Nieuwsbrief 57

Nieuwsbrief 58
als pdf

Nieuwsbrief 59

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana

Nieuwsbrief nr. 58
ISSN 1386-6451
januari 2022 - 29e jaargang nr. 1



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Van mijn geloof gevallenPeter de Zwaan
Over kaboutersJohn Beringen
„Wie van ons kent er eigenlijk Spaans?”Roger Schenk
Bobs Bronnen (11) : Waar Willem mogelijk zijn inspiratie vandaan haaldeFrank Engelen
Berts Bronnen (1?)Roger Schenk
Lincoln Zephyr-raadselsJohn Beringen
„Wie koude kip eet met ijs en ananas na, heeft vanzelf feest.”
Receptenboek van een bolronde Bourgondiër (3)
Roger Schenk
Mijnheer Flint zonder hoed op zoek naar een bruid(anonymus)
Diversen uit Oude Dozen(diverse auteurs)
Enkele foto’s uit PotsdamRoger Schenk
De Nieuwe GIL 8Roger Schenk




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen

2022


Het grootste deel van de derde covidwinter staat nog voor de deur, maar laten wij – optimistisch als wij van nature zijn – alvast even vooruitkijken naar het voorjaar: „In mei leggen alle vogeltjes een ei,” plachten wij vroeger te zeggen, waaraan onze grootouders steevast „… behalve de koekoek en de griet: die leggen in de meimaand niet” toevoegden. Hoe het met witte zwanen zit, weten wij eerlijk gezegd ook niet, maar van zwarte zwanen is bekend dat zij doorgaans niet in de bloeimaand, maar in de grasmaand niet één, maar meestal zelfs twee rood-gele „eieren” leggen. Vandaar dat wij blij zijn om hier alvast de aankondiging van beide boeken door Zwarte Zwaan, gedeeltelijk verstopt achter een explosie van Herrnhutter sterren, weer te geven: „Koude kunstjes in Sausalito” en „Costaklussen in Marbella”. Ongeveer een maand voor het verschijnen van beide nieuwe delen zal op de website van de Zwarte Zwaan de bestelprocedure bekend worden gemaakt, dus nu nog niet …
Prima vooruitzichten dus voor het komende jaar! Wij sluiten ons van ganser harte aan bij de uitgever en wensen u een fantastisch 2022. Was het maar vast april!

E-boeken

Sinds kort is er een aantal Bob Evers-boeken van de hand van Peter de Zwaan verkrijgbaar als e-boek, te beginnen bij nummer 51, maar op den duur moeten alle delen vanaf 37 t/m 67 (en verder) elektronisch verschijnen. Wie het fijne ervan wil weten, moet vooral even de column van Peter in deze Nieuwsbrief lezen; daarin kondigt hij ook de verschijning van vijf nieuwe luisterboeken aan. Hoera, hoera! Amazon.com biedt e-boeken aan die speciaal voor Kindle zijn misvormd, andere aanbieders van e-boeken, waaronder uiteraard ook uw lokale boekhandel (!), bieden de e-boeken gewoon aan als epub, die op elk Kobo-apparaat, tablet en computer gelezen kunnen worden.
Ook de eerste 32 boeken van Willy van der Heide zijn al een jaar of vijf verkrijgbaar als e-boek, dus deze actie van Peter kon niet langer op zich laten wachten. De oplettende lezer zal de delen 33 t/m 36 missen, evenals de twee extra verhalenbundels. Met die laatste zal het ongetwijfeld goed komen en het is hopelijk nog maar een kwestie van tijd eer er een oplossing is gevonden voor de rechten van de ondergeschoven kindjes 33 t/m 36: 33 en 36 zijn deels van Willy, deels van Peter; de delen 34 en 35 werden ooit illegaal uitgegeven, maar bij de bewerkte versies, zoals ze in 1988 bij De Eekhoorn zijn verschenen, zitten we qua rechten met hetzelfde probleem.
Diverse sites beweren dat de eerste 32 delen, die sinds 2015 bij uitgever Pantheon – de huidige naam van wat ooit Overamstel uitgevers heette – als e-boek verkrijgbaar zijn, vanaf 1 januari 2022 als pockets aangeschaft kunnen worden. Dat hebben ze ons al een aantal keren eerder beloofd, dus we zullen het voor u in de gaten houden!

Een halve eeuw Bob Evers Genootschap

Help, het C-woord is meteen al in het eerste het beste nieuwsartikel gevallen. Hoe zullen wij er over een jaar voor staan? Zullen alle wappenezen eindelijk verplicht zijn ingeënt, zullen we de psi- en de omega-varianten (en, mocht het Griekse standaard-alfabet letters onverhoopt te kort komen, desnoods ook nog de digamma-, qoppa- en sampi-variant) levend en wel hebben doorstaan? Wij hopen van harte van wel, al was het alleen maar omdat wij een lockdown rond 6 december 2022 er absoluut niet bij kunnen en willen hebben.


Op die datum bestaat het onvolprezen Bob Evers Genootschap op de kop af een halve eeuw en wij vinden dat wij daar iets mee moeten. Sinds de oprichting van het Genootschap waren er vijf bestuursleden – van wie er drie alive and kicking zijn – en inmiddels vier buitengewoon honoraire leden plus een buitengewoon lid. Net als de gewone Bob Evers-fans (voor zover er „gewone” Bob Evers-fans bestaan) worden ook de negen overgebleven Genootschapsgenoten een dagje ouder; het overlijden van Keith Snell in 2010 en Coen van der Linden in 2017 heeft ons geleerd dat het lidmaatschap van het Genootschap helaas geen onsterfelijkheid garandeert.
Wij denken op dit moment aan een gezellige bijeenkomst voor alle echte Bob Evers-fans, maar wat het precies gaat worden, hoort u zo spoedig mogelijk. Wellicht hebt u net een nieuwe agenda aangeschaft of bent u van plan er de komende dagen eentje aan te schaffen, houdt u dan in ieder geval zaterdag 3 december 2022 vrij voor het gouden jubileum van het Genootschap tenzij de zoveelste lockdown ons parten speelt.

En alweer een afscheid van een ouwe getrouwe.

Op 8 oktober 2021 bereikte ons het droevige bericht dat Lex Verhoeven, slechts 62 jaar jong, is overleden. Lex was de Bob Evers-man van het jaar 2009 omdat hij de Coca-Cola-brieven van en aan Willem op de kop wist te tikken en vervolgens geheel belangeloos aan de Bob Evers-fans ter beschikking stelde: zie Nieuwsbrief nr. 33. Lex was ook een van de personen die in 2014 de film „The bare facts” opspoorde (zie Nieuwsbrief 43). Een oprechte Bob Evers-fan dus, die zijn speurwerk na een hartaanval in 2009 vooral op de achtergrond verrichtte. Namens het Bob Evers Genootschap was John Beringen aanwezig bij de crematie.

Tweede boek van Humbeekse schrijfster

Humbeek blijkt een vruchtbare voedingsbodem voor boeken, zoals wij maar al te goed weten: het dorp heeft niet alleen prachtige avonturenromans, zoals „Kunstgrepen met kunstschatten”, „Bombarie om een bunker” en „De smokkelvaart van de Maia” voortgebracht, maar ook de schrijfster Cindy De Sterck, die begin 2021 debuteerde met „En toen werd alles beter” (zie Nieuwsbrief 57) en die meteen maar een De Zwaan-achtig schrijftempo ontwikkelde, want in september verscheen al haar tweede boek, „En toen werd het anders”.
Toen jullie hoofdredacteur las dat mevrouw De Sterck op 7 november in de Standaard Boekhandel in Grimbergen aanwezig was om haar nieuwste boek te signeren, besloot hij dat het tijd werd om deze plaats, waar hij formeel nog nooit was geweest, eens te bezoeken. Formeel dan, want aangezien Humbeek sinds 1977 bij de gemeente Grimbergen hoort …
Hoe dan ook, de naam Grimbergen stond – naast het boek – in elk geval garant voor enkele handenvol smaakvolle souvenirs.

Er zijn al honderden, misschien wel duizenden kinder- en grote-mensen-boeken geschreven over echtscheidingen, maar Cindy heeft een dusdanig pakkende schrijfstijl, dat die grote, volwassen hoofdredacteur van de Bob Evers Nieuwsbrief zich, tot tranen toe geroerd, genoodzaakt voelde om het boek na een pagina of vijftig terzijde te leggen. Ook hij beschikte ooit over een figuur, die bij de Burgerlijke Stand geregistreerd stond als zijn vader, maar die zich nooit één seconde in zijn egoïstische leventje als zodanig heeft gedragen en die zijn moeder, net als de vaderfiguur uit het boek, eerst jarenlang heeft bedrogen met gezwets over „vergaderingen” en vervolgens het huis verliet met medeneming van alles van waarde en zonder ooit maar één cent aan alimentatie of hypotheek te betalen. In Nederland mag zoiets blijkbaar, zelfs als de rechter het anders beschikt. Enfin, na enkele weken het boek toch maar weer opgepakt en verder in één adem uitgelezen. Zonder de kinderen te horen en absoluut tegen hun wil besloot een Belgische rechter om de vier kinderen één week bij de moeder en één week bij de hitsige vader in zijn midlife crisis te laten wonen. Zij komen op het lumineuze idee om de boze stiefmoeder helemaal gek te maken. Hoe ze dat doen en of ze met deze acties hun vader voor zichzelf en hun moeder terug kunnen winnen, zullen jullie van uw hoofdredacteur helaas niet te horen of te lezen krijgen: jullie kunnen het boek makkelijk zelf aanschaffen. En ik beloof jullie dat het de moeite waard is!
Cindy De Sterck, „En toen werd het anders”, Uitgeverij Het Punt, 2021, ISBN 9789460795725.

Ken je die mop van die gek die veertien straatlantaarns stal?

Op een dergelijk idee kon maar één persoon binnen het Koninkrijk der Nederlanden komen! Juist, ja: wie anders dan Willem W. Waterman?
Nevenstaand krantenartikeltje uit het Eindhovensch Dagblad van 21 januari 1952 ontvingen wij van Bob Evers-fan Fred de Vries, waarvoor onze dank.
Het artikel lijkt in bepaalde opzichten wel een beetje op het verhaal dat Jaap Nefkens ooit vertelde over de diefstal van tuinkabouters door Willem (zie elders in deze Nieuwsbrief). Maar waar de tuinkabouters nog een soort nobel doel dienden, zo nobel als alleen maar in het nobele, doch af en toe benevelde brein van een Willem W. Waterman kon opborrelen – het in één klap ontnuchteren van Anneliese Jülckenbeck –, lijkt deze diefstal van straatlantaarns een vorm van pure kleptomanie. Wat moet een mens immers thuis met veertien straatlantaarns?
Zoals werkelijk alles wat te maken heeft met Willem, roept ook dit artikeltje meer vragen dan antwoorden op:
• Eerst is er sprake van een Gerechtshof (met hoofdletter) dat Willem vrijpleit vanwege gebrek aan bewijs, vervolgens is er sprake van een rechtbank (met kleine letter) die Willem voor hetzelfde vergrijp veroordeelt tot veertien dagen cel, voor elke lantaarn een. Zou het bij dat bovenste Gerechtshof niet om een hoger beroep gaan?
• De diefstal vond plaats in mei 1950, het artikel is uit januari 1952. Dat zou inderdaad op een hoger beroep kunnen wijzen.
• Een straatlantaarn is nogal een groot ding, niet bepaald geschikt om door een of twee man even onder de arm mee naar huis genomen te worden. Zou het in dezen niet gaan om de zuiltjes met knipperlichten erbovenop die heden ten dage nog steeds worden gebruikt om een wegopbraak te markeren?
• Waarom wordt de verdachte in het artikel W.H.M. van den H. genoemd, maar staat zijn nom de plume er wel (bijna) voluit bij: Willem Waterman? Heeft deze verdachte dan helemáál geen recht op privacy?


Bob Evers Nieuwjaarspuzzel 2022

Niet alleen voor de mensen die een hekel hebben aan kennisquizzen, omdat die te moeilijk voor hen zijn, maar ook voor alle anderen hebben wij weer een bijzondere Nieuwjaarswens in petto.
Print de afbeelding, knip de puzzelstukjes uit, liefst op een stuk stevig papier (of plak ze op een stuk karton, als jullie dat veiliger vinden voor het welbevinden van jullie printer) en leg de puzzelstukjes aan elkaar, zodat jullie te weten komen wat onze wens voor het nieuwe jaar is.
Veel puzzelplezier!

Bob Evers leeft nog steeds!

Dat klopt: hij leeft nog steeds en „Bob Evers leeft nog steeds!” is altijd een mooi kopje om het „Nieuws van de redactie” af te sluiten, maar hij schitterde het afgelopen half jaar helaas door afwezigheid in de media. Was corona dan écht zoveel belangrijker dan de voornaamste romanheld uit de naoorlogse Nederlandse literatuur? Nou ja, volgend half jaar beter, zullen we maar zeggen.
Nu wij weer eens thuis zitten, biedt de nieuwste Nieuwsbrief - onderhand bijna zo omvangrijk als een half Bob Evers-boek u hopelijk voldoende leesplezier om het complete „Syndroom van lockDown” door te komen. Naast nieuwe afleveringen van de inmiddels oude en vertrouwde series „Bobs Bronnen”, „Receptenboek van een bolronde Bourgondiër”, „Enkele foto’s uit …” en de satirische „Nieuwe GIL” zijn er verrassende artikelen van John Beringen (over kabouters en Lincoln Zephyrs, een combinatie die alleen logisch is voor doorgewinterde Bob Evers-liefhebbers) en Roger Schenk (over de talenkennis van onze drie helden en over plagiaat), een nieuwe column van Peter de Zwaan, het traditionele, aan de vergetelheid ontrukte korte verhaal van Willy van den Hout – ditmaal uit zijn Bossche periode – en enkele vondsten uit de oude doos.

Vooral die laatste categorie kan de mensen die het misschien niet aandurven om zelf een (kort of lang) artikel te schrijven wellicht over de streep trekken om thuis op zoek te gaan naar oude dozen, de „Van den Hout-gerelateerde” inhoud eruit te vissen en vóór 1 juni 2022 te sturen naar nieuwsbrief@apriana.nl.





Van mijn geloof gevallen
Peter de Zwaan

Ik ben eind vorig jaar van mijn geloof gevallen en het kwam hard aan.
Een vraag die ik tientallen – waarschijnlijk honderden – malen kreeg, was: wanneer komen de Bob Evers-boeken uit als e-boek?
Op mijn website staat het onderdeel FAQ en dat is de afkorting van het langzamerhand zuiver Nederlandse frequently asked questions.
Daarin gaf ik het antwoord: Nooit, er is me te veel piraterij.
Nooit? Echt, helemaal nooit ... tot Han Peeters belde. Hij is uitgever en hij nam Ellessy over van de oprichter die een dagje ouder is en het gedoe met schrijvers niet meer aan zijn hoofd wilde. Mijn misdaadromans verschenen bij Ellessy en dat is nu een imprint van ClusterEffect.
Peeters is gespecialiseerd in e-boeken en luisterboeken. Toen we het over „De meidenschuur” hadden, de Jeff Meeks-misdaadroman die over een poosje uitkomt, zei hij: „Ik wil daar eigenlijk meteen een e-boek van maken en nu ik toch bezig ben, ik wil ook graag dat elk Bob Evers-deel dat jij hebt geschreven een e-boek wordt.”
Ik zei nog zwak: „Hoe zit het dan met de piraterij?” maar hij zei: „Dat wordt dan mijn probleem en ik pak piraten hard aan, geloof dat maar.”
Ik geloofde het en zei: „Oké, oké. Wanneer beginnen we?”
„Meteen,” zei hij en dat klopte wel zo’n beetje, want deel 51 is al een poosje e-boek, onder de naam Davey Jones Publishing. Alle delen na 51 zullen in de komende weken e-boek worden .... maar nog niet de delen die Zwarte Zwaan in 2022 zal uitgeven: deel 68, „Koude kunstjes in Sausalito” en deel 69, „Costaklussen in Marbella”.
Deze delen zullen niet als e-boek verschijnen voor het, laten we zeggen, september is. Het kan een maand later zijn, maar vroeger zit er niet in, zo verliefd op de online wereld ben ik nou ook weer niet. Het is me al een gruwel dat ik steeds meer mensen hoor praten over „fysieke boeken”. Daar bedoelen ze gewone boeken mee, die dingen van papier met een omslag. E-boeken zijn voor hen de gesneden koek geworden die ze het allerliefst eten. Echte boeken zijn lastpakken waar ze er maar een paar van in hun rugzak kunnen hebben en die ze „fysieke boeken” noemen omdat die rug na verloop van tijd pijn gaat doen.
Terzijde: wie geen zin heeft om te lezen, kan luisterboeken aanschaffen. Daar doet ClusterEffect ook aan, maar dan onder de naam LuisterEffect. Ik heb de contracten getekend voor de delen 51 tot en met 55. Op mijn website lees je wanneer ze te beluisteren zijn.
Op verzoek van hardnekkige BE-liefhebbers, die vrezen dat er na dit jaar stilte komt op het BE-front, meld ik de plannen voor 2023.
Met deel 70 ben ik bezig. Het verhaal moet zich gaan afspelen in Gibraltar. Deel 71 is bijna klaar. Het wordt een bijzonder deel, dat zeg ik nu al, met alleen Arie Roos en Jan Prins die Bob Evers dan nog helemaal niet kennen. Zonder computers, maar met handgeschreven stukjes papier, zonder mobieltjes, maar met telefooncellen. De titel wordt: „Fietspompen voor een fortuin”. Dan weten jullie dat alvast. Jullie hebben er vooralsnog niks aan, maar wie houdt van voorpret kan nu minstens vijftien maanden plezier beleven.

Voorzijde van „Koude kunstjes in Sausalito”,
door Lia Krijnen

Voorzijde van „Costaklussen in Marbella”,
door Lia Krijnen







Over kabouters
John Beringen

Mogelijk zijn er mensen die mijn boek „Bob Evers’ laatste ereronde” niet kennen. Daarin beschrijf ik op blz. 28 en 29 een waar gebeurd verhaal uit 1949, opgetekend uit de mond van de niet in het boek genoemde Jaap Nefkens die in dat jaar een kamer huurde bij Willem. Hij liet het volgende weten:

„Alles bij elkaar heb ik er een half jaar gewoond. Een van de dingen die mij altijd zijn bijgebleven betreft de kwestie van een boek dat hij zojuist voltooid had. In de dagen daarvoor had hij als een bezetene gewerkt. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat hoorde je dan zijn typemachine ratelen; ineens was dat over. Vervolgens bracht hij zijn manuscript naar de uitgever en ontving daar royalty’s voor. Zijn eerste gang was dan naar „L’Heure Bleue” in Scheveningen, een tamelijk chique tent waar Pia Beck vaak te vinden was. Daar ging hij dan met gulle hand feestvieren en rondjes geven in een dusdanig tempo dat de volgende ochtend feitelijk al zijn royalty’s opgesoupeerd waren. Zo kon het gebeuren dat hij dan bij mij kwam met het verzoek om alvast de huur te betalen (ik zat op een huurtje van ƒ 35,- per maand) voor de lopende maand, want anders kwamen er problemen. Dan had hij geen brood of de stroom werd afgesneden of het water zou worden afgesloten. Hij kwam verder nog wel eens bij mij op visite in mijn kamer. Bij die gelegenheden vertelde hij echter nooit iets over zijn boeken. Wat ik altijd opmerkelijk vond, was dat hij dan ook heel serieus kon zijn. Hij vertelde wel eens over zijn eerdere huwelijk en de kinderen die hij had; als je zo met hem zat te praten was het een heel serieuze, rustige man. Terwijl hij enorm woest oogde en in andere situaties zich ook vreselijk woest gedroeg. Tegenover vrouwen gedroeg hij zich nooit grof. Vaak organiseerde hij ook feesten; dan kon hij heel gek doen, maar eigenlijk hield hij zich verder tijdens die feesten meer op de achtergrond alsof hij slechts plezier beleefde wanneer de gasten het naar hun zin hadden.
Iets anders, wat ik mij nog goed herinner, schetst wellicht wat voor rare streken Willem kon uithalen. Op zekere dag kwam ik thuis van mijn werk. Tot mijn stomme verbazing zag ik in de gang van het herenhuis een hele rij tuinkabouters staan. Deze stonden tevens op de trap naar boven, de overloop en de tweede trap naar boven en op de tweede overloop. Ik heb ze niet geteld, maar het waren er tientallen en tientallen. Natuurlijk vroeg ik wat dat te betekenen had. Willem legde mij het haarfijn uit. Zijn vriendin Annelies bleek nogal veel te drinken. Willem had haar wel eens gewaarschuwd en gezegd: ‘Schei daar nou eens mee uit want als je zo doorgaat, krijg je nog eens een delirium.’
Ze bleef er echter mee doorgaan, waarop Willem besloot harde actie te ondernemen. Een vriend van hem, ene Jack Bendien, bezat een grote auto waarmee ze samen uit tuinen in Scheveningen de tuinkabouters hadden weggehaald. Vervolgens hadden ze die rondom het bed geplaatst alwaar Annelies zwaar beneveld lag te slapen. Het bleken echter dusdanig veel van deze beelden te zijn dat ze de rest maar in slagorde door het hele huis hadden geplaatst. De bedoeling hiervan was natuurlijk duidelijk: als Annelies wakker werd, zou ze vreselijk schikken bij het zien van al die kabouters en menen dat ze inderdaad een delirium had. Nou, dat GEBEURDE dan ook. Op zeker moment klonk er een hysterisch gegil van boven, duidelijk afkomstig van een menselijk wezen dat in absolute doodsangst verkeerde. Willem is toen naar haar toe gegaan en heeft haar uit de droom geholpen.
Maar nou komt het ... Jack en Willem hadden afgesproken dat ze direct na deze stunt de tuinkabouters weer terug zouden brengen, alleen ... Jack had iets aan zijn been gekregen waardoor hij even geen auto kon rijden. Tja, toen bleven die kabouters in dat huis staan en wat te verwachten was, gebeurde: politie aan de deur. Met een grote bestelwagen waren twee agenten komen voorrijden en laadden alle beelden in. Willem kreeg toen een proces verbaal wegens baldadigheid. Ieder ander mens zou onmiddellijk een stevige boete en een fikse uitbrander hebben gekregen, maar in deze situatie grinnikten de agenten maar wat in de trant van: ‘Die gekke Willem is weer bezig.’ Zo bekend was hij toen al door zijn maffe streken.”

Een prachtige stunt, mag men wel zeggen. De foto hiernaast heeft echter niets met Willem te maken, maar is een momentopname uit de film „Heb Medelij, Jet!”.
Wikipedia laat over deze rolprent het volgende weten:
„Heb Medelij, Jet” is een Nederlandse speelfilm uit 1975 geregisseerd door Frans Weisz met in de hoofdrollen John Kraaijkamp sr. en Piet Römer.
De film gaat over twee vrienden die elkaar na tien jaar weer ontmoeten en de provincie intrekken om mensen op te lichten. Het budget van de film werd overschreden en de productiemaatschappij ging failliet. De film is gebaseerd op het boek
„Geef die mok eens door, Jet!” (1968) van Heere Heeresma.

Een en ander valt niet met zekerheid te zeggen, maar het heeft er alle schijn van dat Heere Heeresma of Willem gekend heeft en van hem hoorde over deze stunt of dat hij dit ooit via via vernam en hierdoor kennelijk dusdanig geïnspireerd raakte dat een soortgelijk voorval in zijn boek verwerkte. De eerste mogelijkheid lijkt het waarschijnlijkst omdat Willem samen met Driek van Wissen wilde plannen had met een nieuwe literaire beweging, die „Nieuwe Tachtigers” moest gaan heten en die o.a. uit types als Jan Cremer, Hans Dorresteijn, Jip Golsteijn, Heere Heeresma, Eelke de Jong, Theo Kars en uiteraard Willem en Driek zelf zou moeten bestaan. Een eerste (en enige?), tastbaar bewijs van deze vroegtijdig ter ziele gegane club van „Nieuwe Tachtigers” hebben wij allemaal in onze boekenkast staan: de verhalenbundel „De Vertellers”.





„Wie van ons kent er eigenlijk Spaans?”
Roger Schenk

Een interessante vraag, die Jan Prins zijn beide vrienden stelt op pagina 22 van „Lotgevallen rond een locomotief”.
Bob vindt de vraag overigens helemaal niet interessant, want hij vat de basisgrammatica van de lingua Castellana in vier regels samen: je maag wrijven betekent: honger; een drinkgebaar met je hoofd achterover is: dorst; je rechterwang op je handpalm is: slapen; een pistool op iemands middenrif richten betekent: handen omhoog. Kijk, zo kan het dus ook.

Van de binnen afzienbare tijd zeventig Bob Evers-delen speelt ongeveer de helft zich geheel of gedeeltelijk in Nederland af, waar er nauwelijks taalproblemen zijn, op de kreten van een verdwaalde Tukker of Fries in de latere delen na. Daarnaast zijn er nog een stuk twintig boeken die geheel of gedeeltelijk in de Verenigde Staten spelen en ook daar is de taal geen probleem, al dient zich in „Superslag in een supermarkt” reeds de realiteit van 2021 aan: „Weet je dat in enkele steden in Californië Spaans de meest gesproken taal is? Politiemensen daar krijgen spoedcursussen anders kunnen ze hun arrestanten niet verstaan.” Verder komen we wat Russisch en/of Oekraïens brabbelende import-Amerikanen in Little Odessa tegen in „Een trio en drie dubbele duo’s”, maar voor de rest kunnen Jan, Bob en Arie zich uiteraard uitstekend verstaanbaar maken. Dat geldt natuurlijk ook voor de drie of vier delen (als je „Heibel in Honoloeloe” daarbij rekent) die in de Stille Zuidzee spelen, de vijf delen die zich in Engeland afspelen plus een half deel op de Shetlands en de deeltjes die zich voor een zeer klein resp. zeer groot deel afspelen in de toenmalige Britse kroonkoloniën Trinidad en Hongkong. Met hun medepassagiers van de „PH-XKY” onderhouden Jan en Arie zich in het Nederlands en Engels; aan het einde bezoeken ze Kaapstad, waar het spreken van Nederlands toen nog heel gewoon was, ware het niet dat ze tijdens hun korte verblijf aldaar nauwelijks een echte Zuidafrikaan spreken.
Zes delen spelen zich af in het voornamelijk Vlaamstalige deel van België.
De zes delen die geheel of gedeeltelijk in Duitsland afspelen en dat ene dat in het Duitstalige deel van Zwitserland speelt, leveren qua taal geen enkele moeilijkheid op, want in elk geval Jan en Arie hebben goed Duits geleerd op school. Bob daarentegen komt naar eigen zeggen niet veel verder dan „Jawohl” en „Hände hoch”. Ook zes delen spelen zich af in Frankrijk en twee in de toenmalige Franse kolonie Marokko. Frans praten gaat Jan en Arie makkelijk af omdat ze door hun avonturen hun hakkelige school-Frans hadden opgewerkt tot spreek-Frans. Ook hier blijft Bob erbarmelijk achter en dat feit is de voornaamste reden voor Jans en Bobs arrestatie aan het einde van „Cnall-effecten in Casablanca”: het kleine beetje Frans dat Bob kent, is precies genoeg om in een café een glas Coca-Cola te bestellen, maar dan nóg moet hij het soms twee keer zeggen, omdat zijn uitspraak zo erbarmelijk is, dat zelfs leden van de Parijse onderwereld er bleek van worden.
Twee delen spelen zich grotendeels af in Italië (plus het eerste hoofdstukje van „Een speurtocht door Noord-Afrika”) en Italiaans is een taal waarvan de jongens weinig kaas hebben gegeten, al doet Arie in „Kloppartijen in een koelhuis” aandoenlijke pogingen om met behulp van een vèr vooroorlogs pocketwoordenboekje er nog iets van te maken. Gelukkig blijken de meeste boeven met wie ze te maken krijgen, op z’n minst een paar woorden Engels te spreken (al verschilt dat bij Ivo Livi per deel) en om iemand een klinkende klap op diens neus te geven hebben de jongens niet veel klankrijk Italiaans nodig.
In „De Stripman van Słubice” komen de jongens zelfs in Polen terecht, maar omdat ze dicht bij de grens blijven in het door Polen ingepikte deel van Duitsland (Słubice was tot 1945 gewoon een stadsdeel van Frankfurt (Oder) en heette Dammvorstadt) en de motorblokkendievenbende vooral uit Duitsers bestaat, hoeven ze niet veel pogingen te doen om dat taaltje te spreken dat wijlen Gérard de Villiers ooit als volgt omschreef: „C’est une des rares langues du monde qui ne comporte pratiquement que des consonnes, les voyelles ayant été depuis longtemps exportées” („Le printemps de Varsovie”; ‘Het is een van de zeldzame talen op de wereld die bijna alleen maar uit medeklinkers bestaat, de klinkers zijn er lang geleden uit verwijderd’, „Lente in Warschau”). En zo is het maar net! Een wijze man, die De Villiers!

Tja, en dan komen we bij Jans retorische vraag die de titel van dit artikel vormt: de bezoekjes van Jan, Bob en Arie aan Spaanstalige landen en dat zijn er meer dan je misschien denkt: zes boeken spelen geheel of gedeeltelijk in Mexico, een (plus een hoofdstuk uit het daaropvolgende deel) in Colombia, eentje in Panama en het grootste deel van „Feestelijke veldslagen in San Antonio” speelt zich af in die stad in Texas, waar ongeveer 59% van de meer dan een miljoen inwoners inmiddels Spaans spreekt.
De Van der Heide-delen die zich in Spaanstalige landen afspelen („Een meesterstunt in Mexico”, „Lotgevallen rond een locomotief”, „Pyjama-rel in Panama”, „Bob Evers belegert Fort B” en het eerste hoofdstuk van „Arie Roos als ruilmatroos”) kenmerken zich door een groot gebrek aan contacten met Mexicanen, Panamezen resp. Colombianen die alleen Spaans spreken. De enige keer dat het essentieel is om een Spaans gesprek te begrijpen, is tijdens de overval van de bedrogen rabauwen op de dubbel spel spelende figuur Cabral in „Bob Evers belegert Fort B”, maar gelukkig is Maarten Rikkers bij de hand, die het grootste deel voor Arie – en de lezer – vertaalt.
De drie jongens zijn in „Lotgevallen rond een locomotief” weliswaar in staat om te beseffen dat het Spaanse woord dat de heer Montez luid laat horen als hij in zijn onverdiende siësta wordt gestoord nogal onnetjes klinkt (p. 94). Op p. 157 verstaat Jan geen klap van een Spaanse discussie tussen machinisten en stokers, maar dat lijkt mij ietwat kort door de bocht, want Van der Heide vervolgt met de mededeling dat Jan uit de discussie kon opmaken dat die erom ging wie er aan de beurt was om een trein te rijden. Tegen het einde van het boek (we zitten dan al op blz. 200) heeft Jan op de een of andere manier kans gezien om de Spaanse telwoorden te leren – zoals overigens alles wat met rekenen en geldzaken te maken heeft.

In de De Zwaan-delen die zich in Spaanstalige landen (en steden) afspelen („Feestelijke veldslagen in San Antonio”, „Clandestiene streken op een cruiseschip”, „Prijsschieten op een premiejager” en „Glorieuze missers in La Gloria”) is het contact met Spaanstaligen iets intensiever en je krijgt de indruk dat hun kennis van het Spaans iets beter wordt. Waar het in „Feestelijke veldslagen in San Antonio” nog ging om (het herhalen van) enkele losse woorden, lijken de jongens zich in de Mexico-trilogie inmiddels redelijk te kunnen redden, al lijkt dat misschien alleen maar zo vanwege het contrast met de mallotige premiejager Bruce Jonaths, die alleen maar knauwerig Amerikaans kan uitstoten. En nu laat
Peter de Zwaan de drie jongens in het te verschijnen deel 69, „Costaklussen in Marbella”, zelfs afreizen naar het land zelf waar ze het Spaans lang geleden hebben uitgevonden! Ik ben toch zeer benieuwd of Jan, Bob en Arie zich ditmaal met hun summiere kennis van deze taal staande kunnen houden … 😉





Bobs bronnen (11) : Waar Willem mogelijk zijn inspiratie vandaan haalde
Frank Engelen

Het Grimbos-avontuur gaat over een in de oorlog begraven schat en de Duitser Johann plus een stel andere boeven die hem opsporen en in willen pikken.
Het verhaal over een in 1945 begraven schat en een Duitser die later terugkwam om hem te zoeken, is niet helemaal uit Willems duim gezogen.

Zelf (Hissink) bleef hij in „Serafina” wonen. Op dat tijdstip had hij – dat is wel bekend – nagenoeg al zijn huizen en effecten verkocht en daar juwelen en dergelijke voor aangeschaft ... op de zwarte markt, natuurlijk. Later in 1944, nadat de invasie begonnen was, werd zijn huis onverwacht gevorderd door een afdeling kustbewakingstroepen van de Kriegsmarine. Hijzelf ging, samen met een oude tuinman, in het koetshuis wonen.

Het waar gebeurde geval van de begraven schat betrof niet een villa in Lisse en een afdeling kustbewapeningstroepen, maar het gaat hier over het „Einsatzkommando Walther Müller” van de SD, die een zeer luxe villa „vorderde”. Dat was de villa „Medan” in Baarn. Willem maakte er de villa „Serafina” te Lisse van.

In de kelder van de villa „Medan” mishandelden Müller en zijn kornuiten een naïeve 21-jarige verzetsstrijder, Ernst van Kempen, en een tandarts uit Amsterdam, Arnold Loterijman.
Op bevel van Müller werden de twee doodgeschoten door de kok des huizes, ook een beruchte SD-er. De gevangenen werden geëxecuteerd en begraven in een stuk bos schuin tegenover de villa. Na de bevrijding werd de kok opgepakt en veroordeeld voor de tweevoudige oorlogsmisdaad tot maar liefst 5 jaren Staatshotel met aftrek. Hij is, na er enige jaren gelogeerd te hebben, in 1950 vervroegd vrijgelaten en de grens naar Duitsland overgezet. Hij was ongewenst persoon in Nederland, mocht het land nooit meer in en mocht de grens niet tot op minder dan 1 kilometer naderen.
De SD-er in kwestie heette Wilhelm (Willi) Max Kulla. Volgens eigen zeggen heeft hij in het voorjaar van 1945 een oorlogsbuit in de buurt van de villa begraven. Die buit bestond uit diamanten, een kostbare ring, een groot parelcollier, twee staven goud en drie pistolen. Dit alles verpakt in een stuk geolied papier. Hij had een plek uitgezocht bij drie bomen, in de buurt van de villa.
In 1959, is hij samen met een kornuit van hem, ene Waldemar Pipping, illegaal naar Baarn afgereisd om zijn „rechtmatige eigendom” op te gaan halen. Helaas voor Kulla waren de bomen bij de villa gerooid en kon hij de plek niet meer terugvinden.


De overeenkomsten met de Grimbosschat lijken wel te groot om toeval te zijn. Mijn mening is dat Willem, misschien tijdens zijn gevangenschap na de oorlog, op een of andere manier van dit geval gehoord heeft en er later gebruik van heeft gemaakt. (Hoewel hij de afloop van het verhaal nog niet kende toen hij „Motorboot” schreef.)

Uit „Raderboot”:
„... Maar in het kort zit de zaak zo: die juwelen komen uit Holland en vormen een deel van een schat die daar in oorlogstijd was begraven. De enige die ongeveer wist, wáár de schat lag, was een landgenoot van jullie, die Johann heet.”
„Met zijn achternaam??”
„Ja. Die heeft gediend bij het Duitse leger, maar kon bij zijn overplaatsing de schat zelf niet meenemen.”
„Dat is begrijpelijk.”
Beide smokkelaars luisterden in grote spanning. De Kapitein boog de wat verfrommelde sigaret recht tussen zijn vingers en ging door:
„Deze Johann is machinist op een plezierbootje dat op de Rijn vaart. Zo’n klein, kleurig geverfd raderbootje. En toen de Duitsers weer zonder moeite naar Holland konden komen, heeft hij een kennis van mij opgezocht en hem dat verhaal van die schat verteld.”
„Maar waarom groef hij hem zèlf niet op?” „Daar had hij de tijd, het geld en de kans niet voor. De schat lag ineen vrij groot landhuis dat bewoond was.”


In het verhaal wordt Kulla een norse Johann; een ietwat dommig moederskindje:
Hij was gekleed in een bruine manchester broek, een blauwe, wollen trui en een machinistenpet en stond op hen neer te zien met de handen in de broekzakken; een donkere uitdrukking op zijn gezicht. Hij was, zoals zij wisten, een nogal zwijgzame, norse man, zwaar gebouwd en wantrouwend van natuur; een man die niet getrouwd was, hoewel hij over de veertig was, en eigenlijk alléén maar hield [...] van zijn moeder (zijn vader was dood) en van de stoommachines op zijn schip. [...] Hij had een nogal Mongools uitziend gezicht met hoge jukbeenderen en iets scheefstaande ogen. Het haar op zijn hoofd stond borstelig en kort overeind. [...]
Hij was een man van strakke, redelijke eerlijkheid. Dat uiteindelijk de juwelen helemáál zijn eigendom niet waren en in eerste begin van een Hollandse familie Grimbos waren gestolen, scheen in Johanns hoofd niet op te komen. Vermoedelijk beschouwde hij die schat nog steeds als „Kriegsbeute”, een soort van oorlogsbuit en dus nog steeds eigendom van Duitsland, het Duitse Leger, of, nu dat niet meer bestond, van onderdanen van het Duitse Leger.

Maar dat de vraag of de schat überhaupt wel aan de familie Grímbos behoorde scheen ook niet in Willems hoofd op te komen. Want mevrouw Grimbos zegt in „Motorboot” over haar vader:
„Wij weten dat hij in 1943 en 1944 bijna alles wat hij bezat aan huizen en effecten heeft verkocht – merendeels zwart – en er juwelen en goud voor heeft gekocht. Een enkele van die zaken is ons ter ore gekomen, maar van de meeste horen wij natuurlijk niets omdat, zoals ik al zei, de meeste van die zaken zwart waren gedaan en dan nog met vreemden.”
Verder:
Mevrouw Grimbos aarzelde even.
„Ten eerste voor de belasting. Ten tweede omdat het voor mij helemaal niet zo eenvoudig is, aan te tonen dat de gevonden voorwerpen, die makkelijk bij elkaar een klein miljoen waard kunnen zijn, werkelijk van mijn vader zijn geweest en dus mij toekomen. Ten derde omdat ik geen vaag idee heb, wat voor zwarte zaken mijn vader die laatste jaren heeft gedaan en met wie. Als dat officieel moet worden onderzocht en aangetoond en bewezen, kan er zoveel herrie en last ontstaan, voor mij zowel als voor anderen, dat ik wel zes keer nadenk, voor de politie er in te betrekken.”


Kornuit Waldemar Pipping pakte het na de mislukte speurtocht het wat officiëler aan. Hij zocht contact met de directeur van het Nederlands Beheerinstituut, J.J. de Vries.
Deze sloot met Pipping een contract af, waarin stond dat ze samen op zoek zouden gaan naar de schat. Pipping zou daarvoor 25% van de schat krijgen. Hoe (moreel) verantwoord zo’n afspraak was, daar kan je hele grote vraagtekens bij zetten.
De Vries is samen met Kulla naar de plek in Baarn gegaan, om de schat te zoeken. Kulla was Nederland uitgezet. Maar hij had een tijdelijke verblijfsvergunning – heel tijdelijk: precies twaalf uur lang – geritseld en samen met een sergeant van de genie startten ze een speurtocht naar de schat.

Een der mannen had een hoed op en was blijkbaar bezig afscheid te nemen. De stemmen waren zo helder en duidelijk als bij een radioluisterspel op een rustige avond.
„Ik ben blij,” zei de man met de hoed, „dat het alles zo betrekkelijk vlot is gelopen. Men moet wel eens langer zoeken, weet u.”

[...]
„Lotje, mijnheer Bekker begrijpt het heus heel goed.”
Meneer Bekker lachte en wandelde de stoep af.

[...]
„Blijft u daar alstublief niet staan met dit natte weer, mevrouw Grimbos. Ik vind het heus wel.”
„Maar het is zo akelig met die mist.”
„Kom, kom mevrouwtje... Mensen als wij zijn gewend bij alle soorten van weer te rijden.”
De heer des huizes lachte:
„Anders zoekt hij zijn weg door de mist wel met zijn wichelroede, vrouwtje... Hahaha!”
„Hahaha!” zei Bekker beleefd ...


De wichelroedeloper Bekker was in werkelijkheid sergeant E. Veen van de mijnenschool in Soesterberg en de wichelroede was een apparaat waarmee men metalen voorwerpen kon lokaliseren. Helaas voor het illustere gezelschap werkte de mijnenzoeker net zo slecht, lees: niet, als een wichelroede. ¹ Later is men nog twee keer gaan zoeken met andere apparatuur, maar zonder resultaat. Tenminste: dat is de officiële lezing. Want sommigen beweren dat ze later ter plekke een groot gat gezien hebben, enigszins schuin naar één kant aflopend ...

¹

In zijn volkomen onleesbare onzinboek „Wat schuilt er voor waars in wichelroedelopen en de aardstraaltheorie?” beschrijft Willem een gesprek tussen hem, een arts en een student tandheelkunde.
Het gesprek gaat over wichelroedes.
Student tandheelkunde? Hee! De door Kulla vermoorde bezitter van een illegaal krantje was tandarts ...







Berts Bronnen (1?)
Roger Schenk

Vanaf pakweg 1984 t/m 1999 „verblijdde” de heer Zeijlstra ons met 46 vlekkerige aquarelletjes die scènes uit evenzovele Bob Evers-delen moesten voorstellen. Met als onbetwist „hoogtepunt” die vierkante, blauwe bak op de voorkant van „Pyjama-rel” die een Afrika Korps-kleurige Lincoln Zephyr moet voorstellen. Vanaf deel 47 werden de nieuwste delen niet meer als pocket, maar in het zogeheten Kameleon-formaat uitgegeven en dat was het moment waarop de kunstenaar Zeijlstra tegen zichzelf zei: „Kom op, Bert, je kunt het: het kan nóg lelijker.” En inderdaad, hij slaagde erin om een viertal afstotelijke voorkanten te ontwerpen voor de delen 47 t/m 50. In 2003 werd nog een manmoedige poging gedaan om de originelen van deze vier voorkanten in Mijnsheerenland te veilen, maar als er onder de aanwezigen al iemand was die deze tekeningen diep in zijn hart toch mooi vond en bereid was om die dingen aan te schaffen, durfde hij dat toch niet, uit angst zichzelf belachelijk te maken in de ogen van de andere aanwezigen.
In 2014 gaf 123luisterboek.nl van Peter van Eerdenburg het allereerste Bob Evers-luisterboek uit; vanwege allerlei ondoorgrondelijke eigendomsredenen koos hij voor deel 50, „Rumoer in een rustgebied”. Peter schreef een beleefd briefje aan Bert Zeijlstra of hij de voorkant van het boek mocht gebruiken en kreeg een antwoord terug waar de honden geen brood van lustten. Het ware waarschijnlijk een stuk makkelijker geweest om prutsers als een Michelangelo, Rafael, Caravaggio, Rembrandt of Van Gogh tijdens hun levens tot enige medewerking te bewegen dan deze grote kunstenaar Zeijlstra! Lia Krijnen heeft toen maar even een geheel nieuwe voorkant ontworpen voor het luisterboek en die zag er een stuk beter uit dan het origineel. After all een win-win-situatie dus.
Maar ja, karma is zoals wij allen weten, een teef, dus stukje bij beetje komt ook de waarheid over de heer Zeijlstra aan het licht. Bob Evers-fan Hugo Vanhecke las „Waar de indiaan gaat” (1985) uit de stripreeks XIII van William Vance en kwam daarin een wel héél bekend plaatje tegen dat als twee druppels water lijkt op de voorkant van „Superslag in een supermarkt”, tot en met de exact gekopieerde houding van Ivo Livi’s handen.
Nu zou dit met een beetje fantasie nog aangemerkt kunnen worden als toeval (ware het niet dat dat niet bestaat, volgens schrijvers als Karl May, W.E. Johns en Willy van der Heide), maar ook de voorkant van „Een speurtocht door Noord-Afrika” heeft onze Bert schaamteloos gekopieerd, ditmaal uit het album „Het dal van de drie zonnen” (1969) uit de stripreeks Luc Orient van Eddy Paape en Greg: het streepjespak, het vlinderdasje, de manier waarop het pistool uit Berini’s hand vliegt, zelfs de manier waarop Jan op het hoofd van Berini benst; in het boek staat dat Jan hem met de kolf van zijn pistool op het achterhoofd sloeg, maar ons aller Bert wist niet hoe hij dat nu weer moest afbeelden, dus hij heeft maar een pistool in Jans knuisten aangebracht. Deze kopie werd ontdekt door striplezer én Bob Evers-fan Jeroen Van Eik. Onze dank gaat uit naar beide heren!

Nu ben ik zelf geen echte stripliefhebber: veel verder dan wat Suskes, nog iets meer Wiskes, 22 Kuifjes, 39 Asteriges en een handjevol Bob Evers ben ik nooit gekomen. Maar het wil er bij mij niet in dat Bert Zeijlstra twee tekeningen geplagieerd heeft en de overige 48 zelf heeft verzonnen, dus mijn verzoek aan allen is om te blijven speuren naar de originelen. Bij voorbaat dank namens alle Bob Evers-fans.
Mocht de heer Zeijlstra om een of andere reden ooit het verlangen krijgen om zélf een Lincoln Zephyr te tekenen, dan kan hij mogelijk enige inspiratie halen uit het hieronder volgende artikel van John Beringen opdoen.


Uit „Het dal van de drie zonnen”,
door Eddy Paape-Greg (1969)

Deel van de voorzijde van „Een speurtocht door Noord-Afrika”,
door Bert Zeijlsta (1985)


Uit „Waar de indiaan gaat”,
door William Vance (1985)

Deel van de voorzijde van „Superslag in een supermarkt”,
door Bert Zeijlstra (1989)






Lincoln Zephyr-raadsels
John Beringen

Willem had iets met Lincoln; niet met de president, maar met de gelijknamige auto. In „Lotgevallen rond een locomotief” lezen we hoe onze drie vrienden een Lincoln Zephyr aanschaffen. Laten we eerst even kijken wat Wikipedia vertelt over dit type auto:

De Lincoln-Zephyr [waarom toch dat streepje tussen Lincoln en Zephyr? Het gaat niet om twee naamgevers, zoals Austin-Healey of Rolls-Royce!] werd op de markt gebracht in 1936 om de kloof tussen de Ford V8 DeLuxe en de Lincoln Model K te overbruggen, zowel qua grootte als prijs. De Lincoln-Zephyr zou als basis dienen voor de eerste Lincoln Continental, de langstlopende modelnaam van het merk Lincoln. De Lincoln-Zephyr slaagde er eind jaren dertig in om de verkoop bij Lincoln opnieuw op gang te brengen. Na de stopzetting van het Model K in 1940 verschoof het aanbod van Lincoln uitsluitend naar de Lincoln-Zephyr. Vanaf 1941 waren alle Lincolns op de Zephyr gebaseerd en werd het merk Lincoln-Zephyr uitgefaseerd.
De productie van Amerikaanse auto’s werd in 1942 stopgezet toen het land in de Tweede Wereldoorlog betrokken raakte. In 1946 hervatte Lincoln, net als de meeste andere autofabrikanten, de productie van zijn vooroorlogse lijnen. De naam Zephyr werd echter na 1942 niet meer gebruikt. De productie van vooroorlogse modellen liep nog tot 1948.

[…] De naam Zephyr werd in 2006 nieuw leven ingeblazen voor de spirituele opvolger van de Lincoln-Zephyr, de Zephyr, die al snel werd omgedoopt tot Lincoln MKZ in 2007.
(einde citaat).

Als de jongens de Lincoln aanschaffen, doet zich meteen al een onduidelijkheid voor. Kelly laat het volgende weten: „De Fordfabrieken maakten tot en met 1939 in een speciale fabriek deze Lincolns.” Dat is dus niet juist, want volgens de informatie uit Wikipedia blijkt dat dit type auto in ieder geval tot en met 1941 is gebouwd. Maar omdat Kelly specifiek het jaar 1939 noemt, mogen we aannemen dat de jongens een convertible uit 1939 of eerder aanschaffen. Nu zijn de meesten van ons er van uitgegaan dat het een model uit 1939 was, maar dat klopt ook niet, hoewel Willem zelf beweert dat het om een Lincoln Zephyr van bouwjaar 1939 ging („Pyjama-rel”, p. 13). Hieronder ziet u twee foto’s van de Lincoln Zephyr convertible 1939. De beschrijving van het interieur in „Lotgevallen” luidt: „De voorzittingen waren verstelbaar aangebracht. Achter die zittingen was een ruimte van meer dan een meter diep, en tegen de achterwand waren twee leren klapstoelen die uit die wand naar beneden konden klappen.” Wat wij echter zien op de tweede foto: wel twee gescheiden stoelen voorin, maar een achterbank i.p.v. twee klapstoelen.


foto 1

foto 2

Nu zou men nog kunnen stellen dat er wellicht een andere uitvoering in 1939 heeft bestaan die wel twee klapstoelen achterin had, maar dan doet zich de volgende onduidelijkheid voor. Op bladzijde 18 lezen we: „Bob trok het voorportier open.” Dat bekent dus dat het om een vierdeurs auto moet gaan. En inderdaad… die bestond ook. Willem was zo gek nog niet! Het gaat dan om een 1939 convertible sedan. Zie de foto’s 3 en 4 hieronder.


foto 3

foto 4

Maar ook hier weer onduidelijkheden. We zien op de foto geen twee gescheiden voorstoelen en geen klapstoelen achterin, maar twee banken. In dit geval is er dus maar één conclusie mogelijk: er moet in 1939 inderdaad ook een uitvoering met twee voorstoelen en klapstoelen hebben bestaan. De beschrijving van de achterkant van de auto luidt echter: „De staart van de wagen liep langzaam hellend naar beneden af, in een torpedovorm.” Afgaande op de foto’s denk je dan toch eerder aan de tweedeurs convertible dan aan de vierdeurs convertible sedan. Even los daarvan rijst de vraag overigens waarom je in vredesnaam meer dan een meter zou moeten overhouden als de klapstoelen zijn ingeklapt terwijl er ruimte genoeg is voor een achterbank. Mogelijk dat men dat ooit zo inkleedde omdat dat handig was als je vrachtjes moest vervoeren, maar dat is een mogelijke reden uit de losse pols van ondergetekende. Kortom de ene onduidelijkheid maakt plaats voor de andere, maar dat zijn we wel gewend van Willem. Een exemplaar van de 1939 Zephyr convertible sedan is in 2014 overigens bij RM Auctions geveild voor 154.000 dollar.

De Lincoln van Willem
Peter Schilperoort vertelde mij in 1990 dat Willem in de jaren ’50 een twaalf-cylinder Lincoln had. Die auto had echter enige jaren op Kaageiland gestaan en roestte langzaam weg. Wat voor een type Lincoln dat was, wist Schilperoort niet. Evenmin kon hij vertellen waarom die auto daar zo lang ongebruikt had gestaan. Daar zijn natuurlijk veel mogelijke oorzaken voor aan te wijzen: geldgebrek, moeilijkheden met zijn rijbewijs i.v.m. de combinatie drank en rijden, een defect dat niet meer te repareren was en/of de situatie dat een benodigd onderdeel niet meer was te vinden. Wel vertelde zijn zus Marie-José of zijn zoon Paul mij (ik weet niet meer precies wie van de twee) dat Willem de accu van die auto had uitgeleend en nooit meer had teruggekregen. Nou zal dat op zich niet zo’n probleem zijn geweest want een nieuwe accu was immers zo aangeschaft. Het wijst erop dat die auto, om welke reden dan ook, toch nooit meer zou rijden en Willem zich niet meer druk maakte om die accu.

Toen ik een nieuw leven ging beginnen
Op bladzijde 117 van dit boek vinden we het hoofdstuk „Gezellige weekjes gijzeling” waarin wederom een Lincoln verschijnt. Willem hierover: „Ik heb zelden in zulk een monster van een automobiel gezeten. Het was één van die oude Lincolns” (knip) „We konden er allemaal makkelijk in: de deurwaarder met één broodmagere getuige naast de chauffeur op de voorbank; de burgemeester met Annelies en de wachtmeester op de achterbank en ik met de tweede politieman op de klapzittingen. De tweede getuige hurkte nederig op de vloer.”
Die beschrijving maakt iedere autoliefhebber natuurlijk heel nieuwsgierig. Wikipedia bood uitkomst. Aldaar is het volgende te lezen:

Lincoln Custom (1941-1942)
De Lincoln Custom verving zowel de grote auto’s uit de Lincoln K-series als de Lincoln-Zephyr Town-Limousine uit de jaren dertig. Er waren twee versies beschikbaar: de model 31, een sedan die plaats bood aan acht inzittenden en de model 32, een limousine voor acht personen. Die laatste was voorzien van een elektrisch bediende glazen scheidingswand tussen het bestuurders- en het passagierscompartiment.

(einde citaat).
Screenshots uit een filmpje op Youtube, waarin een trotse bezitter de auto in kwestie toont, waren snel gevonden. De beelden spreken voor zich.


foto 5

foto 6

Op foto 5 is één van de klapstoeltjes te zien; op foto 6 is dat ingeklapt, verzonken in de rugleuning van de voorbank. In de beschrijving van Willem tellen we 9 inzittenden. Die negende man, die dus op de grond zat, moet wel een beetje benauwd, en er een beetje ‘tussen gepropt’ gezeten hebben. Willem spreekt niet over een glazen scheidingswand, dus de auto waarin hij werd vervoerd, moet het model 31 zijn geweest.


Kentekenbewijs uit 1954 van Willems eigen Lincoln Zephyr, met technische gegevens. Zoals vrijwel alle documenten die betrekking hebben op de heer Van den Hout roept ook dit kentekenbewijs meer vragen op dan dat het beantwoordt: officieel woonde Willem pas vanaf 13 januari t/m 18 april 1955 en van 13 juli 1955 t/m 9 januari 1957 op de Julianalaan in De Kaag (toentertijd Gemeente Alkemade) en dan ook nog eens niet op nummer 60, maar op 60c (zie Nieuwsbrief 28 voor Willems persoonskaart).
Mijn veronderstelling dat Willem diep in zijn hart al afscheid had genomen van deze auto, lijkt bevestigd te worden doordat hij een Ford met het nummer RD 73-11 door Jerry Miller in de Humbeekse plomp laat duwen („
Bombarie om een bunker”, maar het kentekennummer onthult Willem pas in „Heibel in Honoloeloe” (1960) op pagina 13).
© foto: Foeke Zeilstra.







„Wie koude kip eet met ijs en ananas na, heeft vanzelf feest.”
Receptenboek van een bolronde Bourgondiër (3)

Roger Schenk

In de vorige aflevering van deze serie over het gebruik van voedsel, drank en andere genotmiddelen in de Bob Evers-serie bespraken we de tweede decade. De drie hoofdpersonen uit de serie rookten daarin al een heel stuk minder dan in de eerste tien delen, maar ze zijn er zeker nog niet mee gestopt. Andere personen staken evenwel nog graag van alles en nog wat op. Verder at Arie steeds meer, maar de nadruk lag nog steeds op de hoeveelheid en niet op de echt fantasievolle maaltijden en krankjorume combinaties van gerechten, dus die moeten we onderhand toch wel tegenkomen in het nu volgende deel 3 van deze serie: de delen 21 t/m 30.

Pyjama-rel in Panama” (1e druk, 1956) :
We treffen Jan, Bob en Arie aan op het terras van het „Reforma-hotel” in Mexico City, Coca-Cola met blokjes ijs erin drinkend (p. 5). Dat wordt ruw onderbroken omdat een medewerker van het hotel de jongens verzoekt lange broeken aan te trekken en zo raken ze uiteindelijk verzeild op de Lagonia; de verkoopster van de koffers rookt een dunne, zwarte sigaar (p. 22). Blijkbaar maken of bottelen ze in Mexico ook limonade, want Jan parkeert de Lincoln achter een bestelwagen van een Mexicaanse limonadefabriek, zodat de drie jongens een stomerij binnen kunnen gaan (p. 30).
Peraira is nogal boos op de drie jongens en houdt in een pakhuis een tirade, die drie handlangers gelaten over zich heen laten komen terwijl ze apennootjes eten; in de jaren ’50 moeten ze die nog zelf pellen; de schillen laten zij knisterend op de cementvloer van het pakhuis vallen (p. 35). Arie kauwt een Hershey-bar (p. 40). Eten in het hotel lokt noch Bob noch Arie, hoewel dat luchtgekoeld is (waarbij we maar hopen dat het woord „dat” terugslaat op hotel en niet op het eten), maar eten in een Mexicaans restaurant dat naar gebakken vis, hete olie en lekkere uien ruikt, is ook al geen optie (p. 47). Arie wil een gezellig, rommelig restaurantje, een eindje buiten de stad, waar ze desnoods hun benen op tafel kunnen leggen (p. 47). Nauwelijks zitten we in deel één van de derde decade van deze serie, of de rare gerechten komen al op de proppen: je voeten op tafel leggen terwijl je zit te eten, lijkt me niet alleen erg onhygiënisch, maar ook bijzonder onpraktisch, tenzij je die benen wilt opeten. Als ze van een taxichauffeur horen dat een Hollander een restaurant heeft geopend langs de weg naar Cuernavaca, droomt Bob hardop van Hollandse biefstukken plus een portie Edammer kaas met mosterd (p. 49). Intussen worden Bob en Arie gevolgd door „Flaphoed” en „Kogelhoofd”; „Flaphoed” haalt een sigaret uit een verfrommeld pakje (p. 50). Arie bestelt in het „Beverly Hills Motel” een enorme sappige biefstuk met gebakken aardappelen en ananas met slagroom na; Bob wil een dubbele biefstuk met een uitgebreide bak sla en koffie met appelgebak; we gaan er maar vanuit dat er in de sla tomaten zijn, want die noemde De Greef – die zich nog steeds niet heeft voorgesteld – nog apart en per slot van rekening komen de tomaten oorspronkelijk uit Mexico (p. 53). Jan zit nog steeds in het „Reforma-hotel” en komt op het idee om een broodje te gaan eten in de hotel-cafetaria (p. 56). „Kroeshaar” Bennie belt zijn baas Peraira op, die een peuk sigaret uitdrukt op de zool van zijn schoen (p. 57) en vrijwel onmiddellijk een nieuwe sigaret opsteekt (p. 58), waaraan hij zenuwachtig blijft trekken (p. 59). Jantje Prins eet niet alleen twee broodjes ham in de cafetaria, waarbij hij twee glazen melk drinkt, maar hij gaat zich – na enig beraad, dat dan weer wel – ook te buiten aan een portie maïsmeelflensjes met jam (p. 60), redelijk bizar, als je bedenkt dat maïsmeelflensjes niets te maken hebben met onze flensjes, maar tortillas of tacos zijn.
De bestelling die Bob en Arie op pagina 53 plaatsten, werd nog even uitgesteld, omdat ze eerst even gingen zwemmen en waterpolo-en, maar op pagina 70 plaatst Arie de bestelling, die Bob intussen heeft veranderd van één dubbele biefstuk naar twee dubbele biefstukken, nogmaals; hij brengt meteen maar een doos met flesjes Coca-Cola mee naar het huisje. Kijkend naar het landschap drinken ze de eerste flesjes (p. 71). Een pagina verder kunnen ze eindelijk aan hun biefstukken beginnen, maar zodra ze die hebben verorberd, worden ze overvallen door „Flaphoed” en „Kogelhoofd”. Jan wordt door Peraira (via Arie) gesommeerd om naar de Calle Mendosia 58 te komen: een café in een buitenwijk van Mexico City; buiten staan onder een afdakje bier- en Coca-Colakisten opgetast (pp. 101-102). Hoewel Jan zich kranig weert, wordt hij toch bewusteloos gemept; hij komt bij in zijn eigen Lincoln Zephyr, met zijn wang op de naar rubber en bier stinkende schoenen van een van de boeven (p. 104).
Na wat schermutselingen weten de jongens te ontsnappen, maar de enige manier die de jongens kunnen bedenken om de achtervolgende Peraira c.s. kwijt te raken is het dwars op de weg zetten van de Lincoln; voor het zover is, controleert Arie het dashboardkastje nog, maar daar ligt alleen een drietal pakjes kauwgom in (p. 124). Peraira en zijn handlangers liften mee met een Ford-stationwagen, met achterin vier kisten eieren, en geven de chauffeur een paar sigaretten (p. 136). Ook Jan, Bob en Arie liften, maar zij hoeven geen sigaretten af te staan (als ze die al hadden), want hun chauffeur heeft al een halve donkerbruine sigaret in zijn mond (p. 137). Naast Ramón Pérez’ bed staat een tafeltje met een telefoon te midden van lege sigarettendozen, romannetjes, verscheurde brieven en verfrommeld geld (p. 151). Tussen de sigarettendozen vindt hij er zowaar nog eentje waar een sigaret in zit; die steekt hij op omdat hij nerveus is geworden van het telefoontje van Peraira (p. 152). Van der Heide geeft ons intussen de wijze levensles dat je in Zuid- en Midden-Amerika nog een melkwinkel kunt openen zonder vergunning (p. 155). De jongens zijn met piloot Dixon onderweg van Acapulco naar Panama in een toestel waar geen lezer van deze Nieuwsbrief mee zou durven reizen; het is er koud, Bob wil een mok hete koffie en Arie een stewardess met een picknick-koffer (p. 158); en als ze hees zijn van het tegen elkaar schreeuwen, wil Arie weer een stewardess, maar nu met katjesdrop (p. 161). Arie hoopt dat de twee FBI-snaken die hen op Santa Serafina opwachten iets te eten bij zich hebben; hij haalt er zelfs Shakespeare’s „The Merchant of Venice” bij, dat volgens hem in z’n geheel gaat over het afstaan van één pondje vlees aan Shylock (p. 164). Intussen heeft Ramón Pérez geen beste ochtend, hetgeen er onder andere aan ligt dat zijn huishoudster ziek is en dat haar plaatsvervangster ondrinkbare koffie produceert (p. 166). We komen te weten dat hij in zijn pakhuizen o.a. whisky en sigaretten heeft (p. 169). Zodra de drie jongens en hun piloot geland zijn, worden ze ondervraagd over paspoorten en vaccinatiebewijzen; hun piloot, Dixon, steekt een sigaret op (p. 172); hij mag wel een kop koffie gaan drinken, de jongens worden zonder voedsel opgesloten (p. 173). Gelukkig krijgen ze in hun cel bezoek van de FBI-agenten King en Corbett, die een kartonnen doos bij zich hebben, waarin een blik worstjes, chocolade, flesjes Coca-Cola, koeken en blikjes met vooralsnog onbekende inhoud zitten (p. 175); King en Corbett zelf roken een sigaret (pp. 175-176). Na het blik worstjes en het verhaal draait Bob een van de andere blikjes open, dat cornedbeef blijkt te bevatten (p. 176). Jan eet koek (p. 178). Arie ligt op een van de bedden naar het plafond te staren, ondertussen een flesje Coca-Cola leegklokkend: probeer hem dát maar eens na te doen zonder je te verslikken (p. 179)! De immigratie-officier die vanaf vier uur dienst heeft op het vliegveld van Santa Serafina is omkoopbaar met een slof sigaretten, zodat ook Jan en Arie tegen een borg van 500 dollar op vrije voeten kunnen komen (p. 181).
Pérez’ medewerker Benito drinkt in de kantine van het vliegveld twee flesjes gekoeld bier en valt daarna in slaap (p. 187). Om te kunnen afluisteren wat er met Jan, Bob en Arie gaat gebeuren, is hij gedwongen een gesprek met piloot Dixon aan te knopen, die veel bier bestelt (p. 187). Jan, Bob en Arie worden naar het vliegveld van de kustplaats David gebracht, waar ze naar de bank gaan, nieuwe kleren kopen en in het vliegveldrestaurant eten (p. 195). Bij het besluipen van de bandieten zien Jan en Bob hoe Benito bezig is een sigaret te rollen met bruinachtig vloeipapier (p. 213).

Vreemd gespuis in een warenhuis” (1e druk, 1957) :
Van der Heide legt ons omstandig uit dat een Amerikaanse drugstore méér is dan een Nederlandse drogisterij: je kunt er onder andere Coca-Cola krijgen; de drugstore van J.P. Johns in Pittsburgh/Pa. heeft ook een ijsmachine, een koffieketel en schappen vol chocolade, kauwgom en dergelijke zaken (p. 9). Als de jongens de drugstore betreden, zit er één klant koffie te drinken; later zal blijken dat dit particulier detective Paul Hubary is. Bob bestelt een Coca-Cola, Arie en Jan ook, maar dan met appelgebak respectievelijk een appelflap (p. 10). Hubary heeft een halve sigaret in zijn mondhoek (p. 10); hij zit daar om de door Specs Hildebrant gestolen juwelen terug te kopen; als deze arriveert, bestellen beiden (nog) een kop koffie. (p. 11). Hubary en Hildebrant worden per telefoon gewaarschuwd en vluchten; Jan en Arie achtervolgen hen; als Arie druipnat terugkomt in de drugstore, biedt Jan hem een kop hete koffie aan (p. 17). Intussen hebben enkele Pittsburghse middelbare scholieren de jukebox ontdekt; zij kauwen, zoals het ware Amerikanen betaamt, kauwgom (p. 17). Jan en Arie gaan eerst naar de expeditie-afdeling van „The Galleries” met een smoes over niet-bezorgde koffers en keren vervolgens terug naar de drugstore, waar ze, wachtend op Bob, een paar warme worstjes eten en een Coca-Cola drinken (p. 25). Arie vertelt hoe hij Hubary was gevolgd, die een andere drugstore binnenwandelde en daar twee Coca-Cola dronk (p. 26). Hildebrant heeft hij niet meer gezien, want die was een kom soep gaan eten in een Chinees restaurant, zo lezen zij een dag later in de krant (p. 31). Tijdens het verhoor door hoofdinspecteur Jason rookt Hubary een Chesterfield, die hij zorgvuldig in een sigarettenpijpje monteert (p. 40). Jason krabt de kop van zijn eigen pijp uit met een zakmes (p. 40), maar steekt hem voorlopig nog niet op (p. 41).
De volgende ochtend genieten Jan, Bob en Arie in huize Evers van een ontbijt, in ieder geval bestaande uit koffie en gebakken eieren met ham (pp. 44-45, Arie); meer eieren en ham zijn op komst, maar zuinige Jan stelt zich voorlopig tevreden met brood met kaas (p. 45). Daarna gaan de drie jongens weer naar de expeditie-afdeling van „The Galleries”, want al deducerend en combinerend heeft Arie bedacht dat Hildebrant de juwelen in een van de stortbakken van de wc’s heeft verstopt; terwijl Jan en Bob op de wc’s staan te wachten, komt een man binnen die zijn nagels uitvoerig schoonmaakt en enkele glazen water drinkt (p. 58).
Hoofdinspecteur Jason probeert na het vrijlaten van Hildebrant vier keer zijn pijp te stoppen, maar vier keer zit de tabak te vast om de pijp goed te laten trekken (p. 63). Door het politie-optreden komt de hele expeditie-afdeling van „The Galleries” tot stilstand: groepjes inpaksters en wagenbestuurders staan werkloos toe te kijken en zelfs sigaretten te roken, wat daar anders ten strengste verboden was (p. 65). Ook de monteur, Sam Price, die de juwelen in de stortbak heeft gevonden, rookt een sigaret (p. 68). Uit het toespraakje van de chef van de expeditie blijkt dat vrijwel iedereen die werkzaam is bij „The Galleries” wel eens een kop koffie heeft gedronken in „Johns’ drugstore”, waar Hubary en Hildebrant een dag eerder zaten (p. 71). Iedereen wordt gefouilleerd, zo ook Jan, Bob, Arie en Sam Price; die laatste rookt buiten weer een sigaret (p. 74). Na afloop van het afleveren van het eerste pakket stopt Walter Kettering bij „Yates’ Drugstore” in Cooper’s Valley/Pa., vermoedelijk om een Coca-Cola te gaan kopen (p. 104). Een eindje verderop, naast de drugstore is een winkel waar sinaasappelkisten buiten staan; Bob gaat op een ervan zitten om na te denken (p. 104). Als Bob zijn weldoordachte aanrijding met de truck van Kettering heeft veroorzaakt, stapt deze uit en begint te schelden; in afwachting van de politie steekt Kettering een sigaret op (p. 111).
Arie is intussen achtergebleven in Cooper’s Valley/Pa. en heeft daar gezien dat het eerste door Kettering afgeleverde pakket niets anders bevat dan een tennisracket en paar dozen tennisballen; het gaat daar om een verjaardagsfeestje in een tuin: er zijn lange planken op schragen gelegd die als een soort buffet dienen: de gasten kunnen er Coca-Cola, ijs, gebakjes en feestneuzen pakken (p. 113). Ook Arie, die doet alsof hij autopech heeft, krijgt een paar glazen Coca-Cola met ijs en een stuk appeltaart (p. 114). Bob wil graag een auto huren, maar in de garage waar hij naar toe is gebracht, is het complete mannelijke personeel niet thuis; de vrouw van de garagehouder zit tv te kijken en bonbons te eten en is niet van plan om Bob te helpen (p. 119). Kettering wil koffie gaan drinken, maar komt daar niet aan toe, want hij ontdekt dat zijn bestelbonnen weg zijn (pp. 120-121). Twee bandieten van Johnny Dalmonte overvallen Kettering en sluiten hem op in de laadbak van zijn eigen truck; tevreden steekt een van beiden een sigaret op (p. 129). Arie zit te wachten in „Yates’ Drugstore” in Cooper’s Valley/Pa., achter een kolossaal glas gevuld met ijs en slagroom in zeven verschillende tinten (p. 137). Als Jan zich bij hem heeft gevoegd, wachten ze samen op een telefoontje van Bob; Arie doet dat onder het genot van warme worstjes, sorbets, stukken chocola en gevulde koeken, maar Jan is te zenuwachtig om iets te kunnen eten (p. 153). Kettering heeft zichzelf inmiddels bevrijd uit de laadbak van zijn eigen besteltruck en lift nu met Bob mee; omdat Bob hem doodleuk vraagt wat ze nu moeten doen, barst hij woedend los dat hij niet van plan is om de overvallers koek met Coca-Cola te gaan voeren, maar om de politie op hen af te sturen (p. 159). Als ze de truck weer terug hebben stelt Kettering aan Bob voor om in „Phillips’ Drugstore” in Ralston/Pa. een glas Coca-Cola te gaan drinken (p. 164). Jan werkt zichzelf en zijn vrienden in de nesten door een auto te gaan huren met de De Soto van Dalmonte’s bandieten als onderpand; hij doet dat bij Garage Stevens in Cooper’s Valley/Pa.; Stevens haalt een verfrommelde sigaret uit een verfomfaaid pakje Camel, steekt die tussen zijn lippen, maar steekt hem niet aan; in plaats daarvan kauwt hij de tabak (p. 171). Stevens’ zoontje Jackie kauwt met enorme draaiende bewegingen van zijn onderkaak kauwgom (p. 172). Intussen houden King Messaf en Pietro Rossi, twee handlangers van Dalmonte, de garage van „The Galleries” in Harrisburg/Pa. in de gaten; dat doen ze vanuit een gesloten Kaiser, uiteraard onder het genot van een sigaret (p. 179). Pietro smijt zijn half opgerookte sigaret uit het portierraam, een milieuvervuilend procedé dat we maar al te goed kennen uit de Bob Evers-serie (p. 179). Pietro Rossi heeft er twintig dollar voor over als een monteur uit de garage hem vertelt wanneer „zijn neef Kettering” arriveert; de monteur klaagt dat zijn neven nog geen pakje sigaretten voor hem over hebben (p. 181). Om de in de Kaiser zittende King Messaf te verschalken steekt Paul Hubary een sigaret in zijn mond en vraagt Messaf dan om een vuurtje; Messaf liegt dat hij nooit rookt (p. 183). Pietro Rossi ziet zijn maatje niet meer in de auto zitten en steekt een sigaret op (p. 185). De grote baas van „The Galleries” is die avond speciaal uit Chicago overgekomen, zodat Kettering meteen de waarschuwing krijgt dat hij niet mag roken; hij snapt ook meteen dat het niet raadzaam is om de kapotte spullen van zijn lading in deze garage uit te zoeken (p. 187).
In Coopers’s Valley/Pa. staat sheriff Cassidy intussen onder het genot van een flesje Coca-Cola, dat hij in één teug naar binnen werkt, op te scheppen over zijn werk (p. 191). In Ralston/Pa. koopt Arie flesjes Coca-Cola voor onderweg en Jan zoekt het adres van de „The Galleries”-garage in Harrisburg/Pa. (p. 193). Bij de garage treffen ze Bob aan en Jan gaat kijken of de besteltruck van Kettering nog in de garage staat; Arie en Bob drinken een flesje Coca-Cola (p. 197). Door de gierigheid van Jan met „zijn” De Soto als borg worden de jongens gearresteerd; de agent belooft hun voor de volgende ochtend een ontbijt, bestaande uit een stuk brood en wat koffie (p. 203).

Wilde sport om een nummerbord” (1e druk, 1957) :
Aan het begin van dit deel zitten Jan, Bob en Arie wegens Jans gierigheid achter slot en grendel in Harrisburg/Pa.; het gevangenisreglement vermeldt dat gratis maaltijden om 8.00, 13.00 en 18.00 uur worden verstrekt, maar dat het voor de niet-Prinsen ook mogelijk is om voor eigen rekening maaltijden uit een restaurant aan te laten rukken (pp. 8-9).
De besteltruck van „The Galleries” rijdt intussen Harrisburg/Pa. uit, met „vrolijke” Walter Kettering, die tegen het rechterportier hangt en een sigaret rookt, plus een kersverse, opgewekte nieuwe chauffeur: Bill (pp. 22-23). Op pagina 24 smijt Kettering zijn half opgerookte sigaret het portierraampje uit, je weet inmiddels hoe dat gaat in deze serie. Hij vertelt hoe hij in Cooper’s Valley/Pa. een glaasje Coca-Cola wilde gaan drinken en toen ontdekte dat zijn dierbare bestelbonnen verdwenen waren (p. 24). Hij vertelt verder het verhaal van de overval en de schoten, waarom Bill informeert of het om pistoolschoten ging; korzelige Kettering snauwt of Bill soms dacht dat ze met zure bommen schoten (p. 25). Al vertellend steekt Kettering een nieuwe sigaret op (p. 26). En dan stelt Bill voor om bij zijn zus en zwager de pakketten opnieuw in te pakken en daar ook nog eens gratis koffie te krijgen (p. 28).
Tijdens het verhoor van Jan, Bob en Arie snijdt inspecteur Frank Ford van de Harrisburgse politie het puntje van een sigaar, maar steekt die nog niet op (p. 34). Dat doet hij uiteindelijk wel op pagina 35; hij dooft hem op pagina 40. We komen te weten dat een van Dalmonte’s collega-mafiabazen is doodgeschoten tijdens het eten van een roomsoes, waarop Dalmonte besloot alle ramen solide te laten dichtmetselen (p. 47). Na de eerste telefonische jobstijding van die avond grijpt Dalmonte een lange, zeer dunne en zeer zwarte sigaar en bijt daar woedend de punt vanaf (p. 49). Bob, Arie en Paul Hubary gaan eten in een Chinees eethuis: Hubary spreekt de ober aan als „Gap Gauw Wang” en bestelt haaienvinnensoep en een grote portie bami (p. 54), Arie wil loempia’s en veel bami, terwijl Bob liever tjaptjoi heeft (p. 55). Tijdens het wachten op het eten rookt Hubary een sigaret (p. 55). Op pagina 58 wordt het bestelde eten bezorgd, maar op een paar geslurpte happen haaienvinnensoep na krijgt niemand de kans om er iets van te eten, want het drietal wordt verrast door Pietro Rossi en zijn nieuwe handlanger Joe (p. 58). Vier en vijf pagina’s verder wordt terloops vermeld dat er ook nog sambal op de bami zat. Arie geeft blijk aardig opgelet te hebben tijdens de lessen Vaderlandse Geschiedenis, want hij kent het verhaal van Michiel Adriaenszoon de Ruyter, die door het dek en de buitenzijde van zijn schip met roomboter in te smeren een enterpoging van Duinkerker kapers wist te voorkomen (p. 63). Nadat ze – zonder eten – zijn ontsnapt uit het Chinese eethuis komen Bob en Arie terecht in een kroegje waar zowat de halve politiemacht van Harrisburg/Pa. zit te eten of te drinken; onder hen is inspecteur Ford, met een enorme biefstuk voor zich (p. 74), waar hij op pagina 76 een hap van neemt, hetgeen Arie doet watertanden. Sommige agenten roken sigaren, andere eten brood uit hun trommeltjes, maar ze zijn allemaal vol belangstelling voor Arie’s antwoord op Fords vraag waarover hij en Bob gevochten hebben (p. 77). Voor Arie echt antwoord kan geven op die vraag, wordt Ford teruggeroepen naar het bureau, met achterlating van zijn halve biefstuk (p. 78).
Paul Hubary stopt om zichzelf te bekijken, vlakbij een sigarettenautomaat – ja, die had je toen nog! – waar een wandelaar verwoed aan staat te trekken, zonder resultaat overigens (p. 84). Pietro Rossi vergelijkt zijn maatje voor die avond Joe achtereenvolgens met een zachtgekookt paasei, een roomsoes en een hap balkenbrij (p. 85). Pietro Rossi loost Joe, schudt de laatste klodder bami uit zijn schoen en gaat in z’n eentje verder (p. 87). In ruil voor antwoord op de vraag waar de besteltruck van Kettering is, biedt Hubary een van de monteurs in de „The Galleries”-garage in Harrisburg/Pa. een pakje Camel aan (p. 90), maar helaas is het nog steeds ten strengste verboden om in die garage te roken (p. 91). De chauffeur die bereid is om Hubary te helpen, geeft op zijn beurt een pakje Chesterfield aan een van de mannen op kantoor (p. 94); als deze systeembeheerder hoort dat Hubary tien dollar heeft gegeven voor de inlichting en hijzelf werd afgescheept met een pakje sigaretten, wordt hij erg boos, niet wetende dat er ooit een tijd zou komen waarin een pakje sigaretten duurder zou zijn dan tien dollar (p. 99). Arie vraagt schertsend of ze in Harrisburg/Pa. geen automaten met meisjes erin hebben, net zoals sigaretten en nierbroodjes (pp. 103-104). Volgens Hubary stoppen alle vrachtwagenchauffeurs ’s nachts onderweg om koffie te drinken en gebakken eieren te eten (p. 104). Bill hoopt dat zijn zus Sarie de koffie klaar heeft, want zij zet beste koffie (p. 112); hij doorzoekt vrijpostig de kasten in de woonkamer en vindt een glazen pot vol koekjes, waar hij een handvol van pakt en steekt er vier in zijn mond (p. 114). Kettering vlucht het huis uit en begint alvast orde te scheppen in de chaos in zijn truck; Bill en Rufus komen ook naar buiten, de laatste met een sigaar in zijn mond (p. 116). Het loopt uit op een chaos; het wordt voor die arme Kettering te veel als de dochters des huizes thuiskomen, de dozen met kleren openmaken en er Coca-Cola-vlekken op maken omdat ze de cola laten schuimen (p. 122): Kettering stormt op de meisjes af en rukt de jurk die ze al hebben uitgepakt uit hun handen en sommeert hen er met hun Cokevingers vanaf te blijven (p. 123). Bill is intussen de keuken ingevlucht en staat voor zichzelf een boterham te smeren, Kettering aan zijn lot overlatend (p. 124). Bill en Kettering vluchten weg van de kurkdroge Rufus en de nog drogere Sarie en gaan de pakketten opnieuw inpakken in een garage in Lebanon/Pa.; om drie uur ’s nachts stuurt Kettering Bill weg om een liter koffie te gaan halen bij een nachttent (pp. 126-127).
King Messaf en zijn twee handlangers kunnen Ketterings truck niet vinden tot aan Baltimore/Md. toe; een van hen oppert de suggestie dat Kettering en Bill in Philadelphia koffie zijn gaan drinken (p. 130). Zelf stoppen zij bij een koffietent tussen Baltimore/Md. en Philadelphia/Pa., waar twee negers koffie staan te drinken, en bestellen drie koffie plus driemaal gebakken eieren met ham (p. 132). Nog binnen de bebouwde kom van Philadelphia/Pa. rijden Bob en Arie langs een dag-en-nacht-koffietent; Bob stelt voor om daar een broodje te gaan eten, maar het is gek genoeg Arie die dat afslaat, want hij vindt dat ze zo snel mogelijk in Washington/DC moeten zijn (p. 139). Dalmonte daarentegen bestelt koffie met eieren (p. 142). Op pagina 144 brengt de gorilla-achtige medewerker een zilveren pot koffie, een schaaltje met gepelde harde eieren en een pot goudgele Franse mosterd, want Dalmonte eet zijn eieren niet met zout – zoals abusievelijk te zien is aan het zoutpotje op de afbeelding van pagina 143 –, maar met Franse mosterd. Na het bellen van 27 tankstations tussen Philadelphia/Pa. en Washington/DC en het verorberen van het laatste ei bestelt Dalmonte een nieuwe pot koffie (p. 144). Als na verloop van tijd nog niemand heeft teruggebeld, vraagt Dalmonte zich vertwijfeld af of al die kerels soms erwtensoep in hun ogen hebben (p. 145). Tussen Philadelphia/Pa. en Baltimore/Md. stoppen Bob en Arie bij een tankstation; een monteur staat stiekem een sigaret te roken, die hij uittrapt als Bob en Arie naderen (p. 147). Om een alibi te verkrijgen is Paul Hubary vastbesloten zich door de politie te laten arresteren, maar dan wel bij voorkeur met een gevulde maag en een voorraadje sigaretten; omdat hij bovendien zin heeft in koffie, wandelt hij naar een nachtcafé in Philadelphia/Pa. (p. 152). Er zitten wat drinken kerels uitsmijters te eten, maar hebben daar grote moeite mee; een jongen van een jaar of achttien staat hete chocolade te slurpen, maar Paul bestelt koffie, gebakken aardappelen en een ferme biefstuk (p. 152). Vervolgens doet hij een tukje en koopt hij zes pakjes sigaretten (p. 153). En van de gekochte sigaretten steekt hij meteen op (p. 153).
Omdat nog niemand de besteltruck van Kettering en Bill heeft gezien, neemt Arie aan dat ze zijn gaan eten, koffie drinken of misschien bij kennissen op bezoek gegaan (p. 159). Het wordt weer een warme dag, dus in de straten van Baltimore/Md. doen ijscoventers goede zaken; Bob, Arie en Hubary stoppen bij een cafetaria aan het begin van de hoofdweg naar Washington/DC om iets te eten en zich wat op te knappen (p. 169). Hubary eet wat broodjes ham en drinkt wat koffie, Arie eet ook iets (maar we weten niet wat) en Bob heeft pech, want op het moment dat hij aan de beurt is, komt Ketterings truck voorbij en moeten ze de achtervolging weer inzetten (p. 175). Helaas worden ze door King Messaf c.s. gevangen genomen en opgesloten in een houtzagerij. Hun bewaker aldaar steekt een sigaret op en Hubary verzoekt hem vriendelijk doch beleefd om op te passen geen brand te veroorzaken (p. 194). De eigenaar van de houtzagerij komt binnen met een uitgedoofd, kort pijpje in zijn mond; de bewaker wil een tweede sigaret opsteken, maar de eigenaar verbiedt hem het roken (p. 198). De bewaker mag wel wat gaan eten: het meeste is in blik, maar er zijn ook verse eieren (p. 198); hij komt terug met een mok koffie en een blad met dingen die als boterhammen uitzien, maar in werkelijkheid hompen kaas zijn; daarbij eet hij hardgekookte eieren (zonder Franse mosterd, zoals zijn baas ze pleegt te eten) en wat worstjes (p. 201). Als Bob, Arie, Hubary, Bill en Kettering zich bevrijd hebben, stelt Arie voor om koffie te drinken en eieren te eten (p. 207).

Hoog spel in Hong-Kong” (1e druk, 1958) :
Het laatste deel van deze trilogie begint op het dakterras van de familie Evers in Pittsburgh/Pa., waar Jan, Bob en Arie glazen Coca-Cola drinken en Jan de brochure „Steden der Wereld, No. 22: Hongkong” voorleest (pp. 6-9). Naar aanleiding van het artikel meent Arie dat één consul op 1800 man meer dan genoeg is en dat de andere 149 medewerkers van het Amerikaanse consulaat niets anders doen dan Chinese thee slurpen met duizenden Chinese spionnen (p. 8) dan wel eetbare vogelnesten zoeken of nieuwe recepten voor loempia’s verzamelen (p. 9). Arie probeert ook pa Evers zachtmoediger te stemmen door hem een glas Coca-Cola met ijsblokjes te geven (p. 11). Op pagina 12 zitten ze nog steeds aan de cola en de drie jongens beginnen pa Evers het hele verhaal te vertellen. Charles D. Niemaier, vice-president van de Metropolitan Insurance Company, drinkt koffie die hem in een zilveren pot gebracht is door een blonde secretaresse (p. 13). Als Bob eindelijk klaar is met zijn verhaal, is zijn vader al toe aan het derde glas Coca-Cola met ijs (p. 20).
Volgens Van der Heide – hoe vaak zou hij in zijn leven in een vliegtuig hebben gezeten? – is vliegen alleen maar spannend als je op een vliegveld achter een kopje koffie zit te kijken en te luisteren (p. 27). Jan, Bob en Arie arriveren even voor half acht in het „Sheraton” te San Francisco/Cal. en ze bestellen meteen drie ontbijten. Om half tien is de ontbijtboel weggeruimd en ditmaal is het niet Arie, maar Bob die op een achtergehouden droog korstje brood kauwt (p. 39). Arie kletst zichzelf – in de hoedanigheid van W.G. Coleman – in de nesten en moet hals over kop het „Sheraton” verlaten; in een cafetaria drinkt hij twee flesjes Coca-Cola, eet hij een stuk appelgebak en twee warme worstjes en belt hij met Hubary (p. 45). Hij boekt passage p de „Nancy May” en vervoegt zich daarna bij Jan in „Evers’ Emporium”; Jan bestelt twee melkcocktails met chocoladesmaak; Bob komt even later binnen en bestelt er ook een, kennelijk tot ongenoegen van de bediende die nu twee keer moet lopen (p. 53). Aan Pier 9 liggen een maïsgele bananenboot, een Engels schip en de „Nancy May” (pp. 56-57); over de pier waait een licht windje, die achtereenvolgens de geur van pannenkoeken, teer, olie, drogende garnalen of visnetten met zich meevoert (p. 57); een koksjongen gooit net als Arie staat te kijken een bak schillen overboord (p. 57). Jan beschildert de houten nepkisten en als hij klaar is, gaat hij naar een cafetaria om een glas Coca-Cola te drinken en zijn handen te wassen (p. 74). Jan heeft overal geïnformeerd naar Bob, o.a. bij een visbakkende Chinees (p. 83). Bij de tweede poging om Rivers’ kisten op de „Nancy May” te takelen staat de chauffeur een sigaret te roken (p. 89). Even later komt een van de douaniers op Arie af voor een vuurtje om zijn sigaar aan te steken (p. 93). De twee gangsters van Dalmonte die Jan en Arie in hun kuiven hebben gepikt, staan in dezelfde houding en met dezelfde kledij hun twee gevangenen te bewonderen, kauwgom kauwend, maar helaas niet precies in hetzelfde tempo, wat het effect een beetje bederft (p. 104). Nog steeds gumkauwend duwt een van beide boeven Jan en Arie de kelder van het landhuis in, waar ze tot hun verbazing Bob aantreffen; de bewaker vertelt hun dat er in de kranen water genoeg zit, maar dat ze het een tijdje zonder eten zullen moeten stellen (p. 106). Van der Heide weet ons te vertellen dat het stukvallen van een groene bierfles of een jampot vaak vlijmscherpe, licht gedraaide scherven oplevert (p. 110).
Na hun spectaculaire ontsnapping uit de waterkelder durven Jan, Bob en Arie zich niet openlijk te vertonen op Pier 9 om zich in te schepen op de „Nancy May”; daarom gaan Jan en Bob naast Pier 7 aan boord van een kleine motorsleepboot en zit Arie doodgemoedereerd Coca-Cola te drinken en eieren te eten in een havencafeetje; vervolgens meldt hij zich bij Jan en Bob en gaan ze met het sleepbootje naar de „Nancy May”, die dan al uitgevaren is (p. 149). De bemanning en de passagiers van de „Nancy May” vallen qua gezelligheid nogal tegen; zo is de scheepskok een van die ongelukkige stervelingen die eigenlijk liever een ander beroep hadden gekozen en dus heel hun leven het werk haten dat zij voor hun brood moeten doen, een subtiele vooruitwijzing naar de sombere scheepskok van de „Roos van Dekama” (p. 151). Jan Prins begint van pure ellende een dagboek bij te houden: de derde dag (22 september) verhaalt Jan van een ruzietje aan het ontbijt; als zoiets al het hoogtepunt van de dag is, kan men zich een vage voorstelling maken van de saaiheid van deze reis (pp. 151-152). Vervolgens worden de jongens alle drie voor de derde keer in hun leven zeeziek (pp. 152-153), maar op pagina 153 zijn Jan en Arie zover opgeknapt dat ze weer aan de ontbijttafel kunnen plaatsnemen; een Engelse zakenman aan boord wil havermout, maar dat is niet zo makkelijk te eten op een slingerend schip, want de helft van het spul komt in zijn schoot terecht, de Amerikaanse onderwijzeres overkomt hetzelfde met haar gebakken ei. Een dag later is ook Bob weer van de ontbijtpartij, zij het slechts met wat thee en beschuit (p. 153).
Eenmaal aangekomen in Hongkong maakt Bob een afspraak met Fred W. Rivers in „The Royal Gardens”; in afwachting van Rivers bestelt hij Coca-Cola met ijs en citroen (pp. 162, 164-165). Rivers drinkt sinaasappelsap (pp. 164-165) en hij rookt filtersigaretten, waarvan hij er eentje opsteekt met een Zippo-aansteker (pp. 165, 166 en 168-170: zo lang heeft nog nooit iemand in de Bob Evers-serie over één sigaret gedaan!). Voor het verdedigen van de vijf kisten tegen overvallen door gangsters van Dalmonte wil Arie nog lunchen; alleen Jan is nerveus om te eten (p. 182). Eindelijk hebben de drie jongens dan de Praed-juwelen in handen en ze brengen de vijf kisten naar het huis van Rivers; mevrouw Rivers heeft een zenuwachtige manier van aan haar sigaret trekken: na elke trek tikt ze de as eraf (p. 193). Ze geeft Jan, Bob en Arie een biljet van een dollar om koffie te kopen (p. 194).

Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” (1e druk, 1958) :
Het volgende avontuur speelt zich weer af in Nederland en begint met het bezoek van pa en zoon Roos aan Jan Prins en Bob Evers; pa Roos haalt om te beginnen een sigaar uit het cellofaan en houdt het ding bij zijn oor, misschien wel om te horen of het wel de juiste graad van droogte heeft (p. 9). Hij likt even aan een los tabaksblaadje (p. 10), hij krabt met de punt van de sigaar aan een oor en hij steekt het ding in een mondhoek (p. 11). Pa Roos verdwijnt voor hij zijn sigaar kan aansteken; hij geeft te kennen dat hij zelfs geen tijd heeft om koffie te drinken – dat doet hij op kantoor wel (p. 12). Terwijl Arie per taxi boodschappen gaat doen (p. 13), slaan Bob en Jan haastig een middagmaal naar binnen bij Marianne in de keuken (p. 14). Vervolgens rijden ze met de Packard naar Arie, waar Arie’s moeder erop staat dat ze eerst thee drinken en appelgebak eten, voor ze naar de Veluwe vertrekken (p. 14).
Op de Veluwe worden ze staande gehouden en van hun Packard beroofd door de twee „Nieuwendijk-nozems” Frank en Kees; Kees rookt een sigaret (p. 18-20; we merken overigens op dat dit deel weer teruggrijpt op een wat ouderwetsere spelling: de „cigaret” is terug van weggeweest, net als de genitief-uitgang met een apostrof: zou het verhaal misschien vóór de boeken die in Amerika spelen zijn geschreven?), die hij even later weggooit: gelukkig voor de Veluwe stapt Arie ernaartoe en zet zijn voet erop, om te voorkomen dat er brand ontstaat (p. 20). Als blijkt dat het duwen van de Ford Consul niet gaat, steekt Kees een nieuwe sigaret op (p. 23). Frank en Kees gaan er met de Packard vandoor; daar ligt al het voedsel van Jan, Bob en Arie in, zodat ons drietal al twaalf uur niets meer gegeten heeft (p. 66). Op pagina 68 vinden ze de Packard eindelijk terug, maar al gauw blijkt dat Frank en Kees in hun bagage hebben zitten rommelen: dozen met blikken conserven zijn omgekieperd, Bobs plunjezak is leeggeschud en een fles petroleum is gebroken en over de achterbank leeggelopen. Gelukkig is het voedsel er nog: o.a. twee blikken cornedbeef, maar die open draaien duurt blijkbaar te lang, aangezien ze behoorlijke honger hebben, dus ze graaien in een doos toast en chocola (pp. 69 en 75). Arie gaat erop uit om een auto te huren, maar Jan en Bob stoken een vuurtje op de openbare weg om er wat blikken worstjes in te verwarmen (pp. 83-84). Omdat garagehouder Steensma met geen stok uit bed te porren is, gaat Arie maar even liggen slapen in een hooiberg; hij schrikt wakker van Frank en Kees, die vrijwel recht onder hem staan te overleggen, Kees uiteraard weer met een sigaret in zijn hoofd: zenuwachtig bijt hij er steeds stukjes tabak uit (p. 88). De twee Nieuwendijknozems liften mee met bode Halewijn; Arie probeert de bestuurders van een vrachtwagen over te halen deze bode te achtervolgen, met de smoes dat hij zelf mee was gelift en zijn portefeuille in de wagen had laten liggen toen hij koffie en sigaretten haalde voor de bestuurder (p. 93). Als garage Steensma om 8u10 – eindelijk! – open gaat, duwen de jongens de Packard naar binnen terwijl Steensma nog op een laatste stukje ontbijt kauwt (p. 97). De jongens huren de Volkswagen die eerder door Frank en Kees is gebruikt en rijden naar de Braassemermeer, waar het tweede tonnetje afgegooid zal worden; de knecht van de bootverhuurder zit koffie te drinken (p. 103); voor Bob en Arie aan boord van hun vlet gaan, eten ze eerst nog een dubbele uitsmijter en drinken ze twee koppen hete chocolade de man (pp. 103-104). Terwijl zij op het meer met Kees en hun buitenboordmotor stoeien, duikt Jan een café in en drinkt maar liefst twee Coca-Cola’s en achtervolgt daarna in zijn bemodderde Nash Frank (p. 119). Deze rijdt kalmpjes richting Amsterdam-Centrum, maar parkeert even op de hoek van de Koninginneweg en het Valeriusplein om een sigarenwinkel binnen te duiken; Jan benut die gelegenheid om zijn Nash op het plein te parkeren en een taxi te nemen (p. 121). Hij belandt in een kroepoekfabriek in de Bethaniënstraat, hetgeen Van der Heide de gelegenheid biedt om de lezers te vertellen dat kroepoek geen soort van gedroogde platvis is en ook niet aan bomen groeit, maar gemaakt wordt van koekjes van gemalen vis en meel die in hete olie worden gebakken (p. 124); Jan loopt naar het kantoortje erboven, dat erg smerig is: de vloer ligt vol plat getrapte of stuk gewreven eindjes sigaret en stukken kroepoek (p. 125). Op het bureau staan overlopende asbakken en langs de rand zijn honderden brandvlekken van sigaretten te zien (p. 126).
Terwijl Jan aan het stoeien is boven zijn kroepoekfabriek, genieten Bob en Arie van een zeer late lunch in het „Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis”: die van Arie bestaat uit aspergesoep met brood, een Wiener schnitzel met appelmoes plus extra gebakken aardappelen en daarna twee stukken appelgebak, die van Bob uit een dubbele biefstuk met een kolossale bak sla en een schaaltje ijs na; beide lunches worden afgesloten met een kop chocolade met slagroom (p. 139). Nadat Arie de chocolade heeft opgedronken en de slagroom van het schaaltje heeft opgelepeld, gaat hij op avontuur naar de Bethaniënstraat (p. 140). Arie wandelt door dat straatje en komt uit op de Oude Zijds Achterburgwal, waar hij aan de overzijde het Chinese eethuis van Tante Mia ziet, waar hij in zijn hbs-jaren zo vaak met vriendjes bami is gaan eten (p. 141). Op de hoek van de Bethaniën- en de Bethaniëndwarsstraat is in een gewoon woonhuis een Chinese eetgelegenheid gevestigd, „T’a Dung”, die Arie nog niet kent (p. 141). Arie heeft in het „Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis” al behoorlijk zitten bunkeren, dus zelfs hij heeft nu wat moeite met het eten: hij bestelt in één uur tijd slechts twee loempia’s met onwaarschijnlijk grote likken sambal erop en omdat dat begint op te vallen, nog maar een bamisoep erachteraan: zelfs een enorme eter als Arie schrikt ervan: de bamisoep blijkt een kolossale berg bami met een gebakken ei er bovenop, drijvend in een plas gekruid vocht (p. 142). Het is de eerste keer in al hun avonturen dat Arie zich klem eet. Ten slotte rekt hij zijn verblijf in „T’a Dung” nog door een kopje koffie te bestellen, maar dat was het dan ook wel (p. 142). Arie wandelt daarna in de buurt rond om te zien of Jans bemodderde Nash ergens geparkeerd staat en komt uiteindelijk weer bij Bob uit die nog steeds braaf in het „Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis” zit te wachten; Arie’s overvloedige maaltijden zijn dan inmiddels al weer zo ver gezakt, dat hij een koekje van het zoveelste kopje chocolade van Bob kan jatten (p. 144). Arie bestelt een Coca-Cola en besluit om tien uur weer verder te gaan zoeken naar Jan (p. 145).
Jan weet eerst de riem waarmee hij aan het bureau zit vastgekluisterd los te maken; dan gaat hij „op de zeehonden-toer”: met zijn neus in de rommelhoop waar de prullenmand al een aantal keren is geleegd: hij vindt o.a. lege sigarettendoosjes, gedroogde sinaasappelschillen, een prop krant die zo te ruiken gebakken vis had bevat, maar géén scheermesje (p. 151). Met behulp van het gloei-element van een straalkacheltje kan hij de touwen doorschroeien en zich zo bevrijden; de kroepoekfabriek is dan al uren gesloten, maar er hangt nog steeds een lucht van olie en vis die Jan de adem beneemt (p. 158). Hij rent naar buiten en heeft allereerst behoefte aan een kop koffie en een telefoon (p. 158). Die denkt hij beide te kunnen vinden in een café op de hoek van de Kloveniersburgwal, maar tot zijn verbazing en vreugde vindt hij Arie; hij laat de deur van het café open staan, waarop de kastelein hem geërgerd meedeelt dat hij geen kropsla teelt, dus dat hij geen cent aan de regen verdient (p. 160). Jan en Arie gaan naar een ander café waar ze niet zo opvallen en waar Jan kan vertellen; Arie bestelt twee Coca-Cola’s (p. 160). Zij spoeden zich naar het „Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis”, waar ze met enige moeite – het is per slot van rekening al half twaalf – nog een dubbele uitsmijter uit de keuken kunnen lospeuteren (p. 161), waarmee Jan zoet is t/m pagina 165.
Na een korte nachtrust in huize Prins sluipen de drie jongens naar buiten, om in „Populairs” op het Rembrandtplein te gaan ontbijten: hete koffie en belegde broodjes; ze kopen de man ook nog een papieren zak met extra-eetwaar erin (p. 169). Op vliegveld [***censuur!***] zitten twee lange kerels – Peter Schilperoort en Luuk Vrind – flesjes Coca-Cola te drinken (pp. 172-173). Frank en Kees pikken het derde tonnetje op, ontdekken Bobs en Arie’s Tiger Moth, verstoppen het tonnetje, halen de ster van hun dak, steken een sigaret op en rijden met een kalm vaartje verder terug naar Apeldoorn (p. 195). Aan de hand van Jans onkostenrekening wordt duidelijk waarmee de broodjes van „Popularis” waren belegd: lever en ham (p. 204).

Stampij om een schuiftrompet” (1e druk, 1959) :
Dit deel begint met een telefoontje van Peter Schilperoort aan Willy van der Heide: Peter heeft nog een avontuur tegoed. Hij belt vanuit Vlissingen, waar het volgens zijn zeggen zo heet is dat je de kreeften gekookt uit zee kunt vissen (p. 7). Een dag later reizen Jan, Bob en Arie naar Roosendaal, waar Schilperoort al op het perron zit te wachten met een glas Coca-Cola vol ijsblokjes in zijn hand; hij vist een pakje sigaretten uit de borstzak van zijn hemd, maar komt er voorlopig niet aan toe om er eentje op te steken (p. 8). De rest van het DSC denkt in de D-trein op weg te zijn naar Hilversum, maar wordt in Roosendaal uit de trein gehaald omdat de plannen zijn veranderd; ze gaan naar de stationswachtkamer, waar Wybe Buma een „min of meer” Russisch ei gaat eten; Wim Kolstee wil een grote portie ijs (p. 15). Bob gaat bij het buffet iets bepraten: Jan denkt dat het met Bobs nationaliteit te maken heeft, omdat Amerikanen nou eenmaal rare dingen bestellen, zoals gedistilleerd water met zuiveringszout of een portie gemalen aspirine met kokosnootmelk, liefst met slagroom er op (p. 16), maar het blijkt dat Bob gewoon onderhandeld heeft om een ventilator te mogen lenen (p. 17). Als de kelner komt, bestelt Kolstee dus de grootste bak ijs die te krijgen was; Bob wil een ingewikkeld soort ijs, met gemalen amandelen en gepofte pinda’s en zo. Arie Roos neemt een dubbele uitsmijter rosbief en een bal gehakt met brood omdat die hier een dubbeltje goedkoper is dan elders (p. 17). Als de bestelling komt, neemt de ene Bob (Evers) de trein naar Amsterdam om de trombone aan Eddie Bulk te bezorgen en de andere Bob (van Oven) eet diens bestelde ijs op (p. 22). Vlak voor Dordrecht probeert Bob de hem toevertrouwde trombone, maar dat wordt geen succes; een Duitser doet het beter, maar het geloei dat hij voortbrengt, zorgt ervoor dat de pijp van een seinhuiswachter van schrik uit diens mond valt (p. 28). Als Bob, Duitser en trombone Rotterdam binnenrijden, zit de Fransman die de trombone aan Kolstee heeft meegegeven in de wachtkamer op het perron, met een glas Coca-Cola voor zich, dat hij echter vanwege de zenuwen niet eens ziet; toch neemt hij af en toe een slok, al dan niet op zijn broek morsend; hij probeert ook herhaalde malen een Franse sigaret op te steken, maar ook dat lukt niet echt (p. 31). Dat is blijkbaar al ‘s mans tweede glas, want op pagina 37 moet hij er nog twee betalen aan de boze kelner. In de trein waarin het DSC nu reist, is alleen bier te krijgen; en dus gaat Kolstee op Rotterdam Centraal Station uit het raam hangen om te kijken waar het wagentje met de koek, de broodjes en de limonade is; Dim Kesber wil een blok ijs om op zijn verhitte hoofd te leggen (p. 40). Bob staat voor de gesloten deur van Eddie Bulk aan wie hij de trombone moet afgeven; op de begane grond is een sigarenwinkel, waar een aantrekkelijk uitziende dame sinaasappels en citroenen staat uit te persen, waarvan zij het sap in een fles giet (p. 47). Om de hoek is een café met een terras, dus Bob gaat ijsgekoelde Coca-Cola’s drinken en schrijft een briefje aan Bulk (pp. 48-49).
De Fransoos nodigt Jan en Arie uit in „Terminus” om wat te gebruiken in ruil voor hun hulp; Jan komt wat later, dus Arie zegt dat een halve koude kip met sla en een bak ijs met ananas na heeft besteld, waarna hij de titel van deze serie artikelen loslaat: „Wie koude kip eet met ijs en ananas na, heeft vanzelf feest.” (p. 58). Verderop op deze pagina zal blijken dat hij nog niets heeft besteld, maar dat nu pas doet; wat hij erbij wil drinken, komen we vooralsnog niet te weten, want Jan onderbreekt de bestelling door middel van gekreun. Jan bestelt een kopje koffie, of nee, bij nader inzien toch maar een Chocomel, want daar zit meer voeding in (p. 59). Arie’s kip wordt op pagina 61 gebracht; ze blijkt gegarneerd met peterselie en schijfjes citroen. Een pagina verder worden Jans Chocomel en voor Arie – uiteraard, hoe hebben we er ooit aan kunnen twijfelen? - een Coca-Cola en een bak sla gebracht. Jan wordt een beetje boos als blijkt dat de Fransman alles betaalt en hij vertrekt naar „’t Paviljoentje”, waar het DSC zit te repeteren; het is voor een niet-musicus moeilijk om je een houding te geven wanneer een orkest zit te oefenen, dus Jan is al lang blij dat hij met zijn Zippo van nut kan zijn als Arie Ligthart hem een vuurtje vraagt voor zijn sigaret (p. 66). In een cafetaria tegenover „’t Paviljoentje” zitten Bulk, Belg en Fransman te confereren, waarbij de laatste twee vooral het woord doen en Bulk aan de lopende band koude gehaktballen, rijkelijk met mosterd besmeerd, zat te eten (pp. 73-76). Daarna begeeft Bulk zich naar „’t Paviljoentje”, waar de kelner meteen ziet dat hij niet op zoek is naar bijvoorbeeld Coca-Cola of worstjes, maar naar een persoon (p. 78). Deze persoon, Wim Kolstee, schittert door afwezigheid; Bulk moet even nadenken en wil daarbij een biertje drinken (p. 79). Bob wandelt nog steeds rond in Amsterdam; hij duikt „Hotel Krasnapolsky” in om een bak ijs met slagroom te eten en Kolstee te bellen (p. 86). Hij krijgt echter Schilperoort aan de lijn, die hem vertelt dat het DSC gaat rijsttafelen bij „Cecil” in de Hoogstraat (p. 88). Kolstee kon niet aan de lijn komen, want hij was neergeslagen door Bulk; als hij weer bijkomt, drinkt hij een glas Coca-Cola en gaat wederom op jacht naar een trombone (p. 92). Arie huurt een Renault Frégate en rijdt naar Hollands Spoor, waar een bloemkoopman bij de uitgang een sigaret staat te roken (p. 97). Wim Kolstee moet zich fatsoeneren en mensen opbellen; dat doet hij in „’t Goude Hooft”, waar hij eerst een Coca-Cola met veel ijs bestelt (p. 109). Hij kan een trombone lenen in Rijswijk, maar inmiddels is het te laat om nog naar „Cecil” te gaan, dus hij geeft zijn taxichauffeur opdracht om te stoppen bij een broodjeszaak (p. 113). Arie zit met de rest van het DSC wél bij „Cecil” en eet een dubbele portie saté (p. 113). Bob van Oven drukt een restje sigaret uit in een restje sajoer (p. 114).
Kolstee neemt zijn ingeslagen voedsel mee naar K&W: een zak met belegde broodjes en een zak met twee kippenpoten; hij maakt eerst een broodje lever soldaat (p. 119). Het bericht voor Eddie Bulk dat diens trombone al in Amsterdam is, wordt op de achterkant van een reclameplaat voor Gold Flake-sigaretten geschreven (p. 120). Veel tijd om te eten had Kolstee niet, want op pagina 125 vindt Arie de twee zakken in de Kleine Rookkamer, met de kippenpoten nog intact en een broodje ei plus het aangebeten broodje lever. Bulk en Belg betrekken de wacht tegenover de artiesteningang van K&W, met twee zakjes patat en wat harde eieren per hoofd (p. 128). Ze overvallen Bob en nemen hem de trombone af; als Bob bijkomt, zet hij koers naar de Kleine Rookkamer en krijgt een glas Coca-Cola om weer op verhaal te komen (p. 140). Een juffrouw uit de koffiekamer van K&W komt een blad vol koppen koffie en flesjes Coca-Cola brengen (p. 141). Kolstee eet nu eindelijk zijn broodje ei en een van zijn kippenpoten op (p. 141). Bulk en Belg denken nu eindelijk hun trombone in handen te hebben, maar helaas past de schuif er niet op, want die is door Dim Kesber verwisseld; de Belg drinkt zeven slokjes water tegen de schrik (p. 144). Bulk en Belg bestellen wat bier en gaan overleggen (p. 145). Bulk stapt met een trombone onder z’n arm naar de artiesteningang van K&W en geeft de portier een pakje sigaretten (p. 146). Als ze eenmaal binnen zijn, rolt de Belg een donker shagje uit een koperen tabaksdoos (p. 171).
Jan, Bob en Arie mogen na afloop van het concert bij Schilperoort logeren; ze rijden via de Laan van Meerdervoort naar diens huis; op de Laan VM is een automatiek; Schilperoort haalt een kroket eruit, Bob een nasigorengbal. Omdat Bob het klepje open laat hangen, is het voor Schilperoort een koud kunstje om Schriers handschoenen erin op te sluiten, een trucje dat even later door Arie wordt herhaald, maar dan met Jans kippenpoot (p. 196).

Kunstgrepen met kunststukken” (1e druk, 1959) :
Jan Prins, de normaal zo ordelijke jongen, vindt zijn kamer veel te netjes, dus hijzelf is met behulp van Bob en Arie begonnen met het herinrichten ervan. Van de hulp van Bob is vooralsnog niet veel te merken, want die zit te paard op de vensterbank en neemt grote happen uit een uit stuk Deventer koek dat uit een bureaulade tevoorschijn is gekomen (p. 6). Ook de hulp van Arie is nogal twijfelachtig: hij heeft een super-sifon – een voorloper van de huidige Sodastream – gevonden en wil nu met dat ding dubbel prikkende Coca-Cola maken, met verbluffend resultaat (pp. 6-8). Pa Roos heeft de drie jongens nodig voor een klusje; zij gaan per taxi naar het kantoor van Rederij Roos om te overleggen; pa Roos steekt een sigaar op waar hij het puntje vanaf bijt (pp. 12, 13, 15 en 18). Alle zeelui smokkelen: sigaretten, flessen rum, nylon kousen, enz., maar de smokkel waar pa Roos de drie jongens over wil spreken, is ietwat omvangrijker (p. 13). Op de „Roos van Dekama” wordt namelijk iets gesmokkeld waar de smokkelaars in kwestie zo’n vijfduizend gulden per keer mee verdienen: misschien wel opium of morfine, een suggestie van Bob (p. 14); suggesties van Arie – tulpenbollen of héél bijzondere Edammer kaas – worden niet op prijs gesteld door pa Roos (p. 15). Hij heeft het verhaal gehoord van een gepensioneerd zeeman, die het weer had gehoord toen ze met z’n allen in een zeemanskroegje bier zaten te drinken (p. 17). Voor ze de „Roos van Dekama” bezoeken, wil Arie in een broodjeszaak vooraan op de Zeedijk vijf harde eieren, twee broodjes lever, twee broodjes ham en een paar koude gehaktballen eten: meer wil hij niet eten, want dat kan aan boord wel (p. 19). En inderdaad: in de kombuis krijgen ze brood en een gebakken biefstuk met een ei erop en appeltaart na (p. 27 en 31-32). De eerste stuurman komt in de kombuis koffie drinken, klagend over de afwezigheid van de kapitein, de koksmaat en ene Fredriks, die nog naar de tandarts moest en hopend dat deze laatste niet nog ergens een cognacje is gaan drinken (p. 31). De stuurman haalt een blikken doos met donkere tabak tevoorschijn en begint een sigaret te rollen (p. 31). Daarna benadert Arie eerst een matroos die de eetzaal staat te boenen met een smokkelverhaal (p. 36); de matroos luistert, steekt een sigaret op, maar trapt niet in Arie’s verhaal (p. 37). De derde matroos die hij aanspreekt, heeft aanvankelijk wel zin in het karweitje en steekt een stuk kauwgom in zijn mond (p. 43). Als die matroos klaar is met vragen, gooit hij het stuk kauwgom achteloos over de trapleuning (p. 44). Twee pagina’s verder slaat de twijfel bij hem toe; hij komt dat aan Arie vertellen, met een nieuw stuk kauwgom achter zijn kiezen. Een vierde matroos, „Breekneus”, staat een sigaret te roken en wijst Arie op ongerijmdheden in diens verhaal (pp. 48-49); de opgerookte sigaret verdwijnt in het IJ (p. 49). Arie fantaseert dat de zogenaamde smokkelwaar in een blikken doos van Haust-toast zit (p. 50). Jan Prins zit intussen weer in de kombuis, ditmaal om koffie te slurpen (p. 51); hij heeft net de koksmaat, die met een schuimspaan in een dampende pan staat te roeren, ondervraagd (p. 52). Jan werkt de rest van zijn koffie weg, hetgeen met zoveel geluid gepaard gaat dat Arie informeert of zijn slokdarm soms lek is (p. 52). „Koksmaat” had eerder die avond een blauw pak aan dat zo strak zat dat hij er nog geen pondje kaas in kon verbergen (p. 56); „Breukneus” zit bij hem in de kombuis te confereren, een koffiekom in zijn hand (pp. 56-57). „Breekneus” gaat vervolgens met een sigaret over de reling hangen (p. 58). Arie betrapt „Koksmaat” op heterdaad; diens gezicht krijgt de kleur van groene, Zwitserse schapenkaas (p. 62). Jan en Arie verlaten de „Roos van Dekama” en Bob komt op hun fluitje af als een hond op een rijpe bokking (p. 72).
In de kroeg op de hoek van het Damrak en de Haringpakkerssteeg bestellen de drie jongens een Coca-Cola (per persoon) en informeren ze naar Kees de hondeman (p. 76). Die woont in de Warmoesstraat, dus ze gaan hem meteen bezoeken; als hij opendoet, heeft hij een uitgedoofde dot sigaar in zijn mond (p. 78). Kees was ooit chauffeur en loopjongen van Kresse; soms moest hij sigaren voor hem gaan kopen (p. 81).
Jan, Bob en Arie brengen verslag uit aan pa Roos; die hoort dat aan zonder Arie één keer te onderbreken, maar na afloop van het verslag pakt hij een sigaar en bijt er de punt vanaf (p. 101). Op de een of andere manier moet hij het ding hebben aangestoken, want aan het eind van pagina 101 blaast hij een rookwolk uit. De jongens rijden naar Tirlemont en de geur van koffie doet hen beseffen dat ze toe zijn aan koffie en een ontbijt: in een klein hotelletje bestellen ze vier ontbijten: twee voor Arie; de ontbijten bevatten in elk geval sneden brood, stukken kaas, krentenbollen en suikerklonten (p. 108). Als Kees de hondeman vastgebonden is, moet Jan wachten op de Belgische heler; hij neemt zich voor elk half uur een glas Coca-Cola te bestellen en na drie glazen komt de heler opdagen (p. 114). Buiten de stad maken ze het smokkelvak van de Frégate open en komen zo eindelijk te weten wat er nou eigenlijk gesmokkeld wordt, een schilderij van een man die met pijl en boog mikt op een jongetje met een goudreinet op het hoofd: Wilhelm Tell (p. 118). Ze laten Van Wisschoten, de Belgische heler, achter in de Frégate en maken de man wijs dat ze gaan eten in „Le Chevalier d’Or”. Het eerste wat de man doet, is een sigaret opsteken (p. 121). Later belt hij Kresse op en ook die steekt een sigaret op (pp. 123-125). Jan, Bob en Arie ontmoeten pa Roos in „Américain”; pa Roos is net klaar met zijn lunch en zit aan de koffie met room als „de drie lastige horzels” arriveren (p. 128). Arie bestelt een dubbele, Duitse biefstuk met een massa uien, appelmoes en appelgebak met slagroom na, Jan een Wiener Schnitzel met gebakken aardappelen en Bob op z’n Amerikaans een huzarensalade met brood en een bak ijs na (p. 129). Pa Roos snaait met zijn koffielepeltje een gebakken aardappel van Jans bord (p. 131). Ze besluiten met het schilderij naar Borghesius te gaan, een oude vriend van pa Roos, die altijd graag uit de koekjestrommel snoept (p. 132). Onderweg kopen ze wat repen chocola en mokkagebakjes voor de man. Een eerste mokkagebakje verdwijnt al snel achter Borghesius’s „smekkende” lippen (p. 135); hij doorzoekt registers, oude tijdschriften en naslagwerken, onderwijl af en toe een gebakje of een stuk chocolade etend (p. 139); later zet hij ook nog een pot thee (p. 140) voor zichzelf en zijn gasten.
Kresse’s huisknecht heeft een rood-wit gestreept jasje aan, zoals gestreepte zuurstokken op de kermis (p. 144). Kresse wil Bob en Arie afschepen met honderd pop de man voor een originele Wenkelbach, met als argument dat zij daar een massa Coca-Cola voor kunnen kopen (p. 146). Boven zit Jerry Miller (die in dit deel nog „Jack” heet) op hen te wachten, terwijl er uit één mondhoek een sigaret bungelt (p. 148). Na het succesvol opsluiten van Bob en Arie maken Kresse en Miller zich op om te verdwijnen, maar voor die tijd grazen ze nog even in de keuken: eieren en biefstukken (pp. 161-162). Jan zit al die tijd in „Américain” te wachten; even voor zevenen bestelt hij een Coca-Cola (p. 162), een uur later krijgt hij visioenen van twee kroketjes met brood en om half negen is zijn honger zo erg dat hij een uitsmijter-rosbief bestelt, vooralsnog op eigen kosten (p. 163)! Dat Jans broek nat wordt, vindt hij bij wijze van uitzondering niet erg, want de broek moet toch naar de stomerij, want er is een lik mosterd op gevallen (p. 165). Als Jan naar Kresse’s huis loopt, botst hij zowat tegen Kees de hondeman op, die toevallig ook komt kijken met een frot sigaar in zijn mond (p. 166). Kees slaat een keukenraampje in en gaat naar binnen, Jan volgt hem even later; in de keuken hangt nog de geur van gebraden vlees en koffie (p. 167). Lammers is in Kresse’s werkkamer papieren aan het uitzoeken en heeft een nieuwe sigaar opgestoken die echter uit zijn mond valt als Jan hem betrapt (p. 167). Als Bob en Arie bevrijd zijn, loopt ons drietal naar de keuken, waar ze van alle restanten het in de inleiding van deze serie artikelen (Nieuwsbrief 56) genoemde feestmaal maken: er is nog gekookte kip in blik, roomkaas, gember, ananas, paling in gelei, een blik peren op sap en een kist Coca-Cola, benevens wat brood in een trommel, maar daar kijken ze niet naar om. Arie ontfermt zich over de gekookte kip, die hij met mes en vork uit elkaar sloopt, Bob mixt ananas, peren op sap, stukken gember en likken aardbeienjam tot een onduidelijke substantie die hij vruchtensalade noemt en die hij met een soeplepel naar binnen werkt. We mogen aannemen dat de roomkaas en de paling in gelei een prooi zijn voor Jan (p. 173).
Het drietal rijdt richting Luik; in de buurt van Barchon zijn wegwerkers bezig en in ruil voor wat sigaretten vertellen die dat Miller een half uur eerder is langsgestoven (p. 181). Dick Parsons landt, haalt de schilderijen uit de vleugels en laat zijn vliegtuig in de fik vliegen om de bergplaats te laten verdwijnen; hij staat rustig naar het fikkie te kijken met een sigaret in zijn hoofd (p. 188), om precies te zijn: in zijn rechtermondhoek; je kunt zeggen van Dick Parsons wat je wilt, maar hij is wel een van de weinigen die zijn peuk weggooit en er een hak op zet om het ding te doven; weliswaar een beetje overdreven nadat hij zijn vliegtuig in de fik heeft gezet tegen een bosrand, maar toch … (p. 189). Als Parsons door de agent ondervraagd wordt, pakt hij weer zijn pakje sigaretten; het is onduidelijk of hij er tijdens dat gesprek ook eentje opsteekt (p. 190), maar op pagina 192 steekt hij zonder twijfel een vers exemplaar op. Hij gooit het ding half opgerookt het raampje van de auto uit (p. 193). Vrijwel onmiddellijk steekt hij een nieuw exemplaar op (p. 194). Het inmiddels vierkoppige gezelschap rijdt naar Humbeek; onderweg stoppen ze bij een kraampje langs de weg om Coca-Cola en worst, broodjes en chocolade te kopen (p. 194). Eenmaal in Humbeek, maar zonder „Sheherazade”, pakt Parsons maar weer eens een sigaret die hij voor de verandering eens niet aansteekt, maar waarop hij begint te bijten (p. 200). Jan, Bob en Arie kondigen aan dat zij gaan eten, maar ze gaan gedrieën in de Ford zitten (p. 201). Parsons gooit de half opgekauwde sigaret weg en pakt een nieuwe (p. 201).

Bombarie om een bunker” (1e druk, 1960) :
Aan het begin van het boek treffen we Arie Roos aan, die net inkopen heeft gedaan in Humbeek: zichtbaar zijn twee Belgische broden, drie gestoomde makrelen met gerookte koppen, flesjes Coca-Cola, een pakje margarine en een halve leverworst (p. 6). Omdat ze ietwat afgeleid worden door het wanhopige geschreeuw van Dick Parsons, komen ze pas op de pagina’s 11-14 aan eten toe; ook Dick krijgt een flesje Coca-Cola, maar om iets te eten is hij nog veel te zenuwachtig; als hij zijn flesje leeg heeft (p. 13), gooit hij het in het Humbeekse kanaal (p. 14); omdat Jan natuurlijk begint te zeuren over het statiegeld van maar liefst één dubbeltje, geeft Parsons hem een hele Duitse Mark; zelf neemt Parsons maar weer eens een sigaret; we komen nu ook eindelijk te weten dat zijn lijfmerk Lucky Strike is (p. 14). Ook deze sigaret verdwijnt half opgerookt door het portierraampje (p. 16). Nog op dezelfde pagina steekt hij weer een nieuw exemplaar op (pp. 16-17); hij krijgt ook een tweede flesje Coca-Cola, maar eten wil hij nog steeds niet. Hij vertelt hoe hij en zijn maatje Jerry de bunker ontdekten en laat geen detail weg, zelfs niet dat ze een sigaret opstaken (p. 18). Tijdens het verhaal zit Jan nog steeds Coca-Cola te drinken (p. 21). Parsons’ half opgerookte sigaret verdwijnt wederom door het autoraampje (p. 22). Verderop op dezelfde pagina grabbelt hij alweer in zijn pakje sigaretten. Parsons heeft nu ook zijn tweede flesje Coca-Cola leeg en gooit ook dit door het raampje het kanaal in, ditmaal vergezeld van twee kreten: een van Jan over het statiegeld en een van de oude visser die boos is dat de vissen aan het schrikken worden gebracht (p. 24). Tijdens het vertellen haalt Parsons op pagina 30 weer eens een Lucky Strike tevoorschijn; ook de jongeman in de Humbeekse smederij rookt, zij het Belgische sigaretten (p. 39).
Als Jan en Arie naar het beklimopte huis van Kresse gaan, neemt Arie een sneetje brood met leverworst mee, dat volgens Jan zo’n homp is dat een olifant er de Vierdaagse op kan lopen (p. 49). De lucht van die leverworst komt er op pagina 70 overigens weer uit, als Arie een zwiep krijgt van Dick Parsons. Als alle builen, schrammen en andere narigheden van de jongens zijn verbonden, heeft Arie koffie en een warme prak uit diverse blikjes – cornedbeef, doperwtjes, sperziebonen, boter en sambal – klaar (p. 81). Na afloop snoept Jan een reep Meurisse-chocola die hij in een keukenla heeft gevonden. Bob en Arie reconstrueren dat Jerry aan de hand van resten brood, lege Coca-Cola-flesjes, drie dooie visjes en kledingstukken heeft kunnen concluderen dat de Ford van Jan, Bob en Arie was (pp. 89-90). Nadat hij de Ford in de plomp heeft geduwd, gaat Jerry terug naar het dijkhuis van Kresse, omdat hij snakt naar een sigaret en hij op zijn logeerbed anderhalve slof Lucky Strike heeft liggen. Die krijgt hij echter nooit te pakken, omdat Jantje Prins het huis in de fik schiet (pp. 109-110). Maar als hij en zijn maatje Dick Parsons bij de Ferrari arriveren, steken ze toch allebei een sigaret op, uit Parsons’ pakje (pp. 134-135). Ook Kresse steekt een sigaret in een mondhoek en Arie geeft hem vuur met een weggesprongen splinter hout van Kresse’s huis (p. 159) het eindje sigaret wordt op p. 163 weggegooid door Kresse. Miller en Parsons worden bevrijd door de bemanning van een voorbijvarend schip en krijgen koffie, waardoor Arie’s maag begint te rommelen (p. 179).

Ali Roos als Arie Baba” (1e druk, 1960) :
Met de van Jerry Miller gestolen Ferrari begeeft het drietal zich van Humbeek naar Antwerpen; meteen al op pagina vijf heeft Arie een mond vol voedsel; op de vraag wat hij dan wel zit te eten laat hij een smerig stuk kaas zien dat hij blijkbaar al die tijd in een zak van zijn regenjas verborgen had gehouden (p. 6), hetgeen Van der Heide de gelegenheid geeft om te goochelen met de dubbele betekenis van „vies” in het spreekwoord „vieze varkens worden niet vet”. Tussendoor beweerde Arie dat hij als kind ooit twee briefjes van honderd gulden heeft opgegeten, maar dat die niet erg voedzaam waren. Arie loopt vervolgens een café binnen om te bellen en een kop koffie te drinken (p. 11); hij loopt weer naar de Ferrari om een briefje van duizend gulden te vragen aan Jan, die denkt dat dit zelfs voor Arie’s doen nogal veel is om broodjes kaas of uitsmijters met Coca-Cola aan te schaffen (pp. 11-12), maar Arie heeft andere plannen met dat geld. Wel bestelt hij in het café zes broodjes kaas, zes broodjes ham en zes broodjes lever om mee te nemen (p. 14). Als Arie midden in de nacht zijn vader belt om verslag te doen, wil die pas naar hem luisteren als hij een sigaret heeft opgestoken (p. 15). Pas nadat het telefoongesprek is afgelopen, kunnen Jan en Bob eindelijk aanvallen op hun broodjes (p. 24). Arie gaat het café weer binnen en bestelt nog en kop koffie plus drie hard gekookte eieren, een broodje lever en een broodje kroket (p. 25): een redelijk karige maaltijd, vergeleken met de achttien broodjes die hij zojuist aan Jan en Bob heeft overhandigd. Op pagina 27 blijkt dat het café niet alleen langs het kanaal staat, maar deel uitmaakt van een compleet gehucht of dorp; ze rijden tot een klein, driehoekig pleintje waar een gesloten „frietkot” staat.
Miller en Parsons nemen hun intrek in „Hotel Popularis” en Jan, Bob en Arie in het „Stateside Hotel”, beide in Antwerpen; om nóg Amerikaanser te lijken dan hij al is, doet Bob bij binnenkomst alsof hij gum kauwt (p. 31). De grote Antwerpen-kenner Miller weet dat in deze stad tentjes en cafeetjes open zijn (p. 53), dus hij stuurt suffe Parsons erop uit om wat eetbaars te organiseren: warme gehaktballen, worstjes of broodjes kaas, het is hem om ’t even, zolang het maar veel is (p. 54). Op p. 60 ziet Bob voor het eerst de enorme truck met stalen pijpen en twee pagina’s verder hebben de chauffeurs ervan het over het drinken van „betere” koffie in een cafetaria. Na het intermezzo van Jan bij een sinaasappelkar (pp. 63-64) komen de chauffeurs de cafetaria uit met papieren zakken vol voedsel en kartonnen bekers met coffee-to-go, zoals dat in modern „Nederlands” heet. (p. 65).
Intussen zit Miller in zijn hotel Parsons te vervloeken, omdat deze in een stad die gonst van het nachtleven (Antwerpen) nog niet eens in staat is wat broodjes en een paar harde eieren of een zakje patates frites op de kop te tikken; hij rookt anderhalve sigaret en komt dan maar zelf in actie om etenswaar op te snorren (pp. 75-76). Met dat al is Jan de drie schilderijen kwijt, dus hij zoekt, maar vindt in portieken alleen een leeg sigarettenpakje, een handvol sinaasappelschillen en een krant (p. 76). Ook de stoep voor een cafetaria is bedekt met lege sigarettendoosjes, kauwgomwikkels en platgetrapte peuken (pp. 77-78). In die cafetaria ziet Jan door het raam o.a. een hypermoderne, verchroomde koffiemachine, enkele glazen kastjes waarin kroketten, gehaktballen en worstjes warm werden gehouden plus een neger die een enorme leverworst in hompen staat te snijden. Het laatste stukje van die worst gooit hij op de grond, in de hoop dat een hond, zo vet als een big, het wel zal opvreten (p. 78). Jan wijst een groot stuk leverworst aan dat hij wel voor de tien franken die de neger ervoor vraagt, wil kopen, maar de neger is zo onbeschoft om hem voor deze prijs een veel kleiner stuk te verkopen; als Jan protesteert, krijgt hij helemaal geen worst (pp. 78-79). In een hoek van de cafetaria zit een mannetje met een hoedje op onder het genot van een kop koffie de door Bob op straat gelegde schilderijen te bekijken, samen met drie andere cafégasten (p. 80). Als Jan zijn schilderijen terug wil, komt de neger zich er ongevraagd mee bemoeien, onderwijl een sigaret van zware shag rollend (p. 81). Als Jan zich heeft vastgekletst, begint het mannetje met het vettige hoedje de zaak pas echt interessant te vinden en hij wil nog een glas Coca-Cola (p. 84). Dan stapt Jerry Miller uitgerekend deze cafetaria binnen en wil wat te eten bestellen, als zijn oog op de schilderijen valt; een chauffeur die een broodje warme worst gereed houdt om erin te bijten, geeft de voorkeur aan de Coca-Cola-kalender boven deze schilderijen (p. 86). De bemoeizuchtige neger komt achter zijn toonbank vandaan, kauwend op een pluk leverworst (p. 88). Miller graait zijn schilderijen bij elkaar en bestelt een kop koffie en een paar hot dogs (p. 90). Ook Jan bestelt en krijgt een kop koffie (p. 91). Tot Jans ontzetting verklaart Arie dat hij alle consumpties van Miller en Jan zal betalen (p. 91); zelf bestelt Arie twee broodjes biefstuk tartaar, twee harde eieren, een stuk appelgebak en een glas Coca-Cola (p. 92). Blijkbaar bestellen ze nog veel meer, want op hun tafeltje komt een keurcollectie schoteltjes met broodjes allerlei, die net zo snel worden verorberd als ze worden aangedragen; Miller eet o.a. nog een gehaktbal (p. 92), waarop hij een fikse lading mosterd smeert (p. 93). Dat is voor hem nog niet genoeg, want hij pikt ook een van Arie’s eieren (p. 93). Jan bestelt op Arie’s kosten nog een broodje ham (p. 95) en later, als Arie met zijn telefoonmarathon bezig is, nog een glas Coca-Cola (p. 97). Een van de cafetariabezoekers blijkt een taxichauffeur, die nog snel een half broodje kaas in zijn mond propt voordat hij Jan en Arie naar de Komeetstraat brengt, waar het pakhuis van De Goederen is (p. 100).
De chauffeurs van Bobs pijpentransport stoppen, zodra ze de grens zijn gepasseerd, hetgeen Bob en Parsons de gelegenheid geeft om uit hun bijzondere vervoermiddel te ontsnappen (p. 145). Bob wil ook wat eten en koffie drinken (p. 146), maar heeft geen geld bij zich; gelukkig heeft Jerry Miller zijn (ex-)slaafje wat geld meegegeven (p. 147). Intussen gaat Arie in „Hotel Popularis” in Antwerpen informeren naar Dick Parsons; in de vestibule van het hotel hangt de geur van koffie (p. 155). Arie belt Bob en bestelt een kop koffie (p. 157). In het Duitse chauffeurskoffiehuis eet Bob twee portiers gebakken eieren met ham (p. 161); hij veronderstelt dat Parsons ergens in een café of hotel koffie zit te drinken (p. 161). Blijkbaar heeft ook Bob koffie gedronken, want op pagina 163 rekent hij die af. Bobs veronderstelling dat Parsons in „Zur Krone” aan de koffie zit, klopt (p. 164). Bob bestelt nog meer koffie voor hemzelf en Parsons (p. 165). Bob weet dat Jan en Arie geld bij zich hebben om de rekening te betalen, dus hij spoort Parsons aan om iets te bestellen, desnoods een compleet gebraden zwijn (p. 166). Bob slaagt erin Parsons dusdanig te troosten dat die zelfs weer trek krijgt in nog een kop koffie, dus Bob bestelt er twee (p. 169). Arie stopt in Frankfurt am Main en koopt in een soort van broodjes- en koffiezaak een ontzagwekkende hoeveelheid voedsel: zes papieren zakken met broodjes dit-en-dat, een complete uit Holland geëxporteerde Edammer Kaas, een worst van bijna twee kilo, twee dozijn gekookte eieren compleet met zout, wat kartons flesjes Coca-Cola en twee dozijn repen chocolade (p. 173). Al rijdende wordt het merendeel daarvan opgegeten door Arie, Bob en Parsons; Jan ligt nog achterin te slapen (p. 176). Er is gelukkig nog voldoende eten over om pakketjes proviand te maken, die meegaan op de wandel- en klautertocht naar de bunker (p. 180). Arie belooft Parsons een extra hard ei als hij hen keurig naar de bunker leidt (p. 181). Op de top van de tweede helling rust het viertal even uit en trekt flesjes Coca-Cola open; zuinige Jan drinkt er zelfs twee leeg, nadat Parsons hun heeft verteld dat er een beekje met helder water aankomt (p. 183). De bunker zelf kan de goedkeuring van Bob niet verdragen, want het ding heeft niet eens stromend water (p. 188).

Heibel in Honoloeloe” (1e druk, 1961) :
Na afloop van het kunstschatten-avontuur vinden we de drie jongens terug in Antwerpen, waar ze in de lobby van een hotel gaan zitten om wat losse eindjes te regelen (telefoontjes naar Amsterdam en Pittsburgh/Pa., brieven schrijven en overleg over de vraag wat ze met de buitgemaakte veertigduizend gulden moeten doen; dat doen ze onder het genot van een potje koffie met veel suiker (Jan), Coca-Cola met een portie kaas (Arie) en een kop chocola met een bak slagroom (Bob) (p. 7). Omdat Bob aan de telefoon te horen heeft gekregen dat hij geacht wordt even een kleine omweg via Hawaii te maken, is hij zo uit het veld geslagen dat hij Jans kop koffie in één teug leegt (p. 14). Volgens Arie hebben ze naar nooit zulke lekkere kaas als in Antwerpen, maar een van de twee anderen attendeert hem op het feit dat ze er wel ananassen hebben (p. 15). Jan en Bob gaan van alles en nog wat regelen, maar Arie gaat de hoeveelheid contant geld tellen, waardoor hij bijna een toekijkende piccolo met een blad vol glazen sherry laat struikelen (p. 17). Arie brengt het geld naar een Antwerpse bank, die het over zal maken naar een bank op Hawaii, waar Arie het bizar genoeg niet met een rekeningnummer of legitimatiebewijs, maar met het codewoord „ananas” weer kan ophalen (p. 18). Tijdens de eerste delen van de vlucht tussen Antwerpen, Londen, Shannon, New York en San Francisco eten de jongens blijkbaar niets, al maakt Jan wel nog een opmerking over Amerikaanse uitvindingen als sigaretten met filters, tandenborstels in cellofaan en bacillenvrij drinkwater (p. 21) en haalt Arie een anekdote op over de whisky van generaal Grant (p. 22). Ergens tussen New York en San Francisco komt dan eindelijk een stewardess met voedsel en Arie neemt aan dat Jan ditmaal net zo veel zal eten als hijzelf, omdat het voedsel bij de vliegprijs is inbegrepen (p. 23).
Hun Hawaiiaanse connectie George Simpson pakt een pakje filtersigaretten (p. 30) en frunnikt erin, maar is een bladzijde verder pas zo ver dat hij er een kan opsteken. Eenmaal aangekomen in het „Halekulani-Hotel” bestellen ze allereerst vier glazen ananassap met ijs (p. 31), die op pagina 33 worden bezorgd. Na het overleg gaat Simpson thuis eten (p. 46), maar de drie vrienden bestellen eten op hun kamers: voor Arie geen soep, maar wel een complete gebraden kip met compote en rijst en ananas met slagroom na; Jan wil aspergesoep, gevolgd door een dubbele biefstuk met gebakken aardappels en sla plus als dessert ijs met vruchten na. Wat Bob bestelt, komen we niet te weten, maar dat Arie een ananas bestelt, wordt door Jan vergeleken met iemand die in Nederland een bord gras eet; Arie daarentegen hoopt dat ze ananaskramen hebben, zoals wij in ons aardappelland patates frites-kramen hebben; blijkbaar hoort er bij de bestelling ook water, want een van de bedienden die het eten komt brengen, schenkt van schrik een plas water over de tafel (p. 48); het eten zelf wordt gebracht en verorberd op pagina 54. Arie vindt de Coca-Cola- en andere neonreclames niet passen bij de Stille Zuidzee (p. 56). Simpson wil weer een sigaret opsteken en ditmaal komen we het merk te weten: Lucky Strike (p. 58).
De geuren van de planten en bloemen doen de drie jongens weemoedig denken aan hun eigen avonturen, een eindje verderop in die Stille Zuidzee, zonder hotelkamers waar je gebraden kippen kon bestellen, maar waar ze die beesten zelf moesten vangen en braden (p. 62). De gevangen Zakaroea vertelt hoe hij een paar dagen eerder in „Harry’s Bar” een Coca-Cola stond te drinken toen hij werd aangesproken door een lange Amerikaan die dunne sigaartjes rookte (p. 64). Daarop gaat Bob poolshoogte nemen in „Harry’s Bar” waar de schemerlampen bestaan uit peertjes of fietslampjes in buitenmodel rumflessen (p. 70) en de luidsprekers zijn gemonteerd in de voorkanten van biertonnetjes (p. 71). Aan de bar zit een witharige man somber in een klein, halfvol glas te staren, terwijl Bob een glas Coca-Cola bestelt (p. 71). Boven de bar hangt het geraamte van „Fred” die voor vijf-en-een-halve dollar aan whisky had opgedronken, maar die geen geld had om te betalen. Terwijl Bob aan de slag gaat om een bordje met tekst te schilderen om aan „Fred” te hangen, komt gangster Mac binnen, die een whisky en een gemberbier bestelt (p. 74); hij mikt de whisky in het gemberbier en wil er meer ijs bij (p. 75). Hij bestelt er nog een en zet op Bob aan om een beloning te vragen voor het schilderen; deze bestelt nog een glas Coca-Cola (p. 76). Volgens de eigenaar van „Harry’s Bar” zijn zeelui kerels die zich zo snel mogelijk laten vollopen met whisky en daarna of in slaap of van hun kruk vallen (p. 78). Bob bestelt nog een Coca-Cola en hoort de barman uit (p. 78). Er komt een Amerikaanse sergeant binnen met een Hawaiiaanse verovering, die gum kauwt, hetgeen geen gezicht is (p. 79). Intussen rijden Simpson, Jan en Arie door de Chinezenwijk naar het onderkomen van Zakaroea; op de Chinese vismarkt kun je volgens Simpson inktvis en alle andere denkbare zeevis, vanaf krab tot en met haaienbout per kilo kopen. „Leuk als souvenir om naar huis te sturen,” schertst Jan (p. 82). Ze passeren op hun verdere route ananasinblikfabrieken en ananasplantages (p. 83). Bij de bungalow van Zakaroea stuit Jan op Mac die een sigaret rookt (p. 92). Dankzij een Hawaiiaanse jongen en een sigaret rokend meisje die op zoek zijn naar een rustig plekje wordt Jan uit zijn netelige situatie gered (pp. 93-94). In het hok van Zakaroea staat niet veel soeps, een bed en een tafel met een half bordje en wat lege Coca-Colaflesjes erop is het wel zo’n beetje (p. 97).
In „Harry’s Bar” zit Bob intussen in zijn Coca-Colaglas te staren als de ontsnapte Zakaroea binnenkomt (p. 109); Bob zet het op een lopen, met Zakaroea en de aapmens achter zich aan; de in de kroeg achtergebleven Bennie maakt gebruik van de situatie en schenkt zichzelf een bijzonder vol glas whisky in (p. 111); Bennie vindt zijn trouwe helper maar een halfnikker en schenkt nog een tweede glas in en biedt zelfs andere gasten een glas aan, maar die weigeren (p. 112). Agenten rekenen Bob in en smijten hem in een politie-auto; een van hen steekt tevreden een sigaret op (p. 117); de aapmens beschuldigt hem van het zeer zware misdrijf, zes glazen Coca-Cola niet te hebben afgerekend (p. 118). Nadat Bob te kennen heeft gegeven dat hij genoeg geld op zak heeft om des aapmensen gehele drankvoorraad op te kopen (p. 121), wordt hij weer op vrije voeten gesteld (p. 124).
Simpson schakelt Mac met een welgemikte klap uit (p. 132) en ontdekt dat hij nog een verfomfaaid pakje sigaretten heeft, waaruit hij er één opsteekt (p. 133). Hij gaat zijn Cadillac halen, Jan en Arie met hun gevangene achterlatend; boven hun hoofden klinkt gestommel en plotseling ruikt Arie een whiskygeur (p. 136). Bob en Zakaroea zijn intussen aan een tweede renwedstrijd begonnen en vluchten de wagen van een Chinese wasserij in (p. 145); Bob schakelt Zakaroea uit (p. 150) en gaat zelf in de cabine bij de chauffeur zitten die hem afzet bij een dag en nacht koffietent met telefoon (p. 152). Simpson, Jan en Arie zijn intussen bij „Harry’s Bar” aangekomen en constateren dat alle lichten uit zijn, maar dat de deur wel open staat; binnenin hangt een zware lucht van oude sigarettenrook, bier en whisky (p. 154), maar van de eigenaar is geen spoor te bekennen; de geopperde suggestie dat de eigenaar misschien een zak friet is gaan kopen verklaart niet waarom de deur open is. Simpsons Zippo verlicht de ruimte, waardoor het drietal vaag de luidspreker-biervaatjes, glazen en flessen en achter de bar lege Coca-Cola-flesjes en peuken kan onderscheiden (p. 155) benevens een onder een tafel verstopte aapmens, die na zijn ontdekking als eerste een sigaret wil opsteken (p. 156). Onder dwang vertelt de aapmens dat Mac en Bennie al een dag of tien à twaalf in zijn kroeg komen om whisky te drinken en ergens in de buurt in een restaurant te eten, want koken kunnen ze niet (p. 160). Als de aapmens is gebonden en Simpson, Jan en Arie op verder bezoek wachten, rookt Simpson een sigaret (p. 162). Arie scharrelt een paar flesjes Coca-Cola op en maakt ze open, maar omdat zich net op dat moment een nieuwe figuur aandient, wordt de cola vooralsnog niet gedronken (p. 163). Het blijkt om een onschuldige toerist te gaan, die zoveel stennis schopt dat ze gedwongen zijn hem ook vast te binden (pp. 165-166). Net als Arie eindelijk zijn cola wil drinken, komt er alweer een nieuwe bezoeker (p. 166). Voor ze weer een vergissing begaan, geeft Arie hem een flesje Coca-Cola, neemt er zelf uiteraard ook een en hoort de man uit (pp. 167-168); hij geeft hem nog een tweede Coca-Cola, maar op zijn aanbod om er een neutje whisky bij te doen gaat de man niet in (p. 168). Hij blijkt ingenieur Nijgaard te zijn op wie Mac en Bennie met smarten wachten; een derde Coca-Cola slaat hij af, maar Simpson, Jan en Arie weten nu genoeg, dus ook deze man wordt vastgebonden (p. 169); hij krijgt de opveegdoek van de bar tussen zijn kaken, zodat hij meteen nog een smaakje bier en whisky voor de hartigheid heeft (p. 170). De derde bezoeker blijkt tot ieders verbijstering Zakaroea; ook hij wordt in no time gebonden (p. 171). De volgende twee bezoekers arriveren samen: Mac en Bennie; Bennie doet de suggestie dat de aapmens te veel whisky heeft gedronken en nu ergens dronken ligt (p. 173). Twee bladzijden verder scharrelt Bennie zelf achter het buffet, op zoek naar whisky (p. 175). Bennie schiet de bierpomp lek, met een enorm schuimfestijn tot gevolg (p. 177). Juist door het schuim wordt Arie, die bewusteloos was gemept, de eerste persoon die door grote hoeveelheden koel bier abnormaal snel bij zijn positieven is gebracht (p. 180). Mac en Bennie zijn er vandoor als Bob Evers zich als volgende bezoeker aandient (p. 183).
Dankzij opmerkingen van Nijgaard weten Simpson, Jan, Bob en Arie nu waar Mac en Bennie wonen en ze gaan op weg naar dat huis; Arie belooft een flinke pot koffie te zetten als ze de twee eenmaal overmeesterd hebben (p. 190). Zover komt het niet, want nadat de Mac en Bennie hebben uitgeschakeld en Simpson zijn geliefde prototype terug heeft, besluiten de drie jongens om koffie in het hotel te drinken en het vliegtuig van negen uur ’s ochtends te nemen (p. 197).





Mijnheer Flint zonder hoed op zoek naar een bruid
(anonymus)

Velen weten dat Willem zijn debuut maakte in „Noordbrabantsch Dagblad Het Huisgezin” . Het bekendst zijn de Joop en Peter-verhalen, in 2014 gebundeld in het alleraardigste boekje „Drie kwajongens op zwart zaad” , maar Willem heeft nog veel meer geschreven voor deze krant uit zijn geboortestad; vrijwel alle verhalen verschenen anoniem, dus het is vaak lastig om uit te maken wat van Willem is en wat niet. Twee gemeenschappelijk kenmerken die deze vroege, korte verhalen van Willem hebben, zijn het gehannes met namen, waar Willem z’n leven lang last van zou hebben (de hoofdpersoon in dit verhaal heet dertien maal Gormsen en eenmaal „Gormens”, de landeigenaar heet eenmaal Eckberg en eenmaal Eckbert; hieronder overigens verbeterd) en het gelukkige, maar onverwachte einde, zoals in onderstaand verhaaltje, dat op 2 mei 1936 in genoemde krant verscheen.


Daags voordat Gormsen naar Nestreep reizen wilde, waar hij ’n betrekking als inspecteur van den tuinbouw gevonden had, liep hij door den botanischen tuin om de gewassen te bekijken of er misschien nog iets zijn zou, wat hem in zijn nieuwe betrekking van nut kon zijn. Daar ontdekte hij een blauw-grijze veer, raapte ze op en stak ze tusschen den band van zijn hoed. Een dame die voorbij ging lachte veelbeteekenend.
Toen hij den volgenden morgen aan boord van het stoomschip ging, bemerkte hij, dat hij niet de eenige was die een veer op den hoed had: op het promenadedek slenterde een man wiens hoed versierd was met een groote zwarte veer. Deze veer viel zeer in het oog. Ook den man zelf kon men niet goed over het hoofd zien. Hij was buitengewoon zelfbewust. Gormsen voelde, dat hij hem, ofschoon hij hem totaal onbekend was, niet goed lijden kon. Het gezicht van den heer had een brutale harde uitdrukking.
Het was een frissche dag met klare hemel en een scherpe wind. Toen men in open zee kwam, waar het schip van koers veranderde, werd de wind plotseling zóó krachtig, dat alles wegvluchtte en zich tegen den wind trachtte te beschutten.
Ook de onsympathieke heer zocht een beter heenkomen. Maar terwijl hij opstond, rukte de wind zijn hoed af en een golf spoelde hem overboord. Gormsen was innerlijk blij, en keek verbaasd op, toen de man rechtstreeks naar hem toekwam. „Wilt u mij uw hoed verkoopen?” vroeg hij met gemaakte vriendelijkheid.
Zoo voorkomend mogelijk, antwoordde Gormsen: „Het spijt me, maar ik heb mijn hoed zelf noodig.”
De man keerde zich bruusk om. Toen de stoomboot tegen den middag Sendborg bereikte, waar Gormsen aan land moest gaan, stapte ook de man zonder hoed uit. Het gelukte Gormsen onder de eersten te zijn, die aan land gingen, terwijl de andere ver achter hem bij de landingsbrug stond, waar de passagiers elkaar verdrongen.
Gormsen had nauwelijks eenige schreden aan land gedaan of hij werd door een jonge dame aangehouden. Ze reikte hem de hand toe en zei: „Goeden morgen!” Gormsen was verbaasd, hij had niet verwacht, dat iemand van het landgoed hem zou afhalen en wel het allerminst, dat men hem een jong meisje tegemoet stuurde.
„Komt u mij afhalen?” vroeg hij aarzelend.
„Ja zeker,” antwoordde zij en keek hem eenigszins verbaasd aan, als vond zij zijn vraag overbodig.
„Ik heb een auto besteld, die u straks naar huis brengt. Laten we eerst in een café op de Markt een kop thee nemen?”
Hij kon daar niets tegen in brengen en toen hij in de auto zat, die hem later verder brengen zou, had hij schik in dit onverwachte avontuur. „Naar huis rijden” zou de wagen hem – misschien was zij wel de dochter van den landeigenaar …
In het Markt-café vonden zij een gezellig plekje aan een hoekraam. Men kon door het venster het bedrijvig gedoe op de Markt gadeslaan en bleef zelf voor nieuwsgierige blikken verborgen.
Het meisje keek met belangstelling naar buiten, naar het marktplein. Zij was ook verlegen en wist niet goed, hoe zij het gesprek moest aanvangen. Ook hij vond niet de juiste woorden maar plotseling vroeg hij toch:
„Bent u de dochter van den landeigenaar Eckberg, juffrouw?”
Zij staarde hem verbluft aan.
„Neen, maar hoe komt u daarbij ja … bent u dan mijnheer Flint niet?”
„Neen, neen, maar mijn naam is Gormsen.”
„Maar … maar, u had toch een veer op den hoed?”
Zij stond plotseling en verward op en scheen haast te hebben om weg te komen. Maar Gormsen legde kalmeerend zijn hand op haar arm: „Blijf kalm, juffrouw. We zullen dit misverstand wel even oplossen. Wilde u een man ontmoeten, die een veer op den hoed droeg?”
„Ja, iemand dien ik niet ken. We hebben elkaar enkele brieven geschreven tot nog toe. Tenslotte stelde hij mij voor, dat hij naar hier zou komen, om elkaar te leeren kennen. Ik heb niet eens een foto van hem gezien. Maar hij schreef, dat hij een veer op den hoed zou dragen. Was er nog iemand aan boord met een veer op den hoed?”
„Ja, maar de hoed vloog in zee; de storm rukte hem den hoed van het hoofd. U moet er u maar niet over ergeren, want ik geloof, dat u van dien mijnheer geen spijt behoeft te hebben.”
„Kent u hem dan?”
In plaats van de vraag te beantwoorden, wees hij naar de markt: „Daar gaat hij!”
Zij keek met spanning naar buiten, maar schoot terug, zoodra ze hem gezien had. Flint maakte op dit oogenblik ook niet juist den besten indruk. De wind rukte aan zijn dunne haren en zijn gezicht was rood en verwrongen van woede en ergernis. Hij liep met korte woedende schreden en keek toornig naar alle kanten. Hij was blijkbaar tot een daad van geweld bereid. Gormsen keek haar aan en vroeg: „Zal ik hem roepen en hem uitleggen hoe de situatie is?”
„Neen, neen!” verzocht zij, „laat hem maar verder loopen. Ik kon immers ook niet weten, dat hij er zoo uitziet. Zijn brieven waren zoo heel anders als hij zich hier vertoont.”
Flint verdween om een hoek en het meisje slaakte een zucht van verlichting.
„Drink uw kopje eerst leeg,” zei hij, „en tracht de geschiedenis te vergeten. Ik kan u nu, jammer genoeg, niet langer gezelschap houden. Ik heb een betrekking in Nestreep gekregen bij den landeigenaar Eckberg, die hier uitgestrekte tuinderijen bezit. Maar als u het goed vindt kunnen we misschien Zondag elkaar ontmoeten en wat met elkaar keuvelen. Zondag hier in het café op denzelfden tijd?”
Zij knikte en zij ontmoetten elkaar niet alleen op den afgesproken Zondag, maar ook in de week later, zeer dikwijls. En nu heet zij mevrouw Gormsen en bewaart onder haar souvenirs als grootste schat een blauw-grijs veertje.





Diversen uit Oude Dozen
(diverse auteurs)

Onderstaand stukje tekst is afkomstig uit Candy nr. 35: onder de titel flitsen door tante ina bespreekt een van de medewerksters (of medewerkers?) van het blad opmerkelijke nieuwe boeken, tijdschriften en wat dies meer zij, uiteraard allemaal op seksueel gebied. Vanaf het eerste nummer was Willem W. Waterman een soort los-vaste medewerker aan het blaadje, tot hij overstapte naar een concurrerend blad, Cash; daarna volgden er over en weer wat onvriendelijkheden die uitgebreid in beide blaadjes werden gepubliceerd. Het onthullen van de serie pseudoniemen waarvan de heer W.H.M. van den Hout zich bediende, lijkt in dat beeld te passen; het vermelden van het feit dat Willem op een Amsterdamse woonboot woont, maakt een datering tussen 1972 en 1974 mogelijk. „Tante Ina” was overigens beter op de hoogte van de seksuele spelregels dan van de Nederlandse spellingsregels, zoals uit het niet verbeterde of veranderde stukje tekst zal blijken.

Voor me ligt weer een stapel nieuw verschenen sexbladen en wat boeken. Maar ik ga nu eerst even wat eten, want zoiets moet je wel met een volle maag doorworstelen, vind ik. Een zeer opmerkelijk boek, om diverse redenen, is “DOKTER, IK KOM NIET KLAAR” van dokter Mc.Inverness, uitgekomen bij “Aquarius”. Het zijn een aantal case-histories van met sexuele problemen worstelende dames, die hun hart bij de in ons land praktiserende amerikaanse arts uitstorten. De arts heeft alles slim op bandjes gezet, en vandaar dit boek. Het laatste hoofdstuk, getiteld “De Bizarre Geschiedenis Van Moeder Lola En Dochter Lolita”, gaat over moeder en dochter die zich in de meest ongelooflijke sexuele avonturen storten en daar volkomen overspannen van raken. Deze moeder-en-dochter bestaan echt! Moeder is momenteel een zeer bekende lerares en therapiste met uitgebreide praktijk van haagse society-vrouwen, terwijl dochter-lief thans directrice is van een aanverwant soort massage-instituut in Rotterdam, waar ze dikke vrouwen dun proberen te maken, weetuwel. Mc.Inverness, de psychiater-schrijver, heeft vanzelfsprekend de namen veranderd, maar voor insiders is het niet moeilijk uit te zoeken wie wie is. Trouwens, Mc.Inverness heeft niet alleen de namen van de betrokkenen veranderd, maar voor ’t gemak ook zijn eigen naam. Achter het pseudoniem Mc.Inverness gaat een oerwoud van namen schuil. Victor Valstar, Sylvia Sillevis (meisjesboeken!), Zsa Zsa Fergusson, Willy van de Heide (jongensboeken!), Willem W. Waterman en nu dus C.B. Mc.Inverness staan allemaal voor één persoon, namelijk de heer W.H. van den Hout. Onder de naam Willem de Waterman komt er bij Johnny Hoes bovendien een langspeelplaat uit van deze op een amsterdamse boot wonende haagse heer, die zoiets als “Kroegs- Scheeps- en Soldatenliederen” gaat heten.


Van geheel andere orde was het pro-Sovjet-krantje De Waarheid – een letterlijke vertaling van het Russische woord ПРАВДА, de naam van het soortgelijke communistische roddel-, leugen- en propagandablaadje in de Sovjet-Unie –, dat op 21 november 1953 onder de kop „Grove sensatie-boeken” onderstaande antireclame voor fatsoenlijke jeugdboeken uit het Vrije Westen maakte:

Een heel ander soort fantasie-boek is „De vliegende schotel van professor Lepidus”, door W. N. van der Sluys (Kluitman, ƒ 4.50) dat aanknoopt bij de vele dwaze verhalen in de burgerlijke pers over vliegende schotels e.d. Verhalen die in de meeste gevallen moeten dienen om de oorlogspsychose aan te wakkeren. Weliswaar laat de schrijver prof. Lepidus zeggen dat hij zijn uitvinding niet voor oorlogsdoeleinden wil laten gebruiken, de hele sfeer van sensatie en spionage in dit boek bevalt ons toch geenszins.
Ook „Drie jongens als circusdetective” en „Tumult in een toeristenhotel” van Willy van der Heide (Stenvert, ƒ 4.50) doen ons te Amerikaans aan. De Amerikaan Bob Evers beleeft samen met twee Nederlandse jongens avonturen, die ontaarden in allerlei grove knokpartijen met schieten-en-al. In het ene boek begroeten de jongens elkaar met een vloek als „You son of a gun”, in het andere heet het: „Op die manier kunnen we een onschuldig oorlogje spelen.” Verwerpelijke lectuur.


Redactielid John Beringen duikelde een foto uit 1966 op van het stationsgebied in Utrecht; op dat moment stond het oude stationsgebouw van Sybold van Ravesteyn, op de trappen waarvan „Kabaal om een varkensleren koffer” begint, er nog in al z’n glorie.

De fotograaf stond met zijn rug naar het station (zie ook Nieuwsbrief 43); in het rode driehoekje (hoe toepasselijk) zien we de telefooncellen staan die worden genoemd op bladzijde 70 van „Kabaal om een varkensleren koffer”. Achter de telefooncellen zien we de parkeerplaats van Het Jaarbeursgebouw (gesloopt in 1970). En waar toen de parkeerplaats was, zou later het muziekcentrum gebouwd worden (dat inmiddels ook al gesloopt is). Op de hoek zien we de halfronde gevel van Hotel Smits; op de vierde verdieping daarvan projecteerde het „Utrechts Nieuwsblad” een lichtkrant. Dat gaf ons (maar Jan en Arie blijkbaar niet) wel wat afleiding als we op de bus stonden te wachten, want je kon daar het nieuws lezen dat middels lampjes voorbij trok. Op de achtergrond zien we de zgn. „Neude-flat” die in die tijd werd aangemerkt als „het lelijkste bouwwerk van Utrecht”

Voor alle duidelijkheid is het misschien goed om te vermelden dat het Jaarbeursgebouw zich van 1921 tot na 1953 op het Vredenburg, naast het hier afgebeelde plein, bevond: in 1942 werd het houden van jaarbeurzen verboden door de nazi’s, maar vanaf 1946 werd de traditie voortgezet; door het groeiend aantal deelnemers werd het gebouw aan het Vredenburg al snel te klein en in 1953 – hetzelfde jaar waarin „Kabaal om een varkensleren koffer” verscheen – werd aan de andere kant van het station, aan de Croeselaan, de eerste hal van de nieuwe Jaarbeurs opgeleverd: de Bernhardhal. Meer hallen volgden aan de Croeselaan, zodat het oude Jaarbeursgebouw op het Vredenburg in 1970 gesloopt kon worden; op bovenstaande foto uit 1966 moet het oude Jaarbeursgebouw er dus nog staan, maar het gaat geheel schuil achter de schuine nieuwbouw geheel rechts.





Enkele foto’s uit Potsdam
Roger Schenk

Deel twintig in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie voert ons naar de hoofdstad van de Duitse deelstaat Brandenburg: Potsdam.
„Potsdam” betekent níét een dam in Pots, zoals Amsterdam een dam in de Amstel was en Rotterdam eentje in de Rotte. De naam Potsdam is afgeleid van het Sorbische woord Podstupim, dat „voorpost” betekent. Het in de tiende eeuw gestichte dorpje bleef lang onbeduidend totdat Friedrich Wilhelm I., keurvorst van Brandenburg, de plaats uitkoos om er zijn zomerresidentie te vestigen; die residentie was een getrouwe kopie van Huis Honselaarsdijk, dat de keurvorst tijdens zijn verblijf in Nederland had leren kennen. Friedrich Wilhelm I. (lekker makkelijk, al diezelfde namen!), koning van Pruisen, bijgenaamd de Soldatenkoning, en zijn zoon Friedrich II. der Große, eveneens koning van Pruisen, breidden de residentie uit tot wat nu Sanssouci heet, een paleis dat ook Arie Roos kende.


Kaartje van Potsdam.
De nummers 1 t/m 9 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.



Tegen zeer grove betaling nam Kurt Wilhelms, de chauffeur van de Scania-oplegger, Arie Roos aan het begin van „Bakkeleien in een Berlijnse bios” mee van de zandafgraving bij Reckahn naar Potsdam; vanuit de plaats Werder rijden ze langs een van de vele langwerpige meren Potsdam binnen. In werkelijkheid gaat het hier niet echt om meren, maar om verbredingen van de Havel. (1)



Inmiddels hebben Arie en de op geld beluste chauffeur uit de voormalige, zogenaamd communistische DDR balen tabak van elkaar, dus Arie is blij dat Wilhelms hem op de voormalige Lenin Allee eruit zet, dicht in de buurt van Bahnhof West. Het station bestaat nog steeds, maar heet sinds 1993 Bahnhof Potsdam Charlottenhof, zoals ook zo veel straatnamen in de voormalige DDR sinds 1991 van naam veranderd zijn – meestal vanwege politieke redenen, maar in de naam Bahnhof West kan zelfs ik niets aanstootgevends vinden. (2)



De Imbiss bij het station, waar Arie een halve liter koffie en een onwaarschijnlijke hoeveelheid brood wegwerkt, zich voor vijf D-Mark mag wassen (inclusief een dot tandpasta die hij bij gebrek aan een tandenborstel met zijn vinger op zijn tanden aanbrengt) en waar men tegen betaling van nogmaals vijf D-Mark bereid is een garage te bellen, bestaat nog steeds – al is ze niet meer van hout – en mag nog steeds de naam B-West voeren. (3)



Het station en de bijbehorende Imbiss liggen dus aan de Lenin Allee. „Een laan voor Lenin zelf en geen kleintje ook,” mijmert Arie en gezien zijn eerdere ervaringen met ex-communistische geldwolven als Kurt Wilhelms en de vrouw van de Imbiss, is hij opgelucht dat hij zowaar gratis over deze straat mag lopen. De meeste van de statige gebouwen waarmee de Lenin Allee was omzoomd, waren in Arie’s tijd bruinzwart beroet en ze zagen eruit alsof ze in geen vijftien jaar waren opgekalefaterd; in de buurt van het station is dat nog steeds het geval, zoals we zien – de foto is uit 2021 – maar de Lenin Allee was nogal lang en richting centrum ziet ze er alleszins opgekalefaterd uit. Vrijwel alle namen van misdadigers tegen de menselijkheid zijn inmiddels vervangen, dus sinds 1992 mag de straat weer als vanouds de naam Zeppelinstraße dragen. (4)



Blijkbaar heeft Arie tijdens de geschiedenisles op school zijn oren goed de koest gegeven, want op de meest bizarre momenten herinnert hij zich de meest bizarre details, zoals De Ruyter die het dek en de buitenkant van zijn schip insmeerde met boter (zie elders in deze Nieuwsbrief). Nu herinnert hij zich plotseling dat keizer Wilhelm I. – en niet alleen hij – een mooi paleis in Potsdam had, met de naam Sanssouci. Alleen jammer dat het vak geschiedenis sinds jaar en dag een prooi is voor links-extremistische docenten, zodat die arme Arie is volgestampt met theorieën als zou Wilhelm I. de oorzaak zijn van de zorgen van de plaatselijke bevolking, terwijl elk weldenkend mens weet dat deze zorgen niet veroorzaakt zijn door welke keizer dan ook, maar door veertig jaar communistische overheersing! (5)



Ogenschijnlijk tegen de stroom in, maar met de nodige koele berekening huurt Arie een Trabant en tuft daarmee naar de Friedrich-Ebert-Straße in het centrum, waar hij voedsel inslaat. (6)



Arie zoekt en vindt het Hauptpostamt in een straat waar in geen velden of wegen water te bekennen is, maar die toch Am Hafen heet. Hij belt er alle Potsdamer garages af in de hoop de garage te vinden waar Kurt Wilhelms zijn Scania heeft laten repareren. (7)



Bij het vak aardrijkskunde heeft Arie blijkbaar iets minder goed opgelet dan bij geschiedenis, want hij verbaast zich erover dat er in Potsdam een complete Hollandse wijk is. Deze wijk is wereldberoemd en werd door de koningen Friedrich Wilhelm I. en Friedrich II. der Große gebouwd om er Nederlandse bouwarbeiders en hun gezinnen in te huisvesten. Een achterneef van Friedrich II., koning Friedrich Wilhelm III., haalde een eeuw later eenzelfde soort stunt uit door in het noorden van Potsdam een complete Russische wijk, Alexandrowka, met snoezige Russische huisjes te bouwen, om er Russische zangers, die begin negentiende eeuw populair waren in Duitsland, in onder te brengen. (8)



Arie vindt de garage waar de Scania wordt gerepareerd in de Straße der Jugend, die sinds 1993 weer gewoon Kurfürstenstraße mag heten. Een garage is er echter niet meer in deze straat, maar gelukkig voor Arie is die er in zijn tijd nog wel, zodat hij Kurt Wilhelms kan opvangen en volgen naar Frankfurt (Oder). Die plaats kende Arie in 1991 ook nog niet: zie je wel, niet opgelet bij aardrijkskunde!
Het bezoek van Peter de Zwaan aan Reckahn, Potsdam, Berlijn, Frankfurt (Oder) en Słubice is exact te dateren in de zomer van 1991 en dus zal ook de motorblokkentrilogie zich in dat jaar afgespeeld hebben: in 1991 werd de naam van de door Peter genoemde Frankfurter straat
Bruno-Leuschner-Straße weer gewoon veranderd in Gustav-Adolf-Straße en in datzelfde jaar veranderde de voormalige Straße des Roten Oktober weer in de door De Zwaan genoemde, maar helaas fout gespelde Johann-Eichorn-Straße. Ergens tussen die twee naamswijzigingen in moet Peter Frankfurt (en vermoedelijk ook Potsdam hebben bezocht); het zou fijn zijn als al die wijzigingen tegelijk waren doorgevoerd, maar dat was een proces dat in Oost-Duitsland in vier jaren, 1991-1995, doorgevoerd werd. In dezelfde periode bleek uit archiefonderzoek overigens ook dat in niet minder dan 700 gemeenten in zowel Oost- als West-Duitsland een zekere meneer Hitler nog steeds als ereburger van de gemeente vermeld werd: het verwijderen van dat ereburgerschap ging behoorlijk wat sneller dan het veranderen van al die straatnamen! (9)







De Nieuwe GIL 8
Roger Schenk

Terug van weggeweest:
Politiek satirisch en volkomen
onafhankelijk blad voor
Nuchtere Nederlanders
De Nieuwe GIL Nr. 8

Postbus 278
2500 AB Den Haag


1 januari 2022


Taliban vermommen zich als Saoedi’s om vrouwen te kunnen slaan zonder dat het Westen verontwaardigd wordt


KABOEL (Reuters) – Bijna vier maanden na de terugtrekking van de NAVO-troepen uit Afghanistan begint eindelijk het eerste geruststellende nieuws van het Taliban-front te komen. Er waren veel vragen die Europa en de Verenigde Staten zich begonnen te stellen over de toekomst van de nieuwe islamitische staat, zoals: „Moeten we alle speelborden van RISK herdrukken als de Taliban de naam van het land veranderen?”, „Zullen de opiumproductie en dus de heroïne-export, nu de Verenigde Staten geen controle meer hebben over het grondgebied van het land, terugvallen op het niveau van vóór de export van democratie?” of „Mogen homoseksuelen die worden geëxecuteerd nagellak dragen tijdens de executie?” Allemaal belangrijke vragen, waar we het antwoord na al die maanden nog steeds niet op weten.
Af en toe sijpelt er wat nieuws door uit het zo geteisterde land. Zabihoellah Moedzjahied, vanaf 7 september 2021 woordvoerder van de Taliban-regering en vanaf 25 oktober minister van volksinformatie en propaganda, stelde het Westen in een telefoongesprek met de Amerikaanse president Joe Biden gerust door te laten weten dat de troepen van Allah bereid zijn enkele versoepelingen aan te brengen: „Wij weten dat u in het westen zich grote zorgen maakt over het lot van onze vrouwen, daarom wilden wij u geruststellen. We zullen hen blijven slaan, maar omdat we weten dat dat bij u nogal gevoelig ligt, zullen wij dat alleen doen verkleed als Saoedi’s. We zullen ons namelijk laten inspireren door Saoedi-Arabië, dat in het Westen wordt beschouwd als de bakermat van een Nieuwe Renaissance. We willen de wereld laten zien dat we niet langer de moedjaheddien zijn van dertig jaar geleden, degenen die bewapend en getraind zijn door de CIA tijdens de oorlog met de Sovjet-Unie, degenen die u en Sylvester Stallone indertijd beschreven als vrijheidsstrijders tegen het monster van het communisme, maar dat we nu geradicaliseerd en voor altijd tot het uiterste gedreven zijn, want gelukkig hebben we dankzij u en de export van uw democratie een scenario van oorlog, armoede en eeuwige wanhoop kunnen meemaken. Een hele generatie groeide op onder de bommen en te midden van de splinters van bijna dagelijkse aanslagen. We hebben uw les geleerd en we zullen u niet teleurstellen.”
Moeten we deze woorden in navolging van Joe Biden voor zoete koek aannemen? We zullen het zien, maar de eerste tekenen zijn niet ongunstig: de Taliban-regering heeft al een wet klaarliggen, die gelijk is aan de Saoedische wet en die vrouwen in staat stelt om auto te rijden. Deze wet zal volgens ingewijden weldra worden aangenomen, omdat het heel belangrijk is dat een vrouw vrij het huis kan verlaten om zelfstandig naar haar steniging te rijden, zonder haar man te storen.

Twee andere berichtjes van twee andere belangrijke ministeries in Kaboel wijzen er inderdaad op dat de Taliban er veel aan is gelegen de betrekkingen met het democratische westen te normaliseren. Minister van telecommunicatie, Nadzjiboellah Hakkani, liet weten contact te hebben opgenomen met Brussel met het verzoek om samenwerking met de External Action Service (EAS) en het Joint Situation Centre (SitCen) teneinde de censuur in Afghanistan beter te beheersen. Verder liet de minister van openbare werken, Moellah Abdoel Manan Omari, weten dat zijn land klaar is om binnen negen à dertien jaar een van de volgende WK’s voetbal te organiseren. Hierdoor zouden, net als in Katar, duizenden potentiële vluchtelingen tijdens de bouw van nieuwe stadions kunnen sterven tijdens het werk, zodat ze niet zinloos hoeven te verdrinken in de Middellandse Zee of door de kou omkomen op de Balkanroute.
Het zijn slechts kleine lichtpuntjes waaraan het goedgelovige en tolerante westen zich vastklampt, in de hoop dat de Taliban zich van een iets menselijker kant laten zien.





Dramatische ontwikkelingen in het Bob Evers Museum i.o. na een verrassingsbezoekje van KOZP en enkele andere figuren die niet kunnen lezen, maar wachten tot een ander de teksten van de Grote Schrijver digitaal aanlevert, zodat ze hun computer het aantal keren het woord dat in de jaren ’50 gemeengoed was om de gekleurde medemens aan te duiden kunnen laten tellen.


Neonazi’s in de war


BERLIJN (Reuters) – Waar Nederland bijna driehonderd dagen moest wachten op een regeerakkoord, hebben onze oosterburen in no time (keine Zeit) een nieuwe regering in elkaar geflanst, die ze daar „Ampelkoalition” noemen, verkeerslichtcoalitie, omdat ze naast de liberale, „gele” FDP bestaat uit een wolk van linkse partijen, iets waar we in Nederland gelukkig niet aan moeten denken: de socialistische, „rode” SPD en de extreemlinkse, „groene” Bündnis 90/Die Grünen. Die laatste partij levert in de persoon van Cem Özdemir de meest opvallende en radicale minister, namelijk op het departement van Voedselvoorziening en Landbouw. Arme boeren, is onze eerste reactie. Onze tweede reactie zou zijn „arme neonazi’s”, ware het dat neonazi’s niet bepaald een bevolkingsgroep is die medelijden verdient.

Maar behoorlijk in de war zijn ze wel, die Duitse neonazi’s: ze reageren in toenemende mate verward en afwijzend op doodsbedreigingen door Turkse nationalisten tegen Cem Özdemir. Na talloze ziekenhuisopnames vanwege hoofdpijn adviseren artsen etnische Duitsers dringend om zich – vooral in verband met de bezettingsgraad van ziekenhuisbedden vanwege de coronapandemie – niet te intensief met het onderwerp bezig te houden.
De verwarring staat nog steeds op het gezicht van Kalle B. te lezen. „Ik snap het gewoon niet,” zei de 33-jarige neonazi uit de buurt van Koblenz. Gisteren hoorde hij voor het eerst van de oproepen tot moord tegen Özdemir. „Eerst dacht ik: ja, natuurlijk. Özdemir. Het klopt allemaal. Maar toen kwam ik erachter dat de dreigementen van Turkse rechts-extremisten kwamen.”
Daarna heeft hij er lang met zijn vrienden over gesproken. „Nou ja, nazi’s houden niet zo van buitenlanders. Dat is duidelijk. Özdemir is een buitenlander voor ons omdat hij eruitziet als een Turk, een Turk wordt genoemd en zijn ouders Turken zijn.”
B. grijpt naar zijn hoofd en vervolgt langzaam: „Voor de Turken is Özdemir geen buitenlander. Maar misschien wel, omdat hij in Duitsland is geboren en woont. Moeten we nu de Turkse nazi’s haten omdat ze een Duitser bedreigen? Of moeten we ze aardig vinden omdat ze Özdemir haten? Maar – het zijn Turken …” Kalle B. breekt op dit punt af. „Ik snap het niet meer. Ik weet niet eens of ik dat gedoe met die Armeniërs nou een genocide was of niet.”


Zorgt voor verwarring: Cem Özdemir.

Eenzelfde verwarring heerst momenteel onder veel rechtsextremisten in heel Duitsland. Alleen al gisteravond meldden zich meer dan 1500 van hen bij Duitse ziekenhuizen. Snelle diagnoses variëren van hoofdpijn en migraine tot ernstig wankelen van het wereldbeeld; meer konden de artsen vanwege de pandemie niet voor hen doen.
Ondertussen hebben er voor het appartement van Özdemir gevechten plaatsgevonden tussen verschillende Duitse neonazistische groepen, van wie sommigen „hun Turkse kameraden” willen helpen om van Özdemir af te komen, terwijl de anderen „hun landgenoot Özdemir verdedigen tegen de vieze buitenlanders.”


007

Barbara Broccoli, de producent van de afgelopen negen James Bond-films, stelde de fans gerust: de overname van MGM door Amazon heeft geen gevolgen voor de komende films over de Britse geheim agent: die zullen gewoon in de bioscoop te zien blijven.
Zij vertelde verder dat de titelrol in de 26e 007-film voor het eerst niet door een van oorsprong Engelstalige acteur gespeeld zal worden. De keuze is gevallen op niemand minder dan de camerageile Ellie Lust. „Regisseur Fukunaga en ik verwachten dat Lust de overgang naar een toekomstige vrouwelijke James Bond zal vergemakkelijken,” aldus Broccoli.





Perverse gluurder door nog perversere gluurder begluurd

Amersfoort (DUIC) – Joris M. C. B. trilt nog steeds tot in al z’n vezels bij de herinnering. Gisteravond sloop hij zoals gebruikelijk langs de randen van de Leusderhei en keek door de slaapkamerramen naar stelletjes bij het bedrijven van de liefde, toen hij plotseling het gevoel kreeg dat hij in de gaten werd gehouden.

„Ik draaide me langzaam om en toen zag ik ’m,” vertelt de gepensioneerd administrateur van de suikerplantage Linggatidoe, terwijl hij zijn griezelige ervaring tegenover De Utrechtse Internet Krant beschrijft. Ergens achter een boom stond een man, zich zichzelf bevredigde terwijl hij naar Joris M. C. B. keek.
„Natuurlijk werd het zieke varken opgewonden van het feit dat ik graag naar andere mensen in hun slaapkamers kijk en mezelf bevredig,” vermoedt Joris M. C. B. verontwaardigd. „Maar hoe kun je opgewonden raken over zoiets?”
Toen Joris M. C. B. de man probeerde aan te spreken, vluchtte hij. „Ik wilde nog een foto maken van de viezerik, maar op dat moment moest ik zelf vluchten omdat mijn waarnemingsobjecten mij hadden ontdekt,” gaat B. verder en voegde er nog aan toe: „Ik weet niet of ik ooit nog ontspannen kan toekijken hoe mensen geslachtsgemeenschap met elkaar hebben omdat ik voortdurend bang moet zijn dat zo’n monster mij in de gaten houdt.”







Britse bootvluchtelingen

De Ierse kustwacht heeft voor de komende week een landelijke waarschuwing afgegeven voor de oostkust, aangezien honderdduizenden Britse vluchtelingen hun leven riskeren om de Ierse zee over te steken in een poging de verarmde en onstabiele natie te ontvluchten.
Rubberboten vol met wanhopige migranten zijn op Tweede Kerstdag in zee gestoken, velen van hen met vrouwen en kinderen aan boord, die een nieuwe start willen maken op het groene eiland. Zij hopen gebruik te kunnen maken van de onoplettendheid van de douane, omdat er in de week tussen Kerstmis en Nieuwjaar zelden iets anders gebeurt dan kalkoen en plumpudding eten en wat wandelen door de regen of langs het strand. Dan weer thee drinken en je verder een hoedje vervelen.
„We hebben honderden mensen gered uit overvolle bootjes,” vertelde Paddy O’Connor van de Ierse kustwacht. „Het is een verschrikkelijke situatie, aangezien veel van deze mensen alleen maar hopen op een betere kwaliteit van leven in de Europese Unie.”
Dat de bootvluchtelingen in deze coronatijden ook nog eens in quarantaine geplaatst moeten worden, omdat ze van buiten de Europese Unie komen, maakt de situatie extra precair. „Er worden koortsachtig containerwoningen ingericht om deze arme, ongelukkige mensen te kunnen huisvesten,” verklaarde dhr. O’Connor. „Het is een situatie die wij tot nu toe alleen van beelden op het journaal kenden, in Ter Apel op het vasteland van Europa. We kunnen alleen maar hopen dat de kustbewoners op welke manier dan ook de helpende hand toesteken, of dat nu het onthalen van de asielzoekers met warme kopjes thee aan de kust is, of hun droge kleren te geven.”
Naar schatting zijn al 450.000 mensen het Britse vasteland ontvlucht naar aangrenzende EU-landen.






Bladzijde 2 De Nieuwe GIL 8 1 januari 2022



Het politiek commentaar van …



Tussen de ene en de andere lockdown werd er in ons ooit zo lieflijke landje ook nog heuse politiek bedreven. En hoe!
Meteen al in het begin van het jaar – 15 januari, om precies te zijn: we zaten nog volop in de eerste lockdown van 2021, dus we hadden tijd genoeg om er via de televisie uitgebreid getuige van te zijn – voelde kabinet Rutte III zich gedwongen af te treden vanwege de zogeheten toeslagenaffaire. Even een kleine geheugen-booster voor wie het niet meer weet: op 9 juli 2004 werd de „Wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang” aangenomen, die op 30 oktober van dat jaar in werking trad. Onze teerbeminde en zeer capabele Belastingdienst werd door kabinet Balkenende II (CDA, VVD en D66) uitverkoren om die wet ten uitvoer te brengen. Iedereen die wel eens het genoegen heeft mogen smaken om – hetzij telefonisch hetzij schriftelijk – in contact te komen met deze olijke snaken die het niet leuker, maar wel ondoorgrondelijker kunnen maken, weet dat er in Nederland en verre omstreken geen overheidsdienst te vinden is waar het percentage werknemers dat niet kan lezen, schrijven en vooral rekenen groter is dan uitgerekend de Nederlandse Belastingdienst. Wegens enorm succes kreeg deze dienst op 1 januari 2006 ook nog eens de berekening en uitbetaling van huur- en zorgtoeslag toebedeeld. Huurtoeslag verving de aloude huursubsidie en veranderde in een onbegrijpelijk soort tombola: mensen die jaar in, jaar uit in hetzelfde huisje of flatje woonden en een ook toen al niet-geïndexeerd pensioentje kregen, moesten het ene jaar 600 euro bijbetalen en kregen het volgende jaar 30 euro terug, om een jaar later weer 250 euro te moeten dokken. Leuker kunnen ze het echt niet maken, wel debieler! De op dezelfde datum ingevoerde zorgtoeslag moest het verschil tussen het geëuthanaseerde ziekenfonds en de particuliere verzekering (een soort van) rechtbreien, maar ook dat werd in de klauwen van de Belastingdienst een onnavolgbare achtbaan. Nog jaren na het overlijden van een dierbare werden en worden nabestaanden bestookt met aanmaningen vanwege nabetalingen en wanhopige brieven omdat de hoogte van die aanmaningen niet klopten (tja, wie had die hoogte ook alweer uitgerekend?), dus dat er een klein bedrag teruggestort zou worden, maar de Belastinggekkies met de handen in hun haar zaten omdat het rekeningnummer van de overledene niet meer bestond. Dat dit soort mensen hun handen in hun haar steekt, is natuurlijk alleen maar aan te bevelen, maar dan wel met het verzoek om die handen alsjeblieft 24 uur per dag op die plek te houden zodat ze verder geen schade kunnen aanrichten! Leuker konden ze het niet maken, wel rücksichtsloser. Tegen deze achtergrond was het natuurlijk wachten op een ramp van de omvang van de toeslagenaffaire, die dus leidde tot het in mijn ogen onterechte aftreden van kabinet Rutte III. Wat deze ministers en staatssecretarissen verder ook misdaan (zouden) hebben, niemand van hen kon er iets aan doen dat de incapabele Belastingdienst (excuseert u mij dit pleonasme) was belast met het uitvoeren van deze wetten. Degenen die vijftien jaar geleden op het idee zijn gekomen om deze klungelige club dilettanten te belasten met het berekenen van iets moeilijkers dan 1 plus 1, dát zijn ze mensen die levenslang betonkloppen in een of andere Goelag moeten krijgen!
Twee maanden later, op 15, 16 en 17 maart – uitgesmeerd over drie dagen, nog steeds in verband met corona – werd er gestemd voor de nieuwe Tweede Kamer; er deden maar liefst 37 partijen en vooral partijtjes mee aan deze verkiezingen. Helaas hebben we in dit land geen kiesdrempel, zodat handenvol miniatuur-partijtjes hun intrede mochten doen in de Tweede Kamer en iedereen zich krampachtig en handenwringend zit af te vragen hoe het toch komt dat dit land zo goed als onbestuurbaar wordt, nu we een coalitie nodig hebben die minimaal uit vier partijen bestaat.
Het grote verschil tussen Nederland en Duitsland in de jaren ’30 van de vorige eeuw was dat extreemrechts in Nederland nooit een vuist heeft kunnen maken, omdat de diverse Führer van de diverse extreemrechtse splinterpartijtjes liever elkaar onder vuur namen dan de (al dan niet bestaande) gemeenschappelijke „vijand”. Wie herinnert zich niet de twee concurrerende partijtjes die zich allebei NSNAP noemden? Of De Bezem, of de ANFB, Zwart Front (later Nationaal Front) enz.? Eén ding is er sinds die tijd gelukkig niet veranderd: de rechts-extremen vechten elkaar nog steeds de tent uit: na enkele tweets van ondubbelzinnige neonazi-signatuur door een of andere Unterscharführer van Forum voor Domheid, splitste een deel van de partij – ontevreden over het feit dat hun corona-ontkennende Führer geen afstand wenste te nemen van deze uitspraken – zich af en kwam onder de naam Jawohl21 of zoiets drie man sterk in de Tweede Kamer. Na verkiezingen splitste von Haga zich traditiegetrouw weer eens af, ditmaal van Forum voor Domheid: hoppekee, nóg een nutteloze eenmansfractie erbij!
In dezelfde vijver vissend probeerde ook Sylvana Simons met haar Uit1 bevolkingsgroepen die vóór haar verschijnen uitstekend met elkaar op konden schieten tegen elkaar op te zetten; door haar potentiële kiezers wijs te maken dat álle niet-Nederlanders gediscrimineerd worden en dat álle autochtone Nederlanders racisten zijn, wist zij maar liefst één zeteltje te veroveren. Haar ongecontroleerde woede-uitbarstingen en zinloze moties (zoals pas geleden in december nog over een maximaal aantal termijnen voor de minister-president van ons land, die gelukkig door alle partijen die er wél toe doen werd weggehoond) kosten de parlementariërs – en dus ons, de argeloze belastingbetalers – alleen maar tijd en geld. Inmiddels wonen er zo’n 585.000 Surinamers in dit land, van wie er iets meer dan 87.000 op deze vrouw hebben gestemd; oftewel: 90% stemt bewust níét op haar; ook bijna een jaar na de verkiezingen staat het splinterpartijtje nog steeds op dat ene zeteltje. De Surinamers die ik spreek, zeggen last te hebben van haar agressieve manier van aanwezig zijn: zíj worden erop aangekeken dat zíj schuldig zouden zijn aan het verdwijnen van zigeunerschnitzels, negerzoenen, moorkoppen, en Zwarte Piet; en u raadt het al: dat willen zij niet.
Wie ook nieuw is, is een aandacht zoekende soort cabaretière, die in haar werkzame leven nooit veel verder is gekomen dan wat los-vast werk als publiciste voor een of ander bloembollenblad; zij heeft bij wijze van spreken nog nooit een boerderij van binnen gezien, maar wil zich in de Tweede Kamer
én in alle denkbare en ondenkbare talkshow profileren als stand up en sit-down comedian en die (koeien)pislink wordt als ministers haar partijtje als „Triple B” uitspreken.
Dan is er nog een soort van eenentwintigste eeuwse versie van D66, Colt 21 of zo; als viagra in de basisverzekering zat, zou ik uit kostenoverwegingen iedereen aanraden om lid te worden van deze partij, want de jongens van dat clubje hebben die blauwe pilletjes niet nodig om opgewonden te worden: het woord „vernieuwing” alleen al is voldoende om hen tot alle staten van opwinding te brengen. Ach, mettertijd zullen ze wel beseffen dat niet elke vernieuwing een vooruitgang en/of gewenst is. Al in 1970 schreef mijn collega Victor H. Huitink een artikel in het blad Rechts-Om dat elke mogelijke spijker op elke mogelijk kop sloeg betreffende D66 en z’n „vernieuwingsdrang”.
Over die laatste partij gesproken: Dagdromers66 wonnen een handjevol zetels – die ze bij de laatste peilingen alweer kwijt zijn – met alwéér nieuw gezeur over „vernieuwingen” die al sinds 1966 niet werken: van meet af aan had dat „vernieuwende” partijtje twee speerpunten: de gekozen burgemeester en het bindend referendum. Na het eerste het beste bindende referendum waarvan de uitslag de partijtop niet beviel, die over de Europese Grondwet, vond het partijtje dit ineens een veel minder urgent idee; en als de inwoners van pakweg Boerenkoolstronkradeel hun eigen burgemeester mogen kiezen, is de kans levensgroot dat de grootste schreeuwlelijk die verkiezing wint, maar dat zal zelden of nooit een D66’er zijn, dus ook die „vernieuwing” is alweer verdwenen. Na een halve eeuw bemoeienissen met het onderwijs door deze zelfbenoemde „onderwijspartij” en andere bolsjewistische partijen is een kwart van de leerlingen op middelbare scholen praktisch analfabeet. Maar we hebben er gelukkig wél „burgerschapsonderwijs” voor in de plaats, hoera, hoera! Het is inmiddels in dit ooit zo intellectuele land net zo normaal geworden om, naakt voor een spiegel staande, niet te bevatten of je nou een mannetje of een vrouwtje bent, als, zittend in een schoolbank, niet te bevatten wanneer je nou een d, een t of misschien wel beide moet gebruiken of een zinvol antwoord te kunnen geven op de vraag waarom Karel de Kale en Napoleon niet tegen Hitler vochten. Met dank aan D66 en broeder in het „vernieuwende” kwaad, de PvdA.
Die laatste partij kon kortstondig op iets meer sympathie en steun rekenen na het opstappen van Lodewijk Asscher naar aanleiding van die toeslagenaffaire die ik hierboven al noemde, maar na het benoemen van een soort Chriet Titulaer maar dan zonder Amish-baard als nieuwe partijleidster zakte ook deze partij weer terug naar een zeer beperkt aantal zetels. En toch, dankzij de hyperambitieuze D66-leidster Kaag kwam deze PvdA tóch kortstondig in beeld als regeringspartijtje, maar dan alleen samen met GroenSlinks, ook al een partijtje dat door de kiezers was afgestraft, maar dan met nóg drastischer plannen om het land zo snel mogelijk en nog verder de afgrond in te helpen. Het idee was om Mark Rutte niet geheel buitenspel te zetten – dat was namelijk getalsmatig niet mogelijk, aangezien alle andere partijen tot splinterpartijtjes waren gereduceerd –, maar wél mevrouw Kaag tot stiekem staatshoofd achter de schermen met steun van een compleet wolkenveld van linkse partijtjes te maken door het zogenaamde „geklungel” van mevrouwtje Ollongren.
Dat kostte het nieuw te vormen kabinet nog bijna de medewerking van de GristenUnie. Die partij, onder leiding van de sympathieke Gert-Jan Segers, verklaarde in april nog geen deel te willen uitmaken van een kabinet Rutte IV, maar – ingegeven door de terechte angst dat het „vernieuwende” D66 alle vormen van voortijdige levensbeëindiging zou legaliseren – koos deze partij alsnog eieren voor haar geld en terecht natuurlijk: als onderdeel van een kabinet heb je meer invloed op dergelijke goddeloze plannen dan als oppositielid.
Daar staat de „zusterpartij” – si fas est – SGP net iets anders in: deze partij staat te zeer met beide benen in gereformeerde gezagsgetrouwheid om al te vaak tegen de wensen en meningen van het kabinet in te gaan; niet altijd, gelukkig niet, want dat zou een slaafse navolging en het ontbreken van een eigen wil beduiden! Maar deelnemen aan een landelijke regering wijst de SGP stelselmatig af.
Dat doet ook de Salonsocialistische Partij van de familie Maorijnissen, ook als de partij onverhoopt 25 zetels behaalt, hetgeen één keer in de geschiedenis (2006) is voorgekomen, maar de partij lijkt tot in lengte van dagen te laf om verantwoordelijkheid te nemen; gelukkig wordt de partij ook zonder die verantwoordelijkheid door de kiezers afgestraft. Misschien wordt het tijd om ook eens een keer ergens „voor” te zijn en niet alleen maar overal op „tegen”?
Wie wel lijkt te profiteren van de verdeeldheid op links, maar gelukkig slechts zeer beperkt, is het Partijtje voor de Zielige Diertjes; is het u wel eens opgevallen, beste lezer, dat de huidige lijsttrekster van het partijtje altijd – zowel in de kamer als in een tokshow –, als er een tokkend antwoord van haar wordt verwacht, wanhopig met haar blauwe kijkers omhoog staart, alsof ze daar een veganistisch visioen of een dierlijke verschijning ziet? Misschien ziet ze zelfs wel het logo van het grootste visverwerkende bedrijf van ons land voor zich, die eveneens uit Katwijk komt en dezelfde naam draagt als zijzelf.
Vrijwel weggevaagd werd het partijtje 50+, de volgende one issue-groepering die tegenwoordig Kamerzetels in beslag meent te moeten nemen, gelukkig na de verkiezingen nog maar eentje. Ook hier is vooral interne ruzie de oorzaak.
Verder hebben we nog de beweging DACHT, ondanks interne strubbelingen nog knap op drie zetels. Toen de heren Kuzu en Öztürk er in 2014 eindelijk achter kwamen dat de PvdA hen alleen maar ge- dan wel misbruikte als „excuus-Turken” om stemmen uit de Turkse gemeenschap binnen te halen, was voor hen de maat vol, stapten zij uit die partij en richtten hun eigen partij op. Als je de heer Kuzu privé spreekt, blijkt hij zéér intelligente en moderne opvattingen te hebben over integratie, maar vanaf het moment dat DACHT de fout beging om Sylvana Simons binnen te halen, kwam de nadruk toch vooral – zo niet uitsluitend – te liggen op „wij” versus „zij”. Dat werd wel iets minder toen deze Sylvana in no time ook weer opgehoepeld was, maar allengs ontpopte DACHT zich tot een partij die de richtlijnen van de AK-Parti (de partij van Erdoğan) kritiekloos navolgt: daarmee haalt de partij de stemmen van alle conservatieve Turken binnen; de komst van Farid Azarkan in de partij zorgde voor een aantal stemmen uit de eveneens conservatieve Marokkaanse hoek, maar erg integratie bevorderend is het allemaal niet en meer dan drie Kamerzetels zitten er echt niet in. En dat vind ik, beste lezer, ronduit jammer, want juist deze partij zou zoveel kunnen betekenen voor de integratie. Vooralsnog een gemiste kans.
Wie al tientallen jaren ook niet bepaald integratie bevorderend is, is „de lange arm van Netanyahu”, de geblondeerde Führer van de extreemrechtse Partij voor de Onvrijheid. Deze heeft zichzelf door zijn „minder Marokkanen”-uitspraak voor eens en voor altijd politiek buitenspel gezet en kan sindsdien alleen nog maar kansloze anti-regeringsleuzen kwaken.
De vraag hoeveel zetels het CDA onder Hugo de Jonge als lijsttrekker zou hebben binnengehaald, zal altijd onbeantwoord blijven, maar die trok zich terug; toch bleef het verlies onder Wopke Wopstra – ondanks een volledig mislukt promotiefilmpje voor de verkiezingen – (voorlopig) beperkt tot vier zetels, waardoor het ooit zo trotse CDA uiteindelijk uitkwam op vijftien zetels, het op één na laagste aantal sinds de oprichting van de partij. Wie het CDA een warm hart toedraagt, zal wellicht weemoedig terugdenken aan de jaren ’80 van de vorige eeuw, toen Ruud Lubbers tot tweemaal aan toe maar liefst 54 van de 150 Tweede Kamerzetels binnen wist te harken. Gebrek aan visie, maar vooral ook een volledig gebrek aan Fingerspitzengefühl, om het maar eens in goed Nederlands te zeggen, zorgden sindsdien voor het verval, dat nog steeds niet tot staan is gekomen, want na het „ongelukje” van Ollongren op 25 maart zou het nog slechts een kwestie van tijd zijn voor het dissidente CDA-kamerlid Pieter Omtzigt de partij verliet en in zijn eentje een negentiende Kamerfractie bemande: een na-oorlogs record, dat helaas voor een tamelijk onwerkbare situatie in de kamer zorgt. We moeten Christen Democratische Appels niet met Christen Democratische Peren vergelijken, maar Pieter Omtzigt wás binnen het CDA zo’n toffe peer.
In de schaduw van dit alles blijven de Vele Vrije Dagen – een benaming die pijnlijk van toepassing werd tijdens alle intelligente, minder intelligente, hele, halve, avond-, ochtend-, middag- en siëstalockdowns – van premier Mark Rutte de grootste partij; nou ja, met 34 zeteltjes eerder de minst kleine partij. En dat is zonder meer knap, gezien de tegenwerking die Rutte krijgt van buiten de coalitie en de dolkstoten in zijn rug van binnen de coalitie. En hoe vriend en vijand verder ook mogen denken over de persoon Rutte, hij heeft zich de afgelopen jaren in de coronacrisis die nu al bijna twee jaar duurt, ontpopt als een tweede Vader des Vaderlands: natuurlijk zult u, beste lezer, uw eigen voorkeuren hebben qua premier en dat mag, want de partij van de heer Rutte heeft de begrippen Vrijheid en Democratie niet voor niets hoog in haar vaandel staan, maar kun u zich onder al die achttien andere partijleiders er eentje voorstellen die het beter zou hebben gedaan dan Mark Rutte? Toegegeven, zijn beleid in de aanpak van de pandemie was af en toe onnavolgbaar, zeker; maar welk beleid van welke regeringsleider in welk land op deze aardkloot was dat nou niet? Wat we twee jaar geleden nog voor de beste strategie aannamen, was anderhalf jaar geleden alweer volkomen achterhaald, om een jaar later toch weer omarmd te worden. Het enige wat we Rutte mogen aanrekenen, is dat zijn coronabeleid het slapste en het traagste was van heel Europa, hetgeen was ingegeven door angst voor rellen. Want wat de man ook opperde, voorstelde en besloot, elk woord van hem riep en roept zinloze agressie op, in een dusdanige mate dat de schrik je om het hart slaat als je bedenkt dat je met deze generatie losgeslagen gajes – excusez le mot, maar wie hulpverleners en politieagenten aanvalt en molesteert, is gajes van de bovenste plank – een echte oorlog zou moeten doorkomen.
Verduisteren? Rellen! Radio inleveren? Rellen! Onderduikers verbergen? Rellen! Persoonsbewijs laten zien? Rellen! Economisch gaat het ons op dit moment, ondanks corona, voor de wind zoals het ons op geen enkel ander moment in de geschiedenis voor de wind is gegaan. Ja, toegegeven: een kleine groep profiteert niet mee van die welvaart, maar laten we wel bedenken dat het percentage mensen voor wie dat geldt, nog nooit zo laag is geweest, ook niet in de tijd die wij de „Gouden Eeuw” noemen – of mag die term ook al niet meer?
Na de verkiezingen moesten we het dus stellen met zeventien partijen en partijtjes in de Tweede Kamer, na enkele maanden was dat aantal gegroeid tot negentien. Ga er maar aan staan om van die onzinnige lappendeken een kabinet te formeren dat kan steunen op een meerderheid. Voeg daarbij nog het gegeven dat een van de beoogde coalitiepartners per se met een wolk van Moskougetrouwe partijen wil regeren (en als een dreinend, verwend kind ondanks alle eerdere mislukkingen om „nieuw leiderschap” blijft zeuren, maar toch stiekem in achterkamertjes met die „wolk” zit te overleggen), dat twee andere beoogde coalitiepartners dat per se níét willen en dat een vierde coalitiepartner zich aanvankelijk terugtrekt, dat types ter rechterzijde door hun eigen ongenuanceerde en soms zelfs strafbare uitlatingen een cordon sanitaire over zichzelf hebben afgeroepen, dat nieuwe partijtjes in de Kamer te pas en te onpas om aandacht kwaken en u zult begrijpen voor welk een helse taak de diverse informateurs die elkaar in snel tempo opvolgden, stonden. Het duurde tot het najaar voor mevrouw Al Kak-Kaag over haar teleurstelling van haar in duigen gevallen droom als prinses op de roze wolk van de andere extreemlinkse partijen heen was en haar verzet tegen regeringsdeelname van de GristenUnie opgaf, zichzelf daarbij en passant profilerend als de grote „koningin van de doorbraak”. Tussendoor – op 27 oktober –sijpelde ook nog het gezellige nieuws door dat ook het CDA, in navolging van D66, geprobeerd had om een dolk in Ruttes rug aan te brengen, hetgeen ook al als een boemerang terug was gekomen; enkele weken later deed Seegers zijn eigen „Ollongrennetje” door een document dat aan de formatietafel was besproken in de trein te laten liggen.
Tot verbazing van vriend en vijand was er op 13 december dan eindelijk een regeerakkoord; er moet nu, na de langste formatie ooit, alleen nog „even” gekeken worden naar de invulling van de posten in het nieuwe kabinet, maar met name door de dolkstoten van D66 en het CDA en de halfhartige reactie van Rutte daarop menen deze partijen aanspraak te kunnen maken op meer dan waar ze eigenlijk recht op hebben, dus tot er een „nieuw” kabinet – in feite een voortzetting van het vorige – is, zal er nog heel wat water door de Rijn stromen. De uitstekende column van Freek van Beetz van 17 december 2021 op OpinieZ draagt de allitererende en dus treffende titel: „Kabinet Rutte-IV knielt voor Kaag en Klaver”.
Hoe „vernieuwend” D66 te werk gaat in het binnenhalen van baantjes, bleek al in april uit de slinkse manipulaties waarmee de tussen 2015 en 2021 uitstekend functionerende kamervoorzitster Khadija Arib buitenspel werd gezet ten faveure van een twijfelachtig D66-kamerlid. Haar voornaamste „prestatie” was het overijld plaatsen van een enorm podium voor de roltrappen in het tijdelijke gebouw van de Tweede Kamer, waarop de presentatie van een nieuw kabinet zou moeten plaatsvinden, weken vóór er überhaupt een regeerakkoord was.
We zullen wel zien waar een en ander toe leidt en waar het schip strandt, maar de kans dat Rutte IV de rit onbeschadigd zal uitzitten, acht ik persoonlijk bijzonder klein, met dezelfde vier partijen als de vorige keer, die meer dan ooit op elkaar zijn aangewezen, maar waarvan er twee voortdurend uit zijn op eigen gewin, ook (of moet ik zeggen: liefst?) als dat ten koste gaat van de eigen coalitiepartners.
2022 wordt op politiek vlak een boeiend, maar vooral lachwekkend jaar; naast de installatie van het nieuwe, oude kabinet werpen ook de komende gemeenteraadsverkiezingen hun schaduw vooruit middels de meest idiote plannen om oplossingen te vinden voor problemen die niet bestaan. We blijven lachen!

GGG.





Bladzijde 3 De Nieuwe GIL 8 1 januari 2022


Gilletjes... rubriek voor, door en over kinderen.



MOPPEN:

„Schat, er ligt een vreemde man op zolder.”
„Weet ik, ik werk vandaag thuis.”
„Maar … jij bent patholoog-anatoom!”

De juffrouw van groep twee vraagt aan haar leerlingen welk beroep hun vaders uitoefenen.
De kinderen springen meteen op en gillen allemaal door elkaar: „Brandweerman! Leraar! Slager! Dierenarts! Pizzabezorger! Manager!”
Alleen de kleine Quinten zit in een hoekje een beetje bedremmeld naar de vloer te staren en zegt niets.
De lerares stapt op hem af en vraagt vriendelijk: „Nou, Quinten, wat doet jouw vader?”
Quinten antwoordt zachtjes: „Mijn vader danst elke avond naakt aan een paal in een homobar. Als zo’n man hem goed betaalt, gaat hij met hem mee naar een motel en slaapt met hem.”
De juffrouw is tot in het diepst van haar ziel geschokt en stuurt de andere kinderen meteen weg, omdat het toch bijna pauze is.
Ze vraagt Quinten of dat echt waar is.
Quinten antwoord: „Welnee, juf, dat was onzin. Mijn vader is politicus en zit in de Tweede Kamer voor D66, maar ik schaamde me om dat in de klas te vertellen.”

Laatst kocht Beatrice een IKEA-kast. Handig als zij van nature is, bouwde zij het ding na thuiskomst meteen op. Het ding bleef keurig staan, tot er voor het huis een tram voorbijkwam … bam, de hele kast valt in elkaar. Beatrice bouwt de kast opnieuw op en het spel herhaalt zich: de eerstvolgende passerende tram laat de kast als een kaartenhuis in elkaar zijgen. Beatrice belt de klantenservice van IKEA.
Die stuurt meteen een monteur langs. Deze bouwt de kast ten derden male op en ja hoor … daar komt weer een tram en daar ligt de kast weer plat! Ook de monteur is radeloos. „Nu let op,” zegt hij tegen Beatrice, „ik bouw de kast nog een keer op en dan ga ik erin staan, zodat ik van binnen kan zien wat er nou precies gebeurt als de tram langsrijdt.”
Zo gezegd, zo gedaan. De kast staat fier overeind met de monteur erin. En precies dat moment kiest Beatrice’s echtgenoot uit om thuis te komen, dat zul je nou altijd zien. „Zo, schat, een nieuwe kast? Mooi, hoor,” en hij trekt de kastdeuren open en ziet daar een verlegen en angstige monteur staan.
„Slaat u mij maar,” zegt de monteur, „u zult mij toch niet geloven als ik vertel dat ik hier op de tram sta te wachten.”

Janneke vroeg haar man of hij haar even de krant kon geven.
„Jeetje, hoe ouderwets kan een mens zijn? De technologie heeft zich de laatste decennia zo snel ontwikkeld en dan kom jij en vraagt mij nog steeds om een krant? Hier, neem mijn iPad maar!”
Janneke pakte de iPad aan en sloeg er een kakkerlak op de muur mee dood.
Haar man viel flauw…
Moraal van het verhaal:
Wat je vrouw ook vraagt, geef het haar zonder tegen te sputteren. Laat je intelligentie op kantoor zien, niet thuis!

Een slechtvalk kan een topsnelheid behalen van 389 km/u. De enigen die nog sneller zijn, zijn bejaarden op het moment dat er in de supermarkt een tweede kassa opengaat.

„Mijn man wilde per se dat wij dokterspelletjes zouden spelen.
En nu zit hij al drie uur in de hal en wacht tot hij naar binnen wordt geroepen …”

Ik kreeg een telefoontje van school: „Uw zoon heeft leugens verspreid!”
„Nou, vertelt u hem dan dat hij daar verdraaid goed in is: ik heb namelijk helemaal geen zoon!”

Gisteravond zat ik naar Op1 te kijken en ik hoorde een viroloog, wiens naam ik alweer kwijt ben, vertellen: „Het beste wapen in de strijd tegen het coronavirus is het gezonde mensenverstand.”
Ik heb er de hele nacht niet van kunnen slapen: we zijn redeloos, radeloos en reddeloos verloren! De meesten van ons zijn onbewapend!

Bericht van het Nederlands Verbond van Psychiaters:
Beste medeburgers,
Het is in deze tijd van lockdowns en quarantaine vrij normaal als u tegen muren, planten of andere dingen praat. U hoeft ons pas te bellen als u antwoord krijgt!

De lerares vraagt: „Djurre, wat krijgen wij van de kakelende kip?”
Djurre: „Eieren, mevrouw.”
De lerares vraagt: „Hendrik, wat krijgen wij van het knorrende varken?”
Hendrik: „Ham, mevrouw.”
De lerares vraagt: „En Foeke, wat krijgen wij van de dikke koe?”
Foeke: „Huiswerk, mevrouw.”

Lockdown. Geen voetbal op de tv. Dus voor de verandering heb ik gisteravond maar eens met mijn vrouw gepraat. Blijkt ze ontslagen te zijn bij de V&D.

Tot zijn ontzetting ziet meneer pastoor, die in Kenia op vakantie is, zich ineens omringd door een roedel leeuwen. Vluchten is uitgesloten
De pastoor valt op zijn knieën, sluit zijn ogen en bidt: „O Heer, spaar mij alstublieft en geeft u mij een teken van uw genade! Beveel deze leeuwen zich als brave katholieken te gedragen.”
Als hij zijn ogen weer opent, ziet hij hoe de leeuwen in een kringetje om hem heen zitten, hun voorpoten gevouwen en bidden: „Heer, zegen deze spijze, die wij van uw mildheid mochten ontvangen. Amen!”

Ik heb mijn alarmsysteem verkocht en me uitgeschreven bij Buurtpreventie. Ik heb sinds kort een zwarte IS-vlag uit m’n raam hangen en wat Arabische krabbels op m’n deur gezet.
De politie, de ME, de Marechaussee en de AIVD houden mijn huis nu 24/7 in de gaten! Dat scheelt me toch al gauw 75 euro per maand en ik heb me nog nooit zo veilig gevoeld!

Een stoet nonnen nadert de hemelpoort en wil graag naar binnen.
Petrus vraagt aan de eerste non: „Heb jij in je leven wel eens een penis aangeraakt?”
De non zegt: „Ja, maar alleen met een vingertopje.”
„Goed,” zegt Petrus. „Doop je vingertop dan maar in dit wijwater en kom de hemel binnen.”
Petrus vraagt aan de tweede non: „Heb jij in je leven wel eens een penis aangeraakt?”
Deze non antwoordt: „Ja, nou, eh, ik moet toegeven, ik heb er wel eens eentje gemasseerd.”
„Goed,” zegt Petrus. „Doop je hand in dit wijwater en kom ook de hemel binnen.”
Plotseling ontstaat er onrust in de rij, omdat een van de nonnetjes voordringt. Petrus vraagt natuurlijk aan deze derde non waarom zij dat doet.
„Nou,” zegt deze derde non, „als ik dan per se moet gorgelen met dat spul, wil ik dat liever doen voordat soeur Candice haar kont erin heeft gehouden!”

Mijn psychiater zei tegen me: „Schrijf brieven aan de mensen die je haat en verbrand ze dan!”
• • •
En nu zit ik hier en weet ik niet wat ik met de brieven moet doen!

Leerling: „Meneer, hebt u onze repetities al nagekeken?”
Leraar: „Ik heb ook nog andere klassen, hoor!”
Een paar dagen later vraagt de leraar in dezelfde klas:
„Heb jij je huiswerk gemaakt?”
„Meneer, ik heb ook nog andere leraren!”

„Ik las zojuist op internet een advertentie waarin Jozef en Maria een beloning van honderd euro uitloven voor het vóór de Kerstnacht terugvinden van hun ezel. En nou kun jij kiezen … óf jij geeft mij meer, óf ik zeg waar je zit!”

Wat is het verschil tussen het Kerstkindje en een getrouwde vrouw?
• Het Kerstkindje hoefde maar één nacht naast de ezel te slapen!





Lezerspost


Tja, die lezerspost, hè? Naarmate de IQ’s in dit land dalen, verhardt de discussie tussen de gelukkig steeds kleiner wordende tegenstanders van vaccinaties en het normale deel van de mensheid. Vooral sinds een van de Tweede Kamerleden van een bepaalde, nogal dubieuze partij het woord „tribunalen” gebruikte, duikt dit woord te pas en vooral te onpas op in de „discussies” (voor zover er überhaupt een discussie valt te voeren met wezens met een IQ van het niveau van de objecten die ze naar politieagenten en zorgverleners gooien). Als „wij van De Nieuwe GIL” voor elk tribunaal dat ons in de ingezonden post werd toegewenst, een euro zouden krijgen, zou dit het onmiddellijke einde van De Nieuwe GIL betekenen, want dan konden wij van de opbrengst met onmiddellijke ingang in een lekker warm land aan de andere kant van de wereld gaan rentenieren. Als ze er dan ook nog een euro bij zouden geven voor elke taalfout, konden we alle lezers van dit blad meenemen!

De volgende brief komt uit het kamp van de
moral majority, die meestal zwijgt, maar deze Karel
² uit Dordrecht niet.

Ik begrijp het gewoon niet! Waarom komt er in dit land niet gewoon een vaccinatieplicht, zoals in Italië, Oostenrijk en andere landen? Dan zijn we voor eens en voor altijd af van het gezeur!
J’accuse…!” was de titel van een ingezonden brief aan L’Aurore van Émile Zola, die tot op heden niets aan actualiteit heeft ingeboet. „J’accuse” zeg ook ik en wel tegen Willem Engel en Thierry Baudet, twee – ja, laten we het maar eens ronduit zeggen – gewetenloze schurken die onze ooit zo mooie en vreedzame samenleving een hoop geld, een hoop saamhorigheidsgevoel en last but not least een hoop doden kosten. Hun voortdurende, ongefundeerde gezanik over vaccinaties zorgt ervoor dat de intensive cares van zowat alle ziekenhuizen in Nederland uitpuilen en dat er keuzes gemaakt moeten worden. Keuzes over wie wel en wie niet mag blijven leven! Gezien de inhoud van de tweets van een partijlid van Baudet snap ik dat sommige leden van deze partij terugverlangen naar die tijd waarin een zwart geüniformeerde duivel op een perron in Zuid-Polen mocht beschikken over leven en dood van mensen, maar ik dacht toch eigenlijk altijd dat de mensheid zich sindsdien iets verder had ontwikkeld. En je zult prompt zien dat men uit een verkeerd soort medelijden kiest voor het in leven blijven van een 25-jarige wappie die zich met opzet niet heeft laten vaccineren ten koste van een 60-jarige die alleen maar hoognodig een hartoperatie moet ondergaan, zoals die arme mevrouw een paar weken geleden bij Op1. Het gestook van Baudet en Engel kost dus levens!
Verder heeft dit tweetal voor een dusdanig verziekte sfeer in dit land gezorgd dat elke maatregel om corona te bestrijden volgens wappies, neo-nazi’s, hooligans en professionele relschoppers die met graagte telkens weer uit hun holen tevoorschijn kruipen gepaard moet en zal gaan met rellen, brandstichting en het fysiek mishandelen van zorgpersoneel en politie. Wie betaalt de rekening? In dit oorlogssfeertje, gecreëerd door deze twee engerds, wekt het allang geen verwondering meer dat aanhangers van beiden er geen probleem mee hebben om ministers als Hugo de Jonge of virologen als Marion Koopmans of Marc Van Ranst te belagen of om als verklikkers te fungeren om ieder die pro-vaccinatie is, te verraden bij hun beider Führer.
Ten derde wil de aanhang van extreemrechts toch zeker dat er meer boeven achter tralies komen? Waarom nemen deze mensen dan de tijd van rechters, officieren van justitie, openbare ministeries enz. nodeloos in beslag met hun talloze rechtszaken die net zo nutteloos zijn als zijzelf? Hier in Dordrecht was jaren geleden een huisjesmelker actief, die zich gedwarsboomd voelde door de gemeente en daarom die gemeente bestookte met honderden bewaarschriften per maand; na jarenlang gesteggel legde de rechter hem uiteindelijk op dat hij nog maar maximaal twee bezwaarschriften per maand mocht indienen. Waarom kan dit voorbeeld geen landelijke navolging vinden: Engel mag nog maar maximaal twee onzinnige rechtszaken per jaar aanspannen, of iets dergelijks?

De redactie van De Nieuwe GIL kan niet anders dan het 100% met u eens zijn. Alleen zien wij dat u uw vraag Waarom komt er in dit land niet gewoon een vaccinatieplicht? zelf min of meer beantwoordt: we hebben in dit land al vanaf het begin de slapste coronamaatregelen van heel Europa en desondanks reageren de ongure elementen daar het felst, het agressiefst en het onredelijkst van heel Europa op! Kunt u zich de omvang van de rellen, brandstichtingen en plunderingen voorstellen op het moment dat er een vaccinatieplicht zou komen? Hoe het dan wel moet, zouden wij eerlijk gezegd ook niet weten: wij hebben alle hoop dat er met dit soort tegenstanders redelijk valt te praten al lang geleden opgegeven.

De enige andere ingezonden brief waarin het woord „tribunaal” níét werd genoemd, was kort maar krachtig:

Vinden jullie de protesten van Mercedes naar aanleiding van de afloop van de Grote Prijs van Abu Dhabi terecht?
Met vriendelijke groet, Johan (niet Derksen) uit Grolloo.

Wij kunnen ons die protesten wel een beetje voorstellen, hoor. Maar ten eerste is het gek dat de protesten alleen uit de koker van Mercedes en de persoon Toto Wolff komen, terwijl Lewis Hamilton zwijgt als het graf. De een vindt hem sportief omdat hij Max Verstappen wel feliciteerde, de ander vindt hem onsportief omdat hij verstek liet gaan op het FIA-gala. Ach, de waarheid zal wel ergens in het midden leggen, denken wij dan. Wat in elk geval zéér onsportief was, op het moorddadige af, was de actie waarmee Hamilton Verstappen bewust het ziekenhuis in reed tijdens de Grote Prijs van Groot-Brittannië op Silverstone. Als de FIA daar had ingegrepen door Hamilton een passende straf te geven, was Verstappen al lang vóór die laatste twee wedstrijden wereldkampioen geweest. Het wereldkampioenschap was in dat geval weliswaar een heel stuk minder spannend geworden, maar Mercedes zou helemaal niets te klagen hebben gehad. In onze ogen zijn beide rijders even asociaal, van die types die je liever niet op de weg tegenkomt, waarbij Hamilton de betere motor heeft en Verstappen iets meer intelligentie. Nog geheel afgezien van chauvinisme gunnen wij Max die titel, omdat wij ook altijd een beetje voor de underdog zijn; en dat was hij, met zijn net iets mindere motor en vooral sinds de doelbewust veroorzaakte crash op Silverstone.

²

We zijn in dit land zo diep gezonken dat de naam Karel om privacyredenen gefingeerd moest worden. Werkelijke naam en adres zijn bekend bij de redactie.





Bladzijde 4 De Nieuwe GIL 7 1 januari 2022



Kort nieuws
Van dat hééle korte, weet u niet?


FLASH!

In zijn woning in de prefectuur Kanagawa (Japan) had een man van 52 een ongelooflijke hoeveelheid pornoblaadjes opgestapeld, toen het ongeluk toesloeg: de stapels vielen om en bedolven de ongelukkige bezitter van al dit fraais. Pas een maand later ontdekten familieleden het ontzielde lichaam onder de zes ton zware verzameling.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Wat doen mensen met al die extra vrije tijd die ze overhouden als ze steeds me schrijven in plaats van mijn?

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Sri Lanka wil de olie die het in de voorbije maanden uit Iran heeft gekregen met thee betalen. De twee landen tekenden een overeenkomst om op die manier schulden van 251 miljoen dollar terug te betalen, zo maakte de regering in Colombo bekend. Iran zou nu maandelijks voor vijf miljoen dollar aan thee uit Sri Lanka ontvangen. Het eiland ten zuidoosten van India is een van de belangrijkste theeproducenten ter wereld, maar het land staat er momenteel economisch zeer slecht voor, onder meer door een gebrek aan toeristen als gevolg van de pandemie.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Ik ben een transgevaccineerde, d.w.z. ik voel mij gevaccineerd hoewel ik niet gevaccineerd ben. Vaccinatie is een spectrale constructie en ik heb zojuist besloten dat ik mij als gevaccineerd identificeer. Ik verlang van iedereen dat mijn status geaccepteerd wordt.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Het WK voetbal is nog niet eens begonnen of het volgende megalomane project van Arabieren met de mede door Joop den Uyl in de hoogte gedreven oliegelden is van start gegaan: op de grens van Saoedi-Arabië, Jordanië en Egypte moet vanaf 2024 een megastad, Neom, uit het zand gestampt worden waar voor 2030 één miljoen mensen moeten wonen: volledig autovrij en milieuvriendelijk. Waarschijnlijk zullen er wel de nodige gastarbeiders uit lagelonenlanden sneuvelen, zoals in dat deel van de wereld gebruikelijk is. In hun rücksichtslose poging om een stuk of vijftien eeuwen beschaving over te slaan, moeten de Saoedi’s alleen nog maar even 20.000 Howeitat, een stam die nu woont op de plek waar het krankzinnige project vorm moet krijgen, uit het gebied waar men natuurlijk ook dolgraag massa’s rijke vakantievierende Europeanen naartoe wil lokken zien te verwijderen. Het eerste slachtoffer is al gevallen: de eerste de beste Howeitat die het waagde om te protesteren werd doodleuk tot terrorist verklaard en door Saoedische speciale troepen gedood. Nog voor de eerste steen gelegd is, draagt het project al de bijnaam „Bloedige Droom”.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Een ander megalomaan project staat minder dan zes weken voor de opening op losse schroeven: de Olympische Winterspelen in de stad die wij gewoon Peking noemen. De oorzaak voor de onzekerheid is tweeledig: de uit China afkomstige pandemie (ten gevolge waarvan de NHL-spelers nu al verklaard hebben niet naar China te zullen afreizen) plus de boycot van o.a. Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Canada en Australië (die gevieren geen regeringsvertegenwoordigers naar de Chinese schijnvertoning voor lege coulissen zullen sturen) vanwege de schandalige en onmenselijke genocide op de Oejgoeren. De Europese regeringsleiders reageren zoals gebruikelijk weer erg traag en halfhartig, maar verwacht wordt dat in elk geval Frankrijk en Duitsland het voorbeeld van de vier genoemde landen zullen volgen.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Er bestaat een minieme kans dat het u ontgaan is dat ABBA na veertig jaar een nieuw album op de markt heeft gebracht. Bij dezen.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

In 1917 was het met het nepnieuws en de bereidheid tot plunderingen niet veel beter gestemd dan nu. De woorden hooligans en wappies bestonden nog niet, maar dat belette het ongeletterde deel van de bevolking niet om in opstand te komen, waarbij geweld niet werd geschuwd (en misschien zelfs wel op prijs gesteld). Vooral het Jordanese en Kattenburgse grauw was er maar moeilijk van te overtuigen dat de aarde rond was, dat er ooit dinosauriërs op diezelfde aarde rond hadden gehuppeld, dat er buiten het kleine Nederland een oorlog aan de gang was, dat aardappelhandelaren echt geen voorraden achterhielden om de prijs op te drijven en dat er in de Prinsengracht heus geen vrachtschepen vol aardappelen gemeerd lagen. Gelijk hun verstandelijk even achtergebleven soortgenoten die een dikke eeuw later de binnensteden van Amsterdam, Eindhoven, Enschede, Roermond, Rotterdam, Urk – ja, waar eigenlijk niet? – onveilig maakten, vielen deze losgeslagen hordes politieagenten, winkels en wat er verder maar sloop-, plunder- en vernielbaar was aan; later zouden deze plunderingen van 1917 de geschiedenis ingaan onder de onschuldig klinkende naam „Aardappeloproer”.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Eind december is vanaf de basis Kourou (Frans Guyana) een Ariane 5-raket gelanceerd met aan boord de James Webb-ruimtetelescoop. Webb is de opvolger van Hubble en kan veel verder de ruimte in kijken. Medewerkers van de European Space Agency hopen dat Webb inzicht kan verschaffen in het oudste licht uit de begintijd van het heelal en zogeheten exoplaneten beter kan observeren dan zijn voorganger.
Maar waarom heeft niemand zich ooit de vraag gesteld hoe het toch komt dat telescopen die op zoek zijn naar intelligente levensvormen altijd van de aarde af gericht zijn?

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Wilhuismus van Nassouwe
Ben ik nu thuis voorgoed
De quarantaine getrouwe
Blijf ik in goede moed
Een leven zonder franje
Leid ik vrij ongedeerd
De anderhalve meter
Heb ik altijd geëerd

✭ ✭ ✭ ✭ ✭




FLASH!

Sommige mensen zijn het helemaal zat dat onze Koninklijke Familie in hun ogen te veel geld uitgeeft, maar dat is niets vergeleken met de burgermeester van Athene, Bakojannis, die 217.000 euro uitgeeft voor een privé-optreden van de populaire Griekse zanger Sakis Rouvas op oudejaarsavond op de parkeerplaats van de Lykavittosheuvel, zonder publiek. Het optreden zal maar liefst zeventien minuten duren en Griekse twitteraars gaan helemaal los met vergelijkingen van artsen die tien jaar moeten werken voor dit bedrag en met niemand minder dan Mick Jagger, die per seconde ongeveer twee dollar zou verdienen tegenover deze Rouvas maar liefst 213 euro per seconde! Voor 217.000 kan men in Griekenland, waar corona nog steviger huishoudt dan hier, 700.000 medische mondkapjes aanschaffen.
Gelukkig voor de Grieken zijn zij niet de personen die de rekening betalen: die wonen een eindje noordwestelijker. Burgemeester Kostas Bakojannis is de zoon van voormalig premier Pavlos Bakojannis en een volle neef van de huidige premier Kyriakos Mitsotakis.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Sommige mensen zijn het helemaal zat dat onze minister van volksgezondheid bij elke vaccinatiecampagne in beeld verschijnt, maar dat is niets vergeleken met de Indiase premier Narendra Modi: diens gezicht is overal aanwezig, van de zijkant van Indiase vliegtuigen tot de onderzijde van ieders vaccinatiebewijs. De Indiase wappie Peter Myaliparampil was er zó klaar mee dat hij een rechtszaak aanspande, maar hij kreeg nul op het rekest: de rechter in Kerala legde hem een boete op van 100.000 roepie (om en nabij de 1172 euro) wegens tijdverspilling, meldt Al Jazeera.
Hoera! Wanneer durft een Nederlandse rechter eindelijk een dergelijke boete op te leggen aan Willem E.?

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

En alweer komt Forum voor Domheid in opspraak. Vlak voor de Kerst was het ditmaal de jongerenafdeling (Baudet Jugend?) die haar volgers een „Fijn Joelfeest en een Zalige Kerst” toewenste.
Vreemd genoeg is ook Theo Hiddema nog steeds lid van deze partij; hij probeert krampachtig nog steeds om zijn medepartijleden tot de orde te roepen met een soort tweets die de herinnering aan een beschaving die langzaamaan aan het verdwijnen is levend moeten houden: zo pareerde hij de vrome wens van de jongerenafdeling van zijn eigen partij met „Waar vieren jullie trouwens het Joelfeest? De laatste officiële vieringen werden gehouden in kamp Westerbork. Misschien voor JFVD een geschikte locatie om zo’n het gezonde volksgevoel stimulerende traditie weer leven in te blazen. Houzee!”

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Op 30 november 2021 riep Barbados zichzelf uit tot republiek; de sociaaldemocratische Sandra Mason, van 2018 tot 2021 gouverneur-generaal van Barbados en vertegenwoordiger van koningin Elizabeth II, werd de eerste president van het landje. Haar eerste daad was het benoemen van de bekende zangeres Rihanna (Robyn Rihanna Fenty) tot „nationale held van Barbados”
Wat ’n geluk dat Nederland voorlopig geen plannen heeft om een republiek te worden! Je moet er toch niet aan denken dat een of andere gek op het idee komt om „zangers” als André Hazes jr., Dries Roelvink, Lil Kleine, Snelle of Ali B. uit te roepen tot „nationale held”!!!

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Weg met het rijbewijs!
• Inperking individuele vrijheid
• Geldklopperij
• De staat wil ons controleren
• Het effect is onbewezen
• Bijna alle dodelijke ongelukken worden veroorzaakt door mensen met een rijbewijs
• Het voelt gewoon niet goed

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Een Franse bergbeklimmer die in 2013 een kist met edelstenen ter waarde van drie ton vond in een grot op de Mont Blanc, mag de helft van de inhoud houden. Men vermoedt dat het kistje met honderden smaragden, robijnen en saffieren al decennia lang in de grot verstopt lag. Waarschijnlijk behoorde het kistje toe aan een inzittende van een vliegtuig uit India dat in 1966 in de Alpen neerstortte.
De Fransman leverde de edelstenen acht jaar geleden in bij de politie die de afgelopen jaren alles in het werk heeft gesteld om de rechtmatige eigenaar of familieleden te vinden. Nu die na alle speurwerk niet zijn gevonden, mag de bergbeklimmer de helft van de edelstenen houden; de andere helft gaat naar de gemeente Chamonix op het grondgebied waarvan de vondst werd gedaan.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Normaal gesproken scheppen wij nooit op over onze dure uitstapjes; maar hee, we komen net terug van het tankstation…

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Een zekere Fajah Lourens verklaarde dat zij haar borstimplantaten laat verwijderen. Nou en?
Onze collegae van het „Algemeen Dagblad” wijdden er een artikel aan. Tja.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭


FLASH!

Er wordt nogal wat afgetest de laatste tijd. Er zijn nogal wat nieuwe soorten tests bijgekomen: PCR-test, zelftest, sneltest … Maar ook voor de al wat langer bestaande aandoeningen en ziektes is een zelftest mogelijk en helemaal niet ingewikkeld: de ouderwetse urinetest. Loopt u uw tuin in en plas tegen een boom, tegen struik of gewoon in het gras.
Als mieren zich verzamelen om uw plasje, hebt u diabetes;
als u op uw eigen voeten plast, wijst dat op prostaatproblemen;
als uw plasje ruikt naar de barbecue van de avond tevoren, hebt u een te hoog cholesterolgehalte;
als uw pols pijn doet na het afschudden, hebt u artrose;
als u weer naar binnen gaat en hij hangt nog uit uw broek, wijst alles op alzheimer.

✭ ✭ ✭ ✭ ✭




Heilige Mis zonder spoilers

Paus Franciscus is zo’n beetje de eerste paus die oog en oor heeft voor de behoeften, angsten en hoop van jonge mensen. Daarom kondigde hij de eerste H. Mis zonder spoiler aan voor alle gelovigen die de Bijbel nog niet hebben gelezen, maar die van plan zijn dit vroeg of laat te gaan doen. „Steeds minder jongeren gaan op zondag naar de kerk,” verklaarde het hoofd van de katholieke kerk. „En dat is minder verbazingwekkend dan het op het eerste gezicht lijkt: het bijwonen van de H. Mis kan een nadelige uitwerking hebben op het lezen van de Bijbel, omdat tijdens de eucharistie de afloop min of meer wordt verklapt en daarom worden priesters uitgenodigd om de ritus te vieren door elke onthulling over de afloop te vermijden. Verwijzingen naar de grote finale zijn daarom absoluut verboden: we kunnen alleen naar het boek Openbaring verwijzen als een ‘zeer gespannen moment tussen God en de mensheid’.”

„De Bijbel is een uiterst fascinerend boek,” legt de Heilige Vader uit, „dat overloopt van liefde en waarheid: maar wij willen niet langer vooruitlopen op deze waarheid! Als de lezer al weet welke en hoeveel plagen er in Egypte zijn, hoe kan hij dan geraakt worden door de dood van het zoontje van de farao? Als je al weet dat Eva en Adam uit het Paradijs verdreven zullen worden, wat let je dan om het complete boek Genesis over te slaan?”
Daarom krijgen Rooms-Katholieke priesters vanaf vandaag de opdracht naar de „Tien Plagen” te verwijzen als „Een reeks pechgevallen” en naar de „Zondeval” als „Een slecht verhaal over fruit”.
Ook zal het de priesters verboden worden om de naam van de ware vader van Jezus bekend te maken en te onthullen dat hij tenslotte niemand minder is dan … [LET OP: SPOILER!] de auteur van het boek zelf.

De Heilige Vader wil een oogje dichtknijpen voor de eerste scènes, zodat het toegestaan zal zijn om iets over het licht te vertellen en zich daarbij te bedienen van de frase „het was”. Maar elke verwijzing naar het schokkende einde van de via crucis is in het vervolg in de kerk taboe. Als logisch gevolg hiervan moeten ook alle crucifixen onmiddellijk verwijderd worden, waar ze zich ook bevinden.
Zelfs de klassieke aanroep zal moeten worden aangepast om niet te veel te onthullen. De voorlopige versie zal als volgt klinken: „In de naam van de Vader, een ander en de Heilige Geest.”
De paus gaf toe: „Deze veranderingen zullen in het begin wat onwennig zijn, maar het is het waard. Per slot van rekening,” voegde hij eraan toe, „Het boek is altijd beter dan de eucharistieviering, nietwaar?”












Nieuwsbrief 57

Nieuwsbrief 58
als pdf

Nieuwsbrief 59

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana