Nieuwsbrief nr. 32
ISSN 1386-6451
januari 2009 - 16e jaargang nr. 1



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe en Roger Schenk, buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Jacoba van Heemskerckstraat 7, 3351 SP PAPENDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieTon Kleppe & Roger Schenk
Column: OvergewichtGert Huber
Het Callenbach-contractRoger Schenk & Ton Kleppe
Inspiratie uit het Oosten?Roger Schenk
De ultieme liefdesbriefMarie-José van den Hout
(Gast)column: „Ze is zo lekker gewoon gebleven...”Carola Poley
ZazouRoger Schenk
Wèg NederlandDoeschka Meijsing
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 5) :
Het mysterie van de Hollandse krant en de goede sinaasappeloogst
Geerten Meijsing
Foto van Joop van den Hout© Marie-José van den Hout




Nieuws van de redactie
Ton Kleppe & Roger Schenk


Clandestiene streken op een cruiseschip

Wie van ons herinnert zich niet met het nodige afgrijzen de schijnbaar historische woorden van journalist en Bob Evers-fan Jan Volwerk: „Bob Evers vindt Waterloo in Hoeksche Waard” (De Dordtenaar, 6 oktober 2003)?
Welnu, op 6 september 2008 wist Peter de Zwaan de redactie van de Nieuwsbrief in extase te brengen door te melden dat vermelde woorden inderdaad slechts schíjnbaar historisch waren, want dat Bob Evers Waterloo, de Hoeksche Waard en zelfs De Dordtenaar heeft overleefd! Peter heeft namelijk een geheel nieuwe website en ter ere daarvan heeft hij Bob Evers als feuilleton-feniks uit zijn as laten herrijzen. De titel van het feuilleton, dat officieel natuurlijk niet de naam Bob Evers mag dragen, luidt: „Clandestiene streken op een cruiseschip”.
Op 1 oktober j.l. was het zover: de eerste twee afleveringen van het feuilleton, door de fans hardnekkig BE51 genoemd, zagen het levenslicht op het WereldWijde Web. De reacties zijn over het algemeen positief, dus we mogen concluderen dat Peter heel veel mensen een heel groot plezier heeft gedaan! Er moeten meer en meer feuilletons worden geschreven!
Inmiddels heeft Peter alweer zo’n 22 afleveringen van het feuilleton geschreven.


Esmeralda is gevonden!
In
Nieuwsbrief 31 publiceerden wij een brief van Willem aan een zekere Esmeralda, met wie hij een tweetal boeken zou gaan schrijven, waarvan er een de fascinerende titel „De Man die Vrouwen Begreep” zou dragen.
De redactie vroeg zich toen af, wie die Esmeralda toch was; dankzij intensief speurwerk van Marie-José van den Hout kwamen wij deze dame op het spoor: zij heeft haar fraaie naam aanzienlijk ingekort en gaat tegenwoordig door het leven als Es van Essen; haar beroep (levensgenieter) spreekt ons erg aan en zij houdt een weblog bij, waar o.a. de in de vorige Nieuwsbrief gepubliceerde brief en een hilarisch verhaal over Willem W. Waterman staan. Met dank aan Marie-José!

Interview(tje) met Paul van den Hout.

Op 22 juli j.l. werden de lezers van het Algemeen Dagblad aangenaam verrast door bovenstaand konterfeitsel van Paul van den Hout.
Onder het kopje „Als ik een stratenmaker was, zou ik op tijd stoppen” levert de - hoe toepasselijk! - op straat geïnterviewde tweede zoon van Willem commentaar op het plan van minister Donner om de pensioenleeftijd te verhogen: »Paul van den Hout, vertaler (69), Amsterdam: „Ik heb geen bezwaar tegen zijn voorstel. Toch presenteert deze meneer Donner zijn plannen wel weer erg lomp. Natuurlijk wordt de levensverwachting almaar groter, maar hij vindt het ineens doodnormaal om de pensioengerechtigde leeftijd zomaar op te rekken en aan de mensen op te leggen. Dat kan je niet doen, maar inhoudelijk vind ik het idee zeer bespreekbaar. Meneer Pim zei al: ‘Mensen moeten gewoon doorgaan zolang ze kunnen, daar worden ze alleen maar gelukkiger van.’ Zelf werk ik ook door. Daarnaast drink ik iedere dag gezellig een glaasje en probeer ik van het roken af te komen. Kijk, voor mij is het wat makkelijker om door te werken omdat ik in de vrije beroepensector zit. Maar als ik een stratenmaker was, dan wist ik het wel en zou ik op tijd stoppen.”«

Bob Evers-strip nr. 4 verschenen!
Ach ja, dat goeie ouwe Algemeen Dagblad! Van dat hééle Algemeene, weet u niet? Dat diende als podium voor de voorpublicatie van de eerste vier Bob Evers-strips: achtereenvolgens „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen”, „Kabaal om een varkensleren koffer”, „Avonturen in de Stille Zuidzee” en „Drie jongens op een onbewoond eiland”.
Zoals de ‘welwillende lezer’ - om er maar eens een ouderwetse term tegenaan te gooien - zich ongetwijfeld kan herinneren, was de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief zéér benieuwd naar het vierde, als boek verschenen deel uit de reeks, „De strijd om het goudschip”. Welnu, het resultaat mag er zijn! Al vraagt de redactie zich af, waarom Kanaken in het stripverhaal zijn afgebeeld als een soort Zuid-Europeanen... Zij meent met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te weten dat de term „politieke correctheid” niet in Willem W.’s Woordenboek voorkwam; maar dit gaat nog een stuk verder dan politieke correctheid, het is pure, onversneden geschiedvervalsing!
Ten slotte nog een kleine opmerking voor de mensen die menen dat uw redactie niet tot vier kan tellen: de eerste, in het Algemeen Dagblad afgedrukte Bob Evers-strip, volgens een scenario van Koen Wynkoop, lijkt de term voorpublicatie niet te verdienen, want ze is nooit in boekvorm verschenen; daarom torst „De strijd om het goudschip” het nummer 4 in de reeks...

Eppo.
Zoals reeds in Nieuwsbrief 31 werd aangekondigd, mag het m.i.v. januari 2009 weer opgerichte stripblad Eppo de voorpublicatie van het volgende deel uit de stripreeks, „Een overval in de lucht”, verzorgen.
Een en ander werd kort voor de kerst nogmaals bevestigd door de inmiddels bijna tot een traditie geworden, onderstaande kaart van Willem Hageman (De Boekenhalte), getekend door niemand minder dan Hans van Oudenaarden. Deze kaarten zijn zelf al een gewild collector’s item geworden!
En op 28 januari 2009 was het dan zover: Eppo was (en is) terug!
Met inderdaad een eerste aflevering (van in totaal 23) van een verhaal dat „Overval in de lucht” heet. Waar is het lidwoord gebleven? De scenarioschrijver van de vorige delen, Frank Jonker, opereert nu blijkbaar onder een schuilnaam; als pseudoniem heeft hij niet de naam „Blatski” gekozen, zoals zijn collega in Hollywood, maar „Frank Jonkers”. Hieronder het allereerste plaatje uit de strip, een zeer geslaagde sfeer-impressie van het Amsterdam van de late jaren ’40, al vraagt de redactie van de Nieuwsbrief zich af of die tram zonder bovenleiding kan rijden...


© Frank Jonker(s), Hans van Oudenaarden, Stripblad Eppo.



Bob Evers leeft nog steeds!
Sinds begin dit jaar kun je bij Albert Heijn voetbalplaatjes krijgen; dat kan nauwelijks iemand ontgaan zijn: spaar je ze niet zelf, dan word je op z’n minst wel bij de kassa of de uitgang lastig gevallen door jongetjes die maar al te graag bereid zijn om die plaatjes van je over te nemen! Eind januari kwam Albert Heijn natuurlijk ook met een verzamelalbum op de proppen; bij alle Eredivisieclubs zijn wat attributen in de clubkleuren afgebeeld; zo heeft iedere club wel eigen dekbedden, maar lang niet alle clubs hebben blijkbaar voldoende eigen parafernalia om een bladzijde in het album te vullen. Maar wie schetst onze verbazing, als we op de pagina’s van NAC Breda de ruggen van o.a. „Drie jongens op een onbewoond eiland” en „Een speurtocht door Noord-Afrika” zien prijken? Zo zie je maar, dat je Bob Evers werkelijk óveral tegenkomt!


En ook in „De jaren ’70” van Jack Botermans en Wim van Grinsven (afbeeldingen rechts) treffen we vijf Bob Evers-voorkanten van Van Giffen en Moriën aan! Dat wekt iets minder verbazing, maar waarom komen we Bob Evers niet tegen in „De jaren ’50” noch in „De jaren ’60” van hetzelfde auteursduo?

Blijvende Herinnering en Een Speurtocht door Amsterdam.

Nog beperkt verkrijgbaar zijn de gratis boekjes (16 pagina’s in kleur met voorop het illustere Bob Evers Genootschap) met de puzzeltocht door Amsterdam, zoals die door de deelnemers aan de lustrumbijeenkomst op 9 december 2007 is afgelegd; de puzzeltocht kan door individuele deelnemers ook nu nog worden afgelegd. Ze zijn slechts tegen vergoeding van de portokosten à € 1,76 te verkrijgen bij Ton Kleppe.
Datzelfde geldt voor de Blijvende Herinnering aan die dag, de plaquette van 18 x 13 cm in kleur met standaard zoals hiernaast afgebeeld. Hieraan zijn wat meer kosten verbonden: € 15,00, maar wel inclusief verzendkosten.



De redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief is bijzonder trots op de heerlijk nostalgische bijdrage van de kersverse winnares van de AKO-literatuurprijs: Doeschka Meijsing! Deze zus van Genootschapsbestuurslid Geerten Meijsing won genoemde prijs met haar roman „Over de liefde”, die overigens op 21 december 2008 op Radio 1 als hoorspel te beluisteren viel (met o.a. Ariane Schluter en Carine Crutzen, in een bewerking van Renée van Marissing), hetgeen minimaal één buitengewoon honorair lid van het Bob Evers Genootschap in vervoering zal hebben gebracht. Wij zijn Doeschka dankbaar dat zij tijd heeft kunnen vrijmaken om haar liefde voor Bob Evers nogmaals met ons te delen!
Naast de bijdrage van Doeschka ontbreekt ook ditmaal de column van Geerten Meijsing, Onder het vergrootglas niet; verder de traditionele column van Gert Huber, een gastcolumn van Carola Poley en een artikel over de Zazous van redactielid Roger Schenk.

De redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief wenst u - zij het ietwat aan de late kant - het allerbeste voor 2009 en maakt tevens van de gelegenheid gebruik om te melden dat de eerstvolgende Nieuwsbrief, nr. 33, in juli 2009 zal verschijnen.
Kopij graag inzenden uiterlijk in de maand juni 2009 naar nieuwsbrief@apriana.nl.






Overgewicht
Gert Huber


Dus dien ik een aanklacht tegen Jeffries in en dan moet ik hem er weer uitpraten? Kan niet! Ik sla een figuur als een idioot! Eerst een aanklacht indienen en je dan weer vergissen.


Tekst van de fulminerende kolonel Prins, even voor zijn gang naar Canossa, zij het dat zijn Canossa Alkmaar heette en dat paus Georgius VII was gereïncarneerd als een inspecteur der politie, een ex-luitenant van de kolonel. Van der Heide heeft het onwrikbare karakter van de oude Prins op diverse plaatsen zorgvuldig beschreven en de moeite die het Jans vader kost om een modderfiguur te slaan is uiterst geloofwaardig neergezet.
Afgelopen zomer kwam deze scène sterk bij me op, dat zat zo:

Samen met mijn broer bracht ik zijn vrouw en onze moeder naar hun beider bestemmingen: mijn schoonzuster naar Schiphol om op vakantie naar Aruba te gaan, mijn moeder naar Den Helder voor een weekje Texel met haar vriendinnenclubje. Schoonzus is niet beter dan de meeste andere vrouwen en heeft grote moeite haar bagage tot de maximale twintig kilogram te beperken. Door de indringende bemoeiingen van mijn broer, wiens gedetailleerde aanwijzingen door de buren drie huizen verder te horen waren, was het gewicht van de kofferverzameling teruggebracht tot maar even boven het maximum. Zijn vrouw kwam met een nijdig gezicht naar beneden en verklaarde ongevraagd dat haar vakantie nu reeds bedorven was - je kunt toch niet naar een tropisch eiland met niet tenminste vijf cocktailjurkjes en vier paar schoenen?

Na een zwijgzame reis op Schiphol aangekomen, wijst de meter van de weegschaal bij de incheckbalie ruim over de dertig kilo aan. Niet genegen om de forse toeslag voor overgewicht te betalen, begint mijn broer een lange discussie met de baliemedewerkster, om te beginnen betogend dat de weegschaal defect is om al spoedig daarna de deskundigheid van de geüniformeerde dame luidkeels in twijfel te trekken.
Ondanks de cursus Omgaan met Agressie, die de inchecklady zich duidelijk probeert te herinneren, wordt haar gezicht steeds roder als haar met bewonderenswaardige kalmte uitgesproken argumenten door een steeds bozere en heftiger zwetende broer worden neergesabeld.

Meer dan zijn woede doet de steeds verder aangroeiende, opruiige rij achter hem de bloem van de KLM overstag gaan. Zonder nog een woord te zeggen labelt ze de koffers en duwt ze met sadistisch geweld de band op, kennelijk hopend dat er breekbare zaken in zitten.
Broer neemt in triomf afscheid van zijn vrouw en loopt met verende tred voor ons tweeën uit naar de parkeergarage, klaar om moeder naar de punt van Noord-Holland te brengen, maar eenmaal bij de auto mist zij haar enige koffer met verschoning voor Texel.

Het gezicht van de grondstewardess lichtte op van vreugde en leedvermaak, toen mijn zeer kleine broer haar kwam uitleggen dat er een koffer te veel ingecheckt was. Anders dan inspecteur Jansen had broerlief geen pokerface maar het schaamrood op de kaken. Hij is net zo’n BE-adept als ik, maar mijn met ingehouden lachen geuite gedachtesprong naar de Canossa-gang van kolonel Prins vermocht hem niet in een betere stemming brengen.

Na een ruime vertraging verliep de reis naar Den Helder zonder verder ongerief, maar het duurde tot voorbij Alkmaar voordat mijn broer weer met ons wilde praten.





Het Callenbach-contract
Roger Schenk & Ton Kleppe


In „Het Verschijnsel Bob Evers” heeft John Beringen een niet onverdienstelijke poging gedaan om de inkomsten van Jan, Bob en Arie te berekenen. Maar een minstens net zo interessante vraag is natuurlijk wat hun geestelijk vader, Willy van der Heide, zoal verdiend heeft.
De bibliografie is inmiddels min of meer compleet in kaart gebracht; zie voor het meest recente overzicht het
supplement bij Nieuwsbrief 27. Helaas zijn de meeste en uiteraard de voornaamste boeken van Willem verschenen bij De Eekhoorn, en uitgerekend die uitgeverij kan of wil ons geen inzage in haar archieven geven; in 1968 deed Willem afstand van al zijn rechten op de Bob Evers-serie, en toucheerde daarvoor vermoedelijk een bedrag van ƒ 60.000,- (zie Nieuwsbrief 28). Voor de rest blijft alles natuurlijk giswerk.
Van slechts één uitgeverij hebben wij inmiddels een contract kunnen achterhalen: van uitgeverij Callenbach te Nijkerk, inmiddels ondergebracht bij Uitgeverij Kok te Kampen. Helaas is er bij Callenbach slechts één boek van Willem verschenen, in een oplage van 5.000 exemplaren.
Uitgeverij Kok was zo aardig ons onderstaande documenten, een kopie van het contract plus een archiefkaart waarop het aantal exemplaren vermeld staat, ter beschikking te stellen, waarvoor uiteraard onze hartelijk dank! Om privacyredenen heeft de uitgeverij evenwel de bedragen doorgehaald; wij hebben gemeend die beslissing te moeten respecteren en laten daarom het contract slechts met doorhalingen zien. Maar wie goed kijkt...



Ervan uitgaande dat het in het contract genoemde honorarium een redelijk gemiddelde is, kan eenieder vervolgens zelf uitrekenen hoeveel Willem ongeveer verdiend moet hebben met het schrijven van boeken; zijn honoraria voor vertaalwerk laten we even buiten beschouwing. Bedenk wel dat Willem ergens vertelt dat Stenvert goed betaalde, dus misschien wel meer dan andere uitgevers. Daar staat dan weer tegenover dat Willem niet bepaald op ideële gronden bij het oer-christelijke Callenbach terecht zal zijn gekomen! In het begin zal Willem ook bij Stenvert minder hebben verdiend dan tegen het einde van de Bob Evers-serie, maar in 1954 (het jaar van het Callenbach-contract) had Willem al een heel behoorlijke naam opgebouwd, die hij bij Callenbach (en andere uitgevers) te gelde kon maken!
Wij noemden al eerder het artikel van Lex Verhoeven en Roger Schenk in Nieuwsbrief 28). In het bewuste artikel zagen wij de persoonskaart van Willem, waarop al zijn officiële adressen prijken. Dat het adres waar Callenbach het contract naar toe stuurde, Acaciastraat 106 in Den Haag, nooit een officieel adres van Willem is geweest, zal inmiddels niemand meer verbazen! Dat was de woning waar hij langst heeft gewoond, Hugo de Grootstraat 26, per slot van rekening ook niet. Wij blijven echter met de vraag zitten: heeft Willem ooit (officieus) in de Acaciastraat gewoond, of was dit adres slechts een postadres? Officieel woonde Willem in die periode op de „Maia”; het kan opperbest zijn dat Callenbach maling had aan Willems inktzwarte verleden en reputatie, maar een schrijver die op een woonboot woonde in plaats van in een fatsoenlijk huis, tja, dat ging wellicht wat al te ver...





Inspiratie uit het oosten?
Roger Schenk


Tijdens een verloren moment, zo tussen twee Nieuwsbrieven in, zat ondergetekende wat oude
Tatort-afleveringen te bekijken. Aflevering 253 was de eerste die in de voormalige DDR - om precies te zijn: in Dresden - was opgenomen; zij werd uitgezonden op 19 januari 1992. De aflevering begint ergens in een zandafgraving waarin een hoop autowrakken is gedumpt...
Bob Evers-deel 40 verscheen in 1993 en was het eerste avontuur van Jan, Bob en Arie in de voormalige DDR; en... ook dat avontuur start ergens in een zandafgraving waarin een hoop autowrakken is gedumpt. Zou dit toeval zijn, of zou Peter de Zwaan ook wel eens een Krimi bekijken? Het avontuur van Jan, Bob en Arie gaat dan overigens verder over uit auto’s gestolen motorblokken, de aflevering van Tatort over een zedenmisdrijf.
Maar ja, dat begin in die zandafgravingen, hè?
Er zijn inmiddels 21 afleveringen van Tatort in Dresden op genomen en 28 in Leipzig; in de eerste 45 afleveringen wordt de rol van Kommissar Ehrlicher gespeeld door Peter Sodann, die wij anno 2009 weer tegenkomen, maar nu als kandidaat van Die Linke voor het ambt van Bundespräsident. De kans dat Peter Sodann (* 1 juni 1936 in Meiβen) een Bob Evers-fan is, is minstens net zo verwaarloosbaar klein als die dat hij op 23 mei a.s. daadwerkelijk gekozen wordt, maar het is zeker geen geheim dat hij een hartstochtelijk vereerder is van Karl May. Zo is het te verklaren dat een van die Tatort-afleveringen (nr. 418: „Auf dem Kriegspfad”) zich afspeelt in en rond Villa Shatterhand en Villa Bärenfett in Radebeul; verder nam Peter Sodann samen met de bekende auteur Erich Loest de documentaire „Karl May reist zu den lieben Haddedihn” op en is hij sinds 2006 voorzitter van de Silberbüchse e.V., een vereniging die zich inzet voor het behoud van het Karl-May-Haus in Hohenstein-Ernstthal en het enthousiast maken van komende generaties voor Karl May. Voor een dergelijke vereniging kunnen „wij van het Bob Evers Genootschap” natuurlijk alle sympathie opbrengen, omdat wij min of meer dezelfde doelstelling hebben met betrekking tot de literaire nalatenschap van ónze schrijver!
Met het noemen van de naam Karl May heb ik eigenlijk mijn eerdere vraag Zou dit toeval zijn, of zou Peter de Zwaan ook wel eens een Krimi bekijken? al beantwoord: volgens Karl May bestaat „toeval” niet, een mening die overigens al gedeeld werd door niemand minder dan Willy van der Heide!
En daarmee zijn alle cirkeltjes mooi rond! En cirkels die ik eenmaal gevonden heb, moet je niet verstoren... (Vrij naar Archimedes).


Tatort-Kommissare Ehrlicher (l., Peter Sodann) en Kain (r., Bernd Michael Lade).






De ultieme liefdesbrief
Marie-José van den Hout


Natuurlijk, je hebt brieven en brieven. In mijn leven heb ik er talloze ontvangen en geschreven. Ook liefdesbrieven. Mooie, in een schitterend handschrift, kom daar tegenwoordig nog eens om. Maar ook per e-mail kun je fraaie brieven schrijven. Iedereen doet daar zo laatdunkend over, maar dat is mijns inziens onterecht. Echter, het verrassingselement is wel minder.
Op een grauwe door-de-weekse dag een licht getinte enveloppe op je vloermat vinden, met jouw naam in welgevormde, gekalligrafeerde letters, met rechts boven een exclusieve postzegel, je grijpt voorzichtig naar je briefopener, maar nu al kan je dag niet meer stuk.
De liefdesbrief is volgens mij het grootste juweel en het minst belichte verleidingselement in een ontluikende liefde. Grote en mindere schrijvers hebben zich eraan overgegeven, de Franse literatuur wemelt ervan.
Neem bijvoorbeeld de Middeleeuwse liefdesbrieven van Abélard en Héloïse, of de meer dan 1200 brieven die Madame de Sévigné schreef aan haar afwezige dochter, of de 40.000 brieven die Juliette Drouot en Victor Hugo elkaar schreven, of, dichter bij huis, de driehonderd brieven die Simone de Beauvoir tussen 1947 en 1964 schreef aan haar transatlantische liefde, de Amerikaanse schrijver Nelson Algren. Stuk voor stuk zijn het, historisch gezien, tevens geweldige informatiebronnen.
De Franse taal, de mensen, hun hartstochtelijke instelling maar vooral hun manier om hun gevoelens te uiten, dit alles vergemakkelijkt hun epistolaire uitingen. Zeker toen vroeger het enige communicatiemiddel de brief was, al dan niet per koerier of, zoals later, bezorgd per post. Het Franse Gemoed loopt over van de overdrijvingen en ze zijn zo waanzinnig mooi dat niet één rechtgeaarde vrouw hier ook maar enige weerstand aan kan bieden.
Een Nederlander zit anders in elkaar. Je hoort altijd over zijn nuchterheid en zo, dat vind ik flauwekul, hij heeft toch ook gevoelens, denk ik dan. Maar het brieven schrijven is niet zo ingeburgerd in onze cultuur, de handschriften zijn minder fraai, het uiten van je gevoelens is iets wat kwetsbaar maakt, dus doet men het niet. Maar misschien heeft de Nederlander niet zulke Hoogdravende Gevoelens. Toch moet ook hij een warm kloppend hart hebben... het is genoeg dat voor zichzelf te laten spreken.

Toen ikzelf begin jaren vijftig in Tanger woonde, ontving ik een brief van een bevriend kunstenaar uit Parijs. Ik had hem een jaartje eerder leren kennen toen ook hij voor het eerst in Tanger was. Op zijn beurt raakte hij zo verrukt van die stad dat hij zich er graag wilde vestigen. Zijn naam is Jean-Claude (zie de link op mijn
website, Jean-Claude FARJAS, neo-realistisch schilder *), een in Parijs wonende Fransman die maar dan ook niet één woordje Nederlands sprak noch schreef.. Van deze Fransman-die-niet-één-woord-Nederlands-kende ontving ik desondanks de volgende bevlogen liefdesbrief in foutloos Nederlands.


Geestig is-ie zeker, toen ik ’m destijds dan ook terugvond tussen allerlei spulletjes van vroeger, had ik de verleiding al niet kunnen weerstaan ’m op mijn website Gelukkig Gisteren te plaatsen... onder de rubriek *Uit de oude doos*. De brief dateert uit 1953 ... en het P.S.’je betekent zoiets als: „Daar heb je niet van terug, hè?”

*

* 31/05/1924 , † 21/02/2002.
Blijkbaar is de naam Farjas, benevens de omstandigheid dat hij naar Marie-José in Tanger reisde, in Willems gedachte blijven hangen, want als hij een kleine tien jaar later op zoek is naar een naam voor een van de hoofdrolspelers in een avontuur dat in een andere stad in Marokko speelt („Cnall-effecten in Casablanca” en „Een zeegevecht met watervrees”), verbastert hij deze naam tot Fargas: de man die zich zo gezellig met Dinky Toys kan amuseren op een terras. Of de werkelijke Farjas Marie-José bezocht met een door midden gescheurde folder over Tanger op zak, vermeldt de historie helaas niet; wél kunnen wij ons aan de hand van bovenstaande foto’s een beeld vormen van een van de Cnall-kidnappers.







„Ze is zo lekker gewoon gebleven...”
Carola Poley


Mijn favoriete personage uit de Bob Evers-serie is de blondine uit „Tumult in een toeristenhotel”, Lilian Peters: als vrouw begrijp ik haar! Ook anderen begrepen haar: Dat was iets wat Carlotta begreep. Op de vlucht of niet, haar handlangers bedriegen of niet... als een vrouw geen poeder meer heeft of haar lipstick is zoek, moet de voorraad worden aangevuld. En het gaf Carlotta de kans waar ze op wachtte.... Ook een schrijver, uit wiens pen of toetsenbord dergelijke woorden vloeien, wekt op z’n minst de indruk dat hij vrouwen begrijpt!
Er waren wel meer mensen die de indruk hadden dat de auteur, die wij leerden kennen onder de naam Willy van der Heide, begrip had voor vrouwen en meisjes! Was híj het niet die de complete redactie van de Margriet in de luren legde door zich als „Sylvia Sillevis” te afficheren als „eindelijk een schrijfster in Nederland die de meisjesziel begrijpt”?
Inmiddels word je wat ouder en dus - helaas! - noodzakelijkerwijs ook wat wijzer, je leest hier en daar wat over de schrijver, die in werkelijkheid helemáál niet Willy van der Heide bleek te heten, die in de oorlog helemáál niet zo’n fijne rol had gespeeld en die tot overmaat van ramp helemáál niet zoveel begrip had voor vrouwen! In een van de weinige bewaard gebleven interviews durft hij over collega-schrijvers te beweren: „Man, je práát wel over vrouwen, maar je hebt er absoluut geen verstand van!” Nee, neem dán die aardige Willem, die volgens de vorige Nieuwsbrief ooit nog het stoute plan had opgevat om een boek uit te brengen onder de veelzeggende titel „De man die vrouwen begreep”!
Nog steeds waren er vrouwen die Willem een zeker mate van begrip toedichtten... Terwijl hij toch zijn eerste vrouw met twee kleine kinderen had laten zitten en ook mevrouw Van den Hout nummer 2 en 3 niet echt als een gentleman heeft behandeld! Hij gaf, niet alleen in de Bob Evers-serie, maar ook in andere boeken (waarvan „Dikkie en de dingen die branden” het beste voorbeeld is) al dan niet tussen de regels door en al dan niet ongevraagd, allerlei briljante pedagogische adviezen... Terwijl hij zelf bepaald niet zo’n brave, beste huisvader was!
Maar goed, terug naar Lilian dus. Vanwaar toch die fascinatie voor deze vrouw, die nota bene een misdadigster was en die die arme, onschuldige Jan kidnapte? Misschien speelt toch onbewust bovenstaande omschrijving mee: midden in een avontuur een parfumerie inlopen, ja: Lilian is een normale vrouw, die wij als normale vrouwen maar al te goed kunnen begrijpen! Er komen natuurlijk tóch al bar weinig vrouwen voor in de serie en ik kan de mannelijke lezers verzekeren: het is bijzonder lastig om je als vrouw te identificeren met een slangendanseres, een tante die afschuwelijke sla klaarmaakt of een filmster die hersens te weinig, maar een Pekinees te veel heeft!
Wellicht speelt ook een of andere vorm van medelijden mee: Lilian is van het diamanten smokkelende kwartet zonder meer de intelligentste, maar juist zíj wordt op alle mogelijke manieren bedrogen door haar handlangers. O, niet dat zij niet exact hetzelfde trachtte te doen, daar niet van, maar je leest toch gewoon niet graag hoe domme mensen de slimme mensen te sluw af zijn, zeg nou zelf.
Waar ik als kind niets van begreep, was die rare ambiguïteit bij Willy: eerst is hij - bij monde van Carlotta - nog zó vol begrip voor Lilian, en later laat hij haar in die akelige loods nat spuiten! Ik kan me nóg de verontwaardiging voor de geest halen die ik als kind opvatte bij het lezen van deze scène! Misschien dat de een of andere lezer zich verbaasde over het woord „helaas” dat ik gebruikte bij de constatering dat je bij het ouder worden noodzakelijkerwijs ook wijzer wordt: welnu, wij vrouwen hebben de naam om onbegrijpelijk en wispelturig te zijn, maar als ik in mijn leven íéts heb geleerd, is het wel dat mannen datzelfde zijn... maar dan in het kwadraat!
Nee, geef mij dan maar liever mijn kinderlijke „verering” voor Lilian Peters: de ene avond mollig, een dag later slank en blond, maar altijd op en top vrouw!





Zazou
Roger Schenk


In de Carola’s column - hè, wat een zalige alliteratie! - hierboven werd de Pekinees van Lalou Lalonde al kort aangehaald; de kenner weet dat het mormel naar de schone naam „Zazou” eh... niet luisterde.
Rare naam, Zazou: Hebreeuws voor „rust”. Weinig rust, zo’n kefgeval!
Maar in het interview met Pamela Koevoets
** vertelt Willem: „Ene meneer Hofland, de vroegere gewezen (sic!) hoofdredacteur van het Handelsblad, heeft heel lang geleden over mij geschreven dat ik de eerste der Zazous was in Nederland. Nou, dat wás wat! Zazous!!! Onmiddellijk na de bevrijding had je de Zazous; dat was nog vóór de Teddyboys, vóór de provo’s en alles.’
De Zazous worden in het bewuste artikel van H.J.A. Hofland *** ook genoemd als voorlopers van de provo’s; en toch moeten we voor de geschiedenis van de Zazous niet in Nederland zijn, waar nauwelijks sprake was van een Zazou-beweging, maar in het land van Lalou... nee... Marianne.
In Frankrijk bestonden de Zazous al vanaf het begin van de Duitse bezetting; Zazous waren jongeren die hun afkeer van het nationaal-socialisme en de collaborerende regering van Pétain uitdrukten middels het organiseren van dansfestijnen, hetgeen hen in conflict bracht met de bezetters en, zij het in mindere mate, met de Vichy-regering; dat laatste heeft natuurlijk te maken met het feit dat Zazous weliswaar overal in Frankrijk werden aangetroffen, maar dat ze zich concentreerden in en rond Parijs. Hun voornaamste ontmoetingsplaats was dan ook het terras van Café Pam Pam (Champs Elysées) en rondom de Boul’ Mich, waarbij aangetekend dient te worden dat de Zazous rondom de Champs Elysées veelal ouder waren en meer uit de middenklasse stamden dan hun naamgenoten uit het Quartier Latin. Laatstgenoemden waren vooral te vinden in kelderclubs (Capoulade, Dupont-Latin). Behalve hun naam, die afgeleid is van het lied „Zaz Zuh Zaz” van Cab Calloway, werden beide Zazougroepen gekenmerkt door dezelfde kledingstijl: de mannen gingen gekleed in vaak felle, maar in elk geval oversized kleding (niet ongelijk aan de zgn. zoot suits, die in het Amerika van de jaren ’30 populair waren onder Afro-Amerikanen en andere immigranten), bij voorkeur geïmporteerd uit Engeland of Amerika; hun haardracht was lang, een pure provocatie ten opzichte van de Vichy-regering, die verordonneerde dat iedereen kort haar moest dragen, en die - net als in bezet Nederland - kleding en stof op de bon had gedaan. Vrouwelijke Zazous daarentegen droegen korte rokken, gestreepte kousen en zware schoenen. Om te protesteren tegen de deportaties van Joden droegen grote groepen Zazous Davidssterren met het woord Zazou erop in plaats van Juif (Jood). Maar het meest opvallende kenmerk van de Zazou was toch wel de onder alle omstandigheden dichte paraplu onder de arm, of het nou regende of woei.


Een typische Zazou: een oversized geruit jasje, een slungelachtige houding en de
gesloten paraplu. Het Clark Gable-achtige snorretje was populair onder Zazous, maar
net zo min „verplicht” als een grote, zwarte bril en schoenen met dikke zolen.


De Zazou luisterde naar swingmuziek en (later) naar bebop; de vergelijking met de beroemde Swing-Jugend in Duitsland ligt dan ook voor de hand. Toen de Joden eenmaal uit Frankrijk gedeporteerd waren, vormden de Zazous een geliefd doelwit voor de Jeunesse Populaire Française, de nationaal-socialistische jeugdbeweging. Door hun non-conformistische houding maakten de Zazous zich na de bevrijding van Parijs echter verdacht, of liever gezegd ongeliefd, bij de Franse communisten; wat de nazi’s niet voor elkaar kregen, kregen hun opvolgers dus wel voor elkaar: de Zazous verdween uit het straatbeeld.
Later treffen we term Zazous aan voor Franse swingliefhebbers in het algemeen.


Dat er in de jaren ’40 in ons kikkerlandje inderdaad ook non-conformisten rondliepen, die zich verwant voelden met de Zazous, zal ongetwijfeld, maar dat er hier te lande op grote schaal Zazous bestonden, is een Hineininterpretierung achteraf. Sociologen menen zo de plotselinge verschijning, twee decennia later, van de provo’s te kunnen verklaren.
Eén van die non-conformisten is inderdaad Willem van den Hout, ook wel bekend onder de namen Willem W. Waterman en Willy van der Heide. Zijn voorliefde voor swingmuziek is legendarisch; er zijn mensen die in zijn werk voor De Gil en de Radio Gil-Club een soort van non-conformistische houding zien. Politiek gezien was de man een onbenul, mogen we met een gerust hart vaststellen, dus ik geloof niet zo in de pro-Duitse houding die hem na de oorlog in de schoenen werd geschoven, maar evenmin in de anti-Duitse houding die hij zichzelf toedichtte: zijn werk voor de radio bood hem gewoon de mogelijkheid om gezellig wat swingplaatjes te draaien en, wat misschien nog belangrijker was, op een legale manier op de kop te tikken. In zoverre zou je Willem inderdaad een Zazou kunnen noemen.

Politieke prent uit de jaren ’40:
„De J(eunesse) P(opulaire) F(rançaise):
En wat dacht meneer van een kleine haarwassing?”

W.H.M. van den Hout, onze eigen Nederlandse „Zazou”, in zijn jonge jaren; hier nog niet uitgerust met een hele of halve versie van het type snor „waar agogen met baarden instinctief kwaad over worden”, maar inderdaad meer het „Clark Gable”-achtige exemplaar.
© foto: Marie-José van den Hout.

De chansonnier Johnny Hess (die een tijdlang een duo vormde met de veel bekendere Charles Trenet) schijnt verantwoordelijk te zijn geweest voor de naam Zazous: in het lied „Je suis swing” luidde het refrein Za zou, za zou, za zou, za zou ze, in navolging van Cab Calloways song, die hierboven al genoemd werd; in 1942 wijdde Hess nog een ander chanson aan de Zazous, „Ils sont zazous”, op een tekst van Maurice Martelier:
     Les ch’veux frisottés,
     Le col haut de dix-huit pieds,
     Ah! Ils sont zazous!
     Le doigt comm’ça en l’air
     L’veston qui traîne par terr’
     Ah! Ils sont zazous!
     Ils ont des pantalons d’une coupe inouïe
     Qui arrivent un peu au d’sous des g’noux
     Et qu’il pleuve ou qu’il vente, ils ont un parapluie,
     De gross’s lunett’s noires et puis surtout,
     Ils ont l’air dégoûté.
     Tout ces petits agités
     Ah! Ils sont zazous

Tenslotte mag niet onvermeld blijven, dat de Belgische new wave-band rondom zanger Arno Hintjes, TC Matic, op zijn album Apache een song „Les Zazous” opnam, maar vooral dat de Pet Shop Boys de Zazous bezingen in hun liedje „In the night” (de B-kant van dit hit „Opportunities” uit 1985): in deze song vraagt zanger Neil Tennant zich af of politieke apathie niet gelijk staat aan collaboratie, een vraag die onlosmakelijk verbonden is met de beoordeling van Willems handel en wandel gedurende de oorlog.

**

VARA-radio, 28 september 1974; de integrale tekst van het interview kunt u nalezen in John Beringen, „Het Verschijnsel Bob Evers” (Breda, 1993, pp. 21-27) en John Beringen, „Bob Evers’s Laatste Ereronde” (z.p., 2000, pp. 45-51).

***

Hofland, Hendrik Johannes Adrianus - Van zazou tot provo, in: De Gids: nieuwe vaderlandsche letteroefeningen, 1966 (1), pp. 3-8.







Wèg Nederland
Doeschka Meijsing


          Jaren geleden schreef ik dat de eerste wet van een jeugd- of kinderboek moest zijn dat de jongens en meisjes ’s morgens vroeg op pad gaan, uitgezwaaid door hun ouders, grootouders of tante en dat ze aan het eind van de dag weer op huis aangaan, waar hun opvoeders hartelijk staan te wachten om te luisteren naar hun avonturen. De werkelijkheid was geheel anders. Je kon smeken en zeuren totdat je eindelijk buiten mocht spelen en als je ’s avonds thuiskwam was er geen mens die geïnteresseerd was in je verhalen en kon je een draai om je oren krijgen omdat je te laat was.
          Gelukkig waren er boeken die van de werkelijkheid afdwaalden. Bijvoorbeeld de Bob Evers-serie. Dat ging over drie jongens die al betrekkelijk oud waren, ze zaten in de laatste klassen van de middelbare school, ze hadden vakantie en hun familie trok bij wijze van spreken naar de Rooseveltlaan in Amsterdam om hen uit te wuiven en nog gauw een stuk chocolade toe te stoppen. Jan, Bob en Arie heetten de drie. Eén van hen was Amerikaan. Ze stoven in een auto het avontuur tegemoet, om boeven en oplichters, hufters en criminelen het leven zuur te maken. Dat kon op de Veluwe zijn, op de Kagerplassen of, later, in Mexico en Panama. Dat was altijd een veelbelovend begin.
          Een halve eeuw later, in 2008, merk je dat de boeken die zich in Nederland afspelen, meer indruk maken dan die in verre vreemde landen. Dat komt omdat de factor heimwee een belangrijke rol speelt. De boeken weerspiegelen het naoorlogse Nederland, toen de meeste mensen nog geen eigen auto hadden, men zich per fiets of trein verplaatste en de vakanties nog doorbracht in caravans aan Nederlandse wateren, waar je nog voor een prik een broodje of een cola kon kopen bij elke bakker in het kleinste dorp, waar het vooral stil was, zo stil als het nooit meer zou worden, en donker, zo donker als de nacht. Dat donker en die stilte komen nooit meer terug. Ik denk dat een Nederlands kind van nu helemaal niet weet wat echte duisternis, waar je geen hand voor ogen ziet, is. Ze kunnen zich er misschien helemaal geen voorstelling van maken. Overal zijn er lantaarnpalen, kassen, autosnelwegen, fabrieken en dorpen en steden en tegen het voortdurende lawaai zijn er geluidsmuren, die het uitzicht op het landschap (behalve misschien in de provincies Groningen en Friesland) bederven. Wèg Nederland.
          Daarom beschouw ik de Bob Evers-serie als een van de beste beheerders van een landschap dat nergens anders bestond dan hier, dat door licht beschenen dat nergens anders bestond dan hier (onze landschapschilders uit de 16de en 17de eeuw, zoals Jan van Gooyen, Ruysbroeck en Albert Cuijp zijn de écht grote namen in dit rentmeesterschap). En zelfs op de Veluwe kan men de stilte niet meer horen, omdat er altijd een of andere autoweg doorheen dendert.
          Het dondert niet. We hebben altijd nog onze onzichtbare herinneringen, die ons uitwuiven als we met zeventig kilometer per uur de A4 oprijden, de met steentjes belegde snelweg naar het zuiden, met in het midden en strookje groen tussen ons en de tegenliggers en overal op het groen langs de weg de families met kinderen, picknickmanden en luie zonnestoelen, die daar het nieuwe verschijnsel van het ‘Bermtoerisme’ vertegenwoordigden.





Onder het vergrootglas (nieuwe serie 5) :
Het mysterie van de Hollandse krant en de goede sinaasappeloogst

Geerten Meijsing


Een van de beste bijfiguren die Willy van der Heide heeft gecreëerd is Wynandus Wichert Poortstra, geboren te Warfum in Groningen op 18 januari 1907, later naar Meppel verhuisd en daar een zaakje begonnen in...
Het is een interessant gegeven waarmee „Vreemd krakeel in Californië” begint, iets uit een thriller, of een ouderwetse Agatha Christie: een aantal mensen die absoluut niets met elkaar gemeen hebben, wordt gekidnapt en in een kelder opgesloten. Het is een bont gezelschap. Daar is de onschuldige maar slimme Arie Roos, die even een luchtje wou scheppen op Sunset Boulevard, en daarbij een watermeloen en een Hollandse krant kocht; een grijze, nietszeggende, zure kantoorklerk (op het eerste oog de meest verdachte van het stel); de sexy slangendanseres Vera Vitella (‘Slangendanseres? Danst U als een slang?’ - ‘Nee. Ik dans mét slangen - Ratelslangen. In nachtclubs.’); een bebop-trompettist in modieuze kledij die overal lak aan heeft; en dan die wat oudere Hollander met wandelstok in veel te warm driedelig pak met een stijve witte boord en een ouderwetse das met een dikke knoop. Hij verstaat geen woord Engels en voelt zich volkomen misplaatst in die omgeving, tot hij in Arie een landgenoot ontdekt, zodat hij ten minste zijn hart kan luchten.
Volgens mij heeft Willy met deze ‘Hollander van het platteland, op zijn zondags gekleed’ een hak willen zetten aan zijn uitgever, de oude Stenvert, te Meppel.
‘Meppel,’ antwoordde de man in het zwarte pak, zenuwachtig slikkend. ‘In Meppel. Ik heb daar een zaakje in jaeger ondergoed en manufacturen. Een heel goed zaakje, jongeheer. Meppel is de stad waar je zo gezellig winkelt en ...’
Dat zijn woorden die je nooit meer vergeet.
De kantoorklerk met het rattenhaar is ook goed getypeerd. Hij had een zuur, ontevreden gezicht en hield de handen in de zijzakken van zijn verfomfaaid pak, met de schouders wat naar voren, als bij iemand die de hoop heeft opgegeven nog ooit van zijn leven iets leuks mee te maken.
Dat is schrijven, zò typeer je iemand in één zin!

Maar die Poortstra spant voor mij de kroon. Poortstra keek zoekend om zich heen, ging zelf een kistje halen, veegde er met de ene hand stof af, breidde er dan een enorme zakdoek op uit en ging omzichtig op het midden ervan zitten - de voeten en de knieën tegen elkaar en de wandelstok tussen zijn schoenpunten geplant, zijn handen om de gekromde kruk. [...] ‘Nee...’ Zei hij. ‘Waarom? Ik ... Wij Hollanders hebben die Amerikanen toch nooit iets gedààn. Zeg nou zelf.’
Al snel blijkt dat geen van de gevangenen vermogend is en dus om een losgeld gekidnapt kan zijn. Maar ook dat zij toevallig allemaal een Hollandse krant hebben gekocht. Dan volgt een kostelijke opsomming van de artikelen in die Hollandse krant: MET INGANG VAN HET NIEUWE JAAR: PTT 33 procent duurder. En: AANNEMERS ZEER ONGERUST De bouwvakker werkt te hard. [...] Schijnwerpers: adjunct-secretaris J.F. Jansen van de Katholieke aannemersbond behoort tot de verontrusten over dit verschijnsel. Hij zegt: ‘Geef Uw ogen maar de kost. In steden en dorpen, overal wordt ’s avonds deze vrije bouw in het licht van schijnwerpers bedreven. De klachten komen uit het gehele land.’
Er is niets veranderd in de kleine wereld van Nederland. BRIEF ZOEK MET HFL 100.000 ZOEK BIJ DE PTT. Willy van der Heide had het kennelijk niet zo op de PTT. En dan tot slot het streeknieuws: TROUWLUSTIGE AVONTURIERS NA WILDE ACHTERVOLGING AANGEHOUDEN.
Het verhoor van Poortstra, bijgestaan door Arie om zijn woorden te vertalen, is ook niet mis. ‘... ik heb nooit van mijn leven iemand een strobreed in de weg gelegd. Altijd heb ik geleefd als een ordentelijk burgerman die op tijd zijn belasting betaalde en altijd wat gaf aan elke straatcollecte. Altijd steek ik op verjaardagen van het Koninklijk Huis de vlag uit en ...’
Arie vindt al snel in de trompettist zijn meest intelligente gesprekspartner. Samen komen ze erachter dat alle gevangenen bij het kopen, om heel verschillende redenen, van die Hollandse krant, een rare opmerking kregen toegevoegd: Vindt u ook niet dat de sinaasappeloogst bijzonder goed is dit jaar? Niemand kan daar chocola van maken, maar samen vermoeden ze dat het een codeboodschap moet zijn, en samen weten ze te ontsnappen. Toch moet een van de vijf de boodschap begrepen hebben: iemand is de mol. Het is allemaal buitengewoon geheimzinnig. Pas op het moment dat ze allemaal vrij zijn, en gezamenlijk op willen trekken naar de politie, houdt de trompettist zich op een afstand en wil zich met de zaak verder niet bezig houden. Hij heeft wel wat beters te doen. Dat vindt Arie verdacht, en hij begint de trompettist, die zich heeft losgemaakt van het gezelschap te volgen.

Vijf mensen die elkaar niet kennen opgesloten in een kelder. Hun fout was dat ze allemaal een Hollandse krant hadden gekocht in Hollywood en ongevraagd een mallotige opmerking te horen krijgen van de krantenverkoper dat de sinaasappeloogst dit jaar bijzonder geslaagd is... Buitengewoon sterk begin van een avontuur dat dolkomisch eindigt als een ouderwetse Hollywoodiaanse gooi-en-smijtfilm. Vera Vitella speelt verder nog een rol die er zijn mag, als een ouderwetse diva, en ook de trompettist komt verder nog aan bod. Maar helaas krijgen we van de arme Poortstra, die zo sterk was neergezet in het begin, niets meer te horen.
Dit is bepaald een van mijn lievelingspassages uit de Bob Evers-boeken, vol naturel geschreven als een komisch toneelstuk, met zeer sterke, levensgetrouwe dialogen.

Ik heb het al vaker gezegd: Willy van de Heide is op zijn best als de handeling eigenlijk stilstaat. Het zijn vooral de nutteloze details die het ’m doen, zoals de uitgeschreven krantenberichten. Smullen! En zonde van die watermeloen, die te pletter is gevallen toen Arie in de auto van de boeven werd gesleurd.





Foto van Joop van den Hout
© Marie-José van den Hout


Joop van den Hout (broer van Willem en
Marie-José, * 23/05/1920 , † 10/06/1975)
op zijn boot in Friesland, niet lang voor zijn dood.







Nieuwsbrief 31
Nieuwsbrief 32 als pdf
Nieuwsbrief 33
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina