Nieuwsbrief 63 |
Nieuwsbrief 64 als pdf |
Nieuwsbrief 65 |
Register van de Nieuwsbrief |
Startpagina van de Nieuwsbrief |
Startpagina van de Apriana |
| Nieuwsbrief nr. 64 ISSN 1386-6451 | januari 2026 - 32e jaargang nr. 1 |
| INHOUD : |
| Nieuws van de redactie | Roger Schenk & John Beringen |
| Vroeger | Peter de Zwaan |
| Recensie van deel 76: Jolijt met gejatte jachten | Schout-bij-kunstlicht Spook |
| Recensie van deel 77: Leergeld betalen om labels | Schout-bij-kunstlicht Spook |
| DAT hebben er meer geweten! | John Beringen |
| Hoe zit het nou eigenlijk met de linguïstische vaardigheden van Jan, Bob en Arie? | Roger Schenk |
| Historisch geluidsdocument | John Beringen |
| Bobs Bronnen (17) : De Kanaken-stuurman heette, vreemd genoeg, Muriloff | Roger Schenk |
| Website | Peter de Zwaan |
| Maar waren er dan geen andere leuke jongensboekenseries? Zeker wel! (4) Commissaris Achterberg | Roger Schenk |
| Enkele fotos uit Honolulu | Hans Kleppe & Roger Schenk |
| Ongewilde liefde of Het drama op zolder | P. P. Preuts |
| Cameo in Caïro | Alie Loos |
Nieuwsbrief 63 verscheen inmiddels alweer zon anderhalf jaar geleden. Een vast onderdeel van de Nieuwsbrief was jarenlang een kort verhaal van Willy van der Heide (of een van zijn vele pseudoniemen). Helaas is de voorraad korte verhalen in het bezit van de redactie op. Wat niet bepaald helpt, zijn de onmogelijke namen van de tijdschriften waarin onze grote vriend Waterman – onder welk pseudoniem dan ook – heeft gepubliceerd: probeer maar eens te googelen op Jeugd, Jeugdkampioen of Post. De redactie beschikt wel over een stapeltje Candys waaraan Willem enthousiast aan mee heeft gewerkt, maar diezelfde redactie heeft unaniem besloten om die bijdragen niet in de Nieuwsbrief te publiceren. Wij zaten dus met de handen in het – nou ja, dat spul dat lang geleden onze koppen sierde. Jaren geleden gedane toezeggingen om (kopieën van) die tijdschriftjes te geven, werden niet nageleefd en daarom had de redactie er even balen tabak van, zoals dat heet.
Gelukkig verscheen na verloop van tijd een reddende engel in de vorm van Klaas de Krijger! Hij voorzag de redactie van een aantal nummers van Amors Magazine, waardoor wij eindelijk weer (even) vooruit kunnen. Klaas, dè ge bedankt bent, dè witte!
En ach, we hebben met zn allen na Cnall-effecten toch zeker veertien jaar gewacht op het verschijnen van een nieuw Bob Evers-deel (Bob Evers belegert Fort B), vervolgens nog eens tien op weer een nieuw deel (Een zeegevecht met watervrees, en ook tussen de delen 50 en 51 (eerste druk) zaten enkele jaren, tussen 51 (eerste druk) en 52 nogmaals, dus ja, wat maakt een jaartje wachten op een nieuwe Nieuwsbrief nou uit in een mensenleven?
De delen 76 en 77 zijn verschenen!
Voorzijde van Driftbuien in Driewegsluis, |
Voorzijde van Met zakgeld naar Zanzibar, |
Zoals uit Peters en Lias kerstkaart op Facebook blijkt, staan er voor dit nieuwe jaar staan alweer drie nieuwe Bob Evers-delen op stapel. De nummering schuift wederom een beetje: een verhaal uit de begintijd van de vriendschap van Jan, Bob en Arie, Gerommel in een roestig scheepswrak, verdringt het begin van een nieuwe trilogie van de 078ste plaats. Dat verhaal speelt zich niet af in 078, zoals u misschien zou denken: dat is alleen maar het kengetal van enkele plaatsen waar in totaal een slordige 75% van de buitengewoon honoraire leden van het Bob Evers Genootschap woonachtig is. Het verhaal speelt zich zelfs niet af in Nieuw-Dordrecht, maar wel daar in de buurt: Nieuw-Amsterdam en omgeving. In de krant Argus, die het wel vaker over Willy van der Heide in al zn verschijningsvormen heeft gehad, vermeldde Ewoud Sanders in zijn rubriek Woordhoek de term lawaaikraai, volgens hem gemunt door Willy van der Heide in een van diens boeken. Gelukkig was daar de ons allen Peter Stöve, die middels een ingezonden brief op 15 januari 2026 meldde, dat onze schrijver dit woord niet in de Bob Evers-, maar in de Wanda Moens-serie gebruikte, om precies te zijn in Drie meisjes en een Lord; dat deed hij natuurlijk niet onder het pseudoniem Willy van der Heide, maar onder Sylvia Sillevis. | Kerstkaart van Lia Krijnen en Peter de Zwaan |
Eind mei 2025 bereikte ons het verschrikkelijke bericht dat Frans Verpoorten jr. op de vijftiende van die maand was overleden. Frans Verpoorten jr., geboren op 25 januari 1949, was in 1972 een van de vijf oprichters van het Bob Evers Genootschap. Het stemt ons intens treurig dat inmiddels meer dan de helft van hen onder de groene zoden ligt. Frans vader was de beroemde kunstschilder Frans Verpoorten (sr.) (* 5 januari 1924, 27 juni 1997). Frans jr. was van beroep fotograaf en maakte begin jaren 70 deel uit van het schrijvers- en filmerscollectief Joyce & Co., de groep rond Geerten Meijsing. Laatstgenoemde, een van de twee nog levende bestuursleden van Het Genootschap, liet Frans Verpoorten jr. met enige regelmaat in zijn romans figureren onder de namen Frans en Tony Mascini.
In de laatste jaren van zijn leven heeft Frans Verpoorten jr. tegen de bierkaai in de vorm van de hardvochtige gemeente Haarlem moeten vechten: Frans woonde al sinds 1970 in het pand van zijn vader, dat van origine een atelier was, maar volgens de gemeente officieel niet als woonhuis mocht fungeren. Deze ongelijke en onnodige strijd, waarbij rücksichtslos voorbij werd gegaan dat deze gemeente meer dan een halve eeuw heeft toegestaan dat Frans hier heel officieel en heel prettig woonde, vergalde de laatste levensjaren van de sympathieke fotograaf. Veel van Frans fotos zijn door hemzelf gedigitaliseerd en gearchiveerd op popstockfoto.com; veel daarvan hebben de Stones en Geerten Meijsing als onderwerp. Meijsing schreef ooit over Frans:
Eigenlijk was Frans de enige onder ons die een afwijkend gedrag liet zien, doordat hij zich kleedde en bewoog als een kruising tussen Mick Jagger en Prins Philip, en ook zijn smaak was een wonderlijke combinatie van kitsch, kennislacunes en charme. Hij had een merkwaardig talent om mensen naar zijn hand te zetten en wekte voortdurend de indruk koortsachtig met iets bezig te zijn. In zijn ogen stond doorgaans een prikkelende opwinding te lezen en de gewoonste routinehandelingen kregen in zijn bijzijn de glans van een spannend avontuur. |
|
Frans Verpoorten jr. (links) in gelukkiger tijden, om precies te zijn op 4 oktober 2003. Op de foto is het moment te zien waarop hij Roger Schenk (midden) de bul, behorende bij het buitengewoon honorair lidmaatschap van het Bob Evers Genootschap overhandigt. Voorzitter Peter J. Muller (rechts) kijkt goedkeurend toe. |
Bob Evers en andere boekwerken van onze besnorde boezemvriend bemachtigen bleek vroeger lastiger dan u in het internettijdperk denkt, maar niet onmogelijk. Herinnert u zich nog de lichtblauwe catalogus van Antiquariaat De Spreng in Almkerk, die met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk op onze deurmat plofte? Nou ja, ónze deurmat? De werkelijk geraffineerden onder ons lieten de catalogus op hun werk bezorgen, zodat zij er als het pluimvee bij waren om een ijltelefoontje richting Almkerk te plegen, terwijl anderen nog niets vermoedend aan het werk waren en hun catalogus pas s middags of s avonds thuis aantroffen. Die tijden dus, wie kent ze niet? Het zal deze en gene wellicht zijn opgevallen dat we al een tijdje geen lichtblauwe catalogi meer ontvangen. En daar is helaas een goede reden voor, want Ton van der Heijden is, naar de redactie onlangs pas hoorde, in de zomer van 2024 overleden. Rust zacht, Ton, de gedachten van ieder die ooit boeken bij jou gekocht heeft, zijn bij jou en je nabestaanden.
In deze Nieuwsbrief treft u behalve de vaste rubrieken Bobs Bronnen (aflevering 17 alweer), de nog jonge serie waarin aandacht wordt besteed aan andere series
dan Bob Evers (deel 4) en Enkele fotos uit ... (deel 26), een voorbeschouwing van Peter de Zwaan op de drie nieuwe delen aan. Peter heeft de smaak van het schrijven goed te pakken, want behalve met drie nieuwe delen verrast hij ons in 2026 twee columns in dit blad. John Beringen heeft bandrecorderbanden ontdekt waarop Pia Beck geïnterviewd wordt door de zus van Willem van den Hout; in Johns andere bijdrage aan dit nummer verschijnt dan weer een ander familielid van de grote schrijver ten tonele. Schout-bij-kunstlicht Spook laat als vanouds zijn visie schijnen op de twee laatst verschenen delen. In het tamelijk lange hoofdartikel heeft Roger minutieus uitgeplozen hoe het nu precies zit met de kennis van buitenlandse talen van Jan, Bob en Arie (en indirect ook een enkele keer van Willem zelf). De Nieuwsbrief wordt afgesloten door een bijdrage van Frank Engelen.
Ik zou zeggen: veel leesplezier!
In principe zou het zomaar kunnen dat u zelf nieuwstips, kopij, vragen, opmerkingen of een reactie hebt. Dat is dan goed nieuws, want uw bijdrage is meer dan welkom, liefst vóór 1 juni a.s., gericht aan nieuwsbrief@apriana.nl, zodat wij uw pennenvrucht in Nieuwsbrief 65 kunnen verwerken.
Laten we het eens hebben over vroeger. Ik ben van vroeger, veel lezers van Bob Evers zijn van vroeger. Dat schept een band en het scheelt een hoop uitleg.
Neem de jaren vijftig, daar weten we nog wel wat van, óf omdat we toen al rondliepen óf omdat we de boeken van Willy lazen en daardoor automatisch een paar honderd paginas lang in die jaren werden ondergedompeld. Mooie jaren, die met 50 erin. Waarin ik naar de lagere school in Meppel liep met mijn vriendje Henk en we teksten uit de Bob Evers-boeken herhaalden en herhaalden. Ik noemde de laatste regel van pagina 68, waarna hij de eerste regel van pagina 69 foutloos op moest zeggen. Blijf oefenen en het lukt. Ter hoogte van, toen, hotel Ogterop vielen we stil en liepen we langzamer. Daar zat hij, onze held, voor het raam en achter een typemachine. Aangesproken hebben we hem nooit, die lange, besnorde man ... je durfde niet. Mijn vader wel en daaraan dank ik een Stille Zuidzee met een handtekening en een opdracht.
Mooie jaren, zei ik, en een paar jaar geleden dacht ik: te mooi om te blijven negeren. Waarna ik Fietspompen voor een fortuin maakte, gevolgd door Geduvel rond een duffel. Een feest om te schrijven, boeken die zich afspelen in wat je jeugd was, waar je je dingen van herinnert ... maar helaas vaak wel een beetje fout. Waarna je gaat zoeken. In boeken, in Wikipedia, overal waar je denkt iets van vroeger te kunnen vinden. De resultaten spreken elkaar soms tegen waardoor je een keuze moet maken. Volgens mij zat het zo, zeg ik dan tegen mezelf en ga aan de slag met een verhaal waarin nog telefooncellen zijn, waarin je een telegram kunt versturen, waarin je met een dubbeltje nog iets kunt doen. En waarin Jan, Bob en Arie elkaar niet kunnen bereiken door op knullige knopjes op een mobieltje te drukken en de een soms geen idee heeft waar de ander uithangt.
Ik beleefde zoveel plezier aan het schrijven van de twee jaren vijftig-boeken dat ik er nog eentje heb gemaakt: Gerommel in een roestig scheepswrak. Een avontuur zonder geweren, kanonnen en ander zwaar geschut, gewoon een verhaal over jongens die iets vreemds zien, achter hun neus aanlopen en daar mee in de boter vallen.
Als het niet zo moeilijk was om een origineel thema te vinden voor een boek dat zich dik zeventig jaar geleden afspeelt, dan zou ik meteen weer aan de slag gaan. O, nee, kan niet: ik moet eerst nadenken over het derde deel van de trilogie die begint met Belegering bij Bourtange. Deel twee is De vesting van Finsterwolde. Meestal bedenk ik de titel van deel drie als ik met deel twee bezig ben. Dat is dit keer niet gelukt en daarom kan ik jullie alleen de titel van het eerste hoofdstuk geven: Een galerie bij Reckahn. Reckahn? Het komt jullie niet onbekend voor en terecht. Het is het oord waarover jullie vele jaren geleden al lazen. Niet helemaal de jaren vijftig meer, maar wel een heel stuk terug.
Voor veel lezers is een Bob Evers-boek een lawine aan nostalgie. Voor mij ook en reken maar dat ik zit te genieten als ik schrijf.
Driftbuien in Driewegsluis is het slotdeel van de Bokken-trilogie.
Zuinige Jan reist van Emmeloord helemaal naar Beverwijk om Durk Leport aan de tand te voelen; tijdens dat gesprek blijkt dat Leport meer weet en dat de zaak heel anders in elkaar steekt dan Jan, Bob en Arie dachten. Ze krijgen ook hoe langer hoe meer het idee dat Leport niet het achterste van zijn tong laat zien. Leuk, zon opdrachtgever. Hij is niet de enige: voor- en tegenstanders munten uit door onvriendelijk en onsympathiek gedrag. Jan en Arie worden weggejaagd door vader en zoon Vinke, van wie jachten zijn gestolen en je dus iets meer medewerking of op zn minst vriendelijkheid zou verwachten en Bob komt terecht op een briljanten huwelijksfeest en vervolgens midden in een zwerm kinderen, zoals Arie dat lang geleden op de Kaag overkwam in Een motorboot voor een drijvend flesje. Een door vader of zoon Vinke gestuurd karateduo gaat er met de Skagerrak vandoor en Bob raakt het spoor bijster.
Als Bob daarna verenigd is met Jan en Arie, zetten zij de achtervolging van de Skagerrak in, maar omdat de brug in Ossenzijl niet opengaat vanwege een enorme opstopping op de plaatselijke Hoofdweg, komen Jan en Bob niet verder, dus Arie zet de achtervolging in zijn eentje per fiets voort en hij komt terecht in Driewegsluis. Daar vindt hij inderdaad de Skagerrak, maar die blijkt ineens een andere naam te hebben: de aloude plakletters blijken anno 2025 ook nog te werken. Als Jan en Bob zich eindelijk bij Arie gevoegd hebben, zien ze het karateduo weggaan en gaan dan aan boord van het jacht. Het karateduo komt terug en wat volgt, is een miniatuur-zeeslagje, dat sterk doet denken aan de strijd op de Beulaker met Buikmans en Van Busekom; alleen waren dat geen karate-, kendo- of mixed martial arts-types, dus deze strijd is spannender. Er zijn van die mensen die – zonder de boeken van Peter de Zwaan ooit gelezen te hebben – al lang geleden voor zichzelf (of misschien wel heel stoer: voor anderen) bepaald hebben dat Willy alles was en Peter niks. Nou, op mijn erewoord als oud-schout, in vechtscènes doen de nieuwe delen (vanaf de tweede helft van deel 36) echt niet onder voor de delen die Willy ooit schreef! De zeeslag gaat naadloos over in een complete veldslag bij Paviljoen Driewegsluis; de talloze bezoekers van het paviljoen bemoeien zich ermee en ineens verschijnen Ger en Suum, de ons inmiddels welbekende worstelaar van Wanneperveen, als duveltje resp. duvel uit een doosje ten tonele. Zij vechten het verder uit met het karateduo; intussen staat de Ramin in de hens: alsof je zit te kijken naar Waterjuffer meets Roadhouse Valleyglade. Prachtig!
Uiteindelijk wordt duidelijk dat de Vinkes de diefstal van twee jachten, een Skagerrak en een Nimbus, op de verzekering proberen te verhalen, terwijl zij beide jachten al lang en breed terug hebben. De finale vindt plaats op een industrieterrein aan de rand van Heerenveen; daarbij worden de Nimbus en de Maserati van Vinkes zoon onherstelbaar beschadigd; waarschijnlijk is dat ook het geval met de Skagerrak, maar dat wás al: door het fikkie en de daaropvolgende bluswerkzaamheden bij Driewegsluis.
Een schitterende afsluiting van deze trilogie! Dank u wel, meneer De Zwaan. Wij reizen graag met u af naar Zanzibar.
Peter de Zwaan, Driftbuien in Driewegsluis, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2025. ISBN: 9789083514208
In dit deel scheiden de wegen van Bob en Arie enerzijds en van Jan anderzijds; dat komt er nou van als je twee kantoren hebt, eentje in Sausalito/Ca. en een in Amsterdam. Het kantoor van REP Research International in Sausalito/Ca. bestaat uit een woonboot en daar is onlangs ingebroken, zo luidt het bericht uit de Verenigde Staten. De inbreker heeft een gat in de wand van de boot geslagen en nu ligt het ding scheef in het water. Bob en Arie gaan poolshoogte nemen en komen al snel op het spoor van een Tanzaniaanse transportonderneming. Toeval bestaat niet, maar het blijkt een lang gekoesterde wens van Jan te zijn om Zanzibar te bezoeken, sinds 1964 een semi-autonome provincie binnen de Verenigde Republiek Tanzania. Jan gaat eerst inlichtingen inwinnen bij pa Roos. Tijdens de conversatie met de oude reder blijkt dat onze geliefde Bob Evers-boeken nog steeds even leerzaam zijn als in de tijd van Willy van der Heide. Behalve alle ins en outs over containerschepen heeft pa Roos het over Dar es Salaam en hij noemt dat de grootste stad van Tanzania, dus niet: hoofdstad; lang geleden, toen uw schout-bij-kunstlicht nog op de hbs zat, leerde hij echter dat Dar es Salaam de hoofdstad was van Tanzania, maar zoals in zo vele Derde Wereldlanden werd een of andere negorij in het binnenland uitverkoren om voor nieuwe hoofdstad te spelen: Dodoma.
Terwijl Jan zo goedkoop mogelijk naar Zanzibar reist (met o.a. een zestien uur durende tussenstop in Istanboel), achtervolgen Bob en Arie een geheimzinnige vrachtwagen naar Idaho. Ze passeren daarbij o.a. het plaatsje Carey, waar – zoals wij (bijna?) allemaal weten – in 1947 of 1948 een heus vliegveld werd aangelegd en officieel geopend door president Harry S. Truman. Wie het niet meer weet, moet voor straf nog maar eens in Lotgevallen rond een locomotief grasduinen. Dat geldt ook voor Bob en Arie zelf, want zij reppen met geen woord over deze greatest airport opening, zoals een van Trumans opvolgers deze historische gebeurtenis ongetwijfeld zou omschrijven. In de buurt van Mackay in Idaho blijken een soort van naai-ateliertjes te staan, waar labels van dure merken in de tweedehands kleding die de firma TransAA ophaalde en afleverde, worden genaaid. Dat begint warempel een beetje te lijken op wat Mexicanen in Feestelijke veldslagen in San Antonio deden.
Intussen is Jan in zijn eentje, met slechts wat zakgeld bij zich, zoals de titel van het boek aangeeft, via Dar es Salaam op Zanzibar gearriveerd en neemt zijn intrek in Tembo B&B Apartments. Zie de foto hiernaast. Nou kan ik me vergissen, maar ik heb toch sterk de indruk dat ik op de foto palmen zie, veel palmen zelfs, hoewel die volgens Jovin Filipo, de Tanzaniaanse barkeeper in San Francisco in Tanzania, nauwelijks voorkomen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld baobabs, acacias en kigelias. Of geldt dat alleen voor het vasteland? Het appartementencomplex en bijbehorend hotel – dat tot Jans vreugde een stuk duurder is: dat verschil heeft de zuinige kolonelszoon alvast terugverdiend – liggen op nog geen 50 meter van het als museum ingerichte geboortehuis van de bekendste oud-inwoner van Zanzibar, Farrokh Bulsara, die onder de naam Freddie Mercury o.a. de prachtige en bombastische Boheemse rapsodie componeerde en zong. Jan, die qua muzieksmaak nooit veel verder is gekomen dan jazz en blues (met eind jaren 70 in de Saturday Night Fever-era, in Kloppartijen in een koelhuis, een uitstapje naar de Bee Gees), kijkt er niet eens naar. Hij passeert wel een ander museum, maar dat ligt een eindje verderop, voorbij de plek waar de veerboten aanleggen.
Een van de werknemers van de onderneming brengt Jan naar een ander eiland van de Zanzibar-archipel, waar hij een ontmoeting heeft met Nguvu Mitende, de grote baas van bedrijven als TransAA, TranZanz en ZanzCycle en die ontpopt zich als een eerlijke kerel, die niet in de gaten heeft wat er allemaal in de Amerikaanse afdeling van deze bedrijven speelt. Hij is Jan – en Bob en Arie – zo dankbaar dat hij Jan in zijn privéjet meeneemt naar San Francisco, waar de ontknoping volgt, met als hoogtepunt de ontsnapping van Bob en Arie uit een vrachtwagen, waarbij ze hun eigen vriendje Jan aanvallen. Tot nu toe is van het trio dus alleen Jan een paar uurtjes op Zanzibar geweest, maar op kosten van Mitende mogen zij alle drie op vakantie naar het hoofdeiland van de archipel, dus alles sal reg kom, om het maar eens in een andere taal die op het Afrikaanse continent wordt gesproken te zeggen. Ook dit is weer een leuk boek, waarvan de titel indertijd al is bedacht door Willy van der Heide, zoals we in de vorige Nieuwsbrief al konden lezen, maar de inhoud is 100% van de hand van Peter de Zwaan.
Een minpuntje is toch wel dat dezelfde Peter de Zwaan zich door de woke waanzinnigen heeft laten overhalen (blz. 148) om Bob te laten zeggen dat men geen indianen meer mag zeggen. De meeste indianen hebben geen bezwaar tegen het gebruik van het woord indiaan (per slot van rekening is het geen scheldwoord, maar een historische vergissing), zolang wij Europeanen maar terdege beseffen dat er tussen indianen net zo veel verschillen zitten als tussen Europeanen: een Zweed is immers geen Italiaan en een Bask is geen Rus. Zo is een Navajo geen Seneca en een Kwakiutl geen Cheyenne. Woke wezens maken de zaken alleen maar nodeloos ingewikkeld.
Peter de Zwaan, Met zakgeld naar Zanzibar, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2025. ISBN: 9789083514215
Vele jaren geleden bezocht ik regelmatig de tweedehands boekwinkel van Gerard Welmers in Utrecht. Deze zaak was gevestigd in de Priokstraat, gelegen in de wijk Lombok. Je kon daar heel goed terecht om missende delen van Biggles te scoren. Voor boeken van Willem kwam ik daar allang niet meer, want ik had alles inmiddels al compleet. Het nu volgende hilarische voorval dat ik aldaar meemaakte, moet hebben plaatsgevonden rond 1990. Hou mij ten goede: het kan ook iets eerder geweest zijn; precies weet ik het niet meer.
Gerard was er niet zodat zijn vrouw in de zaak stond. Zij wist (ook) dat ik een Bob Evers-liefhebber was en vertelde mij iets opmerkelijks: Een poosje terug kwam hier een meisje binnenlopen. Een leuk kind om te zien; ik denk dat ze een jaar of achttien was. Volgens mij een studente. Ze liet weten op zoek te zijn naar boeken van haar opa. Ik vroeg wie haar opa was en dat bleek Willy van der Heide te zijn.
Nou weet ik niet meer of de vrouw haar nog aan wat boeken heeft kunnen helpen. We spraken nog even over Bob Evers en de vrouw liet weten dat ze al het andere werk van Willem ook kende: Otto Onge, Dick Boei en natuurlijk ook de romans van zijn hand onder het pseudoniem Willem W. Waterman. Ik liet me ontvallen dat Willem ook meisjesboeken had geschreven onder het pseudoniem Sylvia Sillevis. Het resultaat op deze opmerking bleef niet uit. Haar mond viel open; ze leek even naar lucht te happen. DAT hebben er meer geweten, bracht ze tenslotte uit.
Onderweg naar huis moest ik inwendig grinniken en bedacht dat hier twee conclusies waren te trekken. De eerste is het feit dat noch zij, noch haar man ooit het boek Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig had gelezen, want daarin kon je het verhaal over de meisjesboeken, met vermelding van het pseudoniem, glashelder aantreffen. En de tweede conclusie is dat ze hoogstwaarschijnlijk inderdaad ooit boeken heeft gehad van de haar totaal onbekende Sillevis en dat ze die (naar nu bleek) dus veel te goedkoop had verkocht.
Maar laten we wel wezen: internet, waar je alles na kunt snuffelen, bestond nog niet. En nou had je in de bibliotheek weliswaar de Brinkmans cumulatieve catalogus van boeken waarin alles, keurig op naam van de schrijver of schrijfster, staat opgesomd, maar als je iedere keer bij een onbekende naam daar naartoe moet gaan om te bladeren en je vervolgens in 99 van de 100 gevallen ontdekt dat het niets bijzonders is dan schiet het natuurlijk ook niet op. Dat doe je begrijpelijkerwijs dus niet.
Maar ik was het helemaal eens met haar: dát hebben er meer geweten.
Voor we het daarover gaan hebben, zullen wij even een paar woorden moeten wijden aan het Nederlandse onderwijssysteem vóór en na de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) van 14 februari 1963, een geesteskind van KVP-minister Jo Cals; vanwege de hoeveelheid onderwerpen die in de wet werd vastgelegd, noemde het Tweede Kamerlid namens de AR Anton Roosjen deze wet gekscherend een mammoetwet en onder die naam is deze wet die de verslechtering van het Nederlandse onderwijs inluidde, voort blijven leven. Ze trad in werking op 1 augustus 1968 en is sindsdien volgens Wikipedia maar liefst meer dan 250 (zegge: tweehonderdvijftig) keer gewijzigd en aangepast.
Voor die datum 1 augustus 1968 kende Nederland de volgende onderwijstypes: de huishoudschool, een school voor meisjes, die in 1888 van start ging met de Haagse Kookschool. In 1968 werd de naam gewijzigd in Lager Huishoud- en Nijverheidsonderwijs (LHNO) en het lesprogramma werd enigszins aangepast. Een van de belangrijkste aanpassingen is dat school vanaf toen ook toegankelijk werd voor jongens. Jongens die een echt vak wilden leren, gingen tot de invoering van de onzalige wet naar de ambachtsschool; in 1968 werd de naam hiervan gewijzigd in Lagere Technische School (LTS) en kende vanaf die tijd een praktijk- en een theoriestroom. In die laatste stroom, die leerlingen voorbereidde op een vervolgstudie op de Middelbare Technische School (MTS), werd begin jaren 70 het vak Engels verplicht, met alle dramas van dien. Net zoals jongens op het LHNO mochten meisjes vanaf het mammoetgedoe de LTS bezoeken. Huishoudschool en Ambachtsschool boden een driejarige opleiding; na de wet van Cals en de verlenging van de leerplicht werden dat vier jaar. Wie iets anders wilde, kon ook kiezen voor het Lager Economisch en Administratief Onderwijs (LEAO); hier werd de leerling voorbereid op een beroep in de winkel of op kantoor. De drie schooltypen behoorden na de invoering van de Mammoetwet tot het zogeheten Lager Beroepsonderwijs. 1992 gingen ze op in wat Voorbereidend Beroepsonderwijs (VBO) is gaan heten. Samen met het MAVO ging dit in 1999 op in het VMBO: Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs. Sindsdien maakt dit schooltype met zijn talloze praktische richtingen ook deel uit van het middelbaar onderwijs, terwijl het LHNO, de LTS en de LEAO daar niet toe behoorden. De L was het belangrijkst: de scholen golden als voortzetting van de lagere school (een schooltype dat helaas ook al niet meer bestaat; het werd opgevolgd door het zogeheten basisonderwijs. Gekke naam eigenlijk, als je erover nadenkt: van de lagere school kwamen wij allemaal rond ons twaalfde jaar af met een bepaalde basiskennis, maar sinds het ding basisschool heet, ontbreekt het veelal aan elke vorm van basiskennis). Van de huidige generatie middelbare scholieren bezoekt ongeveer 60% het VMBO, terwijl het HAVO en het VWO elk aan circa 20% van leerlingen onderdak bieden.
De laagste vorm van voortgezet onderwijs was van 1857 tot 1968 het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs (MULO), dat eigenlijk bedoeld was als vervolg op de lagere school. De focus bij deze brede algemene opleiding lag op praktische vakken. Bij deze drie- of vierjarige opleiding waren de vakken Nederlands, Frans, Duits, Engels, algebra, meetkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, biologie, natuurkunde (vaak aangeduid als fysica), bedrijfsrekenen, boekhouden en gymnastiek verplicht. In 1920 werd de naam overigens veranderd in ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs), maar veel scholen bleven de naam MULO voeren. Met de invoering van de Mammoetwet veranderde de naam in Middelbaar Algemeen Voortgezet Onderwijs (MAVO), waarbij alleen Nederlands en Engels verplicht waren; alle andere vakken, inclusief de andere twee moderne vreemde talen, waren vanaf 1968 keuzevakken, net als bijvoorbeeld Arabisch, Fries, Spaans en Turks. In 1999 werd het MAVO, zoals gezegd, opgenomen in het nieuw gevormde VMBO; omdat dit schooltype al snel een negatieve naam kreeg, noemen steeds meer scholen de richting VMBO-Theoretische Leerweg weer ouderwets MAVO.
Niet zomaar een voormalige Rijkshoogereburgerschool, maar een bijzondere: dit is de HBS in s-Hertogenbosch die de jonge Willy van den Hout drie jaar lang bezocht en daarna schielijk en zonder diploma verliet om zijn loopbaan te vervolgen op een van de plaatselijke kweekscholen. In zijn HBS-tijd werd Willy betrapt op het aanvullen van zijn zakgeld door het aan klasgenoten verkopen van blaadjes met een inhoud die types als een Bert Meppelink of een Peter J. Muller hogelijk op prijs zouden stellen, maar de brave HBS-docenten bepaald niet! |
Omdat de HBS en het gymnasium tot 1887 alleen toegankelijk waren voor jongens, werden er voor meisjes particuliere scholen, de vijfjarige Middelbare Meisjesschool (MMS) opgericht, met dezelfde verplichte vakken als op het MULO, maar op een beduidend hoger niveau; het curriculum werd aangevuld met creatieve vakken. De vakken Nederlands, Frans, Duits, Engels, aardrijkskunde en geschiedenis waren verplichte examenvakken. De talen wogen bij de bevordering zwaarder dan de economische en exacte vakken, omdat de meisjes die dat wilden, natuurlijk vanaf 1887 naar de HBS konden gaan. De MMS gold als een goede opleiding voor het beroep van lerares of secretaresse. Met het in werking treden van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) op 1 augustus 1968 ging de MMS op in het HAVO en het Atheneum; de laatste MMS-examens werden in 1973 afgenomen. |
Het gymnasium is de opvolger van de Latijnse school, maar pas bij de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 werd de inrichting van het gymnasium centraal geregeld. En zo kon het gebeuren dat Lodewijk van Deyssel, of liever gezegd: Karel Albertingk Thijm, in de zomer van 1876 als een van de eerste leerlingen tussen allemaal Limburgse jongetjes die pastoor wilden worden onderwijs volgde aan Gymnasium Rolduc, op de kop af honderd jaar vóór de schrijver van dit artikel. Het verschil is dat ik die school wel heb afgemaakt, maar Van Deyssel niet, maar laatstgenoemde schreef dan weer een prachtboek over zijn tijd op Rolduc, De kleine republiek; pastoor zijn we allebei niet geworden, maar de Limburgse jongetjes die pastoor wilden worden waren in 1976 al lang en breed verdwenen en om mij moverende redenen had ik geen zin om daar verandering in aan te brengen. Maar dit uiteraard geheel terzijde. In dit wet van 1876 werd het gymnasium verdeeld in een α- en een β-richting: op gymnasium-β werden behalve klassieke en moderne talen ook wis-, natuur- en scheikunde onderwezen, op gymnasium-α werd in plaats van de drie β-vakken behalve geschiedenis vooral meer Grieks en Latijn gegeven. Wie een universitaire opleiding theologie, rechten of letteren wilde volgen, moest een gymnasium-α-diploma kunnen overleggen, en wie medicijnen en natuurwetenschappen wilde doen, moest een gymnasium-β-diploma hebben. Vanaf 1917 volstond voor die laatste opleidingen dus ook een HBS-diploma. Behalve een drastische teruggang van vooral de uren Grieks en Latijn veranderde er voor gymnasia bij de invoering van de Mammoetwet niet zo gek veel. Na de invoering van de mislukte, maar de na tientallen aanpassingen hardnekkig gehandhaafde Tweede Fase met haar vier profielen, verschilt het gymnasium eigenlijk nauwelijks van het atheneum, behalve dat men als tweede vreemde taal naast Engels ook Grieks of Latijn kan kiezen. | Niet zomaar een voormalige Rijkshoogereburgerschool, maar een bijzondere: dit is de HBS in Meppel die de jonge Peter de Zwaan vijf jaar lang bezocht en daarna mét diploma weer verliet. Het gebouw ligt vrijwel naast het voormalige Hotel Ogterop, alwaar … ach, u kunt het nalezen in diverse interviews, niet in de laatste plaats in de eerste column van Peter in deze Nieuwsbrief. |
In het algemeen geldt dat de Mammoetwet een desastreuze uitwerking heeft gehad op de beheersing van de drie moderne vreemde talen door generaties Nederlanders. Waar wij er vóór 1968 (1974, als we de laatste eindexamens oude stijl in aanmerking nemen) wereldwijd om bekend stonden dat wij de drie moderne vreemde talen vlot beheersten, zijn de meeste mensen in ons koninkrijk inmiddels teruggevallen tot het niveau Frankrijk, Groot-Brittannië, Spanje, Italië en Duitsland: we kennen maar één taal en dat is die van ons – en dat nog lang niet altijd even goed. O ja, en natuurlijk een paar woordjes van dat taaltje dat door slechts 4,5 miljoen inwoners van de Europese Unie als moedertaal wordt gesproken.
Als lakmoesproef om te staven dat mijn verzuchting over de teloorgang van de beheersing van de drie belangrijkste moderne vreemde talen nemen wij de gedrukte exemplaren van De Nederlandse Top 40 erbij: zeker sinds de jaren 50 is Engels de taal van de popmuziek geworden; daarnaast bleven sommige Nederlandse artiesten een poging doen om zwaar geschut – dat is tenminste de indruk, die kernachtig Hollands in vergelijking met de immer charmante Franse taal maakt – in stelling te brengen. Maar tot pakweg 1974 of 1975 stonden er elke week wel een stuk of vijf chansons dan wel Schlager in de Top 40. Vanaf 1975, het jaar waarin de desastreuze invloed van de Mammoetwet een belangrijke rol in de samenleving ging spelen, zijn Franse en Duitse liedjes net zo zeldzaam, exotisch en onbegrijpelijk als Italiaanse, Mandinka, Moldavische, Spaanse, Tagalog of Turkse.
Huiskamervraag 1: welk lied in het Mandinka stond ooit op de eerste plaats in de Nederlandse Top 40?
Huiskamervraag 2: welk lied in het (oorspronkelijk) Moldavisch heeft ooit de eerste plaats in de Nederlandse Top 40 gehaald?
Huiskamervraag 3: welk lied in het Tagalog schopte het ooit tot de tweede plaats in de Nederlandse Top 40?

Na deze sombere bespiegelingen over de teloorgang van het Nederlandse onderwijs na 1968 wordt het tijd om eindelijk eens aandacht te besteden aan Jan, Bob en Arie. Hoe zat en zit het met hun talenkennis? Die zal ongetwijfeld goed en grondig zijn, want twee van hen zaten, ver voor de Mammoetwet, op de HBS. Daar komt bij dat Jan en Arie vooral door hun omgang met Bob en de talloze avonturen in Engelstalige landen uitstekend Engels spreken, maar het begin is aarzelend:
Jan Prins, zei Jan. Hij wees achter zich. En dat is Arie Roos, maar dat had je begrepen. Hij zei het in het beste Engels waarover hij beschikte en wist zeker dat hij net zo ingespannen keek als de jongen tegenover hem. We hebben Engels op school, zei hij als verklaring, en Arie is zoon van een reder en als ze ergens Engels praten ... Hij rondde de zin af met een gebaar dat meer dan duidelijk was. |
Arie verstond zowat geen snars van dat neusklankige Amerikaans. Hij was zacht en beschaafd school-Engels gewend met wat How do you dos en Good mornings |
Je spreekt goed genoeg Engels en je bent al lang genoeg hier om de verkeersregels te kennen. |
Hij sprak wel veel vlotter Engels, maar dat zei niets. Zowel hij als Arie spraken even gemakkelijk Engels als Nederlands. |
Frans is van een andere orde, maar in de taal van Marianne weten Jan en Arie zich uitstekend te redden; een eerste bewijs daarvan wordt geleverd in de buurt van Thionville, al is Aries Frans hier nog wat rammelend en hij moet even nadenken over de vraag van de Franse douanier, omdat die zijn zin andersom bouwde dan in het Hollands gebruikelijk is. (Een dollarjacht in een D-trein, p. 54 HC).
Als het nou nog Grieks was. |
Ontzettend dikhuidige, eigenwijze, over alle nijlpaarden getilde gloriesufferd! |
Jan Prins had, met goed gevolg zoals dat heet, een Hollandse HBS afgelopen, en sprak dus redelijk Frans en Duits. Heel redelijk zelfs, want al die jaren Frans van de HBS waren, tijdens hun avonturen in het buitenland, zo nu en dan weer opgehaald en gebruikt, zodat Jans Frans zelfs spreek-Frans was geworden in plaats van hakkelig school-Frans. |
Het gesprek ging nog steeds in het Frans. De man bekeek Jan van top tot teen, en vroeg nu: |
Hollander! schreeuwde Arie in zijn beste Amsterdams. |
Jij spreekt natuurlijk steengoed Turks, zei Arie droog. |
De derde moderne vreemde taal die ulo-, hbs- en gymnasiumleerlingen destijds op school leerden, was Duits. Jan, Bob en Arie komen regelmatig met Duitsers in gesprek, een enkele maal met een Zwitser. Uit:
Jan [...] haalde zijn beste Duits voor de dag, trachtte zich zo goed mogelijk te herinneren, welke woorden de derde en welke de vierde naamval regeerden, [...] |
Jans Duits was grammaticaal niet helemaal in orde en hij maakte een potje van de naamvallen, maar de strekking was helder en mocht Lothar iets niet hebben verstaan, dan kon hij uit de toon wel opmaken dat de tijd voor grollen voorbij was. |
Behalve de drie talen die elk kind in Nederland vroeger goed op school leerde, zijn er nog meer vreemde talen waarmee Jan, Bob en Arie te maken krijgen. De eerste maal is dat in Een meesterstunt in Mexico, maar de illegale would-be-immigranten blijken zich – in tegenstelling hun collegas van meer dan een halve eeuw later, die de massale oversteek vanuit met name Afrika in gammele bootjes wagen – wél voorbereid te hebben op een (gedroomd) bestaan in een nieuw land, want er zijn geen communicatieproblemen tussen hen en Jan en Arie: zij spreken en verstaan Engels. Die illegale immigranten komen overigens alleen op de laatste paginas van het boek voor; alle andere hapsnuiters in Meesterstunt zijn Amerikanen, Britten en die ene Duitser die ik hierboven al aanhaalde.
Wie van ons kent er eigenlijk Spaans? informeerde Jan. |
Het fantastische was weer, dat Jan op een of andere manier kans had gezien om de Spaanse telwoorden te leren. Alles wat met rekenen en geldzaken te maken had, kwam hem gewoonweg aangewaaid. |
Luister, nu kun je alles verstaan, dikke. |
Het is een logisch gevolg van het feit dat ik toevallig Spaans versta en Arie Roos niet. [...] |
Geen ros, zei Jan vol overtuiging. Geen Mexicaanse voederbiet. Kon je horen wat ze zeiden? |
Daarom moet je nooit alleen zijn, dacht Jan met een hart vol wanhoop, daarom moet een mens altijd zorgen voor reservetroepen, helaas zou ik niet weten waar ik die vandaan moet halen. Ik spreek geen Spaans en iedere Mexicaan die ik aanklamp, kan familie zijn van Antonio Rivas. Of een vriend. Of een collega. Of ... |
[...] Hemel, Arie. Wat is auto huren in het Spaans? |
Doe ik, Bobbie. Zul je bukken als ze op je schieten? |
Ik (Arie) had beter een paar zinnen Spaans kunnen leren terwijl ik op de SeaRose was. Van die handige zinnen als: handen omhoog, volg die auto, kunt u me vertellen waar ik een revolver kan kopen? en hebt u een verfje voor mijn haar zodat ik niet opval als ik een Mexicaan volg? |
Comprendido, herhaalde Arie. Ik leer in elk geval een paar woorden Spaans. Als ik later vertel dat ik de kennis heb opgedaan in een kelder vol lijmlucht gelooft geen mens me. [...] |
Doe de armen maar omhoog, jij. Wat is dat in het Spaans, los manos? In de alto ermee. |
Als ik nou een cursus Spaans had gevolgd, had ik misschien gouden informatie opgedaan, nu moet ik gokken. |
Toen had hij verbinding en sprak hij Spaans in een tempo dat door Arie niet was te volgen. |
Het zal me een genoegen zijn, zei Arie prompt. Zijn Spaans versta ik niet en hij ligt voortdurend te bewegen. [...] |
Ik sta zeker tachtig meter van ze af en ik hoorde alles. Dat wil niet zeggen dat ik het verstond, want ze sprak óf Spaans óf een dialect dat op Spaans lijkt. |
Ook met de mooiste taal ter wereld krijgen Jan, Bob en Arie tijdens hun avonturen met enige regelmaat te maken: de taal van Dante Alighieri, Boccaccio en Petrarca, het trio dat bijna net zo beroemd is als Jan, Bob en Arie. Dat begint al in Zwitserland, het land dat vier officiële talen kent: Duits, Frans, Reto-Romaans en Italiaans:
De brieven waren in het Italiaans en dat kon Arie niet lezen, alhoewel zelfs een kind in staat is, de datum van een Italiaanse of zelfs Zuidbeloedsjistaanse krant te ontcijfe¬ren. |
Er kwam een geratel van Italiaans, maar toen Arie koppig Engels bleef spreken, dook er aan het andere einde iemand op, die Engels antwoordde. (Een speurtocht door Noord-Afrika, p. 127 HC) |
Er kwam hoe langer hoe meer Italiaans en Italiaanse namen en plaatsen in de gesprekken voor. Al begrepen de jongens weinig van wat er aan de hand was ... |
Met talen scheen deze oude snoeplustige kunstkenner geen moeite te hebben. Het klankvolle Italiaans ratelde hij er tenminste uit als een machinegeweer zijn kogels. |
Cafe latte tre? zei Arie vragend, drie vingers omhoog stekend. De man knikte en liep weer naar binnen. De radio galmde nog steeds door: nu een mannen- en een vrouwenstem tezamen in hoogdravend geweeklaag. |
Van al dat Italiaans verstonden zij niet veel, maar de bedoeling kwam in grote lijnen toch wel over. |
Maar hij kwam er alras achter dat hij daar niet veel mee opschoot, want wat hij door de muziek van een of andere radiozender aan woorden kon opvangen was allemaal in ratelend Italiaans gesproken en daar viel voor hem werkelijk geen touw aan vast te knopen. |
Arie keek bedenkelijk. Die vent lijkt me een taaie. Bovendien is het de vraag of hij iets anders dan Italiaans spreekt en iemand verhoren met een woordenboek in je hand valt niet mee. [...] |
En als Jan Duits sprak met een Hollands accent kon dat voor hetzelfde geld best een Italiaans accent zijn. (ibidem, p. 65) |
[...] Wat is bestellen in het Italiaans? |
Op een sukkeldraf liep hij naar de bestelwagen. Achter het stuur zat een man met een hoed op en een zonnebril die zijn halve gezicht verduisterde. Hij zei iets in het Italiaans. |
Zullen we hem vragen harder te rijden? |
Voor Bob liggen de zaken ietwat anders: voor hem is er natuurlijk nog een andere moderne vreemde taal: het Nederlands. Om precies zijn: voor een leerling van een Amerikaanse highschool zijn alle talen buiten Amerikaans Engels vreemd. De uit Pittsburgh/Pa. afkomstige jongen arriveert voor het eerst in Nederland op een schip vol ijzererts om kennis te maken met de twee jongens met wie hij zo lang op een onbewoond eiland zou wonen:
You are Bob Evers, zei Jan dan. Right? |
Ik lag tussen planten bij de hoek van die schuur toen me te binnen schoot dat ze natuurlijk Nederlands gaat praten als er iemand komt en de kans bestaat dat ik daar een procent of wat van ga missen. Een procent of tachtig, als ze snel praten. |
Bob pakte een ijzeren staaf op en liep op de kerels af, het meest ijselijke Hollands uitbrakend, dat hij kon bedenken, meestal woorden, die hij van zijn Hollandse vrienden had geleerd. |
Bob Evers, als Amerikaan, had natuurlijk van Jan en Arie in de loop der jaren ettelijke woorden Hollands geleerd, maar - (zoals dat meestal gaat) - vooral de rare, zoals sapperloot en oelewap. |
Dan nemen we jou heus niet wéér mee, lachte Jan. Ik ben zowat mijn Hollands verleerd. |
[...] Toen weer een hoop Engels door elkaar, een klik, en toen een jongensstem, die in raar Hollands naar Jan Prins vroeg. Die jongen was Bob Evers. Die Amerikaanse jongen. |
Prins! Prins! ... De kolonel! riep Bob, die deze Hollandse woorden had leren gebruiken, want ze leken erg veel op de Engelse. The Colonel? Waar? Where? |
Bob Evers was allang op datzelfde idee gekomen, wat heel begrijpelijk was, want als Amerikaanse jongen, die bijna geen Hollands sprak, moest hij wel zoiets op touw zetten.
(ibidem, p. 133 HC) |
Geen kwestie van. Ik ben opgepakt door de stomheid van uw agenten die geen eenvoudig Engels verstaan. |
Zij hadden Engels gesproken, wat zij altijd deden als zij met zijn drieën waren, want Bob Evers kon nog steeds weinig meer Hollands dan: sigaret en tabak en nog wat van dat soort uitdrukkingen. |
Ten eerste zeiden de mannen binnen in de auto zo goed als niets. Als zij, tweedens, iets zeiden, deden zij dat op zeer zachte toon, en ten derde verstond Bob, als Amerikaan, niet zo goed Hollands dat hij aan een half gefluisterd, kortaf gevoerd gesprek veel touw had kunnen vastknopen. |
Zij hadden vrij luid gesproken en Bobs kennis van Hollands was voldoende om hem te doen begrijpen, wat er gezegd was. |
Bob had de tijd gehad om na te denken. Hij verstond Hollands heel aardig, hoewel hij het maar matig sprak. Maar de jongens hadden al eerder tijdens hun avonturen ervaren, welk een enorm voordeel het soms was, te doen of zij een taal niet verstonden. De Bolle kon absoluut niet weten, dat Bob Hollands verstond. Mark wist dat evenmin. Tijdens de scène, vroeger die nacht, toen Bob betrapt was bij het laten leeglopen van de achterband, had hij geen stom woord gezegd dan: Thank you very much! en bij de vechtpartij in Bilthoven was er veel geslagen, maar weinig gesproken. En tegen Bob spraken Jan en Arie meestal Engels, want hun Engels was stukken beter dan Bobs Hollands. Dus Bob schudde zijn hoofd een beetje en bromde: |
Pa Roos, ofschoon hij uitstekend Engels sprak, praatte tegen Bob nagenoeg alleen maar Hollands. Want Pa Roos achtte het een normale beleefdheid om, als je in een land te gast was, de taal van dat land te spreken (Hoeveel jaar Goelag zou een dergelijk appel op de beleefdheid van buitenlandse gasten anno 2026 onder premier Jetten opleveren?). Bovendien, hield hij vol, kenden de Hollanders wèl Engels, maar Bob geen Hollands, zodat de Hollanders van Bob weinig konden leren, maar Bob van de Hollanders wèl. (Een raderboot als zilvervloot, pp. 65-6 HC) |
Jan Prins, die een hoop van motoren afwist, had allang in de gaten, waar de schoen ergens wrong en snapte dat er ijlings een afleidingsmanoeuvre moest worden bedacht, klom achter het stuur en zei in het Hollands: |
Geachte Heer Bulk, |
Jan en Arie, |
Hij (Bob) had zich in de loop der jaren een aardige kennis van het Hollands verworven, maar aan talen als Duits en Frans was hij niet toegekomen. Als er op dat gebied problemen ontstonden, werden die door Jan of Arie opgelost. |
Maar met Bob Evers was het een totaal ander geval. Die had een Amerikaanse school achter de rug, met als gevolg dat het beetje Frans dat hij kende juist genoeg was om in een café een glas Coca-Cola te bestellen, en dan nog moest hij het soms twee keer zeggen, omdat zijn uitspraak zo erbarmelijk was, dat zelfs leden van de Parijse onderwereld er bleek van werden. Hij had natuurlijk daarna wel hier en daar een woordje opgepikt, en Arie en Jan hadden zijn accent wel wat bijgepolijst, maar toch was zijn Frans nog steeds zo slecht, dat hij een normaal gesprek nauwelijks kon volgen, en als het gesprek wat vlug ging, kon hij er geen touw meer aan vast knopen. En dat zou hen deze avond lelijk parten gaan spelen. |
Jawohl? antwoordde Bob, blij om het enige woord Duits dat hij kende, te kunnen luchten. |
Bob grijnsde scheef. |
Dat zou ik wel denken, ja. Jij weet zeker helemaal niets van Frankrijk.
Soms is het zelfs voor een Amerikaanse bengel mogelijk om te combineren en te deduceren:
Samenvattend kunnen wij rustig stellen dat de drie jongens al met al weinig problemen met Spaans en Italiaans ondervinden, omdat er vrijwel altijd iemand is die het gesproken woord voor hen vertaalt. Dat geldt ook voor de spaarzame keren dat ze in landen en provincies komen waar andere talen dan Duits, Engels, Frans, Italiaans, Nederlands of Spaans worden gesproken: in Libië, in het boek nog Tripolitanië genoemd, wordt in die tijd nog volop Italiaans gesproken, maar de tegenstanders met wie zij te maken krijgen, spreken veelal Engels, net als de taxichauffeur, al is de kennis van het Engels van die laatste vrijwel beperkt tot dat ene toverwoord: Dollar? (Een speurtocht door Noord-Afrika). Hong-Kong is in de jaren 50 gelukkig voor de bewoners, maar ook voor bezoekers als Jan, Bob en Arie, nog steeds Brits, democratisch en welvarend (Hoog spel in Hong-Kong). In Marokko spreekt een deel van de bevolking natuurlijk Arabisch, maar zeker in het eerste deel, dat in de jaren 60 speelt, kort na de onafhankelijkheid van Marokko (2 maart 1956), is Frans nog steeds de lingua franca, zeker in het noorden van dat land. Maar ook tegenwoordig kun je vrijwel overal terecht met Frans. (Cnall-effecten in Casablanca en Een zeegevecht met watervrees). Jaren later komen Jan, Bob en Arie terecht in het deel van Polen dat tachtig jaar geleden nog Duits was (het huidige Słubice is bijvoorbeeld niets meer of minder dan een deel van Frankfurt (Oder) en heette vroeger Dammvorstadt), maar noemenswaardige problemen levert dat niet op (Bakkeleien in een Berlijnse bios en De Stripman van Słubice). In het later dit jaar te verschijnen deel 80, De vesting van Finsterwolde, krijgen de jongens te maken met een stel Poolse handlangers van de Groningse penose en die zorgen wel voor enkele communicatieproblemen. In De gouden greep van tante Ginny en Deining rond een drafbaan) zetten de jongens voor het eerst voet aan wal in onze enige provincie waar ze volgens de inwoners een eigen taal hebben: Friesland. Met een beetje goede wil is Fries echter min of meer te volgen voor een Nederlander met een half of meer ontwikkelde talenknobbel, al beweert Jan Prins iets anders:
Er is dus weinig aanleiding om gebruik te maken van Aries suggestie voor een verjaardagscadeau:
Goethes adagium In der Beschränkung zeigt sich der Meister, door Arie Roos geciteerd in Stampij om een schuiftrompet, is aan mij niet helemaal besteed, geloof ik. Ik ben nu wel lang genoeg aan het woord geweest, maar staat u mij sil vous plaît nog één slotopmerking toe: sinds de spellingshervorming van 1995 worden de afkortingen van schooltypes met kleine letter geschreven. Het is een tikkeltje zinloos, vind ik, om namen van reeds lang verdwenen schooltypes zoals MULO, HBS en LHNO nu ineens met een kleine letter te spellen in plaats van met hoofdletters, zoals wij die kennen uit de Bob Evers-serie. Ouderwetsch als ik ben, heb ik in bovenstaand artikel natuurlijk voor de oude spelling gekozen. John Beringen
We kunnen ons allemaal Pia Beck herinneren (Den Haag, * 18 september 1925, Málaga, 26 november 2009). Deze Nederlandse jazzpianiste en -zangeres kruiste regelmatig het levenspad van Willem. Zoals deze liet weten was dat vanaf 1942. Bovendien had hij haar naar adem laten happen toen hij haar mededeelde dat hijzelf en Sylvia Sillevis één en dezelfde persoon waren ¹. Ook wordt zij genoemd in het relaas van Jaap Nefkens waarin deze laat weten dat Willem in 1949/50 zijn ontvangen royaltys voor een afgeleverd boek op één avond vrolijk opsoupeerde in Lheure Bleu; een redelijk chique tent waar Pia Beck ook vaak te vinden was ².
Dit verwees onmiskenbaar naar een interview. En inderdaad ... op de betreffende band was Pia Beck te horen die alle vragen keurig beantwoordde. Dat deed ze echter in het Frans. Nou is mijn kennis van de Franse taal niet denderend te noemen, maar ik kon het wel voor het grootste deel verstaan. Het waren trouwens alleen de antwoorden van Pia Beck die op rij waren gezet; Marie-José, die de vragen stelde, was niet te horen. Die fragmenten waren er tussenuit geknipt. Dat zal de pret er niet minder om maken, want dit is en blijft natuurlijk uniek geluidsmateriaal. Zeker als men bedenkt dat ikzelf ten tijde van dit interview nog geen drie maanden oud was ... Het geluidsdocument is op YouTube te beluisteren via de volgende link: https://youtu.be/cZBFEPCQ_Uc of door op YouTube Pia Beck beantwoordt vragen in te typen.
¹ Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig, blz. 51 e.v. ² Bob Evers laatste ereronde, blz. 53 Roger Schenk
Een merkwaardige, maar bij de lezers natuurlijk overbekende zin uit De strijd om het goudschip: De Kanaken-stuurman heette, vreemd genoeg, Muriloff. Ja, vóór Willys uitleg klinkt dit inderdaad uiterst merkwaardig, maar, vreemd genoeg, ná Willys uitleg, klinkt het geheel bijzonder plausibel.
Op 3 maart 1904 werd in Amsterdam een zekere Franciscus Johannes Antonius Schmitz geboren. Hij bekwaamde zich al vroeg tot balletdanser en tapdanser, maar trad bij gelegenheid ook wel op als acrobaat en goochelaar. Hij begon gedurende de zogeheten Roaring Twenties met theateroptredens, vooralsnog als amateur, in een groep met Ditty Doornbosch en Willy Walden. Korte tijd later stak hij de Noordzee over om in Londen als balletdanser op te treden in het Grosvenor House, samen met de danseres Nalda Muriloff, eigenlijk Murilova.
Op 7 oktober 1945 trad Muriloff in het raadhuis van zijn woonplaats Heemstede in het huwelijk met de Engelse balletdanseres Phyllis Lane Lawrence (geboren in Sandhurst/Berkshire op 8 november 1916), die in Parijs nog had opgetreden met o.a. Maurice Chevalier en later als assistente van Toon Hermans; Frans en Phyllis hadden elkaar bij een auditie van een revuegezelschap in ons land leren kennen. In de jaren 1946-1947 zette Muriloff zich in voor de organisatie NIWIN: Nationale Inspanning Welzijnsverzorging in Nederlands-Indië, die artiesten naar Ons Indië uitzond en kerstpakketten voor Onze Jongens in de Oost regelde. Hij werd in die naoorlogse periode ook regisseur en producer van de Bonte Dinsdagavondtrein (onder andere bekend uit Een klopjacht op een kapitein en Een raderboot als zilvervloot), maar na het seizoen 1953/4 stopte hij na zeven seizoenen met het regisseurschap, maar ging wel verder als producer. Voor dat programma haalde hij buitenlandse sterren als Anne Shelton, Eve Boswell, Petula Clark, Shirley Bassey en Vera Lynn naar Nederland; ook liet hij mensen als Rudi Carell en Joop de Knegt debuteren. Verder deed hij o.a. de toneelregie van het Grand Gala du Disque van Willem Duys en Eén van de acht, gepresenteerd door Mies Bouwman. Na 1955 leidde hij met zijn vrouw Phyllis bovendien een eigen theateradviesbureau. Op zijn tachtigste stopte het drukke baasje – werkweken van zeventig à tachtig uur waren voor hem tot dat moment heel normaal – met werken. Hij overleed op 11 augustus 1999 op 95-jarige leeftijd. In het standaardwerk 100 jaar amusement in Nederland van Jacques Klöters wordt zijn naam met ere als show-choreograaf van revues en leverancier van nieuw talent vermeld. Zijn echtgenote Phyllis Lane Lawrence overleed op 24 september 2006 en werd in Frans graf in Driehuis-Westerveld bijgezet. Peter de Zwaan
Het is van tweeën een: óf veel liefhebbers van Bob Evers hebben geen computer óf ze houden van hun gemak. Heel erg van hun gemak.
Commissaris Achterberg Roger Schenk
Op merknamen van auto’s e.d. na zijn de boeken tijdloos, met uitzondering van het laatste deel, Commissaris Achterberg en de ontvoerde marathonloper, dat in de actualiteit van de Olympische Spelen van München speelt: de door Bram en Eddy gadegeslagen prestaties van Lasse Viren en Mark Spitz worden ook in het boek overschaduwd door de minder vrolijke gebeurtenissen tijdens die Spelen. Hans Kleppe & Roger Schenk
Deel 26 in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
P. P. Preuts
Wacht vanavond maar niet op mij, liefste, had Mijnheer Binterman gezegd, want Ik kom met de laatste trein terug. Ga maar gerust naar bed! Mevrouw Binterman was een charmante vrouw, met donker opgestoken haar. De gitzwarte ogen verhoogden het aantrekkelijke van haar goedgevormd figuur. Niet alleen hield zij veel van haar echtvriend, maar zij was daarbij zeer jaloers. Vanavond vooral was zij zeer opgewonden. Mijnheer was nog niet thuis. De gangklok sloeg één uur. Zij waakte en overwoog nogmaals haar plan. Vanavond had ze t willen weten. Zékerheid hebben. Ze zou nu het bewijs krijgen of haar man haar bedroog. Zij vertrouwde hem niet met Alida, het schijnbaar preutse dienstmeisje. Tevéél attenties werd het, overigens zeer knappe kind, bewezen. Tevéél werd zij door Mijnheer toegelachen. Hij hield, zei hij, van knappe mensen om hem heen! Nou ja, Alida was de zonde wel waard. Een flinke blonde meid met blauwe ogen en een prachtkop golvend haar. Een model om te schilderen! Stevig rose, klein rond en vol rond, en prachtige benen. Ja die benen hadden steeds de aandacht van Mijnheer Binterman als Alida de trap op ging. In den beginne was het Mevrouw niet opgevallen, dat haar dienstmeisje de verlangens van haar echtgenoot opwekte, doch langzamerhand werd de heer des huizes zo brutaal, dat hij het waagde zich te begeven naar de bovenste verdieping waar het meisje haar kamer had en dikwijls een smoesje vond in die ruimte een praatje te maken. Alhoewel mijnheer in het gewone leven zonder gesticulaties sprak, scheen het, dat zijn lieve woorden in de nabijheid van Alida op medewerking van armen en handen rekenden. Deze bezoeken trokken langzamerhand de aandacht van Mevrouw en alhoewel zij er niet zeker van was, vermoedde zij dat mijnheer ook s avonds bij het thuiskomen éérst een nachtkusje aan Alida ging brengen, alvorens in het echtelijk bed te stappen. Hedenavond zou Mevrouw weten of zij juist verondersteld had. Zij had lang overlegd hoe de boosdoener In de val te lokken, en eindelijk wist zij de juiste opzet in geraffineerde vorm. Alida had zij, tot grote verwondering, maar tevens grote vreugde van het lieve kind, de gehele dag vrijaf gegeven en zelfs gezegd, dat zij haar moeder in Amersfoort mocht bezoeken, hetgeen een nacht en dag extra vrij betekende. Zou Mevrouw Johan even willen gaan zeggen, dat ze onverwachts naar haar moeder vertrokken was, had zij nog vlug vóór haar heengaan gevraagd. Johan was de intieme vriend van Alida, een flinke kerel, die erg verliefd was en in vuur en gloed voor het lieve meisje verkeerde. Hij woonde even verderop en het zou dus geen moeite zijn de boodschap af Ie geven, als hij thuis van kantoor zou zijn. Johan rekende er op Alida als gewoonte ook hedenavond te ontmoeien. Mevrouw bemerkte tot haar schrik, dat zij de boodschap vergeten had over te brengen en nu zag zij deze fout in, omdat ongetwijfeld Johan handenwringend thuis wachtte of misschien wel ergens op het gegeven rendez-vous vruchteloos heen en weer laveerde. Ach wat kon hel haar ook schelen? Op dit ogenblik zou de vent toch al wel weten dat zijn Alida niet was gekomen. Een gerucht deed Mevrouw haar gedachtengang onderbreken en zij scherpte haar gehoor. Mijnheer zou ieder ogenblik moeten thuiskomen. De laatste trein was nu wel binnen, en dus zou zij eindelijk zekerheid krijgen als hij thuis kwam. Zij verliet haar bed en sloop vlug naar boven naar de kamer van Alida. Daar gekomen, draaide zij de lamp los, zodat haar echtvriend niet direct door licht te maken de opzet dóórhad. In een enkele minuut lag zij in het bed van haar blonde gedienstige en wachtte de dingen, die gebeuren zouden, met kloppend hart af. Het was niet lang daarna, toen zij de voordeur zacht hoorde kraken en als een dief in de nacht sloop de laatkomer het huis in naar de eerste verdieping. Zou hij toch naar zijn eigen wettelijke afdeling gaan en dus werkelijk onschuldig zijn? Gemeen toch haar brave man zo te verdenken! Maar wat hoorde zij? Even was het op de eerste étage stil geworden en suisde de stilte van de nacht door het huis. En toen, ja hij waagde het, de schurk! Wacht maar, eerst zal zij hem laten begaan, alsof hij het blondje liefkoost en dan als hij .... stil, de treden van de verraderlijke trap kraakten en voorzichtig sluipt de nietsvermoedende echtbreker behoedzaam naar boven. Nu Is hij vlak bij het kamertje en klopt driemaal zachtjes aan. Zeker een afgesproken tekentje tussen die twee. O, wat een aartsbedrieger! Wie weet en hoe dikwijls hij deze gang gemaakt heeft zonder dat zij zich van iets bewust was. De man, onkundig van de opgezette val, sluipt nader en fluistert hees dag. Verder wordt niet gesproken, dat zou immers te gevaarlijk zijn voor beneden! Zonder enige uitnodiging verder af te wachten, bevindt hij zich ongelooflijk vlug naast de vrouw, die gedwee de komende gebeurtenissen afwacht. Zelfs wanneer hij ondubbelzinnige bewijzen levert van zijn bijzondere aanhankelijkheid, ontsnapt nog steeds geen verwijt aan de zich nu bedrogen-wetende vrouw. Wel is zij hoogst verbaasd en haast ingenomen met deze ongekende vitaliteit, die haar er toe brengt de ontknoping en het démasqué nog wat uit te stellen! De huisdeur wordt plotseling beneden dichtgeslagen en met een ruk vliegen beiden rechtop. Wie zou dat zijn? .... Inbrekers? Mijnheer staat met een sprong midden in het kamertje en zegt gejaagd: Ik dacht dat ze sliepen, Alida. Deze vreemde stem, maar nog meer de voetstappen beneden, doen Mevrouw Binterman van ontzetting de handen naar het hoofd slaan. Ze springt het bed uit en draait de losgemaakte lamp aan. Vóór haar staat, zich ordenend, Johan, nu zelf met verbazing en tegelijkertijd schrik, Mevrouw Bintermans hoge négligé onthutst bekijkend. Mijnheer, in vredesnaam, hoe komt U hier? Verbergt U, want hij vermoordt me. En wat ik bidden mag, zwijg! smeekt Mevrouw en duwt de geheel de kluts kwijt zijnde Johan weer naar de plaats, waar hij zoëven dacht zijn lieve Alida te bezitten. Mevrouw stormt naar beneden en profiteert van de gelegenheid, dat Mijnheer Binterman in de badkamer zijn nachttoilet verzorgt, om in het echtelijk bed te springen en de dekens in schaamte over het hoofd te trekken! .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. Johan heeft gezwegen .... Alie Loos
De beroemde filmregisseur Alfred Hitchcock had wat met cameos. Hij had de gewoonte om altijd even door het beeld te lopen. Soms als café-gast, soms als voorbijganger, maar altijd was hij wel een paar seconden in beeld.
EEN. Zusje Marie-José beschrijft in Gelukkig Gisteren dat Willem voor de oorlog gemobiliseerd was als korporaal der Grenadiers. (Later bij het Korps Motordienst in Bilthoven). Gekleed in een buitenmodelletje demonstreerde hij voor zijn zusje het gebruik van beenwindsels. Daarvóór, in 1934-1935, diende hij als dienstplichtig korporaal bij het Regiment Grenadiers en Jagers in Den Haag. Conclusie nummer 1: Willem was in het leger, en wel bij de Grenadiers. TWEE. Willem was beroemd en berucht, niet alleen om zijn schrijf- maar ook om zijn spraakvermogen. Eenmaal aan het woord liet hij zich dat niet zo gauw meer afpakken. Conclusie nummer 2 lijkt gerechtvaardigd: korporaal Willem was een kletsmajoor. DRIE. Dit even in het achterhoofd houdend, leze men de volgende meesterlijk beschreven scene in Zilvervloot:
En even later herinnert de Amsterdamse Dichter H. J. Schol zich nog een fraai vers:
Hier reciteert Schol dus enige gedichten die hij van zijn maatje in dienst geleerd heeft. Nou, en wie heeft deze gedichten geschreven? Willem natuurlijk.
De zeven zwarte avondvogels zijn in de versie van H. Schol ijle dadelpalmen geworden, het azuur kreunt in plaats van staakt en de captain werd gedegradeerd tot steward, maar de gelijkenissen zijn evident. Hennie heeft het gedicht gehoord van zijn dichtende slapie Willem. (Over de krijtende steward: Gert Huber dichtte er eens de onsterfelijke woorden: ... de nummers op de zolen achter. Ook heel fraai) Ook de door Schol gereciteerde honden- en katten-poëzie wrochtte Willem, benevens de wonderschone regel: De maan brandt af! [Oorspronkelijk: De tijd brandt af]. Conclusie nummer 3: Het slapie van Hennie Schol was Willem van den Hout in hoogst eigen persoon. Naschrift van de redactie van de Nieuwsbrief: Alie Loos is het pseudoniem van een van de steeds meer in aantal afnemende échte kenners van de Bob Evers-serie. Onder het pseudoniem Piffle heeft hij ook een eigen, zeer aanbevelenswaardige website. Kort voor Kerstmis 2025 mocht de redactie van de Nieuwsbrief de volgende, zeer originele kerstkaart van deze Alie Loos ontvangen:
|