Nieuwsbrief nr. 33
ISSN 1386-6451
juli 2009 - 16e jaargang nr. 2



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe en Roger Schenk, buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Jacoba van Heemskerckstraat 7, 3351 SP PAPENDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieTon Kleppe & Roger Schenk
Column: Negerproblematiek in RonduiteGert Huber
Brief van Willem aan een zekere WoutWillem Waterman
Brief aan de hoofdredakteuren ...(anonymus)
Brief aan de hoofdredakties ...(anonymus)
Brief aan Willy van der Heide (afschrift)F. Wegman
Brief aan The Coca-Cola Export CorporationWilly van der Heide
The Musical Play („Het Muziekspel”)Willy van der Heide
(Gast)column: Wie zei dat je in deze tijd geen Bob Evers-avonturen meer kan beleven?Hans van den Boom
Een Hollander in Humbeek (vervolg)Wilfried Igné
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 6) :
Onder het vergrootglas in de zomer
Geerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Ton Kleppe & Roger Schenk


De Bob Evers Nieuwsbrief : nuchter orgaan voor onnuchter Nederland?
Zoals een van onze illustere voorgangers, De Gil, dat onnuchtere orgaan voor nuchter Nederland, ooit een „Speciaal Invasie-Nummer” kende, zal de onderhavige Nieuwsbrief een „Speciaal Brieven-Nummer” zijn: Lex Verhoeven wist in april beslag te leggen op de zogeheten Coca-Cola-brieven van Willem plus een verhandeling over een „Musical Play”; verder doken er nog wat geheimzinnige brieven van en over Willem op, die duidelijk maken dat hij ook in de jaren ’60 nog politieke aspiraties had, die niet zoveel verschilden van zijn ideeën uit de vroege jaren ’40. Enfin, leest u vooral verder.
Behalve de genoemde brieven en de vaste rubrieken als Gert Hubers column (waarvan de inhoud wonderwel aansluit bij Willems gedachtegoed in een der „nieuwe” brieven) en Onder het vergrootglas van Geerten Meijsing is er een gastcolumn, ditmaal van Hans van den Boom. Er is een gemeenschappelijke factor die de columns van Van den Boom en Meijsing met elkaar verbindt...
Niet geheel toevallig vinden we daarom tussen beide laatste columns weer een bijdrage van onze Belgische correspondent Wilfried Igné, zoals die eerder dit jaar verscheen in De Dorpsvriend, het blad van de plaatselijke heemkundige kring van Humbeek.

Clandestiene streken op een cruiseschip
Zoals reeds in de vorige Nieuwsbrief aangekondigd, verblijdde
Peter de Zwaan ons de afgelopen maanden met het feuilleton „Clandestiene streken op een cruiseschip”. Officieel mag het feuilleton natuurlijk - de rechten, weet je nog wel? - niet de naam Bob Evers dragen, maar dat zal de lezers, die genoten hebben van de 38 afleveringen, werkelijk een zorg zijn: voor hen staat het feuilleton bekend als „Bob Evers 51”.
Het mooiste is, dat Peter aankondigde dat er misschien ook nog ooit een „Bob Evers 52” komt, onder de titel „Prijsschieten op een premiejager”. Waarschijnlijk heeft Peter eerst de reacties van de lezers willen peilen; welnu, Peter: die reacties, o.a. op de Bob Evers Mailinglist, waren overweldigend! Een greep hieruit: „Zojuist de eerste 2 afleveringen tot me genomen. En eerlijk is eerlijk: Genoten. Zie uit naar de derde aflevering. De toon van het verhaal spreekt me aan. De (taal)grapjes, het onderlinge gekift. Het feit dat de vaders gaan samenspannen om het leven in strakkere banen te krijgen, maakt dat er iets leuks zit aan te komen. Ben nu al benieuwd wat kolonel Prins in petto heeft, en dan moet de klus van Roos nog geklaard worden.” (Tjalling Bergsma), „Ik kan niet precies zeggen waardoor, maar er overvalt mij een vdH-gevoel.” (Fred ten Kley) en „Ze zijn weer helemaal terug van weggeweest, onze drie starnakelse HBS-bengels!!! Een nieuw feuilleton, een nieuw stripverhaal: de herfst van 2008 kan nu al niet meer stuk!!! Peter BEdankt!!!”
Kortom: als het aan de fans ligt, komt „Prijsschieten op een premiejager” er!

A Hold-Up in Mid-Air
Af en toe komt er nog ouderwetse post binnen bij de burelen van de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief.
Zo plofte half juni een stevig pakket op de deurmat.
Een present-exemplaar van een boek met de titel „A Hold-Up in Mid-Air”, met kleuren stofomslag en keiharde zwarte kaft.
In 2001 dook op een veiling in Zeewolde een typoscript op van „A Hold-Up in Mid-Air”, met als ondertitel „South African setting”. Het bleek een Engelse vertaling door Willy van der Heide te zijn van de eerste twee hoofdstukken van „Een overval in de lucht”. Mark Venema bemachtigde het typoscript en liet een kleine doch schitterend uitziende oplage maken van het originele typoscript voorzien van met de hand er bij geschreven correcties. Reeds in Nieuwsbrief 5 werd de eerste bladzijde van dit typoscript gepubliceerd.
Het boek heeft een kloek formaat van circa 26 x 21 cm (h x b).
De eerste 25 bladzijden omvatten hoofdstuk 1 en 2 van „Een overval in de lucht” en deze worden aangevuld met een samenvatting van de overige hoofdstukken, alles dus in het Engels.
Hierbij een drietal foto’s van de inhoud van dit prachtige boek, dat voor een zacht prijsje te koop is bij Mark Venema.
Een waardevol en zeer te waarderen initiatief van Mark, waarvoor hulde!
De eerste en tweede drukken zijn inmiddels uitverkocht, maar nieuwe drukken staan op stapel. Als bijzonderheid kan nog vermeld worden dat aan de tweede druk een voorwoord van Marie-José van den Hout toegevoegd is.
Nadrukkelijk zij er op gewezen dat de uitgave tot stand is gekomen met instemming van dhr. Stenvert van Uitgeverij De Eekhoorn.


Passie in Parijs
Sinds de verschijning van „Gelukkig Gisteren” (2005) weten we allemaal dat Willem van den Hout over een schrijvende zus beschikt. Op 4 juli j.l. werd in de Orangerie van Kasteel Duivenvoorde Marie-José’s tweede boek gepresenteerd; het betreft hier geen autobiografie in eigenlijke zin, zoals haar eersteling, maar een roman. Marie-José heeft aan haar roman een indrukwekkende lijst van dramatis personae toegevoegd; in elk van de negen vrouwelijke protagonisten zit iets van haarzelf, zo verklaarde zij desgewenst. De roman geeft een literair beeld van de Parijse beau monde van de jaren zestig, op een magistrale wijze, die alleen maar geëvenaard werd door wijlen Federico Fellini, zij het dat laatstgenoemde zulks op het witte doek deed en de Eeuwige Stad verkoos boven de Lichtstad.
Zelf had Marie-José overigens gekozen voor de titel „Het hart is een holle spier”, maar haar uitgever, Hans van den Boom - die we hieronder nog tegen komen als gastcolumnist -, opteerde om commerciële redenen voor de allitererende titel „Passie in Parijs”. Nou moeten wij bekennen dat allitererende titels allerminst misstaan in de familie Van den Hout...
Hieronder enkele sfeerimpressies van de presentatie.


Gastheer Foeke Zeilstra kijkt reikhalzend uit naar de presentatie; op de achtergrond de poster van „Passie in Parijs”.
© Hans Kleppe.

Schrijfster Marie-José van den Hout neemt het eerste exemplaar van „Passie in Parijs” in ontvangst.
© Hans Kleppe.

Uitgever Hans van den Boom en schrijfster Marie-José van den Hout toosten.
© Hans Kleppe.

Het onvermijdelijke signeren.
© Hans Kleppe.


BE-man van het jaar.
Voor de tweede maal (en voor het eerst sinds 2003) werd de titel BE-man van het jaar verleend. Ditmaal was er sprake van een echte verkiezing: leden van de Bob Evers Mailinglist konden hun stem uitbrengen.
De winnaar werd bekend gemaakt tijdens diezelfde bijeenkomst op Kasteel Duivenvoorde. En natuurlijk werd Lex Verhoeven, die ons verblijdde met de Coca-Cola-brieven van Willem (zie verderop in deze Nieuwsbrief) de terechte winnaar! Helaas had Lex de avond tevoren een licht hartinfarct gekregen, dus hij kon er helaas niet bij zijn. In gedachten ontbrak hij echter niet; Hans en Ton hadden natuurlijk voor de medaille die bij de uitverkiezing hoorde gezorgd, terwijl Foeke en Gerben - geheel in stijl - een mooi cadeautje voor Lex op de kop hadden getikt, zoals we hieronder zien. Lex, namens de redactie en alle anderen: van harte beterschap!


Een origineel jaren ’50 kratje Coca-Cola en de medaille ‘BE-man van het jaar’.
© Hans Kleppe.

Drie meisjes en een BE-man van het jaar”.
Toch nog een foto van de trotse winnaar én vader!


Bob Evers leeft nog steeds!
Net als in de vorige Nieuwsbrief tonen wij aan dat Bob Evers nog lang niet dood is en op de meest onverwachte momenten en plaatsen opduikt. Hieronder een plaatje uit het tijdschrift Herenhuizen (2009, nr. 1; met dank aan Cornelis van Tilburg); let op het rijtje boeken linksboven:


Sjoerd van Hasselt daarentegen ...
Naar nu pas bekend is geworden, is op 19 juni 2008 in het ziekenhuis van Summerside (Prince Edward Island, Canada) overleden: Sjoerd F.W. van Hasselt, die wij zo goed kennen uit „Een klopjacht op een kapitein” en „Toen ik een nieuw leven ging beginnen”, maar ook uit Nieuwsbrief 27. De goede man was - net als Jan Prins - geboren in Nederlands Indië (op Billiton, om precies te zijn) op 11 juli 1924; we mogen aannemen dat hij een uitstekende begrafenisverzekering had afgesloten...
(Met dank aan Bart-Jeroen Hemstra).

Pulpman
Bob Evers-fans kennen de term achtdaags uurwerk (ook Genootschapsbestuurslid Geerten Meijsing refereert aan deze term in zijn gastcolumn), al weet niemand precies wat hij zich daarbij nou eigenlijk concreet moet voorstellen. De redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief stelt u voor aan iets nieuws: een „8-jaarlijks tijdschrift”! Bij nadere beschouwing blijkt het hier niet te gaan om een tijdschrift dat eens in de acht jaar verschijnt, maar acht maal per jaar. (Hetgeen overigens een geheel nieuw licht werp op de term „achtdaags uurwerk”, doch dit geheel terzijde).
Fred de Heij, kunstschilder en striptekenaar brengt sinds een aantal maanden zijn eigen stripblad op de markt, Pulpman. In nummer 3 (juni 2009) geeft Fred op anderhalve bladzijde een beschouwing over „De foute jeugd van Bob Evers”: oorspronkelijk verscheen Bob Evers tezamen met het stripverhaal Siegfried en de draak van Hans G. Kresse in het foute blad Jeugd, hetgeen het lezen van de Bob Evers-strip voor Fred merkwaardigerwijze nóg leuker maakt! De achterflaptekst van „Kabaal om een varkensleren koffer”, „Een hete pinkstervakantie... Om zijn loopspieren te stalen is de dikke Arie Roos op wandeltocht met Jan Prins”, doet Fred verzuchten: „Nu ik weet dat het hier om nazi’s gaat, zie ik in gedachte de Hitlerjugend de hei al op trekken.”
Dat Fred het als striptekenaar vooral over de Bob Evers-strips heeft - al zijn de meeste afbeeldingen bij zijn beschouwing nou juist van de Moriën-pockets -, hoeft ons niet te verbazen, als we weten dat hij ook zijn eigen stripverhaal in de Eppo heeft, net als Bob Evers dus! In Eppo nr. 11 staat overigens een interview met Fred de Heij.
(Met dank aan Paul van der Werf).

De eerstvolgende Nieuwsbrief, nr. 34, zal in januari 2010 verschijnen.
Kopij graag inzenden uiterlijk in de maand december 2009 naar nieuwsbrief@apriana.nl.






Negerproblematiek in Ronduite
Gert Huber


Als we iemand vanuit de jaren vijftig plotseling in onze tijd zouden parachuteren, zou een van de grootste verrassingen ongetwijfeld het veranderde straatbeeld zijn: migranten uit een veelheid van landen moeten voor de tijdreiziger een verrassend kleurrijk beeld opleveren.


Niet lang geleden bevond ik mij met enige vrienden op de Beulakerwijde nabij Ronduite. Een van hen voerde een Afghaanse windhond met zich mee. Natuurlijk moest ik grinniken om deze samenloop en tot mijn verrassing begreep deze hondenman direct waarom: ook hem had het BE-virus in zijn greep en wij wisselden herinneringen uit over Straperli’s en varkenslederen koffers. Toen we onze verdere meningen over de Schrijver vergeleken, kwamen we al snel op het beeld van de neger in het Bob Evers-epos.

Voorafgaand aan de zestiger jaren was in Nederland slechts beperkt sprake van immigratie - het land was in de naoorlogse jaren juist een emigratieland. Een Chinese bevolkingsgroep leidde al jaren een onopvallend, maar nauwelijks geïntegreerd bestaan, terwijl na de politionele acties een groot aantal bewoners uit de Indische Archipel om diverse redenen naar ons land uitweek, waar men zich concentreerde in Den Haag en veelal geruisloos opging in de bevolking.

Negers waren schaars in Nederland in deze tijd, waarin de rassenwetten in de Verenigde Staten nog volop van kracht waren en een beroemdheid als Paul Robeson, een uitzonderlijk getalenteerde zanger, sportman en polyglot, tot grote woede van de Amerikanen uitweek naar Rusland omdat zijn huidskleur daar geen probleem gevonden werd - in Amerika werd hij door velen nog steeds gezien (en gewaardeerd) als een Untermensch die een kunstje had geleerd. Je kunt het je haast niet meer voorstellen, maar het zou nog tot in de jaren zestig duren voordat alle negers in heel Amerika kiesrecht kregen.

In het licht van het bovenstaande vraag ik me af hoe Van der Heide aan zijn waanzinnige ideeëngoed over negers is gekomen, dat zijn dieptepunt bereikt in de verhandeling over het onderscheid in het optreden van getrainde negers versus ongetrainde exemplaren - mijns inziens een heel wat grotere grofheid dan de passages die De Zwaan uit „Fort B” heeft geschrapt. Hoewel dit soort ideeën in het interbellum in Amerika nog gemeengoed was, werd daar toch in het naoorlogse Europa heel wat genuanceerder over gedacht, of althans geschreven. De Schrijver was toch bepaald niet dom; hij toonde zich stellig niet altijd heel genuanceerd, maar deze opvattingen gaan toch wel erg ver. Zou het luttele feit dat er weinig negers in de omgeving van de Kaag waren deze misplaatste gedachten opgeroepen hebben; zou hij nog een bewonderaar van Paul Kruger zijn?

Het zou interessant zijn over een beschrijving van Van der Heide over de huidige veelheid van gekleurde mensen te beschikken, maar voor deze groep is het wellicht een geruststelling dat die er niet meer komt.

Tenslotte nog iets heel anders: zou Van der Heide een Vestdijk-fan geweest zijn? Een ongemotiveerde sneer in „Toen ik een Nieuw Leven...” duidt daar niet op. Echter, in zijn roman „De redding van Fré Bolderhey” laat Vestdijk een geesteszieke de woorden „Pilleskopski” en „Krapatski” uitspreken, waar onze jongens op een Brussels perron het houden op „Krawatki” en „Awaski”. Toeval? Verder hebben de schrijvers, behalve hun grote productiviteit, gelukkig weinig gemeen en lees ik ze beiden, keer op keer, met veel genoegen en waardering.





Brief van Willem aan een zekere Wout
Willem Waterman


Onderstaande brief, waarin Willem aantoont ook in de jaren ’60 nog niets aan radicale politieke overtuiging te hebben verloren, kwam onlangs boven water. Willem toont aan dat hij qua politiek inzicht eigenlijk nooit verder is gekomen dan het niveau van padvinder; via het infiltreren in en naar zijn hand zetten van provo- en lesbo-kringen hoopte hij zijn langverwachte en vurig gehoopte „ruk naar rechts” te kunnen verwezenlijken.
De brief bestaat uit 4 kantjes folio-formaat (iets langer dan A4) en is hieronder geheel - inclusief spel- en tikfouten - weergegeven. Iedere bladzijde draagt het stempel „PAR. 26 juli 1966”, waaruit volgt dat er bijna een jaar tijd zit tussen het schrijven en het lezen dan wel het catalogiseren van deze brief.
[Red.]


23 September 1965Den Haag,
Heemskerkstraat 38 B.
Tel. 33 17 37

Meest waarde Wout,

Mooie situatie is nu ontstaan! Ik ben peremptoir geplaatst in de positie van Chef van de Generale Staf, die tegelijkertijd bevelvoerend generaal is. Het is je bekend dat ik tijdens onze laatste bijeenkomst heb gewaarschuwd voor het risico, dat een organisatie als de onze loopt, zolang wij alles laten afhangen van één “mastermind”. - Wij zijn geen van allen meer in onze twintiger jaren, en het behoortzo te zijn, dat bij uitvallen van de bevelvoering, ter stond diens opvolger in zijn plaats kan treden.
     De functie van het topbevel LIGT mij eenvoudig niet. Bovendien is de psychologische belasting ook te groot. In elk leger wordt niet voor niets een duidelijke scheiding gemaakt tussen de man die de plannen uitdenkt en de man die uiteindelijk het bevel geeft tot uitvoering, en dan ook de verantwoordelijkheid draagt.
     Maar goed - het zij zo. Ik schrijf dit in haast, want de tijd dringt. De bijl ligt aan de wortel der bomen.

Bismarck zei reeds: “Politik ist die Kunst des Möglichen.” Het is onmogelijk, irreeel en stomzinnig, via rechtstreekse redenering in Holland iets te bereiken. Zowel de domme burger Mussert als de tragische Jezuït Arnold Meijer hebben het nooit verder kunnen brengen dan het verwerven van enkele percentages aan querulanten of teleurgestelde Strebers. Het was Van Geelkerken, die eens de kreet slaakte: “Iedereen is tot de NSB gekomen via een of andere ontevredenheid.” Het mooiste en meest intelligente beginselprogramma zal bij dit ingedutte volk minder bereiken dan niets. Bovendien botsen wij natuurlijk op een immense weerstand van de “gevestigde machten.” Wij hoeven elkaar niets te vertellen: de ganse Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie is destijds uitgedacht door Eugène van Wessem, en door de konkelaars van Sint Michiels-Gestel lock, stock and barrel overgenomen. Maar probeer dat nu maar eens in enige krant in Nederland te schrijven. Dat alles is reeds lang geleden in de doofpot gestopt en geen macht ter wereld krijgt deze doofpot meer open; ook al zou iemand dat willen. Wij volgen dus de strategie van het psychologisch Judo: onze tegenstanders de nek laten breken via hun eigen (vermeende) kracht. Wij dienen hen te laten lopen in hun eigen val, en dit gaat geschieden volgens de hierna gegeven en bindende richtlijnen:

a).

Onder geen enkele omstandigheid mag een onzer zich blootgeven of een directe aanval doen op het meest kwetsbare punt van onze tegenstanders: zijnde de Partij van de Arbeid. De Katholieken en Protestanten zullen elkaar altijd en eeuwig in de haren blijven zitten en de kunst is, het monsterverbond tussen hen en de roze volgelingen van de Partij van de Arrivé’s te doorbreken. Wij hebben natuurlijk dit mee (en dit wordt door de provo’s zeer goed gezien!) dat de harde stootroepen van Troelstra inmiddels zijn verworden tot een stelletje zelfvoldane sociale klimmers die er allemaal van dromen doctorandus te worden en in het huwelijk te treden met een dame die weet hoe met een duur accent te spreken. Zij zijn dom, geborneerd en futloos. Het vechtersbloed is eruit.
     Zij hebben allen nagelaten, in de jaren sinds de bevrijding een Nachwuchs te fokken van intelligente en politiek geschoolde journalisten. Zij meenden dat zij nu voor eeuwig op het fluwelen Hekelveldkussen konden blijven zitten. Het verlies dat Elsevier per maand lijdt, zou ons in staat stellen, een netwerk van maîtresses instand te houden en dat verlies gaat nog voel groter worden.


b).

Wij zullen, met alle middelen die ons ten dienste staan, doch steeds zo dat het voor de dommerikken niet waarneembaar is, de asocialen en mislukkelingen die zich Provo’s noemen, blijven steunen. Wijs vooral en met nadruk op het gevaar dat, op het moment waarop deze steuntrekkers gaan beschikken over iets teveel aan contanten, men zich gaat afvragen, waar dat geld vandaan komt. Ik had reeds lang geleden gezorgd, dat zij de beschikking kregen over een eigen drukpersje, als dit gevaar niet zo groot was geweest. Alles moet indirect worden gespeeld.
Begrijp terdege, dat deze provovlegels de functie moeten vervullen van Van der Lubbe bij de Rijksdagbrand. De eerste de beste die er door mij op wordt betrapt, dat hij teveel geld rondstrooit of zich op andere wijze compromitteert, heeft zich bij mij te verantwoorden. Hij gaat de laan uit. Beter tien goeden, die gedisciplineerd hun hersens gebruiken, dan een horde amateurs die tewerk gaan als stieren in deze porseleinwinkel.
     Hoe moeilijk het spelen van dit spel kan zijn, moge hieruit blijken: tot mijn stomme verbazing, annex ontsteltenis, kwam ik er achter, dat Jasper Grootveld “De Kruistocht van Generaal Taillehaeck”, (Deel II) gebruikt als revolutionair manifest! Dat was natuurlijk helemáál niet de bedoeling.
     Roel van Duyn is een zeer intelligent jongetje, doch een warhoofd. Hij mist elke gefundeerde politieke scholing; zijn denken is een Nicolaas Kroeze-achtig samenraapsel van brokstukken belezenheid.


c).

De ruk naar rechts zit in de lucht - mede door de sfeer rondom Beatrix. De roden hebben destijds de Zeven December Divisie van “fascistische” Indievrijwilligers uit elkaar later plukken en verdeeld over andere leger-eenheden. Maar de schrik voor een eventuele opstand der rode horden is zo groot, dat men sinds enige tijd op Defensie bezig is, via de Hollerith-machines deze divisie te reconstrueren. Is dát niet aardig?


d).

Het blad “Boulevard”. Het mag niet worden aangevallen, maar moet in deze vorm in stand blijven. Het vervult een zeer belangrijke functie: het ondergraven van de macht van de ingedutte ”fatsoenspers”. Ik heb ze al tweemaal een ongevaarlijk maar sappig schandaal toegespeeld - niet teveel, maar ook juist niet te weinig. Bladen als “Boulevard” zullen er nog meer gaan komen.


e).

Natuurlijk kiest de Telegraaf onze kant. Jacques Gans wordt in permanente dienst gehouden als symbolische Jood om het stiga man “fascisme” uit de weg te ruimen. Het zegt voldoende voor de stupiditeit van het schematisch ingesufte denken dat één joodse vlag voldoende is om de ganse lading te dekken. Het verdient zelfs aanbeveling, dat wij zo nu en dan “De Telegraaf” op onschadelijke wijze in de haren vliegen om onze argeloze Vlijmscherpen van het Hekelveld te bedotten.


f).

“Panorama” heeft tot dusver op een hoogst wonderlijke wijze op de wip gezeten. Maar de weegschaal slaat aardig door. Vermeulen is al lang rechtser dan hijzelf wel weet. Trouwens: in wezen zijn alle Katholieken nog steeds Mussolini-fascisten, die nu wat onwennig met de rose humanisten in bed liggen. Als wij kans zien, de slapzakken van de PvdA te kraken, krijgen we sowieso de KVP mee; tot hun eigen grote opluchting, zonder mogelijke twijfel.


g).

Langdurige ervaring heeft geleerd, dat dit historisch tolerante volk niet op stang te krijgen is via een kortlopende hetze. Het komt pas. in beweging als een langlopend geduld is uitgeput, of als het langdurig is geaffronteerd. De enige weg die tot het doel zal voeren is: de over het paard getilde troep van homosexuelen, lijpe humanisten marihuanazuigers en Parooljankers zozeer aanmoedigen, dat zij het al te bont maken. Dat zit er méér dan dik in. Mies Bouwman is wat dat betreft haar gewicht in goud waard. De stommelingen beseffen niet, dat zij hun eigen graf graven en dat van hun partij.
     Wij moeten - daar komt het op neer - de provo’s provoceren, door hen in stilte te steunen en via publiciteit en tamtam aan te moedigen. Ze maken het vanzelf zo bont, dat dit in wezen solide volk van Cats en Calvijn in opstand komt.


h).

De inlichtingendiensten zijn volkomen geregeld. Dat vertel ik je wel mondeling. Zorg in godsnaam, dat deze instructies terdege worden begrepen en exact uitgevoerd. Volgens mijn schatting is er ongeveer een jaar nodig, om de primair gestelde doelen te bereiken. Vooral in verband met het komende Beatrix-huwelijk dient er intelligent, slagvaardig en volgens gecoordineerd plan te worden gewerkt. HET PLAN MOET DOOR ALLEN WORDEN BEGREPEN!


j)

De affaire Ratio heeft hoogst merkwaardige aspecten. Het komt er gewoonweg op neer, dat Henk Meijer het al te mooi wilde maken, ondanks mijn enkele malen herhaalde remmingen en omzichtige waarschuwingen. Hij wilde zo graag met vuur spelen, maar hij vergat, asbesthandschoenen aan te trekken. Er is daar meer aan de hand dan voor het blote oog wel lijkt, maar ik mis in die hoek een directe inlichtingenlijn. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Zelfs mijn lesbisch netwerk faalt daar. Man, man - wat heb ik een respect voor die meiden! Hoe ze het voor elkaar krijgen is me nog steeds een verbijsterend raadsel, maar als ik iets wil weten over Bordeaux, heb ik de volgende dag antwoord. De afrikaanse tomtoms zijn er kinderwerk bij. Het enige verrekte van die meiden is, dat ze continu mekaar in de haren zitten - en niet alleen van onderen. Soms voel ik me in de positie van Lawrence of Arabia, toen die moest proberen, uit als los zand aan elkaar hangende troepen Arabieren een min of meer geregeld leger op te bouwen. Gelukkig zijn er ongeveer evenveel lesbiennes als kakkerlakken, dus is er altijd wel een lijn die functionneert.


k)

Bijgaande een lijst van de betrouwbare reclame- en publicrelationsbureaux. Er zijn er twee bijgekomen, zoals je ziet.


l).

Wellicht kan het verhelderend werken, als neven-instructie te doen zien, dat de bedoeling is, een “cordon sanitaire” te trekken rond de PvdA en aanverwante rose kliek. Hun gehele structuur is die van houten balkwerk, aangetast door “dry rot”. Het onheil, dat zij anderen wilden bezorgen, woekert thans in henzelf voort. Zij hebben zichzelf geïnfecteerd, en weten niet hoe zij zichzelf moeten saneren. Dus: isoleren en de infectie aanwakkeren. Dit is in wezen nog steeds een door en door gezond volk, dat vroeger of later kots wordt van de gedegenereerde Amsterdamse troep.


Over een dag of veertien kom ikzelf weer bij jullie op tournee en dan kunnen we lachen. Maar geef dit zonder uitstel door, want de lawine begint nu te schuiven. Dóórdouwen nu. Wil je het bekende bedrag deze maal deponeren bij ons aller Lisette? In de Gard Sivik gaan ze zich - afvragend - uit de ooghoeken kijken.
all the best


   Willem Waterman.






Brief aan de hoofdredakteuren ...
(anonymus)


Blijkbaar uit hetzelfde archief als bovenstaande brief komt het volgende epistel; ook deze brief draagt het stempel „PAR. 26 juli 1966”. De brief is niet ondertekend; de vraag dringt zich echter op, of deze brief misschien juist van Willem zelf afkomstig is. Het is weliswaar duidelijk een ander schrijfmachinelettertype dan de brief hierboven en die hieronder, maar dat zegt niets; de naam „Van der Hout” is fout gespeld, maar pleit dat nou juist vóór of tégen het auteurschap van Willem? Tenslotte nog iets over de spelling: er is gebruik gemaakt van de in de jaren ’60 en ’70 in linkse kringen zo populaire „spelling”: fasisties, ekstremisten, enz. In bladen als Cash en Candy heeft Willem zich ook wel aan deze „spelling” bezondigd, maar dat was pas in het begin van de jaren ’70, terwijl de onderhavige brief geschreven is op 3 juni 1966 (Willems verjaardag: toeval?). Onderaan de brief - slechts één pagina - is een Belgische postzegel geplakt; blijkbaar heeft de auteur (wie het ook moge zijn) de lezers met alle geweld willen overtuigen van het feit dat de brief in België is gepost.
Als het hier inderdaad gaat om een door Willem zélf geschreven brief, is dit een stunt die doet denken aan het pamflet „
Zeg, weet je ’t al? Leest vooral niet De Gil.” van Willem!
[Red.]


Antwerpen 3 juni 66

Aan de hoofdredakteuren van

Vrij Nederland,
Het Vrye Volk,
Het Handelsblad,
Het Parool,
De Haagse Courant
               en aan
Henk J. Meyer en
Minister President Cals


Geachte Herenm


De grote mond en het publieke “optreden” van WILLEM VAN DER HOUT,: zich interessant noemend WILLEM WATERMAN samen met zijn stokend geschrijf in de belgiese Post en andere bladen, gingen ons hier in Antwerpen al een tijdje lang goed vervelen.
Waterman denkt dat hij erg slim is, maar we wisten hier al lang dat hij bezig was, te proberen een eigen soort politieke kliek op te richten. We hebben hem goed in de gaten gehouden.
De vorige week zagen we kans om een zwartleren map met papieren, waar hij altijd erg voorzichtug mee was, te pakken te krijgen. Daarin vonden we enkele dokumenten en copien van brieven die u waarschijnlijk wel intereseren. Anders wel een lacher, he? Die hele nederlandse pers die een paar toffe Antwerps-amsterdamse jongens nodig heeft om achter de papieren van een fasisties komplot te komen!

Die Waterman heeft zo nu en dan en heleboel geld in de zak en wij weten hier waar het vandaan komt, ook. Van de vlaamse ekstremisten, maar daar zijn jullie nog lang niet aan toe. Mr. Burger had maar al te goed gelijk, met wat hij in Parool schreef over de Zwartfronters. En Cals de de Tweede Kamer over het aanstoken van Provorellen door de buitenlandse bladen. Niet dat de amsterdamse PROVOS geld hebben aangepaktm en zo maar ze hebben wel geprobeerd het zo te spelen. We zijn er alleen niet ingetrapt.

We sturen u hierbij een fotocopievan de brief die we vonden in de zwarte leren map van Waterman. Over een paar dagen zullen we u opbellen om te vragen of u ook belangstelling heeft voor de rest.

Leve de Republiek!






Brief aan de hoofdredakties ...
(anonymus)


En ook deze brief torst het stempel „PAR. 26 juli 1966”; het gaat hier blijkbaar om een vervolg op de hierboven weergegeven brief, getypt op alweer een andere typemachine; ook nu weer die rare „spelling” en een op de brief zelf geplakte Belgische postzegel.
[Red.]


aan de Hoofdredakties van
het Vryer Volk
Vrij Nederland
het Handelsblad
het Parool
en Henk Meijer

ANTWERPEN, Zondag


zo, klootjesheren


we hebben wat kranten zitten door;ezen en behalve dan die flinkerikken van de haagse Courant vonden jullie het allemaal zeker niet de moeite waard om er aandacht aan te besteden, of zijn jullie in je hart ook al fasisten???? dat Bewijst dan maar weer dat wij maar al te goed gelijk hadden: jullie horen zelf ook tot het burgerlijke klootjesvolk. Of dachten jullie soms dat we hier door onze nekharen (die hele lange, ja) zaten te lullen en dat we verder niks anders hadden gevonden in die zwarte map van die zwarte stoker Waterman?
Hierbij dan een fotokopie over wat anders. Over L U N S... ook al zon zwarte. En hierna moet er poen op tafel komen anders komt er niks meer. En geen dagelang geouwehoer over wel of niet en geen slimme klootjesvolktruukjes want die hebben wij al lang vergeten. We bellen een keer op uit een cafe en een uur later bellen we weer op uit een ander cafe en dan is het ja of nee en boter bij de vis
     En geen smerissen erbij of afgetapte telefoons want daar trappen we echt niet in.
Leve ONZE republiek.
                  En NIET die van jullie!!!!!






Brief aan Willy van der Heide (afschrift)
F. Wegman


Dit is de eerste van een drietal brieven, die door de kersverse BE-man van het jaar, Lex Verhoeven, op de kop werden getikt onder de noemer „De Coca-Cola-brieven”.
In deze eerste brief, d.d. 2 oktober 1964, gaat het om een afschrift van een brief van F. Wegman, die in die tijd de Public Relations van The Coca-Cola Company in Nederland behartigde. Let wel: het gaat hier om een door Willem zelf getypt afschrift van de brief van F. Wegman! In „
Toen ik een nieuw leven ging beginnen” noemt Willem op blz. 81 namelijk een heel andere oorzaak van zijn breuk met Coca-Cola, namelijk het terugbrengen van het aantal tegoedbonnen van vijf naar twee per maand!
Zie ook Willems brief aan The Coca-Cola Export Corporation, verderop in deze
Nieuwsbrief.
[Red.]


A F S C H R I F T .

fr. w. wegman                      public relations                      statenlaan 125                      den haag
                                                                                                tel. 070/54.18.45                      giro 467.807

                                                                                                                                 Den Haag, 2 oktober 1963

De Weledelgeboren heer W. v.d. Heide,
Prinsenstraat 54,
DEN HAAG.



Beste Wil,

Toen ik van de week bij Coca-Cola in Amsterdam was, is gesproken over jouw boekenserie en de vele malen dat de naam Coca-Cola in de Bob Evers-serie voorkomt.
Enerzijds was dit het gevolg van het laatste boek, dat je me een paar weken terug overhandigde, aan de andere kant bleek er iets anders aan de hand. Enkele officials hebben zich namelijk al eens voor de vraag gesteld gezien of de auteur W. v.d. Heide in dienst staat van de Coca-Cola organisatie! Dit werd in alle ernst opgemerkt en hoewel er een grote waardering bestaat voor je verhalen en de rol die je Coca-Cola steeds weet te laten spelen, heeft men mij toch gevraagd, jou te verzoeken, je helden wat minder duidelijk Coke te laten drinken.
     Ik besef hoeveel moeite ’t je zal kosten je schrijfmachine hierop te dresseren, maar ’t zal je wel lukken, denk ik.

Vanzelfsprekend zul je als gebruikelijk waardebonnen voor Coca-Cola blijven ontvangen. Hierbij doe ik je deze dan ook toekomen.

Met vriendelijke groeten,


                                                                                                                    w.g. f. wegman






Brief aan the Coca-Cola Export Corporation
Willy van der Heide


Dit is de eigenlijke „Coca-Cola-brief”: Willems woedende antwoord op bovenstaand schrijven van F. Wegman. Grappig is het om te lezen dat Willem het onder punt f kort heeft over het feit dat hij nog maar twee waardebonnen per maand krijgt, terwijl dat blijkens „Toen ik een nieuw leven ging beginnen” (blz. 81) toch de hoofdreden was! Nog grappiger is het om onderstaande brief te vergelijken met de brief die Willem volgens blz. 82 van „Toen ik een nieuw leven ging beginnen” aan The Coca-Cola Export Corporation zou hebben gestuurd:

Mijne Heren,

Er is destijds met het Bureau Max Beauchez een bindende afspraak gemaakt, u welbekend, waarbij de Coca Cola Mij. zich verplicht om mij per maand 5 gevulde kratten Coca Cola te verstrekken. U meent nu vermoedelijk, dat de naam Coca Cola nu toch eenmaal in alle Bob Evers-boeken staat, en ik die er moeilijk weer uit kan schrappen. Een dergelijke mening uwerzijds is helaas gebaseerd op een misvatting. Wij zijn juist bezig, de ganse serie opnieuw te laten zetten en drukken - op ander formaat. De destijds aangegane afspraak met Beauchez was, volgens de heer Beauchez en mijzelve, een gentlemen’s agreement. Ik neem er nota van dat er uwerzijds sprake is van nóch gentlemen, nóch van een agreement. Ik zal dus de moeite nemen, in alle Bob Evers-boeken de naam van uw produkt te schrappen. In ruil daarvoor mag u al uw Coca Cola behouden. Ik citeer hier gaarne de Max Havelaar en paraphraseer: "Stik in al dan niet caffeïnehoudende Coca Cola, en verdwijn!"

Onderstaand epistel, dat wij te danken hebben aan de belangeloze inzet van Lex Verhoeven, ziet er toch ietwat anders uit. In het epistel - zoals al Willems brieven zijn ze van het folio-formaat - is het overigens opvallend om te vernemen dat de Bob Evers-serie volgens Willem op dat moment uit 33 delen bestond! De brief is net als de andere weergegeven met alle fouten.
[Red.]


Willy van der Heide,
Heemskerckstraat 38 B,
DEN HAAG.
Tel. 33.17.37

1 Juli 1964


The COCA-COLA Export Corporation
               (Holland Branch)
Jean Huyskenweg 25
A M S T E R D A M (Post)
Copieen aan:
Hr. van der Meij (Heemstede)
Public Relationsbureau
          F. Wegman (Den Haag)
Public Relationsbureau
          Max Beauchez (Den Haag)
Hr. Carel Niermeijer (Den Haag)

Mijne Heren,

Aangehecht zend ik U, ter verduidelijking, afschrift van een brief, door mij op 2 oktober van het vorige jaar ontvangen van het Public Relationsbureau F. Wegman te Den Haag, dat sinds enige tijd Uw belangen tot zich heeft genomen. Nadien is door mij geen enkel contact meer met betrokken bureau opgenomen.

Toen ik aangehechte missieve ontving, bevond ik mij juist in onderhandeling met mijn uitgevers inzake het als pocketboek doen verschijnen van de ganse, uit 33 delen bestaande, BOB EVERS-serie, plus twee kleinere reeksen, in alle delen waarvan COCA-COLA wordt gedronken.

Aangezien in geval van pocketboek-uitgave alle titels geheel opnieuw moeten worden gezet en gedrukt, leek het practischer, de uitslag der publikatie-onderhandelingen af te wachten, aleer aan de door Uw Public Relations-vertegenwoordiger naar voren gebrachte bezwaren tegemoet te komen.

De relatie tussen de gezamenlijke Bottle-companies en mij is als volgt ontstaan:

a). In het Jaar 1952 is, via de toenmalige Pers- en Propagandachef van de ANWB (HR. J. Verkerk) contact gelegd tussen ondergetekende en het Public Relationsbureau Max Beauchez, waarna een gentlemen’s agreement is afgesloten namens de bottle-companies enerzijds en mijzelve als auteur anderzijds. Deze overeenkomst luidde:

b). De auteur neemt op zich, in alle nog te schrijven delen van de BOB EVERS-serie de drie jongens-hoofdfiguren in ruime mate COCA-COLA te laten drinken, telkenmale als zulks in de loop van het verhaal op ongedwongen wijze kan geschieden.
Als tegenprestatie ontvangt de auteur elke kalendermaand 5 kratten, inhoudende 24 kleine flesjes, COCA-COLA.

c). In de loop der bijna twaalf gepasseerde jaren is, zowel door Bureau Beauchez, als later door Bureau Niermeijer, steeds in de meest warme bewoordingen gesproken en geschreven over de wijze waarop ik mijn aandeel in deze overeenkomst ben nagekomen. De strikt enge beperking in al deze jaren is geweest het dringend verzoek, vooral het deelstreepje tussen Coca en Cola niet te willen veronachtzamen, aan welk streepje ik daarna kan ook extra-aandacht heb geschonken.

d). Nu heb ik persoonlijk steeds een uitgesproken afkeer gehad van kruimeldieverij of kruideniershandel (zulks geheel los van het feit dat COCA.COLA in ruime mate bij kruideniers wordt verhandeld), en uiteraard bestaat de mogelijkheid, dat ik psychologisch hierdoor heb over-gecompenseerd, daarbij mijn aandeel in het contract in te ruime mate vervullend.

Voorts heb ik ook niet steeds op alle slakken zout gelegd, en nagelaten een periode van anderhalf jaar te claimen, waarin ik in het geheel géén Coca-Cola opnam. Ik heb ook nimmer de aandacht gevestigd op de administratieve slimmigheid der Public Relations-bureaux, die elke kalendermaan het verzenden van Coca-Colabonnen aan hun relaties een week of wat opschoven zodat zij elke vier of vijf maanden een maandkwantum “verdienden”, er blijkbaar op vertrouwende dat de betrokken relaties door het veelvuldig drinken van Coke wel zo versuft waren geraakt, dat zij niet meer konen tellen.

e). Na het ontvangen van de gemelde brief van Bureau Wegman stond ik plotseling geconfronteerd met het uniek verwijt dat ik mij schuldig had gemaakt, niet aan wanprestatie, doch aan overprestatie. Nu is het wel zo, dat overprestatie tegenwoordig minder op prijs wordt gesteld dan vroeger, maar dan komen de bezwaren toch meestal onder pressie van een vakgroep of vanwege een kartelafspraak. Naar ik meen te weten, zijn wij in Nederland nog niet zover, dat er een Schap van in boeken-reclame-makende-auteurs bestaat, dat in protestactie treedt zodra ik door de grote Coca-Cola-geestdrift beneden de tarieven werk, respectievelijk toeslag verleen.

f). Als bijzonder fijntjes trof mij echter de laatste alinea uit het schrijven van Bureau Wegman, dat ik hier citeer:
“Vanzelfsprekend zul je, als gebruikelijk, waardebonnen voor COCA-COLA blijven ontvangen. Hierbij doe ik ze je dan ook toekomen.”
De ware fijnheid van het trekje zult U pas proeven, als ik U meld, dat bij de betrokken brief geen vijf (zoals steeds) doch slechts twee bonnen waren ingesloten, terwijl ik ook daarna per maand slechts twee bonnen bleef ontvangen.

h). Het heeft even moeten duren, aleer ik op gepaste wijze kon reageren, doch nu de contracten voor de Pocketboek-uitgave van de BOB EVERS-serie zijn getekend, verkeer ik in de positie waarin ik aan Uw wensen en verlangens tegemoet kan komen. Er rijzen hier echter enkele moeilijkheden, aangezien Uw bedoelingen niet geheel duidelijk zijn.
De aangehechte brief van Bureau Wegman is inmiddels ter sprake gekomen bij twee juristen en twee Amsterdamse Public Relation Counsels. Hun adviezen en visies lopen echter grotelijks uiteen. De volgende vragen zijn gerezen:
          1. Omdat ik te vaak Coca-Cola in mijn boeken noem, word ik bestraft met vermindering van het toegekende quantum in natura. Als ik nu minder actief word en, om met Hr. Wegman te spreken, “mijn helden wat minder duidelijk Coke laat drinken”, krijg ik dan weer 5 kratten omdat ik braaf ben.

          2. Eén jurist waarschuwde tegen het gevaar van overprestatie. Volgens hem zou de Coca-Cola Corporation mij een proces kunnen aandoen wegens het schaden van goede naam en faam als ik de indruk wek dat mijn romanfiguren een Coca-Colaverslaving hebben opgedaan.
Ikzelf zie dit als te somber, maar mijn vriend de jurist wees erop, dat wereldconcerns als Coca-Cola niet voor niets zo omvattend zijn geworden, zodat zij Public Relations eigenlijk helemaal niet nodig hebben, zij hebben ze alleen omdat het goed staat.

          3. Een der Public Relationsfiguren was van oordeel, dat na aandachtige lezing van de brief van Bureau Wegman, het zwaartepunt moest worden gezien in de positie der “COCA-COLA-officials”, wier positie zou zijn gecompromitteerd door het rondsluipend gerucht als zouden er auteurs in loondienst zijn bij de gezamenlijke bottle-companies. Nu geef ik toe, dat er sinds het verschijnen van Jan Cremer en ander literair uitvaagsel, het beroep van auteur in discrediet begint te geraken. Maar is het na al zo erg dat een bottelier van frisdranken elk bewwerd contact met een auteur in loondienst als onfris moet schuwen?

          4. Voorts is een heftige discussie gerezen over wat als “officials” van een COCA-COLA-maatschappij zou kunnen worden gezien. Zeker vervult de Coca-Cola maatschappij een niet weg te denken plaats in de Nederlandse samenleving en is zij aan te duiden als een Maatschappij in de Maatschappij. Is wellicht binnenkort het verheffen van de Corporatie te verwachten tot een semi-officiele instelling van dezelfde rangorde als de ANWB, de Spoorwegen of de Nederlandse Voetbalbond? In dat geval is het inderdaad zaak, omzichtig te werk te gaan, en kan ik Uw bezwaren beter begrijpen.

          5. De tweede der beide genoemde juristen bracht als zijn aanvankelijke mening naar voren, dat de COCa-Cola-Company haar desideraten duidelijk heeft aangegeven. Volgens hem wenst zij het kwantum gratis verstrekte Coke met 3/5de te reduceren, zodat ik het aantal malen verneoemen van deze frisdrank met eenzelfde factor moet terugbrengen.

          6. Deze blik op de zaak leidde bijna tot handgemeen met de tweede Public Relations-expert, die reeds eerder had geïnformeerd of ik wellicht de oorspronkelijke overeenkomst via Bureau Beauchez had afgesloten in een moment van zwakzinnigheid. De man in kwestie wees erop dat hijzelve de reclame behartigde van de grootste Nederlandse fabriek van frisdranken en bracht naar voren, dat 5 kratjes Coca-Cola voor de bottelier, niet meer betekenen dan circa één emmer koolzuurhoudend aftreksel van zoethout, in ruil waarvoor sinds twaalf jaren een propagandaprestatie is geleverd die in Nederland uniek is en kwalijk in geldswaarde kan worden uitgedrukt.

          7. Tenslotte kwam de Public Relationsman genoemd onder (3) naar voren met het volgende voorstel:
“Geef mij één fotocopie van de brief van Wegman, dan laat ik die ingelijst ophangen op mijn kantoor als pronkstuk van mijn verzameling:
                     PUBLIC en PRIVATE RELATIONS
                                Zoals ze NIET moeten.

In ruil daarvoor krijg jij dan elke maand twee kisten frisdrank van ons.”

Het is nu zover, geachte Corporation, dat een aanvankelijk eenvoudige en goed bedoelde, leuke overeenkomst, geworden is tot een speldekussen van juridische en public relations-stekeligheid. Ik kom er niet meer uit. Ik slááp er ’s nachts niet van.
Ik ben uiteindelijk tot de slotsom gekomen, dat het beter is geheel en al aan Uw wensen tegemoet te komen en het drinken van COCA-COLA door figuren uit mijn boeken geheel te doen staken.

Vanzelfsprekend zal ik dan ook moeten afzien van de door U zo genereus ter beschikking gedachte twee waardebonnen per vijf of zes weken. Ik wil zelfs nog veder gaan:

Als ingaande dit najaar de eerste pocketboeken in de BOB EVERSserie van de pers lopen, zal ik daar op tactvolle wijze de hoofdfiguren in laten verklaren dat zij hebben ingezien, te lang en te veel COCA-COLA te hebben gedronken, zodat zij maar op iets anders zijn overgaan.

Een en ander in vol vertrouwen, op deze wijze de aangerichte schade te zullen compenseren, terwijl ook Uw officials een present-exemplaar zal worden toegezonden, opdat zij met de gedrukte bewijsstukken in de hand zich zullen kunnen rehabiliteren.

Met vriendelijke dank
voor de tot dusver ondervonden edel-
moedigheid

                    en hoogachting,

               W.H.M. van den Hout
               (Willy van der Heide)






The Musical Play („The Musical Play”)
Willy van der Heide


De derde brief van „DE Coca-Cola-brieven” is geen brief in de eigenlijke zin des woords; het gaat hier om een verhandeling van Willem. Zij heeft helemaal niets uitstaande met de overige twee brieven (hierboven weergegeven), behalve dan dat ze met z’n drieën een kavel van een veiling vormden. Voor de laatste maal danken wij Lex Verhoeven voor het welwillende ter beschikking stellen van de brieven!
[Red.]


THE MUSICAL PLAY (“Het Muziekspel”)
als nieuwe Televisie-vorm

          De Verenigde Staten, Engeland en Nederland zijn bij uitstek de landen, die beschikken over een ruim arsenaal van musici die, in groter of kleiner comboverband, jazzmuziek produceren van uitstekend gehalte.

          De Televisie zou deze voorraad talent gaarne als welkom amusementsreservoir bezien... maar stuit daarbij overal ter wereld op de practische moeilijkheid dat er tot dusver maar twee manieren bestaan, om dergelijke muziek te presenteren:
a).

in de “muzikale show”. Daarbij worden een danspaar, een sketch, een vocalist(e) of een muziekcombo gerangschikt binnen een raamwerk, hetgeen neerkomt op televisievariété of op een gefilmde floorshow.
     De meer pure vorm van de Musical is zo zeldzaam, dat er doorgaans sprake is van een miljoenenproduktie, specifiek voor theater, en kan buiten beschouwing blijven.


b).

Het brengen van (hooguit 2o minuten) directe televisiepresentatie van een muziekcombo. Deze graag gegrepen (want eenvoudige) vorm heeft het immense nadeel, dat de variatie-mogelijkheden beperkt blijven tot het bedenken van een ander achtergrond-décor, of een andere volgorde in de close-ups van de vingers van de bassist en de pianist.
     Bovendien is dit soort programma’s niets meer dan gefilmde radio: in wezen een muziekopname met bijgevoegd statisch beeld.


Er is een derde, geheel nieuwe, muzikale programmavorm mogelijk, die ik aanduid als “Musical Play” (“Muziekspel”) welke in zijn zuivere vorm radicaal van beide hierboven aangehaalde en afgezaagde schema’s verschilt. Er bestaan twee hoofdvormen:

Musical Play: eerste hoofdvorm.

Deze is in wezen een toneelstuk met een “plot”, een intrige die eenvoudig of wat gecompliceerder kan zijn, maar waarin een aantal rollen wordt gespeeld door de leden van een bestaande muzikale combo, waarvan dus de leden een op elkaar ingespeelde muzikale eenheid vormen. Het toneelstuk is speciaal hen op het lijf geschreven.
          Als men trachten zou, uitgaande van toneelspelers, een Musical Play te brengen, komt daar niets van terecht ,omdat zij de vereiste muziek niet kunnen brengen.
          Het omgekeerde is echter zeer goed mogelijk, mits men zorgt, bij het schijven van een serie Musical Plays voor een jazz-combo zich te houden aan enkele grondregels:
1.

De schrijver van het stuk dient zowel jazzmuziek als de leden van de combo te kennen, zodat hij hen inderdaad hun rol “op het lijf schrijft”. (Volgens het principe van typecasting bij film).


2.

Men dient gebruik te maken van de plankenroutine van jazzmusici en van het feit dat zij, nagenoeg zonder uitzondering, een aangeboren oor hebben voor dialoog en de wijze waarop die moet worden gebracht.


3.

Zowel de “setting” waarin het stuk speelt als de aard van de intrige dienen min of meer uit het muziekberoep voort te vloeien of er minstens duidelijk verband mee te houden. Wordt de muziek “er met de haren bij gesleept”, dan komt de hele zaak als los zand aan elkaar te hangen, en valt men terug in een gewijzigde vorm van bovengenoemde (a) of (b).


4.

Uiteraard worden een of meerdere rollen (o.a. de vrouwelijke) gespeeld door non-musici: geroutineerde acteurs, die het geheel stijven en op wie ook de nodige “karakter”-rollen worden gebaseerd. De jazzmusici hebben korte, puntige brokjes dialoog.
     De door hen geproduceerde muziek vult ongeveer de helft van het geprojecteerde programma maar zo, dat hun muziekaandeel een geintegreerd verweven deel van het geheel is en er ook gespreid door voorkomt.


5.

Behalve in uitzonderings-situaties dienen dergelijke programma’s 30 minuten te duren.


Het bijgevoegd boekdeel: “STAMPIJ OM EEN SCHUIFTROMPET”, door schrijver dezes, is een voorbeeld van een dergelijke mengeling van toneel en muziek, ter lengte van een compleet boek. Een groot deel der rollen hierin wordt vervuld door de leden van het DUTCH SWING COLLEGE. Het beek geeft een uitstekend idee van de mogelijkheden van deze mengvorm.

          Reeds bij de eerste besprekingen met jazzmusici door schrijver dezes is er door hemzelf op gewezen, dat de schrijver van elk dergelijk “Musical Play” in twee werelden thuis behoort te zijn: zowel in die van de jazz, als in die van draaiboek-samenstellen.

“Musical Play” - tweede hoofdvorm.

Het kan als bekend worden verondersteld, dat live opgenomen jamsessions een veel levendiger jazzmuziek weergeven dan de steriel opgenomen produktion uit een grammofoonplatenstudio.
          Evengoed als het mogelijk is, geregelde jamsessions voor de microfoon te brengen, heeft Televisie de gelegenheid om de informele, gezellige, spontane gespannenheid van jazzsession op het scherm te brengen.
          Dit vóóronderstelt het produceren van zulk een programma met een air van bestudeerde nonchalance, waarbij de gang van zaken in grote lijnen tevoren is vastgelegd, maar het geheel zo wordt uitgevoerd dat het volkomen spontaan lijkt te gebeuren. Deze vorm kan in elk soort van schilderachtig decor worden geplaatst.
          Nu en dan kan een mengvorm van beide soorten optreden, waartegen geen enkel bezwaar is.

          Uit het bovenstaande volgt, dat de “Musical Play”, in volkomen tegenstelling tot het confectiebandje muziek op Ampex of film een programma is, gebaseerd op een compleet filmdraaiboek omdat het in wezen een toneelstuk of televisiestuk is.

          Hieruit volgt ook, dat hierbij alle regels gelden die normaliter bij film in acht worden genomen: het bezien van de mogelijkheden tot indubben in andere talen; de mogelijkheden van verkoop op synopsis van volgprogramma’s; de hantering van het auteursrecht.

          Deze muziekspelen zijn niet in een handomdraai te schrijven en niet gemakkelijk te imiteren. Toch vormen zij een absoluut ideale programmavorm voor de televisie. Ziet men kans, er een serie van te produceren met jazzmusici van kwaliteit, dan is de afzet, ook naar het buitenland, verzekerd.
          Bij de draaiboeksamenstelling zal, reeds in eerste versie, rekening worden gehouden met een zodanige regie dat eventuele nasynchronisatie in andere talen minimale moeilijkheden oplevert.

          Met verschillende Nederlandse jazzmusici is over het bovenstaande ruggespraak gehouden. Hun visie hierop, zowel als hun honorariumeisen zijn bekend, zodat in grote lijnen met een opmaak van begroting daarmee rekening kan worden gehouden.
Juni 1964


               Willy van der Heide.






Wie zei dat je in de deze tijd geen Bob Evers-avonturen meer kan beleven?
Hans van den Boom


„Als jullie morgenvroeg op pad gaan,” zei de vriendelijke Duitse dame van het Bed & Breakfast, „zouden jullie eigenlijk eens naar de Meisterstein-See bij Siedlinghausen moeten lopen. Het is daar prachtig!”
Nu is het in het Sauerland overal prima wandelen, wat dan ook de reden is waarom we er elk voorjaar een dag of vier heen gaan. De meeste wandelingen in de directe omgeving van ons logeeradres hadden we intussen wel gelopen, dus dachten we de buurt onderhand aardig te kennen, zij het dat er twee jaar geleden een zeer zware storm geweest is, die hele bospercelen heeft ontworteld en het netwerk van met symbolen op boomstammen aangegeven wandelroutes danig heeft verstoord. Maar zo’n meertje zou toch wel te vinden moeten zijn, nietwaar? Zeker omdat er volgens de kaart ook een wandelroute langsliep.

Verschillende malen tijdens hun klimtocht rolden zij werkelijk om, hetgeen dan met het slaken van minder nette uitdrukkingen gepaard ging. Maar al met al vorderden zij gestadig. De eerste helling was genomen - zij staken een paar honderd meter lang een betrekkelijk vlak stuk terrein over, dicht begroeid met stugge struiken, waarvan de takken in hun knieën prikten of aan hun broekspijpen bleven haken. Dan kwam een tweede helling, nog iets steiler dan de eerste. Maar deze had minder rotsblokken en meer boomgroei.
(„Ali Roos als Arie Baba”, blz. 182).

Het er even heen lopen hadden we als onnozele Hollanders natuurlijk weer eens veel te luchtig ingeschat. Na pakweg anderhalf uur waren er op geen enkele boom meer merktekens te vinden. Waren de bomen omgewaaid en tot timmerhout verwerkt? Was de route opgedoekt? Geen idee! Er was nu zelfs geen belopen spoor meer te ontdekken. Maar gelukkig leefden we niet meer in de vijftiger jaren en hadden we geen Jerry Miller nodig om een spoor van witte stenen en boomstammetjes uit te zetten. De Garmin GPS-ontvanger gaf piekfijn aan waar we ons bevonden, net als de plek waar het langzamerhand mythisch wordende meertje zich zou moeten bevinden. Bij gebrek aan een pad besloten we er dan maar met de GPS in de hand in rechte lijn op af te gaan, voor zover dat tenminste mogelijk was.

Daarna zei niemand meer wat. Zij hadden hun adem veel te hard nodig voor klimmen en klauteren. Deze helling was ietwat hoger dan de voorgaande en toen zij de top ervan bereikten, droop het zweet van alle kanten van hen af.
(„Ali Roos als Arie Baba”, blz. 183).

En dat was vijftig jaar later niet anders. Maar het goede nieuws was, dat we ons weer op een pad bevonden, en wel een dat door voertuigen met vierwielaandrijving bereden leek te kunnen worden. Voor het meer moesten we echter nog een eind verder klimmen, gaf de Garmin aan. Ging dit pad misschien met een bocht verder omhoog om dan bij het meertje uit te komen? Dat was uiteraard het onderzoeken waard, dus volgden we het spoor naar rechts, waarbij we na een meter of vijftig een afgesloten zeecontainer passeerden, die achter in een inham in de berg geschoven was.
Een minuut of vijf later liep het pad helaas dood op een keerpunt bij een steile rotswand. Er zat niets anders op dan terug te lopen en een eind terug de berg verder op te klimmen. Maar nu... nu stond de zeecontainer wijd open. Op zich zou dat niet zo wereldschokkend zijn geweest, maar wat dit tot een echte JBA-Erlebnis maakte, was dat het helemaal geen met onduidelijke rommel gevulde opslagplaats bleek te zijn... maar de ingang van een tunnel! Alsof Jan, Bob en Arie de grot met kunstschatten alsnog voor zichzelf hadden gehouden, hem hadden gecamoufleerd door een zeecontainer in de opening te schuiven en net vandaag een dagje op bezoek waren!

Die gedachte werd nog versterkt door het feit dat er allerhande Nederlandse teksten op de binnenkanten van de nu openstaande deuren bleken te staan: „EIGEN TERREIN! PAS OP! WAAKHOND!”

Beschikten we nu maar over het smoezenarsenaal van Arie, dan hadden we ons wel in de tunnel gewaagd, die na een meter of veertig, vijftig uit leek te komen aan de andere kant van de rotswand. Maar helaas is het 2009, zijn er geen onontdekte Nazibunkers meer, maar des te meer bijtgrage pitbulls. We gaven er dan ook maar de voorkeur aan om een wat voorzichtigere, omtrekkende beweging omhoog te maken en te kijken of we er langs die weg achter konden komen wat er zich aan de andere kant van de tunnel bevond. Dat meertje in ieder geval, maar wat nog meer?
Honderd meter klimmen verder waren we er dan eindelijk achter! Naast gedachten aan Bob Evers kwamen er nu ook herinneringen aan oude Buck Danny-stripalbums op, want in „Een prototype is verdwenen” doet Buck exact dezelfde ontdekking als wij; de berg was hol, een oude vulkaankrater, en bij deze was hij na verloop van tijd gevuld geraakt met water. Dat was dus die fameuze Meisterstein-See, die echter alleen van boven te bekijken was, tenzij je de „verboden” tunnel nam.

Ach ja, soms zou je willen dat het leven was als een spannend jongensboek. Maar de nuchtere werkelijkheid bleek te zijn, na wat speurwerk op het internet, dat het meertje en de rest van wat zich aan de andere kant van de tunnel bevond een gewezen oefenterrein van het Duitse leger was (en in de Tweede Wereldoorlog ongetwijfeld een verborgen legerbasis), dat jaren geleden is verkocht aan een Nederlandse firma, die er voor bedrijven motivatietrainingen en dergelijke organiseert (www.nijssen-spoorenberg.nl). Dat is toch heel wat minder spannend dan een grot vol zinken kisten met schilderijen, kandelaars, vazen, bronzen standbeelden en marmeren leeuwen. Maar gelukkig hebben we de boeken nog...





Een Hollander in Humbeek (vervolg)
Wilfried Igné


Humbeek moet op Willy van der Heide, de Nederlandse schrijver van jongensboeken die hier in 1951 een oude Duitse kruiserbarkas uit de Eerste Wereldoorlog kocht zijn en belevenissen neerschreef in een boek, een diepe indruk hebben achtergelaten. Niet alleen in „De smokkelvaart van de Maia” en „Bombarie om een bunker” wordt Humbeek vermeld, maar ook in drie andere deeltjes van de populaire jeugdreeks Bob Evers, te weten „Kunstgrepen met kunstschatten”, „Ali Roos als Arie Baba” en „Heibel in Honoloeloe”.
Willy van der Heide had de gewoonte om persoonlijke ervaringen te verwerken in de serie. Het merendeel van zijn verhalen speelt zich ook af op de plaatsen die hij zelf heeft bezocht.
Dat Van der Heide het niet altijd even nauw nam met de werkelijkheid bewijst de plattegrond die hij van Humbeek tekende.

De belangstelling van Van der Heide-fans voor Humbeek is nog steeds groot. Vandaar de vraag van het Bob Evers Genootschap om als plaatselijke correspondent mee te werken aan hun halfjaarlijkse nieuwsbrief: de bijdragen over Humbeek staan op de Bob Evers Nieuwsbrief nrs. 30 en 31.

Oproep - Oproep - Oproep
Dit schip, men zegt een Duits schip uit de Eerste Wereldoorlog, lag jaren aangemeerd voor de Gendarmerie tot een bekende Nederlandse schrijver het in 1951 kocht.

Wie weet wat voor een schip het was? Hoe en waarom kwam het in Humbeek terecht? Wie was de eigenaar? Herinnert iemand zich nog het verblijf van de Nederlanders hier?

Heb je antwoord op één of meerdere vragen, laat het me a.u.b. weten. Dank bij voorbaat.

Wilfried Igné, Westvaartdijk 305, 1851 Humbeek; Tel. 0476-490 613,
wilfriedigne@hotmail.com.







Onder het vergrootglas (nieuwe serie 6) :
Onder het vergrootglas in de zomer

Geerten Meijsing


De zomer is voor mij altijd Bob Everstijd. In welke andere boeken leeft zo uitbundig het ouderwetse vakantiegevoel? De deeltjes spelen bij voorbaat in de verschillende schoolvakanties van de helden. Er zijn zomerse scènes te over in de boeken, waarin het om te stikken van de hitte is, maar omdat het hier om te stikken zo heet is, heb ik behoefte aan veel Nederlandse regen. Ook aan storm-, onweer en regenscènes ontbreekt het niet in de boeken. Je zou kunnen stellen dat de atmosferische omstandigheden, net als bij voorbeeld bij Maigret, voor een groot deel bijdragen aan de geslaagdheid van de afzonderlijke delen. Weersomstandigheden bij schrijvers als Adrie van der Heijden of Arnon Grunberg? Kom daar maar eens om.
Nu wilde ik een lang essay schrijven over het opgetogen levensgevoel in de Bob Evers-boeken, afgezet tegen de over het algemeen sombere en (enkele uitzonderingen daargelaten) humorloze postnaturalistische literatuur (je kunt dat ‘post’ meestal gewoon weglaten) in het grauwe Nederland van de jaren vijftig. Maar het is zomer, en ik snak naar een „flesje prik” of een „glaasje sap”, en vooral naar regen. Bovendien dwingt mij het karakter van deze rubriek eerder naar details te kijken dan naar het geheel in algemene samenhang en deconstructivistische duiding, of hoe u het wilt hebben. Willem Waterman moest bulderend lachen als hij iets hoorde dat maar riekte naar literatuurwetenschap: „De boekhouders van de literatuur! Faulkner! Daar gaat het om. Scott en Hemingway!” En als wij even stil vielen, die wel van Faulkner en Scott Fitzgerald maar niet van Hemingway hielden, bond hij in: „Nou ja, dat was ook wel een rotjong, hoor. Eerst heldhaftig beweren „The only thing for a writer is to survive!”, om vervolgens een dubbelloops jachtgeweer tegen zijn kin te zetten. Zo eenvoudig is het nu ook weer niet!”
Regen, roffelend op de linnen kap van een Ferrari racewagen, met een geweldige deuk in de lange motorkap, veroorzaakt door de verdwaalde klap van een crick, die merkwaardig genoeg eerst onder de stoel van de bestuurder lag.
Het geval wil dat ik over deze auto van mening verschil met de hooggeleerde heer Schenk die een raar plaatje van een open Ferrari heeft geplaatst in de onvolprezen, wetenschappelijk aangelegde „Encyclopedia Apriana”. In de afgebeelde auto kan de dikke Arie onmogelijk achterin hebben gezeten, hoe opgepropt ook. Het is een onafgemaakte discussie, omdat Schenk later terecht als voetnoot heeft toegevoegd dat de racewagen, die ergens eerder in de Bunkertrilogie „een vooroorlogse Ferrari” wordt genoemd, helemaal niet „vooroorlogs” kon zijn, omdat Ferrari pas na de Tweede Wereldoorlog met zijn productie begon. Mijn literatuurwetenschappelijke verklaring (pace Willem Waterman) is dat Willy van der Heide in dit geval nu eens niet precies naar de werkelijkheid getekend heeft, maar zich een droomwagen heeft geschapen waarvan iedereen onmiddellijk zich een voorstelling kan maken. Hoe dat ook zij, laten we eens kijken naar de eerste alinea van „Ali Roos als Arie Baba”.
Eerst moet me echter van het hart dat de saga van dit slotdeel van de Bunkertrilogie uitsputtert als een nachtkaars. Ze komen wel bij die bunker, maar ze kunnen er niets mee. Het tweede deel van dit boek is een teleurstelling, zoals vaker de in den haast afgeroffelde ontknopingen van de avonturen enigszins teleurstellen. Maar de eerste helft van dat boek, met de verwikkelingen in het volkse Hotel Popularis, De Keukeleirestraat 54, Antwerpen (Miller en Parsons) en het op Amerikaanse verlofgangers ingerichte Stateside Hotel drie straten verderop (onze drie helden), de sluipende bewegingen van beide partijen, tot en met het driehoekige pleintje met het nachtcafé voor vrachtwagenchauffeurs waarin Jan Prins van de witharige neger achter de bar géén worst krijgt en de drie schilderijen terugvindt uit de kap van de raceauto, nu in handen van een Bels menneke met een vettig hoedje op - de eerste helft van dat boek is ronduit magistraal, een van mijn lievelingsfragmenten uit de hele serie.
Ook zou ik eerst nog eens van iemand willen weten wat een „achtdaags klokje op het dashboard” zou kunnen zijn. Een niet-elektrisch uurwerk dat je één keer in de week moet opwinden? Klinkt erg vooroorlogs. „Model: vooroorlogs”, zou Kester Freriks schrijven. Ja, ammehoela.
Het gaat mij er in deze serie Onder het vergrootglas altijd om te laten zien hoe goed Waterman kan schrijven, en dat goeie zit hem vaak in de details.
De felle koplichtenbundels van een Ferrari racewagen zwiepten wild op en neer door de regenstralen die al sinds uren neerroffelden over het vlakke landschap tussen Antwerpen en Brussel. Dat wordt me eventjes met grote streken neergezet, evenwel met de toetsen van een fijnschilder aangebracht. Het is een fantastische eerste zin, die noodt tot verder lezen. Koplichtenbundels, wat een woord! En die zijn fel, en zwiepen wild op en neer. Je ziet het voor je. En dan het laatste lid van de zin: over het vlakke landschap tussen Antwerpen en Brussel. Breed. Vlaanderenland, mijn vlaakke laand. Regenstralen die al sinds uren neerroffelen suggereert bovendien een tijdsverloop en voorgeschiedenis. We beginnen in medias res, maar hebben tegelijk eenheid van tijd en plaats, zowel in het algemene als in het bijzondere: onze helden zitten namelijk in die racewagen, gehavend doch genoeglijk, in een stemming van overwinning, met tien briefjes van duizend (in die tijd!) en de auto als oorlogsbuit.
Het is een lekkere auto, niet rood maar tomaatrood gelakt. De regen die neerroffelt op de linnen kap, en de kleine, zwiepende ruitenwissers, die de grootste moeite hebben de voorruit telkens weer vrij te vegen van de modder en de prut die bij elke benedenwaartse duik van de koplampstralen (daar heb je ze weer) omhoog spetterde uit de vele kuilen en plassen van het slechte wegdek.
Ik kan er niet over uit hoe mooi dit geschreven is. En dan vanuit het interieur, tweede alinea: „Zijn dat lichten, daar in de verte?” vroeg Jan Prins, die voorovergebogen (!) door de voorruit zat te turen. Passagiers stellen altijd van dat soort onzinnige vragen.
Bob Evers, met beide handen hoog boven aan het stuurwiel (alweer, wat een sprekend detail!), knorde even en zei toen kort:
„Booglampen of iets dergelijks. Lijkt wel of daarginds een kermis staat.”
Stomme Amerikaan!
„Sluis,” kwam de stem van Arie Roos, achterin. Kort en precies.
Jan Prins keerde zich half om: (hij vraagt niet zomaar iets, hij keert zich daarbij halfom, zoals je doet in een donker auto-interieur)
„Wàt zei je?” Altijd die neiging tot contramine en het naadje van de kous willen weten.
De dikkerd veranderde zijn houding niet en sprak alleen wat luider, wat wel nodig was, met een mond vol voedsel.
„Sluis.”
Zelfverzekerd, superieur, veelvraat.

De drie vrienden zijn hier in het kort weer getypeerd: de technische Amerikaan aan het stuur, de oplettende en nieuwsgierige Jan Prins daarnaast, en de onuitstaanbaar dikke en wijze volvraat Arie achterin. Om eveneens op literatuurwetenschappelijke wijze te besluiten: een betere captatio benevolentiae kun je je niet wensen. Je weet meteen waar je bent, je weet niet waar je naar toe gaat, je zit met die jongens samen in die geweldige doch gehavende auto, en er staat, na een uiterst vermoeiende nacht (eerlijk gezegd was het aan het einde van het vorige deel al licht geworden, dus niets na enen in de nacht zoals hier staat, maar een kniesoor die daarop let) weer van alles te gebeuren. En je wilt mij en verder! Maar eerst bellen met vader Roos, te bikken inslaan (broodjes rosbief, hardgekookte eieren en koude gehaktballen), smijten met briefjes van duizend, en op zoek naar een hotel met een ligbad in Antwerpen.
Heerlijk, ik ga nu eerst een hardgekookt ei eten en dan in bad liggen om verder te lezen.






Nieuwsbrief 32
Nieuwsbrief 33 als pdf
Nieuwsbrief 34
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina