Nieuwsbrief 35

Nieuwsbrief 36
als pdf

Nieuwsbrief 37

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana

Nieuwsbrief nr. 36
ISSN 1386-6451
januari 2011 - 18e jaargang nr. 1



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe en Roger Schenk, buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieTon Kleppe & Roger Schenk
Column: Museum BoshuisGert Huber
Willem junior: de appel valt niet ver van de boomJohn Beringen
Willem senior: de appel hoeft niet te vallen, hij kloont zichzelfPaul van den Hout
Open brief aan Paul van den HoutJohn Beringen
Recensie van deel 51: Peter de Zwaan kloont Willy van der HeideSchout-bij-kunstlicht Spook
(Gast)column: EeniederwelkewegDanny Engelman
Kleine foto-impressie van de presentatie van „De muze en de misdaadRoger Schenk
Dodenakker / Overleden in 1985Jean Pierre Rawie &
Driek van Wissen
„MEIN KAMPF” werd „MIJN KAMP”   (Uit die hele bekende dichtbundel)Willem W. Watervrouw
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 9) :
2011
Geerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Ton Kleppe & Roger Schenk


Clandestiene streken op een cruiseschip”.
Eindelijk, na zeven barre jaren van onthouding, is er weer eens een nieuw Bob Evers-deel verschenen (ISBN 9789045414720), zoals wij overigens ook al in de vorige Nieuwsbrief hadden aangekondigd. De redactie zou er lyrische verhandelingen over kunnen schrijven, maar zij meent - en waarschijnlijk terecht - dat anderen dat vele malen beter kunnen.
Hierop volgde een ware speurtocht, klopjacht of - zo u wilt - wilde sport om de huidige verblijfplaats van onze aloude recensent kolonel Koops te achterhalen. U kent kolonel Koops toch nog wel? De oud-kolonel, die nog onder kolonel Prins had gediend in het K.N.I.L. en die de nieuw verschenen Bob Evers-deeltjes met meer verve aanprees dan een Californische krantenverkoper zijn „nice crop of oranges”? Welnu, de redactie kreeg zowel nul op het rekest als het lid op de neus en ving bovendien zoveel bot dat de Noorse vissersvloot er weken trots op zou zijn geweest: kolonel Koops lijkt van de aardbodem verdwenen!
Vanuit zeer onverwachte hoek kwam echter hulp: een van de hoogste officieren van de Nederlandse bezettingsmacht van Zuid-Beloedsjistan, schout-bij-kunstlicht Spook, was gaarne bereid om het stokje van kolonel Koops over te nemen.

En niet alleen kolonel Koops...
... is voortvluchtig; „Voortvluchtig” is ook de titel van Peter de Zwaans nieuwste thriller; ook het verschijnen van dit boek, Peters twintigste thriller inmiddels en tevens de vijfde waarin Jeff Meeks de hoofdrol speelt, kondigden wij in de vorige Nieuwsbrief reeds aan. De auteur, die - wij meldden het al eerder - per boek beter wordt, is een enorme Amerika-fan; in zijn kielzog reizen ook zijn helden, of die nu Jan, Bob, Arie, Rockne of Jeff heten, naar alle uithoeken van dit machtige land. De staten in het uiterste noordwesten (Washington en Montana) werden daarbij tot nu toe zorgvuldig vermeden, maar in „Voortvluchtig” wordt die schade dubbel en dwars ingehaald.
Peter de Zwaan zit inmiddels alweer een aantal jaren bij Uitgeverij Cargo, de thrillerafdeling van De Bezige Bij; in het boek (ISBN 9789023458807) ligt een inlegvel met reclame voor andere boeken van deze uitgeverij. Op dat inlegvel vinden wij ook een mooi citaatje uit het Noordhollands Dagblad: „Als je eenmaal aan het werk van Peter de Zwaan verslingerd bent, dan wil je ook alles van hem lezen.”
Nou, dat klopt dan dus! En dat geldt dan met name ook voor de nog te verschijnen Bob Evers-delen! Vooralsnog moeten wij voor nieuwe Bob Evers-delen helaas nog wat geduld hebben, maar voor het komende voorjaar wordt alvast „De vuurwerkramp van Harmen Saliger” aangekondigd, overigens de tweede keer dat Peter de Zwaan de vuurwerkramp van Enschede in een van zijn thrillers verwerkt. Er valt de komende tijd dus nog genoeg te lezen en te genieten voor de ware De Zwaan-fan.

Pseudoniem
Peter de Zwaan probeerde de Nieuwsbrief-redactie te slim af te zijn door, in navolging van Willem van den Hout, een jeugdroman te schrijven onder een pseudoniem, in dit geval Hank Meijers; dat gebeurde al in het jaar 2009, maar wij hebben hem dan toch weten te ontmaskeren! Niet in de laatste plaats dankzij Peters eigen website, overigens, want op de achterkant van het boek zelf staat alleen maar: „Hank Meijers is de schuilnaam van een schrijver die tientallen boeken heeft geschreven voor kinderen en volwassenen. Hij is meerdere malen genomineerd voor een boekenprijs en heeft ook prijzen gewonnen.” Op De Zwaans website komen wij te weten dat hij voor het pseudoniem Hank Meijers heeft gekozen, omdat zijn moeder Meijer heet en omdat hij Hank - niet Henk, maar Hank - een mooie voornaam vindt. Dat laatste kan in elk geval kloppen, want de naam Hank komt vaker voor in De Zwaans oeuvre, tot in de Bob Evers-delen aan toe.
En natuurlijk zal Peter de Zwaan zijn pseudoniem heus niet hebben gekozen om ons op een verkeerd been te zetten of omdat hij zich moet schamen voor dit voortreffelijke jeugdboek: het boek is in de ik-vorm geschreven. In ieder geval is de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief laaiend enthousiast over het boek en vindt zij dit het beste „losstaande” jeugdboek dat in Nederland ooit is verschenen! Weliswaar weten wij allemaal dat Peter de Zwaan vond dat wij jeugdboeken, zoals Bob Evers, te zeer met volwassen ogen bekeken; dat kan wel kloppen, maar om ons speciaal voor de gelegenheid kinderogen te laten implanteren, nee: dat ging de redactie nét een stap of wat te ver. We zullen „Mijn 51 dagen met Rooie Jim”, want zo heet het boek, dan ook met onze eigen ogen moeten bekijken, hoe spijtig dat misschien voor deze of gene ook is. In elk geval vond de redactie het een met vaart, humor en gevoel voor relativering geschreven boek: de leukste passages zijn die waarin Peter zichzelf als (kinderboeken)schrijver op de hak neemt:
„Zie je wel, dacht ik, dit wordt dus een boek vol somberheid en gejank. Precies het soort boek dat je oma voor je koopt als je jarig bent. Ze heeft in de krant gelezen dat je er iets in kunt vinden over vroeger en dat is net wat ze wil. ‘Die kinderen van tegenwoordig weten niet hoe het vroeger was.’ Dat zegt ze tegen de verkoopster in de winkel en die zegt terug: ‘Nou, dit boek zit vol vroeger. Alleen jammer dat er zo weinig in wordt gelachen.’
Dat vinden de meeste oma’s niet erg, en die van jou ook niet. Dat gelach altijd, een beetje ernst mag wel. Ze laat het boek inpakken en legt het weg tot je jarig bent.
En jij zegt: ‘Dank je wel, oma,’ en je geeft haar een kus. Omdat ze zo lief keek toen ze het boek gaf lees je het ook nog. Maar tegen je vriendjes zeg je: ‘Nooit doen. Dat boek over Rooie Jim is niks, je kunt niet eens lachen.’” (pp. 29-30) en:
„Ik heb jullie al verteld dat ik het dagboek van toen ik twaalf was hier niet echt heb overgeschreven. Ik heb er elke keer bijgezet wat me te binnen schoot en ik heb er goed Nederlands van gemaakt. Dat moeten schrijvers doen: goede zinnen schrijven. Het kan jullie waarschijnlijk niet schelen, maar sommige volwassenen beginnen meteen te zeuren als een zin niet deugt. Het interesseert ze geen fluit of een schrijver de waarheid schrijft of dat hij alles aan elkaar liegt, als de zinnen maar goed zijn. En als je die zinnen kunt begrijpen, dat ook natuurlijk.” (p. 42).
Verder vinden wij het een geniale inval om de inwoners van het niet genoemde dorp waar een en ander zich afspeelt, Gieters te laten spreken, het dialect van Giethoorn. Dat is natuurlijk wel de realiteit, maar in de meeste boeken, of dat nou boeken voor kinderen of voor volwassenen zijn, wordt daaraan voorbij gegaan. Zelfs onze eigen Willy van der Heide maakte zich daar schuldig aan: boeven, ja, die praten af en toe plat, maar waar ter wereld dan ook praten boeven blijkbaar alleen maar plat Amsterdams; en Brabants is blijkbaar voorbehouden aan iedereen die van buiten de Randstad komt.
Mijn 51 dagen met Rooie Jim” is onder ISBN 9789086601059 verschenen bij Uitgeverij Ellessy.

Bob Evers-strip nr. 5 en striptrilogie verschenen!
Zoals wij reeds berichtten (Nieuwsbrief 32) bracht de teruggekeerde Eppo in de jaargang 2009 de stripversie van „Een overval in de lucht” door Frank Jonker en Hans van Oudenaarden. Sinds oktober 2010 is dit stripverhaal tevens in boekvorm verkrijgbaar, zoals te doen gebruikelijk als softcover, als hardcover, als luxe-hardcover en zelfs als extra luxe-hardcover. De schrijver, de tekenaar en Willem Hageman van De Boekenhalte hebben er weer iets moois van gemaakt met al deze verschillende uitgaven, plus een extra prentje. De verzamelaar kan zijn lol weer op!

Dit triumviraat verraste ons verder met een - niet eerder aangekondigde - trilogie van de drie Zuidzee-verhalen.
En... natuurlijk ook met de traditionele kerstgroet!

Op de achterkant staat nu eens geen nieuw deeltje voor 2011 aangekondigd, maar wel „„Vreemd krakeel in Californië” in 2025?!!”
Omdat „Kabaal om een varkensleren koffer” al eerder is verschenen, moeten tekenaar en schrijver ergens een sabbatical opnemen, wellicht al dit jaar. Ervan uitgaande dat er verder geen sabbaticals meer worden opgenomen, leert een snel rekensommetje ons dat de redactieleden van de Bob Evers Nieuwsbrief de alleszins respectabele leeftijden van 93, 105 resp. 112 jaar bereikt hebben tegen de tijd dat „Clandestiene streken op een cruiseschip” als stripboek verschijnt... Als wij dan nog weten wie Bob Evers ook alweer was, zullen wij u in Nieuwsbrief 128 op de hoogte houden van de verschijning van dat deel. En dat is een belofte die stáát!

De muze en de misdaad, een verhaal in versvorm” van Paul van den Hout.
Een aantal jaren geleden vertaalde Willems tweede zoon Paul het eerder door „kenners” onvertaalbaar geachte boek „The Golden Gate” van Vikram Seth in het Nederlands. Deze roman is namelijk geheel in zogeheten Oneginstrofen, ook wel Poesjkinstrofen geheten, geschreven, een tamelijk ingewikkelde variant op het Shakespeare-sonnet met als rijmschema aBaBccDDeFFeGG (waarbij de hoofdletters staan voor mannelijk rijm en de kleine letters voor vrouwelijk rijm). Volgens diezelfde „kenners”, maar ook volgens niet-kenners, is Pauls vertaling meer dan uitstekend gelukt.
De Oneginstrofe is dus een zeer lastige dichtvorm, maar als men eenmaal het juiste ritme heeft gevonden, zal men moeten toegeven dat het een bijzonder hardnekkig en aanstekelijk ritme is. Blijkbaar vond Paul van den Hout dat ook, want hij schreef zelf een misdaadroman in Oneginstrofen! De redactie van de Nieuwsbrief was al een hele tijd in het bezit van de tekst van „De muze en de misdaad”, want zo heet het boek, en vond het prachtig. Ook zij vond het ritme hardnekkig en aanstekelijk, dus begint u maar vast te studeren op deze versvorm, want je weet maar nooit waar een en ander in de toekomst toe kan leiden... Zonder dollen, natúúrlijk was er echter in het hele kikkerland geen uitgever die zijn vingers aan het uitgeven van zo’n roman durfde te branden: Nederlanders en gedichten; de eenentwintigste eeuw en culturele uitspattingen; grachtengordeldieren en Oneginstrofen: het zijn geen gelukkige combinaties! En dan ook nog eens een inhoud, die als misdaad- en sleutelroman het hele Amsterdamse wereldje van vertalers, dichters en uitgevers fileert. Nee, u begrijpt dat de arme Paul van kast naar muur werd gestuurd.
Tot wij op een goede dag een uitnodiging ontvingen: Paul had de koe bij de horens gevat en het boek in eigen beheer uitgegeven. Op 20 november 2010 werd het boek - dat het ISBN 9789081601313 draagt - gepresenteerd in de Island Bookstore in Amsterdam. Uw redactie was natuurlijk ter plekke en ving uit het inleidende praatje van niemand minder dan Midas Dekkers de volgende historische woorden op: „Wij weten allemaal dat je van drank beter gaat schrijven. Als dat echt zo is, dan moet dit boek een absolute bestseller worden.”
Maar zelfs absolute geheelonthouders kunnen onmogelijk ontkennen dat dit boek het verdient om een bestseller te worden; ook voor hen geven wij daarom de bestelprocedure: maak € 17,50 over op nummer 452631165 t.a.v. mevrouw W.F.M. Brugman te Amsterdam onder vermelding van het woord „Muze” en uw naam en adres en het boek wordt franco bij u thuis bezorgd. Echt, een absolute aanrader!
Elders in deze Nieuwsbrief kunt u een fotoverslag van de presentatie vinden.


Het einde van de droom”.
En ook John Beringen heeft weer een boek geschreven. Ditmaal helaas niet over Bob Evers, maar een roman over een collega-schrijver van John; het verhaal wil dat heer Beringen bij het opruimen een doosje met diskettes uit de periode 1991-2001 vond, waarop een aantal totaal vergeten romans van zijn hand bleek te staan. Het zal dus ongetwijfeld niet bij „Het einde van de droom” (ISBN 9789460897290) blijven; en daar kunnen wij alleen maar blij mee zijn, want John heeft een prettig leesbare stijl.
Nou heeft diezelfde John altijd bezworen dat hij geen vijfde boek over het thema Bob Evers zou schrijven, maar in een van de langdurige telefoongesprekken die de redactie met John voerde, gloorde er misschien wel een heel klein nano-sprankje licht aan een zeer verre horizon: John sprak de wellicht historische woorden: „Tradities zijn er om doorbroken te worden.” (Het woord traditie sloeg in dit verband op het feit dat Bob Evers-boeken in trilogie geschreven dienen te worden; en als we „Twee jongens en een Bob Evers-serie” buiten beschouwing laten, heeft John inderdaad in z’n eentje drie boeken over Bob Evers geschreven).
Dat is echter nog toekomstmuziek; voorlopig moeten wij genoegen nemen met „Het einde van de droom”; en John zou John niet zijn als hij niet een mooie prijsvraag aan het verschijnen van het boek had gekoppeld. Op de Bob Evers mailinglist kondigde John op 24 oktober j.l. aan dat er in „Het einde van de droom” maar liefst dertig dingen aan te wijzen die 100% authentiek resp. autobiografisch zijn. De eerste Bob Evers-liefhebber die in staat was om tien van deze zaken te benoemen, zou een exemplaar krijgen van „Stampij om een schuiftrompet” waarin Peter Schilperoort op 17 augustus 1990 - dus op de dag af drie maanden voor zijn dood - zijn echte handtekening heeft geplaatst (zie onderstaande scan). Een prachtige prijs, zo leek ons, die bij voorbaat al aan de neus van ons redactielid Roger voorbij zou gaan, want - net als bij de quiz in Zeewolde - werd Roger zonder pardon aangewezen als onpartijdig en onafhankelijk jurylid. Lijstleden hadden tot 31 december 2010 de kans om hun lijst van tien autobiografische elementen uit „Het einde van de droom” op te sturen. Dat leverde een overweldigende stroom op van maar liefst... nul reacties! Ja, u leest het goed: nul; het gevolg is dat de pocket met de handtekening van Peter Schilperoort toch naar het jurylid is gegaan, waar hij een mooi plaatsje heeft gevonden in een soort van Bob Evers-museum in wording!

En wie tóch nog wil weten welke dertig zaken er in „Het einde van de droom” authentiek en/of autobiografisch zijn, kan de volledige lijst opvragen via nieuwsbrief@apriana.nl.

Het lijkt de boekenbijlage van de NRC wel: nog meer boeken...
Weet u, beste lezer, wat een greenhorn is? O nee, sorry, verkeerde serie.
Weet u, beste lezer, dat een van onze redactieleden naast het redigeren van de Nieuwsbrief ook actief is als vertaler? Samen met twee andere leden van de International Biggles Association heeft hij het tot nog toe onvertaalde Biggles-boek „The Camels are coming” in het Nederlands vertaald onder de titel „Biggles trekt ten strijde” (ISBN: 9789080142749). Deze bundel van verhalen over Biggles als piloot in de Eerste Wereldoorlog was in 1932 het eerste boek dat van Biggles uitkwam en bevat de meest oorspronkelijke versie van deze verhalen, die de schrijver, William Earl Johns, later overigens nog eens bewerkt en hergebruikt heeft: een thema dat in de onderhavige Nieuwsbrief overigens nog vaker ter sprake zal komen. Het aardige van „Biggles trekt ten strijde” is dat er zeventien originele tekeningen van W.E. Johns zelf uit de eerste boekuitgave van 1932 in zijn opgenomen.


Het vertalerstrio bij de presentatie van „Biggles trekt ten strijde” op 30 oktober 2010 in Amersfoort;
v.l.n.r.: Vincent van Gerven, Roger Schenk en Paul van der Werf.
© International Biggles Association


Bob Evers leeft nog steeds!
In oktober 2010 verscheen ook het derde en laatste deel van Wolfgang Hermesmeiers en Stefan Schmatz’ uitputtende werk over illustratoren van Karl May-boeken: „Traumwelten, Bilder zum Werk Karl Mays, Band III” (ISBN 9783780201799); en op p. 341 wordt ook Rudi/Rudy van Giffen, die behalve de voorzijde van de vierde druk van „De Kaperkapitein” ook illustraties heeft gemaakt voor de in Duitsland natuurlijk volkomen onbekende Bob Evers-serie; toch mooi dat Bob Evers even wordt genoemd!
Bob Evers wordt ook genoemd in De Oud-Rotterdammer, een gratis krantje voor de 50-plusser, zodat op 27 juli j.l. 120.500 Rotterdammers van 50 jaar en ouder kennis hebben kunnen nemen van het verschijnen van „Clandestiene streken op een cruiseschip” en twee weken later - middels een ingezonden brief van Ton Kleppe - van het bestaan van de Bob Evers Nieuwsbrief!

The House of Pain”.
Natuurlijk hebben wij indertijd allemaal met rode oortjes de ontboezemingen van de uit Heerlen afkomstige domina Monique von Cleef, zoals die zijn opgetekend door Willem W. Waterman, gelezen.
De titel van de oorspronkelijke Amerikaanse uitgave had betrekking op de villa waarin de op 4 februari 2005 op 79-jarige leeftijd overleden S/M-pionier haar praktijken bedreef; hieronder een afbeelding van de betreffende villa: 850 Lake Street, Newark/NJ.



De eerstvolgende Nieuwsbrief, nr. 37, zal in juli 2011 verschijnen.
Kopij aan nieuwsbrief@apriana.nl is als altijd welkom, maar uiterlijk in de maand juni 2011.






Museum Boshuis
Gert Huber

Het was weer museumweer, zo’n periode van gestaag vallende regen die elke lust tot buitenactiviteiten stevig de kop indrukte. Gelukkig was juist de nieuwe museumgids binnengekomen en al bladerende in de afdeling Gelderland viel mijn oog op het Museum Boshuis, op de Veluwe, en de lezer zal begrijpen dat mijn aandacht hierdoor getrokken werd.


De museumgids vermeldde dat de museumjaarkaart daar niet geldig was en dat de vaste collectie bestond uit een pittoresk, historisch kunstschilderverblijf uit het midden van de vorige eeuw, in originele staat behouden. Verdere bijzonderheden ontbraken. Wel kon men zich voor diverse workshops inschrijven, zoals „Lassen met staalwol” en „Zagen zonder beugel”. De toegangsprijs was naar discretie van de bezoeker.

Deze toegangsprijs beviel me en uiteraard besloot ik dit museum met een bezoek te vereren; mijn broer ging als altijd met me mee. Aangezien de gids stelde dat de bereikbaarheid per openbaar vervoer problematisch was en de tocht per eigen vervoer niet zonder risico, laadde ik mijn oude Fordje vol met leeftocht en andere nuttige zaken, waarbij vooral het pinkdik henneptouw niet werd vergeten, en we begaven ons op weg. De museumgids met de routebeschrijving was in handen van mijn broer, die een uitstekend kaartlezer is en de kaart van Europa, schaal 1:2.000.000, al paraat had voor het geval de beschrijving tekort zou schieten.

De routebeschrijving kwam mij vaag bekend voor en de reis verliep dan ook zonder problemen, totdat we op een T-splitsing aankwamen waar gids sprak van „Open heidevlakte recht oversteken”. Nu zou dat op zich geen probleem zijn, maar de heide was afgezet met prikkeldraad en een bordje vermeldde dat de toegang verboden was wegens de aanwezigheid van Grote Grazers. Daaronder hing een kleiner bordje en toen we naderbij kwamen om dat te ontcijferen verscheen plots de brede kop van een Schotse Hooglander, die ons verwezen aanstaarde, als om het gelijk van het eerste bordje te bewijzen. Het kleine bordje meldde: „Bezoekers Museum Boshuis twee fietspaden links passeren”. Nu, deze aanwijzing kon uiteraard geen aanleiding zijn tot misverstanden en al snel stonden wij voor het museum. Op de parkeerplaats stond een oude Volkswagen, voorzien van een sticker met een tekst in Veluws rijm: „Steensma Autoverhuur, 7 keer 24 uur”. De tijden veranderen wel. Op een bordje voor het museum stond een mededeling, die eventuele indringers waarschuwde voor het heilloze van hun voornemen. Naderbij gekomen zagen we dat de nog immer vallende regen de inkt had doen uitlopen, zo oud leek het bordje dus niet.

Intussen was de dienstdoende vrijwilliger naar buiten gekomen, in wie we met enige moeite de bejaarde Frank herkenden, die duidelijk last had van een stijve nek. Enige tijd geleden te lang met zijn hoofd gedraaid door het autoraampje gehangen, verklaarde hij desgevraagd.
Hij wist ook hoe het zat met het bordje. „In het begin moesten we meerdere keren per week een nieuw bordje ophangen; het werd steeds gestolen. Je zou denken door de baldadige jeugd, maar toen we de camerabeelden bekeken bleken het steeds vijftigplussers te zijn. Onbegrijpelijk. Sindsdien gebruiken we afwasbare inkt, sponzen de tekst er ’s avonds af en brengen hem de volgende dag weer aan.”

Toen we naar binnengingen, viel ons een lichte open haardgeur op, er stonden wat oude meubels, hier en daar lagen wat steenwolplukken en verder was er eigenlijk volstrekt niets te zien, maar wat een sfeer - een waarachtiger museum konden we ons niet voorstellen. Intens tevreden en onder de indruk togen wij weer huiswaarts, in de buurt van een heideveldje opgewekt terugzwaaiend naar de jongeman die ons vanuit een open sportvliegtuigje nieuwsgierig bekeek.





Willem junior: de appel valt niet ver van de boom
John Beringen

De titel van dit stuk verwijst naar een spreekwoord hetgeen inhoudt: „Kinderen aarden naar hun ouders.” Niet zelden wordt deze wijsheid in negatieve zin - en veelal op moralistische toon - gebezigd. Dat „aarden” kan op verschillende aspecten betrekking hebben, zoals bijv: mentaliteit, visie, karakter, levensovertuiging, enz. Waar ik echter dit begrip in wil projecteren, is „schrijven” en dan met name de manier van schrijven. Laten we daarom beginnen bij Willem sr., de man die ons nog steeds buitengewoon veel pret bezorgt bij het lezen van o.a. de Bob Evers-boeken. Zelf merkte hij dit oeuvre aan als „eerlijke boeken waarin wat te beleven valt en waarbij je zo nu en dan ook kunt lachen.”
Dat er wat te beleven valt, is zonder meer waar. Het „zo nu en dan wat kunnen lachen” is echter een typering die meer dan groots is in de zin van bescheidenheid. De avonturen die Jan, Bob en Arie beleven, worden steevast verluchtigd met de nodige hilarische voorvallen, hyperbolen en een op de lachspieren werkende overdrijving, kortom: humor. Maar humor is niet alleen zeer amusant; het is ook een machtig wapen. Mensen die het hoog in de bol hebben, hebben vaak geen gevoel voor humor omdat humor iedere vorm van hooghartigheid genadeloos neersabelt. Daar is eenvoudigweg geen kruid tegen gewassen. Niemand minder dan John Cleese (een man die als geen ander verstand heeft van humor) legde dit ooit uit in een interview. Er bestaat dan ook geen betere manier om een absurde situatie aan de kaak te stellen door de betreffende kwestie met een stevig arsenaal aan hyperbolen flink in het belachelijke te trekken. Men denke aan bijv. Koot en Bie, Monty Python, „Ook dat nog”, enz… Het doel is tweeledig: aan de ene kant zal men iets „herkennen” en aan de andere kant zal niemand meer kunnen ontkennen dat hetgeen op de korrel genomen wordt te zot is voor woorden. In dit laatste opzicht is het programma „Ook dat nog” het mooiste voorbeeld. Iets wat hopeloos vast bleek te zitten, kan dan ineens WEL geregeld resp. afgewikkeld worden en al helemáál als tussen neus en lippen door de verstandelijke vermogens en/of capaciteiten van degene die verantwoordelijk is voor de misstand op een niet mis te verstane manier serieus in twijfel worden getrokken. Het mooiste staaltje dat Willem sr. ooit op dit vlak uithaalde, vind ik persoonlijk nog de manier waarop hij de chaotische bedrijfsvoering op de hak nam van de politieke beweging in zijn boek over Generaal Taillehaeck, deel 2: „Het bankroet van een politieke beweging”. Dit gehele gedeelte is terug te vinden in „Bob Evers’ laatste ereronde”, v.a. bladzijde 99. Het gaat dan om het rapport van de afdelingsleider van Hipperwolde aan de directeur van de Uitgeverij van het hoofdkwartier. Zonder het hele stuk hier te reproduceren een paar facetten hieruit: de afdelingsleider laat weten dat de manier waarop de politieke beweging gerund wordt, hem sterk doet denken aan tombola’s en grabbeltonnen waarbij je nooit van te voren wist wat je in je handen gedrukt kreeg. Na enige bestudering van de organisatie vergelijkt hij (zelf directeur van een machinefabriek) de politieke beweging met een machine waarin verschillende dingen mis kunnen zijn. De eindconclusie: OF er zit een wiel in dat er helemaal niet in thuishoort, dat op geen enkele as zit, maar er gewoon tussendoor tolt en dan hier, dan daar pakt OF alle wielen draaien, elk zelfstandig aangedreven, onafhankelijk van elkaar.
Vernietigender, en vooral beeldender, kan het haast niet als het gaat om grondig in een wond te prikken.

Iets soortgelijks kwam ik tegen in het boek „Hoe echt zijn mensen?” dat is geschreven door de oudste zoon van Willem, die ik voor het gemak Willem jr. noem. De meesten weten dat Willem jr. arts is en op zeker moment afstudeerde als psychiater. In het hoofdstuk „De fabriek voor gezonde geesten” beschrijft hij hoe hij stage moest lopen in een groot complex waarin dus geesteszieken werden behandeld. Nu is het niet mijn bedoeling om het door hem beschrevene als hilarisch aan te merken omdat de materie inhoudelijk zeer ernstig is. Wel is de manier van beschrijven bijzonder beeldend, herkenbaar, op sommige momenten zelfs Kafkaësk en voor alles: tijdloos. Het boek verscheen in 1980, dus de uiteengezette bevindingen moeten vóór die tijd zijn ontstaan. Wie vandaag aan de dag de columns van professor Smalhout leest, zal overigens bespeuren dat er in ruim 30 jaar niets is veranderd. Waar Willem jr. zich bedient van uiterst verfijnde formuleringen en subtiel verwoorde observaties, noemt professor Smalhout het beestje daarentegen bij de naam: „De algehele debilisering van Nederland.” Trefwoorden hierin: praatcultuur, gewichtigdoenerij, mensen die inhoudelijk geen verstand van medische zaken hebben, die wel even zullen vertellen hoe het allemaal moet worden uitgevoerd, gezondheid als product en de patiënt als productiefactor, enz., kortom: een waanzinnig systeem dat hoe dan ook, al dan niet kunstmatig, in gang wordt gehouden, zogenaamd omdat men het vroeger „verkeerd” deed, maar in werkelijkheid omdat zo een bepaald clubje er beter van wordt. De manier waarop Willem jr. het beschrijft, is even genadeloos als geniaal en roept (hoewel het om iets geheel anders gaat) associaties op met de machine met de dol geworden tandwielen.

Citaat uit „Hoe echt zijn mensen?
„Een kliniek als deze is van nature een bolwerk van isolement. Een betonnen bunker bevolkt met buiten de maatschappij levenden. Dit plein is daar, in zijn onherbergzaamheid, ook een symbolische uiting van. Het is geen geleidelijke overgang en ook geen ontmoeting tussen kliniek en maatschappij. Het is geen brug tussen binnen en buiten. Het is een leegte die men door moet om binnen te kunnen komen. De binnenkomst in de goed verzorgde ruime hal is al even weinig uitnodigend. Door de tochtdeuren staat men ineens in een grote marmeren ruimte waarbij men direct voor de eerste „producten” uit deze kliniek staat, wezenloos aandoende poppen. Bij nadere beschouwing blijken het mensen te zijn. Ik zal nooit vergeten hoe ik de eerste keren steeds schrok van deze mensen, waarmee geen contact te krijgen is, die in een volslagen eigen wereld leven en langs elkaar schuiven op een manier die gespeend is van iedere belangstelling voor de ander. Na van deze schok bekomen te zijn, ontwaart men verscholen in een diepe loge een aantal portiers achter een telefooncentrale, die overigens, alleen bij aanspreken, heel vriendelijk en behulpzaam blijken te zijn. Zo tuimelt men dan het gebouw der gezonde geesten binnen met het onbehaaglijke gevoel eerst bespied te zijn en nu genegeerd te worden. Het werken in een dergelijk gebouw met zijn leegte en zijn onpersoonlijke sfeer heeft niet nagelaten op mij als nieuwkomer een diepe indruk te maken. Dit werd nog versterkt door mijn indrukken van de eerste weken in de kliniek. Ik was toebedeeld aan een in een groepje bij elkaar behorende psychiater, psycholoog, maatschappelijk werkende en secretaresse, die zich in een team bezig hielden met de problemen rond de gezonde geest. Zulke mensen worden tegenwoordig hulpverleners genoemd en ik zal ze in het verloop van mijn verhaal ook verder zo noemen. De eerste weken liep ik met mijn groepje hulpverleners mee en schuifelde zo met hen van het ene vertrek naar het andere om met weer andere hulpverleners te praten. Het gaat daarbij voortdurend over onzichtbaren en afwezigen: de mensen die hier gekomen zijn om in deze kliniek weer een gezonde geest te verkrijgen. Er konden dagen voorbijgaan zonder dat ik ook maar één der betreffenden zag. Deze wijze van werken leek mij volstrekt absurd, daar ik als huisarts gewend was aan zeer veel persoonlijke contacten. Ik kon ook alleen maar iets met of voor mensen doen in hun aanwezigheid. Ik merkte dat ik doodmoe en humeurig werd van alle contacten, het praten over en het luisteren naar argumenten en maatregelen, zonder ook maar enigszins te weten welke mens het betrof. Zo kon het gebeuren dat ik in die eerste weken de balans opmaakte van een werkdag en bemerkte dat er niets had plaats gevonden waarbij het direct persoonlijk contact aanging. Het was voor mij net een soort eindeloos simultaan schaakspel, waarbij de borden van het team hulpverleners overal door het hele bedrijf verspreid stonden en waarbij bovendien de tegenstander een volslagen onzichtbare bleef. Beide partijen lopen op hun tijd langs de borden, verzetten hier en daar wat stukken en wachten op de tegenzetten. Men ontmoet elkaar als tegenstander zelden of nooit aan de borden. Veel tijd wordt evenwel besteed aan filosofieën hoe eventuele tegenzetten zullen verlopen en wat er dan te doen staat.
Aangezien ik nog nooit in een dergelijke kliniek had gewerkt, ging ik er aanvankelijk van uit dat het zo hoorde. Ik deed dus na een aantal weken pogingen de spelregels onder de knie te krijgen. Uiteindelijk was ik bezig met een herscholing en diende ik daar de gevolgen van te aanvaarden, ook al leek een en ander mij vreemd. Ik ging op zoek naar de uitleg van het spel. Er werd veel en omstandig met mij gesproken. Ik liep alle bedrijfsonderdelen langs. Veel artikelen en rapporten werden geproduceerd. Theorieën werden ten beste gegeven. Tegenstrijdigheden stapelden zich op in al dit lesmateriaal. Er zat geen ruggengraat in en geen visie achter. Ik werd er ook niets wijzer van. Toch deed ik een wanhopige poging om alles te begrijpen. Ik wilde er tenslotte bij horen. Ik ging ook op zoek naar het eindproduct: de gezonde geest. Deze bleef zoek. Ik begreep er niets van. Het procédé onvindbaar, het eindproduct zoek. Hoe werkte deze kliniek dan? Het bleef voor mij aanvankelijk een volslagen raadsel, tot ik iemand met een zieke geest zag binnenkomen, die als uitzondering zeer snel weer een gezonde geest kreeg en de kliniek kon verlaten.
Nauwlettend hield ik in de gaten hoe dit mogelijk was geweest. Ik merkte allereerst dat de betrokkene was gekomen met het vaste voornemen om zo kort mogelijk in de kliniek te blijven. Hij deed daar alles voor en sprak veel over zijn zieke geest. Ik merkte ook een enorme verandering in het team van hulpverleners. Ze veerden op en werden actief, persoonlijk open, vriendelijk en behulpzaam. Ze werden veel meer mens en wisten met behoud van de verantwoordelijkheid en de identiteit van de betrokken zieke geest snel een werkzaam procédé te ontwerpen. En dat werkte wonderwel. Toen zag ik ineens waarom het procédé voor mij zo onduidelijk bleef en zo onwerkzaam bleek: alle maatschappelijke normen stonden in dit bedrijf op zijn kop. Een eigen verantwoordelijkheid en eigen identiteit golden niet als belangrijk.”

We maken even een sprong in het stuk. Waar het om draait, is dat er voor een groot deel mensen behandeld werden die problemen hadden van maatschappelijke en/of sociale aard en die ten onrechte het etiket „geestesziek” opgeplakt kregen. Willem jr. gaat dan verder met:

„Zo zit ieder dan in dit bedrijf aan het schaakbord en speelt het spel mee. Ieder speelt daarbij zijn eigen spel, immers de regels liggen niet vast, ze zijn zelfs meestal over en weer niet bekend. Daar komt men ook niet achter, want de partijen ontmoeten elkaar zelden of nooit aan het bord zelf. Men loopt er langs en doet zijn zet. De tegenpartij doet te zijner tijd een tegenzet. Na verloop van tijd loopt men weer langs het bord om te zien of er iets is veranderd en dan verzet men eventueel weer een stuk, aanvankelijk nog de grote stukken, later alleen de pionnen. Op den duur nemen de partijen steeds meer tijd en minder moeite voor dit trage en onpersoonlijke spel. Tot er tenslotte geen zetten meer volgen. Dan heeft men niet het eindproduct: de gezonde geest; doch het eindeloos veel vaker voorkomende bijproduct: de uitgebluste geest.
En dat was ook hetgene, waar ik zo van geschrokken was bij mijn binnenkomst in de kliniek: deze uitgebluste geesten. En ik schrok tijdens mijn kennismakingstijd van de ogenschijnlijke tevredenheid van ieder met dit bijproduct. Zo werd voor mij onder het verzorgde uiterlijk van een groot bedrijf, een leeg, onpersoonlijk en weinig menselijk procédé duidelijk, dat aan het ontstaan van gezonde geesten nauwelijks of geen bijdrage levert. Verbouwereerd heb ik me afgevraagd hoe zo’n werkwijze in onze tijd nog in stand kon blijven? Hoe het mogelijk was, terwijl ik in gesprekken met hen apart steeds merkte, dat ze heel goed wisten dat het productieproces niet deugde. Het bleek me na verloop van tijd, dat ze verstrikt zaten in een netwerk van geniepige maatregelen, hetgeen er zeer vernuftig op was gericht om het oude systeem in stand te houden. De winst van dit systeem was dat de bedrijfsleiding met enkele vertrouwelingen alle macht in handen kon houden en daarmee het bedrijf met betrekkelijk weinig persoonlijke investeringen kon laten draaien. Een aantal van die maatregelen kon ik voor mezelf op den duur zichtbaar krijgen. Het was in feite een zeer vernuftig verdeel en heers-principe, toegedekt met de mantel van moderne voorzieningen en moderne kreten. De werkwijze berustte er op, dat zoveel mogelijk mensen contact dienden te hebben met zoveel mogelijk andere mensen in het bedrijf. Hiervoor werd ruim de tijd gegeven. Het voordeel daarvan was dat hulpverleners en andere werknemers zich moe konden praten. Niemand hoefde zich bovendien echt verantwoordelijk te voelen. Het leek modern en de leiding kon er kreten als democratisering en inspraak op los laten. Vervolgens werd er zorgvuldig voor gezorgd, dat stelselmatig kleine groepjes van de ene sector overleg pleegden met kleine groepjes van de andere sector. Ieder persoonlijk contact binnen het bedrijf werd zo nagenoeg onmogelijk gemaakt. Daarbij was natuurlijk wel van belang, dat alle groepen zoveel mogelijk van samenstelling wisselden. Zulks bevorderde het steeds weer bespreken van dezelfde punten door verschillende mensen. Dat leverde zelden resultaat op, deed het enthousiasme tanen en bevorderde de continuïteit en verantwoordelijkheid in gewenste negatieve zin. Er werd vanzelfsprekend zorg voor gedragen, dat er zo weinig mogelijk direct contact was tussen bestuurlijk apparaat enerzijds en productielijn anderzijds.
Dit werkte voortreffelijk, vooral ook omdat er op werd toegezien dat de minst zekere figuren op leidinggevende posities werden geplaatst, hetgeen een voortdurende afhankelijkheid van deze mensen in stand hield. Een waarborg te meer voor een goede greep op de gang van zaken.
Toch rezen er, ondanks dit vernuftige systeem nog wel eens problemen. Ook hiervoor had de bedrijfsleiding een beleid. De problemen werden vastgelegd in omstandige, uitgebreide en zo mogelijk nietszeggende nota’s met veel dure begrippen, welke langs verschillende kanten en op verschillende momenten de kliniek in werden gestuurd, voorzien van de etiketten openheid en inspraak. Aan de hand van deze nota’s werden praat- en discussiegroepen opgericht, welke onder geen beding met elkaar in contact mochten staan. De schriftelijke rapportage ging naar de leiding, die alle informatie opborg in een diepe lade van het directiebureau. Deze lade ging nooit meer open. Mocht onverhoopt toch nog een nieuw en dus ongewenst initiatief de kop opsteken, dan werd ook hiervoor een werkgroep opgericht van een zo breed mogelijke samenstelling. Ook deze informatie kwam in dezelfde lade.
Besluitvorming pleegde de leiding zonder overleg, in het geheim, en trad daarmee onverwachts in het openbaar. Het was een goede gewoonte daarvoor passende passages uit diverse stukken te gebruiken en het was gebruikelijk deze soms zelfs enigszins uit hun verband te lichten. Protesten werden niet gehoord. Iedere protesterende werd zo snel mogelijk geïsoleerd, waarbij iedere niet in het oog lopende tactiek was toegestaan. Met deze bovenstaande maatregelen was de leiding er wonderwel in geslaagd in alle rust naar eigen goeddunken dit bedrijf te besturen. Alle gemor en ontevredenheid bleef bij dit meesterlijke verdeel en heersprincipe helemaal onder de oppervlakte. Het resultaat was beangstigend: hulpverleners bleken terneergeslagen, machteloos en zonder idealen. Velen waren hun eigen identiteit, creativiteit, werklust en vertrouwen kwijt. Slechts een enkeling had zich weten te redden op een veilig eilandje van geïsoleerd functioneren. Is een dergelijk bedrijf voor mij al beangstigend genoeg, nog angstiger vind ik dat ik terugkijkend merk, dat het geruime tijd heeft geduurd voor ik het systeem kon doorzien. Aanvankelijk werd ik meegevoerd. Maar waarschijnlijk is het mijn huisartsenervaring geweest die mij voor verdere onderdompeling heeft behoed. Ik had mij enige kijk op de zieke en gezonde mens eigen gemaakt. Toen ik doorzag waar ik in terecht was gekomen, ontstond er een wanhopig geworstel tegen een onzichtbare macht. Ik voelde die macht overal, maar deze werd nooit persoonlijk en nooit zichtbaar. Het gevoel ontstond een Don Quichotte te zijn die tegen malende molens vocht.”
EINDE CITAAT.

Eerder in dit stuk haalde ik de term „Kafkaësk” aan. Deze beschrijving riep bij mij associaties op met de romans „Het proces” en „Het slot” van vriend Kafka. Let in deze context vooral op de zin: Toen ik doorzag waar ik in terecht was gekomen, ontstond er een wanhopig geworstel tegen een onzichtbare macht. Ik voelde die macht overal, maar deze werd nooit persoonlijk en nooit zichtbaar.
Wat mij echter bovenal opviel, is de overeenkomst in het beschrijven van beide totaal verschillende situaties door resp. Willem sr. en Willem jr. In beide gevallen draait het om een persoon met een goed werkend stel hersens die terecht komt in een omgeving of situatie waarin iedere vorm van logica ontbreekt. Vooral de vergelijking van Willem jr. waarin hij ter illustratie het grote schaakbord presenteert, kon ik niet lezen zonder meteen aan „de machine” te denken.

De man die in bovenstaand stukje van John Beringen „Willem jr.” wordt genoemd, heet voluit Willem-Peter, maar draagt in feite als roepnaam Peter. Hij schreef drie boeken:

Hoe echt zijn mensen?
Oirsbeek, Uitgeverij Lindelauf, 1980

Waan en werkelijkheid
Oirsbeek, Uitgeverij Lindelauf, 1980
ISBN 9070408414

Het kralensnoer
Eindhoven, Lecturis, 1986
ISBN 9070108313






Willem senior: de appel hoeft niet te vallen, hij kloont zichzelf
Paul van den Hout

In het tijdschrift Candy , uitgegeven door Peter J. Muller, de voorzitter van het Bob Evers Genootschap, was indertijd de brievenrubriek „Brieven aan Joke” opgenomen. Mannen en vrouwen leken hun hart uit te storten bij Joke Raviera, die zich verdiepte in de problemen van de briefschrijvers en -schrijfsters en hun brieven beantwoordde en becommentarieerde. Achter het pseudoniem Joke Raviera ging „onze eigen” Willem van den Hout schuil, maar net zo min als de stem van de onlangs overleden Bobby Farrell echt was, waren deze brieven afkomstig van échte briefschrijvers: het leeuwendeel van de brieven was door „Joke Raviera” zelf geschreven, hetgeen overigens geen ongebruikelijke gang van zaken is in brievenrubrieken in tijdschriften, al was Willem mogelijk een van de pioniers op het gebied van fake-brieven. In 1970 bundelde N.V. Uitgeverij P.J. Muller de meest spectaculaire brieven en antwoorden in „Brieven aan Joke. Bekentenissen over normale & abnormale seks”. Tot zover heeft de redactie niet bepaald de illusie iemand iets nieuws voor te schotelen, maar wist de welwillende lezer dat Willem er niet voor terug deinsde om zelfs zijn eigen zoon met een fake-brief bij het been te nemen? Lees wat Paul van den Hout de redactie vertelde:

In de jaren zeventig had ik in Amsterdam een vrij regelmatig contact met mijn vader. We troffen elkaar wel op zijn boot (zie mijn bijdrage in Nieuwsbrief 35) en natuurlijk in de „Oude Wester”, waar hij volgens mij alleen bekend stond als Waterman (zodat ik er jaren moeite voor heb moeten doen om van mijn bijnaam „de kleine Waterman” af te raken en Paul van den Hout genoemd te worden). Ook had hij de sleutel van mijn huis in de Frans van Mierisstraat, waar hij wel eens een nachtje bleef pitten op het logeerkamertje.
Op een gegeven moment had ik, na lang aandringen, van mijn moeder een Indische kris losgepeuterd, die in haar bezit was (de herkomst weet ik niet meer, kan van de Oudendijkenkant geweest zijn (Pauls stiefvader, red.)). Dat prachtige, zilveren moordwapen begeerde ik al jaren en mijn moeder had er niets mee, maar had hem, bevreesd voor mijn lijfsbehoud (of dat van anderen) nooit aan mij durven schenken. Maar goed, ik had het dus eindelijk van haar afgetroggeld en hem thuis op de „salontafel” gelegd. Maar, zoals dat wel vaker gaat met voorwerpen die je nog niet zolang in je bezit hebt, je mist ze niet meteen als ze opeens „weg” zijn. In dit geval zat ik met mijn vriendin Caroline bij mensen op bezoek, waar we op de een of andere manier over die kris kwamen te praten en ik me opeens realiseerde dat ik die al een tijdje niet meer had gezien. Ik vroeg haar of zij daar iets meer van wist, wat niet zo was, zodat we na veel peinzen tot de conclusie kwamen dat er maar één oplossing was voor die verdwijning: Willem.
Toen ik hem daar bij ons volgende treffen op aansprak, begon hij met keihard ontkennen van enige betrokkenheid. Maar ik wist het en dat zei ik hem ook. Uiteindelijk gaf hij toe hem te hebben meegenomen als, en hier komt het, cadeautje voor mijn broer Michiel. Ik heb iets gezegd in de trant van: „Leuk, dan moet ik mijn eigen broertje zijn verjaarcadeau zeker afpikken? Ik pieker er niet over, maar eis van je dat je die zaak in orde maakt.”
Na een aantal geaborteerde afspraken, zou ik Willem na diens bezoek aan Den Haag van de trein halen en hij me het ding teruggeven. Verbaast het je te horen, dat hij dat niet bij zich had? Wat was er namelijk gebeurd? Er volgde een krankzinnig ingewikkeld verhaal over bagagekluisjes, verloren sleuteltjes, misverstanden met verwisselde bagage in de trein, weet ik het allemaal. Bob Evers, deel zoveel in wording „Gekrakeel om een kris”. Maar ik moest me vooral geen zorgen maken, hij had het adres van die reiziger die er met zijn tas vandoor was gegaan (hoe was en is me een raadsel) en hij zou die man een brief sturen. Nou, dat heeft-ie gedaan, hoorde ik later, want die man die er dus abusievelijk met zijn (pardon: mijn) kris vandoor was gegaan, had hem teruggeschreven!
Die brief had Willem bij zich, en hij liet hem me in het „Noord-Zuidhollands Koffiehuis” triomfantelijk lezen. Het kwam erop neer dat de onbekende weer „geheel per ongeluk iets krankjorums met die kris had gedaan”, met als gevolg, natuurlijk, dat hij hem niet kon produceren. Mind you, over wat er verder in die verwisselde tas zou hebben gezeten, werd natuurlijk met geen woord gerept!
Ik weet nog dat ik, toen ik een paar zinnen van die brief had gelezen, aan de stijl en de eigenaardigheden van Willems eigen schrijfmachineschrift - ik had inmiddels wel meer schrijfsels van hem gelezen - meteen zag dat die dat epistel zelf had opgesteld. Toen ik hem vierkant uitlachte, ontkende hij dat natuurlijk ook weer glashard en leek hij eigenlijk voornamelijk gekwetst dat ik niet paf stond van deze geniale hoax, van zijn vindingrijkheid en alle moeite die hij erin had gestoken (het was inderdaad een brief van een paar kantjes). Ik heb het toen maar opgegeven. Van die kris is uiteraard nooit meer iets vernomen, zal-ie wel verpatst of beleend hebben. Michiel bleek, bij navraag, uiteraard van helemáál niets te weten, en die jongen kán niet eens jokken!

Dat het Paul, gelijk een Arie Roos, niet om laag-bij-de-gronds bezit gaat én dat Willem niet alleen zijn eigen schrijfsels, maar ook zijn eigen daden kloonde, moge blijken uit een andere anecdote:

Het zal zo’n beetje in diezelfde tijd geweest zijn, want weer speelt Caroline er een rol in en nog steeds woonde ik met haar in de Frans van Mierisstraat. Mijn moeder was net verhuisd naar Nijmegen en wilde wat spulletjes kwijt, omdat ze kleiner was komen te wonen. Daaronder bevond zich een niet onaardig schilderijtje - een stilleven met tinnen kruik, stroboeket en pistool - van een zondagsschilderende verre neef of zo van mijn stiefvader, blijkens de signatuur rechts onderaan „Pé-en-nog-wat” geheten, ik zou het nu niet meer weten.
Enfin, ik was weer eens met Willem op zo’n Waterman-taxi-expeditie, die in dit geval eindigde bij een van zijn vele vage vriendinnen, de vrouw van een psychiater in Amstelveen; meer weet (en wist) ik niet van haar. Welnu, we worden door de dame vriendelijk ontvangen, drinken een glas en, terwijl Willem en zij in gesprek raken, laat ik mijn ogen door de fraai ingerichte woonkamer dwalen, tot ze aan de wand ver tegenover mij tot mijn verbazing blijven rusten op het schilderijtje van Oom „Pé”! Als alles goed was, wist ik, lag dat in de Frans van Mierisstraat in mijn gangkast, waar ik het zolang had weggeborgen. Ik brak nogal bruusk in het gesprek in en vroeg mevrouw hoe ze aan dat schilderij kwam, waarop ze me schalks vertelde dat het (alwéér) een cadeautje van mijn ouwe heer was.
Na een soortgelijk gekrakeel als met die kris, zei ik: „Goed, Willem, ik zal Caroline even bellen, om te vragen of het nog in de kast ligt bij ons thuis.” Zo gezegd, zo gedaan, schilderij weg natuurlijk, en Willem unverfroren blijven ontkennen er ook maar iets mee te maken te hebben. De gastvrouwe geloofde mij niet echt (wat wil je ook, met zo’n vader!), maar toen ik zei: „Mevrouw, ik heb mijn bril niet op nu, dus ik kan het vanaf deze afstand onmogelijk lezen, maar weest u zo goed en kijkt u eens naar de signatuur in de rechterbenedenhoek. Daar zult u lezen: „Pé-en-nog-wat” (wat ik toen nog wèl wist).” Nou, dat deed ze en toen kon ze bezwaarlijk ontkennen dat er iets vreemds aan de hand was. Wat verlegen met de situatie wilde ze weten hoe het nu verder moest. Ik vroeg haar of ze het een leuk, mooi en/of aardig schilderijtje vond en dat beaamde ze. „Goed,” zei ik, „dan moest u het maar houden. Maar dan hebt u het van mij gekregen, en niet van Willem.”
Toen zijn Willem en ik wel een tijdje gebrouilleerd geweest. (Deel zoveel-plus-één van de Bob Evers-serie, „Gesteggel om een Stilleven”).





Open brief aan Paul van den Hout
John Beringen

Hartelijk dank voor jouw reactie. Het was overigens niet de bedoeling om je als een baldadige beschonkene neer te zetten in het verslag. Van Marie-José begreep ik dat het meningsverschil door iemand anders op gang was gebracht (ik durf er geen slag naar te slaan wie dat dan zou zijn geweest, want je zult zien dat ik het dan wéér mis heb). En daarbij: zelfs als je een paar borreltjes nuttigt, blijf je op en top heer waarbij jouw schranderheid geen enkele schade ondervindt. Dit laatste wordt wederom bewezen door het feit dat jouw geheugen m.b.t. de eerste bijeenkomst stukken beter is dan dat van mij, terwijl ik die dag „walgelijk nuchter” was, omdat ik nog moest autorijden. Maar één ding weet ik 100% zeker: jij introduceerde Marie-José, hetgeen door de gebroeders Kleppe openlijk werd becommentarieerd als „Een buitengewoon leuke verrassing.”
Nu moet ik even een zijsprongetje maken, want deze bijeenkomst zou nog een ander grappig staartje gaan krijgen. Ik had het boek „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?” bestudeerd en zag op zeker moment dat het woord „Sibo” werd gebezigd. Dat kwam voor in de boekhouding die Willem ging bijhouden: er waren twee „Sibo’s” aangeschaft. In de tijd voor de bijeenkomst had ik al diverse oudere mensen gevraagd of die soms wisten wat dit konden zijn. Mijn eerste voorzichtige gedachte was dat het mogelijk een vergeten soort reep was als nu bijv. een Mars of een Nuts. Niemand wist het. Dan ga je dus vermoeden dat het wellicht iets was wat alleen maar lokaal, dus uitsluitend in Den Haag bekend was zoals bijv. een „Bossche Bol” of een „Bolus” (dit laatste schijnt in Zeeland een broodjessoort te zijn). Op zeker moment legde ik Paul dit probleem voor. Die wist het ook niet. „Maar,” zo reageerde hij, „misschien weet Wicher Jager dat nog.”
Dat was een prima tip, dus ik belde hem op. Nadat hij had opgenomen met „Met Jager,” begon ik mijn verhaal: „Goedemorgen meneer Jager; u spreekt met John Beringen uit Wijk bij Duurstede en…”
Voordat ik kon vertellen waarom ik hem belde, onderbrak hij mij met: „Met WIE?”
„Met John Beringen uit Wijk bij Duurstede,” herhaalde ik. Nu wist hij in ieder geval hoe ik heette, maar het hoe en waarom omtrent mijn telefoontje was hem natuurlijk nog steeds niet duidelijk.
„Nu weet u nog niks, hè?” vroeg ik.
„Nee.”
„Zal ik dan maar verder gaan?”
„Ja, dat is goed.”
Ik begon over het boek „Wie zei...”, hetgeen Jager meteen al een uitspraak ontlokte in de trant van „Gut, ja die Willem; wat kon je daarmee lachen,” en kwam vrij snel op dat woord waarvan ik me afvroeg wat het nou geweest kon zijn.
„Ik hoop dat u het nog weet, maar ik zal het woord even spellen: S van Simon, I van Izaak, B van Bernhard en O van Otto.”
„Sibo?” herhaalde Jager.
„Ja,” reageerde ik hoopvol.
„Juist ja... en wat is dat?”
„Nou, ik hoopte juist dat u mij dat kon vertellen.”
Jager wist het ook niet. Later boog Roger zich over die kwestie. Zijn conclusie was dat het een afkorting kon zijn voor SigarettenBonnen. De argumentatie hierachter: Willem en Wiesje rookten stevig en zouden wellicht niet genoeg hebben gehad aan de sigaretten die ze op de verstrekte bonnen konden aanschaffen. Via de zwarte markt kon je uiteraard aan extra sigarettenbonnen komen om zodoende aan de nicotinebehoefte te kunnen voldoen. Maar omdat de „boekhouding” natuurlijk ook wel eens door de verkeerde gezien kon worden, zou het niet zo slim zijn geweest om dat zo voluit te vermelden.
„Vandaar dus de afkorting Sibo,” aldus Roger. Ik houd dit voor de enig juiste verklaring tenzij iemand anders het aantoonbaar kan weerleggen.





Recensie van deel 51: Peter de Zwaan kloont Willy van der Heide
Schout-bij-kunstlicht Spook

Groot was de verrassing toen ons in Camp Holland in het verre en dorre Zuid-Beloedsjistan een persbericht van good old Uitgeverij De Eekhoorn bereikte. Het werd ditmaal zelfs nog bijzonder spannend of het bericht ons überhaupt wel zou bereiken, want het woord eekhoorn is hier in dit deel van de wereld jargon voor het uiterst geheime ... Nee, het is mij helaas niet toegestaan om hier vertrouwelijke informatie prijs te geven; maar wees gerust, die informatie is zó geheim, dat de hele wereld vroeg of laat op WikiLeaks kan lezen wat wij hier in Camp Holland onder een eekhoorn verstaan. Enfin, na screening door mijn commanjoor mocht ik het persbericht dan eindelijk onder ogen krijgen. Bevend van opwinding lag ik die nacht in mijn tent: stel je eens voor, een geheel nieuw Bob Evers-deeltje! De volgende dag kon ik nauwelijks wachten tot het mijn beurt was om gebruik te maken van internet; dat is ons per persoon slechts een half uur per dag toegestaan. Vervolgens kwam ik er achter dat De Eekhoorn er niet aan had gedacht dat er wellicht ook Nederlanders in den vreemde het nieuwe boek zouden willen bestellen. Na een paar weken was daar echter de Bob Evers Nieuwsbrief, en daarin stonden IBAN en BIC vermeld, zodat ik mijn geld kon overmaken naar Nederland. Maar toen ging het dan ook snel. Wat is onze hedendaagse westerse techniek toch vernuftig: zelfs in deze afgelegen streken, waar een pond kamelenpoep nog steeds vele malen meer waard is dan een Vaticaanse euro, kun je moeiteloos een boek in Oud-Beijerland bestellen en betalen!
Keurig op tijd kreeg ik begin september het langverbeide deel 51: „Clandestiene streken op een cruiseschip”. Alleen al de voorzijde van het boek was een genot voor het oog! Dit ontwerp van Lia Krijnen oogt prettiger dan alles wat Bert Zeijlstra de laatste twee decennia heeft ontworpen...
Uit alle correspondentie had ik inmiddels begrepen dat de tekst ook al op Peter de Zwaans eigen website moet hebben gestaan, maar dat is mij eerder blijkbaar ontgaan. Des te beter, want nu kon ik de tekst geheel onbevangen lezen! En wat ik las, viel mij allerminst tegen!
Het eerste wat mij opviel, was een déjà vu: het plot is een bewerking van dat van „De vierkante man”, dat eerder verschenen is als deel 1 van Peters Toni en Teo-serie. Alleen nu natuurlijk niet met Toni en Teo in de hoofdrol, maar onze drie welbekende HBS-bengels. En nu zullen er waarschijnlijk wel weer honderden mensen met kinderachtige verwijten aan het adres van Peter de Zwaan komen, maar al deze mensen vergeten hoogstwaarschijnlijk dat Willy van der Heide ditzelfde geintje ook vaker heeft gedaan; en wie dat niet kan geloven, moet „De erfenis van een zonderling” of „Een woestijn raakt zoek” maar eens lezen! In ieder geval heeft De Zwaan Van der Heide dus ook in dit opzicht geïmiteerd, reden waarom deze recensie deze enigszins vreemde titel draagt.
De handeling wint duidelijk aan kracht door het verschijnen van Jan, Bob en Arie met al hun bekende hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Al bij het lezen van de eerste regels begint het weer ouderwets te kriebelen, alsof de drie helden nooit weg zijn geweest. En uit ons hart zijn ze dat inderdaad niet!
Het verhaal voert ons naar San Diego/Ca., waar Jan, Bob en Arie zich op last van vader Roos inschepen op een cruiseschip, waarover kapitein Holdert, nog zo’n oude bekende, het bevel voert. Wie deze naam leest, denkt aanvankelijk aan een miskleun van Peter; per slot van rekening lijkt niemand ongeschikter om het bevel over een cruisschip te voeren dan uitgerekend deze bullebak; maar gaandeweg het verhaal wordt duidelijk waarom de kapitein van de SeaRose wel een ijzervreter móét zijn. Het verhaal zelf sluit aardig aan op de realiteit van alledag, maar dan wel precies omgekeerd: in plaats van al die duizenden Mexicaanse gelukzoekers die met gevaar voor eigen leven de Verenigde Staten proberen binnen te komen, hebben we hier te maken met een Mexicaan die juist clandestien uit de States wil verdwijnen naar zijn eigen vaderland: een geniale vondst van de auteur! De reden daarvan is voor Jan, Bob en Arie natuurlijk lange tijd net zo’n raadsel als eerder voor Toni en Teo Storm, al is „Clandestiene streken op een cruiseschip” duidelijk voor oudere kinderen geschreven dan „De vierkante man”. En dat is maar goed ook, want oudere kinderen: ach, zijn we dat niet allemaal een beetje gebleven?
Het thema van illegale immigratie werd natuurlijk al eerder behandeld door Van der Heide, maar De Zwaan geeft natuurlijk wel een geheel eigen invulling aan het thema illegale emigratie; zo ontbreekt ook in dit deel de massale knokpartij niet (inmiddels zo’n beetje het handelsmerk van Peter); duidelijk is ook dat hij - in tegenstelling tot Van der Heide - alle plaatsen die hij beschrijft ook zelf heeft bezocht. Zijn schrijfstijl wordt per boek beter, dus wij hopen van ganser harte, dat deel 51 zeker niet het laatste Bob Evers-deel zal zijn!





Eeniederwelkeweg
Danny Engelman

Of ik nog even een gastcolumn wilde schrijven; maar dan wel binnen een week inleveren.
Foutloos, stijlvol of omgekeerd mocht ook. In de email stond iets over een brug slaan tussen de „Fab Four” uit Lenten en de „Fun Boy Three” uit Amsterdam.
Voordat ik kon antwoorden moest ik toch eerst even, enkele voor mij onbekende termen, opzoeken op Wikipedia. Ik ben nog-net-uit-de-sixties, dus die referentie naar de Beatles snapte ik wel.
En, voor de wat ouderen, Fun Boy Three was een ska-bandje dat tussen 1981 en 1984 nooit echt hits heeft gehad behalve dan dat ze met Bananarama het nummer „It Ain’t What You Do (It’s The Way That You Do It)” hebben gezongen; waarna deze Spice Girls avant la lettre in 1982 de natte droom werden van vele van mijn mannelijke leeftijdgenoten.
Lenten bleek een onbestaand dorp te zijn waar de „Fab Four” uit mijn jeugd, de tweeling Sielke en Hietske en hun vrienden Kees en Louis vele avonturen op het meer beleefden. Dat dorp was voor mij altijd naamloos gebleven maar volgens Wikipedia kreeg het in deel 51 (ook rond 1982!) de naam Lenten. Maar ja, alles na deel 42, „De Kameleon heeft succes”, heb ik nooit zo stuk gelezen als de delen uit mijn kinderjaren.
1982. Tot die tijd ging ik nog naar de bibliotheek om de Bob Evers-serie te lezen. Met als resultaat dat je begon met Nummerbord; en Goudschip las ná Caravan, waardoor er een mentaal beeld ontstond waarin de „Fun Boy Three” over de wereld reisden alsof het een treinreis naar Amsterdam was.
Om het beeld compleet te maken: in al die jaren had ik slechts de Friese wateren op mijn duimpje leren kennen. Daarom kon ik dat Lenten ook niet plaatsen. „De Kameleon op Reis”, waarin de „Fab Four” en boerenzoon Gerard met een praam een aantal van de Friese Elf steden bezoeken, was tot die tijd het boek geweest dat het meeste indruk op mij maakte.
In 1982 kocht ik de Zuidzeetrilogie omdat een beetje meer structuur en achtergrondinformatie wel gewenst was. Die zomer was een bootvakantie in de Biesbosch een fantastisch decor voor verhalen over het overleven op eilanden en hutten bouwen. Daarna volgde een aantal jaren boekwinkels afstruinen om de Bob Evers compleet proberen te krijgen. Aangezien ik toch in die boekwinkels kwam, nam ik mee waar ik jaren van genoten had. Zo bleef mijn Kameleon-verzameling compleet met eerste drukken. Ongelezen.
Aan het eind van de vorige eeuw, ik had inmiddels het door Beringen gecreëerde virus overleefd, kwam ik uiteindelijk in een situatie waarin ik mijn kennis van de „Fab Four” en de „Fun Boy Three” kon combineren.
Een goede bekende van me had zich nogal in de nesten gewerkt en zat in een situatie waarin Jan, Bob en Arie meermalen zaten: opgesloten!
Hij zat in zo’n hokje met een plastic matras op de vloer en een deur van het kaliber kelder-in-de-buurt-van-San-Francisco. Zijn eigen „Hotel California”. Natuurlijk groot gemaakt door een geheel andere Fab Four; hoewel de echte kenners zullen claimen dat dat nummer geïnspireerd is door „We used to know” van Jethro Tull.
Ik laat me afleiden, maar voor de toepasselijkheid het laatste couplet:
                              Each to his own way I’ll go mine
                              Best of luck in what you find
                              But for your own sake remember times
                              We used to know


Daar zat die vriend van mij dan. Met een manische kop vol verhalen over briljante ontsnappingen naar Luxemburg.
En ik met een redelijk helder hoofd vol Bob Evers-kennis over ontsnappingen. Om iedere hoop direct teniet te doen: er was zelfs geen waterkraan!
Ik heb mij een paar dagen blind gestaard op een oplossing die toch zo simpel was. De derde dag nam ik in mijn onschuld „Bombarie om een Bunker” voor hem mee. Ik vond de titel wel toepasselijk. Maar dat mocht ik niet overhandigen. Het hele argument waarom mijn vriend in dat kamertje moest blijven was: „Geen prikkels”. En Bob Evers stimuleerde de zintuigen teveel, aldus de gastheren.
Dus was er maar één soort boek mogelijk.
De volgende dag nam ik „De Kameleon helpt altijd” mee en dat mocht wel door mijn vriend gelezen worden. Dat de cover (Kees met 2 kartonnen kokers om z’n armen die over de dijk rent) een stille hint was naar de kleding die mijn vriend droeg, vond ik zelf wel toepasselijk.
Later mocht ik hem wel een Bob Evers-verhaal toespelen; uiteraard werd dat „Tumult in een Toeristenhotel”. Mijn vriend is na een paar weken vrijgekomen. Hij blijft nog altijd beweren dat De Kameleon hem destijds geholpen heeft. Ik laat hem maar in die waan en geef hem sindsdien elk jaar maar een paar ongelezen Kameleon-exemplaren uit mijn verzameling voor zijn verjaardag.
Het is voor mij dus niet 3 OF 4 maar gewoon „The Magnificent Seven” en altijd weer een Zevensprong waar je een deel uit de ene of een deel uit de andere serie voor kunt kiezen.





Kleine foto-impressie van de presentatie van „De muze en de misdaad
Roger Schenk


Midas Dekkers verkondigt met veel aplomb dat „De muze en de misdaad” een bestseller zal worden.

Paul van den Hout is zichtbaar gevleid door Midas Dekkers’ lovende woorden.

Magnifiek muzikaal intermezzo.

De auteur leest voor uit eigen werk.

Het onvermijdelijke signeren.

Afterparty in een aanpalend café in de Jordaan, waar iemand die hoorde dat ik van het Bob Evers Genootschap én classicus was, spontaan een ode van Horatius én het gedicht „Dodenakker” van Rawie en Van Wissen (zie hieronder) begon te declameren!






Dodenakker / Overleden in 1985
Jean Pierre Rawie & Driek van Wissen

Onderstaand gedichtje staat ook in: Kleppe, Hans & Ton, „Wetenswaardigheden over Willem Waterman”, Papendrecht/Dordrecht 1995 1, 2003 2, p. 127, maar is tot nu toe nooit gepubliceerd in de Bob Evers Nieuwsbrief. Om u de moeite van het opzoeken te besparen volgt het hier dan eindelijk in Nieuwsbrief-verband:

Willy van der Heide alias Sylvia Sillevis alias Victor Valstar alias
Willem W. Waterman alias Willy Waterman (1915-1985)

Gil om gerechtigheid!
Willem W. Waterman:
‘Ik propagandaknecht
Der NSB??

Ik was langjarig in
Konzentrationslager,
Wijl ik onschuldig ben.
Heil en Houzee!‘






„MEIN KAMPF” werd „MIJN KAMP”
(Uit die hele bekende dichtbundel)

Willem W. Watervrouw

En nu we toch bezig zijn: al op 14 mei 1948 verscheen in het tijdschrift Kiekeboe een soortgelijk hatelijk gedicht:

Ik hield van de Führer, vocht bij de S.S.
Maar die ging door de Yankees finaal op de fles
Ik dook, doch ik kuierde tegen de lamp.
Nu ben ik de klos, want „Mein Kampf” werd „mijn kamp”

Eens werd ik getest op Germaans zuiver bloed
’t Stond onder mijn oksel: ’t was prima, ’t was goed
Maar die bloedgroepinscriptie voltooide de ramp
Dat ding kon niet liegen: „Mein Kampf” werd „mijn kamp”

Zeg, Führer, waar blijf je nou met je gebral?
Met je Sieg en je Heil, met je „fahren” vooral?
Jij ging hasjewijne, ik zit met de kramp
’k Vergeef ’t je nooit, want jouw „Kampf” werd mijn kamp.

                      WILLEM W. WATERVROUW
                                 (die hele verkeerde)



Hoek van een kamp voor politieke delinquenten in ons hele vrije Nederland.






Onder het vergrootglas (nieuwe serie 9) : 2011
Geerten Meijsing

Deze aflevering van Onder het vergrootglas zou beter onder de noemer In de kristallen bol passen, want ditmaal neem ik geen passage onder de loep, maar wil ik in de toekomst kijken. Een alternatief scenario voor wat de jongens - praktische HBS’ers en nadrukkelijk geen gymnasiasten, waar het Jan en Arie betreft, en Bob zal op het eind inmiddels wel op een of ander college hebben gezeten na de high school - na hun schooltijd hadden kunnen gaan doen. Neemt u er voor het gemak de serielijst er even bij, zoals die in de nieuwere versies staat afgedrukt op de copyright-bladzijde.
          Daarbij ga ik nog steeds uit van mijn oude hypothese dat deel 25, „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen”, door Willy van der Heide als slotdeel van de serie was bedoeld. Daarvoor staan genoeg aanwijzingen op de eerste bladzijden van dat herfstige deel. De drie vrienden duiken weer in Nederland op, na een hele reeks Amerikaanse avonturen (deel 16 t/m deel 24) - Amerika, waar Jan en Arie van hun ouders na hun eindexamen naar toe mochten, zoals verschillende malen beloofd wordt. Dat klopt ook wel, want in die Amerikaanse delen moeten de jongens al flink uit de kluiten gewassen zijn, en droog achter de oren. Het gaat er ruig aan toe: eerst op de Atlantische Oceaan, en dan in New York, op Trinidad, in Californië, Mexico, Panama, Pittsburgh, tot aan Hong-Kong toe. Overigens is dat Hong-Kong-deel (24) een van de zwakste uit de serie, alsof de schrijver duidelijk geen zin meer had.
          Voor deel 25 maakt Van der Heide nog één keer zijn borst nat, in mijn theorie. Hier is Bob weer met vakantie bij zijn Amsterdamse vrienden, maar de dreiging dat hij weer terug moet om bij zijn vader in Pittsburgh in de fabriek te gaan werken hangt boven zijn hoofd.
          „Luister nou es, Bob - je wist van tevoren dat je naar Amerika terug zou moeten, etc.” En twee alinea’s verder zegt Jan:
          „Voor mij ánders? Voor mij zijn de avonturen ook afgelopen, net als voor jou. De drie vaders van ons hebben dat onderling bekokstoofd en die trekken één lijn. Jouw pa in Pittsburgh - en de pipa’s van Arie en mij hier in Amsterdam. Ik moet naar de Technische Hogeschool in Delft en Arie gaat in de rederij van zijn vader.” En Jan voegt daar twee alinea’s verder aan toe:
          „... Je moet het maar zo bekijken, Bobbie - we hebben een massa avonturen samen beleefd, genoeg om 24 boeken van die gekke Willy van der Heide mee te vullen en nu komt de ernst des levens.” Vijfentwintig delen, een mooi afgerond getal. Ongetwijfeld op aandringen van zijn uitgever, en misschien ook op verzoek van Peter Schilperoort voegt Van der Heide daar nog als uitsmijter een curieus, maar buitengewoon geslaagd en muzikaal 26ste deel aan toe: „Stampij (sic) om een schuiftrompet”. Slotakkoord: het doek kan vallen.
          Maar nee: rap daarna, en in diezelfde periode (Bob is nog steeds niet terug naar Amerika) gaan ze, wederom om „een klusje” voor Pa Roos op te knappen, weer op avontuur in de schitterende trilogie over de kunstschatten uit de bunker. Voor het eerst is hierin een prachtige rol voor de oude Roos weggelegd, zoals in het begin van de serie de Kolonel een bijrol mocht spelen. In het begin van het 29ste deel, „Ali Roos als Arie Baba”, is Van der Heide nog op zijn best, maar het boek eindigt teleurstellend, en laat de jongens onduidelijk achter, ‘hangend’, zonder toekomst.
          Daarna - uitgever en publiek kunnen er kennelijk niet genoeg van krijgen - wordt Bob ‘definitief’ naar huis teruggeroepen, maar eerst moeten ze nog „een klusje’ voor de vader van Bob opknappen in Honolulu, hetgeen een buitengewoon waterig en slap deeltje oplevert. Nu zou het echt afgelopen moeten zijn; de jongens kunnen niet eeuwig in een post-examenperiode vrij blijven rondlopen zonder ouder te worden.
          Hier valt de echte breuk, want ik heb het altijd bijzonder onbevredigend gevonden dat Arie Roos geheim agent zou worden. Wat nu? Zijn ze plotseling alle drie privé-detective geworden, al of niet in dienst van de FBI? Maar dat gaat zomaar niet! De volgende delen, 31, 32 en 33, zijn dan ook rommelig en onduidelijk. Dat wil zeggen: de status en de leeftijd van de jongens is niet goed gedefinieerd. Het hangt een beetje in de lucht allemaal. Deel 33 is ook pas later afgemaakt.
          Zoals bekend zitten er jaren tussen deel 33, en de later, op aandringen van het BEG geschreven delen 34 en 35, die oorspronkelijk bij Unieboek verschijnen (dat contact was ook door het BEG gelegd), vele jaren waarin Willem Waterman niet meer aan de serie dacht, behalve in juridische termen om onder het contract van
Uitgeverij De Eekhoorn (wat een infantiele naam voor een uitgeverij van zulke volwassen prachtboeken!) uit te komen. Die twee nieuwe delen zijn beslist geen jongensboeken meer en zijn ook geschreven in een veel ruiger idioom. De oubolligheid die je nog met name aan de eerste zeven delen zou kunnen toeschrijven is geheel verdwenen. Een derde deel in die nieuwe serie, „Kloppartijen in een koelhuis” (wat zijn in hemelsnaam „kloppartijen”?), heeft Willem evenmin afgemaakt. Ook in deze delen is de vrije tijd en de beroepsstatus van de jongens moeilijk te verklaren - het moeten nu echt wel stevige jongemannen zijn.
          De rest van de geschiedenis zal geschreven worden door Peter de Zwaan.

          Nu vraag ik mij af: is het aannemelijk dat onze vroegere jeugdvrienden hun hele leven doorgaan met knokken, rauzen en geld wolven? Wat een raar wereldbeeld moeten ze dan ontwikkeld hebben! Ze lijken wel een stel huursoldaten voor eigen rekening geworden. Hebben ze dan geen greintje sociaal besef of politiek geweten ontwikkeld, onze drie Robin Hoods? Het is bepaald niet het geval dat ze altijd voor de (of een) rechtvaardige zaak op oorlogspad gaan.
          Ik weet niet hoe andere lezers het ervaren, maar voor mij blijft dit onbevredigend. Hier en daar, op een enkele plaats, wordt in de latere delen nog wel eens flink op Amerika en de Amerikanen („Het zijn net apen”) afgegeven, en dit terwijl de serie oorspronkelijk, vlak na de oorlog, begonnen was vanwege het appeal dat Onze Bevrijders toen nog genoten. Maar over het algemeen lijkt het erop of de wereld om hen heen niet verandert, of ze zelf niet veranderen, of ze geen ontwikkeling doormaken, kortom: de boel staat stil. Er ontbreekt iets, en dat begint geleidelijk steeds meer afbreuk aan de geloofwaardigheid van de figuren te doen.
          Het had, misschien, ook heel anders gekund. Normaal gesproken - en nu weet ik wel dat er veelvuldig op gehamerd wordt dat het hier niet om ‘gewone jongens’ gaat, maar anderzijds maakt hun ‘gewoonheid’ ze zo innemend - normaal gesproken zou Jan inderdaad naar de Technische Hogeschool in Delft zijn gegaan. Arie zou zich tegen de wens van zijn vader verzet hebben en hij zou naar de universiteit zijn gegaan met al zijn slimheid, een van de exacte vakken, wis- of natuurkunde, wellicht econometrie. En Bob idem, in Amerika. Maar ze hadden beslist niet de door hun vaders voor hen uitgestippelde loopbanen gevolgd.
          En dan hadden de jongens wel degelijk oog gekregen voor de veranderingen in de wereld, de revolutie van de rockmuziek, de plotseling ingetreden seksuele vrijheid (meisjes zouden dan echt niet meer uit de boeken geweerd kunnen worden), de oorlog in Vietnam, de Twin Towers op 9/11, om de lijn naar het meer recente verleden door te trekken, zouden niet zomaar aan hen voorbij zijn gegaan. Het waren beslist geen carrière-mannetjes, de drie jongens, en Jan, degene met het grootste geweten en rechtvaardigheidsgevoel, zou bij de studentenonlusten betrokken zijn geraakt, bij voorbeeld, en altijd op de brug staan voor grotere sociale rechtvaardigheid, misschien zelfs met communistische sympathieën aanvankelijk, en tot verbazing van zijn vrienden zou hij op gegeven moment out gekomen zijn voor zijn homoseksualiteit, terwijl de brallerige Arie in tegenstelling bij het studentencorps zou zijn gegaan en een rechtse, alcoholistische corpsbal was geworden, die - net als Willem - alleen nog in de kroeg te vinden was. Het in de boeken minst ontwikkelde hoofdkarakter, Bob, zou dan een drop out zijn geworden, antimilitarist bij uitstek; hij zou zich bij de Diggers in San Francisco hebben aangesloten, en misschien wel tijdelijk aan de heroïne verslaafd zijn geraakt. Ik noem maar een paar mogelijkheden.
          Volgens een dergelijk toekomstvisioen hadden de boeken dan de relatie met de werkelijkheid van het dagelijks leven weer aangehaald. Willem Waterman zelf, ondanks zijn rokerige verleden, was echt wel bij de tijd. Op zijn manier omarmde hij de provo’s, en in ieder geval de seksuele revolutie. In letterlijke zin. Het hoofdkussen op zijn boot aan de Prinsengracht, gevuld met het afgeknipte toefjes schaamhaar van zijn vele liefjes (ik heb het zelf gezien), zij daar getuige van.







Nieuwsbrief 35

Nieuwsbrief 36
als pdf

Nieuwsbrief 37

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana