Nieuwsbrief nr. 35
ISSN 1386-6451
juli 2010 - 17e jaargang nr. 2



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe en Roger Schenk, buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieTon Kleppe & Roger Schenk
Column: Hier en daar een natuurzijden dasGert Huber
In memoriam : Kees Robert Jozef Kanger SnelGeerten Meijsing
Open brief aan John BeringenPaul van den Hout
Aangetekende brief aan De EekhoornWilly van der Heide
Circulaire De Bob Evers-serie wordt voortgezet!Willy van der Heide
Wéér tweede, of: aanvulling bij „Kloppartijen in een koelhuisRoger Schenk
(Gast)column: Denkend aan Holland...Cornelis van Tilburg
Is er leven na MJ?Paul van den Hout
Een van de laatste foto’s van Marie-José van den Hout© Roger Schenk
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 8) :
Over bospaden, digitalisering, routebeschrijvingen en andere zaken
Geerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Ton Kleppe & Roger Schenk


Clandestiene streken op een cruiseschip”.
Zoals wij reeds in de vorige Nieuwsbrief aankondigden, bestond er een kleine kans dat „Clandestiene streken op een cruiseschip”, eerder als feuilleton te lezen op
Peter de Zwaans eigen website, toch als boek zou verschijnen. Welnu, vier dagen voor de vijfentwintigste sterfdatum van de geestelijk vader van Bob Evers verblijdde Peter - zeg maar: de geestelijk stiefvader van Bob Evers - ons met een mailtje dat de kogel door de kerk was en dat deel 51 van de Bob Evers-serie „volgend voorjaar” in boekvorm zou verschijnen. Navraag leerde ons dat het inderdaad ging om het voorjaar van 2011. Wij, inmiddels al bezadigde Bob Evers-fans, zijn wel wat gewend als het gaat om geduld...
Maar toch was onze vreugde groot toen Peter alweer een mailtje produceerde, ditmaal twee dagen na de vijf en negentigste verjaardag van Willem, met daarin de mededeling dat „Clandestiene streken op een cruiseschip” al in september 2010 zou verschijnen! Peter meldde daarbij uitdrukkelijk dat hij, als deel 51 een succes wordt, gaat nadenken over een vervolg; valt de belangstelling echter tegen, „dan zal Jan Prins altijd op grote afstand blijven van Arie Roos en Bob Evers,” aldus de auteur. Normaliter zwichten wij natuurlijk nooit voor dreigementen, maar in dit geval maken wij met de nodige graagte een uitzondering, dat spreekt vanzelf! Vandaar dat wij iedereen met klem willen aanraden om vooral een of meer exemplaren van „Clandestiene streken op een cruiseschip” aan te schaffen! En dat kan op de volgende manier:

(ingezonden mededeling)
Bob Evers - Clandestiene streken op een cruiseschip

Eind september zal deel 51 van Bob Evers verschijnen, getiteld: „Clandestiene streken op een cruiseschip”. Deze uitgave zal in een beperkte oplage verschijnen. Om iedereen zoveel mogelijk de kans te geven dit deel te bemachtigen geven wij u graag de mogelijkheid in te schrijven voor dit nieuwe deel. Het inschrijvingsformulier kunt u vinden op: www.bobevers.nl.

N.B.!

De kosten die vermeld staan op het inschrijvingsformulier zijn kosten voor binnenlandse verzending.
Verzending van 1 exemplaar buiten Nederland, maar binnen Europa: € 6,-.
Verzending van 1 exemplaar buiten Europa: € 10,-.
Verzendkosten voor verzending van 2 exemplaren of meer buiten Nederland worden vooraf aan de koper doorgegeven voor akkoord.

De gegevens voor buitenlandse betalingen zijn:
IBAN: NL65FTSB0644234288
BIC: FTSBNL2R
Vermeld op elke overschrijving - vanuit binnen- of buitenland - „BE51” én uw naam!

Vanzelfsprekend zal deel 51 vanaf september ook verkrijgbaar zijn in de reguliere boekhandel.


Bob Evers - „Clandestiene streken op een cruiseschip

Jan Prins, Bob Evers en Arie Roos worden door pa Roos zonder duidelijke opdracht naar San Diego gestuurd voor een cruise op de „SeaRose” die onder bevel staat van kapitein Holdert, een man die een karrenvracht appels met de drie jongens te schillen heeft. De cruise voert via drie plaatsen in Mexico naar het Panamakanaal en vandaar naar Fort Lauderdale in Florida.
In San Diego ziet Jan dat een kleine man met een Mexicaans uiterlijk clandestien de pier op probeert te komen waar de cruiseschepen aanleggen. De poging slaagt en de bedoeling is duidelijk: de man maakt zich klaar om iets uit te halen met of op een cruiseschip.
Arie ziet de Mexicaan later op de dag in het restaurant van een hotel dat door het opduiken van een grote, hoekige man en de hulp van een paar honderd scholieren in een slagveld verandert. Bob ziet hem op vrijwel dezelfde tijd in een jachthaven waar een omvangrijke politieactie gaande is.
Als de rust in het hotel en de jachthaven is weergekeerd stellen Jan, Bob en Arie vast dat er sprake is van twee kleine Mexicaanse mannen, die broers zouden kunnen zijn. Ze zijn ervan overtuigd dat minstens een van de broers clandestien aan boord van een cruiseschip probeert te komen en het enige schip dat in aanmerking komt is de „SeaRose”. De grote vraag is: hoe kom je ongezien aan boord van een luxe praalschip dat aanlegt aan een beveiligde pier en waarom zou iemand dat willen? Duizenden Mexicanen proberen elk jaar illegaal de Verenigde Staten binnen te komen, maar waarom slooft een Mexicaan zich uit om als verstekeling illegaal de USA te verlaten?




De voorkant van „Clandestiene streken op een cruiseschip” is gemaakt door Lia Krijnen, Peters muze en echtgenote, en is gebaseerd op de foto die ooit bij het feuilleton stond, maar nu alleen nog maar te zien is in Nieuwsbrief 33).
Peter heeft het verhaal teruggebracht tot een hoofdstuk of tien, terwijl het feuilleton nog uit bijna veertig bestond. Dit betekent dat de tekst op (kleine) onderdelen afwijkt van die van het feuilleton.
Wie absoluut niet kan wachten tot eind september om nieuw werk van Peter de Zwaan te lezen, kunnen wij troosten met de mededeling dat een nieuwe literaire thriller van zijn hand, „Voortvluchtig”, al in de maand augustus in de winkel ligt...

Kees Snel overleden.
Helaas lijkt er sinds het overlijden van Marie-José van den Hout een nieuwe trend in gang gezet, die talloze slachtoffers onder de Bob Evers-gemeente eist. Op 18 juni j.l. ging Kees Snel, een van de oprichters van het Bob Evers Genootschap, op 59-jarige leeftijd van ons heen; hij maakte gebruik van het pseudoniem Keith Snell. Geerten Meijsing, in wiens oeuvre Kees veelvuldig figureerde onder de namen „Keith” en/of „Kanger”, schreef hieronder een in memoriam.

Bijzonder zwaar wordt in 2010 ook buitengewoon honorair lid van het Bob Evers Genootschap John Beringen getroffen: nadat John eerder dit jaar al zijn Carla had verloren, is hem op 13 juli j.l. ook nog eens zijn moeder ontvallen.
De redactie condoleert alle nabestaanden van Kees Snel en mevrouw Beringen.

Nog meer droefenis.
Ook van ons heengegaan lijkt de website van Geerten Meijsing te zijn, net als diens facebook-account: „cyber suicide”, zoals zijn dochter Iris dat noemde. Het voelt alsof alweer een goede vriend afscheid heeft genomen (en dat heus niet alleen maar omdat alle links naar Geertens homepage in oude Nieuwsbrieven nu dood lopen)...

LinkedIn.
En ja hoor, het woord facebook is gevallen, hetgeen ons bij het volgende bericht brengt: hyves heeft er twee (zie Nieuwsbrief 31), facebook heeft er een (zie Nieuwsbrief 34), dus het kon niet uitblijven: het derde belangrijke social network, LinkedIn, heeft nu ook zijn eigen Bob Evers-community! Voor wie aan de Nieuwsbrief en de mailinglist niet genoeg heeft...

Verjaardag van een „concurrent”.
In 1935 verscheen Jan Nowee’s „Arendsoog”. Dat betekent dat de sympathieke cowboy inmiddels de respectabele leeftijd van vijf-en-zeventig jaar heeft bereikt. Om dit te vieren vindt op zaterdag 18 september in SnowWorld Zoetermeer een grootste Arendsoog-fandag plaats. Wij geven dit bericht hier weer omdat Arendsoog en Jan, Bob en Arie min of meer generatiegenoten zijn (ons drietal zag in 1942 het levenslicht; het derde Arendsoog-boek verscheen in 1949, het eerste echte Bob Evers-boek in 1948) en wij verwachten dat veel Bob Evers-fans ook Arendsoog een warm hart toedragen en omgekeerd!
Voor meer informatie verwijzen wij de fans graag naar www.arendsoog.info.

De onderhavige Nieuwsbrief ontkomt natuurlijk niet aan alle euforie rondom het W.K. voetbal: onze redacteur Roger Schenk toont aan dat ook Willem ooit over een W.K. voetbal schreef... Verder treffen we, behalve het al gememoreerde in memoriam voor Kees Snel, ook twee bijdragen van Paul van den Hout aan, plus de gebruikelijke columns van Geerten Meijsing en Gert Huber benevens de gastcolumn, ditmaal van de hand van Cornelis van Tilburg.
Een en ander betekent dat er maar liefst vier classici - Cornelis, Geerten, Paul en Roger - hun medewerking aan deze Nieuwsbrief hebben verleend en dat is voor ons toch wel het definitieve bewijs dat er niets mis is met de kwaliteit van Bob Evers: wie Willem W. Waterman evenzeer waardeert als Homerus en Vergilius, spreekt met verstand van zaken en beschikt over een uitmuntende smaak!
Dankzij Evert van der Spek - welbekend van zijn bijdragen in Nieuwsbrief 12 t/m 14 - kan het Genootschap beschikken over een brief en een circulaire van Willy van der Heide; met name de brief, die ook in de circulaire genoemd wordt, werpt een geheel nieuw licht op de datering van „Bob Evers belegert Fort B”: op z’n minst moet het plan om de Bob Evers-serie voort te zetten, al in 1970 zijn ontstaan. Was deel 34 toen al klaar of bestond het alleen maar in concept? Voor Willem, die in dezen blijkbaar blindelings vertrouwde op de in zijn brief genoemde „adviseurs” lagen de zaken heel duidelijk: deel 33 viel volgens hem (hen?) nog onder het oude Eekhoorn-contract, maar het zou Willem - in zijn visie althans - vrij staan om vanaf deel 34 vrolijk verder te gaan met de Bob Evers-serie. Willem zou er alras achter komen dat de zaken toch niet zo eenvoudig lagen als hij dacht: hij zou rond 1973 een contract hebben getekend met Unieboek in Bussum om nieuwe Bob Evers-deeltjes te laten verschijnen; ten tijde van het inmiddels (in de polder) wereldberoemde interview met Pamela Koevoets is het typoscript van „Bob Evers belegert Fort B” in ieder geval reeds af. Uiteindelijk zouden de delen 34 en 35 pas in 1977 resp. 1978 verschijnen bij Van Holkema & Warendorf; deze uitgaven waren indertijd weliswaar gewoon in de winkel verkrijgbaar, maar tóch dusdanig illegaal dat zelfs geen Nederlandse drukker zijn vingers eraan wilde branden: de boekjes zijn in de toenmalige DDR gedrukt. „Arie Roos als ruilmatroos” moet in elk geval na het Watergate-schandaal zijn geschreven (voor de jongere lezers onder ons: dat vond plaats in het jaar 1972; het wordt genoemd op pagina 28 van de illegale uitgave) en het aangekondigde, maar bij leven van Willem nimmer uitgegeven „Kloppartijen in een koelhuis” na 1978. Likkebaardend, maar ook met de nodige spijt hebben wij kennis genomen van de zinsnede „U kunt rekening houden met een verschijnings-frequentie van een titel in het voorjaar en een titel in het najaar” in de circulaire, zoals Willem het ding noemde: stel je toch eens voor dat Arie Roos wérkelijk bestaan had en Willem aan een goed klinkende smoes had kunnen helpen om De Eekhoorn te overtuigen: tussen 1970 en 1985 (Willems dood) had ons dat maar liefst dertig extra Bob Evers-deeltjes opgeleverd!
Het is, zoals wij allen weten, iets anders gelopen, zodat wij in de onderhavige Nieuwsbrief nogmaals de verschijning van deel 51, „Clandestiene streken op een cruiseschip”, van de hand van Peter de Zwaan bij de enige, echte, legale Bob Evers-uitgeverij, De Eekhoorn, onder jullie aandacht mogen brengen. Waarmee het cirkeltje mooi rond is!

De eerstvolgende Nieuwsbrief, nr. 36, zal in januari 2011 verschijnen.
Wij zouden het op prijs stellen als u kopij - bij voorkeur in groten getale - uiterlijk in de maand december 2010 stuurt naar nieuwsbrief@apriana.nl.






Hier en daar een natuurzijden das
Gert Huber

Kleren maken de man, dat gold in de vorige eeuw nog veel sterker dan nu: van iemands kleding kon je tot ver in de twintigste eeuw de stand aflezen waartoe de drager ervan behoorde. In de tijd dat de (klassieke) Bob Evers-boeken werden geschreven veranderde het dagelijkse kloffie in hoog tempo van karakter.


Dat je op weg naar een plaatopname van een jazzband op een snikhete dag een natuurzijden das omknoopt (niet te verwarren met de kunstzijden exemplaren van de AKU), en bovendien nog een koffertje met schone shirts en zo meeneemt, was in het begin van de jaren vijftig niet algemeen meer, maar het ook in de vrije tijd dragen van een (sport-)jasje en dasje, dan wel wandelkostuum, was dat nog wel. Zelfs bij avontuurlijke uitjes werd daar niet snel van afgeweken - denk maar aan „uw das, pa”, een opmerking die aantoont dat Pa Roos, uitgerust met bijl, touw en alarmpistool, toch gewoon een das aanhield. Hij durfde dan wel niet meer naar huis om zich om te kleden, maar die zelfbinder had hij toch wel af kunnen doen, maar dat kwam gewoon niet in hem op; een fatsoenlijk man ging niet zonder das de deur uit. Zelfs Amerikaanse beroepsboeven dragen dassen, gezien Rossi’s kledingruil na het bamispektakel.

Praktisch is dit uitrustingsstuk intussen niet: een das is een ideaal aangrijpingspunt en worginstrument bij rausjpartijen. Bodyguards dragen niet voor niets een exemplaar dat met slechts met een drukknoop vastzit.

De drie jongens waren overigens nogal behoudend in hun kledingideeën: in Mexico zijn ze van plan hun broeken uit de koffers te laten oppersen en ze verbazen zich erover dat een man uit een vliegtuig stapt „zelfs zonder hoed”.

Begin jaren zestig was het snel afgelopen met deze geklede periode. Toen ik in de eerste klas van de HBS zat, droegen alle oudere jongens nog dassen en jasjes; toen ik zelf in de vierde kwam niemand meer. De Beatles traden in hun vroege dagen nog op met (rare) jasjes en dasjes, dat was toen ook afgelopen.

Van der Heide had deze ontwikkeling eigenlijk best in zijn boeken kunnen verwerken, maar heeft dat zover ik me kan herinneren niet gedaan. De veranderende tijden komen sowieso niet sterk naar voren in de verhalen. We weten dat de jongens de oorlog bewust hebben meegemaakt, eindexamen hebben gedaan en later van hun vaders moeten gaan werken, maar intussen en daarna lijkt de tijd haast stil te staan: de sfeer in de boeken blijft die uit de jaren vijftig, een mooie tijd, waarin de portier van een Amerikaans warenhuis nog keurig gekleed is, zij het dat hij, zoals uit zijn gedachten blijkt, niet elke dag een schoon overhemd aantrekt.





In memoriam : Kees Robert Jozef Kanger Snel
* 16 maart 1951 - † 18 juni 2010

Geerten Meijsing


En toen waren er nog maar vier... Wordt het Bob Evers Genootschap met uitsterving bedreigd? U weet dat het Genootschap geen leden kan toelaten die Willem Waterman niet persoonlijk gekend hebben. Daarom is het des te pijnlijker en met dieper smart dat het Bestuur van het Bob Evers Genootschap, dat tevens het Genootschap zelf vormt, kennis moet geven van het ontijdig maar vredig overlijden van het bestuurslid Kees Snel a.k.a. Keith Snell. Hij is nog geen zestig jaar oud geworden; diverse ziektes knaagden al langer aan hem, zodat hij zich niet vaak in het openbaar kon vertonen. Misschien heeft niemand van u hem ooit in levenden lijve gezien, maar hij was wel degelijk aanwezig bij de oprichting van het Genootschap op 6 december 1975, met het begraven van de luchtdichte koker met geheime inhoud in de bouwput onder het destijds verdwenen, en mede dankzij de inzet van het Genootschap later weer herrezen Noord-Zuid-Hollandsch Koffiehuis, alles gedocumenteerd met fotografieën.


Het curieuze aan de verschijning van bestuurslid en medeoprichter van het Genootschap was dat hij het meest aanwezig was door zijn afwezigheid: op bovenstaande oprichtingsfoto gaat hij bijna geheel verborgen achter de voor het graafwerk ingehuurde, communistische arbeider in overall.
          Kees was een levenslange vriend van mij. Ritueel onderdeel van onze veelvuldige bijeenkomsten was het voorlezen uit de Bob Evers-boeken. Later kwam Frans Verpoorten jr. daar bij. Gedrieën zijn wij door Peter Muller en Coen van der Linden op het spoor gezet: waar konden wij de auteur van de Bob Evers-boeken, voor ons toen nog Willy van der Heide, vinden. Het was voor mij een godswonder dat Peter Muller, met wie ik op geheel andere wijze in contact ben gekomen, de auteur persoonlijk kende, en ons zelfs, via een Grundig Bandafspeelapparaat, liederen kon laten horen die door Willem Waterman, zoals de auteur voortaan door ons en door iedereen genoemd werd, werden gezongen. Willy van der Heide had voor ons een stem gekregen - een bulderende militaire stem die voor ons uit elke zin van de Bob Evers-boeken blijft opklinken. Peter en Coen waren al gauw te vinden voor de oprichting van het Genootschap - zo belangrijk en van onvergetelijke waarde achtten wij allen de Bob Evers-serie. Inmiddels is gebleken dat wij daar niet slecht aan gedaan hebben.
          Jongens waren we, stoute jongens.
          Kort voor zijn dood heeft Keith mij nog in Italië gebeld. We belden regelmatig. Bij die gelegenheid zei hij dat hij eigenlijk niet meer van zijn kamer af kwam. Ik was te argeloos om onheil te voorvoelen, want ook ik kom niet graag van mijn kamer af: „Alle narigheid van de wereld komt daaruit voort, dat de mensen niet gewoon in hun kamer blijven zitten,” heeft een wijs man gezegd, Thomas à Kempis. Keith is zijn kamer uit gedragen, voeten voorop.
          Het leven is niet gemakkelijk voor hem geweest. Keith was hoogbegaafd, jeugdkampioen schaken en bezat een bizarre humor. Ik kan maar niet begrijpen dat hij zo plotseling gestorven is, want hij had nergens haast mee.
          Willem Waterman heeft eens in een radio-interview met Pamela Koevoets gezegd: „Dit zijn de jongens van het Bob Evers Genootschap, eh, de vroegere Joyce & Co.” Dat was niet correct. Samen met Keith heb ik in 1968 Joyce & Co. opgericht, dat later als pseudoniem voor onze eerste boeken werd gebruikt. Met het BEG had dat niets te maken, al was er een overlapping.
          Het is een groot verlies, maar ik weet dat hij altijd naast mij zal blijven staan, zoals hij mij zijn hele leven heeft gesteund. We hebben vooral veel plezier met elkaar gehad, in onze bizarre en idiosyncratische gesprekken. Ik denk dat die gesprekken gewoon door blijven gaan.

          Frans Verpoorten jr. heeft tijdens de besloten begrafenis aan de Vergierdeweg in Haarlem-Noord de honneurs voor het Genootschap waargenomen.

Namens de Voorzitter Peter J. Muller, en de andere bestuursleden van het Genootschap: Coen van der Linden en Frans H.B.Verpoorten jr., die delen in de rouw,

zijn vriend: Geerten Meijsing





Open brief aan John Beringen
Paul van den Hout

Beste John,

Hartelijk dank voor je verslag van de Bob Evers-bijeenkomst van 19 mei 1989 (zie Nieuwsbrief 34, red.). Er hebben natuurlijk de vorige eeuw wel historisch zwaarder wegende zaken plaatsgevonden, maar het wàs een memorabele dag. Ik ben om twee redenen blij dat je hem voor mij aan de vergetelheid hebt ontrukt. In de eerste plaats vanwege die foto, waarop ik me zelf opeens eenentwintig jaar geleden terugzie naast een evenveel jaren jongere en navenant wufte Marie-José, of José, zoals ik haar noemde. En voorts omdat ik warempel totaal was vergeten dat ik haar bij die gelegenheid inderdaad bij het Bob Evers Genootschap heb „geïntroduceerd”, reden waarom ik, dunkt mij, alsnog dien te worden benoemd tot erelid van verdienste!
          En, nee, John, ik neem het je in het geheel niet kwalijk dat ik in jouw weergave gaandeweg wel héél veel trekjes ga vertonen van een baldadige beschonkene: ik ben blijkbaar toch „de zoon van”, en ons aller geheugen is feilbaar. Dat laatste blijkt verder onder meer uit dat voorval over het uitgeleende en nimmer teruggekregen boek. De uitval die je mij daarover in de mond legt, „sounds like me”, maar kan onmogelijk gericht zijn geweest tegen Coen van der Linde. Ik zag Coen in die jaren vrij regelmatig in Amsterdam, dus als er al zo’n kwestie tussen ons gespeeld zou hebben, zou er voor mij geen enkele reden zijn geweest om daar bij zo’n speciale gelegenheid over te beginnen. Nee, dat verwijt zal ik hebben gericht tegen Geerten Meijsing, die toen een Horatiuseditie van mij in bezit had, en als het goed is nog steeds hééft, die ik hem toen al jaren eerder - en onder zware morele pressie van mijn vader - had uitgeleend. Nu gun ik Geerten die uitgave van harte, daar is het mij ook in het geheel niet om te doen, maar ik vind het niet meer dan billijk, de achtenswaardige Coen te zuiveren van elke onverdiende smet op zijn blazoen.
          Overigens kan ik je de identiteit onthullen van „de man met de zeemanspet”. Dat had Coen trouwens al die tijd al kunnen doen en nog veel beter, want het betreft een zeer goede vriend (en jarenlange huisgenoot) van hem), de inmiddels al weer geruime tijd overleden Pieter Rommers (God hebbe zijn zwierige ziel!), met wie ik ook, zij het via een heel ander circuit (Pieter was oud-redacteur van Propria Cures, red.), waar Willem niets mee te maken had, bevriend was. Dat hij die dag erbij was, heeft dus allerlei plausibele verklaringen, al weet ik niet met wie hij nu precies mee is gekomen, met Coen of met mij of met ons beiden. Dat doet er ook weinig toe: hij kende Willem inderdaad, maar of hij echt een „vriend” van hem was, weet ik niet zeker: evenals mijn vindingrijke vader, had deze Pieter een grote duim. Die door jou aangestipte „onmin” tussen ons beiden, die later weer zou zijn bijgelegd, kan ik me niet meer herinneren, maar dat het daadwerkelijk op zo’n manier afgelopen is, moet, gezien mijn en Pieters karakterstructuur, geenszins uitgesloten worden geacht.

          Met hartelijke groeten, Paul van den Hout







Aangetekende brief aan De Eekhoorn
Willy van der Heide

Den Haag,
Hugo de Grootstraat 26
Tel. 39 55 34

30 september 1970
AANGETEKEND

Aan de
Uitgeverij “De Eekhoorn” N.V.,
Pascalstraat 6,
H A R D E R W I J K .

Mijne Heren,

     Door ons is destijds een overeenkomst gesloten, betreffende afkoop door U van de Nederlandse auteursrechten van de BOB EVERS-serie, op aan U welbekende voorwaarden.
     Een en ander werd door mij, zoals tussen ons te doen gebruikelijk, schriftelijk bevestigd en deze bevestiging is door U zonder bezwaren geaccepteerd en ook later, na gerezen geschil van mening, als juist geaccepteerd. Deze feiten liggen onherroepelijk vast.
     Desondanks heeft U enkele malen achtereen uw eigen overeenkomst doorkruist, respectievelijk verbroken, respectievelijk ontkend.
     Wat intussen als gevolg van deze chicanes Uwerzijds aan moeilijkheden gerezen zijn, kunnen wij in dit schrijven terzijde laten.
     Mijn adviseurs wijzen mij erop, dat zonder mogelijke twijfel het originele BOB EVERS-contract wel en deugdelijk is ontbonden, met wederzijds ontslag van rechten en verplichtingen, zodat ik volledig vrij ben, deze serie zelve, en zelfs in eigen beheer, voort te zetten, daarmede dus elke derde belanghebbende uitschakelend.

     Het is mij niet mogelijk, deel 33 tot een goed einde te brengen, zodat ik de boekhandel zal verwittigen, dat de BOB EVERS-serie door de auteur zelve zal worden voortgezet en uitgegeven, beginnende met titel 34, welke luidt:

               Bob Evers Belegert Fort B

En dan gaan wij peultjes doppen.


hoogachtend,

Willy van der Heide






Circulaire De Bob Evers-serie wordt voortgezet!
Willy van der Heide

De BOB EVERS - Serie
wordt voortgezet!


De auteur van de BOB EVERS-Serie: Willy van der Heide, heeft enkele jaren geleden de nederlandse rechten van de tot dan verschenen 32 Bob Evers-titels voor een vast bedrag per titel verkocht aan zijn uitgevers: „De Eekhoorn” te Harderwijk, op voorwaarde dat dit tevens inhield wederzijds ontslag van rechten en verplichtingen, uit het Bob Evers-contract voortvloeiend.

Men mag zeggen: definitieve boedelscheiding en -deling.

Hierna zijn onverkwikkelijkheden geschied, die hier niet ter zake doen. Bijgaand een afschrift van een brief, door de auteur aangetekend verzonden aan zijn voormalige uitgevers. Hierna is tot op heden boe noch bah vernomen.

Geheel conform dit schrijven neemt de auteur (met de nodige ruggesteun) persoonlijk de uitgave van de verdere delen van de Bob Evers-serie ter hand.

Deel 34 is getiteld:

Bob Evers belegert Fort B


De prijs en het uiterlijk van deel 34 onderscheiden zich vrijwel niet van de voorgaande delen: zulks om de continuïteit te verzekeren, om een minimum aan complicaties te doen ontstaan en zeker ook, teneinde de verkoop der voorgaande delen niet te belemmeren.

Binnen korte tijd zal - geheel op de gangbare wijze - een reiziger U bezoeken met een dummy van deel 34, waarna u desgewenst uw bestellingen kunt plaatsen.

U kunt rekening houden met een verschijnings-frequentie van een titel in het voorjaar en een titel in het najaar.

Vertrouwende, U voorlopig voldoende te hebben ingelicht,



met hoogachting,

Willy van der Heide

Besteladres:
Singel 119
Amsterdam







Wéér tweede, of: aanvulling bij „Kloppartijen in een koelhuis
Roger Schenk

Het zal niemand zijn ontgaan: het Wereldkampioenschap Voetbal 2010 is voorbij!
Het zal nóg minder mensen zijn ontgaan: ook nu weer staat Oranje, ons teerbeminde Nederlands Elftal, met bijzonder lege handen, net als in 1974 en in 1978.
En tenslotte zal het nóg minder mensen ontgaan: zelfs de Bob Evers Nieuwsbrief kan niet om het W.K. heen! „En waarom dan wel?” hoor ik u vragen. „Willem had toch helemaal niets met voetbal?” Toegegeven, hij noemt een paar maal de namen Ajax en Feyenoord, maar dat zijn voor het merendeel apocriefe toevoegingen in de pocketreeks: in de hardcovers ging het nog gewoon om Hettie Balkenende (dat klinkt op een of andere manier als een demissionair premier op de tribune bij een W.K.-finale, maar nee: Willem had het over een zwemster uit de jaren ’50) en Jacques Massu (Henk Beentje heeft in Nieuwsbrief 12 een mooie verhandeling geschreven over de metamorfose van een parachutistengeneraal in het eerste elftal van Ajax). In de jaren ’70 lijkt Willem ineens de regels van het voetbalspel te hebben begrepen: in de - illegale - Van Holkema & Warendorf-uitgave van „Bob Evers belegert Fort B” neuriet Arie „Geen dollars maar daden” op de melodie van het mooiste clublied ter wereld; zou
Peter de Zwaan soms supporter zijn van FC Twente of helemaal niet van voetbal houden? In elk geval ontbreekt Arie’s geneurie in de Eekhoorn-uitgave.
Ook apocrief is de verwijzing naar de wedstrijd Nederland - Oostenrijk in het typoscript van „Kloppartijen in een koelhuis”. We hebben het dan over de op 14 juni 1978 in Córdoba (Argentinië) gespeelde wedstrijd die Nederland in de aanloop naar zijn voorlaatste - verloren - finale met 5-1 won. Doelpuntenmakers waren indertijd Ernie Brandts, Rob Rensenbrink, tweemaal Johnny Rep en Willy van de Kerkhof aan de ene en Erich Obermayer aan de andere kant. Eenieder die de pocketuitgave - tevens enige uitgave - van „Kloppartijen in een koelhuis” kent, zal deze passage vergeefs zoeken.
Hoe zit dat nu? Ook deze passage lijkt rücksichtslos ten prooi gevallen aan het rode potlood van Peter de Zwaan. Hoog tijd om deze (en andere) passage(s) aan de vergetelheid te ontrukken!

Op pagina 7 van de pocket vinden wij de zin:
‘Zoiets hebben wij nooit nodig vader,’ zei Jan. ‘We zijn het altijd met elkaar eens, we doen gewoon wat we moeten doen.’
In het typoscript wordt deze zin gevolgd door:
“Nou... altijd ééns...” zei Arie langgerekt, op de toon van Nak uit de show van Andre (sic!) van Duin.
Waarschijnlijk heeft Peter de Zwaan gedacht dat een dergelijke opmerking te zeer gebonden was aan het eind van de jaren ’70 om de tand des tijds te doorstaan; of vond hij, net als de schrijver dezes, dat een dergelijke opmerking niet „des Willems” was? Het zou zomaar kunnen dat deze zin uit de koker van Ralph Jas en Hans Waser stamt (Zie Beringen, Jas en Waser, „Twee jongens een een Bob Evers-serie”, p. 21: „Je moet weten dat wij de moeite hadden genomen Willems werk over te typen, zodat er geen verschil in machineschrift was.”). Hoe het ook zij, het typoscript gaat na deze zin als volgt verder:

“Zie je!” blafte de kolonel. “Dat is nou wat ik bedoel. Er toch vroeger of later altijd iemand nodig, die de beslissingen neemt of je nou dít gaat doen, of dát. Of je rechtstreeks aanvalt, of uit de flank, met een omtrekkende beweging.”
“Dat weten we allemaal niet, hoor!” zei Bob Evers, wat korzelig. “Als we dáárover gaan nadenken, raken we in de war. Wij...”
“Wij zijn natuurtalenten,” verklaarde Arie Roos. “Net als Napoleon of Lawrence of Arabia.
(In de pocket zijn deze twee namen omgedraaid...) Laten we dáár nou maar over ophouden, want mijn vader zit te popelen om ons nou eens te vertellen wat voor bijzonder karwei er moet worden opgeknapt.”
“Dat heb je nou eens scherp gezien, zoon van me,” knikte Pa Roos, en viste een lap krantenknipsel uit het pak paperassen dat voor hem lag te wachten. Hij keek de kringen rond: “Zal ik het maar voorlezen? Dan weten we het allemaal tegelijk.”
“Graag, beste vader,” antwoordde Arie, en ging behaaglijk achterover liggen met zijn benen languit gestrekt en zijn handen op de buik gekruist. “Het is lang geleden dat u mij een verhaaltje hebt voorgelezen, en ik hoop dat ik er geen tranen van in de ogen krijg.”
De oude Roos schonk zijn zoon een wat vuile blik, en begon dan:
“Het is uit de Telegraaf van zaterdag 26 maart 1977.”

                    ZWARE KLAP VOOR TRUCKDIEVENBENDE
                       door: Wim van Seffen.

Italiaanse rechercheteams hebben gisteren de wijdvertakte organisatie van vrachtwagenrovers een gevoelige slag toegebracht. In Milaan werden acht bendeleden onschadelijk gemaakt.
Drie onlangs geroofde trucks, geladen met whiskey en motoren (totale waarde 825 duizend gulden) konden worden achterhaald.
Het hoofd van de Milanese recherche verklaart onomwonden dat de vrachtwagendieven werden gesteund door de Maffia, die waarschijnlijk een deugdelijk afzetgebied voor de goederen had geschapen.
In totaal zijn de volgens de Milanese woordvoerder niet minder dan duizend vrachtwagens en combinaties geroofd. De totale waarde van de gestolen goederen loopt in de tientallen miljoenen.
Van Nederlandse transportfirma’s werden sinds 1 januari 1973 zo’n 120 wagens buitgemaakt en leeggeroofd. De ladingwaarde liep per diefstal uiteen van ƒ 15.000 gulden tot een miljoen.
De Italiaanse opsporingsinstanties die - veel te laat naar de smaak van vooral de Nederlandse en Duitse vervoerders - in 1976 hun tegenoffensief inzetten, hebben in 15 maanden tijd danig onder de rovers huisgehouden, en hun activiteiten enigermate weten te beperken.
In Zuid-Italië werden al eerder negen vrachtwagendieven gearresteerd. In totaal zijn nu zo’n 30 bendeleden, corrupte douane-ambtenaren en chauffeurs ingerekend en ongeveer 20 miljoen aan gestolen goederen is in beslag genomen.
Sedert oktober 1976, toen de Nederlandse Organisatie van Beroepsvervoer haar honderd en tiende geroofde, Nederlandse vrachtwagen registreerde, liep het maandgemiddelde van de wagendiefstallen aanzienlijk terug. De Maffia, eraan gewend om soepel uit te wijken wanneer haar het vuur te na aan de schenen wordt gelegd, vond al snel een andere mogelijkheid. Zij verlegde haar operatiebasis ten dele naar Frankrijk. Opnieuw verdwenen tot 13 meter lange vrachtwagencombinaties praktisch onder de ogen van hun berijders.
Wederom werden daarbij alle mogelijke trucs toegepast. Er wordt bijvoorbeeld geprobeerd om chauffeurs ertoe over te halen, hun reservesleutels in de cabine achter te laten in ruil voor een enveloppe, welgevuld met bankbiljetten.
De Nederlandse Verzekeringsmaatschappijen slaan deze Maffia-activiteiten in Frankrijk met zorg gade. De enorme uitbetalingen die zij in de afgelopen jaren moesten doen, waren aanleiding tot het instellen van een kersverse verzekeringsvoorwaarde... en die houdt in, dat transportondernemingen, die hun wagens niet of niet voldoende hebben beveiligd, 20 percent eigen risico moeten dragen, met een minimum van 25.000 gulden...”

Pa Roos hield op met lezen, en keek de aandachtig luisterende kring rond. Uit de stoel waarin kolonel Prins kaarsrecht vertoefde, klonk een instemmend geknor:
“Juist, juist. Zeer juist. Ik heb zelf aandelen in een verzekeringsmaatschappij. Zou een mooie mop worden. Die transporteurs sturen die dure vrachtwagencombinaties maar de Alpen over, en die chauffeurs gaan ergens lekker espressokoffie drinken zonder op hun wagens te letten en als de hele boel gestolen wordt, kan de verzekering de volle mep betalen. Zo blijf je aan de gang. Als ze zélf de kans lopen voor 25.000 gulden minstens het pak in te gaan, kijken ze wel beter uit.”
“Goed, beste vader,” zei Arie Roos nu, met een knipoog naar zoon Prins. “Maar dat artikel is van het jaar 1977. We zijn nu een paar jaar verder.”
“Precies,” knikte de oude Roos. “Zeer knap opgemerkt, mijn zoon. We zijn nu een paar jaar verder. Maar dat is ook alles wat we zijn opgeschoten. Willen de heren van het Ongeregelde Leger nu even kennis nemen van twee krantenberichten uit het jaar 1978?”
De heren van het Ongeregelde Leger zetten zich tot luisteren.
“Volgend stuk uit het dossier,” mompelde Bob Evers.
Pa Roos ging van start:

                    “De Telegraaf, 17 juni 1978

               Italiaanse Politie grijpt naar de Wapens
               DIEVEN NEDERLANDSE TRUCK NEERGESCHOTEN

Como, Italië,
De Italiaanse politie heeft woensdagavond na een vuurgevecht een einde gemaakt aan een diefstal van een Nederlandse vrachtwagen-combinatie. Bij deze actie werd één van de dieven gedood en een ander zwaar gewond.
De vrachtwagen was eigendom van het transportbedrijf uit het Friese plaatsje Heeg. De 30-tons combinatie was onderweg van Nederland naar Milaan met een lading sandalen ter waarde van een kwart miljoen gulden. De truck werd bestuurd door de 42-jarige Jaap Schaper uit Bakhuizen.

CAFE
Hij was juist over de grens van Zwitserland en Italië bij een chauffeurscafé langs de autosnelweg van Chiasso naar Como gestopt. Deze chauffeur, die al bijna 20 jaar op het buitenland rijdt, wilde even naar de voetbalwedstrijd Nederland - Oostenrijk kijken.
De 5-1-overwinning was nauwelijks gevierd, of hij bemerkte, dat dieven er met zijn truck vandoor waren gegaan. Onmiddellijk werd de autowegpolitie gealarmeerd, en de snelweg in de richting Milaan, tussen Chiasso en Como, afgezet. Toen een politie-patrouille de vrachtwagen zag en een stopteken gaf, negeerde de chauffeur dit teken, en reed zonder enige vaart te minderen door.

MACHINEPISTOLEN
Zelfs nadat met hekken de snelweg was geblokkeerd, deed de chauffeur geen enkele moeite om te stoppen. Hierna opende de politie het vuur op de vrachtwagen.
De banden werden lek geschoten, evenals het koelsysteem. Enkele ruiten gingen aan diggelen. De vrachtwagen kwam tegen de vangrail tot stilstand. Toen de politie ter plaatse kwam, bleek één van de inzittenden aan zijn verwondingen overleden. De ander werd zwaar gewond naar een ziekenhuis in Como gebracht. De politie heeft de vrachtwagen-combinatie vrijgegeven.

TREIN
Vandaag zal Jaap Schaper per trein naar Nederland komen...”

Arie begon met beide armen te wuiven:
“Jaja, pa. De heuglijke terugkeer van Jaap Schaper geloven we wel. Maar wat u duidelijk wilt maken, dat is: dat het gedonder nog steeds dóórgaat, niet?”
Pa Roos wuifde met een derde, klein knipseltje:
“De feiten spreken voor zichzelf, beste jongelieden: hier alweer uit dezelfde krant, en van 24 juni 1978:

               HENGELO, Nederland
               WEER DIEFSTAL NEDERLANDSE VRACHTWAGEN IN ITALIE

In Italië is weer eens een Nederlandse vrachtwagen gestolen. Chauffeur F. Jorns uit Hengelo heeft dat zijn bedrijf: Deterink in Hengelo, vrijdag per telefoon laten weten.
De man was bij Rovereto in Noord-Italië een kop koffie gaan drinken met een collega. Hij had de vrachtwagen afgesloten en de sleutels in de zak gestoken. Maar toen hij na een kwartier terugkwam, was zijn vrachtwagen met 20 ton vlees erin, verdwenen. Vrachtwagen plus lading zijn volgens het bedrijf driehonderdduizend gulden waard.”

Pa Roos gooide het laatste knipseltje neer, en maakte een gebaar in de richting van zijn oude vriend, de kolonel Prins.
“En als jij NU even met je stok wil beuken, oude vuurvreter, dan kan ma Roos beneden aan de koffie en de broodjes gaan werken.”
Maar de oude, woeste kolonel vertikte het nu, om zijn stok te gebruiken. “Wat nu? Wat nu? Ik ga hier niet met mijn stok zitten rammen om berichten over te brengen net als een Indiaan met rooksignalen!”
“Laat maar - laat maar!” riep Arie, en rende naar de deur, rukte die open en galmde door het grote trappenhuis naar beneden:
“Ma... Mahaaa... We zijn zover. Kunt u wat koffie en broodjes boven brengen?”

x     x
x

Midden op de tafel prijkte nu een enorme ovale schaal, waarop een piramide broodjes kaas, ham en allerlei andere vullingen. Uit een tweeliters-thermoskan schonk iedereen zich koffie in. Zelfs de eigengereide kolonel kwam uit zijn stoel te voorschijn, en schoof mee aan.
“In de laatste oorlog zetelde er te Londen zoiets als het Bureau Bijzondere Opdrachten, meen ik,” zei Prins nu, tussen twee geweldige happen door. “Ik begin het gevoel te krijgen, dat wij hier met net zoiets bezig zijn. Operaties in vijandelijk gebied.”
“Jaja,” gromde kolonel Prins. “Ik zat toen in een Jappenkamp. Maar naar wat ik er naderhand over heb vernomen, hadden ze het beter Bureau Bijzondere Stommiteiten kunnen noemen. Ik hoop, dat jullie het er daar in Italië beter af gaan brengen.”
“Ja, pa!” riep Arie. “Wat is nu precies de bedoeling?”
“Het is daar in Italië nog steeds een zootje,” verklaarde Pa Roos. “Het wordt zelfs een hoe langer hoe groter zootje. Ze zitten nu wel bij ons in de EEG, maar als je het mij vraagt, hebben we van die Italianen meer last dan gemak. Maar dat moeten de heren politieke prakkizeerders maar uitzoeken. Als ze maar met hun grijpgrage klauwen van mijn vrachtwagens afblijven.”
“UW vrachtwagens?” vroeg Bob Evers verbaasd. “U zit toch in de zeeschepen?”


En verder volgt de tekst van de pocket die van het typoscript redelijk letterlijk, al blijft het zeer opmerkelijk dat Peter de Zwaan deze laatste opmerking van Bob Evers heeft veranderd in Jan stak een hand op. ‘Maar wat kan u dat schelen? U doet toch in schepen?’ (pocket, pagina 8). Het lijkt mij inderdaad zinvoller om de Amerikaan Bob deze vraag te laten stellen, omdat Amsterdammer Jan de transformatie van Rederij Roos in (Holle Bolle) Bulk Containers min of meer van nabij heeft kunnen volgen. (illegale pocket „Bob Evers belegert Fort B”, pp. 8-9). Aan Pa Roos’ jeremiade over de Italiaanse politie voegt Willem alleen nog de politiek beladen verzuchting toe: Niemand zal van mij zeggen dat ik een communist ben, maar in de landen achter het IJzeren Gordijn overkomen je dergelijke bandietenstreken niet.
De hele hierboven vermelde passage, inclusief de ergens onbewust in mijn geest opgeslagen reminiscentie aan het W.K. van 1978, is door Peter de Zwaan samengevat in één enkele alinea, zonder duidelijke verwijzingen naar een mogelijke datering van het verhaal. Voor ons is nu in elk geval duidelijk dat „Kloppartijen in een koelhuis” in 1979 of 1980 moet spelen; dat zijn overigens jaren waarin ik zelf ook placht te bakken op Italiaanse stranden: verdorie, ik had de drie overjarige HBS-bengels zomaar tegen het lijf kunnen lopen tijdens hun avontuur met Borrini! Want dat ze écht bestaan, heeft Willy van der Heide toch vaak genoeg bewezen middels zijn „Toen Jan, Bob en Arie mij later dit avontuur vertelden, ...”? Of gaat mijn fantasie nu met me op de loop?






Denkend aan Holland ...
Cornelis van Tilburg

Er was eens... een jongetje. Een jongetje dat allerlei boeken las. Over bruggen, treinen, wolkenkrabbers, molens, kerktorens en dieren, waarvan minstens de helft was uitgestorven. Dat jongetje kreeg later een encyclopedie in handen waarin hij verder en verder las.
Dat jongetje heette geen Jan Prins. Hij heette geen Jan en hij heette geen Prins (Wat toevallig. Ik ook niet...).
Op zekere dag vond dat jongetje een boekje dat zijn oudere broer niet meer wilde lezen - als hij het al gelezen had - genaamd „Sensatie op een Engelse Vrachtboot”. Het jongetje ging dat boekje lezen en hij vond er niets aan. Er stond iets in over een koperen kanon in Alkmaar, een testament en briefjes, maar hij kende de voorgeschiedenis niet. Zuchtend pakte hij maar weer een encyclopedie waar ten minste wél afgeronde hoofdstukken in stonden.
Toen dat jongetje een jaar of twaalf werd (in 1977), kreeg hij een boekje voor zijn verjaardag dat ook rood en geel was. Eerst wilde hij dat boekje weer niet lezen, maar nu bleek het om een afgerond verhaal te gaan. Hij mocht een keer logeren bij een tante toen zijn ouders een keer een dagje weg waren en nam toen het boekje mee - een encyclopediedeel was immers log en zwaar.
Maar eenmaal weer thuisgekomen miste hij het roodgele boekje niet. Er was immers een encyclopedie waar zoveel méér in stond. Maar toen belde een maand later de tante op. Ze had een boekje gevonden dat niet van haar, dus van mij was. „Het ging over varkens,” zei ze.
En toen wist het jongetje het weer. Het heette „Kabaal om een varkensleren koffer”. Dat het helemaal niet over varkens ging, zou hij later pas weten. De belangstelling was gewekt, maar echt hard ging het nog steeds niet. Gaandeweg kwamen er wat meer boeken van de Bob Evers-serie in zijn bezit, maar hij taalde er niet naar om de hele serie compleet te sparen. Er was immers een encyclopedie en een bijgewerkte versie, die zoveel meer informatie bevatte...
Het jongetje ging naar het gymnasium, werd een jongen; de jongen ging naar de universiteit en werd een man.

Op de universiteit werd zowel tijdens, voor als na het college aandacht besteed aan poëzie. En toen herinnerde het jongetje zich opeens een kort gedichtje uit een van zijn rood-gele boekjes:

                     „Een man en een hond
                     Reizen de wereld rond.
                     Een vrouw en een kat
                     Horen thuis. Op de mat.”

En één van zijn medestudenten herkende dat en vanaf dat moment ging er geen avond meer voorbij met die medestudent of Bob Evers kwam ter sprake! De medestudent had als hobby om allerlei overzichten en indexen te maken van allerhande jeugdboekenseries, waar hij regelmatig overhoringen aan waagde. Onze man - en hoe kan het ook anders, dat was ik - kreeg eerst nu een laaiende interesse in De Serie en zijn achtergronden.
Allerlei zaken waar ik als lezer gewoon overheen had gelezen kregen nu opeens inhoud. Ja sterker: bij een bezoek aan Bob Evers-locaties denk ik eerst aan Bob Evers met de bijbehorende passages, vervolgens een hele tijd aan niets, en pas dan aan andere dingen.
Ik weiger het houten restaurant bij Amsterdam CS (waar ik de enige gouden medaille tot dusverre in mijn hele leven heb veroverd, de eerste prijs bij een Bob Evers-speurtocht) dus „Smits Koffiehuis” te noemen; ik noem het „Noord-Zuid-Hollands Koffiehuis”, hoewel sommigen het tegenwoordig wellicht „Noord-Zuidlijn Koffiehuis” zullen noemen... De zinken koker van het Bob Evers Genootschap (zouden er schilderijen in gezeten hebben?) ligt nu wellicht onder een metersdikke laag beton van de nieuwe metro, waar overigens ook nog een apocrief Bob Evers-boek aan gewijd is.
Andere plaatsen: de Beulaker Wijde, station Kruiningen, de Paddestoelen aan de Kagerplassen, de Boulevard van Scheveningen en, de Zwaantjes lezend, Reckahn, Berlijn, station RAI en het Lutterzand. Ik denk: hier hebben onze drie helden hun schreden gezet.

Maar de laatste tijd lees ik minder deeltjes van De Serie. Ik verslind minder Evers (om met Obelix te spreken). En de reden is dat ik mij vaak wat melancholiek voel als ik de serie lees en om mij heen kijk.
Wat is er nog terug te vinden van het Nederland van Onze Helden?
Bob Evers zou zich uitstekend thuis hebben gevoeld in het Nederland Van Nu, want heel Nederland is inmiddels vertaald. In Amsterdam is driekwart van alle teksten op straat Engels; de inmiddels koddige scheldwoorden als ‘vlegel’, ‘vlerk’ en ‘bengel’ zijn inmiddels van een Anglo-Amerikaans kaliber dat ik niet eens wil noemen. Uurwerkkoningen van de Nieuwendijk, erfenisjagers, briefjesjagers, smokkelaars en valsemunters hebben inmiddels plaats gemaakt voor terroristen, hennepkwekers, drugskoeriers en straatrovers, veelal van dezelfde afkomst als Fahnoul. De ‘gezellige Hollandse stationnetjes’ (Dollarjacht) hebben inmiddels plaats gemaakt voor kale perrons met kaartjesautomaten - Jan Prins kon nog zonder kaartje op een trein stappen, maar zou tegenwoordig de OV-chipkaart moeten trekken. De ontsnapte apen van circus Bonzario worden tegenwoordig bevrijd door dierenactivisten. De Veluwe, waar ooit eenzame Boshuizen stonden en Russischgezinde boeren woonden, is nu overwoekerd door bungalowparken. En waar in Amsterdam kan men nog een dubbele uitsmijter ros bestellen?
In het moderne tijdsgewricht krijg ik soms steeds meer de neiging om in vredesnaam dan maar naar een Zwaan te grijpen, omdat die verhalen zich in een herkenbare situatie afspelen - mobieltjes die niet worden opgenomen, bumperklevers, jetlags en files - en ik dus niet een melancholiek gevoel krijg van het Nederland(s) van mijn kinderjaren waarin Nederland nog Nederlands was en ook mócht zijn:

          „Ze waren echter koppig, zoals de meeste Hollanders, en vertikten het om te klagen” (Zuidzee),
          „Luister hier, vlegel. We zijn hier in Holland en daar spreken we Hollands” (Kanon),
          „Europese apentaal [= Nederlands]. „Je zus!” zei Jan nog” (Meesterstunt),
          „Misschien komt dat, omdat twee ervan Hollanders zijn. Die hebben een machtig goeie reputatie” (Locomotief).

Kom daar nu maar eens om. Wie durft er nu nog een boek te schrijven over Hollandse helden? Jan Prins heet tegenwoordig Johnny en Arie heet Ali. Hun tegenstanders zijn milieuvervuilers, kinderontvoerders, junks, graffitispuiters, computerkrakers en internet-oplichters. Inspecteur Jansen heet tegenwoordig Inspecteur Mohammed en ’s morgens heeft hij een slecht humeur doordat zijn Surinaamse vriend nog niet terug is. En de politiek meest incorrecte zin in de hele serie: „Die buitenlanders worden lastig, inspecteur” (Kanon). Wie durft dít nu nog in een boek te schrijven? Om nog maar te zwijgen van het haar en de schaduw van de neus van Arie Roos op de stofomslag van Sensatie...





Is er leven na MJ?
Paul van den Hout

En dan duikt daar opeens mijn oom Joop op, die, om mijn moeder te citeren, „mataglap uit Indië” is teruggekomen. Hij heeft haar, vertelde ze, nog eens met een (uit dienst achterovergedrukte?) Mauser bedreigd (het verhaal vertelt niet waarom), waarop mijn moeder hem een glas melk in zijn gezicht zou hebben gegooid en daarmee was de kous af en de boef ontwapend. Die Mauser is later nog opgedoken in mijn leven.
Mijn ouders (Wiesje Grossouw, dus, en mijn stiefvader Karel Oudendijk) woonden toen (1959) op een tamelijk afgelegen boerderij in Almelo; ik was tweedejaars in Leiden. Op een vrijdagavond stond er opeens politie onder de grote kastanje voor de deur van de deel: of mijn stiefvader ook „een vuurwapen” in huis had? Nou, dat had-ie: diezelfde Mauser! Hoe die blaffer nu in „ons” bezit is gekomen, weet ik niet. Het zou kunnen dat „Oom” Karel (die toen, in ’47/’48, allang een „huisvriend” - lees: de minnaar van mijn moeder - was) Joop dat ding gewoon heeft ontfutseld. Anyhow: Karel ontkent, politie wil binnen, maar heeft geen huiszoekingsbevel en druipt af. Karel ijlt naar boven naar de vliering, haalt de Mauser (plus munitie!) uit zijn bergplaats en draagt mij op om die avond nog naar Leiden terug te keren met die spuit in mijn weekendtas. Ik moest hem dan maandags afleveren bij het Wapenmuseum in Leiden! Meer en meer bizar, niet dan nadat we de munitie onverwijld in de Leeloo hadden gedumpt. Nu ik het opschrijf, wordt het verhaal voor mij ook allengs meer bizar. Wat had ik in dat museum voor verhaal moeten ophangen, om maar iets te noemen? Maar ik herinner me nog goed dat mijn stiefvader, de stoere generaalszoon, in paniek was. Na de munitiedropping (ik hóór de kogels nog in de plas plonzen) reed hij me in zijn Opeltje rechtstreeks naar het station en duwde me zowat de trein in, voor wat mij bijstaat als een wat benauwde treinreis van toen nog tweeënenhalf à drie uur. Eenmaal in het goede LB (deze afkorting wordt door academici liefkozend gebruikt om de universiteitsstad Leiden aan te duiden; ze staat voor: Lugdunum Batavorum, een plaatsnaam die in de Oudheid op het huidige Katwijk sloeg, red.) aangekomen, ben ik natuurlijk meteen naar sociëteit Minerva gegaan om daar tegenover mijn clubvriendjes de blits te maken met mijn felbegeerde trofee. Ook vrij link, achteraf.
De volgende dag ben ik ermee naar Den Haag gegaan, naar een echte huisvriend van mijn ouders, Toon van de Heyden, notaris te Mijdrecht, bij wiens heerlijke gezin ik vaak het weekend doorbracht. Ik wist dat die in het verzet had gezeten (wie niet, in die tijd?), dus ik liet hem de Mauser zien, en was hem dus prompt kwijt. Mondje dicht tegen Karel, uiteraard, maar hij wist er wel raad mee. Wat hij ermee heeft gedaan, heb ik nooit geweten. Alleen: hoe wist de politie in Almelo zo’n dikke tien jaar na dato opeens dat ene Karel Oudendijk in Tukkerland in het bezit was van een vuurwapen? Antwoord: tip van Willem W. Waterman, die Karel O., wiens bloed hij (niet helemaal ten onrechte) wel kon drinken, een kunstje wilde flikken. We hebben het nooit kunnen bewijzen, natuurlijk, maar er zijn bar weinig andere logische verklaringen.

Die hierboven aangehaalde Joop is inderdaad getrouwd geweest met Nan de Marez Oyens (zie Nieuwsbrief 28, red.). Daar ben ik nog op een dramatisch-potsierlijke manier achter gekomen. In de jaren zeventig werd ik smoorverliefd op een beeldschoon meisje met de naam Bennie Kerstens. Ik woonde in die tijd even bij Willem in het roefje van zijn woonboot aan de Prinsengracht. Toen ik hem mijn nieuwe lief kwam voorstellen, deed hij op een eigenaardige manier (Bennie was echt een plaatje!) erg gereserveerd. Een paar dagen later werd ik door Bennie bij haar thuis voorgesteld aan haar moeder, die, toen ze de naam „van den Hout” hoorde, vroeg of ik misschien familie was van het fameuze duo Willem en Joop. Toen ik antwoordde dat dat respectievelijk mijn vader en mijn oom waren, wees ze mij met vlammend zwaard de deur: „ERUIT, hier komt geen van den Hout meer over de vloer!”
Buiten leerde een blik op het naamboordje mij de meisjesnaam van Bennie’s moeder. Je raadt het al: Nan de Marez Oyens, de Gilomroepster - nou, gillen konden ze allebei! (Mind you, Bennie noch ik had een flauw idee in welk een wespennest wij ons met onze verliefde koppen hadden gestoken.) Toen ik haar ’s avonds meenam naar mijn roefje, hoorden wij zich benedendeks een enorme ruzie afspelen tussen Willem en een vrouwspersoon in wier krijsende stem Bennie die van haar moeder herkende. Ik ben aan het luik gaan luisteren en heb toen flarden opgevangen van een dronken dispuut waarin het inderdaad voortdurend ging over Joop en „gestolen tafelzilver”, een kwestie die in één van Willems Amsterdamse kroegverhalen ook nog ter sprake komt!
En zo heb ik nog wel een koffer vol, helaas zelden echt leuke, verhalen voor een alternatieve Nieuwsbrief. Maar die bewaren we voor een volgende aflevering. (Stel je voor dat die boys van de DSCB allemaal nog zouden leven!)





Een van de laatste foto’s van Marie-José van den Hout


Niet al te lang voor haar overlijden wilde
Marie-José haar - op de Bob Evers Mailinglist beroemde - rode „fietsje” verkopen; volgens haar maakte een foto van fiets met berijdster meer indruk in een advertentie. Of dit zo is en of zij haar fiets daadwerkelijk heeft kunnen verpatsen, zullen wij waarschijnlijk nooit te weten komen.
© Roger Schenk







Onder het vergrootglas (nieuwe serie 8) : Over bospaden, digitalisering, routebeschrijving en andere zaken
Geerten Meijsing

Altijd heb ik de hoogste achting gevoeld voor de gigantische „Encyclopaedia Apriana”, samengesteld na jaren van studie, vlijt en ijver door de hooggeleerde Roger Schenk, die daardoor is uitverkoren - maar dat zou ik aan de Secretaris moeten vragen - tot de door velen felbegeerde status van Buitengewoon Lid van het BEG, en die zich daardoor linea directa (sic) geplaatst ziet als opvolger van Diderot en andere Verlichte Geesten: in de Bob Evers-boeken is geen plaats voor godsdienst of sport - is u dat wel eens opgevallen? - twee lage vormen van volksvermaak en volksverlakkerij (chiasme) die toch in Nederland meer dan wat ook beoefend worden als invulling van de vrije tijd. Bob Evers wil nog wel eens op een hotelkamer stiekem de honkbaluitslagen doornemen (en honkbal is een heel wat intelligenter, ingewikkelder en spannender sport dan voetbal), maar geen van de jongens beoefent actief een sport, in de 32 canonieke delen. Je zult ze ook nooit erop betrappen dat ze, in een moment van verpozing en rust, even een balletje gaan trappen, echt niet! Zwemmen, wanneer dat noodzakelijk is, maar dat is een alternatieve vorm van voortbewegen, net als bergbeklimmen, over de Veluwe door het zand sjokken, autorijden, vliegen (Bob heeft in Amerika een brevet gehaald, maar nog maar weinig vlieguren) en locomotieven besturen. Zeilen doen ze wel, met de beruchte scheldejol met de bruine zeilen met ingeweven doodskop die Bob speciaal voor hen uit Amerika heeft meegenomen, onder andere - net of je daar scheldejollen hebt - maar zeilen is een nauwelijks een sport te noemen, op het niveau van vrijetijdsbesteding op de Kaag; of anders gezegd, ze zeilen niet om de sport, ook niet op het zeewaardige jacht de Willy Waw. Nu kun je Jan, Bob en Arie onmogelijk onsportieve jongens noemen, hetgeen je helaas weer wel moet zeggen van moderne Nederlandse voetballers - o, nationale schande en afspiegeling van de huidige vergroving van de Nederlandse volksaard!
          Ik laat me helemaal van mijn apropos brengen.
          Nu kun je in de „Apriana” van alles vinden, steden en landstreken, straatnamen en de namen van wegen, maar als je alle bospaden bij de hand wilt hebben, is het wachten op de digitalisering van de wereldliteratuur, waarmee google ietwat overhaast begonnen is, in concurrentie met andere mediagiganten, en waaraan nog vele juridische haken en ogen kleven, vooral betreffende de boeken die nog niet tot het zogenoemde vrije domein behoren en waarover dus nog copyrights verschuldigd zijn. Overigens is het wetenschappelijke Project Gutenberg al in 1971 (!) begonnen met een dergelijke gigantische klus, en daarbij is het niet te doen om een winstgevende monopolypositie te bereiken waarvan de consequenties nog niet zijn te overzien; denk alleen al aan mogelijke censuur. En ik denk niet dat de globale giganten onze boeken bovenaan hun prioriteitenlijstje zetten. Het is dus wachten tot een geduldige Bob Evers-liefhebber alles gaat overtikken - maar dan dient zich onmiddellijk de vraag aan welke edities van de boeken gedigitaliseerd moeten worden.
          Niet dat ik een voorstander ben van digitalisering van boeken in het algemeen: mij krijg je met geen mogelijkheid aan het eBook. Tot nog toe is de computer een zeer onbetrouwbare gegevensdrager gebleken. Teksten of spreadsheets aangemaakt met Windows 5.1 of Reflex kunnen door geen moderne pc meer gelezen worden, floppy discs zijn al lang in onbruik en de latere diskettes kunnen nog heel soms via een prothese op een pc worden aangesloten. Er is hier sprake van een tien- tot twintigjarige information gap waarover niemand durft te spreken.
          Papyrusrollen en de latere folianten en octavo edities zijn al tweeëneenhalf duizend jaar betrouwbare en bestendige gegevensdragers gebleken, en verder terug reikt onze kennis niet van teksten. Je moet er toch niet aan denken dat de Bob Evers-verhalen louter in een orale traditie bestonden; dan zouden we het idiosyncratische woordgebruik en de bijzondere syntaxis van Waterman geducht missen, die zoveel bijdragen aan het genot van zijn boeken, iets wat alleen de echte Bob Evers-adepten kunnen appreciëren. Om nog maar te zwijgen van het genot een Bob Evers-boek in de hand te houden, of het nu gaat om de oorspronkelijke harde kaft-edities, of om de latere pockets, elk met hun eigen geur, vingergevoel van het papier, et cetera - u begrijpt wat ik bedoel.
          Maar waren de Bob Evers-boeken wel gedigitaliseerd, dan kon ik snel alle bospaden vinden, en daarover wil ik het hebben. Zelfgemaakte, niet bestaande, of op geen kaart duidelijk aangegeven bospaden komen voor vanaf het Onbewoonde Eiland, „Drie jongens en een caravan”, het Grimbosavontuur, via Mexico en Trinidad, „Drie jongens als circusdetective”, via California en Panama, tot aan „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” en „Ali Roos als Arie Baba”.
          Volgens het betreurde bestuurslid Keith Snell was het nec-plus-ultra van een Willem Watermanzin: „Het terrein ging zonder merkbare overgang over in ...” Daar tegenover stel ik dan de geniale Watermanzin: „Nu is er één eigenaardigheid aan een pad in een donker bos: men gaat het volgen.” Of dat nu gebeurt met zware koffers goud en juwelen, in een jurk van Lottie (Jan Prins), bij de smokkelgrens tussen Nederland en Duitsland, tussen de kleivelden van Walcheren, of in auto’s die daar helemaal niet voor geschikt zijn over de Veluwe en die dus vast komen te zitten.
          Er is veel te vertellen over bospaden in de Bob Evers-boeken - de ruimte ontbreekt mij hier, zoals bij voorbeeld de idioot ingewikkelde methode om zich te splitsen in drieën, bij elke splitsing het linkerpad aan te houden tot een volgende splitsing, en dan weer terug te lopen naar de vorige kruising. Ja, zo raak je elkaar wel kwijt.
          En nu kan ik het juiste deeltje niet meer vinden, dat ik al lang had klaargelegd voor deze column, en dat uitsluitend nog uit losse bladen bestond zodat mijn werkster het wel zal hebben weggegooid, „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen”. Daarin moeten de jongens het boshuisje van een kunstschilder vinden, die een summiere routebeschrijving heeft bijgeleverd („Je kon wel merken dat kunstschilders geen romanschrijvers zijn.”) waarvan de eerste crux luidt: „Twee fietspaden links passeren.” Ze rijden in de vooroorlogse open Packard van de kunstschilder door het snel donker wordende landschap van de Veluwe. Over deze passage krijgen ze een stugge discussie, waarbij Jan de auto stilzet, met de koplampen nog aan. Volgens hem moeten ze twee fietspaden, die links van hun pad lopen, passeren. Arie daarentegen beweert dat „links passeren” betekent dat ze die paden rechts moeten laten liggen en er links moeten langsgaan. Ze komen er niet uit. Mijn eerste vraag is hoe je je die fietspaden (met de bekende ANWB-paddestoelen) moet voorstellen: lopen die evenwijdig aan hun bospad? Hoe kan je ze dan passeren? Of kruisen ze hun bospad? In welk geval het op zijn minst merkwaardig is dat ze dan niet aan de andere kant doorlopen in het bos, en dan heeft de aanwijzing geen enkele zin.
          Volgens mij - en daar wilde ik naar toe: een definitieve oplossing van het vermeende raadsel - heeft Jan gelijk. In de optie van Arie hoort de woordgroep „links passeren” bij elkaar, en is links dus een bijwoord, en moeten de fietspaden rechts liggen. Maar volgens Jan hoort de woordgroep „twee fietspaden links” bij elkaar, zoals je dat kortweg opschrijft, waarbij „links„ een afkorting is van „twee fietspaden aan de linkerkant”, en „links” dus een bijvoeglijke bepaling is, en je er gewoon (rechts inderdaad, maar zo zou je dat niet zeggen) voorbij moet rijden en ze links moet laten liggen. Denkt u er zelf maar eens over na. Waarbij dan wel gepostuleerd moet worden dat die twee fietspaden ophouden bij hun pad, en dus niet de weg kruisen, in welk geval de aanduiding links helemaal geen betekenis meer zou hebben.
          En nu is mijn vergrootglas beslagen van de vochtige hitte, de afa.






Nieuwsbrief 34
Nieuwsbrief 35 als pdf
Nieuwsbrief 36
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina