Nieuwsbrief nr. 24
ISSN 1386-6451
februari 2004 - 12e jaargang nr. 1



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe, buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap, en Simon Kuipers
redactieadres: Jacoba van Heemskerckstraat 7, 3351 SP PAPENDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieSimon Kuipers
10 september 2003: persberichtTon Kleppe
De voorkant van de twee delen 50
Mijlpaal in Mijnsheerenland. Dagverslag van de bijeenkomst op 4 oktober 2003Henk Bergman
Toespraak op 4 oktober 2003 in MijnsheerenlandPeter Muller
Column: „Amok met een AmerikaanHenk Bergman
Recensie van deel 50: De laatste Bob Evers?Kolonel Koops
Nog een brief van Willem W. Waterman aan zijn zusterWillem W. Waterman




Nieuws van de redactie
Simon Kuipers


Rumoer in een rustgebied”.
Onder deze titel verscheen deel 50 in oktober 2003, zoals al eerder aangekondigd in twee versies. De luxe-uitgave met stofomslag is voorzien van een extra katern van 48 pagina’s, geplaatst na pagina 96. Daarin wordt aandacht gegeven aan ontwikkelingen als het Bob Evers Genootschap, de
Bob Everssite en de Nieuwsbrief. Ook is een beschouwing opgenomen over het ontstaan van de serie. Het overgrote deel van dit katern wordt echter ingenomen door reproducties van de voorzijden van alle vijftig delen: van de delen 1-32 de fraaie stofomslagen van de hardcover edities, terwijl de delen 33-50 vertegenwoordigd zijn met de door Bert Zeijlstra getekende voorkanten. Opmerkelijk is dat van de delen 34 en 35 tevens de voorzijde van de in 1977 bij Van Holkema & Warendorf verschenen pockets is opgenomen. Deze luxe-uitgave is uitgebracht in een handgenummerde editie van 1500 exemplaren.

Frankenslagraadsel na 55 jaar opgelost.
Herinnert u zich majoor Heimel nog, de man die woonde op de Frankenslag in Den Haag, en die figureerde in de brief van WWW, opgenomen in Nieuwsbrief 23? Naar aanleiding van dat artikel ontving de redactie een reactie van de kleinzoon van deze majoor, die wij hier in zijn geheel laten volgen.

Geachte redactie,

Al googlelend op de naam Heimel kwam ik bij de brief die de heer van den Hout in april 1949 aan zijn zuster schreef.

Hierin maakt hij melding van het merkwaardige feit dat toen hij op Frankenslag 82 aanbelde, hij werd opengedaan door zijn onderbuurman van Frankenslag 40.
Nu, in 2003, kan ik een verklaring geven. De onderbuurman van nummer 40 was namelijk mijn opa; mijn ouders alsmede mijn broer en ik woonden op nr 82.
Kennelijk speelde opa die dag voor babysit bij zijn zoon.

In de hoop een kleine bijdrage geleverd te hebben aan de geschiedschrijving van uw favoriete auteur wens ik u veel succes met uw nieuwsbrief.

Met vriendelijke groet,
JanHein Heimel



Zo blijken merkwaardige situaties dus soms op een ongemeen eenvoudige wijze te kunnen worden verklaard. Uiteraard is de redactie de heer Heimel bijzonder erkentelijk voor zijn reactie.

Kabaal om een varkensleren koffer” als stripverhaal.
Het Algemeen Dagblad startte op 9 december 2003 met een tweede Bob Eversverhaal in stripformaat. Helaas is Koen Wynkoop, de bedenker van het idee om een Bob Eversstrip te maken, niet meer betrokken bij de uitvoering. Abonnees van de Bob Eversmailinglijst hebben in het achter ons liggende halfjaar uitvoerig kunnen volgen hoe een meningsverschil tussen scenarist en tekenaar over de uitvoering van de strip uitgroeide tot een groot conflict, waarin de tekenaar op een gegeven ogenblik besloot in zee te gaan met een andere scenarioschrijver, Frank Jonker. Voor de echte Willy van der Heide liefhebber moet dit een grote teleurstelling zijn, omdat Koen Wynkoop behalve als bedenker van het stripidee ook als scenarist van de een jaar geleden verschenen verstripping van „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” uitstekend werk heeft afgeleverd. Daarbij stond bij hem voorop de ware geest van de verhalen in de boeken te willen handhaven. Het is, nu van het nieuwe verhaal ongeveer de helft is verschenen, al wel duidelijk geworden dat aan allerlei details nu minder zorg wordt besteed. Zo is onder andere de befaamde scene gesneuveld waarin Jan Prins zijn geboorteplaats Tjitjalenka gaat spellen ten behoeve van een proces-verbaal (u weet nog wel: Theodoor - Jasses - Idioot). Bijzonder wrang voor Koen is ook dat het er op lijkt dat gebruik is gemaakt van een al door hem aangeleverd basis-scenario; de redactie heeft inzage gehad in de eerste pagina’s van beide scenario’s en kan niet anders concluderen dan dat de gelijkenis tussen beide wel erg groot is.

Willy van der Heide wederom onderwerp van een quiz.
Wij hebben de laatste tijd al herhaaldelijk bericht over dit verschijnsel. De quiz „Met het mes op tafel” kon natuurlijk niet achterblijven en stelde in de aflevering van 3 februari 2004 een vraag waarop het antwoord „Willy van der Heide” moest worden gegeven. Helaas wist geen van beide overgebleven deelnemers dit antwoord te produceren.

Nieuw verschenen.
Naast „Rumoer in een rustgebied” verschenen er natuurlijk meer boeken in Nederland. Wij lichten er twee uit:

Van Geerten Meijsing (bestuurslid van het Bob Evers Genootschap): „Malocchio. Een Toscaanse jeugd”, ISBN 9029530987, uitgever De Arbeiderspers.
Van Peter de Zwaan de roman: „Vijftigers”, ISBN 9076968195, uitgever Ellessy.



In „Bossche bladen”, een in Den Bosch en omgeving verschijnend blad, is in 2002 een artikel verschenen, getiteld „Bob Evers èn Den Bosch - Tumultueus leven schrijver Van der Heide” van de hand van Ed van Berge Henegouwen. In dit artikel is, naast een algemene en voor de lezers van deze Nieuwsbrief waarschijnlijk wel bekend voorkomende inleiding over de schrijver zelf, ook in kaart gebracht wat de verbindingen zijn tussen de plaats Den Bosch en de serie. Het artikel is ook op internet te vinden.

Artikelen in deze Nieuwsbrief.
De verschijning van het vijftigste deel was aanleiding tot een bijzondere introductiebijeenkomst op 4 oktober in Mijnsheerenland. Daarover gaan de volgende artikelen:
Persbericht
Ton Kleppe heeft namens het genootschap op 10 september 2003 een persbericht verzonden, waarin aandacht werd geschonken aan de komende bijeenkomst.
Dagverslag
Onze vaste verslaggever bij deze bijeenkomsten, Bart Veldkamp, was helaas verhinderd. Maar in Henk Bergman heeft de redactie een goede vervanger gevonden.
Toespraak door Peter Muller
De voorzitter van het Bob Evers Genootschap hield weer een gloedvolle rede, waarvan u de tekst nog eens kunt nalezen.
„Amok met een Amerikaan”
Onder deze titel presenteerde Henk Bergman zijn gesproken column.

„De laatste Bob Evers?”
Kolonel Koops schrijft zijn elfde en wellicht laatste recensie in de Nieuwsbrief.

Nog een brief van Willem W. Waterman aan zijn zuster
Wij ontvingen wederom een brief van Willem van den Hout aan zijn zuster Marie-José, dit keer uit 1966.

Vooruitblik Nieuwsbrief 25
Nieuwsbrief 25, die gepland staat voor juli 2004, beschouwt de redactie als een jubileumnummer. In het kader daarvan zal aan die uitgave een unieke en opzienbarende bijlage worden toegevoegd.

Advertentierubriek „In de Roos”
„In de Roos” wordt tegenwoordig als permanente rubriek op deze site gepubliceerd. U kunt uw mededelingen inzake vraag en aanbod naar de internetredactie sturen, die zal zorgdragen voor een snelle plaatsing op de site. Wij ontvangen graag ook even een kort bericht als de door u geplaatste advertentie verwijderd kan worden.

Wilt u meer weten over de Nieuwsbrief? Wij verwijzen voor nadere informatie naar de informatiepagina waar u onder meer kunt vinden hoe u zich kunt abonneren op de Nieuwsbrief in e-mailformaat.





10 september 2003
PERSBERICHT

Ton Kleppe


Kent u dat gevoel nog uit uw jeugd? Dat gevoel van ingehouden spanning als er weer een nieuwe Bob Evers op het punt stond om te verschijnen?
Het eerste deel van de Bob Evers serie verscheen in 1949. Was het van oorsprong een echt jongensboek, inmiddels is de serie geliefd bij jong en oud, bij mannen en vrouwen.
Meer dan vijf miljoen exemplaren vonden hun weg en op 4 oktober wordt tijdens een feestelijke bijeenkomst voor en door de fans en met ondersteuning van
Uitgeverij De Eekhoorn, deel 50 „Rumoer in een rustgebied” geïntroduceerd. „Mijlpaal in Mijnsheerenland” is de naam die aan het festijn is gegeven, waarbij mijlpaal slaat op het bereiken van deel 50 en Mijnsheerenland betrekking heeft op de plaats van samenkomst, met bovendien een knipoog naar de veelal allitererende titels van de serie.

Er zal op die dag heel wat te doen zijn. Naast deel 50 in de gebruikelijke vorm zal een luxe verzamelaarsuitgave van dit deel verschijnen, die door de huidige auteur Peter de Zwaan zal worden gesigneerd. Deze uitgave besteedt ook aandacht aan de schepper van de serie, de roemruchte Willy van der Heide. Verder bevat deze speciale uitgave een katern met alle kleurenillustraties van de reeds verschenen boeken.
Voorts staan een veiling en een ruilbeurs op het programma en zijn enkele sprekers uitgenodigd.
U bent hiervoor van harte uitgenodigd.

Datum, plaats en tijd: zaterdag 4 oktober 2003 in Restaurant en Partycentrum ’t Stammineeke, Brabersweg 10, 3271 LD Mijnsheerenland, vanaf 12.00 uur.

Voor verdere informatie over het Bob Evers Genootschap en de Bob Evers Nieuwsbrief kunt u zich wenden tot: Ton Kleppe.

Voor zaken omtrent Uitgeverij De Eekhoorn kunt u zich het beste wenden tot: Brigitte Akster, telefoon 0186-610788, e-mail brigitte@weton-wesgram.nl





De voorkant van de twee delen 50








Mijlpaal in Mijnsheerenland
Dagverslag van de bijeenkomst op 4 oktober 2003

Henk Bergman


Help, de alliteraties zijn bijna op
Ze zijn er weer: de circa tweehonderd Bob Evers-fanaten die altijd komen opdagen als er iets te vieren valt. Tussen elf en twaalf druppelen ze binnen bij partycentrum ’t Stammineeke in Mijnsheerenland (achter Rotterdam, in de Hoeksche Waard). Wat er op de agenda staat? Niets minder dan de verschijning van deel 50 en enkele daarmee samenhangende festiviteiten. Het is zaterdag 4 oktober 2003.

Ton Kleppe vermeldt in zijn openingswoord dat dit alweer de vijfde grote Bob Evers-meeting is na Apeldoorn (1993), Zeewolde (1997) en Kaageiland (2000 en 2001). Hij bedankt uitgeverij
De Eekhoorn voor de financiële steun - bij de eerdere samenkomsten en ook vandaag weer. Welkom allemaal dus. En speciaal natuurlijk Peter de Zwaan en zijn vrouw Lia en Marie-José van den Hout, de zo gewaardeerde diva van de Bob Evers-scene.

Bob Evers-gevoel
Peter Muller trakteert de zaal op een nieuwe aflevering van de endless story over het Bob Evers Genootschap. Helaas is het bestuur vandaag verre van voltallig: slechts Muller en secretaris Frans Verpoorten jr. hebben de tocht naar Mijnsheerenland ondernomen. De voorzitter weet er natuurlijk een draai aan te geven. Te weinig bestuursleden aanwezig? Welnee. De echte afwezige vandaag is Willy van der Heide, de man die hele generaties het Bob Evers-gevoel heeft meegegeven. Hoeveel schrijvers hebben zoveel losgemaakt? En wie denkt dat het alleen maar leuk is om bestuurslid van het Genootschap te zijn, moet zich wel realiseren dat het vaak een eenzaam bestaan is. Sinds 1972 is namelijk nog niemand voor het toch alleszins eenvoudige toelatingsexamen geslaagd. Treurig, maar waar. Het Genootschap moet nu eenmaal zuiver en dus streng in de leer zijn - dat staat tenslotte in de notulen die sinds de oprichting in een vochtbestendige verpakking begraven liggen onder het Noord Zuid Hollands Koffiehuis tegenover het Centraal Station in Amsterdam. Gelukkig hebben zich in de loop der jaren wel enkele mensen zo verdienstelijk gemaakt voor het Bob Evers-bedrijf dat ze het lidmaatschap van het Genootschap tot op luttele meters genaderd zijn. In dat kader valt vandaag de promotie tot buitengewoon honorair lid te vieren van Ton en Hans Kleppe (helaas afwezig), John Beringen en Roger Schenk. Als de daarbij horende documenten zijn uitgereikt, verzoekt Muller de zaal te gaan staan en dertig seconden stilte in acht te nemen ter nagedachtenis aan Willy van der Heide. Frans Verpoorten maakt zijn komst naar het verre Mijnsheerenland zinvol door nauwkeurig de tijd bij te houden en op de seconde precies het sein te geven dat de aanwezigen weer kunnen gaan zitten.

Vragen
Nu volgt de uitreiking van deel 50 aan Peter de Zwaan. In zijn dankwoord roept de schrijver nog even in herinnering hoe hij ooit aan de klus is begonnen. Het is dat redacteur Stan Willemse van De Eekhoorn hem indertijd vroeg om eens naar het manuscript van het al geruime tijd in de brandkast van de uitgeverij vertoevende deel 33 te kijken, anders was er waarschijnlijk nooit wat van gekomen. Volgens Willemse hoefde hij (De Zwaan) alleen nog maar een eind aan het verhaal te breien, want Van der Heide had het vrijwel panklaar afgeleverd. Dat bleek nu weer zo’n typische grap van de meester te zijn: bij nadere beschouwing was het manuscript verre van voltooid. Dat het de normale omvang had kwam omdat de schrijver een flink aantal loze A4-tjes had toegevoegd. Na deze ontboezemingen voelt De Zwaan zich genoeg gesterkt om een aantal vragen uit de zaal te beantwoorden.
Gaat hij door na deel 50?
„Weet ik nog niet. Ik heb geen verhaal klaar en wat misschien nog wel belangrijker is: ik ben zowat uitgeallitereerd.”
Over welk deel heeft hij het langst gedaan?
„Dat kan ik me echt niet meer herinneren.”
Bestaan er plannen om de eerste 32 delen te herschrijven?
„Absoluut niet, dat is nog geen moment bij me opgekomen.”
Is hij op alle plaatsen geweest die in zijn boeken voorkomen?
„Jazeker, want ik wil de fans geen kans geven me op fouten te betrappen.”
Gaat hij andere boeken van Willy van der Heide bewerken?
„Nee.”
Heeft hij de karakters van de jongens veranderd?
„Ja, een beetje. Arie is wat minder slim en ook wat minder dik geworden.”
Wie is zijn favoriet?
„Jan Prins.”
Etcetera.

Amok
Dan volgt een veiling van enkele speciale Bob Evers-objecten. Dat althans vermeldt het programma. Geveild wordt er ook wel, maar verkocht nauwelijks. Met name de gevraagde startprijzen van enkele originele omslagtekeningen van Bert Zeijlstra liggen de zaal te zwaar op de maag. Snel dus over naar het laatste onderdeel: mijn gesproken column. Een smakelijk verhaal over een amokmakende Amerikaan, dat eindigt in het vanuit BE-standpunt gezien om diverse redenen interessante stadje Meppel. De tekst staat op deze site. Nee, geen zorgen, ik ben inmiddels weer veilig thuis.

Gesigneerd
Na afloop van deze verbale schermutselingen is het tijd voor boeken kopen en nieuws uitwisselen. Voor de tafel van Peter de Zwaan vormt zich een lange rij wachtenden met deel 50 in de hand. De schrijver signeert met zwier.





Toespraak op 4 oktober 2003 in Mijnsheerenland
Peter Muller, voorzitter van het Bob Evers Genootschap


Geachte aanwezigen, fanatici, fans, liefhebbers en geïnteresseerden in Bob Evers - en in het bijzonder
Marie-José die met haar altijd charmante aanwezigheid een speciale glans aan deze dag verleent.

Het is alweer zes jaar geleden dat ik voor het laatst in Zeewolde het woord tot u mocht richten. Vier jaar daarvoor, op 2 oktober 1993, nu 10 jaar geleden - wat vliegt de tijd - was het mijn geacht medebestuurslid Geerten Meijsing die ter gelegenheid van de eerste grote Bob Eversmanifestatie een indrukwekkende redevoering verzorgde, die bij ontstentenis van Meijsing die bewuste dag op waardige wijze werd voorgedragen door mijn mede-bestuurslid Coen van der Linden. Beide bestuursleden konden vandaag helaas hier niet aanwezig zijn en vroegen mij als voorzitter van het Genootschap u hun spijt daarover te betuigen met de plechtige belofte er een volgende keer bij leven en welzijn wel bij te zijn. Meijsing schittert door afwezigheid omdat de Muze hem roept tot een hoger doel - de literatuur, en Van der Linden vanwege dringende familieomstandigheden. Dan is er nog een vijfde bestuurslid, de heer Keith Snell, maar die heb ik sinds de oprichtingsvergadering in het jaar 1972 in café De Oude Wester in Amsterdam nooit meer gezien of gesproken. De man is domweg van de aardbodem verdwenen.

Wel fysiek in ons midden verkeert het medebestuurslid en secretaris Frans Verpoorten jr., die zich ondanks drukke werkzaamheden vrij heeft weten te maken voor deze belangrijke samenkomst. Qua bestuur moet u het dus met ons tweeën doen. De laatste keer dat het Bestuur voltallig acte de présence gaf was in 1997 in Zeewolde, bij welke gelegenheid de Bob Eversomnibus werd gepresenteerd. Gelukkig wel aanwezig, en ik twijfelde daaraan geen moment, is Ton Kleppe, zonder wie wij hier op dit moment niet zouden hebben gestaan; zijn broer Hans is helaas verhinderd, eveneens door familieomstandigheden.

Laat die voorlaatste regel even nagalmen, beste vrienden… zonder wie wij hier op dit moment niet zouden hebben gestaan!

Toen ik deze woorden aan het papier toevertrouwde en overlas, werd ik bevangen door een huivering van schaamte… hoe kon ik zoiets opschrijven?!

Want, vrienden, geachte aanwezigen, laten wij ons toch goed realiseren en tot ons door laten dringen dat de grote Afwezige hier in Mijnsheerenland de man is die helaas niet meer leeft, maar die nog in de barre oorlogsjaren het leven heeft geschonken aan onze 3 helden… en niet ík ben het, níét het genootschap, níét de gebroeders Kleppe zonder wie wij hier vandaag niet bij elkaar zouden zijn - maar het is de enige en onvervangbare Willy van der Heide, alias Willem W. Waterman enz. enz. zonder wie wij hier vandaag niet zouden hebben gestaan, en sterker nog… zonder wie wij nooit van Bob Evers zouden hebben gehoord.

Het is dan ook de geestelijk vader en schrijver van de Bob Eversboeken die wij hier als Genootschap eer bewijzen en gedenken… gedenken als de man die ons allemaal zó veel leesgenot en vreugde heeft bezorgd, dat wij nu - als volwassenen - ons niet meer los kunnen en willen maken van de magische betovering die ons overvalt, telkens als wij - met eerbied en lichte huiver - een van de originele werken ter hand nemen - en de autentieke geur opsnuiven, dat heerlijke Bob Eversgevoel waardoor wij, als in een tijdmachine, teruggevoerd worden naar een landschap van naoorlogse wederopbouw en soberheid, waarin de drie HBS-knapen in grote Amerikanen en taxi’s, met pakken dollars, chocoladerepen en vuurwapens op zak hun spoor trokken.

Het is de illustere Willy van der Heide geweest die een generatie dát gevoel heeft geschonken, dat Bob Evers Gevoel… dat gevoel, geachte toehoorders, dat ons allemaal deed besluiten vanochtend vroeg op te staan en naar dit afgelegen oord af te reizen om deel te nemen aan een gemeenschappelijke gekte die Bob Evers heet… hoeveel schrijvers valt de eer te beurt zoveel in ons los te maken!?!

Als ik het heb over een generatie, de generatie van de jaren 50, dan wil ik daar ook aan toevoegen dat ook níéuwe generaties kennis nemen van het fenomeen Bob Evers - weliswaar niet in de autentieke uitvoering, maar in de vorm van de voortzetting van de Bob Eversreeks door de gelauwerde misdaadauteur Peter de Zwaan.
Ik wil hier even kort bij stil staan.
Reeds in mijn vorige redevoering in 1997 stipuleerde ik enerzijds dat het Bob Evers Genootschap zich conform de in 1972 door Van der Heide geautoriseerde statuten inzet om de oorspronkelijke werken - met stofomslag - ongeschonden door te geven aan nieuwe generaties, maar dat anderzijds dat géén miskenning of veroordeling inhoudt van de Bob Eversboekjes die in rap tempo uit het gouden pennetje van De Zwaan zijn gevloeid, al was het maar omdat deze voortzetting, puur ingegeven door commerciële motieven, de weg zou kunnen wijzen naar - of de ontdekking zou kunnen zijn van - de enige echte Bob Eversboeken - en als dát het geval is, geachte toehoorders, dan prijs ik de heer De Zwaan en zijn uitgeverij hier alleen maar voor.

Maar men dient goed te begrijpen dat ik hier namens het bestuur van het Bob Evers Genootschap voor u sta als behoeder en schatbewaarder van de statuten en reglementen die nu ruim 30 jaar geleden, tijdens een hevige regenbui, in aanwezigheid van de Meester in een metalen luchtdichte koker in de grond onder het Noord-Zuidhollands Koffiehuis in Amsterdam voor de eeuwigheid werden begraven, en dat wij daarom, zoals ik zes jaar geleden al zei, zuiver in de leer moeten zijn, fundamentalist zoals men wil, en dat onze genootschappelijke horizon ten principale niet verder reikt dan „Bob Evers belegert Fort-B”. Maar van enig misprijzen in de richting van De Zwaan is dus geen enkele sprake, ook al zal hij daar geen moment wakker van liggen, mocht dat wel zo zijn.

Op 7 december 1972 ontving ik een brief van Geerten Meijsing op mijn toenmalige woonadres in Haarlem, waarin deze een pleidooi hield om het Bob Evers Genootschap toegankelijk te maken voor kandidaatleden. Zelf droeg Meijsing zijn broer voor die zich, ik citeer uit de brief, „in hoge mate verantwoordelijk acht voor de Bob Eversrenaissance”. In diezelfde brief stelt Geerten nog voor het lied van „de twee haasjes in een groen groen groen groen knollen knollenland” het predikaat extra-genootschappelijk lied te verlenen. Het Bestuur heeft daar ruim 25 jaar over nagedacht en vervolgens bij meerderheid van stemmen besloten aan dat verzoek geen gehoor te geven. Een kopie van deze brief zal ik straks aan de heer Kleppe overhandigen, waarmee voor het eerst in het bestaan van het Bob Evers Genootschap een archiefstuk aan de openbaarheid wordt prijsgegeven.

Wat de broer van Geerten betreft, het is er niet van gekomen, de arme donder heeft het niet tot een volwaardig lidmaatschap gebracht om redenen die ik hier niet mag onthullen, en sterker nog… sinds de oprichting in 1972 is er níémand geweest die heelhuids door het examen is gekomen - en dat maakt dat wij ons als Bestuur best wel eens eenzaam voelen. Maar wij dragen dat juk blijmoedig, omdat de herinnering aan de Grote Man met de Knevel en de Bulderende Lach aan de eenzaamheid een gouden randje geeft.

Ik nader langzaam maar zeker het einde van mijn toespraak; sta mij toe een paar mensen in het bijzonder te noemen en af te sluiten met een korte plechtigheid.

Ik had het zojuist over nieuwe generaties Bob Eversliefhebbers, op het spoor gezet door de boekjes van Peter de Zwaan. Zeker als het gaat om een nieuwe generatie jongens voor wie videogame, tv-clip en stripverhaal de plaats van het aloude boek hebben ingenomen, is het een moeilijke opgave om deze aan het lezen van boeken te krijgen, zelfs als het gaat om de Bob Eversboeken. In Het Parool wordt het literaire meesterwerk „De Avonden” van Van het Reve voor een breed publiek toegankelijk gemaakt in de vorm van een paginagroot stripverhaal dat inmiddels ook als luxe uitgevoerd album is verschenen. Twee jonge mensen, Hans van Oudenaarden en Koen Wynkoop, hebben voor het Algemeen Dagblad de avonturen van Bob, Arie en Jan op even meesterlijke als navolgbare wijze in stripvorm vastgelegd. Ook voor deze talentvolle mensen geldt wat ik al eerder zei, namelijk dat alle nieuwe Bob Eversinitiatieven waardering en lof verdienen, omdat ze de naam Bob Evers levend houden, maar dat anderzijds, en Van Oudenaarden en Wynkoop zullen dat begrijpen, het Bob Evers Genootschap op grond van de statuten het Bob Eversstripverhaal niet kan rekenen als behorende tot het erfgoed van de schepper van de Bob Eversserie.

Ik kom nu aan het formele afsluitende gedeelte van mijn toespraak. En mag ik verzoeken om uw aller aandacht, want het Bob Evers Genootschap in actie is een zeldzaam verschijnsel. Ik noemde de heren Ton en Hans Kleppe reeds, die twee onverschrokken, harde werkers, die met zoveel inzet, opoffering, enthousiasme en liefde voor het verschijnsel Bob Evers, al hun vrije uren steken in de verkondiging van het Bob Everswoord. Ton en Hans Kleppe zonder wie, ik weet het zeker, de naam en faam van Bob Evers minder luid geklonken zou hebben dan hij nu klinkt.
Op 21 september 1993, precies tien jaar geleden, heb ik Ton en Hans op persoonlijke titel benoemd tot „buitengewoon werkend lid” van het genootschap. Waarom op persoonlijke en geen officieel bekrachtigde titel? Omdat ik geen meerderheid van het Bestuur achter een dergelijke benoeming kreeg.
Op 6 juni 1996 deed het Bestuur de onherroepelijke uitspraak dat een gewoon lidmaatschap niet toegekend kon worden. Vier jaar later, op 10 november 2000, besloot het Bestuur om op grond van de grote verdiensten van de gebroeders Kleppe beiden te benoemen tot aspirant gewoon lid - op zich een historische beslissing.
Nu, drie jaar later, dus vandaag 4 oktober 2003, mag ik namens het Bestuur uitreiken het officiële door voorzitter en secretaris getekende certificaat behorende bij het Buitengewoon Honorair Lidmaatschap van het Bob Evers Genootschap, waarbij ik u tevens de originele Bob Evers Genootschapbutton op mag spelden, die tot aan dit plechtige moment alleen door de bestuursleden van het genootschap gedragen mogen worden. Weliswaar is het nog geen gewoon lidmaatschap, maar laat niet alle hoop varen en zie dit als een zeer welverdiend blijk van waardering van het Bob Evers Genootschap voor al het werk dat u verricht en nog gaat verrichten. Behalve aan de heren Kleppe zal het Buitengewoon Honorair Lidmaatschap met de Button ook uitgereikt worden aan de heren Beringen en Schenk, eveneens op grond van hun grote verdiensten met betrekking tot het onderzoek naar - en de promotie van de legendarische Bob Eversboeken in het algemeen, en haar onvergetelijke schrijver Willy van der Heide in het bijzonder!

Mag ik u allen thans verzoeken op te staan. Lezers van het eerste uur die slecht ter been zijn mogen blijven zitten.

Geachte Bob Evers-vrienden. In dit jaar van de 60ste verjaardag van Bob, Jan en Arie, die in 1943 voor het eerst van zich lieten horen in het blad Jeugd, verzoek ik u - uit eerbied en respect voor de schrijver van de Bob Evers boeken - om gedurende 30 seconden stil te staan bij Willy van der Heide, hij, dat vat vol tegenstrijdigheden, die ons en komende generaties met zijn boeken zoveel plezier en vreugdevolle momenten heeft geschonken - en nog zal schenken.

De secretaris: Ik dank u wel.
De voorzitter: Dank u wel.

(Tekst uitgesproken op de bijeenkomst ter gelegenheid van de verschijning van deel 50 op zaterdag 4 oktober 2003 te Mijnsheerenland)





„Amok met een Amerikaan”
Henk Bergman


Gloeiende glorietoeters! Wie regelmatig bijdragen aan de Bob Evers Nieuwsbrief levert, kan zich heel wat narigheid op de hals halen. Laat ik nu in het nummer van januari 1996 hebben beschreven hoe ik de basis had gelegd voor mijn eerste eigen Bob Evers-verhaal, dat „Amok met een Amerikaan” zou gaan heten. Ja, ik ben het met u eens: absoluut een pakkende titel. Het vervelende was alleen dat het niet méér was dan een titel en dat het bijbehorende boek nog in geen velden of wegen te bekennen viel. Of preciezer gezegd: ik had in de Nieuwsbrief de eerste alinea geciteerd, waarin pa Roos zichzelf op een mooie juni-ochtend bij het scheren een forse jaap in zijn linkerwang bezorgt en als gevolg van de inspanningen die nodig zijn om de daaruit voortvloeiende bloedstroom te stelpen, in combinatie met een verkeersopstopping die zelfs voor Amsterdamse begrippen uitzonderlijk was, twintig minuten te laat op zijn kantoor aan de Prins Hendrikkade arriveert - wat hem nog nooit eerder was gebeurd.

Die unieke tijdsoverschrijding blijkt de opmaat naar een dag die significant afwijkt van de gemiddelde redersdag. Ga maar na:

Om acht uur belt ma Roos dat hij in de verwarring rond het scheerincident zijn boterhammen voor tussen de middag thuis heeft laten liggen;

om negen uur vindt hij bij de post van die ochtend een schrijven van de rijkspolitie Zeeland, rayon Zuid Beveland, waarin hem wordt gevraagd op zekere datum op het bureau te Kruiningen te verschijnen teneinde zich te verantwoorden inzake wat wordt omschreven als „bevreemdend nachtelijk gedrag op het terrein van akkerbouwer Wisse alhier”;

en weer een uur later dient zich volkomen onverwacht een oude vriend aan, die hem vertelt dat hij zich serieus bedreigd voelt door een Amerikaanse zakenrelatie en daarom via vader Roos de hulp van de drie vrienden als tijdelijke lijfwacht inroept.


Voorwaar, een fraai en veelbelovend begin van een waardig Evers-avontuur. Maar verder was ik echt nog niet gekomen.

De Nieuwsbrief met de aankondiging van mijn dus nog in zeer rudimentaire vorm verkerende verhaal was koud bij de lezers gearriveerd of ik kreeg de eerste vragen al. Of ik kon zeggen wie die amokmakende Amerikaan was. Of de jongens ook bij mij werden gekidnapt, gebonden en tijdelijk opgeborgen in afgelegen schuurtjes of levensgevaarlijke kelders. Of ze nu eindelijk aan seks gingen doen. Allemaal vriendelijk bedoeld, maar toch met een gemeenschappelijke ondertoon: ik moest echt opschieten met dat boek, first things kwamen tenslotte first en ik begreep toch wel dat een dergelijke aankondiging verplichtingen meebracht? Ik antwoordde alle vragenstellers zoals een professionele afhouder doet: dat ik er druk mee bezig was, dat het allemaal lekker opschoot, dat ik goede hoop had de klus binnen afzienbare tijd af te ronden, enzovoort. De simpele waarheid was echter dat ik door een combinatie van omstandigheden nog steeds geen letter op papier had staan - die ene alinea uitgezonderd.

Geruime tijd kon ik het onheil op deze manier van me afhouden. Er belde nog wel eens iemand, ik kreeg nog wel eens een e-mail - maar men had kennelijk begrepen dat een auteur tijd nodig heeft om tot zijn schriftelijke daden te komen. Op enig moment begon de stroom hoe-staat-het-ermee-vragen echter weer aan te zwellen. Aanvankelijk nog begrijpend en aanmoedigend, later onmiskenbaar dwingender en minder vrijblijvend van toonzetting. Bedreigingen zou ik het niet willen noemen, maar de boodschap was toch niet mis te verstaan: wij willen „Amok met een Amerikaan” lezen en daar willen wij niet lang meer op wachten. Kennelijk drong de diepgang van dit verlangen onvoldoende tot me door, anders was ik er wel op verdacht geweest dat er mogelijk iets onvoorziens zou kunnen gebeuren. Nu kwam het volslagen onverwacht uit de strakblauwe hemel vallen.

Op een zaterdagmiddag had ik in een boekwinkel een krant gekocht en liep ik in een parkje in mijn woonplaats, op zoek naar een rustig bankje, toen ik opeens achter me het zachte kraken van voetzolen op het gruis van het pad hoorde. Een paar mannen probeerden me in te halen en ik ging wat meer naar rechts lopen om ze de kans te geven me te passeren. „Grijp hem,” hoorde ik opeens een stem achter me roepen. Voor ik wist wat er gebeurde sloot zich een grote, warme hand over mijn mond. Ik probeerde te schreeuwen, maar de mannen verstonden hun vak. Ik kreeg een doek om mijn ogen geslagen, twee duimen drukten aan weerszijden mijn tanden van elkaar en er werd een prop in mijn mond geduwd. Daarna werd ik opgetild en weggedragen, waarbij ik merkte dat mijn ontvoerders met z’n drieën waren. Ze sleepten me in een drafje door enkele struiken en ik hoorde het klikken van een autoportier. Bepaald niet zachtzinnig werd ik naar binnen geduwd, waarna de auto direct wegreed. Zelden in mijn leven heb ik me zo overrompeld gevoeld. Wat moest dit geboefte van me?

Het antwoord bleef niet lang uit. Tenminste, als je een uur geblinddoekt en met een kleffe prop in je mond in een auto rijden, in onbekend gezelschap en met onbekende bestemming, niet lang vindt. Maar toen stopten we, ik werd uitgeladen en ergens binnengebracht. Via een trap transporteerde men me naar de eerste verdieping, ik kreeg een duw en achter me werd een deur gesloten. Na enig rukken slaagde ik erin me van mijn blinddoek te ontdoen. Mijn verbazing was groot. Ik bleek mij te bevinden in een kraakzindelijke hotelkamer, voorzien van stromend water, een bed, een bureau, een bureaustoel en een computer. Nu is mijn brein net iets groter dan dat van een uit de kluiten gewassen garnaal, dus ik begreep al gauw wie mij deze streek geleverd had. Het verlangen naar een echte Bob Evers is een aantal mensen naar het hoofd gestegen, moest ik concluderen. Ze hebben hun geduld verloren en zijn zelf amok gaan maken. Maar één ding mag ik toch hopen en dat is dat we hier níet in Meppel zijn.

We wáren in Meppel. „Dat leek ons de beste plaats,” zei de man die mij tien minuten later bezocht. Hij had een nylonkous over zijn hoofd gestroopt, maar je moest wel stekeblind zijn om niet Ton Kleppe te herkennen. Ik complimenteerde hem met de vakkundige kidnapactie en luisterde geboeid naar zijn toelichting. „Ja, we moesten wel. Als je nu wat meer haast had gemaakt, maar we kregen de indruk dat je ons aan het lijntje hield. Dan maar de beuk erin, dachten we. Je moet hier blijven tot het boek af is. Elke avond om acht uur komen we je productie van die dag ophalen.” En daarna, op een toon alsof hij daarmee alles goedmaakte: „Wij, het Bob Evers Genootschap, nemen de kosten van deze tijdelijke locatie voor onze rekening. En we zijn niet kinderachtig: één keer per week zorgen we voor leuk damesbezoek.”

Nu ben ik nooit te beroerd om me voor een goede zaak in te zetten. Bovendien, wie wordt niet opgewonden van het vooruitzicht een avondje te kunnen wildebrassen met de Meppelse variant van Vera Vitella of Tootsie Griff? Ik besloot aan het werk te gaan. Thuis konden ze me wel even missen. De volgende ochtend stond ik vroeg op, liet een ontbijt aanrukken alsof ik in hotel Transatlantique logeerde en toog welgemoed aan de slag. Ik had me voorgenomen het klusje voortvarend aan te pakken, want het moest allemaal niet te lang gaan duren. En had ik mezelf met die al bestaande ene alinea niet een vliegende start bezorgd?

Het is nooit leuk om je eigen falen te moeten toegeven, maar er zit niets anders op. Het werd een deceptie. Na enkele dagen ploeteren drong het langzaam maar onherroepelijk tot me door: om een Bob Evers te schrijven moet je Willy van der Heide heten. Ik pruttelde nog wat door, maar na vier dagen barstte de bom. Mijn kidnappers zagen het hopeloze van mijn en hun inspanningen in en kieperden me zonder pardon het hotel uit. Mopperend en teleurgesteld - want van het beloofde damesbezoek was natuurlijk ook niets terechtgekomen - probeerde ik op straat mijn hoofd weer helder te krijgen. Het kostte enige moeite, maar toen besloot ik mijn tijdelijke verbanning van de zonnige kant te bekijken. „Amok met een Amerikaan” zou dan wel eeuwig een titel zonder boek blijven, maar mooi dat ik nu eindelijk eens de kans had om gezellig in Meppel te gaan winkelen. Tenslotte kun je daar het beste jaeger-ondergoed krijgen dat er bestaat.

(Tekst uitgesproken op de bijeenkomst ter gelegenheid van de verschijning van deel 50 op zaterdag 4 oktober 2003 te Mijnsheerenland)





DE LAATSTE BOB EVERS?
Recensie van deel 50

Kolonel Koops   ®


Een herfstboek komt uit in de herfst. Na de terugkeer in Nederland van Jan (deel 49) arriveren nu ook Bob en Arie op Schiphol, en het duurt niet lang of ze banjeren rond door bossen in het oosten van Overijssel. Het is daar herfst en de drie vrienden, nog gebronsd door hun verblijf in Florida, halen natte sokken en lopen te bibberen in „drensregen”.

We hebben te maken met een bijzonder deel: editie nummer 50 van de vermaarde avonturenreeks en het veertiende deel op naam van Peter de Zwaan. Van de hele serie zijn meer dan vijf miljoen boeken verkocht. Voor het eerst lezen we een fictie-disclaimer (u kent het wel: iedere overeenkomst met ware gebeurtenissen etc. berust op toeval). Misschien had de schrijver zo’n vrijwarende opmerking nodig, want hij wordt op sommige plaatsen in het boek akelig precies. Dat kan lastig zijn als het avontuur zich in eigen land voltrekt. Maar het is niet alleen eigen land: het is geboortegrond. Geboortegrond van de serie en van haar tweede schrijver. De laatste kogels ricocheren in Meppel.


Het hele boek staat vol met auctoriële opmerkingen, dat wil zeggen verwijzingen in het boek zelf naar het feit dat we hier te maken hebben met een serie boeken, geschreven door Willy van der Heide respectievelijk
Peter de Zwaan, en andere toespelingen op „de geschiedenis” van decennia. Op bladzijde 170 krijgt de lezer het Spaans benauwd: is dit „de finale van onze belevenissen”?

Het verhaal komt moeizaam op gang. Pas rond bladzijde 33 gaan de jongens tot actie over door hun hotel bij Schiphol te verlaten. Arie gaat dan nog even langs bij een character dat best eerder in de verhalenreeks een rol had mogen hebben: Ome Ferdi(nand). De man levert een mooi vervoermiddel (gratis) en fungeert later in het boek nog even als een inlichtingencoördinator, bijna zoals Charlie in Charlie’s Angels. Zo’n rol verzin je toch niet op het moment dat je de serie opheft? Bob loopt meteen te soppen in het herfstige De Lutte en Jan gaat eerst een potje internetten. Dat is wel nodig ook, want het avontuur krijgt nog een flink ingewikkelde draai, terwijl de afwikkeling van het Amerika-element uit deel 49 en daarvoor ook geen eenvoudige kost is voor jonge jongens (m/v). Tel alle eigennamen en plaatsnamen maar eens op die in dit deel de revue passeren!

Dan breekt de mooiste passage aan: Onlusten in het Lutterzand, en de hoofdstukken die erop volgen. Midden in de nacht moeten de jongens vechten tegen hun jetlag en tegen een bewapende oud-commando met zijn helpers. (De Zwaan neemt geen standpunt in in het debat wie er binnen de Nederlandse strijdmacht een groene baret mag dragen.) Op en rond deze locatie blijven we een flink deel van het boek, en dat is mooi. Er worden wapens buitgemaakt, auto’s verwisselen van eigenaar, er wordt gemept, iedereen wordt kletsnat en vuil en er zijn verwarrende, typische Bob Evers-elementen. Bijvoorbeeld: de man die gezocht wordt bevindt zich in het donkere zomerhuisje, niet in het huisje waarin licht brandt. En… na alle geknok gaat Arie slapen in het huisje waar licht brandde, omdat toch niemand meer belangstelling zal hebben voor dat adres. Bravo! Terecht legt de omslagillustratie van Bert Zeijlstra een moment uit deze gedenkwaardige nacht in het „rustgebied” vast. En trouwens, de titel van het deel verwijst ernaar. Prachtige zin: „Voor de zoveelste keer begon hij aan een kruip- en glijtocht over de natte bosgrond.”

Dan toont Jan de volgende ochtend nog even aan dat hij inmiddels alle snufjes van een GSM-toestel beheerst (zo kun je het nummer van Arie opslaan onder „Potvis”), voert Arie een klassiek-handig telefoongesprek en beginnen we aan de finale van het boek - of van de hele serie? De Zwaan zal met plezier de situatie in Meppel hebben beschreven (langs het spoor, een straatnaam valt nog net niet). Zo zal De Zwaan ook met plezier het Nedersaksische dialect hebben genoteerd op bladzijde 70: „He-j kläppe had van Bennie?” En de zeer, zeer verdienstelijke opvolger van de grote meester Van der Heide zal in dit werk nog wel hier en daar een privé-grapje hebben verstopt.

Wat nu? Uw recensent zal zich daarmee niet bemoeien: dat is gewichtig werk voor het Bob Evers-Genootschap en voor de uitgeverij (voorheen te Meppel, thans te Oud-Beijerland). Uw recensent zal bij dit jubileumdeel, ook verschenen in een speciale jubileumuitgave, voor de verandering geen detailkritiek geven. Mocht dit werkelijk einde oefening zijn, dan breng ik de hand aan de baret (bruin, niet groen) voor een eresaluut aan: drie heldhaftige jongens, twee vakkundige schrijvers en 50 schitterende boeken.

Rumoer in een rustgebied, Peter de Zwaan, Uitgever De Eekhoorn, ISBN 90 6056 923 7, 182 pag., EUR 5,99.
De speciale jubileumuitgave heeft ISBN 90 6056 924 5; deze editie bevat tal van extra’s.





Nog een brief van Willem W. Waterman aan zijn zuster
Willem W. Waterman



Dinsdag 4 oktober 1966



Willem van den Hout
Hugo de Grootstraat 26
Den Haag
Tel. 33 17 37


Liefste zusje,

          In principe is het dus toch mogelijk gebleken voor ons om contact op te nemen, respectievelijk ons enkele uren te onderhouden, zonder dat luid krakeel losbarst.
          Hiermede is veel gewonnen. Dit kan men wel zeggen.

          Evenals bij schaakspelen is thans de vraag: was is de juiste vervolgzet. Aangezien een biologisch noodlot heeft gedecreteerd dat wij practisch zuiver elkaars spiegelbeeld zijn, is het mij volledig duidelijk dat gij, mijne zuster, als volgt (het woord redeneert is hier volledig misplaatst) tewerk gaat (innerlijk): laat ik nu eens het initiatief in deze over aan mijn broertje.
          Hetgeen broertje bij deze doet, dan toch wel dank zij Guusje Zimmermann, die zo vriendelijk is, deze missive persoonlijk aan je te overhandigen.

          De feiten zijn als volgt: broertje heeft (tabak hebbende van het beklimmen van trappen) een huis van vier verdiepingen gekocht gelegen Hugo de Grootstraat 26. Het telefoonnummer is hetzelfde gebleven, zoals hierboven vermeld.

          Zoudet gij, mijne zuster, ooit achter frans nummerbord het betrokken pand passeren, houdt gij u dan erop geprepareerd, dat het uitbarsten in spontaan gelach kan leiden tot ernstige aanrijdingen. Naast mijn zeer fraaie teakhouten voordeur namelijk bevindt zich een zwart bord het gouden letters, waarop de navolgende tekst:

                                 W.H.M. van den Hout
                                 prae-adviseur voor psychiatrie
                                 C.B. Mc.Inverness
                                 psycho-analyst (USA)

          Toen ik dus destijds zeide dat ik je hard nodig had, was zulks niet op loze gronden gebaseerd.

          Overigens ter overweging:
          JIJ bent eraan gewend, je eigen zin te krijgen, en ik ook. Dit leidt natuurlijk zeer gemakkelijk tot conflicten. Edoch... vrouwen blijven onder ALLE omstandigheden vrouwen en de beste hunner puren er een bepaalde extase uit, op de juiste wijze de juiste meerdere te vinden.

          Mijn vrouw, zoals je weet, is er bijzonder goed in, telefoons niet door te geven. Zij kijkt mij stralend aan met zeer onschuldige ogen en beweert dan : er heeft helemaal niemand opgebeld.

          Ik wil je zo snel mogelijk zien en langdurig spreken. Het is inmiddels allemaal veel gemakkelijker geworden. Dat hoor je nog wel, Schrijf me een beknopte missive met dagen en uren dat je weer in Holland bent aan onderstaand adres:

                                            Per adres W. Huygens Theelen
                                            Denneweg 166
                                            Den Haag.

(Daar heb ik namelijk nóg een huis. Bomvrij).

Love.          WWW








Nieuwsbrief 23
Nieuwsbrief 24 als pdf
Nieuwsbrief 25
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina