen weer tegenstrijdigheden in worden opgeworpen: de één zal een term bezigen als „voortschrijdend inzicht”, een ander zal het weer flauwekul vinden omdat nou eenmaal „geweest is wat is geweest” en weer een ander zal opmerken dat we uitsluitend naar de toekomst moeten kijken. Maar… iemand verklaarde ooit: „Zonder verleden geen toekomst”. En deze wijze woorden vinden hun oorsprong reeds in een lied van Boudewijn de Groot dat hij ooit in de jaren ’60 van de vorige eeuw zong en waarin de kreet „Wat vroeger wet was, is nu bij de wet verboden” voorkwam. Boudewijn werd dan ook weggezet als „protestzanger” hetgeen op een bepaalde manier ook wel logisch is te noemen want het schoppen tegen heilige huisjes is en was (zéker in die jaren) not done.
Feitelijk kunnen wij gerust stellen dat het leggen van de vinger op de pijnlijke plek heden ten dage nog steeds onderhevig is aan een groot taboe. Het moet gezegd worden: protestzangers, van wie Boudewijn er ook één was, deden dat met woorden; een integere manier om anderen aan het denken te zetten over de vraag of al hetgeen wij doen of deden wel door de beugel kan of kon. En laten we wel wezen: de protestzanger deed dit veelal om een steentje bij te dragen aan een betere wereld door kritisch om zich heen te kijken naar diezelfde wereld van het moment en/of uit het verleden. En voor de persoon zelf waren hier vaak ook wel wat voordelen te bespeuren: niet zelden bereikte het betreffende lied de Top 40 waarbij de artiest in kwestie er ook financieel wat wijzer van werd. Zoals gezegd: de „missie” die werd uitgedragen middels het lied, geschiedde door middel van woorden. Edoch… de geschiedenis heeft geleerd dat woorden, als deze geen resultaat opleveren, vroeg of laat overgaan in daden. En zeg nou zelf: als je ontdekt dat je staat te roepen in de woestijn dan moet je wel een ander soort actie gaan ondernemen, wil je serieus genomen worden. Dat is nou eenmaal een natuurwet waar niet aan te tornen valt… Een mooi voorbeeld in deze is het besmeuren van het standbeeld van Piet Hein, zoals dat onlangs geschiedde. Nou is het besmeuren van een standbeeld technisch uiteraard aan te merken als vandalisme; daar kunnen we het gewoon over eens zijn. Maar om de morele achtergrond van deze daad te kunnen doorgronden, dienen we deze heer Hein even kritisch tegen het licht te houden. Wat weten we van hem?
Welnu: op iedere lagere school wordt hij bezongen als een grote held die aan de Spanjaarden een stevig potje goud ontfutselde. En dit lied kunnen we ook tot op de dag van vandaag nog op menig carillon horen pingelen. We noemen het beestje bij de naam: de Zilvervloot.

Nou kunnen we hierover nog opmerken dat dit plaatsvond in de tijd dat we in oorlog waren met Spanje. Daar komen we dan nog wel mee weg. Maar dat deze zelfde heer Hein in opdracht van de Nederlandse regering hartstochtelijk ieder ander buitenlands schip, ongeacht van welk land ook, de grond in boorde, is op z’n zachtst gezegd hoogst bedenkelijk te noemen. Iemand noemde Piet Hein ook wel „een zeerover in staatsdienst” en in „Willem Waterman en het Konkelbergproces” worden zijn wandaden ook behoorlijk stevig uitgemeten. Dit laatste overigens door een man wiens aanwezigheid binnen onze cultuur eveneens aan discussie onderhevig is, maar dit even terzijde.
Laten wij terugkeren naar de vraag: Mogen wij trots zijn op onze geschiedenis? Het mag de oplettende lezer niet verweten worden als deze hierover zal opmerken dat hiermee een groot dilemma (om niet te zeggen: een pijnlijke spagaat) wordt aangeroerd, want daarin heeft hij of zij volkomen gelijk. De vraag inhoudelijk etaleert genadeloos een enorme splijtzwam: zowel hartgrondig „ja” als „nee” zal te horen zijn als wij deze ter beantwoording voorleggen aan onze huidige maatschappij. En hiermee is het kringetje uiteindelijk weer rond, want we komen terecht bij de begrippen „verleden” en „toekomst” zoals die al eerder de revue passeerden. De crux hiervan bestaat uit het advies om alleen maar dingen te doen waarvan eenieder zeker weet dat hierop over honderd jaar nog goedkeurend wordt teruggekeken. In dat geval zal de prangende vraag uiteindelijk unaniem met „ja” beantwoord kunnen worden.

Uitgelekt: Dik Trom nu ook in de ban.

Langs informele kanalen is bekend geworden dat het RIVM een brandbrief naar de minister heeft gestuurd waarin wordt gesteld dat Dik Trom niet langer geschikt is als kinderlectuur. „Het dik zijn is in feite het nieuwe roken,” zo stelt het RIVM. „We zijn nu heel druk bezig met het onderzoeken hoe we de coronacrisis kunnen bezweren, maar in feite is het dweilen met de kraan open als we zaken als overgewicht negeren. Dat Dik Trom snoept en zich volpropt, wordt in het boek als heel ludiek beschreven, maar kinderen beseffen niet dat dit buitensporige eetgedrag tot ernstige problemen kan leiden. Met andere woorden: hier wordt een totaal verkeerd voorbeeld gegeven.”
Voorts vermeldt het uitgelekte bericht dat men eveneens bezwaren heeft tegen de nostalgische serie Bulletje en Bonestaak. „Als je het goed beschouwt, is dat ook aantoonbaar foute jeugdlectuur,” zo luidt de verklaring hieromtrent. „De een heeft obesitas en de ander lijdt aan anorexia; en die twee hebben zo’n pret samen. Dan wordt een kind toch compleet op het verkeerde been gezet? Hetzelfde geldt overigens ook voor de boeken uit de bekende Bob Evers-serie: daarin treffen we ook een jeugdheld aan die constant loopt te eten. Dit kan echt niet meer; de overheid moet ingrijpen.”

Zelfmoord-duif.


KERKRADE - een duif pleegt zelfmoord na de vernietiging van zijn favoriete beeld.

Giel, een duif die gewend was aan de beeldengroep op het Carboonplein, stierf tragisch na de vernietiging van zijn favoriete beeld waarop hij jarenlang had gepoept. „Het is een grote duif die ons vandaag verlaat en we zullen allemaal het gat voelen dat zijn afwezigheid zal veroorzaken,” zei Wiel, een familielid van duif Giel, in een verklaring. „Sommigen zeggen dat hij zijn uitwerpselen hoger kon laten vallen dan welke duif dan ook, en met uiterste roofvogelprecisie,” voegde hij er emotioneel aan toe. „Hij vond het heerlijk om zijn lading op de helm van deze bronzen man te lozen. Hij wist nooit wie dit beeld precies vertegenwoordigde, maar er was altijd een speciale affiniteit die hen met elkaar verbond.”

Wij mensen weten natuurlijk wél dat het beeld een mijnwerker, een zogeheten koempel voorstelde, maar de black lives matter-beweging heeft het beeld een paar dagen geleden van zijn sokkel gerukt, onder het mom van: een blanke man, o nee – witte, moeten we tegenwoordig zeggen – die vrijwillig onder de grond kruipt, daar tien uur lang slavenwerk verricht en vervolgens aan het einde van zijn sjiech pikzwart weer aan het daglicht kwam, daar hadden deze moderne beeldenstormers fundamentele bezwaren tegen.
Giel sprak voordat hij zelfmoord pleegde nog een paar laatste woorden: „Een standbeeld van een historische figuur mag niet worden gezien als een eerbetoon of bewondering voor die persoon, het moet worden gezien door de lens van vandaag: als dat beeld waarop men in vrede kan schijten. Ik weiger te leven in een samenleving waar zo’n onschuldige daad niet meer mogelijk is.” Als eerbetoon aan Gilbert verzamelen zich komende vrijdagavond enkele honderden duiven op het Carboonplein. Om 19.00 uur zal duif Sjeng poepen op de schouder van een man die naar zijn werk pendelt en die op zijn waardeloze dag echt geen ander probleem meer nodig heeft.



De Toren van Pisa tijdens de coronacrisis, toen er even geen toeristen voorhanden waren die hem – heel origineel! – overeind hielden.




Bladzijde 2 De Nieuwe GIL 14 juli 2020



Cruciale beroepen

Met de coronacrisis ontstond er een nieuw begrip: cruciale beroepen. Oftewel: beroepen die moeten worden uitgevoerd wil een maatschappij niet totaal ontwricht raken. Men denke in deze context onder andere aan: artsen, verpleegkundigen en ambulancepersoneel, de brandweer, de politie, de apotheek, de supermarkt. En dit is dan nog maar een kleine inventarisatie, want deze lijst zal beslist nog veel langer zijn. Wat we echter ook zagen, was dat bepaalde beroepen NIET meer mochten of konden worden uitgevoerd.
De argumentatie hierachter was dat grote groepen mensen en contact tussen mensen onderling als grote risicofactoren werden aangemerkt voor wat betreft de overdraagbaarheid van de ziekte. Als we de situatie, zoals die lag op het moment dat deze beslissing werd genomen, in ogenschouw nemen, dan is dat natuurlijk alleszins redelijk te noemen. Het betekende echter wel een enorme strop voor hele bedrijfstakken als de horeca, het entertainment en natuurlijk vele bedrijven en hardwerkende zzp’ers voor wie werken zonder direct contact met mensen onmogelijk is. En ook hier geldt dat de lijst met bedrijfstakken en beroepen in werkelijkheid nog veel groter is. Maar e.e.a. brengt ons tot de vraag: bestaan er ook niet-cruciale beroepen?
Een lastige kwestie, want een echte definitie hiervoor is niet zo gauw te geven. Bij alles wat hierboven zojuist is benoemd, kunnen we stellen dat er in alle gevallen een noodzakelijk of nuttig steentje wordt bijgedragen aan het functioneren van onze samenleving. Dat maakt het vraagstuk nog ingewikkelder… hoewel…? Voordat de crisis zich manifesteerde, kon je vaststellen dat er heel wat personen rondliepen voor wie graaien en zelfverrijking tot de normaalste (en meest belangrijke) zaak van de wereld bleken te behoren. En we kennen allemaal wel de voorbeelden hiervan: een manager die na discutabele werkzaamheden bij een bedrijf een mooie vertrekpremie meekrijgt terwijl honderden werknemers van dat zelfde bedrijf zich vervolgens bij het arbeidsbureau konden melden. Eigenlijk een kwestie van „voor mij de bonus en voor jullie de bolus”. Het enige resultaat hiervan bestond uit het feit dat een enkeling met een grote zak geld naar huis ging terwijl het sociaal stelsel extra werd belast, de premies omhoog gingen en de uitkeringen omlaag (om het systeem betaalbaar te houden). Of wat te denken van de zgn. workshops, cursussen, trainingen, lezingen en presentaties? Die worden veelal gegeven door personen die lijden aan een ernstige verbale handicap. D.w.z. ze kunnen een avond vullen met allerlei weetjes die ook in tien minuten verteld hadden kunnen worden of via een simpel appje of mailtje even rondgestuurd hadden kunnen worden. Nu kan men nog discussiëren of een willekeurig programma t.b.v. dagbesteding voor demente bejaarden inhoudelijk van een hoogstaander niveau is, maar het is in ieder geval wel aantoonbaar meer zinvol. En als die gladde gasten nou nog pro deo zouden lopen te blaten, dan zou het nog tot daar aan toe zijn, maar veelal doen zij dat tegen een uurloon waarvoor een krantenbezorger ettelijke maanden door weer en wind moet ploegen. Als het allemaal niet zo triest zou zijn, zou men nog kunnen grinniken om het groteske van het geheel, ware het niet dat mensen die zulke gelegenheden bezoeken (al dan niet na het betalen van een royale toegangsprijs) het ook nog eens zitten aan te horen met een blik alsof ze werkelijk naar iets zinnigs zitten te luisteren. Is hier sprake van schaamte, de angst om de nek uit te steken door hier commentaar op te leveren, de aanwezigheid van groot acteertalent, de kwestie „kleren van de keizer” of hebben deze mensen gewoon het IQ van een dode mier? We weten het niet. Nu zal de kritische lezer waarschijnlijk opmerken dat ieder weldenkend mens wel op de hoogte is van deze gang van zaken. Dat kunnen wij slechts bevestigen. En hierop dient zich logischerwijs de vraag aan: „Wordt er nou helemaal niets gedaan aan dit soort toestanden?”
Antwoord: nee, want het schijnt allemaal volkomen legaal te zijn, hoewel je kunt afvragen of het moreel gezien wel door de beugel kan dat iemand ongestraft hele zalen vol zo in de maling kan nemen. Eenieder die goed verdient aan dit soort poppenkasten zal meteen roepen dat de mensen die dit soort gelegenheden bezoeken dat uit vrije wil doen, maar dan nog blijft de vraag of zulks een vrijbrief mag zijn om op deze manier misbruik te maken van verstandelijk gehandicapten. We weten het wel: geld, resp. een bonus, stinkt niet (dit in tegenstelling tot de bolus die eerder in dit stuk ter sprake kwam). Het staat echter als een paal boven water dat al deze bezigheden ten tijde van de corona-crisis níét als cruciale beroepen werden aangemerkt; iets wat eenieder – ook al heeft hij of zij het verstand van een uit de kluiten gewassen garnaal – onomstotelijk kan beamen. Eerlijk is eerlijk: dat is uiteraard een schrale troost. Men kunt zich daar nou wel boos over maken, maar daardoor zal er niks veranderen aan deze praktijken. Al deze gasten hebben een flinke buffer opgebouwd – in tegenstelling tot bijv. veel zzp’ers met een nuttig beroep – en gaan na de crisis gewoon weer op de zelfde voet verder. Desondanks gloort er hoop. Nederland is tenslotte het land bij uitstek als het gaat om leermomenten. En misschien kan er met het zojuist beschrevene eentje toegevoegd worden aan de lange lijst…

Steun uit onverwachte hoek voor veelbesproken E10-benzine

De meeste tankstations leveren sinds vorig jaar alleen nog E10-benzine die milieuvriendelijker is. Pyromanen zijn tevreden over de resultaten met de nieuwe brandstof.
Sinds oktober 2019 mogen tankstations allen nog E10-benzine leveren in plaats van „gewone benzine”. E10 bevat meer bio-ethanol en zorgt daarmee voor minder schadelijke uitstoot. Pyromanen zijn enthousiast over de nieuwe brandstof. Sinds de invoering van E10 zijn er aanzienlijk meer autobranden.
„Als we kijken naar de resultaten van de afgelopen zeven maanden, dan denk ik dat we best tevreden mogen zijn,” zegt pyromaan Willem Tubbelink. „Bij het afbranden van auto’s met E10 komt veel minder koolstofdioxide vrij, terwijl de auto sneller in brand vliegt. En in de komende tijd willen we in gesprek met brandstofproducenten en milieu-organisaties over hoe we voertuigen in de toekomst nog milieuvriendelijker in brand kunnen zetten. Maar er is al heel veel bereikt,” aldus Tubbelink. „We zien dat vorig jaar 6 procent meer auto’s in brand zijn gestoken, terwijl de uitstoot van schadelijke stoffen juist afnam. Ik denk dat we daar met z’n allen heel trots op mogen zijn.”


Zakkenrollers ernstig gedupeerd door coronamaatregelen.

Zakkenrollers in Amsterdam willen hun werkzaamheden vanaf volgende maand hervatten. Vanwege de maatregelen tegen het coronavirus was zakkenrollen sinds half maart niet mogelijk.
Het kabinet heeft besloten om de coronamaatregelen stapsgewijs te versoepelen. Mensen met contactberoepen zoals kappers, schoonheidsspecialisten en zakkenrollers mochten hun werkzaamheden vanaf 1 juni weer hervatten, mits zij maatregelen nemen om het besmettingsrisico tot een minimum te beperken.
In de afgelopen maanden is de zakkenrollerij volledig stil komen te liggen. Niet alleen mochten zakkenrollers vanwege de anderhalvemeter-regel hun werk niet doen, maar ook waren er weinig slachtoffers op straat om het werk rendabel uit te kunnen voeren. De branche leed over de maanden maart en april een omzetverlies van 83 procent. De Beroepsvereniging Zakkenrollende Zelfstandigen (BZZ) werkte razendsnel aan een richtlijn. „Het doel was om onze werkzaamheden per 1 juni te hervatten, maar uiteraard wel op een veilige manier voor pleger én slachtoffer,” zegt woordvoerder Corné Weerendijk. „Door middel van voorlichting hebben wij onze leden op technieken gewezen waarbij anderhalve meter afstand tussen beide partijen gewaarborgd is. Zo kan bijvoorbeeld gewerkt worden met een grijpstok of uitsluitend op afspraak.”





Sympathieke Sylvana steunt zwarte „zanger”

De olijke pietenrammer Akwasi ontdekte onlangs tot zijn schrik dat dat zijn voorouders tot de Ashanti behoorden, de bevolkingsgroep die in de twaalfde eeuw Ghana (de vroegere Goudkust) binnendrong en zich de eeuwen daarna schandalig heeft verrijkt aan de handel in goud en slaven. Vanaf het eerste contact tussen deze Ashanti en de Portugezen in 1471 was geen enkele Ghanees – zowel Ashanti als van andere stammen – zijn leven nog zeker. Weer een eeuw later kwamen de Nederlanders, die in 1598 Fort Nassau stichtten en 39 jaar later Fort Elmina veroverden op de Portugezen; Fort Elmina, op een eilandje voor de Goudkust, werd het centrum van de slavenhandel van de West-Indische Compagnie. Ging het aanvankelijk nog om een paar duizend Ashanti-slachtoffers per jaar, rond 1800 – toen de plantagehouders in de Nieuwe Wereld een steeds grotere behoefte kregen aan slaven – werden er zo’n 50.000 mensen per jaar van Afrika naar Amerika vervoerd.
Geen wonder dat Akwasi zich schaamde voor zijn slaven vangende en verhandelende voorouders! De arme, bescheiden man, die zo mooi en melodieus kan zingen, durfde zich nauwelijks op straat te vertonen: „Je weet per slot van rekening maar nooit of zo’n donkere jongen die je in Amsterdam op straat ziet lopen misschien voorouders heeft die door mijn eigen voorouders uit de jungle zijn geplukt door mijn eigen voorouders.”
Tot niemand minder dan Sylvana Simons, zelf nota bene de voornaamste afstammeling van slachtoffers van de jachttechnieken van de Ashanti en de handelstalenten van de WIC (door haar zelf overigens steevast „VOC” genoemd) en oprichter van het bevolkingsgroepen verbindende partijtje Bij1, het voor Akwasi opnam: „Als zijn voorouders mijn voorouders niet hadden verkocht, had ik ook ik nu nog in Afrika gewoond! Als mijn voorvaderen überhaupt al de talloze stammenstrijden, hongersnoden en epidemieën op dat continent hadden overleefd! Nee, ik mag absoluut niet klagen over mijn Ashanti-redders.”



RK Kerk verbiedt het gebruik van antivirusprogramma’s

ROME – Maak een einde aan ongeremd surfgedrag! Paus Franciscus heeft het gebruik van antivirusprogramma’s tot ontoelaatbaar ingrijpen in de schepping verklaard. In een pauselijke encycliek roept hij alle gelovige katholieken op om firewalls, McAfee, Norton, Panda Security, PCProtect enz. van hun computer te verwijderen.

Begrijpelijke beveiliging of een zonde?
In zijn circulaire legt het hoofd van de Katholieke Kerk uit: „Antivirusprogramma’s betekenen dat computergebruikers gegevensoverdracht en surfen op internet niet langer als een goddelijk geschenk ervaren, maar als vanzelfsprekend beschouwen. Deze heilige daad is dus irrelevant geworden voor de vrije tijd.”

Het is bijzonder ernstig dat, in tegenstelling tot onbeschermd dataverkeer, het gebruik van een antivirusprogramma kunstmatig zou voorkomen dat Trojaanse paarden zich op de computer van een gebruiker nestelen. Het gebruik van virusbescherming is daarom volgens de Katholieke Kerk net zo verachtelijk als de latere verwijdering van dergelijke malware, in het Latijn – geloof het of niet – bona mala genoemd.

Franciscus vervolgt: „Degenen die bang zijn voor bona mala hebben nog steeds de kans om abstinent te leven en het zonder internet en gegevensoverdracht te stellen.” Het gebruik van antivirusprogramma’s mag volgens de richtlijnen van het Vaticaan alleen worden overwogen in gerechtvaardigde individuele gevallen – bijvoorbeeld als een computer die betrokken is bij de uitwisseling van gegevens al is geïnfecteerd door een virus of eigendom is van een homoseksuele prostituee.

Helaas was het onmogelijk om een nadere toelichting van de Katholieke Kerk te krijgen, aangezien het complete IT-systeem van het Vaticaan naar verluidt het slachtoffer is geworden van een DDoS-aanval.


„Kapsalon Centraal” introduceert de regel «Sta rechts, ga links» ook op normale trappen

ROTTERDAM – verdringen, duwen, stoten: zo ziet het dagelijkse leven er uit op veel treinstations in Nederland. Vooral op trappen hinderen reizigers elkaar vaak. ProRail, de beheerder van het in 2014 in gebruik genomen station Rotterdam Centraal (in de volksmond „Kapsalon Centraal”, naar de in Rotterdam bedachte snack in een aluminium bakje), wil hier een einde aan maken door de regel „Sta rechts, ga links”, die bekend is bij roltrappen, nu ook voor normale trappen te introduceren.

„Dit systeem heeft zich op roltrappen al enige tijd bewezen wanneer het gaat om snel vooruit te komen,” legt woordvoerder Igor Vrijdag van ProRail uit. „Ook op normale trappen is dit heel eenvoudig toe te passen: reizigers die meer tijd hebben, hoeven alleen maar iets naar rechts te gaan staan, zodat degenen die haast hebben er langs kunnen lopen.”

De regel ook op normale trappen invoeren zou een opluchting moeten zijn, vooral voor ouderen of kinderen. Ze hebben vaak moeite om met een grote koffer de trap op of af te lopen – tot ergernis van snellere reizigers. „In de toekomst kunnen ze rustig aan de rechterkant staan, hun koffers parkeren en wachten tot ze daar zijn zonder iemand te storen,” verwacht Vrijdag.

Gepensioneerde Annette van den Goorberg (79) is enthousiast over de nieuwe regel: „Sinds ik aan de rechterkant van de trap sta, heeft niemand me verdrongen. Ik sta hier al een kwartier absoluut ongestoord. Zo stel ik me stressvrij reizen voor!”

Hoe effectief de nieuwe trapetiquette in het dagelijks leven is, zal de komende weken blijken. ProRail heeft echter al aangekondigd dat, indien nodig, op alle trappen een extra derde loopstrook zal worden aangelegd, voor mensen rennend de trap op of af willen.





Bladzijde 3 De Nieuwe GIL 14 juli 2020


Gilletjes... rubriek voor, door en over kinderen.



MOPPEN:

Een Nêhiyawak (Cree-indiaan) wandelt over de prairie en ziet een bleekgezicht die zijn hand tot een kommetje gevouwen heeft om uit een vijvertje te drinken. De indiaan roept waarschuwend tegen de blanke: „Kâya minihkwê anima nipiy. Mostos omêyi anima êkota kâ-minihkwêyan!” („Drink niet van dat water! Het zit boordevol koeienstront!”)
Dankbaar als bleekgezichten van oudsher zijn, gilt de blanke man terug:
„Ik ben een Canadees! Kun jij verd… geen Engels praten? Ben jij dan compleet achtergebleven, idioot?”
De indiaan roept terug: „Je moet beide handen gebruiken, dan kun je meer water tegelijk scheppen!”

„Zeg eens, Willem, waarom knijp jij toch altijd je ogen dicht als je een borreltje drinkt?”
„Nou … gewoon, omdat de dokter mij strikt heeft verboden te diep in het glaasje te kijken!”

Een Amsterdammer en een Rotterdammer gaan naar een banketbakkerij. De Amsterdammer schuift gauw drie koekjes in zijn zak, zonder dat de bakker het ziet.
De Amsterdammer zegt tegen de Rotterdammer: „Dat moet jij eens proberen!”
De Rotterdammer zegt tegen de Amsterdammer: „Let op, hier kun jij nog wat van leren!” en tegen de bakker: „Geef mij eens een koekje en ik laat je een goocheltrucje zien.”
De bakker geeft de Rotterdammer een koekje dat hij meteen opeet. Daarna zegt hij tegen de bakker: „Geef mij nog een ander koekje voor mijn goocheltruc.”
De bakker begint te twijfelen, maar geeft hem toch nog een koekje. Hij eet ook dit op.
Daarna zegt hij weer: „Geef mij nog één koekje.”
De bakker wordt nu een beetje boos, maar geeft hem toch nog een koekje. De Rotterdammer eet ook dit op.
Nu wordt de bakker echt kwaad en schreeuwt: „Nou, waar is dan die geweldige goocheltruc van je?”
De Rotterdammer zegt: „Kijk maar eens in de zak van deze Amsterdammer.”

Thee maakt agressief.
„Ik zat een paar uurtjes in de kroeg en dronk een biertje of vijftien. Rustig en volkomen gelukkig ging ik daarna naar huis.
Mijn vrouw was thuis en had drie kopjes thee gedronken. Mijn hemel, wat was díé agressief!”

Leerling: „Meneer, hebt u onze proefwerken al nagekeken?”
Leraar: „Nee Cennet, ik heb ook nog andere klassen.”
De volgende les:
Leraar: „Cennet, heb jij je huiswerk gemaakt?”
Leerling: „Nee meneer, ik heb ook nog andere leraren.”

Wat kunnen wij leren van koeien, buffels en olifanten?


Het is onmogelijk om af te vallen, ook als je alleen maar groenvoer eet en de hele dag in de buitenlucht bent.

Psychiater: „Ik ken uw probleem nog niet. Dus begint u maar gerust bij het begin.”
Patiënt: „In het begin schiep ik hemel en aarde.”

Twee psychiaters komen elkaar tegen. Zegt de een tegen de ander: „Met jou gaat het goed, hoe gaat het met mij?”

Dringend bericht aan degenen die standbeelden vernielen. Hieronder staat een kubistische voorstelling van Jan Pieterszoon Coen. Je treft deze beelden overal in Nederland aan. Jullie weten wat jullie te doen staat …

Wat is de drukste werkdag voor een ambtenaar?
- Maandag, want dan moet hij drie blaadjes van de scheurkalender scheuren.


Lezerspost

Noodkreet van een restauranteigenaar
Beste Gil-reactie,
Het heeft heel lang geduurd voordat ik besloot om jullie te schrijven, maar nu heb ik de stap dan toch (eindelijk) maar genomen. Wel verzoek ik dringend dat ik anoniem kan blijven; het waarom hiervan mag wel duidelijk worden in de rest van dit epistel.
Soms heb ik een haast onbedwingbare neiging om te gillen … en dan niet van het lachen maar uit pure wanhoop. Wat is er aan de hand? Welnu, ik bezit al 30 jaar een puik restaurant in hartje Amsterdam. Een jaar geleden kwam ik op het idee om in de zaak brandblussers te installeren. In de eerste plaats voor een extra stukje veiligheid en in de tweede plaats omdat hierdoor de premie voor de brandverzekering aanzienlijk verlaagd zou worden. Nou, daar had ik me wel wat op de hals gehaald … Toen die blussers eenmaal geïnstalleerd waren, kwam de verzekering natuurlijk even inspecteren. Nee, de plekken die ik had uitgezocht, waren niet goed zodat ze andere plaatsen aanwezen. Na hun instructies opgevolgd te hebben, kwam de brandweer even kijken. Nee, waar ze toen hingen, hadden ze totaal geen nut. Ik heb ze toen wéér op een andere plaats opgehangen. Vervolgens kwamen er gasten van de ARBO-wet rondkijken en die lieten weten dat deze nieuwe plekken absoluut niet konden. Daarna kwam er iemand van de warenwet … u voelt ’em al aankomen: die man keurde op zijn beurt óók weer die nieuwe plaatsen af. Geloof het of niet, maar op zeker moment zat ik met muren vol gaten en pluggen, maar nog steeds geen geschikte plaats voor die brandblussers. Door al dat gedoe gingen verschillende diensten nog wat verder rondkijken en de heisa verplaatste zich vervolgens naar de vloer van de keuken. Vergeef me dat ik het zeg, maar je zou de koppen van die gasten van zowel de ARBO als de warenwet met alle plezier even in de frituurbak willen duwen, want de één liet weten dat de vloer ruw moest zijn om uitglijden te voorkomen en de ander stond er op dat de vloer glad moest zijn omdat die dan beter schoon te maken is. Ik kan er met mijn verstand niet meer bij. Wat willen ze nou? Moet ik de vloer gaan veranderen met een patroon van een dambord met om en om een gladde en een ruwe tegel? HELP!
(naam en adres bekend bij de redactie)

Naschrift van de redactie:
Wij zijn oprecht onthutst als wij lezen wat u ten deel is gevallen. Uiteraard zijn wij bekend met het feit dat de bureaucratie in Nederland (het beste te omschrijven als een ziekelijke regeldrift) vaak tot onmogelijke situaties voor de gedupeerde leidt en waarbij de aanstichters vervolgens de handen in onschuld wassen. Als je dan de betreffende instanties opmerkzaam maakt op het feit dat hun individuele beslissingen tezamen een hoedanigheid tot gevolg hebben waarin de betrokkene niet meer voor- of achteruit kan, dan wordt gewoon van de één naar de ander gewezen. En daar valt niet doorheen te breken doordat het kringetje zo keurig rond blijft. De enig mogelijke oplossing die ons invalt voor dit probleem is dusdanig Spartaans dat er wellicht wetgeving voor ontwikkeld moet worden: gewoon al die mekkerende gasten opsluiten in een ruimte en niet eerder loslaten voordat er een oplossing op tafel ligt – voor zowel uw brandblussers als uw keukenvloer - waar iedereen mee kan leven en u zwart op wit gevrijwaard blijft van verder gezeur.


Meneer A. uit U. schrijft ons het volgende:

Boe!
Mijne heren van de redactie,

Onlangs was er het nodige te doen rondom de vermeende toeslagfraude. Zo’n 8500 gezinnen werden door de belastingdienst aantoonbaar valselijk beschuldigd van het feit dat ze ten onrechte toeslagen voor kinderopvang zouden hebben ontvangen. Ze moesten gaan terugbetalen, hetgeen voor velen tot mensonterende gevolgen leidde. Uiteindelijk was dit niet meer onder de pet te houden; verschillende hoogwaardigheidsbekleders traden af (en vonden elders weer een ander baantje waar ze waarschijnlijk wel opnieuw voor allerlei ongemak zullen zorgen). Nu is er dan een commissie opgezet die dan zogezegd alle gedupeerden zal gaan compenseren. En dat is de commissie Donner. U weet wel: de man die indertijd moest aftreden vanwege de Schipholbrand en de woede over zich heen haalde door het ontslagrecht te willen versoepelen en de AOW-leeftijd wilde optrekken naar 70 jaar. O ja, hij was ook degene die in zijn hoedanigheid als minister van justitie mensen die op straat aangevallen werden adviseerde om geen geweld te gebruiken, maar om „boe” te roepen om zo de aanvaller af te schrikken. Begrijpt u dat ik niet echt geloof in een goede afloop voor alle gedupeerden door een commissie die door deze man wordt geleid?

Naschrift van de redactie: Dat begrijpen wij heel goed. Het gekke is dat iedereen op de hoogte is van hetgeen u opsomt. Desondanks belandt dit soort mensen niet in de banenpool maar krijgt – waarschijnlijk door vriendjes – toch iedere keer weer een ander goedbetaald bestuursbaantje. En wat dat „boe-roepen” aangaat: wij achten de kans heel klein dat een aanvaller zich daardoor zal laten afschrikken. Wat wellicht meer kans van slagen heeft, is als het slachtoffer een foto van Donner laat zien aan de belager. Mogelijk dat deze dan uitgeschakeld wordt door een lachstuip.

U ziet het, beste lezer, iedereen leest De Nieuwe GIL, maar het leukste is dat iedereen er iets anders in leest: de een vindt ons extreem rechts, de ander extreem links. Wij genieten van alle brieven, dus blijft u vooral schrijven aan Postbus 278, 2500 AB Den Haag!





Bladzijde 4 De Nieuwe GIL 14 juli 2020


Kort nieuws
Van dat hééle korte, weet u niet?


FLASH!

In de trein tussen Warffum en Usquert kreeg onlangs een man een boete omdat hij een medisch mondkapje droeg dat de andere reizigers beschermde tegen corona in plaats van een waardeloos niet-medisch mondkapje. Op de vraag waarom de dodelijk vermoeid uitziende man een „verkeerd” mondkapje droeg, antwoordde hij: „Ik ben anesthesist in het UMCG en heb zojuist 24 uur non-stop dienst gedaan op de IC-afdeling; ik ben op weg naar huis, maar uit pure vermoeidheid ben ik vergeten een ander mondkapje op te zetten.”
Gelukkig hoefde hij de boete niet te betalen.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

De bekende rapper Ronnie Flex is laatst bij een auto-ongeluk zijn stem kwijtgeraakt; toen hij die uiteindelijk terugkreeg, bleek hij totaal niet meer in staat om agressieve, a-melodieuze teksten te schreeuwen: hij kon alleen nog maar de bas-bariton-partijen van opera’s van Wagner zingen.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Onlangs vernietigde president Recep Tayyip Erdoğan het besluit van de Turkse regering uit 1934 om van de Aya Sofia in Istanboel een museum te maken: over 10 dagen zal de eerste oproep tot het vrijdaggebed in 86 jaar uit de luidsprekers van de minaretten schallen. Uit vrijwel elk land op aarde klonken luide protesten. Eén volk toonde zich echter bijzonder verheugd over het besluit van Erdoğans regering: de Nederlanders.
Naar een reactie op deze bijzondere houding gevraagd verklaarde een woordvoerder van de Nederlandse regering: „De Nederlandse toerist is enorm in zijn nopjes met dit besluit: nu hoeft hij geen twintig euro meer te betalen om die prachtige Aya Sofia van binnen te bewonderen, want de toegang tot een moskee is gratis.”

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

In tegenstelling tot wat sommige complotfanaten denken, is covid-19 niet afkomstig van Bill Gates; anders hadden we al lang en breed ongevraagde updates ontvangen: covid-19.1, covid-19.2, covid-19.3 …

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Onlangs werd er in Wijk bij Duurstede een jongedame met een drievoet gesignaleerd; zij verklaarde Pythia te heten en op zoek te zijn naar John Beringen: nu deze door sommigen tot ziener is gebombardeerd, vond hij het tijd worden om een eigen priesteres in te huren, net als indertijd die goeie ouwe Apollo.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Na een studie van maar liefst 79 jaar naar alle details van de aanval op Pearl Harbor komt de Amerikaanse Congressional Research Service met een opmerkelijke conclusie: de aanval van 7 december 1941 was helemaal geen Japanse aanval, maar een inside job. Men zou naar aanleiding van een dergelijk langdurig onderzoek wellicht een vuistdik rapport verwachten, maar de commissie volstond met één enkele afbeelding, die hieronder is afgebeeld:

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

De coronacrisis brengt in sommige mensen onvermoede talenten naar boven. Wie had dat gedacht? De ex-scheidsrechter die wel eens een handsballetje over het hoofd zag, in een grijs verleden ook actief als rechercheur die wel eens de verkeerde moordverdachte stalkte en als opiniepeiler die er wel eens een, twee of drie handenvol zetels naast zat, is nu viroloog!

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Om de kwakkelende Amerikaanse auto-industrie weer op gang te krijgen, hebben de Lincoln Motor Company en de Amerikaanse president Trump afgesproken dat het bedrijf zich gaat toeleggen op het opnieuw uitbrengen van enkele klassieke modellen. Als eerste staat voor 2022 de Lincoln Zephyr gepland. Niemand in Dearborn/Mich. begrijpt waarom er uit het verre Nederland – in Europa – reeds maar liefst 411 voorbestellingen voor dit model zijn geplaatst, maar de Lincoln Motor Company is erg blij met die belangstelling.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Om de kwakkelende Duitse auto-industrie weer op gang te krijgen, hebben Auto Union en de Duitse Bundeskanzlerin Merkel afgesproken dat het bedrijf zich gaan toeleggen op het opnieuw uitbrengen van enkele klassieke modellen. Als eerste staat voor 2022 de Horch Pullman gepland. Niemand in Zwickau begrijpt waarom uit heel Europa voorbestellingen voor dit model zijn geplaatst, zelfs twee uit Andorra en een uit Vaticaanstad, maar niet één uit Nederland. De heer Van Vliet van Audi Nederland gaf als reden op dat Nederlandse kopers van de Horch Pullman daar graag een neger met een hand als een dragline bij willen hebben, maar dat die vanwege de Black lives matter-beweging niet langer leverbaar is.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Door schade en schande wijz… – nou ja, iets minder dom – geworden heeft de burgemeester van Amsterdam onlangs een demonstratie op het Rokin aldaar verboden. De demonstranten, alle uit de extreem-rechtse hoek, wilden op de avond van 11 mei met een fakkeltocht protesteren tegen de volgens hen onterechte arrestatie van Willem W. Waterman, een bekend auteur en eveneens actief in de extreem-rechtse hoek, precies 75 jaar eerder.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭




FLASH!

Onlangs werd Willem van Hanegem in een trainingspak gesignaleerd in het Amsterdamse Park de Oeverlanden. Uit angst dat de Kromme – in navolging van Arjen Robben bij FC Groningen – binnenkort zijn kicksen én het Feyenoordtenue weer aantrekt om de Rotterdamse stadionclub aan een volgend kampioenschap te helpen, heeft de harde kern van club uit Amsterdam Willem op een verschrikkelijke manier neergezet in een soort van open brief met de ergste verwensingen en typeringen aan zijn adres en met een foto met een balkje over zijn ogen. De Kromme moest het niet meer wagen in de buurt van Amsterdam te komen, waarop deze op zijn bekende laconieke wijze reageerde met een filmpje dat hij op de A2 langs de Johan Cruijff ArenA reed.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Dezer dagen is niets meer heilig! Zo is in Istanboel het standbeeld van Barbaros Hayreddin Paşa (± 1475-1546), de belangrijkste Barbarijse kaper, beklad. De zeerovers uit Barbarije (het huidige Noordwest-Afrika) maakten van de twaalfde tot en met de negentiende eeuw de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan onveilig en ontvoerden in die periode minstens anderhalf miljoen Europeanen, van wie slechts enkelen voor losgeld werden vrijgelaten, maar de meesten van hen werden in zeer slechte, zeg maar gerust ‘barbaarse’ condities gevangen gehouden.
Sylvana Simons was niet bereikbaar voor commentaar.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Door de coronacrisis zit de Chinese regering met de handen in het haar; niet vanwege het virus zelf – want dat schijnt de leiding van de Volksrepubliek bijsterbaarlijk weinig te interesseren –, maar vanwege een soortgelijk bijverschijnsel als we in Venetië en Amsterdam hebben kunnen waarnemen: de Gele Rivier is nu turquoise en er zijn zelfs hele scholen vissen waargenomen, levende vissen welteverstaan. „Een naamswijziging zal negatief uitpakken voor de hele toelistische sectol,” aldus Beijing.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Het hoogtepunt van het stierenslachtseizoen is voor ons elk jaar weer wanneer een stier er ineens de brui aan geeft en niet mee wenst te doen aan het „spelletje”. Zo ook deze foto van een stierengevecht op Mallorca, vorig jaar zomer, toen er nog publiek werd toegelaten bij dit openlucht-abattoir en de betreffende stier pardoes het publiek in sprong.
Groot was de verbazing toen iemand Jerry Afriye op de foto meende te ontwaren, links (rood omcirkeld) in het publiek. De redactie van De Nieuwe GIL gaat niet over één nacht ijs en wil alles wat zij schrijft nauwgezet verifiëren, dus belde zij met de sympathieke voorman van de anti-racisme-club met de vraag of hij echt aanwezig was geweest bij dit bloederige spektakel.
„Jazeker,” luidde het antwoord. „Dat is helemáál geen bloederig spektakel, man! Hartstikke gaaf! Het is nou eenmaal andermans cultuur en daar moet je vanaf blijven, man!”

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Tijdens het videogesprek met de Franse president Emmanuel Macron over de KLM en Air France meende Mark Rutte in de kamer van het Elysée waar monsieur le président zich bevond een bekend gezicht te zien: Patricia Paay!
„Ik had het kunnen weten,” aldus onze minister-president, „ik heb hem altijd al een beetje een zeikerd gevonden en we kennen zijn voorliefde voor oudere vrouwen. Nou, één en één is dan twee.”
- Niet alleen dan, Mark: één plus één is altijd twee; maar je krijgt een plusje voor hoofdrekenen.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Onbekenden hebben zich in de nacht van 1 op 2 juli laten insluiten in de Capitolijnse Musea in Rome, waar zij de 500 jaar oude beeldjes van Romulus en Remus onder het 2500 jaar oude beeld van de Capitolijnse Wolvin hebben weggehaald. „Over de reden daarvan tasten wij in het duister,”, aldus prof. D. Schilardi, directeur van deze musea, op 2 juli toen het overigens al lang weer daglicht was, ’maar wij vermoeden dat het iets te maken heeft met het idee van deze onverlaten dat Romulus als stichter van het Romeinse Rijk verantwoordelijk is voor genocide, slavernij en misdaden tegen de menselijkheid in grote delen van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten; geopperd wordt ook dat het zou gaan om een actie van protesterende schaapherders tegen de beschermde status die de wolf tegenwoordig in Midden- en West-Europa geniet. De carabinieri sluiten vooralsnog niets uit.”
De beeldenstormers zijn zichtbaar op de gemaakte camerabeelden, maar deze zeggen natuurlijk niets over het motief van de daders.
Sylvana Simons was niet bereikbaar voor commentaar.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭





(Advertentie)



Hebt u vandaag uw dagelijkse dosis melacycnobarbital© al ingenomen?












Nieuwsbrief 54

Nieuwsbrief 55
als pdf

Nieuwsbrief 56

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana