Nieuwsbrief 28

Nieuwsbrief 29
als pdf

Nieuwsbrief 30

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana

Nieuwsbrief nr. 29
ISSN 1386-6451
juli 2007 - 14e jaargang nr. 2



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe en Roger Schenk, buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Jacoba van Heemskerckstraat 7, 3351 SP PAPENDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieTon Kleppe & Roger Schenk
(Gast)column: De glazen bol van La Paraquita revisitedFoeke Zeilstra
Winchester Model US 1917Rudy H.G. Koster
BidprentjesMarie-José van den Hout
Brief aan Martin RosW.H.M. van den Hout & John Beringen
Een computer met gevoel voor humorMarie-José van den Hout
Verslag van de eerste „Dag van de Jeugdhelden”Roger Schenk
Bob Evers en zijn beide geestelijke vadersRoger Schenk
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 2) : SlapstickGeerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Ton Kleppe & Roger Schenk


35 jaar Bob Evers Genootschap!
Op 6 december 2007 bestaat het Bob Evers Genootschap op de kop af 35 jaar. Op zondag 9 december a.s. zal dit heuglijke feit gevierd worden in Amsterdam.
Het dagprogramma zal enkele daverende verrassingen bieden, maar een belangrijk onderdeel van het programma wordt hieronder alvast aangekondigd door Ton:

Spectaculaire veiling van unieke boeken op 9 december 2007
Wij kunnen u alvast informatie verstrekken over een onderdeel van het veel omvattende dagprogramma van 9 december 2007 te Amsterdam.
In de loop van die dag op een nu nog geheime, maar later bekend te maken locatie in Amsterdam, zal de boekencollectie van
Peter de Zwaan worden geveild.
Hieronder zijn enkele uiterst zeldzame boeken en de meeste boeken verkeren in nieuwstaat.
De boeken die door Peter de Zwaan zijn geschreven zijn door hem gesigneerd.
Topstukken voor de veiling zijn de drie Zuid-Afrikaanse delen:
•     „Avonture in die Stille Suidsee
•     „Drie Seuns op ’n Onbewoonde Eiland
•     „Die Stryd om die Goudskip”.
Verder noemen wij nog de in plastic verpakte hardcovers Omnibus I en II (4x) en de eveneens nog in plastic verpakte exemplaren van de speciale jubileumuitgave van deel 50 (3x). Verder „De aanval der Atoompiraten” (2x) in nieuwstaat, „De roof van de Sabijnse maagden”, „De smokkelvaart van de Maia” (2x), Bob Evers hardcovers met en zonder stofomslag, enz. enz., te veel om op te noemen. In totaal ruim 100 boeken, voor elck wat wils. Het zijn lang niet allemaal dure boeken; wij zorgen ervoor dat een aantal boeken voor zeer redelijke prijzen kunnen worden aangekocht. Alles gaat weg!
Alleen deze veiling is al voldoende reden om op 9 december naar Amsterdam te gaan...

... maar waar moeten we zijn en hoe komen we daar?

Om 11 uur zal het dagprogramma een aanvang nemen, en wel in het bekende, zowel ooit door Willem van den Hout als heden ten dage door diens zoon Paul gefrequenteerde Café De Oude Wester, Rozengracht 2, 1016 NB Amsterdam.
Amsterdam is van oudsher het best bereikbaar met het Openbaar Vervoer; vanaf Centraal Station kunt u tram 13 (richting Geuzenveld), 14 (richting Slotermeer) of 17 (richting Osdorp Dijkgraafplein) nemen, dan wel bus 170 (richting Uithoorn) of 172 (Kudelstaart). De redactie raadt degenen die toch met de auto willen komen, bijvoorbeeld omdat zij boeken om te verkopen of te ruilen bij zich hebben, hetgeen iedere rechtgeaarde Bob Evers-fan natuurlijk alleen maar kan toejuichen, deze - gratis, hetgeen iedere rechtgeaarde nazaat van Jan Prins natuurlijk alleen maar kan toejuichen - bij het café bij de Bosbaan te parkeren en vervolgens vanaf de Amstelveenseweg eveneens (doch in omgekeerde richting, nl. richting Centraal Station!) bus 170 of 172 te nemen.

Tot circa 1 uur ’s middags zullen wij verpozen in Café De Oude Wester, waarna wij ons opmaken voor een speur- of puzzeltocht langs diverse bekende, maar wellicht ook minder bekende Bob Evers-gerelateerde plekken (toekomstige Bob Evers Monumenten?); degenen onder ons die de speurtocht tot een goed einde brengen, zullen rond 3 uur arriveren op een door de redactie uitgekozen geheime locatie in een heel ander gedeelte van Amsterdam, alwaar de enige echte voorzitter van het jarige Bob Evers Genootschap een toespraak zal houden en waar de hierboven omschreven boekencollectie van Peter de Zwaan geveild zal worden.
Het officiële gedeelte zal rond 6 uur afgelopen zijn, maar de ervaring met vorige evenementen heeft geleerd dat velen van u na afloop nog gezellig - op eigen kosten, dat dan weer wel - blijven om een hapje te eten; ook dat is mogelijk op de beoogde, vooralsnog geheime locatie.
Omdat het Bob Evers Genootschap natuurlijk graag een reële inschatting wil maken van het aantal mensen dat het op 9 december mag begroeten, verzoekt het jullie om even een mailtje te sturen naar het Genootschappelijk Adres. Vervolgens zal hier een regelmatig bijgewerkte lijst van aanmeldingen zichtbaar zijn, zodat iedereen kan zien wie er zoal zullen komen. (Let wel: het betreft hier een vrijblijvende peiling).
Bij voorbaat dank!

Dag van de Jeugdhelden
Op 22 april j.l. vond in Dinxperlo de eerste „Dag van de Jeugdhelden” plaats.
En de redactie van de Nieuwsbrief, tevens driekwart van de buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap, was erbij! Een verslag van deze dag vindt u elders in deze Nieuwsbrief, (meer) foto’s elders op deze site.
Inmiddels is bekend geworden dat de 2e „Dag van de Jeugdhelden” op 26 april 2008 in Nieuwegein zal plaatsvinden.
Het Bob Evers Genootschap begint zich op zijn inmiddels bijna middelbare leeftijd zowaar ineens bijzonder actief te gedragen, want naast zijn eigen verjaardagsfeestje op 9 december a.s. - waarover hierboven reeds van alles en nog wat, maar nooit voldoende is gezegd - zal Het Genootschap ook op 26 april a.s. wederom acte de présence geven!

Bob Evers-strip nr. 3 verschenen!
De Bob Evers-stripserie zet er de sokken in!
Op 12 mei j.l. is deel 3, „Drie jongens op een onbewoond eiland”, verschenen tijdens alweer een feestelijke presentatie bij De Boekenhalte te Zwolle. Ook nu weer zijn (resp. waren) er standaard-edities met zachte en harde kaft, maar ook een luxe-editie (oplage 150 stuks) en zelfs een super-de-luxe-editie (oplage 50 stuks) van De Boekenhalte te krijgen, waarbij aangetekend dient te worden dat de standaard-editie en de luxe-editie ditmaal - afgezien van een gesigneerd inlegvel - door een fout in het productieproces niet van elkaar verschillen.
Uitgeverij Boumaar heeft tevens aangekondigd dat deel 4 uit de serie, „De strijd om het goudschip” in het najaar zal verschijnen. Uiteraard zijn wij zeer benieuwd naar dit deel, omdat dit het eerste deel is dat geen voorpublicatie in het Algemeen Dagblad heeft gehad. Het Algemeen Dagblad is namelijk gestopt met vervolgstrips, hetgeen overigens niets afdoet aan de intentie van Uitgeverij Boumaar om door te gaan met de Bob Evers-stripreeks.
Om duidelijk te maken dat het bij „Drie jongens op een onbewoond eiland” om een vervolg op „Avonturen in de Stille Zuidzee” gaat, heeft men de paginanummering voortgezet; maar de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief zou de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief niet zijn, als haar niet was opgevallen dat de laatste bladzijde van „Avonturen in de Stille Zuidzee” nr. 48 is en dat „Drie jongens op een onbewoond eiland” op blz. 47 begint...

Niet alleen de gifbeker ging voorbij aan Peter de Zwaan...
... maar helaas ook de Gouden Strop, de prijs voor het beste Nederlandstalige spannende boek.
Alweer voor de zevende keer was Peter genomineerd voor deze prestigieuze prijs, maar alleen in 2000 wist hij, met „Het Alibibureau”, in de prijzen te vallen. Zijn nominatie voor 2007 was gebaseerd op zijn nieuwste roman, „Duivelsrug”, een tamelijk ongewoon, maar kwalitatief uitstekend boek, dat voor een groot deel in Savannah/Ga. speelt, de plaats die wij zo goed kennen van „Arie Rose als reserve-acteur”. Zelfs de Factors Walk, waar in het Bob Evers-deeltje het gevecht tussen Jan en Arie met Frank Pierce plaats vindt, dat Bert Zeijlstra op de cover heeft proberen weer te geven, ontbreekt niet!
Meer dan in het genoemde Bob Evers-deeltje heeft Peter de Zwaan in „Duivelsrug” aandacht kunnen schenken aan de couleur locale van Savannah, die helaas ook anno 2007 nog steeds bepaald wordt door het welig tierende racisme in het zuidelijke deel van de States; de beklemmende sfeer wordt met brille beschreven door De Zwaan.
Nieuw voor de inmiddels omvangrijke serie thrillers van De Zwaan is het gegeven dat de hoofdpersoon uit „Duivelsrug”, Jeff Meeks, ook al in een eerder boek - „De voeder” - optreedt.
In het kader van 20 jaar Gouden Strop verscheen vorig jaar overigens de bundel „Doorgeladen” met daarin elf verhalen van evenzoveel voormalige winnaars van deze prijs; één van de verhalen, „Een hekel aan water”, is van Peter de Zwaan.
De twintigste Gouden Strop is gewonnen door Roel Janssen met „De tiende vrouw”, maar volgens de bescheiden mening van de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief had de prijs dit jaar naar Peter mogen, nee: moeten, gaan; zijn roman was die prijs meer dan waard, maar het is al eens eerder gezegd: „Duivelsrug” is zowat nergens te krijgen! Je zou toch mogen verwachten dat de vier voor deze prijs genomineerde boeken, zeker in de tot Maand van het Spannende Boek omgedoopte maand juni, in groten getale aanwezig waren in de boekhandels! Maar nee! Uw redactie heeft stad en land afgereisd en het boek uiteindelijk dan maar via internet besteld... Wat bezielt Uitgeverij De Geus toch om de bij haar verschenen boeken van Peter de Zwaan te verdonkeremanen?
En nu we het toch over uitgeverijen hebben...

Uitgeverij Weton-Wesgram is verhuisd.
Zoals bekend is Uitgeverij De Eekhoorn op 11 januari 1999 overgenomen door Muziekuitgeverij Weton-Wesgram B.V.
In de eerste maanden van 2007 heeft Weton-Wesgram een spiksplinternieuw pand betrokken aan de rand van Oud-Beijerland. Voor de geïnteresseerden vermelden wij hier het nieuwe adres:
Lamborghinilaan 2
3261 ND Oud-Beijerland
0186-610788
Toen de redactie richting Oud-Beijerland toog teneinde onderstaande foto’s te maken, zag zij door de vensters van de Expeditie naast talloze DVD’s en CD’s ook een stapel kersverse exemplaren van De Olijke Tweeling liggen; uw redacteur/fotograaf werd tamelijk weemoedig bij het zien van het aloude Eekhoorn-logo op de rug van deze boekwerken; vertwijfeld vroeg hij zich af: „Waarom, in naam van alles wat roodharig is, wèl De Olijke Tweeling, maar niet Bob Evers...?”


In de onderhavige Nieuwsbrief treft u, naast artikelen van oude bekenden als Marie-José van den Hout, haar broer (in combinatie met John Beringen), Ton Kleppe en Roger Schenk, ook enkele nieuwe namen aan: zo zal Rudy H.G. Koster speciaal voor ons de wapens uit de Bob Evers-serie doorlichten, te beginnen met een van de bekendste: de Winchester. De ditmaal bijzonder hilarische gastcolumn is van de hand van Foeke Zeilstra, terwijl de redactie u met gepaste trots wederom een juweel van een column van Geerten Meijsing kan laten zien!
Wellicht heeft een van de lezers echter schoon genoeg van al deze bekende namen? Wellicht schuilt er schrijversbloed in een van u? Wellicht heeft een van u een tot nog toe totaal onderbelicht facet m.b.t. Bob Evers, Willy van der Heide en/of Peter de Zwaan ontdekt en wilt u dat graag kenbaar maken aan de hele wereld? Schroomt u dan vooral niet om kopij in te zenden! Maar dan wel graag uiterlijk in de maand december 2007 naar nieuwsbrief@apriana.nl, want de eerstvolgende Bob Evers Nieuwsbrief, nr. 30 dus, zal in januari 2008 verschijnen.





De glazen bol van La Paraquita revisited
Foeke Zeilstra


November 2005. Een Fries waart door Port of Spain. Het voetbalelftal van Trinidad en Tobago wordt getraind door Leo Beenhakker. Sterspeler is Dwight Yorke. Het doel: kwalificatie voor het WK 2006, die zomer in Duitsland. Het is nog steeds warm en vochtig in Trinidad. Ik ben door een voetbalblad gevraagd die dekselse Beenhakker te interviewen vlak voor de beslissende play off tegen Bahrein. Ik logeer in kamer 204 op de eerste etage van het indrukwekkende, uit witte steen opgetrokken Queens Park Hotel. Het uitzicht is adembenemend. Voor het hotel ligt de ‘Parade Ground’, een prachtige grasvlakte waar parades worden gehouden.

Telefoon. Don Leo: „Zeg Zeilstra, genoeg in dat grote bad gewenteld, dat interview doen we in mijn stamkroeg. Ik zie je over een uur in Coquillo. Neem maar een taxi. Ik bel af.”

„Goeie manager,” dacht ik, naar buiten lopend. „Geen woord teveel, helder, concreet, niet gezellig. Taxi!” Een blauwe Cadillac komt met horten en stoten tot stilstand. „Do you know a café called Coquillo?” De chauffeur, net lekker op gang, stopt met gierende remmen. „Me no go there.” De reden blijft onduidelijk. Na enig geharrewar maken we het af op „afzetten in de buurt van Coquillo”. Het is geen erg voorname buurt: de straatjes zijn nauw, kronkelend en gloeiend heet. Zwijgende tronies loeren argwanend naar onze Cadillac. Eerlijk gezegd ziet dit stuk Port of Spain er uit of er een contingent gediplomeerde halsafsnijders huist. „Vreemde smaak heeft die Leo,” dacht ik. „Of houden ze hier alleen van vechtsport of cricket en kan hij er rustig een biertje drinken zonder over voetbal te hoeven praten?”

Het geluid van Bill Haley’s „Shake, Rattle and Roll” wordt luider en luider. Het komt uit een knalrood geverfd café op een hoek. Er ligt een blanke vent in een ligstoel, ogen gesloten, een baard van een paar dagen en een voetbalshirt aan. Biertje onder handbereik. Met moeite herken ik Leo Beenhakker, top coach. „Leo, wat doe je hier?” vraag ik onthutst. „Even bijtrekken,” is het korte antwoord. En dan met een vermoeide zucht: „Alles, maar dan ook alles wordt hier gevierd. Biertje?” De barman heeft een hagedissengezicht. Bliksemsnel haalt hij een blik van onder de bar, steekt er met een stalen pen twee gaten in en schuift het samen met een glas naar me toe. Secondenwerk en... al die tijd waren zijn ogen op Leo en mij gericht geweest! „Die werkt hier al langer,” gaat door me heen.

Het interview begint. We praten over voetbal: spelsystemen, het moeizame van het bij elkaar halen van spelers die over de hele wereld spelen, de ego’s enz. Centrale vraag blijft: „Leo, hoe doe je dat toch?” Hij buigt zich naar me toe en fluistert... „Niet opschrijven, Zeilstra, strictly off the record, hè? Ze heet La Paraquita. Naast het Ferris Wiel, hier vlak achter.” Hij sluit zijn ogen, zakt terug in zijn ligstoel. Het interview is afgelopen.

Ik loop richting de Kermisgeluiden in de verte. Chaos om me heen. Vechtpartijen, muziek, drank en eettentjes overal. Sissend verdwijnen aan ijzerdraadjes geregen vissen in kokende olie. In de verte schemert een rood- en knalgeel gestreepte tent. Het doet me denken aan een serie pockets in mijn boekenkast. „La Paraquita” staat boven de ingang. Een jong negermeisje komt blozend naar buiten en loopt haastig weg. Ik ga naar binnen. Zware parfumgeuren, duisternis, kermisgeluiden. „Leo sends me,” zeg ik op goed geluk tegen de ineengedoken vrouwenfiguur die voor een glazen bol zit. Ze veert op. „Ahh... Leo, yes, they will beat Bahrain in the away game - let me see, yes the score will be 0-1 - and go to the tournament in Germany for the first time in Trinidad’s history. Mark my words. Telling future is my speciality, you want yours told? I do accept Euros you know. Leo always paid in Euros and in...” Ze zucht, haar ogen worden vochtig en dromerig kijkt ze weg. Ik denk aan mijn vriendin MJ. „Vast het verleden,” denk ik inwendig grinnikend om iemand die leeft van de toekomst. „Die Leo.” Het is warm, ik kijk in haar ogen en wend discreet mijn blik af. Mijn oog valt op haar glazen bol. Een rode glans en vage bewegingen. Er flakkert iets. Het beeld wordt helderder. Ik zie drie jongens rond een kampvuur aan een strand. Een schildpad, vissen. Ze zijn aan het koken. „Maar dat zijn... dat zijn toch... Jan, Bob en Arie,” mompel ik. „De helden uit mijn jeugd die me nooit in de steek hebben gelaten.”

„Whatever happened to them?” vraag ik La Paraquita. Onze waarzegster leunt voorover en begint in de roodverlichte bol te staren. „They have been here, you know. Two of them came to me, a long time ago.” Ze laat mij meekijken aan haar kant van de bol.

Langzaam maar zeker verandert de bol van kleur. Ik zie een staalblauwe lucht met daaronder besneeuwde toppen. Ik ontwaar de contouren van een prachtig houten chalet. Een enorm dikke man met een wilde bos grijs haar loopt op zijn veranda en ploft neer in een ligstoel. Hij drukt op een bel en een dienstmeisje komt aangesneld. „Twee London Tonic en een Coca Cola,” luidt de bestelling. De dikke man kijkt met glanzende pretoogjes naar zijn bezoekers. Het zijn twee nette heren, van ongeveer dezelfde leeftijd. Ik schat hen tussen de 65 en de 70 jaar oud. „Zo Janneman, je hebt het dus eindelijk gedaan? Al je geld weggegeven?” zegt de dikke, die Arie moet zijn.

„Ja, dikke,” antwoordt Jan. „Je weet dat ik met onze avonturen een aardig startkapitaaltje had opgebouwd. Ik ben eind jaren ’70 toen toch voor mezelf begonnen in de softwareontwikkeling? Dat liep wel goed. Ja, dat liep zelfs verbazingwekkend goed. En toen die Amerikaan met die dikke bril een bod deed, kon ik dat niet weigeren. Ik zag hem laatst nog op TV, toen hij vertelde dat hij weer met iets zogenaamd nieuws kwam, Vista, heette dat geloof ik. Nog steeds dezelfde kwezel, met zijn Brave Hendrik-uiterlijk. Als die bij ons op school had gezeten, zou hij constant met twee blauwe ogen rondlopen. Maar goed, dat geld, hè? Je kunt het niet meenemen, dikke. En ik ben toch maar alleen. Jij toch ook? Ik dacht, als ik nou es aan die dikke vraag of ik bij hem mag komen wonen, kost mij dat niks. Dus dan heb ik ook geen geld nodig. Jij hebt toch ook genoeg verdiend, toen die stinkbotenmaatschappij van jou werd overgenomen door Maersk?” „Ja, jongetje Prins,” beaamt Arie, „dat heb je goed begrepen.” Arie gniffelt: „En na zoveel jaar in de boten kon ik geen water meer zien. Daarom ben ik naar Zwitserland verhuisd. Om wat te doen te hebben, heb ik hier een fabriek in speelgoedtreintjes gekocht. In de kelder onder mijn chalet heb ik de mooiste modelspoorbaan van Europa aangelegd.”

„Guys,” zegt ineens de andere heer, die totnogtoe zat te prutsen aan een kapotte koekoeksklok, „dat is nou allemaal wel leuk en aardig, maar ik vertik het om hier in Zwitserland een beetje in een luie stoel te blijven hangen. We zijn wel oud, maar nog gezond. Het is me hier een tikkeltje té vreedzaam. Ik wil een avontuur, verdikkeme!” Jan en Arie schieten in de lach. „We kunnen nog wel eens een advertentie zetten: ‘Drie heren op leeftijd zoeken een sappig avontuur. Enig lichamelijk ongemak geen bezwaar.’ Maar Bob, weet je dat nou wel zeker? Is je Amerikaanse achterwerk niet wat zacht en lui geworden van dat rondzoeven in die luxe sleeën van jouw fabriek? Ik zag er laatst nog zo’n prachtig reclamefilmpje voor op TV…” „TV!” roept Bob ineens uit. Met een huil staat hij op. „De Yankees zijn al een half uur tegen de Dodgers bezig!” En hij rent naar binnen en begint wild op de knoppen van de afstandsbediening te drukken. Jan en Arie kijken elkaar aan en barsten in lachen uit.

          Port of Spain, november 2005.
          Foeke, met dank aan Gerben.





Winchester Model US 1917
Rudy H.G. Koster


Geachte redactie,
Tot voor kort was ik voorzitter van de Nederlandse vereniging van moderne wapenverzamelaars „
Edouard de Beaumont”.
Onlangs vond ik mijn oude boeken van de Bob Evers-serie weer terug en realiseerde mij dat mijn eerste boek dat ik op mijn 10e las, „Drie jongens op een onbewoond eiland”, een passie voor vuurwapens heeft doen ontvlammen, die tot vandaag voortduurt.
Ik kwam ook op uw website terecht en in de encyclopedie, waar ik natuurlijk onder de w naar wapens zocht. Ik kwam er nogal wat bekende exemplaren tegen maar ook een aantal, die waarschijnlijk niets met de in de verhalen bedoelde wapens van doen hebben.
Een voorbeeld: het bovengenoemde boek dat ik na vele jaren weer ter hand nam, begint met Winchester geweren. Verderop lezen wij op pagina 17 dat de geweren geladen worden met clips van 5 patronen.
Voor verdere duidelijkheid moeten we naar het boek „Avonturen in de Stille Zuidzee”. Daar staat op blz. 179/180 „goed geoliede Amerikaanse legergeweren”, waarvan Bob de grendel opende en naar de blauwe lucht keek. Los van het feit dat je de grendel uit het wapen moet nemen om de blauwe lucht te zien, is hier het plaatje compleet.
Enig onderzoek wijst uit dat het enige wapen dat aan deze beschrijving voldoet het US model 1917 geweer is, waarvan Winchester er gedurende de Tweede Wereldoorlog zo’n 400.000 heeft gemaakt.
Dan wordt ook de patroon die het wapen verschiet bekend: het gebruikelijke kaliber .30.06, een patroon met een projectiel met een doorsnede van 7,62mm op een huls van 63mm en een kruitlading die het projectiel een snelheid van meer dan 1000 meter per seconde geeft.
In handen van ervaren schutters is dat ook ongeveer de effectieve reikwijdte.
Mocht u geïnteresseerd zijn in meer analyses dan ga ik graag door.





Bidprentjes
Marie-José van den Hout


Kennen jullie ze nog: bidprentjes? Bid- of devotieprentjes waren kleine bladen perkament of papier, doorgaans op A7-formaat, met aan één zijde een voorstelling van Christus, een heilige, een godsdienstig symbool of een tafereel uit de bijbel, terwijl de laatste decennia ook landschapsfoto’s of een foto van de overledene zelf worden afgebeeld; ze werden namelijk weliswaar ook uitgegeven ter gelegenheid van bijvoorbeeld een doopsel of een communiefeest, maar het bekendst gebleven zijn de bidprentjes, die zijn uitgegeven naar aanleiding van het overlijden van een bepaalde persoon. Ze roepen op tot gebed voor het zielenheil van de overledene en zijn tevens bedoeld om de herinnering aan een gestorvene levend te houden. Het laten maken van een bidprentje is een katholiek gebruik; protestanten bidden namelijk niet voor de overledenen. Het is ontstaan in de Nederlanden in de 17e eeuw. Vanaf 1850 is dit gebruik vrij algemeen.
Ook nu nog ontvangt men in onze streken, wanneer men een uitvaart bijwoont, vaak een prentje ter herinnering aan de overledene. Het uitgeven van een bidprentje is dus nog steeds een levend gebruik, zeker in de katholieke provincies Brabant en Limburg.

Van mijn beide overleden, „heidense” broers Joop († 10 juni 1975) en Willem († 24 februari 1985) bestaan geen bidprentjes, maar van mijn beide ouders wel. Hoewel de bidprentjes jarenlang in albums vastgeplakt hebben gezeten en dus in een slechte staat verkeren, wil ik ze toch even aan jullie laten zien. Boven zien we beide zijden van het bidprentje van mijn vader, Willem sr., en beneden zien we de achterzijde van het bidprentje van mijn moeder.






Brief aan Martin Ros
W.H.M. van den Hout en John Beringen


Wie herinnert zich niet het jubileumnummer 25 van de Bob Evers Nieuwsbrief (augustus 2004)? Bij dat nummer zat een videofragment, de - voor zover bekend - enige bewegende beelden van Willem; het betrof hier een opname van het AVRO-programma „Veertig jaar na dato” van 27 april 1985. Vrij wrang als je beseft dat de enige bewegende beelden van Willem dus postuum zijn uitgezonden.
Anderhalve maand voor zijn dood heeft Willem nog een brief aan Martin Ros geschreven, waarin de opnames van bedoeld programma worden genoemd. Willem geeft te kennen dat hij „maanden geleden” al benaderd is voor het TV-interview; de opnames zullen dus - mede gelet op Willems coltrui in het fragment - gemaakt zijn in de late herfst van 1984 (of het begin van de winter).






Een computer met gevoel voor humor
Marie-José van den Hout


Van huis uit ben ik WAARACHTIG geen chagrijnig iemand. En ik VAL voor mensen met gevoel voor humor! Zelfs iemand die steeds zogenaamd op dezelfde manier over dezelfde drempel struikelt, vindt mij aan zijn zijde. Het hoeft dan ook niet altijd even hoogdravend te zijn.

Maar wat me nu weer overkwam...
Zit ik op een middag, achter mijn computer, aan de eerste verhaaltjes van deel 2 van mijn *herinneringen* te prutsen... keurig alles nagekeken om het daarna op mijn site te zetten.
Omdat het sinds kort een professionele site geworden is (nieuwe opzet en zo) verzorgd door iemand wiens beroep het is, ga ik er ietsje bedachtzamer mee om... eerst denken, dan doen, hou ik mezelf steeds voor.

Voor wie altijd zo handelt in het leven, komt dit waarschijnlijk over als een vanzelfsprekendheid... Maar ondergetekende steekt nu eenmaal anders in elkaar... eerst denken, dan doen lijkt mij bijzonder verlammend werken. Ik zie zoveel kanten aan alles, dat er van handelen daarna vaak niets meer terecht komt. Niet dat ik anderen aanraad hetzelfde te doen, echter, ik heb er wel allerlei kronkelweggetjes door bewandeld in mijn leven, en werelddelen gezien, die ik nooit ontdekt zou hebben als ik eerst nagedacht had. Om over de gebaande wegen nog maar te zwijgen!

Maar goed, die jongen-die-mij-helpt-om-alles-op-mijn-computer-te-zetten, betaal ik per keer. En ik gun hem van alles, maar omdat ik nou eenmaal géén Nadine de Rothschild
¹ ben, is het dus wel opletten geblazen.
Zit ik dus, terug in de tijd, in gedachten middenin in Tanger, waar mijn herinneringen zich afspelen.

En ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar ik ben allang blij als ik een tekst uitgetypt en wel, netjes heb kunnen opslaan, om nog maar te zwijgen over het doorsturen ervan! Tenslotte heb ik mezelf alles aangeleerd (na het boek „PC’s voor Dummies” door Dan Gookin doorgeworsteld te hebben: het is leuk geschreven, daar niet van, maar het geeft een vrouw minder zelfvertrouwen dan ik gehoopt had).

Hoeveel verhaaltjes zou Peter er in één uurtje op kunnen zetten, bedenk ik nog, vlug een rekensommetje makend (Zie: www.gelukkiggisteren.nl). Ik loop ze stuk voor stuk allemaal even door... en bekijk de tekst, links op het scherm, in WORD, waar een en ander weergegeven staat.
Mijn verhaaltjes, genummerd 1, 2, 3, 4 en 5, komen voorbij; er staat in het blauwe scherm:
Microsoft Word Document - Gewijzigd: op die en die datum - Grootte: zus en zo - Auteur: H. Jonas!!!!
Zie ik het goed? Ja, ik zie het goed.
Was H. Jonas ooit in Tanger? Niet bij mijn weten...
Volgende verhaaltje dus maar. Dat gaat goed.
Kom ik bij nummer 9, getiteld: Doorknooprok -
Met eronder:
Auteur: H. Jonas!!
Nu begeef ik het zowat!! Nooit geweten dat H. Jonas een doorknooprok droeg!
Toen hij in Tanger verbleef??
Al mijn pogingen ten spijt, heb ik het nooit kunnen veranderen... mijn lieve computer blijft stug volhouden dat Herman Jonas de auteur is van mijn herinneringen getiteld *Franse generaal* en *Doorknooprok*... het is om in je broekje te doen van het lachen!
En voor wie de heer H. Jonas ooit gezien heeft: hij begrijpt het waarschijnlijk ietsje beter... het gaat hier om een nogal corpulent iemand - kun je je voorstellen, Herman met een d o o r k n o o p r o k -
Overigens wil ik hiermee geenszins de heer Jonas belachelijk maken of zo - wél is de vraag gerechtvaardigd hoe zo’n computer aan zoiets krankzinnigs komt... en dat terwijl ik al máááááánden geen contact meer heb met die man!
En laat niemand ooit beweren dat een computer zich nooit vergist... want dan blijf ik erin!
Wel hoop ik dat ARBORIS en zijn directeur er ook om kunnen lachen! Op naar het volgende verhaaltje!
Met deze keer wellicht Willem in doorknooprok, wie zal het zeggen.

In ieder geval is mijn hilarische conclusie voor vandaag:
Zelfs mijn schattige computer heeft gevoel voor humor!

¹

Kwam als Nadine Lhopitalier op deze wereld te Saint-Quentin. Geboren in een uiterst eenvoudig milieu, trouwde ze in 1962 met de bankier Edmond de Rothschild. Deze laatste overleed in 1997. Maar zelfs als zijn weduwe, is Nadine nog steeds een van de meest vermogende en invloedrijke vrouwen van Frankrijk. Ook schreef ze verschillende boeken, waaronder een „over moderne etiquette en goede smaak” - een uitstekende gids met veel levenswijsheid en humor geschreven.







Verslag van de eerste „Dag van de Jeugdhelden”
Roger Schenk


Onze collegae van de
International Biggles Association houden elk jaar een aantal clubdagen; gelijk andere fanclubs van jeugdboeken was het hun opgevallen, dat er steeds minder mensen zo’n fanclubdag bezoeken: de jeugd leest steeds minder, de wat rijpere jeugd heeft inmiddels veelal zelf kroost en dus andere prioriteiten en - last but not least - zeldzame boeken van onze zo geliefde auteurs kopen wij niet meer op fanclubdagen of boekenmarkten, maar op internet. Mede daarom leek het Gino Takke (voorzitter van de I.B.A.) en anderen een leuk, gezellig en slim idee om samen met andere fanclubs een grote manifestatie te organiseren, die inmiddels bekend staat onder de naam„Dag van de Jeugdhelden”. Het bij elkaar brengen van diverse fanclubs zou bovendien, zo was de gedachte, tot een soort van ‘kruisbestuiving’ kunnen leiden: de Karl May-fan die ‘alles’ van de Saksische grootmeester al heeft, kan zich op deze manier nog ‘vergrijpen’ aan Arendsoog, de Biggles-aanhanger die hoger wil stijgen dan de Sopwith Camel van zijn held aan kan, zoekt de Star Trek-supporters op en jullie hoef ik niets meer wijs te maken over die Bob Evers-liefhebber, die ook met de nodige graagte een Kameleonnetje verschalkt.

Burgemeester Berghoef

Na een jaar van voorbereidingen, fanclubs en sponsoren aanschrijven, persberichten en programmaboekje samenstellen, konden Gino en de rest van het inmiddels omvangrijke organisatiecomité op zondag 22 april j.l. met gepaste trots iedereen welkom heten in Sportcentrum Het Blauwe Meer in Dinxperlo. „Dinxper-wàt? Dat is toch een uith...?”
Om 10.30u opende burgemeester Berghoef van de gemeente Aalten, waaronder Dinxperlo ressorteert, de eerste „Dag van de Jeugdhelden” officieel. In zijn openingsrede refereerde hij aan de door velen geuite opmerkingen, dat Dinxperlo een uithoek van het land zou zijn; volgens de burgemeester is een plaats als Rijswijk vanuit zijn perspectief eveneens een uithoek!

Op de inmiddels bekende site van de „Dag van de Jeugdhelden” kan iedereen zien welke fanclubs acte de présence gaven: te veel om hier op te noemen. Aan het aanbod van verenigingen lag het zeker niet, aan de ligging van Dinxperlo dus ook niet, maar toch... door het mooie aprilweer bleef het bezoekersaantal wat achter bij de verwachtingen. Maar zoals zo vaak hadden de thuisblijvers ongelijk! Het was een bijzonder geslaagde dag, waar de bezoeker veel boeken kon ‘scoren’, lid kon worden van de diverse aanwezige verenigingen en naar lezingen kon luisteren.
Jawel! Uw eigen Bob Evers Genootschap was ook aanwezig en ondergetekende hield een korte lezing over Bob Evers en zijn beide geestelijke vaders, Willem en Peter. Op veler verzoek wordt de lezing hieronder integraal weergegeven; veel - zo niet alles - zal de regelmatige lezer van de Bob Evers Nieuwsbrief bekend in de oren klinken, maar die moet dat verhaal dan maar overslaan... of niet, natuurlijk. Verder was er o.a. een videopresentatie van Maarten van Diggelen (van de pas opgerichte Nederlandse Karl May Vereniging) en ook de tekenaar en scenarioschrijver van de Bob Evers-stripboeken waren aanwezig om tot de op 22 april j.l. verschenen strips te signeren.


Voor aanvang van het gebeuren
inspecteren John Beringen en Hans Kleppe de
stand van het Bob Evers Genootschap.
Gelukkig hebben organisatie en deelnemers besloten om volgend jaar wederom een „Dag van de Jeugdhelden” te organiseren!
En, zoals reeds in „Nieuws van de redactie” hierboven vermeld staat, vinden jullie elders op deze site meer foto’s van de eerste „Dag van de Jeugdhelden”.





Bob Evers en zijn beide geestelijke vaders
Roger Schenk


Laat ik eerst even beginnen met iets recht te zetten; gisteren in Trouw - het artikel van Hans van Vinkeveen, „Stoere jeugdheld is levenslange vriend” - werd ik ten onrechte afgeschilderd als lid van het legendarische Bob Evers Genootschap. Helaas klopt dit niet: ik heb het slechts tot buitengewoon honorair lid gebracht. Tot het echte, volwaardige lidmaatschap is - behalve uiteraard de vijf bestuursleden - nog niemand toegelaten, domweg omdat niemand meer aan een van de voorwaarden daartoe kan voldoen: Willy van der Heide persoonlijk gekend hebben. (En de mensen die dat wel hebben, voldoen weer niet aan andere voorwaarden). U ziet het: zó eenvoudig is het nog niet om lid te worden van Het Genootschap!
Kortom: het cliché van: „De krant brengt de leugen in het land” dringt zich op...
Om er dan nog meteen maar eens wat clichés tegenaan te gooien: „We lezen de Bob Evers-serie voornamelijk of zelfs uitsluitend vanwege de humor” en „De Bob Evers-deeltjes van
Peter de Zwaan zijn duidelijk minder dan die van Willy van der Heide”.
Zo, die clichés zijn er uit, dan hebben we dat meteen ook maar weer gehad en kunnen we nu beginnen met de echte lezing.

En dan moet ik het inderdaad allereerst hebben over de enorme cesuur die plaatsvindt in de serie: delen van Willy van der Heide en delen van Peter de Zwaan. Allereerst is het de vraag waar we die cesuur precies leggen: er zijn 36 deeltjes waar als schrijver Willy van der Heide vermeld staat, dus tussen deel 36 en 37? Maar in de delen 33 en 36 staat dat ze voltooid zijn door Peter de Zwaan. Na deel 32 dus? Puristen zullen er ongetwijfeld op wijzen dat de Bob Evers-serie in de jaren ’40 t/m ’60 is verschenen in de bekende hardcoverboeken en dat er maar 32 hardcovers zijn. Maar in 1977 en 1978 verschenen er ineens als donderslag bij heldere hemel de delen 34 en 35, geschreven door Willy van der Heide. Cesuurtje dus maar na deel 35?
Het probleem blijkt ook al uit de vele artikelen en boeken van Geerten Meijsing, bestuurslid van het Bob Evers Genootschap en begenadigd schrijver, de enige persoon in het ondermaanse die even boeiend over Plato als over Willy van der Heide kan verhalen: Geerten mag graag de term „canonieke Bob Evers-delen” gebruiken, maar net als ik worstelt hij met de aantallen: de ene keer heeft hij het over 32 canonieke delen, de andere keer over 35 of zelfs 36.
Dezelfde puristen van daarnet houden echter voet bij stuk: die delen 34 en 35 zijn nooit als hardcover verschenen, het taalgebruik in die delen is ruwer en de delen zijn aangepast aan de jaren ’70.


Roger Schenk en Geerten Meijsing:
leerling en leermeester?
Of zijn beiden slechts leerlingen van die enige echte Meester: de Man met de Knevel en de Tientallen Pseudoniemen?

Hetzelfde probleem hebben de puristen natuurlijk met het werk van Peter de Zwaan. Laat ik mijn geliefde serie nou eens van achteren beetpakken. Hoe je het ook keert of wendt, waar je de cesuur ook plaatst, vast staat in elk geval wel dat minimaal de laatste 14 delen geheel van de hand van deze Meppelaar - jaargang 1944 - is.
Deze laatste 14 delen (of dus zelfs de laatste 18 delen) worden door velen als „minder” ervaren dan de eerste 32. Ja, dat zal best, Peter de Zwaan is nou eenmaal geen Willy van der Heide. Zonder nou per se de advocatus diaboli - hè nee, dat klinkt zo negatief; doe dan maar de advocatus Cygni - te willen spelen, lijkt het mij wel op zijn plaats om hier Peter de Zwaans inmiddels gevleugeld geworden woorden aan te halen: „Jullie (dat zijn wij dus) lezen die boeken met de ogen van volwassenen.” Misschien heeft de man gelijk, wat zeg ik? Ongetwijfeld heeft de man gelijk, maar ik zie niet goed in hoe ik dat zou kunnen veranderen. Wij, de Bob Evers-liefhebbers die alles kopen wat er op Bob Evers-gebied is verschenen - tot stripverhalen aan toe - zijn nou eenmaal met het Bob Evers-virus (term van John Beringen) geïnfecteerd door Willy van der Heide en ja, een ander kan het dus nooit 100% goed doen in onze - te oude! - ogen.
Maar goed, er zit dus een breuk in de serie van bijna 30 jaar; de drie hoofdrolspelers - Jan, Bob en Arie - blijven natuurlijk even jong, maar de wereld om hen heen is veranderd: reden in de oudere delen nog auto’s rond met schilderachtige namen als Isotta-Fraschini, Panhard - preciezer: een luchtgekoelde Panhard -, Austin-Healey, Horch of Lincoln Zephyr, in de De Zwaan-delen huren de jongens een Dodge Ram Van, een Hyundai Santa Fe of zelfs een Trabant. Ach, afgezien van de Trabbi, zijn ’t geen legendarische namen, maar dat probleem is nog overkomelijk: over 20 jaar weten kinderen heus niet meer hoe een Hyundai Santa Fe er uit zag, net zomin als ik wist hoe een Isotta-Fraschini er uit zag toen ik die boeken voor het eerst las. Zoiets geldt mutatis mutandis natuurlijk ook voor dingen als in de serie genoemde muziek, films, merken en vliegtuigen, maar er is natuurlijk - en dat is een probleem waar iedere schrijver van een langlopende serie zich voor geplaatst ziet - sprake van een volkomen veranderend tijdsbeeld. Gingen Jan, Bob en Arie in de Van der Heide-delen nog geduldig naast een telefooncel zitten in de vage hoop dat ze na uren misschien teruggebeld zouden worden, nu lopen ze rond met mobieltjes; de introductie van gsm’s laat De Zwaan overigens heel terecht nogal terughoudend plaatsvinden. Zoals iedereen weet, gaan die krengen op de meest onverwachte en ongeschikte momenten over (en ik ben zelf leraar, dus ik weet waarover ik praat!), iets waaraan je als bijna professioneel avonturier toch niet moet denken; verder slaat een gsm’etje nummers op, dus je houdt je hart vast wanneer zo’n mobieltje in handen van „de vijand” valt... In de - helaas - laatste delen ontdekken de drie helden - o nee, op een dag als vandaag moet ik natuurlijk zeggen: jeugdhelden - overigens ook de voordelen van een gsm. Alleen is er nu geen weg terug meer: hoe leg je de jeugd van tegenwoordig, die groot is geworden met de delen van Peter de Zwaan, uit hoe het toch mogelijk is dat drie jongens maandenlang op een eiland in de Stille Zuidzee verborgen blijven, zonder dat ze hun ouders even geruststellen middels een sms’je?
Dat soort dingen kun je natuurlijk aanpassen; sterker nog, men heeft bij de omzetting van de oude hardcovers naar de pocketedities in de jaren ’60 wel geprobeerd om enkele dingen aan de jaren ’60 aan te passen, maar voor je het weet, vergeet je iets, waardoor je een lachwekkend festival van fouten en anachronismen krijgt. En er zijn nou eenmaal dingen die je domweg niet aan kunt passen. In deel 43 verlaten Jan, Bob en Arie Nederland en keren een paar weken later terug vanuit de States; en ziedaar: er is in de tussentijd een nieuwe munt geïntroduceerd, de euro! Hoe is dit te rijmen met de aantekening in de paspoorten van de drie jongens hoeveel contant geld ze meenemen als ze (in Deel 9) de grens over gaan?
Zo bezien zijn er dus heel wat oude delen die volslagen onbegrijpelijk zijn voor iemand die niet weet dat we vroeger in Europa zoiets hadden als grenscontroles en verschillende valuta. En in dit licht moeten wij ook de treurige beslissing van Weton-Wesgram, een platenfirma uit Oud-Beijerland, die om wat voor redenen dan ook uitgeverij De Eekhoorn heeft overgenomen, om de Willy van der Heide-delen niet meer te verkopen, zien. Vanwege de hierboven geschetste problematiek aan een kant wel begrijpelijk, van de andere kant: als commercieel onderlegde platenboeren zouden de mensen van Weton-Wesgram toch moeten weten dat een Bob Evers-serie zonder de succesvolle delen van Willy van der Heide net zo weinig waard is als een „Greatest Hits”-CD van the Beatles zonder „Yesterday” en „Hey Jude”?
Helemaal treurig wordt het verhaal dan in het najaar van 2003 als Peter de Zwaan aankondigt dat er na deel 50 geen nieuwe delen meer zullen verschijnen.
Want, het zij nog maar eens herhaald: hoewel ook ik met te oude ogen naar de De Zwaan-delen keek, toch keek ik ieder jaar rond september weer met diezelfde ogen reikhalzend uit naar de verschijning van een nieuw deeltje.

Zoals gezegd, is Peter de Zwaan in 1944 in Meppel geboren, waar zich ook het - naar nu dus blijkt - allerlaatste hoofdstuk van de Bob Evers-serie afspeelt. Hij bleef zijn werkgever, de Twentsche Courant Tubantia, trouw van 1969 tot 2003. Naast de Bob Evers-serie heeft hij ook een stuk of 6 à 7 andere kinderboekenseries geschreven, waarvan eigenlijk alleen de Tijger Tigran-serie redelijk succesvol was. Naast kinderboeken schrijft De Zwaan ook thrillers; zijn beste thriller tot nu toe was „Een keel van glas”, waarin hij autobiografische elementen omtrent zijn keelkanker verwerkte. Het niet krijgen van De Gouden Strop - prijs voor de beste misdaadroman in Nederland - voor dit boek stelde De Zwaan ernstig teleur, maar enige jaren later kreeg hij die prijs wel voor zijn „Het Alibibureau”.

Dat Jan, Bob en Arie ook in het gsm- en eurotijdperk nog jong zijn, zal menigeen verbazen, die weet dat zij de oorlog bewust hebben meegemaakt, net als hun geestelijk vader Willy van der Heide. Sterker nog: de serie is ontstaan midden in de oorlog; in 1943 verscheen er in het jeugdblad met de jeugdige naam Jeugd een feuilleton onder de titel „Avonturen in de Stille Zuidzee”. Hoofdpersoon in dit 31-delige vervolgverhaal was de zoon van een Amsterdamse reder, genaamd Rob Evers. Na de oorlog maakte Van der Heide - die zich in die oorlog niet zo netjes had gedragen en weliswaar niet veroordeeld werd, maar toch 10 jaar lang zijn beroep als journalist niet mocht uitoefenen - van de Amsterdamse rederszoon de zoon van een fabrieksdirecteur uit Pittsburgh/Pa. En hij veranderde diens naam in Bob Evers; de „verweesd” achtergebleven Amsterdamse reder kreeg nu een nieuwe naam en... Arie Roos als zoon.
In 1974 verklaarde Van der Heide voor de VARA-radio dat hij dit had gedaan omdat in die jaren na de oorlog alles wat uit Amerika kwam, enorm interessant was en om op deze manier het terrein waarop de jongens konden opereren te vergroten. Hij wilde vooral geen Hollandse kneuterigheid; dit maakte dat geen uitgever zijn vingers wilde branden aan deze voor die tijd te moderne serie. Het zoeken naar een uitgever werd in die tijd ook nog bemoeilijkt omdat hij al drie jaar lang in voorarrest zat. In 1948 werd hij vrijgelaten en in datzelfde jaar verscheen het eerste echte Bob Evers-deel, „Een overval in de lucht”, bij Stenvert in... Meppel.
Een overval in de lucht” mag dan wel het eerste deel van de serie zijn, chronologisch valt het deel na „Avonturen in de Stille Zuidzee”. In de hardcover-editie beslaat de trilogie die hoort bij „Een overval in de lucht” de eerste drie delen, en de trilogie van „Avonturen in de Stille Zuidzee” het tweede drietal; in 1965, toen de pocketedities verschenen, heeft men deze trilogieën omgewisseld.
Het opvallendste element dat de serie kenmerkt, is natuurlijk de veelbesproken en veelgeroemde humor: de combinatie van humor en spanning levert een ongekende sensatie op. Juist die humor zorgt ervoor dat de ware fan de delen steeds weer opnieuw blijft lezen en herlezen; de ware fan kent hele passages woordelijk uit zijn hoofd en brengt deze te pas, maar af en toe ook te onpas, ten gehore. Van der Heide was naast een fantast en humorist ook een taalvirtuoos. Híj is het, die het verschijnsel alliteratie in Nederland - ik zou bijna willen zeggen - salonfähig heeft gemaakt; híj is het, die Nederland het begrip „Dolle Dinsdag” schonk, híj is het die het begrip „labbekak” uit de mottenballen waarin het al sinds de 17e eeuw lag, heeft gehaald, híj is het die de Nederlandse taal heeft verrijkt met talloze neologismen als „stierstarnakel” en „krijg het himbim”. Hij beschrijft desolate landschappen zoals desolate landschappen beschreven moeten worden: in vage bewoordingen, die in juist al hun vaagheid het verlaten karakter van de omgeving duidelijk maken; als hij zijn protagonisten in steden laat opereren, kun je de route bij wijze van spreken uittekenen - hetgeen ondergetekende dan ook ooit gedaan heeft! -, zonder dat Willy of zijn publiek daarbij hele waslijsten van straatnamen nodig heeft.
Willy was ook in staat om op bijzonder goed gedoseerde wijze belerende elementen in zijn verhalen in te bouwen; in dit verband hoef ik maar te verwijzen naar zijn vaak geciteerde beschrijving van de werking van een differentieel, die duidelijker is dan welke natuurkundeles ter wereld ook. En Willy was door zijn grenzenloze fantasie als geen ander in staat om ons jarenlang alle mogelijke raderen voor ogen te draaien dan wel ons voor 10 lappen tegelijk te houden. Zo beschrijft hij ergens in de delen 28 en 29, „Bombarie om een bunker” resp. „Ali Roos als Arie Baba” de vooroorlogse Ferrari van Jerry Miller zó gedetailleerd dat je het ding loepzuiver in je netvlies getatoeëerd hebt staan. Je ziet hem helemaal voor je, die tomaatrode, vóóróórlogse Ferrari! Alleen jammer dat Enzo Ferrari pas in 1947 begon met de productie van auto’s onder zijn eigen naam...

Omdat Willy een epicurist pur sang was, kostte het zijn uitgever, Stenvert, vaak bloed, zweet, tranen en verminkte pakken om Willy ertoe te bewegen op tijd nieuwe delen te laten verschijnen; uiteindelijk lukte dat een keertje of 32, maar ergens halverwege deel 33 kregen Willem en zijn uitgever daverende ruzie, waarop Willem besloot geen letter meer te schrijven voor Stenvert. We zitten dan begin jaren ’60. Hij verkoopt zijn rechten; wat er exact met de opbrengst van die rechten gebeurt, zal wel altijd in nevelen gehuld blijven: met het bedrag doet hij een fikse aanbetaling op het pand Hugo de Grootstraat 26 in Den Haag, dat hij binnen vijf minuten weer van de hand doet aan zijn toenmalige schoonvader, waarna hij wèl zelf in dat huis blijft wonen.
In 1977 en 1978 verschijnen er bij een andere uitgever ineens de delen 34 en 35; in dat laatste deel wordt ons tevens de spoedige verschijning van deel 36, „Kloppartijen in een koelhuis” beloofd, maar zover zou het niet meer komen tijdens het leven van Willy van der Heide.

In 1915 wordt hij in Den Bosch geboren onder de naam Wilhelmus Henricus Maria van den Hout als oudste zoon van een onderwijzer. Na een baantje als „propaganda-medewerker”, zoals dat toen heette, bij Philips en enkele misstappen in de oorlog, blijft hij de rest van zijn leven zonder eigenlijk beroep. Journalist mag hij van 1945 tot 1955 niet meer zijn, zijn uiterst instabiele inkomen moet dus komen uit de verkoop van zijn boeken en wat schnabbelwerk in tijdschriften. Onder zijn eigen naam verschijnen alleen een mini-biografie van Zwart Front-leider Arnold Meijer en een verhandeling over wichelroedelopen. Al zijn overige werk schrijft hij onder een van de talloze pseudoniemen, waarvan Willy van der Heide en Willem W. Waterman de bekendste zijn; maar ook achter klinkende namen als C.B. McInverness, M.D., Ph.D., Zsa Zsa Ferguson, Joke Raviera en P.P. Preuts gaat het genie Van den Hout schuil.
In 1985 overlijdt hij aan de gevolgen van een verwaarloosd hartinfarct.


Hans van Oudenaarden signeert

De rechten blijven berusten bij De Eekhoorn, inmiddels, zoals eerder gememoreerd, overgenomen door Weton-Wesgram. Wat er verder met die rechten gaat gebeuren nu de oude Van der Heide-delen uit de handel zijn en er geen nieuwe delen meer verschijnen, is een goede vraag die de fans sindsdien bezighoudt.
De uitgeverij heeft wel een licentie afgegeven voor de vervaardiging van stripalbums over Bob Evers, aanvankelijk verschenen als krantenstrip in het Algemeen Dagblad en later bij Uitgeverij Arboris resp. Boumaar. Tekenaar en scenarioschrijver van die strips zijn hier vandaag overigens ook aanwezig. U kunt bij hen - de stand van Het Stripschap - terecht om de strips te laten signeren.
Ik dank u voor uw aandacht, maar niet nadat ik Willy en Peter heb bedankt voor de vele uren leesplezier dat ze mij nu al meer dan 3 decennia hebben geschonken!







Onder het vergrootglas (nieuwe serie 2) :
Slapstick

Geerten Meijsing


          Niet lang geleden las ik een geleerd boek over bijfiguren in de roman. Homerus en Tolstoi niet te na gesproken, komen die er meestal bekaaid af. Ze zijn vaak tweedimensionaal en vervullen niet meer dan een functie, waardoor bijfiguren meestal kant en klare typetjes zijn. Mijn stelling zal u verbazen dat ook Madame Bovary zo’n typetje is, eigenlijk een bijfiguur; de hoofdfiguur van die roman, aan wie het drama zich voltrekt, is namelijk haar man: Charles Bovary. Of neem, om dichter bij huis te blijven, de ‘onrustbarende’ roman van Arnon Grunberg, „Tirza”. De dochter naar wie het boek vernoemd is, blijft volkomen plat, krijgt geen karakter, ze is een bijfiguur; het enige uitgewerkte karakter is de hoofdfiguur Jörgen Hofmeister, de karikatuur van een gek - ’t is jammer dat Grunberg het dan ook niet kan laten tussen zijn zinnen door te grinniken van plezier.
          Neem dan Willy van der Heide! En die heeft al drie hoofdfiguren, van wie, toegegeven, Bob Evers wat minder karakter krijgt. Het is opvallend aan de Bob Evers-boeken dat de bijfiguren, meestal in de vorm van de boeven, vaak volledig gestalte krijgen en driedimensionaal worden uitgewerkt. Neem Jerry Miller en Parsons, Kresse, tot Kees de Hondenman aan toe in het Bunkeravontuur: dat zijn personages die je nooit meer vergeet. Ze zijn echt, ze blijven leven! Of Hennie Schol en Bonzo uit het Grimbosavontuur: die mensen zíe je voor je, ze zijn zo levensecht als wat, tot de zuster van Hennie aan toe, voor wie hij een bromfiets op afbetaling heeft gekocht. In dergelijke details kan ik me verkneukelen.

          Vandaag wilde ik het hebben over „Stampij om een schuiftrompet”, een ‘stilstaand’ boek met een wel heel mager avontuur, de diamantensmokkel. De oorspronkelijke aanleiding van het boek, een optreden van een jazzband die ik maar voor het gemak het Dutch Swing College zal noemen, bleek een dodelijk onderwerp, je kunt daar weinig mee; een van de jongens, natuurlijk Jan Prins, die het concert back stage mogen bijwonen, brengt dat zelf goed onder woorden: dat er eigenlijk niets aan is, en dat je als buitenstaander je al gauw teveel voelt.
          Ik weet niet hoe Waterman het ’m geflikt heeft, maar hij weet aan bijna alle leden van het orkest min of meer een eigen karakter mee te geven. Natuurlijk kende hij de personen, die onder hun echte naam in deze schitterende Bob Evers worden vereeuwigd. Het zijn geen jongens van de straat, deze jazzmuzikanten uit de jaren vijftig; de meesten hebben gestudeerd, het zijn allemaal dandy’s (zonder dat de nadruk op hun dure en fijne kledij wordt gelegd) en ze bezitten de melige humor die vaak orkestleden en muzikanten eigen is. Maar ook onderling zijn er grote verschillen in de karakters van bij voorbeeld pianist en leider Joop Schrier, klarinettist Dim Kesber en trombonist Wim Kolstee. Je zou op alle musici de typologie van het orkest kunnen toepassen, want spelers worden door hun instrument getypeerd. Houtblazers zijn vaak arrogant, bassisten laconiek, koperblazers joviaal, pianisten control-freaks, etc.
          Hoezeer steken deze waardige, verfijnde figuren niet af tegen de boeven: de zenuwachtige Fransoos, maar vooral Eddy Bulk (geel hemd, geruit jasje, lawaaiige stropdas) en zijn maat. Bulk (what’s in the name) is Amsterdamse penose, ten voeten uit. En dit zijn nog noodzakelijke spelers in de komedie van de wonderbaarlijke trombonevermenigvuldiging. Nu horen we Willy van de Heide tussen de regels door grinniken, bij het feestelijk kapotmeppen van een tiental trombones. Wie zou daar zelf niet aan willen meehelpen?
          Want geheel gratis krijgen we er nog een onvergetelijke, bolronde bijfiguur bij in de vorm van de gemoedelijke Duitser met de fladderende open manchetten (gouden knopen) en het bezwete hemd, die met de schuif van de trombone uit het treinraam gestoken, loeiend over het perron de eerste maten blaast van ‘de nimmer beantwoorde muzikale vraag’: „Warum ist es am Rhein zo schön?”.
          Nu kom ik waar ik wezen wil: het hoog ontwikkelde gevoel voor slapstick van Willy van der Heide. Op dit moment volgt in het boek een filmische scène op het treinperron die zijn weerga niet kent. Leest u maar mee over de Babylonische spraakverwarring vanaf blz. 32 van de pocket-editie. De bleke jongeman die de kreet vertaalt anybody here who speaks French, met qui parle français ici? - geheel overbodig, omdat hij dus kennelijk zelf Frans spreekt; de ober - „ik sta hier óók voor m’n boterham” - die aan het Fransmannetje blijft trekken om z’n geld; het politieke element dat z’n intrede doet („die dikke Duitser heb natuurlijk een liedje uit de oorlog geblazen”), de Duitser zelf die het goed wil maken door het Franse volkslied te gaan blazen, hetgeen, ‘om een of andere reden de woede scheen op te wekken van een magere man met twee koffers in de handen […]’: „Kom er eens effe uit, jij!”; het nutteloze meisje met de bril op en de KLM-tas in de hand; de hond die in de algemene verwarring geducht op zijn poten wordt getrapt; de algemene animositeit die plotseling ontstaat tegen Amerikaanse verlofgangers als Bob Evers zijn mond open doet („en een kapsones dat ze hebben!”); de man die op luide toon informeert wie er zo laf was zijn hond te mishandelen; en over dat alles de genadeloze hitte van de augustuszon. En even plotseling als de rel begonnen was, is die weer afgelopen wanneer de trein vertrekt. De man met de koffers schudt er nog één gebalde vuist achteraan en tot slot - een geweldige uitsmijter - spreekt de man met de mishandelde hond zijn dier bestraffend toe. (?) (!)
          Geen wonder dat onze Amerikaan in de trein moedeloos achterover zakt en (met vooruitziende blik!) overweegt:
          „Zo nu en dan raakte hij in omstandigheden, die hem deden beseffen dat het misschien tóch niet zo gemakkelijk zou zijn om met enkele pennestreken te geraken tot een verenigd Europa…”







Nieuwsbrief 28

Nieuwsbrief 29
als pdf

Nieuwsbrief 30

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana