Nieuwsbrief nr. 19
ISSN 1386-6451
januari 2002 - 10e jaargang nr. 1



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe, aspirant-leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Jacoba van Heemskerckstraat 7, 3351 SP PAPENDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieHans & Ton Kleppe
Column: De heilige HermandadGert Huber
Recensie van deel 48: Bob Evers (eindelijk) aan de mobiele telefoonKolonel Koops
Column: MuziekHenk Bergman
Hoe mijn broer een vrouw (niet) versierdeMarie-José van den Hout
Advertentierubriek „In de Roos”(div.)




Nieuws van de redactie
Hans & Ton Kleppe


Bob Evers nr. 48 „Grof geschut op Schateiland” is uit!
Het A-5 formaat van deel 47 is gehandhaafd en het boek heeft opnieuw een harde kaft. De recensie van kolonel Koops vindt u elders in deze Nieuwsbrief.

Diner en boekenbeurs.
Op 13 oktober was het schitterend weer en vooral op het terras aan het water van restaurant ’t Kompas was het prima toeven. Het is goed voor te stellen dat in de jaren vijftig Kaageiland de woonplaats van Willy van der Heide was. Watersporters kwamen langs varen, hetzij in een oude jol hetzij in een moderne zeilboot. We zagen op het terras o.a.
Marie-José van den Hout (zusje van Willy van der Heide) en mevrouw Schilperoort, u weet wel van Peter en zijn DSCB. Ook zagen we veel Aries spekpannekoeken en uitsmijters eten. De boekenbeurs trok ongeveer 50 bezoekers en 30 fans bleven tot en met het diner dat door de uitgebreide bespiegelingen en discussies over de persoon en het werk van Willy van der Heide tot middernacht duurde. Henk J. Meier, een goede vriend van Willy, was deze keer de speciale gast en gezeten naast onze eregast Marie-José van den Hout, werden heel wat verhalen uitgewisseld.
's Middags maakte een televisieploeg sfeeropnamen voor het NPS programma „Andere Tijden” dat dinsdag 16 oktober uitgezonden werd. Henk J. Meier en Marie-José waren in de t.v.-uitzending op dinsdagavond te zien aan de bar van het Amsterdamse café-restaurant Scheltema, destijds een geliefde verblijfplaats van Willem.
Vele nieuwe contacten werden gelegd die 13e oktober, het was bijzonder gezellig.
Buitengewoon lid van het Bob Evers Genootschap, John Beringen hield een geïmproviseerde maar zeer verdienstelijke tafelrede.
Wie weet is er volgend jaar weer een bijeenkomst, maar dan op een andere locatie, Hong-Kong, Trinidad, Mexico, Bromborough of misschien gewoon Den Haag, wie een suggestie heeft mag het zeggen.

T.V. Uitzending over Willy van der Heide.
Op 16 oktober werd in het programma „Andere Tijden” van de NPS ongeveer een kwartier aandacht besteed aan Willy van der Heide. Het programma werd op 20 oktober herhaald. Helaas konden wij hiervan in de vorige Nieuwsbrief geen melding maken, toen was dat nog niet bekend en de frequentie van de Nieuwsbrief is slechts twee maal per jaar, te laag om in te spelen op actuele zaken. Maar daarvoor hebben we natuurlijk de officiële Bob Evers site, namelijk www.bobevers.nl; daar stond het nieuws wel tijdig vermeld. Bovendien is er ook altijd nog de Bob Evers mailinglist en het Bob Evers gastenboek, allemaal te raadplegen via www.bobevers.nl; heel nuttige bronnen van informatie. Het was een prachtige uitzending waarin fans, familie en overige deskundigen elkaar afwisselden.

Vooraankondiging.
Binnenkort zal van Geerten Meijsing de bundel „De Tovenaarsleerling” verschijnen. In dit boek (zo’n 50 pagina’s) zijn alle stukken verzameld die Geerten Meijsing in de loop der jaren over W.H.M. van den Hout (pseudoniemen o.a.Willy van der Heide en Willem Waterman) en de Bob Evers serie heeft geschreven. Ook de artikelen die destijds in de Nieuwsbrief hebben gestaan, zullen (herzien, dat wel) verschijnen in deze verzamelbundel. Uit de aankondiging: in „De Tovenaarsleerling” legt Geerten Meijsing zijn levenslange fascinatie voor de Bob Evers serie uit. Een hommage aan Willem Waterman, een eerbetoon aan diens werk. Het boekwerk bevat de 6 artikelen over de Bob Evers serie die Meijsing eerder in de Bob Evers Nieuwsbrief publiceerde, een artikel uit de bundel Wetenswaardigheden over Willem Waterman en de feestrede die Meijsing in 1993 aan Waterman wijdde. Alle teksten zijn voor deze uitgave waar nodig herzien.
Verschijningsdatum vermoedelijk in het eerste kwartaal van 2002, de prijs is nog niet bekend. Iedereen die geïnteresseerd is wordt, vrijblijvend, op de hoogte gehouden van deze uitgave door een e-mail te sturen aan: willemhuberts@uitgeverijflanor.nl.

Nazending van Bob Evers Nieuwsbrieven.
Jack Nowee is, zoals altijd, bereid om de reeds verschenen Nieuwsbrieven tegen vergoeding van kopieer- en portokosten na te zenden. Neem vooraf even contact op met Jack, 0172-217688.

Uitverkoop Bob Evers serie.
Uitgever De Eekhoorn heeft ons laten weten dat de delen 1 tot en met 36 worden uitverkocht. Ga dus snel naar de winkel om je nog ontbrekende exemplaren aan te schaffen!

De eerstvolgende Bob Evers Nieuwsbrief verschijnt in juli 2002.
Kopij en kleine advertenties graag inzenden uiterlijk in de maand mei 2002.





De heilige Hermandad
Gert Huber


Een beroepsgroep die in de Bob Evers serie wel uiterst schilderachtig uit de verf komt, is die van de sterke arm - politiemensen van velerlei pluimage, doorgaans uit degelijk, knoestig ambtenarenhout gesneden. Waar veel van de couleur locale uit de vijftiger jaren in de boeken voor mij goed herkenbaar is, lijken de meeste impressies van de klabakken een meer dan realistische dienstijver te tonen.


In de tijd waarin de boeken spelen was de prinsemarij heel wat zichtbaarder in het straatbeeld dan nu. Zo werd van mij als zevenjarig jongetje een voetbal in beslag genomen omdat wij in het plantsoen Eddy Pieters Graafland imiteerden, en dat gaf natuurlijk geen pas - in die tijd hoorde je op straat te voetballen. Ik zie de dienstklopper nog worstelen om de bal onder zijn kruiselings gespannen snelbinders op de bagagedrager van zijn dienstfiets te fixeren - iedereen die dat wel eens geprobeerd heeft weet dat zoiets niet meevalt.

Maar zelfs toen was de kans dat je midden in de nacht in Lisse, in de mist, een diender tegenkwam uiterst gering. De leden van deze nuttige bevolkingsgroep brachten de nacht ook liever bij moeder de vrouw door, terwijl Lisse, behalve misschien enige frauderende bollenkwekers, weinig criminaliteit kende.

Controle op de kampeervergunning, zoals de jongens overkwam, was er nog wel. Ook voor het plaatsen van een sheltertje op het strand had je zo’n kartonnetje nodig, dat aan de tent bevestigd diende te worden. Bij slecht weer speelde ik daarin met mijn vriendjes (een tent is vooral leuk bij regen), en ja hoor, een eenzaam kuierende tuut of juut, met de handen op de rug, kwam door wind en buien onze vergunning controleren en keek en passant even in de tent, kennelijk om te zien of er daar geen doktertje gespeeld werd.

De mooiste representant van de handhavende macht is natuurlijk de veelbesproken wachtmeester Van Praay, die door zijn optreden in Kruiningen een hoogtepunt in de serie markeert. Maar we mogen gerust betwijfelen of deze Bromsnor werkelijk ’s nachts door de klei ging pionieren om een varkensdiefstal op te lossen, laat staan schieten op iemand die slechts geschrokken wegloopt. Of het praktisch is een eiland van een politieafzetting te voorzien terwijl je beschikt over de identiteit en woonplaats van de gezochten is ook nog maar de vraag, maar over een justitiële nasleep voor de met naam en toenaam bekende reder Roos worden wij niet nader ingelicht.

Minder intelligente wouten vinden we in de koddebeiers die bekeuringen uitdelen voor parkeren op een fietspad, of zich per telefoon in de luren laten leggen door een verwijzing naar het ophouden van hun macht buiten de gemeentegrenzen. De waarschijnlijkheid bereikt dieptepunten waar de politie aan drie bengels vraagt hun te helpen. De politie is je beste vriend, jawel, maar burgers inzetten voor hun taken deden ze echt niet.

Zodra de buitenlandse evenknieën van onze smerissen in beeld komen wordt het beeld karikaturaal, zoals de Belgische pandoers in het caravan-gebeuren en de platenminnende Zuid-Amerikaan, of ronduit absurd als de FBI voorgesteld wordt als een organisatie die schooljongens ronselt om, buiten medeweten van de ouders, gevaarlijke boeven te gaan vangen. Nu hoeft een jongensboek natuurlijk niet helemaal realistisch te zijn, maar hier maakt Van der Heide het toch wel erg bont; dit maakt de betrokken delen voor mij in ieder geval minder sterk.

Gezien het beeld dat de schrijver van de politie schetst, zou ik me kunnen voorstellen, dat een ontmoeting van Van der Heide met een glimmerik in functie best de moeite waard zou zijn om mee te maken; het was iemand waar het gezag maar moeilijk vat op kon krijgen. Het is jammer dat dit er niet meer in zit, maar de beschrijvingen van de in de boeken optredende dienders maken veel goed.





Bob Evers (eindelijk) aan de mobiele telefoon
Recensie van deel 48

Kolonel Koops   ®


Het eerste wat opvalt is de lijst „In deze serie verschenen”. Zo heette die lijst nog in het vorige Bob Evers-deel, „Arie Rose als reserve-acteur”. En trots vermeldde die lijst 47 titels, 36 van de hand van Willy van der Heide en 11 van Peter de Zwaan.
Maar wat staat er nu? „Van de auteur Peter de Zwaan zijn meerdere delen verschenen in de Bob Evers-serie”. Volgen, inmiddels, 12 titels. Nog afgezien van dat lelijke „meerdere” - dit is geschiedvervalsing! Uitgeverij De Eekhoorn: u moogt het overzicht van Willy van der Heide niet weglaten! Nooit! Nimmer! U verkoopt de eerste 36 delen toch ook nog steeds? En de „fans” hebben nog veel meer redenen om ook het oude overzicht te verlangen. Zij hebben zelfs „meerdere” redenen!
Zo, nu is deze kolonel uitgeraasd.
We hebben weer een fijn Amerikaans avontuur van de drie jongens in handen. Zes deeltjes op rij heeft Peter de Zwaan het trio in de Verenigde Staten gehouden. Tijd om naar huis terug te keren. Dat gebeurt dan ook, over een jaar gaan we naar Nederland.
In dit avontuur is u opvallend veel eenheid van plaats. Bijna het hele boek speelt zich af op Treasure Island, een resort aan de kust van Florida. In vorige recensies heb ik wel eens gemopperd op de talrijke verplaatsingen die Jan, Arie en Bob in één deeltje ondernamen en die niet steeds even „noodzakelijk” leken. Literaire noodzaak is, volgens wijlen Willem Frederik Hermans, dat in een roman geen mus van het dak mag vallen zonder reden.
Is alles dan nu strak, geconcentreerd en gecondenseerd? Dat nu ook weer niet. Binnen een paar uur gebeurt er van alles en nog wat rond één huis op het Schateiland. Maar er volgen wel heel veel acties op elkaar. De episodes duren al met al te lang (namelijk ongeveer van bladzijde 33 tot en met 135) om door te gaan voor één ononderbroken Willy van der Heide-achtige slapstick. Als volwassene had ik er moeite mee al deze opvolgende scènes (in een kinderboek!) uit elkaar te houden. Bovendien heeft Peter de Zwaan de neiging elke schermutseling op het laatst te laten uitgroeien tot een waar buurtfestijn met steeds meer deelnemers. Laat nou de jongens lekker knokken met de boeven, en dan verder met het verhaal!
Er zitten minstens twee prachtige, klassieke passages in het Schateiland-avontuur. In de eerste plaats ontsnapt Bob uit een walk-in closet om vervolgens... in datzelfde huis te blijven om de omgeving te observeren. Om „waar te nemen” zouden we in de dienst zeggen. En als het knokken en bakkeleien (eindelijk) afgelopen is, neemt Arie op slimme wijze een van de boeven in zijn auto, waarna een paar bladzijden volgen van hoge Roos-slimmigheid. Hier krijgt het boek een mooi tempo.
Verder zijn de jongens weer handig met boten en zetten zij opgeblazen types voor schut. Jan is tobberig in de weer met een vuilniszak.
Een hoofdrol is dit keer weggelegd voor de mobiele telefoon. Bob Evers-watchers waren al jaren op de loer naar het moment waarop dit ding zijn intrede zou doen in de serie. Welnu, deel 48 was er rijp voor. Het moet gezegd: Peter de Zwaan neemt geen laffe sluiproute, maar zet het „mobieltje” krachtig in het verhaal. En hij weet ook mooi aannemelijk te maken dat Jan (a) reeds goed vertrouwd is met de technische aspecten van die apparaten en dat Jan (b) mobiele telefoons eigenlijk te duur vindt voor gebruik door de jongens.
Kortom, als het geknok rondom 6 Eighth Street, Palm Isle, Treasure Island iets compacter zou zijn, zou dit een prachtige Bob Evers zijn.

Grof geschut op Schateiland”, Peter de Zwaan, Uitgeverij De Eekhoorn, ISBN 90 6056 832 X, 184 pag., ƒ 12,95.

Noot van de redactie: Inmiddels is duidelijk geworden dat Uitgeverij De Eekhoorn inderdaad de „oude” 36 delen uit het fonds gaat halen. Zie elders in deze Nieuwsbrief.





Muziek
Henk Bergman’s column


Fraaie scène: de Duitser die in de trein naar Amsterdam ontdekt dat Bob een trombone bij zich heeft. Mensch, gib her das Ding. Het tafereel is natuurlijk afkomstig uit „Stampij om een schuiftrompet”, het deel waaruit ik ook leerde (en nooit meer zal vergeten) dat een trombone in het Duits eine Posaune is. DSC-lid Wim Kolstee heeft zo’n instrument in een koffer voor „een nogal klein Fransmannetje in een keurig pak” in de trein mee naar Nederland genomen - en dat is het begin van een serie onvervalste Evers-verwikkelingen. Motor van het verhaal is muziek, maar wel muziek die jongeren van vandaag helemaal niet kennen: Dixieland. Het was het soort geblaas en getoeter (dit is niet oneerbiedig bedoeld) waarnaar je als jongetje in de jaren vijftig kon luisteren zonder je ouders de stuipen op het lijf te jagen. Beschaafd, maar toch niet sloom en gespeeld door keurige orkestjes in een bezetting van klarinet (soms tenorsax), trompet, trombone, bas, gitaar of banjo, drums en piano. Als je ouders niet al te suf waren en alleen maar naar klassieke muziek wilden luisteren, konden ze dit soort jazz nog wel waarderen. Van der Heide was een liefhebber, weten we, en dat verklaart het flinke aantal dixielandorkesten dat in de serie voorkomt (met het DSC natuurlijk als onbetwiste koploper).

Met de komst van de rock ‘n’ roll en weer later van de beat werd muziek een onderdeel van de oplaaiende strijd tussen de generaties. Eerst was er de rock ‘n’ roll. Bill Haley, Buddy Holly, Gene Vincent, Jerry Lee Lewis, Lloyd Price, Chuck Berry, Little Richard, Elvis Presley. Mijn vader verbood me naar dit soort in zijn oren aapachtig gekrijs te luisteren (van kijken was geen sprake, want we hadden nog geen tv). De oudere generatie vond het barbaars en verschrikkelijk. Ikzelf kan me overigens niet herinneren dat de rock ‘n’ roll me als twaalfjarig jongetje veel deed; mijn passie voor dit soort muziek dateert pas van jaren later. Hooguit was ik geboeid door een afgeleid verschijnsel: de rock ‘n’ roll-kousen die meisjes gingen dragen.

En onze drie vrienden? Ook aan hen lijkt deze muzikale revolutie (inclusief rock ‘n’ roll-kousen) vrijwel geheel voorbij te gaan. In de hele serie komen maar twee verwijzingen naar Bill Haley en drie naar Elvis Presley voor.
* Die naar Bill Haley staan zowel in de gebonden uitgaven als in de pocketedities. De eerste is te vinden op pag. 29 van „Trammelant op Trinidad” (gebonden uitgave). Als Bob zich (ondanks de waarschuwingen van de taxichauffeur en de fijnzinnige mededeling van VdH dat hij zich in een buurt bevond „die eruit zag of die voor het grootste deel werd bewoond door gediplomeerde halsafsnijders”) naar de bar Coquillo begeeft hoort hij flarden van Shake, Rattle and Roll. De tweede verwijzing staat op pag. 113 van „Vreemd gespuis in een warenhuis” (geb.). Als Arie in de jacht op de Praed-juwelen een huis binnengaat waar een verjaardagsfeestje gaande is, bevindt hij zich opeens „temidden van de feestelijke klanken van de muziek van Bill Haley, waarop een heel stel jongens en meisjes stonden te Rock and Rollen” (met hoofdletters). Van de drie verwijzingen naar Elvis Presley in de gebonden uitgaven zijn er twee ook in de pocketedities te vinden.

Toen in 1963 de beatmuziek aan een onweerstaanbare opmars begon, was ik zestien. De wonderbaarlijke opkomst van de Beatles, de Stones en al die andere Engelse groepen (over de iets latere hausse aan Amerikaanse groepen heb ik het dan nog maar niet) heb ik heel intensief beleefd. Ik luisterde onafgebroken naar de piratenstations, kocht muziekbladen, hield hitparades bij, was aanwezig bij de Beatles in Blokker (hun enige live-optreden in Nederland!), schreef over beatmuziek in een plaatselijk krantje en schopte het uiteindelijk tot poprecensent bij Het Parool. In de serie is echter weinig van al dat muzikale oproer terug te vinden. Voor de gebonden uitgaven is dat geen verrassing: de laatste daarvan verscheen (als ik het goed heb) in 1963. Maar ook de pocketedities (althans de delen 1 t/m 32) bevatten slechts twee, nogal slappe, verwijzingen naar de Beatles. Net als de rock ‘n’ roll beroert ook de hele beatcultus onze vrienden niet.

Ik herinner me dat ik in die tijd mensen vaak beoordeelde op hun kennis van popmuziek. Je weet niet wie de drummer van de Kinks is? Je hebt nog nooit gehoord van de Pretty Things? Jammer, maar dan kunnen wij geen zakendoen. Ook Jan, Bob en Arie vertonen alle kenmerken van popmuzikale onbenullen, maar die heb ik het nooit aangerekend. Waarom niet? Gewoon, ze hebben bij mij een streepje voor. Wat zeg ik: een hele lijn.

*     Met dank aan Roger Schenk





Hoe mijn broer een vrouw (niet) versierde
Marie-José van den Hout


In gedachten nodig ik de sympathieke lezer van deze Nieuwsbrief uit even aan mijn hand mee te reizen naar het Hoge Noorden, waar tegenwoordig veel van de mensen wonen, die ik leuk vind. Ik kan het ook niet helpen.
Het moge duidelijk zijn: Overal waar ik kwam, werd ik allerhartelijkst ontvangen.
Zo zat ik op een zonnige middag in juni, samen met Johan, de toekomstige biograaf van mijn broertje (hij heeft er, naar eigen zeggen, tien jaar van zijn leven voor uitgetrokken, ik hoop dat ik DAT nog mag meemaken!) samen met Johan dus, in het huis van een van mijn broertjes goede vrienden, Henk en zijn charmante vrouw Jeanine. Na het uiterst geslaagde diner (Jeanine had zowat de hele middag in de keuken gestaan, ook dat mag wel eens worden vermeld) zaten we nog wat na te tafelen. Henk en Johan bekeken fotoboeken, wisselden van gedachten over de eindigheid van het heelal, toen Jeanine me voorstelde mij de rest van het huis te laten zien.
„Daar sliep Willem vaak,” wees ze op een bedje, ergens in een tweede huis, verscholen in de tuin. „Hij kwam op de gekste mommen aanzetten. Soms vond ik ’m dan ’s ochtends vroeg, zijn lange benen bungelend over de rand van het bed, z’n schoenen nog aan.”
„Hoe heb je hem eigenlijk leren kennen?” vroeg ik bijna automatisch. „Ik bedoel, kende je hem al voordat hij met Henk bevriend was?”
We stonden in een vertrek met overal kasten, grote en kleine, allemaal voorzien van laden.
„Nou dat is op zich best wel ’n grappig verhaal,” antwoordde Jeanine, ’n beetje aarzelend, „maar goed, aan jou is zoiets wel besteed.”
Even pauzeerde ze, alsof ze wachtte op een aanmoediging. Langzaam trok ze ’n lade open, teneinde me haar verzameling sieraden te tonen, waaronder veel oude en zelfs antieke exemplaren.
„Ga nou eerst ’s door met je verhaal over Willem,” wierp ik tegen, ongeduldig, maar ook nieuwsgierig gemaakt, „kom, we gaan even in een van je schattige stoeltjes zitten.”
„Nou goed dan. In die tijd werkte ik bij een grote zaak in Amsterdam. Op ’n goeie dag werd ik opeens door jouw broer op mijn werk opgebeld. Hoe hij erachter was gekomen waar ik werkte mag Joost weten, in ieder geval tetterde hij m’n naam zo luidruchtig en zo onophoudelijk door de telefoon dat ik me op een gegeven moment geen raad meer wist. Er was geen zinnig woord tussen te krijgen. Dus wat deed ik?”
„Je ging naar hem toe,” raadde ik.
„Juist ja,” grinnikte Jeanine, „dus zo gauw ik kon, liet ik mijn werk mijn werk, en ging naar de kroeg waar hij zogenaamd heel zielig en moederziel alleen op me zat te wachten. Ik dacht op deze manier verdere escalatie te voorkomen en ja hoor, buiten voor de deur van de kroeg, stond meneer inderdaad op me te wachten.
„Jeani-i-i-ne!” brulde hij voor de vijfhonderdste keer, zodra hij me gewaar werd, „dat ik dit mag meemaken! Dat je naar mij toekomt, een eenzame vent, een armzalige drommel, een zwerver die door iedereen in de steek gelaten is.”
„Hou toch op met je geraas, zei ik nog,”, ging Jeanine verder, „ik ben er nu toch! Ik duwde de deur van het café open,” vervolgde Jeanine, „en kon m’n ogen nauwelijks geloven. Alles binnen was één bloemenzee. Bossen rode rozen, met ernaast allerlei andere bloemen en planten, alles door elkaar heen, met op de bar en op alle tafeltjes uitbundige waaiers. Het geheel was zó veelkleurig dat ik een o! van bewondering natuurlijk niet kon onderdrukken. Een feestelijk gezicht was het echter wel, maar ik vergeet ook nooit dat grijnzende gezicht van die caféhouder achter de tap. Willem had het hele bloemenstalletje van even verderop, opgekocht.”
„Om te gillen,” zei ik nog. „Günther Sachs heeft ook ’s iets dergelijks gedaan met Brigitte Bardot, hij dropte hele bossen rode rozen in de Middellandse Zee uit z'n vliegtuigje.”
„Echt waar?” vroeg Jeanine, stond op, en trok een andere lade open.
„Moet je dit prachtexemplaar zien.”
Ik liet het kleinood door mijn vingers glijden. „We moesten en zouden natuurlijk nog een afzakkertje nemen in die kroeg,” vervolgde Jeanine, „maar van één werden het er twee, en vervolgens nog een, en toen nog een, enfin het hield niet op.
Tot ik er op ’n gegeven moment schoon genoeg van had en hem meetroonde naar mijn appartement. Al brallend en tierend ging-ie uiteindelijk mee, waar het draaien van plaatjes met wat jazzmuziek ’n bijzonder kalmerende uitwerking op hem had.”
„Mooi zo,” zei ik, denkend dat het verhaal hiermee ten einde was.
„Op een gegeven moment zei ik tegen Willem, nu ga ik naar bed, want morgenochtend moet ik vroeg op.”
Veel onduidelijk gebrom en gemopper was hierop het antwoord. Maar goed, ik was in een royale bui geraakt, en zei, je kunt hier blijven pitten, maar dan wel op de canapé graag.”
Hier laste ze een korte stilte in.
„Wie schetst echter mijn verbazing,” vervolgde ze, „toen ik hem, na ’n lange poos, toch naast mij in bed voelde kruipen.”
„Vind je dat gek eigenlijk?” kon ik niet nalaten te vragen.
„Nee, niet echt natuurlijk, maar ergens ook weer wel. Hij gedroeg zich zo als een volmaakte gentleman dat ik dat toch niet verwacht had. Ik trapte hem dus zeer onelegant het bed uit, waarop hij vloekend en tierend de salon weer binnen strompelde. Op ’n gegeven moment werd het echter zó doodstil daarbinnen, dat ik nieuwsgierig geworden, even m’n hoofd om de deur gestoken heb. En raad eens waar die broer van jou mee bezig was??”
Een prachtjuweel in een lade terugleggend, maakte ik een gebaar van vragende hulpeloosheid. „Geen idee.”
„Daar zat Willem,” ging Jeanine half lachend verder, „ja, nu kan ik erom lachen,” vervolgde ze, „daar zat Willem op mijn canapé met op zijn knieën een open geslagen adressenboekje en weet je wat hij aan het doen was??? Hij was bezig alle daarin voorkomende telefoonnummers systematisch op te bellen om daarna in de hoorn te brallen dat ik, Jeanine, hem niet most en dat er een groot verdriet in hem gevaren was. Kun je je voorstellen? Midden in de nacht?? Bij mensen die mij niet eens kenden??”
Later op de avond en eenmaal terug in de auto, vertelde ik dat verhaal aan Johan.
„Voor de grap zeg ik weleens tegen mensen dat half Nederland mijn officieuze schoonzusje is,” voegde ik eraan toe, „maar dat rectificeer ik bij deze:
De helft van Nederland. Minus één.”
Want een biograaf moet zich wél aan de feiten houden, toch?





Advertentierubriek „In de Roos”


gevraagd:

te koop of ruilen voor nummers 8, 10, 11, 13, De Gil nummers 1 en 14, Klaas de Krijger tel. 0229-201927.

gezocht:

The house of pain”, maar dan alleen ruilen voor Willy Waterman, „De gevonden schat”, met achterkaft in kopie, K. de Krijger tel. 0229-201927.

aangeb.:

Een overval in de lucht” 4e dr., „De jacht op het koperen kanon” 3e dr., „Sensatie op een Engelse vrachtboot” 2e dr., „Drie jongens als circusdetective” 1e dr., „Een speurtocht door Noord Afrika” 1e dr., allemaal hard covers in uitstekende staat maar zonder stofomslagen, redelijke prijs. E-mail twi@tiscalimail.nl.








Nieuwsbrief 18
Nieuwsbrief 19 als pdf
Nieuwsbrief 20
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina