Nieuwsbrief nr. 37
ISSN 1386-6451
juli 2011 - 18e jaargang nr. 2



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe en Roger Schenk, buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieTon Kleppe & Roger Schenk
Column: De BElevingGert Huber
Erotiek in de Bob Evers-serieJohn Beringen
Perikelen rond een polisRoger Schenk
DixielandHans Schrijnder
Het BE-momentJohn Beringen
(Gast)column: Rembrandt van der HeideFrank Engelen
Kuierlatten langs Koperen KanonnenRoger Schenk
Twee gedichtenPaul van den Hout
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 10) :
Het avondschot
Geerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Ton Kleppe & Roger Schenk

Alweer zo’n leuk Oerbobje verschenen!
Inmiddels is het alweer twee jaar geleden dat Mark VenemaA Hold-Up in Mid-Air” het licht deed zien, onder de benaming Oerbobjes (zie Bob Evers Nieuwsbrief 33). Dankzij de welwillende medewerking van dhr. Stenvert van Uitgeverij De Eekhoorn en Leon Rousseau van de Afrikaans Pers-Boekhandel kon er in het afgelopen mooie voorjaar een tweede Oerbobje verschijnen: „Avonture in die Stille Suidsee”: inderdaad, de eerste van de drie Zuid-Afrikaanse Bob Evers-boeken, maar nu in pocketvorm.
Het bijzondere van dit boekje is dat er een voorwoord van Leon Rousseau, de man die de drie boeken indertijd in het Afrikaans vertaalde - of liever gezegd bewerkte -, in is opgenomen. De man leeft dus nog en is warempel door Mark Venema opgespoord. Hij is ook de schrijver van de Fritz Deelman-serie (waarvan vier delen in het Nederlands zijn vertaald, curieus genoeg als Frits Deelman); de vertaling van de drie Bob Evers-delen was voor hem daarbij een soort van „vingeroefening”. Het succes van de Fritz Deelman-serie stelde hem vervolgens in staat om samen met een vriend een eigen uitgeverij op te richten, Human & Rousseau, waarvoor o.a. de bekende anti-apartheids-activist Breyten Breytenbach schreef. Op de keper beschouwd staat Bob Evers dus aan de basis van het einde van de apartheid. Het moet niet gekker worden...
Inmiddels is de eerste druk van de pocket „Avonture in die Stille Suidsee” alweer uitverkocht, maar bij voldoende belangstelling is Mark Venema bereid een tweede druk te verzorgen; schroomt u daarom niet contact met hem op te nemen.


Leon Rousseau bij het 50-jarig bestaan van Human & Rousseau.
© foto: Books LIVE
.

De vuurwerkramp van Harmen Salinger”.
Zoals reeds in (o.a.) Nieuwsbrief 36 werd aangekondigd, is - eveneens in het hete voorjaar - een nieuwe thriller van Peter de Zwaan verschenen. De titel van het boek kondigt het al min of meer aan: het gaat over de ramp bij S.E. Fireworks in Peters woonplaats Enschede van 13 mei 2000. Het is een adembenemende thriller geworden, waarin de ondernemer Saliger de vuurwerkramp met beide handen aangrijpt om zijn eigen dood te ensceneren en ervan door te gaan.
Misschien is dit wel Peters beste thriller tot nu toe; en dit komt wellicht door het luttele feit dat alles zo lekker herkenbaar is, net zoals wij de Bob Evers-boeken die zich in Nederland afspelen, altijd grosso modo de beste hebben gevonden.
Diezelfde Peter de Zwaan kondigde, uitgerekend op de verjaardag van een van de redactieleden van de Nieuwsbrief op Facebook een onregelmatig verschijnende reeks aforismen aan, onder de veelbelovende titel Niksigheden. Alle Niksigheden zijn - en dat zal Jan Prins bijzonder prettig vinden - gratis en voor niks te lezen op Facebook, maar wij wilden u de volgende twee voorbeelden toch niet onthouden:
Ik zit nu drie weken op Facebook en heb meer dan 100 vrienden. Dat zijn er meer dan alle vrienden in de zes decennia voor Facebook bij elkaar. De meeste ken ik niet. Maar toch: vrienden. Helemaal vertrouwen doe ik het niet, maar als ik naar de foto’s van mijn vrienden kijk voel ik wel, heel vaag, iets van warmte.
En speciaal voor de Bob Evers-fan van het eerste uur:
Onderzoekster dr. Mirjam Tuk uit Twente heeft het uitgezocht: belangrijke beslissingen moet je nemen met een volle blaas. Wij, oudere mannen, hebben een prostaat. Daardoor een eeuwig volle blaas als basis voor onze beslissingen. Luister dus goed naar oude(re) mannen..

Bob Evers blijft populair (maar niet bij de jeugd).
Het woord Facebook is al een paar maal gevallen; welnu, laten wij het rustig nog een paar maal vallen!
Een paar weken vóór het verschijnen van deze Nieuwsbrief stelde redactielid Roger Schenk op Facebook de vraag: „Wat is de beste jeugdboekenserie?”. Inmiddels hebben meer dan 50 mensen in de leeftijdscategorie 17 tot 70 bijna 300 stemmen uitgebracht en bij het verschijnen van de onderhavige Nieuwsbrief is de top 10 als volgt:
1Astérix (Goscinny & Uderzo)26 stemmen
2Bob Evers (Willy van der Heide / Peter de Zwaan)24 stemmen
3Harry Potter (J.K. Rowling)19 stemmen
4Suske en Wiske (Willy Vandersteen)15 stemmen
5De Kameleon (H. de Roos / P. de Roos / Fred Diks)13 stemmen
Kuifje (Hergé)13 stemmen
7Jip en Janneke (Annie M.G. Schmidt)12 stemmen
8De olijke tweeling (Arja Peters)10 stemmen
Pietje Bell (Chr. van Abkoude)10 stemmen
10Pinkeltje (Dick Laan)9 stemmen

Voordelen van deze manier van vragen stellen zijn o.a. dat het niet alleen tot een beperkte kring van liefhebbers van een bepaalde serie met een bepaalde leeftijd beperkt bleef, dat mensen meer dan één antwoord konden geven, dat mensen die Roger níet kennen in zijn hoedanigheid als buitengewone Bob Evers-hotemetoot onbevangen en onbevooroordeeld kunnen antwoorden en dat mensen zelf antwoorden konden toevoegen.
Leuk aan deze manier van vragen stellen is dat ook een van de schrijvers van diverse jeugdboekenseries aan de beantwoording ervan heeft deelgenomen! Bescheiden als hij is, heeft Peter de Zwaan overigens niet gestemd op zijn eigen series als Tijger Tigran, Beer en Marc en Dubbelspel, hoewel die mogelijkheden er ook bij stonden; gelukkig heeft Onze Man uit Enschede wél gestemd op de Bob Evers-serie! Hij had het trouwens ook eens moeten wagen om daar niet op te stemmen...
Een eerste, voorzichtige conclusie is dat de jeugd van tegenwoordig wél nog de klassieke echte kinderseries als Jip en Janneke en Snuf de hond kent plus veel stripverhalen en de onvermijdelijke Harry Potter. Maar jeugdboekenseries als Bob Evers, Biggles, Karl May en Pim Pandoer zijn blijkbaar volkomen onbekend bij de jeugd; na de kinderboeken haakt men echt af! Misschien is het een soort kip-/ei-vraag, maar zegt u nou zelf: wanneer hebt u voor het laatst zo’n gloednieuwe roodgele pocket in de winkel zien staan? Het wordt tijd voor missiewerk, mannen (en vrouwen)! Genoemde honoraire hotemetoot heeft alvast voor een habbekrats een compleet setje roodgele Van Giffen-/Moriën-pockets gekocht van een collega en hij belooft bij dezen plechtig („Cross my heart and hope to die”) dat hij dit na de hopelijk lange en hete zomer in zijn lokaal tentoon gaat stellen, maar hij kan het niet alleen: de firma uit Oud-Beijerland moet de boeken weer de winkel in brengen!

Het Gissing-syndroom”.
Een andere ambassadeur van het gedachtegoed van Willy van der Heide (niet per se van dat van Willem van den Hout, laat dat duidelijk zijn), Geerten Meijsing, heeft bij Uitgeverij Flanor een boekje uitgegeven over de schrijver George Gissing (1857-1903), die Meijsing nogal intrigeerde.
In dit boekje helaas geen verwijzingen naar Bob Evers, en verschijnsel dat we uit andere werken van Geerten kennen, maar dat kon ook moeilijk anders omdat Gissing, een goede vriend van H.G. Wells, ver voor de geboorte van Willem van den Hout en Bob Evers overleden was. Ondanks deze „omissie” is „Het Gissing-syndroom” een uiterst leesbaar en vermakelijk boekje geworden!

Bob Evers leeft nog steeds!
Enige Nieuwsbrieven geleden werden onder dit kopje contemporaine tekenen van leven van Bob Evers aangegeven. Die hebt u enkele Nieuwsbrieven lang moeten missen; hieruit zou deze of gene wellicht de conclusie kunnen trekken dat Jan, Bob en Arie inmiddels een stille dood zijn gestorven. Niets is echter minder waar!
Op de website geenstijl.nl werd op 29 juni jl. onder het kopje „Mafkees” tegen conducteur kost 125 euro een hommage gebracht aan Kapitein Haddock (Kuifje), maar ook aan Bob Evers, De Kameleon en indirect ook aan de „Encyclopaedia Apriana”:
HEEEEEE! Flapdrol. Schobbejak. Clown. Malloot. Gekkie. Dombo. Sneumans. Slome. Jan Jurk. Chappie. Tinus Plotseling. Stommerd. Vieroog. Bolle. Lulletje Rozenwater. Addergebroed. Onderkruiper. Parvenu. Secreet. Helleveeg. Onnozelaar. Naarling. Verdorven sujet. Halve zool. Schertsfiguur. Boef. Koekwaus. Pannekoek. Natte tosti. Domme gans. Onderkruipsel. Misselijke vent. Mensaap. Rare Snijboon. Centenbak. Tuinbroek. Rare aap. Giftige slang. WC-bril. Gebochelde frikandel. Ezel. Flauwerd. Kaaskop. Gladjanus. Vlerk. Haaibaai. Scharminkel. Schuinsmarcheerder. Dakhaas. Luilak. Paardenl*l. Druiloor. Kloothommel. Knurft. Baviaan. Patjepeeër. Lapzwans. Pinda. Jandoedel. Uilskuiken. Poepchinees. Oelewapper. Gehaktbal. En verder ALLE scheldwoorden en krachttermen uit de Kameleon-boeken, de Bob Evers-serie en Kuifje-strips. Mensen in het Openbaar Vervoer en in de Rest van Nederland PAS ER MEE OP (mirror). Stelletje mafkezen.

Abonnement?
Met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk bereiken de redactie mailtjes van Bob Evers-liefhebbers die schreeuwen om een abonnement op de Bob Evers Nieuwsbrief, toezending ervan per email, brief en/of kleitablet. Welnu, beste liefhebber, dat is in dit digitale tijdperk helemaal niet meer nodig! De Nieuwsbrief, door de vele afbeeldingen te omvangrijk voor uw mailbox - of die van uw baas -, is gratis en voor niets als pdf te downloaden of online in te zien; ze verschijnt tweemaal per jaar, in januari en in juli!

Naast de bekende column Onder het vergrootglas van de hierboven genoemde Geerten Meijsing en de vaste column van Gert Huber, treft u in de onderhavige Nieuwsbrief een gastcolumn van Frank Engelen, een BE-moment van John Beringen, twee nieuwe gedichten van Paul van den Hout, een verslag van een fan-bijeenkomst in Alkmaar, Peter de Zwaan in geld uitgedrukt (of: de vraag of het niet eens tijd wordt uw verzekeringspolis te herzien) en - eindelijk! - het artikel waar iedereen al sinds Nieuwsbrief 1 op zat te wachten, „Erotiek in de Bob Evers-serie”, aan.

Ook in 2012 zal er weer een Nieuwsbrief verschijnen! We tellen dan - in januari volgend jaar - alweer nummer 38.
En het mooie is dat iedereen zijn of haar steentje kan bijdragen: stuur die bijdrage uiterlijk in december 2011 naar nieuwsbrief@apriana.nl.






De BEleving
Gert Huber

Je hebt periodes waarin het Bob Evers-gevoel sterker is dan in andere. Dat kan komen door herlezing van het erfgoed, het uitwisselen van het van der Heide-gedachtegoed met anderen of door prikkels ten gevolge van herkenbare situaties of omgevingen. In mijn geval kwam vooral dit laatste het afgelopen half jaar nogal eens voor.

Het begon in de zomer, toen ik bij toeval van de Kaag naar Lelystad moest varen en dus een groot stuk uit de Grimbos-zoektocht aflegde, waarbij onder meer bekende namen als de Ringvaart Haarlemmermeer, de Nieuwe Meer en zijdelings de Stadionsluis werden aangedaan - daarna week mijn koers van die van Jan en Bob af door de Kostverlorenvaart naar het IJ.

Is dit parcours op zich al genoeg om de geest op BE-golflengte te krijgen, grinnikend bij de gedachte aan de miskleun „zwart als spek” uit de Motorboot; varend langs Schiphol wordt dit nog intensiever door de herinneringen aan het eerst gepubliceerde boek uit de serie, de Overval, en dan vooral aan de vele mallotigheden in dit deel. Natuurlijk zitten er tamelijk veel fouten en onwaarschijnlijkheden in alle boeken, zonder dat dit de leesbaarheid in ernstige mate vermindert, maar in de Overval is dit naar mijn mening wel heel erg. Er stijgt een vliegtuig voor zestien passagiers op dat dan weer vier, dan weer twee motoren heeft en er wordt aangekondigd dat er geland wordt op „het vliegveld van Schiphol” in plaats van op Schiphol of op het vliegveld van Amsterdam - je spreekt toch ook niet van „het vliegveld van Heathrow” - en het gehucht Heathrow is dan nog aanmerkelijk makkelijker te vinden dan het gehucht Schiphol. Het toppunt wordt bereikt bij het laten landen van een bommenwerper in het rulle zand, of desnoods op de rotsachtige bodem, van de onbekende Kalahari - en de piloot slaagt er nog in om weer op te stijgen ook, voorwaar een sterk staaltje!

Als het boek uit is, blijven we nog zitten met losse eindjes als de niet uitgewerkte relatie tussen Winstone en Marsh en het viersterrenkaartje van Anderson, dat we later ook niet meer tegenkomen, en ook blijven we in onwetendheid over het begin van de zoektocht naar de papiertjes en hoe Bob daarbij betrokken werd, al helpt het lezen van „De erfenis van een zonderling” natuurlijk wel.

In de herfst dan noopten nostalgie en regen mij het aloude Goude Hooft te betreden, van buiten nog steeds goeddeels als in de jaren vijftig, maar binnen zich nauwelijks meer onderscheidend van andere etablissementen waar Hagenaars, toeristen en een enkele intellectueel zich aan koffie en gebak tegoed doen; de sjofele bediening spreekt er gebrekkig Nederlands en om de hoek, in de Hoogstraat, vind je geen Cécile meer. Maar als ik mijn ogen dichtknijp, zie ik Waterman op het terras zitten, zijn gebral weerkaatst door de passerende lijn drie.

En tenslotte las ik kortgeleden een verhaal van F.B. Holz, en ook deze schrijver is van der Heide-gerelateerd: hij was begin jaren vijftig trombonist in onder meer de Dixieland Pipers, een orkest dat meermalen in het trombone-avontuur genoemd wordt. Het jaar wordt tenslotte geheel in sfeer afgesloten als ik in dit verhaal lees dat de muzikant in kwestie na een avondje stappen een snack haalt uit de automatiek - juist, die op de Laan van Meerdervoort.





Erotiek in de Bob Evers-serie
John Beringen

De betekenis van het woord „erotiek” wordt op verschillende manieren omschreven. Net als het woord „literatuur” blijkt de inhoud van het begrip erotiek sterk afhankelijk te zijn van de verschillende invalshoeken en veelal persoonlijke interpretaties. En die zullen beslist allemaal een zeker bestaansrecht hebben: voor de één zal een vriendelijke vrouw met mooi gekapt haar en gekleed in een leuk mantelpakje al erotisch kunnen ogen, terwijl dat bij de ander pas het geval is als de dame in kwestie gekleed is in weinig verhullende bikini. Ze hebben beiden, ieder vanuit hun individuele perceptie bezien, natuurlijk gelijk, maar zullen het samen nooit hierover eens worden. Maar laten we één omschrijving nader belichten:

„Te gebruiken voor de emotionele, intellectuele en fysiologische toestand van een seksuele opwinding. Wordt ook gebruikt voor het kunnen inspireren van een dergelijke opwinding door middel van suggestie, symboliek of toespeling.

In het cursief gedrukte gedeelte, zijn de drie laatste aanduidingen, „suggestie”, „symboliek” en „toespeling” interessant. We kunnen hierover iets bespeuren in de avonturen van Bob en Co. We gaan hiervoor naar „Tumult in een toeristenhotel”, bladzijde 27.
Het blonde meisje - en geen lelijk meisje ook, zag Arie nu - schoof over de zitting naar hem toe, opende het portier en sloeg met de hand op de zij- en borstzakken van Arie’s sportpak.
Het valt Arie op dat het geen lelijk meisje is (het is dan trouwens nog vrij donker ook). Waarom deze aanduiding? Wat voegt het toe aan de rest van het verhaal? Ineens blijkt Arie hier oog voor te hebben en dan ook nog eens bij een vrouw die hem nog geeneens gunstig gezind is.
Ook bij Bob zien we op zeker moment iets gebeuren in „Sensatie op een Engelse vrachtboot” op blz. 96:
„Okido,” stemde Lois in. „Ik ben voor alles te porren.”
„Jij bent het eerste meisje, dat ik ken, dat niet zeurt of zanikt.”
Lois lachte; haar stem klonk prettig in het donker.
„Dat is een reuze compliment voor een jongen van de HBS.”

Deze dialoog roept meteen al veel vragen op. We bekijken de zin: Lois lachte; haar stem klonk prettig in het donker. Daar hier specifiek wordt verwezen naar „haar stem” moet hetgeen prettig klonk te maken hebben met iets wat ze zegt of gezegd heeft, anders had er wel iets gestaan als: Lois lachte; het klonk prettig in het donker. Aangezien hetgeen ze zou opmerken over het „compliment”, waarmee ze zou reageren, een wat snerende plaagstoot is, kan er alleen maar verwezen worden naar „Ik ben voor alles te porren.” Toegegeven: als een meisje zoiets zegt, dan kan het een wat spannende lading krijgen als degene die het aanhoort het in een ruimere context plaatst dan die waarbinnen dit gezegd wordt. En waarom klinkt dit prettig in het donker? Bij klaarlichte dag zou haar stem precies hetzelfde geklonken hebben. Mogelijk heeft het een beetje te maken met „de kat in het donker knijpen”. De ander kan in het donker jouw reactie (blozen?) niet zien. Het is duidelijk dat Bob hier heel even gecharmeerd was van Lois. Zijn opmerking over „het eerste meisje” wordt door Lois beantwoord met haar uitspraak over het „reuze compliment” dat feitelijk inhoudt: „O ja, wat zal jij veel ervaring met meisjes hebben.” Dit blijkt dusdanig pijnlijk correct te zijn dat Bob het (enigszins in verlegenheid gebracht) maar snel over een andere boeg gooit door te brommen: „En schiet nou op, of ik neem het terug.” Het kleine sprankje romantiek dat heel even op gang leek te komen, was hiermee voorgoed uitgedoofd.
In „Een klopjacht op een kapitein” gedraagt Jantje Prins zich als een soort travestiet door een jurk van Lottie aan te trekken. Het hoe en waarom hieromtrent wordt overigens keurig verklaard. Het is Arie die op zeker moment zegt: „Dit is de eerste keer van mijn leven dat ik achter een meisje aanloop.” Hij doet hiermee voorkomen of dit iets heel vreemds en ongewoons is, terwijl hij op dat moment toch al rond de twintig jaar oud moet zijn. Waarom dit zo benadrukken? Is Arie soms homoseksueel? De grappig bedoelde kreet heeft een beetje een wonderlijke lading. Om een mooi stukje humor op te roepen, had Willem ook kunnen kiezen voor een uitspraak in de trant van: „Maak je maar niet ongerust, want ik kom vlak achter je aan. Sterke mannen moeten zwakke vrouwen tenslotte beschermen, nietwaar?”
Een passage die stemt tot nadenken, is te lezen in „Pyjama-rel in Panama” op blz. 39. Het gaat over de persoon Kroeshaar die een blaadje kocht met daarin afbeeldingen van filmsterren in badpak. Er staat woordelijk: „maar die zagen er zo heerlijk koel uit dat hij het er alsmaar warmer van kreeg.” Mja... Kroeshaar is een man die geboren en getogen is op het Zuid-Amerikaanse continent, dus (zo zou je zeggen) wel wat hitte gewend is. Daarbij moet je tevens het feit in ogenschouw nemen dat hij redelijk warmbloedig zal zijn geweest. „Het warmer krijgen omdat die dames er zo koel uitzagen,” is dan ook een beetje onlogisch. Ik vermoed dat de beste man wat last kreeg van zijn hormonen waardoor zijn lichaamstemperatuur wat opliep...





Perikelen rond een polis
Roger Schenk

Zo af en toe steekt de kritiek op Peter de Zwaan weer eens de kop op. De gustibus non est disputandum, zei men dan vroeger en daarmee was dan de kous af. Toegegeven, de man is géén Willy van der Heide, maar is dat nou zo’n probleem? Per slot van rekening was de Willy van der Heide van 1973 („Bob Evers belegert Fort B”) óók niet de Willy van der Heide van 1953 („Een motorboot voor een drijvend flesje”). Feit blijft wel dat Peter de Zwaan er in zijn eentje voor verantwoordelijk is dat er een Bob Evers Mailinglist, een Bob Evers Nieuwsbrief, een „Encyclopaedia Apriana” en buitengewoon honorair leden van het voorheen sluimerende Bob Evers Genootschap bestaan, kortom: voor het feit dat Bob Evers nog steeds leeft! Feit blijft ook dat Peter de Zwaan keer op keer met zijn thrillers bewijst dat hij goed kan schrijven; connaisseurs nomineren hem steevast voor de Gouden Strop, een prijs die hij ooit zelfs gewonnen heeft. Dat is welgeteld ook exact één prijs meer dan Willy van der Heide ooit gewonnen heeft; die heeft zelfs diens eigen „Professor Gil-prijs” nooit gewonnen!
Zo af en toe steken de sterke verhalen over de prijzen van sommige Bob Evers-deeltjes van de hand van Peter de Zwaan de kop op.
Als we beide zaken nu eens met elkaar vergelijken, kunnen wij de waarde van Peter de Zwaan misschien in geld uitdrukken.
Bron: bol.com; steekdatum: 23 mei 2011.
Op genoemde datum werden de volgende Bob Evers-boeken aangeboden:

Nr. Titel Aantal
aangeboden
boeken
Gemiddelde
prijs
33 Een zeegevecht met watervrees (volt.) 4 € 21,54
34 Bob Evers belegert Fort B (bew.) 2 € 19,48
35 Arie Roos als ruilmatroos (bew.) 1 € 19,95
36 Kloppartijen in een koelhuis (volt.) 2 € 18,00
37 Superslag in een supermarkt 7 € 10,49
38 Een festival vol verwikkelingen 6 € 15,51
39 Bouwbonje om een staalskelet 10 € 9,37
40 Schermutselingen bij een zandafgraving 7 € 13,99
41 Bakkeleien in een Berlijnse bios 3 € 41,48
42 De Stripman van Słubice 2 € 20,00
43 Bizarre klussen met vakantiebussen 5 € 17,60
44 Raadselrellen rond een rondreis 3 € 19,51
45 Listige loeren in Las Vegas 2 € 20,75
46 Feestelijke veldslagen in San Antonio 2 € 74,95
47 Arie Rose als reserve-acteur 8 € 20,14
48 Grof geschut op Schateiland 4 € 28,21
49 Maxibotsing op een minibaan 3 € 20,50
50 Rumoer in een rustgebied 1 € 95,00
50 Rumoer in een rustgebied (jubileumeditie) 2 € 162,50
51 Clandestiene streken op een cruiseschip 1 € 10,00

Een snel rekensommetje leert ons dat een complete De Zwaan-/Bob Evers-serie gemiddeld € 658,97 waard is! Bij het samenstellen van dit lijstje heb ik geen rekening gehouden met de diverse drukken; ik kan me zo voorstellen dat de prijzen van de eerste drukken nog iets hoger liggen. Dat de prijzen van de „De Zwaan-delen” zo snel zo abnormaal hoog zijn, heeft twee oorzaken: ze hebben ten eerste maar relatief kort in de winkel gelegen, zeker als je ze vergelijkt met de „omlooptijd” van de „Van der Heide-delen”; ten tweede worden de prijzen in sneltreinvaart opgedreven door de klassieke Bob Evers-fan, die pas later, door allerlei wonderlijke toevallen, in de gaten heeft gekregen dat de serie ineens niet meer ophield bij deel 32, maar dat er nog 19 nieuwe delen bestaan...
Met dat al: wordt het niet eens hoog tijd om jullie verzekeringspolissen aan te passen?





Dixieland
Hans Schrijnder

In De Oud-Rotterdammer van 10 augustus jl. las ik het artikel ober de Bob Evers-serie. Ik woon niet in Rotterdam, vandaar een wat vertraagde reactie.
Als leerling op de lagere school (1954 - 1958) hadden we (alle) delen. Ik verslond ze. Op wat latere leeftijd werd ik fan van de dixielandmuziek, m.n. de Dutch Swing College Band. Dat deed me herinneren aan „Stampij om een schuiftrompet”.
Ik ging op zoek naar het boek en ik vond het gebonden exemplaar. Het is (tot nu toe) het enige boek dat ik van de Bob Evers-serie bezit.
Ik heb het naderhand diverse malen gelezen en steeds opnieuw gelachen over de opkomst van de band in achtervolging van de diamantdieven en de drie jongens. De band ging spelen in een volgorde die ze nog nooit hadden gespeeld.
Ik heb veel concerten van de DSC bezocht en steeds opnieuw deze scène voor mij gezien. Vanavond nog zet ik een LP op uit de 80-er jaren, even weer Bob, Arie en Jan voorbij laten komen.
Succes met jullie nieuwsbrief en andere activiteiten.
Ik ga jullie volgen.





Het BE-moment
John Beringen

Bob Evers-lezers hebben het vaak over „Het Bob Evers-gevoel”. Wat dit inhoudt, hoef ik niet uit te leggen; bovendien zal iedereen individueel daar weer wat anders onder verstaan. Soms maak je een „BE-moment” mee. Dat overkwam mij dus in november of december 1989. Ik logeerde toen een weekeindje bij vrienden in Amsterdam. En wat gebeurt er dan als je op een zaterdagavond met een stel jonge knapen bij elkaar zit en de stemming zit er goed in? Dan wil men gaan stappen. Nou zat ik daar niet echt om te springen, maar als er over wordt gestemd en de uitslag is drie voor en één tegen, dan is dus democratisch besloten dat er wordt gestapt. Punt uit. En ik moet zeggen dat het eigenlijk ook wel leuk was. We waren al in verschillende kroegjes geweest en één van die knapen (we waren met ons vieren) wist nog een veel leukere tent. Ik weet niet meer of we nou naar het Rembrandtplein moesten of er juist vanaf liepen, maar iemand wist een kort weggetje binnendoor. Het voerde door een smal steegje dat slecht verlicht was. Op een gegeven moment lagen we bijna allemaal languit door iets wat midden in die steeg lag. Het bleek een koffer te zijn. Een meter of twintig verderop, onder het licht van een lantaarn, konden we het ding beter bekijken. Het was geen varkensleren koffer, maar een model vervaardigd uit grijs skai. Diagonaal, echt van hoek tot hoek, was aan één kant een enorme jaap te zien. Er bleek echter nog van alles in te zitten. Achtereenvolgens kwamen de volgende zaken te voorschijn:
een soort cape met gekleurde sterren als motief;
een wijde broek in het model „tuinbroek” met verticale rood/witte strepen en bretels in de driekleur;
diverse pruiken;
een onduidelijk gewaad dat een discussie op gang bracht omtrent de vraag hoe het gedragen diende te worden;
en nog veel meer kledingstukken die een normaal mens in het dagelijkse leven niet zal dragen.
Het mag duidelijk zijn: de koffer was natuurlijk door de één of ander ergens achterover gedrukt, aan een kant open gesneden en doorzocht. Als er iets kostbaars in had gezeten zoals bijvoorbeeld een videocamera, dan was die natuurlijk verdwenen. Ik voelde me er behoorlijk ongemakkelijk bij, want die drie knapen hadden de grootste schik als er weer een exotisch kledingstuk tegen het licht werd gehouden. Toevallig was ik de oudste (en de minst beschonkene) van het stel en dan ben je toch een soort „primus inter pares”. Mijn bezorgdheid nam in flink tempo toe toen een van die knapen de tuinbroek over zijn eigen kleding aantrok (het was een beetje wringen, maar het lukte) en er pruiken werden opgezet. De koffer met de resterende kleding werd over een muur gegooid, hetgeen werd aangemerkt als een buitengewoon goede daad omdat nu tenminste niemand meer het gevaar liep dat hij of zij de nek zou breken. Op naar de volgende kroeg.
„Luister eens,” begon ik, „straks blijkt dat die koffer bijvoorbeeld van Freek de Jonge is en dat die uit Carré is gestolen. En als dan de politie rondrijdt en uitkijkt naar iemand met een koffer of gehuld in opvallende kleding dan kun je nog lol beleven. Klets je er dan maar even uit. En helemaal als er bijvoorbeeld een videocamera van tweeduizend piek in die koffer heeft gezeten.”
Ja, daar had ik wel gelijk in. De tuinbroek werd weer uitgetrokken en aan een deurknop geknoopt en de pruiken werden ergens in een brievenbus gepropt. De stemming was er niet minder op geworden. Terwijl we onze voettocht vervolgden, liepen de drie knapen nog na te lachen; ik lachte mee. Niet omdat ik het nou zo’n reuze-mop vond, maar omdat ik bijzonder opgelucht was. Onderwijl moest ik denken aan een scène uit „Arie Roos als ruilmatroos”. Wat voor gekkigheid iemand ook op papier zet... op een gegeven moment maak je gewoon iets soortgelijks mee.





Rembrandt van der Heide
Frank Engelen

Dat Willem kon schrijven is een waarheid als een zeekoe. Maar dat Willem minstens net zo goed kon schilderen is een feit dat werkelijk overal uit de boeken druipt als Californische plastic lakverf uit een filmsterrenhaardos. Een penseel hanteerde de man natuurlijk nooit, want schilderen deed hij gewoon met de pen. Wenkelbach, toch een meester in het neerzetten van paarse kurkentrekkers en geknakte juffrouwen, was er een ploeterende kleuter bij.

Het is haast ondoenlijk om een keuze te maken uit de penseelstreken die in de boeken in groter getale aanwezig zijn dan sproeten op het Noordelijk halfrond van de heer Roos. Daarom maar even de omgevallenboekenkastmethode gehanteerd:

... Mexicaan die een bruinpapieren sigaret in één mondhoek had hangen, een fel-witte geelzijden halsdoek droeg in een bleekgewassen blauw hemd en verder keek of hij in zijn eigen moedertaal niet eens tot nul komma zeven kon tellen.


Een Kunstgreep een Rembrandt of Willem de Kooning waardig! Een fel-witte geelzijden halsdoek... puur licht schilderen, maar dan met woorden. De halsdoek is geel, maar licht fel-wit op in de Mexicaanse fel-wit-geelbrandende zon. Een prul-bloembollenpublicist zou de Mexicaan een gele halsdoek hebben gegeven en een loodgrijs hemd. Willem niet. Willem gebruikte bleekgewassenblauw als een Meesterlijke Metafoor voor een loeihete loodgrijszinderende lucht. Meesterlijk!

De van boven geziene zee schitterde zilverblauw - met het soort kleur van een haringrug. [ ... ] Een witgeverfd vrachtschip met lange, rood-bruine roeststrepen langs de romp koerste schuins...


Haringrug ... Rood-bruine roeststrepen ...

[... magnoliastruiken ...] De rij struiken, waar dat groenig licht doorheen filterde, was te ijl om het soort plantendoolhof te vormen waar men als een haas in kan schieten en zich daarna schuil houden, maar alras bleek, dat een betere mogelijkheid opdoemde, want achter dat ijle scherm van tulpen en bomen lag, een meter of dertig van de boulevard, achterwaarts, een lichtgroen geverfd, twee verdiepingen hoog gebouw met een plat dak waarvan de gevel helder beschenen werd door schijnwerpers onder aan de daklijst bevestigd.


In één zin (maar wat voor een zin ...) staat er hier een compleet schilderwerk. Je bent meteen ter plaatse.

Maar het kan nog fraaier. En hier benadert Willem werkelijk het genie van een licht- en donkerschilder als Rembrandt. Licht schilderen met het absolute minimum aan licht:

Een heel zwakke schemer drong naar binnen door de matglazen ruiten van de klapdeurtjes: reflex van het maanlicht dat buiten het plein bescheen.


Na het lezen van deze zin moge het overduidelijk zijn waarom al lang vergeten schrijvers als een Vestdijk, een Elsschot, een Van Amerongen of zelfs een Hotze de Roos dit niveau nooit hebben kunnen halen. Ze konden waarschijnlijk gewoon niet schilderen.





Kuierlatten langs Koperen Kanonnen
Roger Schenk

„Och, ik had misschien iets wilders verwacht dan een plaatsje, zo tam als Alkmaar,” aldus Arie Roos in „Nummer Negen seint New York”.
Dat Arie Alkmaar het predikaat „tam” ten onrechte verleende, wilden Dolly Rijlaart en Danny Engelman wel eens even bewijzen. Vandaar dat zij op 1 mei j.l. een Bob Evers-fanclubdag hadden georganiseerd in de kaasstad, onder de veelbelovende titel „Kuierlatten langs Koperen Kanonnen”. Even na het middaguur werd de Alkmaarse stations-Burger King (o schande der moderne tijden: waar is die mooie, ouderwetsche stationsrestauratie gebleven?) overspoeld door een horde leunstoelavonturiers, voornamelijk van de mannelijke kunne en voornamelijk getooid met grijs haar, áls ze überhaupt al getooid waren met haar. Het leek wel een reünie van school, zo gezellig was het, ondanks de sfeerloze burgerkoninklijke locatie. Maar Dolly en Danny hadden ons natuurlijk niet naar Alkmaar laten komen om ons gelijk een Arie Roos een hartvervetting te eten aan de producten van de fastfoodboer, dus alras stonden wij - inmiddels verdeeld in een drietal groepjes - buiten met een plattegrondje van Alkmaar in onze handen.
De eerste opdracht van die dag bestond uit het noteren van - hoe kan het ook anders? - tweeëndertig Bob Evers-gerelateerde locaties; dertien locaties had het organiserende en allitererende duo alvast min of meer cryptisch aangegeven, voor de overige negentien moesten onze Roosbreinen zelf het werk verrichten. Hieronder staan enkele foto’s, die een aardige sfeerimpressie van onze speurtocht geven.


Geen koperen, maar bronzen kanonnen.


Rolf Wevers in zijn rol van vastgebonden Jeffries in de struiken langs het Noord-Hollands Kanaal.

Op het terras van Café Prinsheerlijk - welk een toepasselijke naam! - wachtte de niet-leunstoelavonturiers en feitenkennisklunzen nog een praktijkopdracht. Voor de Bobben onder ons kwam deze neer op het oplossen van de „touw om de pols”-truc, voor de Jannen om die oplossing in telegramstijl te noteren en voor de Arie’s om een smoes te bedenken waarom de oplossing niet lukte. Dat laatste was in ons groepje het geval, ondanks de welwillende hulp van twee plaatselijke schonen.


„Prins, je zit hier Prinsheerlijk.”


Onder het toeziend oog van een compleet terras moeten deze dames zich iets minder prinsheerlijk hebben gevoeld.

De geslaagde dag werd afgesloten door het traditionele „bamismijten” in een etablissement met de creatieve naam Hong Kong.


„Heel de club is weer bijeen, allemaal gekken, allemaal gekken...”

Meer foto’s vindt u o.a. elders op deze site.





Twee gedichten
Paul van den Hout

Bertus Aafjes, ja, dat was een prul, althans volgens de bekende dichter Hennie J. Schol in diens „Voetreis naar Kruiningen”. Velen van ons zullen het zonder enige twijfel met Hennie eens zijn.
Paul van den Hout is géén prul. En dat zal iedereen zonder enige twijfel met de redactie eens zijn. Wie heeft zijn „
De Muze en de misdaad” (zie Nieuwsbrief 36) nou nog niet gelezen? Paul van den Hout is behalve een zeer verdienstelijk dichter ook de zoon van...: proef die alliteratie: „De Muze en de misdaad”! Soms vallen appels niet ver van de boom. Zoals Willem van den Hout ooit in een interview verklaarde dat alle Bob Evers-boekjes een dubbele bodem hebben, bevat ook de titel van het tweede gedicht van zijn zoon hieronder een dubbele bodem. Soms vallen appels helemáál niet ver van de boom. En bomen door het jaar heen, dat is ook een Leitmotiv in beide klassieke gedichten: zoon Van den Hout begeleidt ons het hele jaar, zoals ook de klassieke boekjes van vader Van den Hout ons in elk jaargetijde vergezellen.

Homerische vergelijking

Zoals een oude eik, door slagregens en gure
herfststormen ruw gegeseld en meedogenloos
beroofd van zijn dor loof, het zwaar krijgt te verduren -
zijn stramme stam buigt door, zijn wortels breken, broos,

hij steunt en kreunt gekweld, zijn kale takken schuren
langs zijn bemoste bast - zo bleef hij nog een poos
manhaftig zich verweren, de held, die van nature
een fiere dood boven een veile vlucht verkoos...

Mijn hemel, ik houd op: dit gaat nog uren duren -
een kolfje naar de hand van Bilderdijk of Kloos!
Alexandrijnen hebben weliswaar allure,
maar lopen bij mijn mank en uit de maat, altoos.

Die versvoeten bijvijlen: voor een pedicure
zou het een goudmijn zijn, maar ik blijf brodeloos.










Festina lente

Het is normaal, maar toch verbaas je
je elk jaar weer dat het gebeurt,
als je het eerste teer groen waasje
aan linden langs de gracht bespeurt.

Een stil terras. Het meisje naast je,
dat jou geen lachje waardig keurt,
spiekt in haar spiegeltje: ze kleurt
nog niet echt bij. Lieftallig dwaasje!

Een windje dat naar aarde geurt,
strijkt langs je heen. Afwezig blaas je
een vliegje weg. Je kater zeurt.

Het meisje krijgt bezoek: raar baasje,
een bleke boekenwurm of nerd.
Tevreden nip je van je glaasje.






Onder het vergrootglas (nieuwe serie 10) : Het avondschot
Geerten Meijsing

Ook ik doe wel eens rare dingen.
Zo’n zin zou het begin van een Waterman-verhaal kunnen zijn. Maar zulke fantastische „waargebeurde” avonturen als die van de meester beleef ik nauwelijks.
Afijn, een vriend van me had me overgehaald om mee te doen aan een pub quiz, en had daarvoor een buitengewoon sterk team bijeengetrommeld van Vier Volwassen Vijftigers (zou een Waterman-titel kunnen zijn) en één student. Deze laatste bleek veruit het beste element van ons team, dat we „Kunsten & Letteren” hadden gedoopt. Bijna zeker van de overwinning kwamen we bij de laatste vraag. Toen zei de stoerste van het stel - een journalist die in Afghanistan had gefilmd en één schot uit een van een soldaat geleend geweer op de Taliban had gelost, waarover nog vragen in de kamer zijn gesteld - tevreden: „Het Avondschot!”
Ik keek hem vragend aan. Wat bedoelde hij daar nu weer mee?
„Dat moet jij toch weten, als Bob Eversgeleerde.” Nu ben ik geen geleerde. Degene die meer aanspraak op die titel kan maken is drs. Roger Schenk, die op het proefschrift van de „Encyclopaedia Apriana” gaat promoveren, zodra hij de Latijnse editie daarvan voltooid heeft.
Ik wist het niet en dat zat me dwars, want vanzelfsprekend hield hij het antwoord voor zich. Daarom besloot ik de serie van het begin af aan te herlezen, tot ik het citaat kon thuisbrengen.
Werkelijk, wat heb ik weer genoten van die eerste boeken, in de oude, ongekuiste hardkaftedities, die ik al lang niet meer gelezen had.
En ja hoor, reeds bij het derde deel van de eerste trilogie was het raak, dat „avondschot”. In „De strijd om het goudschip” (4e druk, 1954) zit de Schotse machinist MacGarrigle in zijn eentje op de brug van de „Frisco”, om de „nikkers” die in hun kano’s rond het schip cirkelen op een afstand te houden. Overigens herinnerde ik mij nu weer plotseling waarom ik het eerste bootje - een klomp met mast en zeil - dat ik in de vijver voor ons huis te water heb gelaten, in 1958, de „Frisco” had gedoopt. Ik heb mij dat in de slapeloze nachten van tegenwoordig vaak liggen afvragen.
Onze machinist heeft net de geïmproviseerde maaltijd van de Chinees opgepeuzeld en de laatste van drie goede flessen „whiskey” binnen handbereik...
Zijn goed Garand-repeteergeweer lag dwars over tafel en toen hij door zijn stuk kaas heen was, nam hij zijn geweer van tafel, mikte op de vlak boven de zeespiegel hangende zon en loste het laatste schot van die dag.
„Het Avondschot,” zei hij tevreden en keek naar het zwakke pluimpje kruitdamp dat boven de brug wegdreef.

O, vervlogen tijden van weleer: wat was alles mooi en spannend in onze jonge jaren! Inderdaad een opmerking om nooit te vergeten.

In het voorafgaande deel, „Drie jongens op een onbewoond eiland” (4e druk, 1953) was mij iets anders opgevallen, dat het waard was te noteren. Men weet dat onze drie helden in die eerste boeken nog wel eens een sigaret willen opsteken, zo jong als ze nog waren als leerlingen van de driejarige HBS. In dat boek enteren ze een half gezonken schip voor de kust van het eiland, op zoek naar mogelijke etenswaren.
Arie rommelde verder in de la. Er kwamen enkele broeken uit, die met gejubel werden begroet, schrijfpapier en potloden, een weekblaadje, een matrozenmes in schede, een schaar en een scheermes, twee stukken zeep en andere toiletartikelen. Onderaan zaten twee grote blikken „Prince Albert” rooktabak en een fles zoete Spaanse wijn. Tenslotte kwamen er nog twee oude pijpen uit plus andere persoonlijke bezittingen. De jongens waren de koning te rijk.
Even later zitten ze aan dek in de ondergaande zon, hun benen buiten boord bungelend, en steken Bob en Jan de pijpen aan met hun kostbare lucifers. Arie was niet dol op roken, maar hij slaat de hals van de fles, die vervolgens van hand tot hand gaat.
Het was heet in de zon, ook al stond die laag boven de horizon. Dat, gevoegd bij de uitwerking van de wijn, die ze geen van allen gewend waren, hoe onschuldig die ook was (sic), maakte hen wat uitgelatener dan ze normaal geweest zouden zijn. Ze praatten honderd uit, waren roekeloos met de lucifers, lachten, dat het ver over zee schalde en zongen wilde kampliederen.
Bij die passage kwam een vergeten geluk-stemming terug die ik lang geleden gevoeld had toen ik voor het eerst die passage las.
Hoe wonderlijk, onze jongens die pijp roken en een fles soldaat maken, wonderlijk mooi en fijn!
„Prince Albert” is een baai, die ik zelf - toch een verwoed pijproker - nooit zou stoppen. In het café van de quiz dronken we gewoon uit glazen, en mocht niet gerookt worden, ook niet door vijftigers, hoewel ik op het eind toch stiekem een pijp met Latakia op heb gestoken. Niet lang daarna werden we de kroeg uitgezet.
Die quiz hebben we overigens glansrijk verloren, ondanks de student en het Avondschot van de avontuurlijke journalist, die zijn Bob Evers goed kende. Ach ja, vijftigers.








Nieuwsbrief 36
Nieuwsbrief 37 als pdf
Nieuwsbrief 38
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina