Nieuwsbrief nr. 27
ISSN 1386-6451
juli 2006 - 13e jaargang nr. 2



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe en Roger Schenk, buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Jacoba van Heemskerckstraat 7, 3351 SP PAPENDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieTon Kleppe & Roger Schenk
Column: Mooi geweestPeter de Zwaan
Op zoek naar Sjoerd van HasseltBart-Jeroen Hemstra
RokenMarie-José van den Hout
Column: Out of CharacterGert Huber
Baasje pesten...?Roger Schenk
Willem W. Waterman en zijn radiowerk in den oorlog 1940-1945Ton Kleppe
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 1) : Jan Prins vastgebondenGeerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Ton Kleppe & Roger Schenk


Restyling oude Nieuwsbrieven
Het is zover! Alle „oude” Bob Evers Nieuwsbrieven - en dat zijn de nummers 1 tot en met 25 - staan in prachtige gerestaureerde vorm op de site:
www.apriana.nl.
De restauratie bestaat hieruit dat zo goed als alle (kleur)omslagen van de besproken boeken zijn toegevoegd bij de desbetreffende onderdelen van de Nieuwsbrieven. Hierdoor zien de Nieuwsbrieven er een stuk beter uit en vormen bovendien vanwege de toegevoegde links een goede ingang voor verdere te raadplegen informatie. Inmiddels zijn alle Nieuwsbrieven ook als pdf-file beschikbaar; in verband met de omzetting van de oude Nieuwsbrieven naar het pdf-formaat is het noodzakelijk gebleken om alle pagina’s opnieuw te nummeren, hetgeen natuurlijk ook consequenties heeft voor de latere Nieuwsbrieven; zo zal de huidige Nieuwsbrief starten op pagina 274.
Net als de boeken zijn m.i. de Nieuwsbrieven het waard om nogmaals gelezen te worden. Denk bijvoorbeeld aan al die prachtige columns van Henk Bergman, kolonel Koops en van Geerten Meijsing. De laatste hervat in deze Nieuwsbrief de serie „Onder het vergrootglas”.
Voor dit arbeidsintensieve werk tekende onze nieuwe hoofdredacteur Roger Schenk, een prachtprestatie!

Aanvulling groot documentatiealbum „Wetenswaardigheden over Willem Waterman”.
Inmiddels is het alweer ruim tien jaar geleden dat deel 3 van het grote documentatie-album, getiteld „Wetenswaardigheden over Willem Waterman”, van de Kleppe Brothers verscheen. Op blz. 33 t/m 44 van dat documentatie-album treffen we de bibliografische gegevens aan. Bij Nieuwsbrief 20 (juli 2002) trof u een aanvulling op deze bibliografische gegevens aan.
Inmiddels zijn we alweer vier jaar verder; er is in die tijd veel gebeurd: niet alleen zijn enkele oude, maar „onbekende” werken van Willem boven water gekomen, maar ook heeft het nieuwe redactielid Roger Schenk een grootscheeps onderzoek verricht omtrent de auteurskwestie van de Drie-Stuivers-Roman („Philip Raack”: de uitkomst van voornoemd onderzoek treft u overigens elders op deze site aan). Al met al voldoende redenen om weer eens voor de dag te komen met een tweede supplement op de bibliografische gegevens; dit supplement vervangt supplement I uit 2002 en kunt u na pagina 43 van het album invoegen.

Gillende primeur.
De redactie heeft enkele uitzendingen van de Radio Gil-club (Radio Yellclub) op de kop getikt. De uitzendingen dateren van begin 1945. Er zijn drie geluidsfragmenten beschikbaar, die - helaas voor de swingvrienden onder ons - alleen het gesproken woord uit deze uitzendingen bevatten:
Radio Gil Club (datum onbekend).
Radio Gil Club (8 Maart 1945).
Radio Gil Club (13 April 1945).
Helaas is de kwaliteit van de fragmenten niet altijd even goed, maar ze zijn in elk geval nog steeds de moeite van het beluisteren waard.
Elders in deze Nieuwsbrief wordt zowel de alfa als de omega van Willems radiowerk in de oorlog, sorry: den oorlog, uit de doeken gedaan door Ton Kleppe; Tons artikel gaat vergezeld van een foto van „Leonie Miller” van de Radio Gil-club, welke foto weer beschikbaar is gesteld door „Leonie’s” latere schoonzus. En laat diezelfde schoonzus nou niet geheel toevallig - toeval bestaat immers niet, volgens de Grote Meester - zelf ook prominent aanwezig zijn in deze Nieuwsbrief met een artikel over roken! En zo is het cirkeltje keurig rond!

Geerten Meijsing schrijft verder.
De gelauwerde auteur Geerten Meijsing, winnaar van vele literaire prijzen, en geacht bestuurslid van het Bob Evers Genootschap, heeft een nieuwe aflevering van de serie „Onder het vergrootglas” geschreven. U vindt zijn bijdrage elders in deze Nieuwsbrief.
Ondanks het schrijven van deze column heeft Geerten nog kans gezien om twee nieuwe boeken te doen verschijnen. Ten eerste is daar „Van Como tot Syracuse”, een alleraardigste bundel, bestaande uit reisverhalen over Italië, „bijeen gelezen en bereisd door Geerten Meijsing”. In het voorwoord geeft Geerten aan dat hij zich hierbij heeft moeten beperken tot de van oorsprong Griekse, Latijnse en Italiaanse teksten die in vertaling zijn verschenen bij Athenaeum - Polak & Van Gennep, en dat is jammer, want zo kon het zo maar gebeuren dat (delen uit het) het - volgens de bescheiden mening van de Nieuwsbrief-redactie - briljantste reisboek over Italië, „Etruscan Places” van D.H. Lawrence ontbreekt. Maar dit laatste is slechts een kleine kanttekening: de Nieuwsbrief-redactie kan de bundel van harte aanbevelen aan de talrijken die „De Laars” deze zomer met een bezoek vereren en de wellicht nog talrijkere stakkers die zulks niet doen!
Van geheel andere orde is de bundel „enigszins filosofische essays”, die onder de naam „Stukwerk” verscheen bij Uitgeverij Balans. Ondanks het feit dat Meijsings alter ego Provenier Geerten vanaf blz. 310 letterlijk het graf in schrijft, waarbij hij ons en passant waarschuwt voor het ras der amateurfilosofen, kon de redactie van dit boek van amateurfilosoof Meijsing alleen maar smullen, wellicht niet in de laatste plaats omdat het boek begint en eindigt met de hobby die ons allen verbindt: Bob Evers! Het devies van het boek - op de eerste pagina - is een citaat uit „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen”, een geweldig citaat van De Meester, dat de betekenis van filosofie kernachtig samenvat; in de laatste zin van het boek tenslotte wordt het Bob Evers Genootschap genoemd. Ook deze bundel, niet te verwarren met Meijsings bundel „Stucwerk” (Italiaanse reisimpressies, verschenen in 2001), is een aanrader!

Μπομπ ΄Εβερς, wie kent hem niet?
En om nog even in Meijsing-sferen te blijven: net voor het ter perse - of liever gezegd: ter internette - gaan van de onderhavige Nieuwsbrief is de redactie er bij wijze van spreken met gevaar voor eigen leven in geslaagd om de Griekse vertaling van „De ongeschreven leer” te bemachtigen: Geerten heet nu Χίερτεν Μέισινγκ en zijn boek „Το άγραφον δόγμα”. Neemt u het ons kwalijk, dat onze belangstelling natuurlijk in eerste instantie uitging naar de vertaling van de zin „Kanger vergeleek voor zichzelf deze lijst van werken [die van Plato, Red.] met het corpus van de zesendertig canonieke Bob Evers-boeken (die hij wél allemaal gelezen en herlezen had). Daarbij deden zich dezelfde problemen voor: de volgorde van publikatie was niet dezelfde als die waarin de boeken geschreven waren; sommige delen waren achteraf herschreven, bewerkt, bijeengevoegd, door anderen afgemaakt en vervalst, allemaal dingen die ook met de dialogen waren gebeurd van een man die hij níet gekend had [d.i. Plato, Red.], die zo onduidelijk en dubbelzinnig verborgen was gebleven achter zijn werken, waarin hij nooit met eigen stem sprak.” („De ongeschreven leer”, p. 407, overigens de enige keer dat de naam Bob Evers valt in Meijsings magnum opus)?
Welnu, de vertaalster, Margaríta Bonátsou, heeft zich inderdaad letterlijk aan de tekst gehouden en werkelijk álles letterlijk vertaald, inclusief de mededeling (op pagina 523!!!) dat het boek uit 499 bladzijden, 144.000 woorden en 499 voetnoten bestaat; zo komen we dan te weten dat Meijsing το βραβείο ΑΚΟ (de „AKO-prijs”) heeft gewonnen en dat Bob Evers in het Grieks Μπομπ ΄Εβερς (spreek uit als: „Bob Éwers”; het Nieuw-Grieks kent geen letter „b”) heet; maar of er één Griek is die snapt wie of wat er bedoeld wordt, waagt de redactie te betwijfelen. Misschien wordt het toch tijd om die zesendertig canonieke Bob Evers-boeken dan maar gewoon in het Grieks te vertalen?

(Gast)column.
Ieder half jaar zal iemand met veel kennis van de Bob Evers serie en/of Willy van der Heide worden uitgenodigd om de gastcolumn te schrijven. De eerste keer is dat (vanzelfsprekend) Peter de Zwaan met de column „Mooi geweest”.
Gert Huber heeft zich tot onze vreugde bereid verklaard weer als vaste columnschrijver op te treden. Hij hervat de reeks met „Out of Character”. Beide columns vindt u elders in deze Nieuwsbrief.

Wikipedia”.
Als gepokte en gemazelde Bob Evers-fans kenden wij decennia lang eigenlijk maar één encyclopedie: de „Encyclopaedia Britannica”; sinds enkele jaren werd onze horizon verbreed door het verschijnen van „die andere encyclopedie”, de „Encyclopaedia Apriana”.
Sinds 15 januari 2001 bestaat er echter nog een andere, steeds belangrijker wordende encyclopedie, de „Wikipedia”. Het doel van deze online-encyclopedie is om in elke taal (momenteel 212 talen: stand april 2006) een complete, rechtenvrije encyclopedie op het internet te creëren. Omdat de artikelen door elke bezoeker bewerkt kunnen worden, kan de „Wikipedia” echter geen enkele garantie bieden wat betreft de juistheid van de informatie; een onderzoek door het gezaghebbende blad Nature toonde evenwel aan dat de „Wikipedia” vrijwel net zo betrouwbaar is als Jan Prins’ eigen „Britannica”. Heftige discussies en polemieken waren uiteraard het gevolg van dit onderzoek.
Welk standpunt de lezer in deze discussie ook moge innemen, één voordeel heeft de „Wikipedia” in elk geval boven de „Britannica”: waar de „Britannica” het al sinds haar eerste druk in 1768 moet stellen zonder lemmata als „Willy van der Heide” of „Bob Evers”, zijn er van de inmiddels meer dan 200.000 lemmata in de Nederlandstalige versie van de „Wikipedia” maar liefst vijf gewijd aan „Willem van den Hout” (sinds 31 maart 2004), de „Bob Evers-serie” (sinds 3 april 2004), „ De Gil” (sinds 27 oktober 2005), het „Bob Evers Genootschap” (sinds 21 mei 2006) resp. „Peter de Zwaan” (sinds 29 mei 2006).

Dag van de Jeugdhelden en ...
Een hopelijk bijzonder mooie en hopelijk bijzonder lange zomer staat nog voor de deur, maar alvast verder vooruitkijkend, mogen wij constateren, dat 2007 een mooi jaar belooft te worden!
Vrij veel verenigingen, clubs en organisaties worden de laatste jaren geconfronteerd met teruglopende bezoekersaantallen; lezen we niet meer of hebben de spaarzame, overgebleven lezers geen zin meer om bijeen te komen, bij te kletsen, te kopen en/of te ruilen? In elk geval heeft een aantal verenigingen zich daarom verenigd om in het voorjaar van 2007 (voorlopige datum: 22 april) een mega-beurs te houden onder de noemer „Dag van de Jeugdhelden”.
En dat is nog lang niet alles! 2007 heeft ons op de valreep nog een jubileum te bieden: op 6 december van dat jaar bestaat het Bob Evers Genootschap op de kop af 35 jaar. Een heuglijk feit, dat onverwijld gevierd dient te worden! Houdt u daarom alvast een plekje vrij in uw agenda van 2007 op zondag 9 december voor een tochtje naar Amsterdam: Oude Storting, here we come...
Nadere informatie over beide evenementen zult u op internet en uiteraard in de volgende Nieuwsbrief aantreffen, maar het is wellicht handig om alvast rekening te houden met beide data.


Die eerstvolgende Bob Evers Nieuwsbrief, nr. 28 dus, verschijnt in januari 2007.
Kopij graag inzenden uiterlijk in de maand december 2006 naar nieuwsbrief@apriana.nl.







Mooi geweest
Peter de Zwaan


De serie hield op, de Nieuwsbrief ging door. Dat is mooi, machtig mooi. Vooral voor de fans die bang waren voor cold turkey-verschijnselen: alles in één keer verdwenen, zou er leven zijn na oktober 2003?
Tientallen mailtjes heb ik gehad van lezers die meer wilden dan 50 delen. Hè, toe, eentje dan, wat maakt het uit, een serie mag toch best 51 delen hebben, of 52, desnoods 53 als je ideeën genoeg hebt voor nog een trilogie.
Dat soort vragen kreeg ik. Ze kwamen uit alle delen van het land, ze kwamen ook uit andere werelddelen. Als ik zin krijg in een wereldtoer dan kan ik slapen in de USA, in Canada, in Australië en ergens in Azië, waar precies dat ben ik vergeten, ik ben niet zo’n Azië-persoon.
Ik ben een lui mens, en ik ben een druk mens. Vraag nou niet hoe dat samen kan gaan, het kan, ik ben het bewijs. Ik heb niemand teruggemaild omdat ik lui ben, en heb geheel andere boeken geschreven omdat ik altijd druk ben.
Dat is een van de antwoorden op de vraag: „Waarom ben je opgehouden met Bob Evers.”
Een ander antwoord is: „Ik had een beetje genoeg van gloeiende glorietrein, van ronkende reuzelberg en van zouteloze zuinigheidsmaniak.” Het zijn prachtige alliteraties en ze doen het goed als je ze een beetje handig plaatst, maar na een jaar of tien gaat de vreugde van het bedenken er een tikkeltje af. Het gekke is dat mijn argumenten ook - voor een deel - die van Willem waren toen hij na deel 32 ophield met de serie.
Ik heb hem twee keer voor de GPD-kranten geïnterviewd en ik heb hem gevraagd waarom hij niet doorging. Het belangrijkste argument was „ruzie met de uitgever”, iedere fan weet daar het fijne wel van. Bijkomend was dat hij het met de drie jongens een beetje gezien had. Toen begreep ik daar niet veel van, maar nu, na vijftien jaar B.E.-delen, wel degelijk.
In de ogen van veel lezers zijn schrijvers zeer merkwaardige mensen die in een te kleine kamer te grote gedachten op papier zetten en daarna, moe van het scheppen, aan de drank gaan. En aan de vrouwen als het even kan.
Dat levert een mooi, romantisch beeld op en dat mag best in stand worden gehouden, maar het is wel gierende flauwekul.
Een schrijver is iemand die schrijft zoals een schilder schildert, een bakker bakt, een pooier pooit. Hij doet, kortom, wat hij, gezien de talenten die hij heeft, kan. Als die talenten een beetje de moeite waard zijn dan ontwikkelt hij zich en dan is de kans groot dat hij met enige afschuw kijkt naar wat hij twintig jaar geleden de moeite waard vond. Met Willem had ik daar, maanden na het laatste interview, een lang telefonisch gesprek over. Hij had andere plannen. Of hij ze heeft uitgevoerd dat weten mensen als de Kleppe-brothers en Schenk. Ik hoop het voor hem.
Na jaren van stilte schreef hij alsnog twee nieuwe Bob Evers-delen. Het waren niet zijn beste, een bewijs voor de stelling dat mensen veranderen en dat schrijvers net mensen zijn.
Ik had het, eerlijk gezegd, wel gezien bij deel 50. Ideeën genoeg, dat wel. Ik had al een opzetje voor een trilogie die zich zou moeten afspelen in de Verenigde Staten en Mexico. Op een cruiseschip. Ik heb zelfs een deel van het eerste hoofdstuk in de computer gezet. En weggegooid.
Toen ik opnieuw aan het onderwerp begon ontstond het eerste deel van de Toni en Teo-reeks: „De vierkante man”. Geen drie jongens, maar een broer en een zus op een cruiseboot. Geen trilogie, maar een enkel boek. Gewoon de ideeën samengevat en ingekort.
Zo gaat dat met schrijvers, vrienden van B.E. en ga me nou niet uitleggen dat Willem heel anders in elkaar zat, want dan toon je alleen maar aan dat je weinig van het schrijversvak begrijpt.





Op zoek naar Sjoerd van Hasselt
Bart-Jeroen Hemstra


„Grenzeloos genieten van de Grimbos-trilogie” was de titel van een artikel van Henk Bergman in de Nieuwsbrief van januari 1994. Voor mij heel goed gekozen, want het blijft een feest om het weer eens te lezen en te herlezen. Misschien komt het wel doordat het in een Nederland speelt dat ik weliswaar niet zelf heb meegemaakt, maar me op één of andere manier toch nog weet te herinneren. Of komt het door de levensechte personages, de gemene Hennie Schol (waar we toch medelijden mee hebben als hij zich bij Wachtmeester Van Praay vastkletst) of de inhalige mevrouw Grimbos, die door Arie schaakmat wordt gezet? Of is het gewoon het goede, snellopende en spannende verhaal, af en toe gelardeerd met humoristische zinsneden en situaties?


Sjoerd van Hasselt

Een van de leukere stukken is de verwarring die ontstaat als Jan, Bob en Arie op een groentewagen meeliften uit Zeeland en vervolgens alledrie een andere kant op gaan. Jan gaat achter de huurder van het zomerhuisje aan, Arie achter de Waterjuffer en Bob probeert detective Pijnenborg terug te vinden in Den Haag. Ze spreken af berichten uit te wisselen via een vriend van Jan die in Leiden op een woonboot woont, Sjoerd van Hasselt. Dankzij de inzet van de P.T.T. en de melkboer loopt dit helemaal in het honderd, en ach, als je niet meer weet hoe het afloopt kan ik alleen maar aanraden de hele trilogie nog eens te lezen!


Wat mij altijd heeft verbaasd is dat Sjoerd van Hasselt met naam en toenaam genoemd wordt, inclusief telefoonnummer („K 1710-31707”) en adres. Nu heeft Willy van der Heide natuurlijk wel meer verzonnen , maar ook in „Toen Ik Een Nieuw Leven...” komt van Hasselt weer terug, weer op zijn woonboot met open haard, als intellectueel met een bijzondere muzieksmaak („Sjoerd verdween door een zijdeur en even later hoorden we de start van een Teutoons Requiem voor galmsopranen en kalebas.”). Hij is van plan om met Bob Roes te emigreren naar Hawaiï met een zeiljacht de Willy Waw, ex-Black Witch. Voor de Bob Evers-kenner zijn dit twee bekende namen natuurlijk! Het eindigt er mee dat ze samen niet verder dan Calais komen; daar wordt Bob Roes uitgekocht door Sjoerd die alleen verder trekt. Bob vindt Hawaiï tòch maar verpest door de Amerikaanse toeristen.


Uit het telefoonboek van 1953


De Roussalka in aanbouw op de Bruynzeel-werf.
Sjoerd staat links met aktentas, rechts zijn zuster.

Met dit verhaal in het achterhoofd ben ik eens door de Haagweg in Leiden gereden. Vlak bij de brug liggen diverse woonboten en daar ben ik gestopt om te zien of er een „Roussalka” bij ligt. Het zal niemand verbazen dat dat niet het geval was, zodat ik een bewoner die uit een van de boten kwam aansprak met de vraag of hij iets van een Roussalka wist. Sneller raak dan dit had ik niet kunnen schieten, wat bleek, zijn eigen boot was de Roussalka!! De boot had ondertussen zijn derde opbouw, zodat van de „oude” Roussalka niets meer terug te vinden was. Slechts de onderbak is nog hetzelfde. De naam Van Hasselt was hem niet onbekend, hij had zo’n 50 jaar geleden de boot van Sjoerd gekocht, en enige jaren geleden was Sjoerd met zijn zuster nog eens op bezoek geweest. Hij is inderdaad geëmigreerd, niet naar Hawaiï maar uiteindelijk naar de Verenigde Staten. De huidige bewoner had zelfs enkele foto’s van Sjoerd en van de Roussalka zoals deze er toentertijd uitgezien heeft. Hij wist echter niets van „Klopjacht op een Kapitein” en dat zijn eigen boot daarin figureerde!!



De Roussalka en de Zwarte Heks in Leiden

Na enig spitwerk van zowel mijzelf als twee andere Bob Evers-enthousiasten zijn zowel zijn zuster als Sjoerd zelf opgespoord. Sjoerd is nu ruim in de tachtig en enigszins aan het dementeren. Ook zijn verdere gezondheid is niet al te goed. Hij vond het erg leuk om weer eens iets uit Holland te horen, helaas zei de naam Willy van der Heide (evenmin als Willem Waterman of Willem van den Hout) hem niets en wist hij niets van twee boeken waarin hijzelf prominent figureerde. Uiteraard is een „Klopjacht op een Kapitein” en een „Toen Ik Een Nieuw Leven...” naar hem opgestuurd. Daardoor zijn er nu enige exemplaren van „Klopjacht” met de handtekening van Sjoerd Folkert Willem van Hasselt en zijn Ex-Libris!


Van zijn eigen omzwervingen hebben we het een en ander van zijn zuster gehoord. Hij studeerde Russisch in Leiden en sprak daarnaast vloeiend Frans, Duits, Engels, Pools en Spaans. Speciaal voor zijn studie in Leiden is op de Bruynzeel-werf de Roussalka gebouwd. Het bijzondere aan de boot waren de ronde raampjes aan de korte zijde en aan de landzijde. Zijn zeilboot heette Zwarte Heks (dus niet Black Witch!) en hij is in 1953 vertrokken. Aan boord was een kat Nelson; op de kombuistafel stond een klein zwart heksje. De reis ging niet naar Hawaiï maar via Curaçao naar de Verenigde Staten. Uiteindelijk is voor Venezuela zijn boot in een storm op de kust geslagen en verloren gegaan. Daarnaast was het niet Bob Roes maar een Reinier van Ranselaar die met hem emigreerde en hem niet in Calais maar op Curaçao uitkocht. Zou dit de Reinier zijn die ook in „Toen Ik Een Nieuw Leven...” figureert?


Sjoerd staat geheel rechts.
Let op de schoorsteen!

Willy van der Heide weet zoveel details te vertellen die helemaal of bijna helemaal kloppen dat het onwaarschijnlijk is dat ze elkaar niet gekend hebben. De Zwarte Heks, de woonboot-met-open-haard, de emigratie, de BMW-motorfiets (die eigenlijk een Vespa-scooter was), de hond Prim (die een spaniël blijkt te zijn geweest), zelfs het fietsenhok waar de melkboer zijn flessen melk („twee flessen gewone melk, een flesje koffieroom en een liter chocomel”) op zette zijn terug te vinden. Helaas zijn de meeste betrokkenen overleden en is Sjoerd in een dermate slechte gezondheid dat we de waarheid niet meer zullen kunnen achterhalen.





Roken
Marie-José van den Hout


’n Paar weekjes geleden zat ik in een duur, Schevenings restaurant, aan tafel met een oude vriendin, die was komen overwaaien uit het buitenland. Ze is een ware kettingrookster, dus namen we plaats in het rokersgedeelte. Ikzelf vind het een vreselijk iets - iemand die rookt tijdens het eten, maar goed, ik wil ook niet altijd spelbreekster zijn. In de tijd dat ikzelf nog rookte, heb ik dat nooit gedaan tijdens een maaltijd, zoiets bederft gewoon je smaakpapillen, en daar ben ik een te grote fijnproefster voor.
Bijna naast ons, aan een belendend tafeltje, zaten drie oudere dames, in gezelschap van een weliswaar ook wat oudere heer, maar het viel me op dat hij bijzonder smaakvol gekleed was, met het gesoigneerde uiterlijk, waar ik nu eenmaal niet ongevoelig voor ben. Alle vier waren in een geanimeerd gesprek gewikkeld.
Toen mijn vriendin en ik zowat halverwege de maaltijd waren - we hadden ook best wel een en ander te bespreken - zag ik uit mijn ooghoek enige agitatie ontstaan aan en om het tafeltje dicht bij ons.
Plotsklaps schoof de heer in kwestie zijn stoel ietwat achteruit, ging in een nogal militair aandoende, stramme, houding staan, knoopte zijn jasje dicht en zette koers naar ons.
Het was een leuke pief, zoveel is zeker, open gezicht, en een schitterende bos haar.
Bij ons tafeltje aangekomen, maakte hij een lichte buiging, keek mij aan en zei:
„Na langdurige beraadslaging met mijn vriendinnen, zou ik u willen verzoeken het roken te staken. Het komt op ons zeer onaangenaam over.”
Ik was met stomheid geslagen.
Niet alleen was niet ik degene die rookte, maar mijn tafelgenote.
Verder hadden we nou juist daar plaats genomen waar het roken toegestaan was.
Ik keek maar eens naar mijn vriendin, hoe die op de situatie zou gaan reageren, ondertussen wat kruimelend met mijn brood.
Maar eerst moest ik een en ander voor haar vertalen, want als rasechte Parisienne spreekt ze natuurlijk nauwelijks een andere taal dan Frans, laat staan Nederlands. Echter, buiten het gebruikelijke „euh...” om wat tijd te winnen, kwam er nauwelijks iets zinnigs uit, dus besloot ik maar op te treden en vertelde de man dat wij nou juist hier plaats genomen hadden, omdat dit een rokersgedeelte was.
Hij putte zich uit in verontschuldigingen en verdween precies zoals hij gekomen was, in stijl.

En wat lees ik in de NRC?
Roken maakt je huid grauw en rimpelig en dat geeft je die mooie doorleefde uitstraling.
Mensen nemen je daardoor sneller serieus en dat vergroot je sociale status en de kans op een rijk en meeslepend leven.
www.lekkerroken.nl - En omdat ik heden in zo’n prima bui ben, de zomer eindelijk daar is, en jullie een warm hart toedraag, wilde ik jullie, Nieuwsbrieflezertjes, deze anekdote niet onthouden.
Maar mijn echte vraag is eigenlijk: Willem die de ene sigaret na de andere opzoog (letterlijk zoog) - hij lurkte niet, nee hij zóóg... om over vrouwen en zo nog maar te zwijgen... waarom zijn deze zaken zo duidelijk afwezig in de JBA-boeken - heeft iemand hier een verklaring voor?
Het kan toch niet zo zijn dat dit uitsluitend uit pedagogische overwegingen is?
Ook ik groet jullie diep.







Out of Character
Gert Huber


Net zoals in vele andere (jeugd-)boeken heeft het drietal, dat de hoofdrol speelt in de Bob Evers-serie, duidelijke en in het algemeen onwrikbare karaktertrekken. Het aardige van deze boekenreeks is dat de jongens af en toe deerlijk uit hun rol vallen, wat ze herkenbaar en realistisch maakt en bovendien vaak komische momenten oplevert.


In een enkel geval levert het echter in mijn ogen onverkwikkelijke passages op. Als duidelijkste voorbeeld schiet mij Arie’s macho-gedrag in de „Lotgevallen” te binnen, waar hij als een jonge, corpulente uitgave van Dick Bos de agressie van een doorgeschoten mijnwerker middels oosterse zelfverdedigingstechnieken pareert. Het contrast tussen de domme kracht van de agressieve woesteling en de zelfbewuste, intelligente en beheerste houding van de sproetmop is bepaald te groot en wordt beschreven in een kinderlijke zwart-wit-stijl die stellig onder het gebruikelijke niveau van de schrijver ligt.

Onlangs bezocht ik een mastenmakerij en moest direct denken aan een van mijn favoriete out-of-character-passages: Het betreft Bob die, geheel tegen zijn gewoonte, blundert in een technische kwestie. Hij oppert de mogelijkheid om smokkelwaar te verbergen in de ruimte die ontstaat door het uithollen van de houten mast van een zeilboot. Nadat Arie op uitbundige wijze gewezen heeft op de praktische bezwaren van een dergelijke ingreep, gezien het effect dat deze zou hebben op het zeilgedrag van de toegetakelde boot bij een flinke bries, stelt Jan dat het natuurlijk wel zou gaan met een metalen mast. Met het schaamrood al op de kaken grijpt Bob zonder nadenken deze reddingsboei door te zeggen, en wel in strijd met de waarheid, dat hij zulks ook bedoelde. Deze wat doorzichtige uitvlucht wordt briljant doorgeprikt door Arie: „Natuurlijk, een metalen mast koop je massief en je holt hem daarna uit.” Het is een prachtige scène, een van de weinige waarin onze yank uiterst menselijk en herkenbaar gedrag vertoont - doorgaans is hij nogal kleurloos.

Uiteraard komen de andere twee ook aan bod: Zo begaat slimme Arie een stommiteit (of heeft stomme pech, het is maar hoe je het bekijkt) door niet aan onder water hangende koffers te denken, zodat de trilogie niet door het ontijdig veroveren van de schat vóór het derde deel ten einde loopt, en wil de zuinige Jan een enkele maal met geld smijten, waarop door lompenhandelaars anders gereageerd wordt dan verwacht.

Om het verrassingseffect van het niet-voldoen aan het verwachtingspatroon mogelijk te maken, moet dat verwachtingspatroon eerst geweven worden en dienen er beslist niet te veel uitzonderingen daarop zijn. De schrijver heeft dat uitstekend begrepen: Uitgebreid en regelmatig worden de basiskaraktertrekken van de jongens beschreven en, ook al zie je ze bij zorgvuldige lezing wel vaker uit hun rol vallen, dit laatste facet wordt slechts een enkele keer breed uitgemeten.

De hierboven geschetste situatie doet zich niet alleen voor bij de hoofdpersonen, maar ook bij veel bijfiguren: Zo doen slimme FBI-agenten af en toe heel domme dingen en zelfs Specs (de enige man ter wereld die zijn bril niet schoon of droog veegt maar het waterlaagje regelmatig over deszelfs glazen verspreidt) begaat als intelligente meesterinbreker een stommiteit door de opperboef te bedriegen.

Zijn er personages met werkelijk onveranderlijke karaktertrekken? Wellicht vinden we die vooral bij de boeven, domme gangsters die niet van hun fouten leren - hoe kun je anders verklaren dat na een serie confrontaties tussen het drietal en de handlangers van Dalmonte, tijdens de ontknoping in Hongkong, twee grimmig kijkende kerels alleen maar „een soort jongen” aan het stuur zagen in plaats van de hen, of hun opdrachtgever, bekende Jan?





Baasje pesten...?
Roger Schenk


Krijgen jullie op je werk nou óók wel eens rare en voor normale mensen onbegrijpelijke orders van jullie meerderen? En hebben jullie nou óók wel eens de natuurlijke neiging om diezelfde meerderen terug te pakken, maar dan natuurlijk wel op zo’n subtiele manier, dat ze jullie niets kunnen maken?
Om zo subtiel te werk te gaan, is welhaast een Arie Roos-achtig brein nodig. Of... misschien wel dat van Arie Roos’ geestelijk vader?
Willem van den Hout werd in 1936 aangenomen als sous-chef van Philips Persbureau te Eindhoven; terzelfder tijd werd zijn belangstelling voor de journalistiek gewekt: in het Noordbrabantsch Dagblad en Het Huisgezin verschenen Willems eerste pennenvruchten in de vorm van korte verhalen en kruiswoordpuzzels.
Voor de publicatie van zijn eerste boek, „Een woestijn raakt zoek”, in 1938 (of 1939?), werd Willem te verstaan gegeven dat de firma Philips het niet op prijs stelde als medewerkers niet-vakspecifieke boeken onder hun eigen naam publiceerden. Willem - in zijn jonge jaren Willy genoemd, zoals we weten dankzij zijn ex-klasgenoot G. Lando („Hoe „Willy” een groot schrijver werd” in Nieuwsbrief nr. 1) - zocht en vond het pseudoniem Willy Waterman.
Op een vraag van Willems zus Marie-José antwoordde hij jaren later dat hij aan die naam was gekomen omdat waterman de ascendant van zijn sterrenbeeld was (en weer jaren later zou Willems zoon Constantijn ontdekken dat waterman allerminst Willems ascendant was), maar zoals zoveel verhalen van Willem is het nog maar de vraag of dit wel waar is. Willem voegde er nog aan toe, dat de naam Willem W. Waterman zo lekker bekte, vooral met het oog op de Amerikaanse markt. Allemaal goed en wel, maar hoe kwam hij aanvankelijk bij Willy Waterman en waarom zou je rekening houden met een Amerikaanse markt, als je pas 3½ decennium later je eerste boek („The House of Pain”, i.s.m. Monique von Cleef) op die Amerikaanse markt brengt?
Wat we in elk geval wèl zeker weten, is dat een van Willems superieuren bij Philips luisterde naar de naam Willem Jacques Waterman, en nu komen we natuurlijk op het punt, waarop we Willems briljante gevoel voor humor en subtiliteit niet onder stoelen of banken hoeven te steken: mogelijk was deze Willem Jacques Waterman nou net degene die Willem van den Hout de opdracht had gegeven om zich van een pseudoniem te bedienen! Denk je de mop eens in: Willem voldoet keurig aan de opdracht van zijn superieur Waterman: hij heeft een pseudoniem en hij heeft zijn chef te pakken, want hij heeft volkomen aan de opdracht voldaan: de bekende twee vliegen in één klap!

Het zou natuurlijk te zeer opvallen en te direct worden, indien Willem zich van meet af aan Willem W. Waterman had genoemd; zijn eerste boeken verschenen dan ook onder de naam Willy Waterman; pas later, toen hij geen rekening meer hoefde te houden met de echte Waterman - vanaf 1 april 1939 was hij werkzaam bij de Netherland’s Publicity Service N.V. Sellmore te Amsterdam -, verving hij die naam door het in Nederland wereldberoemde pseudoniem Willem W. Waterman, dat inderdaad beter klinkt.
De echte Willem (Jacques) Waterman werd op 12 januari 1895 te Arnhem geboren; vanaf 1918 was hij werkzaam bij Philips, aanvankelijk als bureauchef, later als procuratiehouder en sinds 1929 directeur van de Verkoopafdeling Nederland en Koloniën. Van zijn hand verschenen diverse publicaties over verkoopkunde, reclame („onze” Willem werkte op de afdeling reclame!) en verlichting. Of, wanneer en waarom hij is overleden, is onbekend.


Willem Jacques Waterman






Willem W. Waterman en zijn radiowerk in den oorlog 1940-1945
Ton Kleppe


Een niet uitputtende verhandeling over Willems activiteiten bij de radio in oorlogstijd, waarbij in het bijzonder aandacht wordt geschonken aan de Radio Gil-club en aan Fernandina de Marez Oyens, die de teksten voorlas.

Wilhelmus Henricus Maria van den Hout a.k.a. Willem W. Waterman, Willy van der Heide enz. enz. (we zullen hem in het vervolg kortheidshalve Willem noemen) was als schrijver van boeken en krantenartikelen kort voor de oorlog en aan het begin van de oorlog al enigszins bekend.

De Nederlandsche Omroep (N.O.) die gedurende de oorlog alle radio-uitzendingen verzorgde, stond in die tijd onder controle van de Duitse bezetter.
Dit verhinderde onze Willem niet om medio 1941 die organisatie zijn diensten als tekstschrijver aan te bieden.
In een brief van de N.O., gedateerd 18 november 1941, aan Willem staat het volgende:

….. „het voorstel door ons aan U gedaan is in principe accoord bevonden. Alvorens echter tot definitieve aanstelling te kunnen geraken, acht de directie het gewenscht eenig proefwerk van U te zien. Twee korte teksten van 3 minuten in het kader van „Met Duitschland voor een nieuw Europa” en „Met Duitschland voor een vrij Nederland”, voorts 2 hoorspelletjes van 15 à 20 minuten met een actueelen of beleerenden inslag”.

Tot zover een fragment uit de brief van de Nederlandsche Omroep.

Dat deze proefwerken tot volle tevredenheid van de directie van de N.O. uitvielen, valt aan te nemen, want vanaf dat moment rolden de teksten uit Willems schrijfmachine en vonden wij
¹ een groot aantal titels van luisterspelen met allerlei fantasierijke namen. Voorts kwamen wij enkele manuscripten tegen, waarover verderop meer informatie.
Om u enigszins een idee te geven van de aard van de luisterspelen noemen we hier de titels van een aantal producties:
-

tekst voor „De romance van den reclamechef
(maandag 29 juni 1942, honorarium ƒ 37,50)

-

tekst voor „De ware Bohémien
(vrijdag 31 juli 1942, honorarium ƒ 40)

-

tekst voor „Kareltje Karper’s liefdesdrank
(maandag 3 augustus 1942, honorarium ƒ 37,50)

-

tekst voor „De martelgang van Britsch voor Indië
(dinsdag 2 februari 1943, honorarium ƒ 100)

-

tekst voor „Churchill’s 2e front
(vrijdag 12 maart 1943, honorarium ƒ 65)

-

tekst voor „Rotterdam rouwt
(woensdag 7 april 1943, honorarium ƒ 70)

-

tekst voor „O jeugd O zeden
(zaterdag 29 mei 1943, honorarium ƒ 75)

-

tekst voor „Moordenaar in den trein
(vrijdag 9 juli 1943, honorarium ƒ 75)

-

tekst voor „Een gelukkig kapitein van een gelukkig schip
(45 minuten, zondag 22 augustus 1943, honorarium ƒ 135)

-

tekst voor „De moord in het warenhuis
(15 minuten, vrijdag 3 september 1943, honorarium ƒ 37,50)

-

tekst voor het filmprogramma „Liebesgeschichten
(60 minuten, vrijdag 17 september 1943, honorarium ƒ 112,50)

-

tekst voor „Roep inspecteur Van Gaalen en het komt in orde
(30 minuten luisterspel, vrijdag 10 december 1943, honorarium ƒ 90)

-

tekst voor het luisterspel „De president verliest wel zijn haren maar niet zijn streken
(5 minuten, zondag 6 februari 1944)

-

luisterflits „De tragedie van het Amerikaanse gezin
(15 minuten, honorarium ƒ 50)

-

De dictatrice van Hollywood” door Willy van der Heide, in de serie: „Amerika, het land der onbegrensde waanzinnigheden
(script van 18 getypte bladzijden voor luisterspel) ²

-

teksten voor Cabaret De Spinnekop

-

teksten voor heel veel raadselrubrieken


Alles bij elkaar troffen wij betalingsbewijzen van de N.O. aan met de titels voor ongeveer 100 producties, waarvan bij enkele de opmerking voorkwam „in portefeuille” en bij enkele stond vermeld: „afgekeurd”

Het honorarium per stuk voor al dit werk varieerde van ƒ 15 voor: „Wij zijn samen 63 jaar”, uitgezonden van 18.40 - 19.00 uur op 3 april 1943 tot ƒ 285 voor de tekst van: „Klaar voor opname - draaien”, uitgezonden van 15.00 - 16.45 uur op 15 januari 1943. Voor die tijd behoorlijk hoge bedragen.

De eerste radiotekst die wij tegenkwamen, is uitgezonden op 6 januari 1942 en de laatste tekst (exclusief Radio Gil-club) voor een uitzending op 3 juli 1944.
Voor zover je uit de titels kunt afleiden besloegen de werken van Willem een breed spectrum. Detectiveverhalen, kolder, humor, cabaret, raadsels, maar vermoedelijk ook (versluierde) propaganda voor de bezetter.
Opmerkelijk is aan de andere kant de navolgende reactie van de Nederlandsche Omroep, gedateerd 25 januari (geen jaartal genoemd): „….. dit luisterspel is niet voor uitzending geschikt, omdat het nationaal-socialisme propageren in een paaseispelletje zeer gevaarlijk is.”
Deze negatieve reactie had betrekking op een manuscript van 18 bladzijden voor een luisterspel met de titel: „Onbekend maakt onbemind” ofwel „De fabel van het wonderlijke paasei”.

Wij kwamen nog twee andere manuscripten tegen.
Het eerste met als titel: „Ga heen en doe het” met als ondertitel „Practische uitwerking van het leidersbeginsel” door Willem W. Waterman, bestaande uit 48 getypte en gecorrigeerde foliovellen. Het is niet zeker of dit manuscript als luisterspel is uitgezonden.

Het tweede manuscript had de titel „De avonturen van Waltertje Waerachtig en den wilden waman, een zeer onderhoudend verhaal voor Jong en Oud”, bestaande uit 45 getypte en gecorrigeerde bladzijden.
Dit manuscript is inmiddels in 2001 uitgegeven door Uitgeverij Flanor en ingeleid door Gerard Groeneveld.

Na het stopzetten van De Gil als krant kon Willem zich gaan uitleven in de radio-versie, met de naam Radio Gil-club. De Radio Gil-club was een ingewikkeld programma met dien verstande dat het gemakkelijk verkeerd kon worden opgevat of in ieder geval twijfel probeerde te zaaien. Het was een combinatie van propaganda, het belachelijk maken van de NSB, kritiek op de Nederlandse regering in ballingschap, en het uitspelen van de geallieerde bondgenoten, dit alles overgoten met een aantrekkelijk sausje van in de oorlog verboden jazzplaten. Kortom een bizar en tegelijk kolderiek programma.

In diverse interviews (na de oorlog gehouden) in bladen beweerde Willem dat via het programma codes voor de geallieerden werden uitgezonden.

In diverse officiële stukken wordt daarover het volgende door Willem verklaard:

„Ik heb de Radio-Gil niet op eigen gezag op mij genomen, maar in overleg met de G.D.N. (Geheime Dienst Nederland); Jager (die zich toen nog als mijn vriend voordeed) heeft mij aangemoedigd ermede door te gaan onder voorwendsel dat hij namens de Amsterdamse illegaliteit sprak; toen ik er mede ophield, zette Jager zelf de uitzendingen in elkaar; ik zorgde ervoor dat de gevaarlijkste exemplaren van de bij de Radio Gil binnenkomende brieven werden verbrand.”


„Ik had er een sportief genoegen in het Duitsche spel te doorkruisen en hun bouwsels van binnenuit te sloopen.”


De Radio Gil-club werd 1 tot 4 keer per week uitgezonden.
Wij hebben een groot aantal bladzijden met tekst aangetroffen voor diverse uitzendingen, de meeste ongedateerd.
De eerste tekst voorzien van een datum was van 16 september 1944 en omvatte 6 bladzijden.
De laatste gedateerde productie was gedateerd 18 april 1945.
De getypte vellen waren hier en daar met de pen gecorrigeerd en het karakteristieke blokschrift van Willem was goed te herkennen.
Wij telden in totaal de teksten voor 28 programma’s.

Brieven met reacties konden worden geschreven naar Postbus 2 te Hilversum. Hier werd veel gebruik van gemaakt. Wij kwamen zo’n 200 brieven en kaarten tegen van luisteraars.
Dat het merendeel van de luisteraars toch wel door had dat het niet helemaal pluis zat met die Radio Gil-club, bleek wel uit het feit dat vrijwel alle schrijvers van brieven anoniem inzonden of ‘fancy’ namen gebruikten. Zoals: Donald Duck, Dick Bos, Hot Jazzer, een Oranje klant, Al Capone enz. enz.
Behalve de brieven met aanvragen voor verzoekplaten en reacties op de inhoud van het programma, was er ook persoonlijke post voor Nan de Marez Oyens, die de naam Leonie Miller in de uitzendingen gebruikte.
Wat te denken van het volgende:

„’s-Gravenhage, 2-11-1944

Dear miss Miller,

Toen u gisteravond over uw mooie benen sprak, deed bij mij en denkelijk menig ander manlijke luisteraar het gemis aan televisie [cursief van mij, TK] zich erg gevoelen.”


Nan de Marez Oyens las dus onder de naam Leonie Miller de teksten voor. Zij kreeg ook minder complimenteuze brieven, hieronder enkele voorbeelden:

-

„wees intussen verzekerd van onze dank, we zullen het bij je dood goedmaken door brandnetels op je kist te gooien.
w.g. twee onderduikers”

-

„en keep smiling ook al ben je kaal geschoren.”

-

„of is deze plaatjes-draaierij bedoeld als blikvanger voor de hatelijkheden die U zo nu en dan lanceert? Wat heeft Bing Crosby b.v. te maken met Walcheren? Wat heeft het zingen van de knappe Amerikaanse Conny Boswell te maken met de door U zo verfoeide geest van de Engelsman?”


In haar verklaring, gedateerd 3 december 1946, zegt zij over haar deelname aan de Radio Gil-club o.a. het volgende:

„Van den Hout was een kennis en vroeg mij of ik mee wilde doen aan een zot plan zoals hij er zovele had. De opzet voor de Gil-club was afkomstig van de illegaliteit, zei hij. Ik geloofde hem op zijn woord omdat ik overtuigd was van zijn goede Nederlanderschap.
Rond de chaos van Dollen Dinsdag schreef ik samen met Wicher Jager enkele programma-teksten, waarover Willem, naar hij later zei, tevreden was.”


Wij hebben alweer een tijd geleden contact met mevrouw De Marez Oyens gezocht om het verhaal uit haar eigen mond op te kunnen tekenen, maar vooral om wat zij over Willem zou kunnen vertellen.
Mevrouw De Marez Oyens wilde geen persoonlijk onderhoud, maar stemde uiteindelijk toe in een vraaggesprekje per telefoon dat op 11 maart 1996 kon worden gehouden; zij was toen 78 jaar. Hoewel haar stem heel helder klonk en zij soms alert reageerde („Waarom wilt u dit allemaal weten?”), wist zij zich over het algemeen zeer weinig te herinneren en kon op weinig vragen een antwoord geven.
Haar verhaal kwam er op neer dat zij, vanwege haar goede kennis van de Engelse taal, door Willem gevraagd was als presentatrice.
Dat zij, wonende in Amsterdam, een paar keer per week naar Hilversum reisde, in de studio Willem ontmoette, en de teksten voorlas.
De indruk die Willem op haar maakte, was die van een uitermate charmante en geestige man.
Verder wist zij niet dat Willem illegaal werk verrichtte en wist zij evenmin van zijn latere detentie. Dit zijn de voornaamste wetenswaardigheden uit het „interview”.

Fernandina Weckerlin-de Marez Oyens scheidde in de oorlog van de Duitser Weckerlin, en heette toen dus weer De Marez Oyens. Zij huwde na de oorlog met Joop van den Hout, de broer van Willem, en heette toen dus Van den Hout-de Marez Oyens, en werd daarmee het schoonzusje van Marie-José van den Hout.
Toen wij mevrouw De Marez Oyens spraken, was haar naam inmiddels Kersten-de Marez Oyens.
Zij overleed in december 2003 op 85-jarige leeftijd.


Foto van Nan de Marez Oyens (* 06 mei 1918 , † 28 december 2003) en haar tweede echtgenoot, Joop (Johannes Henricus Maria) van den Hout (* 23 mei 1920 , † 10 juni 1975), Willems broer. Het huwelijk vond plaats op 1 maart 1949 (maar werd ontbonden in (?)).
We zien het paar hier lopen vóór het inmiddels verdwenen Restaurant „Den Hout” (!), in de buurt van het vroegere station Den Haag Staatsspoor.
De foto is welwillend ter beschikking gesteld door Marie-José van den Hout.

Dit artikel wordt besloten met Willems conclusie uit het 30 bladzijden omvattende verweerschrift, gedateerd 1 maart 1948, en geschreven vanuit de cellenbarakken in Scheveningen.

„Mijn persoonlijke conclusie:
Ik ben onvoorzichtig geweest, doch ik was IN GEEN ENKEL OPZICHT, noch in geest, noch in handelingen, fout. - Zijn er dus handelingen verricht, op eigen initiatief, en volgens eigen inzicht, met de beste bedoelingen, dan treffen de kwade gevolgen van deze onvoorzichtigheid alleen mijn persoon en mijn gezin. Van de gunstige resultaten van mijn werk hebben anderen geprofiteerd.
w.g. W.H.M. van den Hout”


N.B.
Geen aandacht is geschonken aan ander mogelijk radiowerk van Willem voor Radio Arnhem, voor de Golden Pirateclub en voor de zender S-2.

Bij deze Bob Evers Nieuwsbrief zijn drie geluidsfragmenten gevoegd van uitzendingen van de Radio Gil-club.

¹     Hans en Ton Kleppe, archiefonderzoek
²     Deze tekst verscheen later, in bewerkte vorm, in het blad „Flits” (De opvolger van „De Drie-Stuivers-Roman”), 2e jaargang, nr. 29





Onder het vergrootglas (nieuwe serie 1) :
Jan Prins vastgebonden

Geerten Meijsing


          Vraagt men zich af welke van de drie vrienden het meest vrouwelijk is, Bob, Arie of Jan, dan zal iedereen daarop hetzelfde antwoord geven. Jan, natuurlijk. Die is secuur, verzorgt zijn uiterlijk bijna overdreven goed, is netjes met zijn kleren, etc. Jan Prins is de enige van de drie vrienden die geen moeder meer heeft; de suggestie is misschien zelfs dat die in het kraambed is gestorven. Dat moederloze opgroeien zal een psychische druk op de jongen gelegd hebben. De huishoudster van Kolonel Prins, Marianne, kan, hoe zorgzaam ze ook is, natuurlijk allerminst de moederrol vervangen.
          Het is merkwaardig om te zien hoe consequent Willy van der Heide, waarschijnlijk onbewust, de vrouwelijke invulling van Jans karakter heeft volgehouden door de hele serie. Een hoogtepunt daarvan is misschien de verwarring waaraan Jan Prins ten prooi valt in het Mexicaanse avontuur als hij op een afspraakplekje voor amoureuze ontmoetingen met een bos bloemen in de hand de Mexicaanse handlanger van Peraira moet lokken.
          Hoe dat ook zij, ik wil het over vastbinden hebben. Er wordt in de avonturen van de jongens buitenmatig veel gekneveld. Willy van de Heide moet bepaald een obsessie met deze vorm van bonding hebben gehad, zoals moge blijken uit zijn onder het pseudoniem van Waterman gepubliceerde „The House of Pain. The Memoires of Monique van Kleef”. Er zou een hele lijst aan te leggen zijn van knevelscènes: ik denk aan Arie en Bob in de muziekkelder van Kresse aan de Koninginnelaan in Amsterdam; aan de vastgebonden Jerry Fuller (Miller) in het huis aan het kanaal van Brussel naar Antwerpen, terwijl de hele hens in de fik gaat; aan de vastgebonden Bob in een van de Paddestoelenhuisjes aan de Kaag... De reeks is schier eindeloos. De lezer krijgt hier handige tips over touw, knopen, de werking van leer en ijzerdraad - het gaat allemaal boven het kennisbereik van een zeeverkenner uit en is eerder een boeienkoning waardig. Ik denk niet dat er andere avonturenboeken bestaan waarin zo consequent mensen vastgebonden en gekneveld worden, zowel de drie jongens door allerlei boeven, als boeven door de drie jongens.
          Nu zijn er twee scènes waarin een van de jongens bijna uitzichtloos, zonder kans op bevrijding, vastgebonden wordt, en niet toevallig is dat in beide gevallen Jan Prins!
          De eerste scène is wanneer Jan in ‘De Zeven Zaligheden’ aan de poten van een sofa is vastgebonden.
          Geen kans dat Jan uit deze toestand los kan komen. Niemand weet waar hij is. Als Bob het pleintje bij de Oude Zijds Kolk in Amsterdam niet ontdekt had doordat hij de auto van Hennie Schol cum suis herkend had...
          De beroemdste knevelscène is ongetwijfeld die waarbij Jan Prins wordt vastgebonden in het kantoortje boven de kroepoekfabriek in de Bethaniënstraat. Geen kans om los te komen. De jongens hadden afgesproken in het Noord-Zuid-Hollandsch Koffiehuis tegenover het CS van Amsterdam. Het wordt almaar later. Jan komt niet opdagen. Hij belt ook niet waar hij is. Om de situatie kracht bij te zetten wordt het noodweer, als Arie begint te zoeken. Voor het eerst overeet Arie zich in een Chinees eethuisje in de Binnen Bantammerstraat vlak om de hoek.
          Bladzijden lang trekt Van der Heide uit voor de ingenieuze wijze waarop Jan weet vrij te komen, met behulp van de losgewerkte elektriciteitsdraad van het kacheltje. Dat duurt uren. Maar met uiterst geduld en enorme volharding lukt het hem vrij te komen. Dat was Arie in zijn eentje nooit gelukt. En Bob - die speelt nu eenmaal een onnozele bijrol in de verhalen. Hij is geen afsplitsing van de dubbele persoonlijkheid van de schrijver zelf, die daarvoor Arie en Jan gebruikt.
          Volgens mij is het niet verwonderlijk dat juist Jan zo erg in het nauw wordt gebracht. Hij vertegenwoordigt de vrouwelijke kant van Willy van der Heide. Misschien had die een geheime neiging om zelf zo vastgebonden te worden, overgeleverd aan de genade van anderen. Anderszins was het misschien een kick voor hem, in de andere rol van de bonding, om de meest vrouwelijke van zijn personages zó in nood te brengen. Als schrijver kon hij immers zelf voor verlossing zorgen. Maar zijn personages zijn inmiddels in die mate zelfstandige karakters geworden dat Jan het schier onmogelijke tot stand brengt. De passage is een hommage aan Jan. Míjn lievelingsfiguur en kennelijk ook die van Van der Heide. Als die een beetje méér Jan had kunnen zijn, en wat minder Arie...
          Maar dan was de figuur van de schrijver niet zo kleurrijk geweest.






Nieuwsbrief 26
Nieuwsbrief 27 als pdf
Nieuwsbrief 28
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina