Nieuwsbrief nr. 50
ISSN 1386-6451
januari 2018 - 25e jaargang nr. 1



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Column: „Is iets voor een boekPeter de Zwaan
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieFred Arendse
„Den Bosch heette één dag Brabants Bethlehem”John Beringen
Zweten voor een zomerbaantjeKoen Braem
De invloed van Bob Evers op mijn levenBert Brandsma
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieHans Brehler
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieMiel Couvee
Dikke ArieJ. van Dorp
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-seriePeter van Dusseldorp
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieRonald Eveleens
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieTheo Grivel
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieFerry Groothedde
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieErlend Joséphy
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieRonald Keuning
Gejubel rond vijf jubileaKleppe Brothers
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieHans Labrijn
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieWilliam van der Meulen
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieBart Oudshoorn
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieBert Pieké
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieRuud
NabranderEric Salomons
„Je rolt van het een in het ander”Roger Schenk
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieJan van der Tempel
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieTom
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieHarry Tuinman
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieNicole Verdonschot
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieEd Vernooij
Mijn leven met Bob EversFoeke Zeilstra
Een goed bewaard BE-geheim: Bob Evers-lezers worden minder snel oud!Foeke Zeilstra
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-seriePeter van Zoonen
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serieArie van der Zouwen
Mijn herinneringen aan de Bob Evers-seriePeter de Zwaan




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen

Met de economie gaat het beter, beduidend minder met onze spaarpotten!

Ja, u leest het goed. Spaarpotten zullen de komende tijd massaal aan scherven worden geslagen, want het geld van de Bob Evers-fanaten gaat alle kanten op rollen; het is maar goed dat wij onszelf Bob Evers-fans noemen en geen Jan Prins-fans!
In het voorjaar van 2018 zullen maar liefst drie nieuwe Bob Evers-delen verschijnen. Om Jan Prins toch een beetje tegemoet te komen, betalen we er slechts twee, te weten de nieuwe delen 60, „Schatgraven in een stationshal”, en 61, „Het preppaleis van de Holenman”. Het derde boek is een cadeauboek en bevat een kwartet korte Bob Evers-verhalen: leuk, dit hebben wij nog niet eerder bij de hand gehad!
Als
Peter de Zwaan in dit tempo doorgaat, zal weldra de dag aanbreken dat hij méér Bob Evers-delen heeft geschreven dan Willy van der Heide. Laatstgenoemde wenst echter ook niet vergeten te worden en pleegt vanuit het hiernamaals een aanslag op onze portemonnee; dit soort aanslagen zijn altijd nog te verkiezen boven die van verblinde IS-aanhangers, maar toch… tjonge, jonge, wat gaan we Willy’s aanslag voelen in onze portemonnee. Op de website van de ECI staat namelijk te lezen dat er op 11 april 2020 maar liefst 22 oude Bob Evers-boeken in een nieuw jasje zullen verschijnen bij Uitgeverij Pantheon, drie dagen later gevolgd door „Avonturen in de Stille Zuidzee”. De prijs per stuk is € 14,99, dus we kunnen nog blij zijn dat ons blijkbaar nog even de tijd is gegund om voor de laatste negen delen te sparen.
De covers van de nieuwe delen zijn identiek aan die van de sinds twee jaar bij Uitgeverij Overamstel verkrijgbare epubs, dus min of meer ingekleurde voorkanten van Frans Mettes, maar dan met een rood Bob Evers-driehoekje en een rode band aan de bovenkant, zoals we die kennen van de pockets uit de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw. De ECI gunt ons alvast een paar bladzijden inkijk, zodat we menen te kunnen constateren dat het echter om de tekst van diezelfde pockets gaat.

© Uitgeverij Pantheon

Reacties van de fans op dit bericht, dat de meesten van ons via de Bob Evers-groep op Facebook bereikte, waren nogal divers van aard. Het merendeel was nogal sceptisch, maar de o.i. gezondste reactie was „Ach, we gaan het zien! Indien het een sieraad voor mijn boekenkast wordt, ga ik het echt wel overwegen.” En zo is het maar net!

Bob Evers leeft nog steeds!

De papieren versie van De Telegraaf - de krant die blijkbaar niemand leest, maar die toch de grootste oplage van Nederland kent en waarover iedereen een mening heeft - heeft elke zaterdag een bijlage, genaamd „Vrij”. Daarin verzorgt Marjolein Schipper elke week de rubriek „Toen”, waarin allerlei dierbare thema’s uit het verleden aan bod komen. Op 11 november 2017 was dat hét onbetwistbare hoogtepunt uit onze „tempo doeloe”: Bob Evers.
In de vooraankondiging werd de fans verzocht om hun persoonlijke herinneringen aan deze serie te delen met de redactie van De Telegraaf. Naar eigen zeggen werd de arme Marjolein bedolven onder de reacties van fans. Het zal iedereen duidelijk zijn dat zij niet alle reacties kon plaatsen in haar rubriek van slechts twee krantenpagina’s. Zij maakte een selectie en stuurde de volledige teksten van de mensen die daar toestemming voor gaven door naar de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief. Waarvoor onze hartelijke dank!
Toeval bestaat niet, volgens Willy van der Heide, dus laten wij het erop houden dat het gewoon verdraaid goed uitkomt dat het onderhavige nummer van de Bob Evers Nieuwsbrief een jubileumnummer is: nummer 50 en dan ook nog eens de 25e jaargang! 49 nummers lang was de redactie grotendeels aan het woord, maar in het jubileumnummer komen vooral de fans aan het woord met hun persoonlijke herinneringen aan de Bob Evers-serie.
Wat opvalt aan de reacties, is dat er slechts één reactie bij zat van een lezeres (hoe rolbevestigend wil je het hebben?), dat de meeste schrijvers inmiddels genieten van een welverdiend pensioen en dat er bizar weinig reacties kwamen van leden van de Bob Evers-groep op Facebook en van de Bob Evers Mailinglist. Natuurlijk bestaat de redactie van de Nieuwsbrief ook uitsluitend uit fans en ook zij hebben hun herinneringen aan De Telegraaf gestuurd.








© Hans Kleppe

Een en ander betekent dat vrijwel alle vaste rubrieken doorschuiven naar Nieuwsbrief 51, die in juli zal verschijnen; vrijwel, want de nieuwsrubriek en de column van Peter de Zwaan geven gewoon acte de présence!

... maar Kees Hoekert niet meer…

Op oudejaarsdag 2017 bereikte ons het bericht dat Kees Hoekert, oprichter van de Lowlands Weed Company en „grootvader van de Nederwiet” genoemd, op 88-jarige leeftijd is overleden. Onze Willem had ontelbare verslavingen van allerlei aard, maar met drugs had hij niets, net als bijvoorbeeld Arie Roos (‘Jullie weten, dat ik niks van die drug-rommel moet hebben. Maar ik kan me toch voorstellen, dat mensen in zo’n toestand als deze wel eens behoefte kunnen gaan voelen aan een stickie’, „Kloppartijen in een koelhuis”, p. 38), maar toch was hij goed bevriend met de nu overleden Hoekert. Sterker nog, zoals we in Nieuwsbrief 49 konden lezen, was Willem van 6 augustus 1974 tot 21 december 1977 officieel ingeschreven als (mede-)bewoner van Hoekerts beroemde woonboot, „De Witte Raaf”.
Eveneens in Nieuwsbrief 49 lezen we dat Kees Hoekert een van de beide Archivronen van de door Willem opgerichte Manicheese Wereldkerk was.
Gelukkig is de andere Archivroon, Jaap Verduijn, nog springlevend! Maar wij vrezen dat er van de ooit zo machtige Manicheese Wereldkerk verder niets meer over is, sinds het overlijden van de Hoge Pontriarch in 1985.
Kees Hoekert verkocht op zijn woonboot hennepplantjes voor een gulden per stuk; rijk is hij er niet van geworden, maar de verkoop maakte de oprichting van de Lowlands Weed Company mogelijk. Op deze manier was Hoekert hoogstpersoonlijk verantwoordelijk voor het gedoogbeleid van softdrugs in Nederland; talloze Nederlanders en waarschijnlijk nog meer buitenlandse toeristen zullen hem er tot in lengte van dagen intens dankbaar voor blijven.


„De Witte Raaf”, ca. 1970 ; © Cor Jaring


20 jaar bobevers.nl

Het heeft relatief lang geduurd voor Uitgeverij De Eekhoorn het belang van dat toentertijd nieuwe medium, internet, inzag. Maar in 1997 was het dan eindelijk zo ver: de website bobevers.nl werd gelanceerd. Uitgeverij De Eekhoorn verhuisde naar Oud-Beijerland, ging aldaar failliet, werd overgenomen door een familielid van de oorspronkelijke uitgeversfamilie Stenvert en verdween vervolgens van de radar… Maar de website heeft al deze fratsen overleefd en bestond vorig jaar dus op de kop af twintig jaar.
Eigenaar van de website is anno 2018 Darrel Burns Education B.V. en het technisch beheer is nog steeds in handen van Stenvert Systems & Service B.V., maar de beheerder van de pagina zelf is Marco Meinders, al twintig jaar lang. Hulde!
Reden voor een feestje, vond Marco; en met hem 31 anderen. Op uitnodiging van de heer Meinders kwamen deze 32 (!) fans op 3 september j.l. samen in „De Heeren van Maarssen” in - vrij logisch eigenlijk - Maarssen. Het werd een gezellige reünie, waarvan alleen de locatie en het begintijdstip vaststonden, en dat was prima zo. Er werden wat boeken verkocht of geruild, er werd wat gekletst, er werd wat gelachen en tot slot werd er nog wat gegeten. Een heerlijke middag, waarvan enkele sfeerimpressies te zien zijn op - uiteraard - bobevers.nl.

De terugkeer van Willem Waterman

Zoals de echte fans weten, schreef de welbekende John Beringen ter gelegenheid van Willem van den Houts 100e verjaardag in 2015 het boekje „Willem Waterman en het Konkelbergproces”: u weet wel, met dat alleraardigste beeldje van Willem, gemaakt door Ruben Verheggen, op de voorzijde.
Het betrof hier overigens een eenmalige uitgave van exact 100 stuks. Voor de late beslissers dan wel spijtoptanten is het goede nieuws, dat „Willem Waterman en het Konkelbergproces” inmiddels ook beschikbaar is als epub, dus iedereen kan nu van de inhoud genieten. Op papier zal er echter geen herdruk komen, hetgeen dan op zich weer goed nieuws is voor de speculanten die in 2015 hun geld niet in bitcoins, maar in 5 of zelfs 10 exemplaren van „Het Konkelbergproces” hebben geïnvesteerd.
Nu is het zo dat wij zelfs van Willem W. Waterman slechts één keer de honderdste verjaardag vieren, dus hiermee zou de kous zo maar af kunnen zijn. Maar… ook in de Beringse aderen klotst onvervalst schrijversbloed en niet alleen in die aderen: dat spul kruipt waar het niet gaan kan. Dus het hoeft niets of niemand bijsterbaarlijk te verbazen dat John inmiddels vergevorderde plannen heeft voor een vervolg, dat de veelbelovende titel „De terugkeer van Willem Waterman” moet meekrijgen. Onze John verzekerde de rest van de redactie evenwel bij hoog en laag, dat dat vervolg er alleen zou komen bij voldoende belangstelling. Dus: wie Bob Evers, diens geestelijk vader en/of John Beringen een warm hart toedraagt, late zijn (of haar) stem horen via de mailinglijst, via Facebook, via een emailtje of briefje aan de Nieuwsbrief, via rooksignalen of desnoods via morseseinen. Gezien de kwaliteit van onderstaande preview gaat de redactie ervan uit dat dat helemaal in orde komt:

Willem keek verbaasd rond toen hij samen met Johan de winkel binnenstapte. Het was een diep pand dat werd verlicht door TL-balken en dat vol stond met kledingrekken. Veel tijd om daar meer aandacht te besteden, had hij niet omdat de eigenaar kwam aanlopen. Sinds een jaar geleden, toen Johan hem samen met Sinterklaas en de Kerstman - beiden incognito - had bezocht, was de man geen spat veranderd. De man nam zijn hoge hoed af en maakte een lichte buiging.
„Welkom heren; waarmee kan ik u van dienst zijn?” kraaide hij.
Johan grinnikte inwendig. Deze wijze van verwelkomen leek een voorgeprogrammeerde standaardbegroeting van hem te zijn.
„Nou, ik ben op zoek naar een Amerikaans generaalsuniform. Heeft u dat per ongeluk?” informeerde Willem.
„Welzeker meneer, welzeker…”
Hij had nog meer willen zeggen, maar zweeg en keek Johan verrast aan.
„Hee… ik ken u ergens van,” sprak hij nadenkend. „Eh…”
„Vorig jaar ben ik met twee heren bij u geweest om een Kerstmannenpak te kopen,” hielp Johan hem uit de droom.
„Jaaa, nou weet ik het weer. Later kwam ik er achter voor wie dat bestemd bleek te zijn. Het had allemaal te maken met die toestand in Konkelberg, is het niet?”
Johan beaamde dit.
„Nou, dat was ook wat, zeg,” ging de man verder. „Ik kom zelf eigenlijk nooit in Konkelberg, maar de weinige keren DAT ik er was, kon ik geen ogenblik vermoeden wat er zich allemaal afspeelde binnen de muren van het gemeentehuis aldaar. Ik las alles over de verdere ontwikkelingen en het proces in het Landelijk Dagblad. Jonge jonge… WAT een verhaal was dat, goed geschreven ook. Het was net een thriller; alleen was dit geen fictie, maar rauwe realiteit.”
Willem kuchte bescheiden.
„Het doet mij deugd om te horen dat u die verslaglegging zo kon waarderen. Ik ben namelijk de journalist die deze serie artikelen heeft geschreven,” verklaarde hij rustig.
De man staarde hem twee tellen sprakeloos aan.
„Dan… dan bent u Willem Waterman,” bracht hij uiteindelijk uit.
„Om u te dienen.” Met dat Willem dit zei, maakte hij op zijn beurt een lichte buiging.
„Ooooh, wat leuk… en welk een eer om u hier te mogen ontmoeten. Kom mee naar achteren. Ik heb net koffie gezet; we gaan even een bakje doen.” Fluks wandelde hij naar achteren met Willem (licht grinnikend) en Johan (met een verbaasde trek op zijn gelaat) in zijn kielzog.
„Gaat u hier maar zitten, heren,” sprak de man terwijl hij op de lange tafel wees die opzij van de toonbank stond. Snel schoof hij een drietal stoelen bij. Eén daarvan zette hij aan het hoofd van de tafel en de anderen aan weerszijden.
„Voilà.”
Johan en Willem gingen tegenover elkaar zitten. De man was naar een plank achter de toonbank gelopen alwaar een koffiezetapparaat stond met een volle kan. Terwijl hij een dienblaadje pakte en daar een drietal kopjes op zette, sprak hij over zijn schouder tegen Willem: „Ik heb uw boeken vroeger echt bijna stukgelezen,” liet hij vrolijk weten. „En ik moet bekennen dat ik ze nu af en toe NOG wel eens lees,” voegde hij er op een ietwat verontschuldigende toon aan toe.
Willem haalde zijn schouders op.
„Och,” begon hij, „daar hoeft u zich absoluut niet voor te schamen, hoor. De gemiddelde leeftijd van de huidige lezers zal eerder op de 60 dan op de 50 jaar liggen. Naar ik heb vernomen, zijn er hele volksstammen die waar literatuuronderzoek verrichten naar mijn werk, speurtochten uitzetten, excursies organiseren, prijsvragen en puzzels uitschrijven en locaties bezoeken die in mijn verzinsels worden genoemd. En geloof het of niet, maar er is ZELFS iemand die ooit een complete ENCYCLOPEDIE schreef over alles wat er in mijn avonturen de revue passeerde.”
Hij begon nu bulderend te lachen. Inmiddels had de man drie kopjes koffie op de tafel gezet en was eveneens gaan zitten.
„Wat geweldig leuk,” sprak hij op bewonderende toon. „Maar hoe kwam uitgerekend u nou in Konkelberg terecht?”
„Door hem hier,” verklaarde Willem terwijl hij op Johan wees.
Deze had aanvankelijk willen vragen over welke boeken de twee mannen hadden gesproken, maar slikte dit in toen hij de vragende blik van de winkelier zag. Hierop vertelde hij wat er zich allemaal had afgespeeld in het dorp voordat hij zijn artikel zou plaatsen in de lokale krant en hoe Willem als gevolg daarvan verscheen in Konkelberg. De man luisterde ademloos. Af en toe onderbrak hij de uiteenzetting van Johan om naar bepaalde details te vragen die soms door Johan, soms door Willem werden toegelicht.
„WAT een verhaal,” fluisterde de winkelier toen Johan was uitgesproken. „Zoiets verzin je niet… waanzinnig gewoon.”
„Jaaaa,” reageerde Willem op langgerekte toon, „de werkelijkheid is vaak nog veel ongeloofwaardiger dan de stoutste leugen.”
De man knikte: „Om in uw termen te spreken: dit is zo’n gek verhaal… dat MOET wel echt gebeurd zijn.”
Ineens gaf hij met zijn vlakke hand een klap op de tafel waar Johan en Willem even van leken te schrikken.
„Aan het werk,” liet de man energiek weten. Meteen stond hij op. „U wilde een Amerikaans generaalsuniform en daar gaan we wat aan doen. Volgt u mij maar.” Hij liep naar een rek dat midden in de winkel stond. Johan en Willem keken toe hoe hij hier het ene kostuum na het andere terzijde schoof.
„Ja, hier moet ik zijn,” sprak hij halfluid. Hij nam Willem even van hoofd tot voeten op. „U bent vrij lang, hè? Dan denk ik… dat dit exemplaar wel geschikt is.” Hij haalde de bewuste hanger uit het rek en overhandigde deze aan Willem.
„En daar in de hoek zijn de pashokjes.”
Willem knikte en liep naar de aangegeven plek. Toen hij daar was aangekomen, draaide hij zich even om en informeerde in welk hokje de Kerstman zich indertijd had omgekleed.
„Uh… in het eerste,” antwoordde de winkelier. „Hoezo?”
„Dan doe ik dat daar ook,” reageerde Willem. „Want dan kunt u later dit hokje waarschijnlijk voor veel geld verkopen op een veiling.”
Voordat iemand wat kon vragen, was Willem naar binnen gestapt en had het gordijntje achter zich dicht getrokken. Johan en de winkelier keken elkaar een moment niet-begrijpend aan. De man bromde wat onverstaanbaars en verklaarde dat hij de vuile koffieboel ging opruimen. Johan bleef achter en bekeek uniformen die hij kende van afbeeldingen waar Napoleon met zijn leger op te zien was.
Na een minuut of wat stapte Willem het pashokje uit.
„U bent een vakman,” liet hij weten. „Het zit perfect.”
„Geweldig,” liet de man weten. „Kunt u zich even omdraaien?”
Willem voldeed aan dit verzoek.
„O jaaa.” Hij corrigeerde een kleine plooi op de rug bij het armsgat en liep naar de voorkant. „Helemaal niks mis mee,” sprak hij tenslotte. „Maar u wit er vast ook een pet bij hebben; die heb ik ook.”
Zonder de reactie van Willem af te wachten, pakte hij een trapje dat hij vervolgens bij de kledingrekken aan de wand zette. Helemaal boven bevond zich een plank waarop zich een bonte verzameling van petten, helmen en andersoortige hoofddeksels bleek te bevinden.
„Ik heb er nog twee,” sprak hij naar beneden. Hij bekeek even de binnenkant voor de maat. „We proberen ze gewoon allebei,” besloot hij. Drie tellen later stond hij weer naast Willem. De eerste pet was beduidend te klein; de tweede bleek echter precies goed te zijn.
„Helemaal voor elkaar,” merkte de winkelier tevreden op. „Achter het laatste pashokje vindt u een grote spiegel waar u zelf even kunt kijken.”
Willem liep naar de aangegeven plaats. Tevreden bezag hij zijn spiegelbeeld, trok het jasje nog iets rechter en draaide wat.
„Verkocht,” liet hij weten. Hierop liep hij het pashokje weer in.
„Mooi zo,” reageerde de winkelier. „Dan ga ik intussen een bon uitschrijven.”
Hij liep naar de toonbank en haalde uit een laatje en schrijfblok tevoorschijn.
Johan keek aandachtig toe toen hij zag hoe de man aan het werk ging. Het deed hem aan zijn jeugd denken, want het schrijfblok was van een type dat je niet zo vaak meer zag: onder iedere uit te schrijven bon moest je een carbonpapiertje leggen. De uitgeschreven bon was voor de klant en de doordruk werd op een grote metalen pen geprikt die op een blokje was gemonteerd dat op de toonbank stond. Johan probeerde zich te herinneren hoe lang het geleden was dat hij op deze manier een winkelier aan het werk had gezien. De man neuriede een vrolijk deuntje en beschreef de bon met een sierlijk handschrift.
Hij scheurde net allebei de velletjes af toen Willem het uniform op de toonbank legde.
„Mooi zo,” zei hij. Inmiddels had hij de bon voor Willem neergelegd. „Ik geef u twintig procent korting,” liet hij weten terwijl hij op het eindbedrag wees.
„O, dank u… maar, eh… hoezo?” vroeg Willem.
„Nou, in de eerste plaats omdat het een eer is om wat aan u te verkopen en in de tweede plaats…” Eén moment leek hij zich wat ongemakkelijk te voelen en naar de juiste woorden te zoeken. „En in de tweede plaats omdat ik mij in het verleden wel eens wat laatdunkend heb uitgelaten over de media,” hernam hij terwijl hij Johan aankeek.
„Waar hebt u het over?” vroeg deze verbaasd.
„Nou… ik heb de vorige keer dat u hier was een opmerking gemaakt over de media en dat kranten ook maar van alles schrijven. En nou blijkt dat u journalist bent. Dat was misschien niet zo netjes van mij.”
„O, bedoelt u DAT,” zei Johan op luchtige toon. „Dat geeft toch niet? Iedereen mag gewoon voor zijn mening uitkomen, hoor. Ik heb zelf ook wel kritiek op dingen waar anderen juist weer mee weglopen.”
Willem had het geamuseerd aangehoord en legde vaderlijk een hand op Johans schouder.
„Luister eens, jonge vriend,” begon hij. „En wat je OOK altijd voor ogen moet houden, is het feit dat je nooit de enige schrijver in de geschiedenis van de mensheid zult zijn die er zal slagen om iets te schrijven wat door iedereen goed wordt bevonden. Die bestaat niet en zal NOOIT bestaan. Als je die hersenschim najaagt, kun je beter stoppen met schrijven en een ander baantje zoeken. Ik weet uit eigen ervaring dat je werk kunt produceren dat door de één wordt neergesabeld terwijl een ander er juist weer lyrisch over wordt. Kritiek en meningen HOREN er nou eenmaal bij en daar moet je je gewoon geen ene moer van aantrekken.”
Terwijl hij dit laatste zei, gaf hij een knipoogje naar de winkelier. Deze begon opgelucht te lachen en liet weten blij te zijn dat Johan en Willem het beiden zo hadden opgevat. Hij vouwde het uniform netjes op en deed het in een plastic tas. Willem betaalde het verschuldigde bedrag. Nadat de winkelier dit in de kassa had gedeponeerd, begeleidde hij Johan en Willem naar de winkeldeur die hij galant opende.
„Het was mij een waar genoegen, heren,” liet hij weten terwijl hij beiden een hand gaf.
„Voor ons ook,” reageerde Willem. Hierop stapten beide mannen naar buiten.



© Albert van den Berg of Frans Verpoorten jr.

Het fragment is natuurlijk een vette knipoog naar het Amerikaanse kolonelsuniform dat Willem ooit bij een dumpzaak had aangeschaft en waarin hij in de Panorama van 19 september 1975 poseert. De hamvraag is nu: hebben alle schrijvers dezelfde tic of liever gezegd fetisj voor uniformen?


© ?


De terugkeer van Paul van den Hout… helaas alleen digitaal

Zoals wij allen nog als de dag van gisteren weten, is Paul van den Hout op 1 december 2015 overleden. De voltallige redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief, de voorzitter van het Bob Evers Genootschap en talloze anderen waren aanwezig bij de begrafenisplechtigheid en in Nieuwsbrief 46 werd uitgebreid stil gestaan bij het verscheiden van Willems tweede zoon. En daarna werd het, zoals dat helaas zo vaak gaat, op een enkele postume publicatie na akelig stil rondom Paul. Niets is echter minder waar, want in de harten van velen zal Paul voortleven. Zijn levenspartner, Lydwina Meerman, heeft dat voortleven kracht bijgezet door een website aan hem te wijden; deze website is nog in ontwikkeling, zo vernemen wij, maar er staan al enkele bijzonder intrigerende zaken op, zoals Pauls weergaloze vertaling van „Les feuilles mortes” („Herfstbladeren”) van Yves Montand. Laatstgenoemde werd overigens lang geleden geboren onder de naam Ivo Livi, een naam die Bob Evers-liefhebbers allen kennen.
Pauls oeuvre is lang niet zo omvangrijk als dat van zijn vader, maar wellicht wel een stuk verfijnder; het meeste van Pauls scheppende werk is (nog) nooit gepubliceerd. Op voornoemde website valt te lezen dat er inmiddels een meer dan veelbelovend begin is gemaakt met de postume publicatie daarvan: een vertaling van „Dr. Erich Kästners lyrische Hausapotheke” door Van den Hout jr..
Erich Kästner (1899-1974) bleef ondanks alles gedurende de oorlog in Duitsland, waar hij in de nacht van 13 op 14 februari 1945 ongewild ooggetuige werd van het akelige bombardement op Dresden. Vanwege een publicatieverbod en boekverbrandingen door de nazi’s moest zijn „Dr. Kästners lyrische Hausapotheke” daarom in 1936 in Zwitserland verschijnen. Een exemplaar kwam op wonderlijke wijze terecht in het getto van Warschau bij een vriend van Marcel Reich-Ranicki, de in 2013 overleden literatuurcriticus; Reich-Ranicki leende het boekje, maar moest het teruggeven (ja, beste lezers, zo gaat dat nou eenmaal met geleende boeken, hè?), maar niet voordat zijn toenmalige vriendin en latere vrouw Teofila Langnas 56 van de in totaal 119 gedichten had overgeschreven en geïllustreerd. Het vorig jaar bij De Wilde Tomaat verschenen boek geeft niet alleen Pauls vertaling van deze 56 gedichten weer, maar ook Langnas’ originele kalligrafie en illustraties. Een uitgebreid voor- en nawoord door Piet Wackie Eysten betreffende de bizarre zwerftocht van het manuscript completeren het geheel.


Een hele Nieuwsbrief vol kopij van fans! Vindt u ook dat dat naar meer smaakt? Stuur in dat geval uw bijdrage vóór 1 juni naar nieuwsbrief@apriana.nl.





Is iets voor een boek
Peter de Zwaan

Het wordt erger naarmate ik meer delen schrijf, blijkbaar denken lezers dat mijn fantasiespier het aan het begeven is en willen ze me een handje helpen.
De beste bedoelingen dus.
We praten een beetje en ineens zegt de ander: „Dat is een mooi onderwerp voor een nieuw deel.”
Soms weet ik nauwelijks meer waar het om ging, kletspraat is bedoeld om je hoofd meteen te verlaten.
Dus zeg ik: „Wat?”
Het kan werkelijk van alles zijn. Een grap, een anekdote, een losse zin, een vakantie-ervaring, een ergernis. Vaak een ergernis, want ergernissen blijven knagen.
„Toen zei die idioot … Wat denk je, is dat niet iets voor een boek? Dat Arie zegt, of Jan, je weet wel, het is minstens een hoofdstuk.”
Lachen leidt ook tot suggesties.
„Moet je horen wat me is overkomen. Ik was … Is dat niet iets voor je?”
Nee. Nooit.
Nou, nooit … een doodenkele keer, als ik druk bezig ben, schiet me iets te binnen wat me doet denken aan een gesprek dat ik ooit heb gevoerd. En ben vergeten. Maar waarvan flarden boven komen borrelen als het in mijn denkkraam te pas komt.
Er borrelt niets op het moment dat ik met iemand aan de klets ben. Dan is mijn hoofd niet in de Bob Evers-stand, zal ik maar zeggen. Mijn hoofd is dat niet zo vaak, alleen eigenlijk als ik achter een computer zit.
Ergens in mijn hersenen zit een schakelaar en die gaat om als ik naar een scherm kijk en me afvraag: Jan, Bob, Arie, wat zouden ze doen als …
Dan bedenk ik een situatie en dan gaan er zoveel schakelaars tegelijk om dat mijn vingers het niet bij kunnen benen. Tegen de tijd dat die vingers zoveel pijn doen dat ze signalen sturen in de geest van: is het nou een keer afgelopen met die drukdoenerij, is de eerste versie van een boek wel af en geef ik ze een weekje rust. Of twee weken. Ze worden ouder en stijver en soms tikken ze, zonder dat ik ze stuur, de tekst: „Denk je eraan dat we officieel met pensioen zijn, De Zwaan?”
Dat doe ik dan. Het heeft ook ergens toe geleid. Dat ik af moet van het zetten van honderden handtekeningen als de nieuwe boeken van de drukker komen. De zenuwen van een paar vingers van mijn rechterhand kunnen het niet meer aan. Dat worden dus initialen, volgend jaar, het is dat jullie het alvast weten.
En wat betreft die goedbedoelde suggesties: één ervan heb ik ter harte genomen.
„De jongens zijn nooit in Friesland geweest, kun je ze daar niet een keer naartoe sturen?”
Kan ik en doe ik. In deel 62. Het wordt Wolvega. Niet echt hartje Friesland, maar het begin is er. Wel even wachten tot voorjaar 2019, zo snel is dat hoofd van mij nou ook weer niet.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Fred Arendse

Was een spannende serie boeken welke ik allemaal heb gelezen.
Steeds weer een ander item met een super spannend verhaal.
Leuke herinnering aan mijn jeugdtijd van 65 jaar geleden.





„Den Bosch heette één dag Brabants Bethlehem”
John Beringen, Wijk bij Duurstede

In zijn algemeenheid kan ik over mijn herinneringen m.b.t mijzelf opmerken dat mijn kennismaking met Bob Evers mij deed beseffen dat er ook nog GOEDE jongensboeken bestonden. En begrijp mij niet verkeerd: ik heb vroeger natuurlijk ook boeken gelezen als Commissaris Achterberg, Inspecteur Arglistig, Pim Pandoer, Biggles, enzovoorts. Niks mis mee, maar Bob Evers kenmerkte zich door de unieke combinatie van humor en spanning. Er viel heel wat te beleven en af en toe zat je echt te schateren. Zo was Willy van der Heide o.a. een meester in hyperbolen en overdrijving; elementen die desnoods midden in een avontuur of zelfs midden in een actie de revue passeerden en waardoor je soms het boek even opzij moest leggen om de tranen van het lachen uit je ogen te vegen. Nou zal de nieuwsgierig geworden lezer van dit geschrift, die mogelijk nog nooit iets van Bob Evers heeft gelezen, zich natuurlijk afvragen waar ik het over heb en wellicht ook een voorbeeld willen zien. Daarvoor neem ik deel 28 ter hand. Dat is „Bombarie om een bunker”. Even heel kort samengevat: er wordt gesproken over een rotstreek die iemand geleverd kreeg. Jan Prins, één van de hoofdpersonen uit Bob Evers, hoort dit aan en levert zijn commentaar daarop. Hij zegt dan grommend:

Als ze MIJ toch zoiets flikten... Ik bond ze voor twaalf gulden zevenentachtig vuurwerk aan hun gebilte en schoot ze zo’n eind de lucht in, dat ze bij het neerkomen een gat sloegen, waar de krater van Stromboli een knikkerkuiltje bij was.” EINDE CITAAT.

Welnu, dit boek is geschreven in 1958. Men zal toen ongetwijfeld voor de somma van ƒ 12,87 behoorlijk veel vuurwerk hebben kunnen aanschaffen. Even gelet op de toepassing hiervan (iemand de lucht in schieten) zal het gaan om vuurpijlen. Maar al met al lijkt het mij bij lange na niet genoeg om het omschreven effect te kunnen bewerkstelligen. Dan het woord „gebilte”. Ik had wel eens gehoord van gebeente, maar gebilte? Het enige wat ik ooit heb kunnen aantreffen en wat een BEETJE in de buurt kwam van dit woord, betreft een uitspraak van Bredero waarin deze zegt: „Deze vrouw is geborst, gebuikt en gebild”. Het kan zijn dat een schilderij van Rubens Bredero deze opmerking deed ontlokken, maar vast staat dat hij in ieder geval een wat corpulente dame omschreef. Ik spitte de serie later helemaal door, hetgeen zou leiden tot een viertal boeken die ik OVER Bob Evers zou schrijven, t.w. „Het verschijnsel Bob Evers”, „Het Bob Evers virus”, „Twee jongens en een Bob Eversserie” en „Bob Evers’ laatste ereronde”. Het was in de tijd dat internet net begon op te komen. Fanatieke fans kwamen hierdoor in contact met elkaar en beseften allemaal dat ze niet de enigen waren die zo verslingerd waren aan de serie. Er volgden bijeenkomsten, gezamenlijke missies en expedities. In de toespraak/preek die ik in 2015 in Den Bosch hield ter ere van het feit dat Willy van der Heide aldaar 100 jaar geleden geboren was en waarbij ik Den Bosch voor één dag omdoopte tot „Brabants Bethlehem” lichtte ik deze wonderlijke naamsverandering als volgt toe:

Toen kwam de dag waarop Willem overleed: zondag 24 februari 1985. Het ging aan de meesten voorbij; slechts één enkele kleine publicatie was enige maanden later waar te nemen. Wat dat aangaat, is de dood van Willem te vergelijken met de situatie waarin men aan het begin van een lange nacht een steen midden in een groot meer gooit. De steen zinkt dan meteen naar de bodem; de rimpeling op het water verspreidt zich naar alle kanten. Echter… toen het ochtendgloren zich aandiende, waren de rimpelingen niet verdwenen. Nee, ze waren gegroeid tot het formaat van een tsunami. En om het figuurlijke aspect te benadrukken: die nacht staat uiteraard voor een periode van vele jaren. Een tijdvak waarin internet zijn intrede deed en eenieder die op de oevers van datzelfde meer zat te mijmeren over die ene schrijver die er niet meer was, ontdekte dat hij daar niet alleen in stond. Ineens bleken er hele legioenen aan gelijkgestemden te bestaan. De tsunami had iedereen in één klap wakker geschud. Er volgden ontmoetingen, kennismaking en vriendschappen tussen mensen die anders wildvreemden voor elkaar zouden zijn gebleven. Er ontstonden zelfs relaties waardoor er nu mensen op deze wereld rondlopen die nooit geboren zouden zijn als Bob Evers niet had bestaan. Wat door alle religies op deze wereld zo wordt nagestreefd en slechts moeizaam lukt, kreeg Willem vele jaren na zijn dood voor elkaar: verbroedering door één en dezelfde fascinatie die hij bij ons allen liet ontstaan. EINDE CITAAT

En om de actie, aansluitend op deze toespraak, te verduidelijken, moet ik een ander facet uit Bob Evers aanhalen. In deze boeken speelt ook ene Arie Roos mee die steevast Droste-pastilles eet. Na mijn toespraak liet ik „broeder” Roger Schenk (een zeer bekende persoon binnen de groep van Bob Evers-liefhebbers) rondgaan met een blad Droste-pastilles die ik - geheel in stijl - „Drosties” noemde. In alle bescheidenheid merk ik op dat deze bewoordingen en acties uiteraard slechts enerzijds ludiek bedoeld waren en anderzijds een eerbetoon vormden aan Willy van der Heide (Willem) die, toen hij voor het eerst zijn Bob Evers-boeken aan de man probeerde te brengen aanvankelijk te horen kreeg „dat je zo geen jongensboeken schreef”. Niet lang daarna zou al het commentaar echter ruimschoots overstemd gaan worden door loeiende drukpersen en rinkelende kassa’s. Ook het tandengeknars van de uitgevers die hem hadden uitgelachen en toen beseften dat ze een enorme blunder hadden begaan, ging hierin onhoorbaar ten onder...

Ik noemde net al de titel „Bombarie om een bunker” en het woord „expedities”. Een groep fans heeft enige jaren geleden een expeditie, waarin enige plechtigheden werden verricht, ondernomen in Humbeek: de plaats die centraal staat in „Bombarie om een bunker”. Het leidde er uiteindelijk toe dat in de beschrijving van dit Vlaamse dorp op Wikipedia niet alleen de wetenswaardigheden en historische feiten worden vermeld, maar dat aldaar ook wordt opgemerkt dat Humbeek een soort bedevaartsoord vormt voor Bob Evers-liefhebbers.

Ter onderbouwing hieronder links naar een kort drieluikje dat ik maakte tijdens de genoemde missie in Humbeek. Geheel in stijl wordt begonnen met iemand die een passage voorleest uit „Bombarie om een bunker” en die is aan te treffen op blz. 84 en 85 van genoemd boek.

Humbeek (1), Humbeek (2) en Humbeek (3).

En voor eventueel verdere gewenste achtergrondinformatie rondom de Bob Evers Cultus plaats ik hieronder een link waardoor u deelgenoot kunt worden over hetgeen ik uitsprak in 2007 Amsterdam ter ere van het 35-jarig bestaan van het Bob Evers Genootschap. Voor alle duidelijkheid: vijf prominente, en niet geheel onbekende, heren besloten in 1972 om statuten te schrijven voor het Genootschap om deze vervolgens verpakt in een zinken koker te begraven op de plaats waar kort daarna het nieuwe „Noord-Zuid-Hollandsch koffiehuis” zou verrijzen. Een locatie die - vanzelfsprekend - voorkomt in de Bob Evers-verhalen. Het is in die zin interessant te noemen doordat hierin wordt uiteengezet hoe een en ander feitelijk begon, nog lang voordat internet zijn intrede zou doen (en uiteraard is een en ander weliswaar ietwat hyperbolisch doch 100 procent conform de authentieke feiten verwoord).

Amsterdam.

U heel veel plezier toewensend bij het bekijken en beluisteren van het materiaal, verblijf ik,
John Beringen


© Hans Kleppe






Zweten voor een zomerbaantje
Koen Braem

Aan een gracht in Amsterdam zaten twee jongens met een verveeld gezicht op een bankje. De ene floot zachtjes de „Yankee Doodle”, de andere probeerde ondertussen uit te rekenen hoeveel hij elk jaar zou verdienen als hij dat nummer gecomponeerd had.
„Jij bent ’m, Bob,” zei de rekenjongen plots.
„Ik ben ’m voor wat, Jan?”
„Weet ik veel.” Jan haalde z’n schouders op. „Hoelang zitten we hier nu al?”
Bob raadpleegde zijn nieuwe polshorloge. „Drie kwartier en… zeventien seconden. Dit ding heeft een hele bijzondere secondewijzer, had ik je dat al verteld?”
„Nog maar drie keer,” gromde Jan. „Dat monster had hier al een half uur geleden moeten zijn.”
„Je weet toch hoe het gaat,” zei Bob sussend. „Je neemt je voor om twee uur af te spreken, maar onderweg kom je een man tegen met een rooie koffer waar een kras op zit. Twee minuten later kom je hem nog eens tegen. Met dezelfde koffer, of toch bijna. Plots is de kras verdwenen. Wat doe je dan?”
„Laten lopen’,” zei Jan lusteloos. „Mannen met koffers laat je lopen. Mannen zonder koffers trouwens ook.”
Bob schudde het hoofd. „Mis, Janneman. Dat van die kras, dat klopt niet. Dus begin je zo’n man te volgen. Die merkt dat, geeft je een tik achter je oor, daar word je weer kwaad van… enfin, voor je het weet, ben je drie maanden verder.”
„Als Arie maar niet denkt dat ik hier drie maanden ga zitten wachten,” zei Jan, die zich begon op te winden. „Hij weet best dat ik speciaal een treinkaartje gekocht heb omdat hij vertelde dat hij een vakantiebaantje had dat zó geweldig was dat zijn vrienden het moesten zien. De allerleukste baan ter wereld! Iedereen zou het gratis willen doen, maar hij zou er zelfs geld voor willen betalen. Dat zei hij. Dus wat doen wij? Wij staan hier. En Arie, die… die…”
„Die is er ook,” zei Bob kalm. „Kijk.”
Twintig meter verderop was een vuurrood geschilderde bakfiets verschenen. Aan het stuur zat een dikke jongen, die een trui en een broek droeg in dezelfde kleur rood. Hij vond het duidelijk een hele inspanning de fiets in beweging te houden, want ook zijn gezicht was rood. Zwaar trappend bracht hij zijn rijwiel slingerend tot bij Jan en Bob.
„Dag jongens,” zei Arie. „Blij dat jullie er zijn. Ooh…” Met een pijnlijk gezicht masseerde hij zijn knieën. „Het is zwaar, hoor. Als ik dit geweten had…”
Bob begon te lachen. „Ik had van Jan begrepen dat je dit het leukste baantje ter wereld vond!”
„Iets dat we absoluut moesten zien!” zei Jan, die begon te hinniken.
„Je zou er zelfs geld voor willen geven!” schuddebuikte Bob.
Arie kreeg een verbeten trek om de mond. „Lach maar. Het ís ook geweldig werk… nu ja, op één detail na dan.”
„En dat is?” vroeg Jan.
„Dat is dit!” riep Arie kwaad, en gaf een schop tegen de fiets. „Jullie weten wat dit is?” Hij wees naar de rode versiering op de fiets.
„Sure,” zei Bob. „The Coca-Cola Company. Amerikaans fabricaat, wereldberoemd, iedereen vindt het lekker. Wij Amerikanen veroveren er de wereld mee.”
„Juist,” zei Arie grimmig. „En we weten natuurlijk ook hoe die bekende reclames van Coca-Cola er uitzien… met van die grote vrachtwagens om de flesjes op hun bestemming te krijgen.”
„Ga verder,” zei Jan, die begon te vermoeden wat Arie overkomen was.
„Dus,” zei Arie, „toen ik in de krant las dat er voor de zomermaanden extra bezorgers gezocht werden, dacht ik: dat is wat voor mij.”
„Omdat erbij stond dat bezorgers zoveel Cola mogen drinken als ze willen?” vroeg Bob.
Arie negeerde de opmerking. „Goed, ik ga naar de vent die over de bezorging gaat, ik geef m’n paspoort, hij stelt wat vragen, ik geef antwoord, hij geeft me een contract, ik teken, ik denk nog: als er plek over is in de laadruimte kan ik de jongens misschien een keertje meenemen, hij zegt dat ie me het transport gaat laten zien…”
„En dan?” vroeg Jan, die ademloos had zitten luisteren.
„Toen vertelde hij dat m’n gewicht misschien wel een probleem kon zijn, maar dat hij voor een extra stevig zadel zou zorgen,” zei Arie met een beteuterd gezicht. „Toen voelde ik nattigheid.”
Jan en Bob barstten in lachen uit. Arie deed alsof hij het niet merkte.
„Wel dikke,” zei Bob, toen ze uitgelachen waren, „het was erg vriendelijk van je om aan ons te denken, maar ik pas voor een ritje in je laadruimte.”
„Ik ook,” zei Jan droog. „Moet je niet weer eens op weg, Arie? ’t Is zo leuk om jou te zien fietsen.”
„Valt me mee dat hij de Cola niet in een taxi rondbrengt,” zei Bob.
Arie stapte zwijgend op de fiets, en reed dertig meter verder. Daar hield hij halt aan een woonboot. De eigenaar was thuis, merkte Arie; uit een openstaand raam steeg een liederlijk lied op over een matroos die zo hield van vrouwen met een baard. Uit zijn zak diepte Arie een verfrommeld papiertje op. „Ja...” mompelde hij, „hier moet het zijn.” Hij nam een kiezelsteentje en mikte dat tegen het raam.
Het lied hield op. „Ja?”
„Cola!” riep Arie.
Er klonk gestommel uit het schip, dat zachtjes begon te deinen. Uiteindelijk zwaaide een deur open en verscheen een man met een grote snor, in de hand een fles jenever die bijna leeg was.
„Cola!” riep de man, „altijd maar Cola! Alsof er niks beters op de wereld is! Dit, jongen” - hij tikte tegen de jeneverfles - „dit is het echte werk!”
Zijn ogen vernauwden zich tot spleetjes. „Maar zeg eens, ken ik jou niet ergens van?”





De invloed van Bob Evers op mijn leven
Bert Brandsma

Terugdenkend moet het in de derde klas van de lagere school te Winschoten gebeurd zijn. Voor het eerst deden we aan lootjes trekken, want we kenden inmiddels het geheim van Sinterklaas. Eén der dochters van de bakker had het lootje met mijn naam en van haar, uit naam van de goedheiligman, kreeg ik een boek. Een spannend boek waarop een man met een pistool in zijn hand de voorpagina sierde. Hij stond in een heftige plensbui nat te regenen, het boek had als titel: „Hoog spel in Hong-Kong”.
Ik ben erin begonnen, maar was te jong, het was nog te moeilijk. Pietje Puk was ik ontgroeid, De Kameleon snapte ik, maar hier kon ik nog geen chocola van maken.
Een tijdje later wilde mijn moeder een nieuw boek voor me kopen, ze vond het belangrijk dat ik veel las, en nam me mee naar de boekwinkel. De uitbater werd door haar gevraagd om advies te geven en kwam aan met: „Een overval in de lucht”. Dat was van wat hij op voorraad had, het meest vooraan in de serie vertelde hij.
Dit boek snapte ik inmiddels wel! Na het in recordtijd te hebben gelezen begon pas daarna het kwartje te vallen dat het boek van de goede Sint bij dezelfde serie hoorde. Het grote verzamelen kon beginnen. „Drie jongens op een onbewoond eiland” werd het volgende gekoesterde bezit en andere delen volgden.
We verhuisden naar Tolbert, daar kreeg ik zakgeld en daarvan kocht ik meer avontuur. Als de boekwinkel in Leek geen delen meer had die je nog niet bezat, fietste je gewoon door naar Roden, daar bij de winkel van Huro hadden ze wel andere, voor 2 gulden 95 per stuk, het staat er nog met potlood in. Het laatste nog aan te schaffen deel werd „Cnall-effecten in Casablanca”. Daar in nagenoeg alle delen dit nummer 32 ook als laatste stond aangekondigd maakte dit het nog extra spannend: de drie jongens zouden toch niet „neerge-Cnalled” worden? Dat was niet zo, maar het verhaal was ook niet af, daar snapte je destijds niets van!
Plotsklaps had de winkel in Leek ze liggen: de delen 34 en 35. Uiteraard verruilden die gelijk van eigenaar en kwam de volgende vraag boven: wat was er gebeurd met deel 33? Dat antwoord bleef lang uit, heel erg lang, te lang.
De boeken bleef je lezen, je kon er telkens weer nieuwe zaken uit halen. Ik werd 19, bleef liefhebber toen plotsklaps het dramatische bericht in het nieuws kwam: de auteur van de serie, Willy van der Heide, was overleden. Dat was wel een schok. Zouden we nu nooit te weten komen hoe het afgelopen was met Cnall?
Zo rond diezelfde periode moest je ook een professie gaan kiezen. Van enkele musici, genoemd in de Bob Evers-serie had ik al vanaf mijn elfde levensjaar platen. Denk dan met name aan Louis Armstrong, Chris Barber en de Dutch Swing College Band. Die muziek vond ik geweldig en Chris Barber had ik op mijn 14de live gezien, dankzij de vader van een vriendinnetje waar ik destijds smoorverliefd op was. Later zag ik ook het DSC en wilde dus net als Peter Schilperoort dixieland-klarinettist worden, maar dat lag toch ietwat gevoelig op het Conservatorium waar ik me aanmeldde: klassieke etudes moest ik oefenen en Jazz was niks volgens de leraar. Nou ja, Benny Goodman kon wellicht nog net, maar ik moest daar volgens die man maar snel mee stoppen. Die opleiding klarinet werd dus geen succes, maar gelukkig had de adjunct-directeur, Jenne Meinema, wel mijn passie en/of talent gezien en wist me, met de hakken nog in de sloot, in de saxofoonopleiding te drukken. Vanaf toen ging veel goed. Ik bleef Bob Evers lezen, werd professioneel muzikant bij van alles en nog wat, kwam dankzij de muziek op allerlei plaatsen waar de drie jongens ook waren geweest en mijn leven ontaardde in een soort jongensdroom die werkelijkheid werd. Op zeker moment werkte ik als muzikant op Cruiseschepen die de meest exotische oorden aandeden en ineens kwamen er toch weer nieuwe boekdelen uit, nu van de hand van een andere schrijver: Peter de Zwaan, die ook allemaal zijn aangeschaft.
In 1999 moest ik optreden in San Francisco, inmiddels snapte ik ook „Hoog spel in Hong Kong”! Telkens op tournee werden Bob Evers-boeken meegenomen en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. In 2006 speelde ik in het voorprogramma van Chris Barber, dat was leuk, dat was geweldig. Wat nog mooier was, de leden van die band kwamen naar óns luisteren. In 2010 werd ik gevraagd om bij het 65-jarig jubileum van het DSC in het voorprogramma te spelen, daar ontmoette ik Dim Kesber. Andere personages uit deeltje 26, Wybe Buma en Wim Kolstee, hadden me gehoord in 1995 in de Haagse Jazzclub en laatstgenoemde had gezegd dat hij me goed vond. In 2011 werkte ik in Keulen (waar mevrouw Grimbos het dacht te horen donderen) in de Opera, toen ik de aanvraag kreeg om bij Chris Barber in te vallen in Oostenrijk en Liechtenstein. Een jaartje later kreeg ik een vaste betrekking in zijn orkest, als tweede niet-Britse muzikant ooit, in een bijna 70-jarige bandgeschiedenis. Dankzij deze baan bezocht ik Blackpool en heb ter plekke „Tumult in een toeristenhotel” nagespeeld. Op het moment van dit schrijven ben ik met Barber (Eén van de laatste 6 of 7, nog in leven zijnde personen genoemd in de oorspronkelijke 32 delen van de serie) op tournee in Zwitserland met in mijn koffer mee: „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” en ik zoek Ingenieur Dausenberg.
Dankzij internet is er een hoop meer kennis over de Bob Evers-serie en met name ook de bedenker daarvan openbaar geworden. Met belangstelling heb ik dat tot me genomen. Andere werken van zijn hand heb ik inmiddels gelezen, maar die kunnen over het algemeen niet in de schaduw staan van deze serie jongensboeken. Een voorzichtige, best wel ironische conclusie mag zijn dat als de Tweede Wereldoorlog er niet was geweest, deze serie wellicht nooit tot de volle wasdom had kunnen komen die het uiteindelijk wel heeft bereikt.
Peter de Zwaan en zijn partner heb ik ontmoet op toen ik op straat musiceerde in Meppel. Dat was ontzettend gezellig. Verder koester ik de gedachten aan een middag op de Kaag met mede-Bob Evers-liefhebbers. Bootje varen langs de paddenstoelhuisjes, daar als kwajongens worden weggestuurd door een nijdige huiseigenaar die deze vorm van ramptoerisme helemaal beu was en op spoortocht naar Villa Serafina. Mooie herinneringen zijn dat allemaal!


© Dixieland Crackerjacks






Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Hans Brehler, Soest

Als 13-14 jarig ventje was ik woonachtig in Bussum. Op de Laarderweg woonde een weduwe die, waarschijnlijk als extraatje, een bescheiden bibliotheekje had opgezet.
Na schooltijd, die toen nog de zaterdagmorgen in beslag nam, was het eerste wat gedaan werd na de middagboterham daar twee boeken halen van Bob Evers.
Met een beetje doorlezen kon later op de middag nog één boek worden geruild voor het volgende deel.

Ik herinner mij vooral de verbaasde gezichten van mijn ouders om het binnenshuis gegrinnik. De schrijver Van der Heide was fantastisch. De boeken van zijn opvolger vond ik toch minder hilarisch. Gelukkig heeft onze oudste zoon dezelfde smaak en heeft de serie vanaf het begin, zodat ik als 72-jarige nog eens terug kan naar mijn jeugd.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Miel Couvee

Ja, het waren mijn favoriete boeken in mijn jeugd, Ook de boeken over Arendsoog van Nowee.
Ik heb de complete serie van Bob Evers op mijn e-reader en wil zo nu en dan een boek lezen.

De dikke Arie en zijn zuinigheid spraken tot ieders verbeelding.





Dikke Arie
J. van Dorp, Elburg

Deze serie met veel plezier meermalen gelezen.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Peter van Dusseldorp, Vuren

Het leuke aan de Bob Evers-boeken was dat er zowel spanning als humor in zat. Heb ze allemaal gelezen (verslonden eigenlijk). Kwam ze pas nog tegen tijdens het opruimen; helaas lezen mijn kinderen weinig, dus daar had ik ze niet voor hoeven te bewaren.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Ronald Eveleens, Kuusamo/Finland

Ja mooie herinneringen en belangrijke voor mij.
Werd uit voorgelezen door onze meester op de lagere school in de jaren ’60.
Was eens wat anders dan Bartje of Merijntje Gijzen.
Ik was/ben nogal een dromer en mijn bijnaam op de lagere school was ook ‘de dromer’: dagdromen en deze verhalen wakkerden dat nog meer aan. Ik ben in feite nog steeds bezig om de verhalen, onbewust, na te streven, het avontuur etc.
Avonturen in de Stille Zuidzee” moet nog steeds gebeuren. Ik ben 59 nu. En wacht er op om mijn hotel verkocht te hebben zodat we kunnen gaan varen richting de Stille Zuidzee.

Door die verhalen ook, kreeg ik trek om naar de VS te emigreren en dat deed ik al op 19-jarige leeftijd in 1977; na 10 jaar had ik het wel gezien en toen naar Japan verhuisd, 4 jaar gewoond, toen weer even naar NL en nu dus al weer 21 jaar in Kuusamo, Finland.

Maar de energie en motivatie om deze dingen te doen werden in mij wakker gemaakt door de boeken van Willy van der Heide, de Bob Evers-serie. Daarvoor waren het de Kameleon-boeken.


© Ruben Verheggen ; © foto : Roger Schenk






Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Theo Grivel

Ik heb ze verslonden!
De meeste boeken heb ik tien keer of zelfs meer gelezen.
Als ik de hele serie uit had, begon ik weer van voren af aan, terwijl ik eigenlijk niet zo’n lezer ben.

Door de serie kreeg ik een beter beeld over topografie, vele landen kwamen aan bod. En nu nog, decennia later, als ik tijdens vakantie in steden of dorpen uit de serie kom denk ik terug aan de avonturen die de drie jongens daar beleefden.
Heel veel historische weetjes zijn in mijn herinneringen blijven plakken.

Deze serie is mijn meest favoriete reeks ooit.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Ferry Groothedde
1

Hallo,
Ik heb een bijzondere en blijvende herinnering aan Bob Evers. Niet alleen heb ik de serie compleet, maar ik heb ook drie boekjes over de serie, van de hand van John Beringen. En daarmee is dit verhaal nog niet uit, want er komt nog meer, maar dat volgt nog...

In de jaren ’90 zag ik bij toeval een boekje bij een boekwinkel in Leeuwarden, waar ik toen vlakbij woonde: „Het verschijnsel Bob Evers”. Eerst bladerde ik erin om zeker te weten dat het van goede kwaliteit was. Daarna kocht ik het. Bij het lezen begon een idee in mijn hoofd te groeien. Ik had al verscheidene korte verhalen geschreven, maar nog nooit een compleet boek. Ik besloot zoveel mogelijk van de succesformule van Bob Evers mee te nemen: drie hoofdpersonen, humor en wetenswaardigheden gecombineerd... en nog een paar ingrediënten. Binnen enkele maanden had ik een eerste manuscript klaar. Ik stuurde het naar John Beringen met een brief erbij: kijk eens op welk idee je me hebt gebracht! John was laaiend enthousiast. Hij gaf me een paar adressen van uitgeverijen die volgens hem wel geïnteresseerd zouden zijn. Dat viel zwaar tegen en het zou nog jaren duren voordat ik mijn boek uitgegeven kreeg. Tegen die tijd was er aan het manuscript veel toegevoegd, gewijzigd of verwijderd.
Maar ondertussen belde John me een keer op en vroeg of ik niet een keer een illegale Bob Evers zou willen schrijven.

Hier is een woordje van uitleg nodig. Sinds de dood van Willy van der Heide werd de serie geschreven door Peter de Zwaan, tot groot ongenoegen van veel fans. Velen hebben zelf Bob Evers-verhalen geschreven, hetgeen illegaal was omdat uitgeverij De Eekhoorn het alleenrecht bezat om Bob Evers-verhalen te publiceren.

Ik vond het een leuk idee, maar ik zat met een probleem: ik kan geen detectives schrijven. Daarom maakte ik er een persiflage van. De titel was „Jan Prins zoekt zich wezenloos naar de dikke Arie Roos”. Hiermee had ik meteen een primeur, want de naam van Jan Prins was nog nooit in een titel voorgekomen. Dit verhaal staat op het internet, gratis voor iedereen te lezen.

1

Schrijvend onder pseudoniem Fred de Koning.







Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Erlend Joséphy

Het zal ongeveer in 1958 geweest zijn (ik was toen 12) toen ik voor het eerst kennismaakte met de Bob Evers-boeken. Ik verslond ze en presteerde het om op een zaterdagmorgen op mijn zwarte damesfiets (met een racestuur!) een deel bij de bibliotheek in de binnenstad van Arnhem op te halen, dat vervolgens helemaal uit las en dat in de loop van de middag weer uitgelezen terugbracht om het volgende deel op te halen totdat alle delen op waren en ik moest wachten tot er weer een nieuw deel verscheen.
Het lijkt misschien kinderachtig, maar tot op heden (ik ben nu bijna 72) lees ik vrijwel dagelijks in een Bob Evers, niet meer als fysiek boek, maar nu digitaal op mijn e-reader (dat is makkelijker in bed, niet zo moeilijk vasthouden. En mijn liefde voor de Bob Evers-serie ging zo ver dat ik de nieuwe schrijver (Peter de Zwaan) verzocht om mij in een van de te verschijnen delen op te nemen. Dat deed hij in deel 41 („Bakkeleien in een Berlijnse bios”) op pagina 96, waar ik een kioskhouder bleek te zijn, wiens naam Arie Roos als alias gebruikte. Dat was aardig van Peter, maar ik was liever een schurk geweest, die door Bob Evers werd vastgebonden of zoiets. Helaas heeft dat niet zo mogen zijn en ik heb mij sindsdien beperkt door de Bob Eversjes die door Willy van der Heide geschreven zijn. Die boeken zijn voor mij het hoogtepunt van de jongensboekenliteratuur, niet te vergelijken met welke andere jongensboekenserie dan ook. Zijn fantastische wendingen in de verhaallijnen en detailbeschrijvingen van de situaties en personen worden m.i. in geen enkele andere serie geëvenaard. Van der Heide heeft ook nog de Otto Onge-serie geschreven (5 delen) en een Dick Boei-boek. Ook meer dan lezenswaard. Over Bob Evers is zelfs een hele encyclopedie geschreven (op internet te vinden), maar als ik wel eens in Den Bosch kom in de Ververstraat, dan vraag ik mij af hoe je „Straperli” uit moet spreken. In „Kabaal om een varkensleren koffer” komt nl. een mevrouw Straperli voor, echtgenote van „De groene man”. Was het nou Strapèrli of Stráperli? Ik denk dat niemand dat weet.

N.B. Ook ik ben ooit aan een Bob Evers-boek begonnen. Het ging over handel in antibiotica voor dieren, maar ik ben halverwege gestopt, want NIEMAND, echt NIEMAND, ook Peter de Zwaan niet, kan tippen aan Willem van den Hout.


© Erlend Joséphy






Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Ronald Keuning

Fantastische herinneringen aan de BE-serie boeken. Kreeg de eerste van een tante toen ik ziek in bed lag voor een paar weken. Avontuur op een schip in de Pacific en onbewoond eiland. Oud schip en avontuur heeft waarschijnlijk geleid tot mijn carrière op zee als machinist/WTK, onder meer bij Wagenborg en Holland America Line van ’86 tot ’98.
Ik had de hele serie boeken, 33-34 stuks (?), totdat mijn moeder een keer een grote opruiming hield en ze allemaal weg had gegeven, drama! Geweldige herinneringen aan de BE-boeken en -avonturen.





Gejubel rond vijf jubilea
Kleppe Brothers, Dordrecht/Papendrecht

1. 75 jaar Bob (Rob) Evers

Het eerste heuglijke feit gaat over het prille begin van de Bob Evers-serie, 75 jaar geleden. Het was in het jaar 1943 dat in het blad Jeugd het vervolgverhaal „De avonturen van drie jongens in de Stille Zuidzee” opdook. De drie hoofdfiguren waren toen Rob Evers, Jan Prins en Arie Roos. Zoals we weten, veranderde de schrijver Willy van der Heide in de boeken die vanaf 1949 uitkwamen, de naam van de Nederlandse Rob in de Amerikaanse Bob. Dit was vooral, denken wij, om de boeken een internationaal karakter te geven en omdat alles wat Amerikaans getint was (luttele jaren na de oorlog) interessant, groots, populair en goed was.
Willy van der Heide, die honderden publicaties en boeken op zijn naam heeft staan werd geboren op 3 juni 1915 te Den Bosch en overleed op 24 februari 1985 te Den Haag.
Op 6 juni 2015 herdachten wij zijn honderdste geboortedag met een grootse manifestatie in Den Bosch, waarbij haast alle relevante plekken bezocht moesten worden wilde men uitkomen bij „Badhotel de IJzeren Man” uit „Kabaal om een varkensleren koffer”. Paul van den Hout was als eregast aanwezig en John Beringen hield gekleed in een rood priestergewaad een preek van ongeveer 20 minuten.
Peter de Zwaan en Lia Krijnen waren zelfs uit het verre Enschede gekomen om niets te missen van alle genoegens. Ter gelegenheid van deze happening die „D-day in Den Bosch” heette, werd aan alle deelnemers een ultiem collector’s item aangeboden, namelijk een fraaie plaquette waarop Willy van der Heide met schipperspet en sigaret staat afgebeeld. Peter Muller declameerde in restaurant „De 4 kolommen” in Vught, zijn als altijd schitterende toespraak en maakte en passant Bert Meppelinks toetreding tot het Bob Evers Genootschap bekend. Voorts verraste Roger Schenk iedereen met een exemplaar van „De Witte Jas”, een tot dan toe onbekend werkje van Willem W. Waterman, dus het neusje van de zalm voor de verzamelaars.

2. 45 jaar Bob Evers Genootschap, december 1972 – december 2017

Op 6 december 1972 (nu dus circa 45 jaar geleden) werd het Bob Evers Genootschap opgericht. Plaats van oprichting: de Oude Wester te Amsterdam.

Volgens de CONCEPT STATUTEN wordt het bestuur gevormd door:

P.J. Muller, voorzitter
Frans H.B. Verpoorten, secretaris
en de overige bestuursleden:
W.C. van der Linden, G.J.M. Meijsing, K.R.K.K. Snell.

* Tot onze spijt moeten wij vermelden dat de bestuursleden W.C. van de Linden en K.R.K.K. Snel inmiddels zijn overleden.

Volgens de Concept Statuten zijn de doelstellingen:

bestudering van de Bob Evers-serie,
bibliografisch onderzoek van Willy van der Heide,
leesavonden (des winters),
excursies (onderzoek ter plekke),
periodieke uitgave blad (drie keer per jaar)

Examen:
Toelatingsexamen om lid te worden, gedeeltelijk schriftelijk, gevolgd door mondeling (met keuzeboek).
Bij het niet voldoen aan de door de commissie gestelde eisen volgt afwijzing (onbeperkte herkansing is mogelijk).

Jongensboek van het jaar.
Arie Roos-prijs (wisselbeker)
Jaarcontributie ƒ 10,-- (eventueel incidentele bijdrage)


In de Persuitnodiging uit 1972 staat het volgende:

Bij deze nodigen wij u uit aanwezig te zijn bij de eerste officiële daad van het onlangs opgerichte „BOB EVERS GENOOTSCHAP”
Op de plek waar eertijds het Noord-Zuidhollands Koffiehuis stond (voor het CS-Amsterdam, in welk etablissement de drie protagonisten van deze serie, Jan Prins, Bob Evers en Arie Roos, herhaaldelijk overleg pleegden, zal a.s. woensdagmiddag om 4 uur een plechtigheid plaats vinden.
Namens het Bestuur, Frans H.B. Verpoorten Jr. (Telefoon 023-316283)


Tot zover de Concept Statuten en de Persuitnodiging.

Over het examen valt op te merken dat eventuele kandidaten zich niet kunnen aanmelden, maar mondjesmaat worden uitgenodigd door het Bestuur om het examen af te leggen. Wij hebben geen inzicht in het aantal opgeroepen kandidaten maar weten wel dat tot dusverre niemand is geslaagd, zelfs Willy van der Heide himself niet.
Het Genootschap heeft dan ook geen gewone leden; slechts bij wijze van uitzondering zijn wegens grote verdienste, enkele personen, na de lagere rangen doorlopen te hebben, benoemd tot Buitengewoon Honorair lid.
Het zijn Hans Kleppe, Ton Kleppe (oprichters van de Bob Evers Nieuwsbrief), John Beringen, o.a. schrijver van een aantal boeken over de Bob Evers-serie en algemeen erkend internationaal deskundige, Roger Schenk, o.a. samensteller van de „Encyclopaedia Apriana”, hét monumentale kennisreservoir en standaardwerk over de Bob Evers-serie en tevens druk bezig met de biografie over W.H.M. van den Hout alias Willy van der Heide.
Onlangs werd nog de benoeming van de heer Bert Meppelink bekend gemaakt, als buitengewoon lid, zodat er in totaal vier buitengewoon honorair leden zijn en één buitengewoon lid (BL).
Wij hebben geen inzicht in de werkzaamheden van het Genootschap, maar hebben vernomen dat het Bestuur minstens eenmaal per jaar bijeen komt en daarnaast uitermate alert is op relevante ontwikkelingen.
Geerten Meijsing verklaarde op 2 oktober 1993 in zijn jubileumrede:
„Als het zo lijkt dat het Bob Evers Genootschap schittert door afwezigheid, komt dat omdat dit genootschap altoos in het geheim heeft geopereerd en zich nooit op de voorgrond heeft willen dringen.”
Op 9 december 2007 werd onder de titel „Levendig Lustrum in Mokum” het 35-jarig bestaan van het Genootschap vormgegeven in aanwezigheid van de Bestuursleden en met een speurtocht door Amsterdam, die eindigde, waar anders, in het „Noord-Zuidhollands Koffiehuis”. Aan alle deelnemers werd die dag een fraaie herinneringsplaquette aangeboden.
Over de activiteiten en het voortbestaan van het Genootschap heeft de voorzitter de heer P.J. Muller op 6 juni 2015 het volgende gezegd:
„Het bestuur trekt zich voor de komende jaren ter contemplatie terug en richt zich Deo Volente op het jaar 2022 waarin het BEG 50 jaar bestaat.”
Op 14 februari 2017 verklaarde Peter Muller:
„Als voorzitter van het BEG moet ik zeggen, en dat valt me best zwaar, dat de metalen koker die wij samen met WWW in 1972 plechtig hebben begraven, op de plek waar nu het „Noord-Zuidhollands Koffiehuis” staat, de onwrikbare en eeuwig durende regel bevat dat met het verscheiden van het laatste bestuurslid het Bob Evers Genootschap, dat nu nog drie leden telt, allen op leeftijd, voorgoed op houdt te bestaan.”
Tot zover de voorzitter van het Bob Evers Genootschap.


© ANP | Historisch Archief

3. 25 jaar Bob Evers Nieuwsbrief januari 1993 – januari 2018

In januari 1993 verscheen de eerste Bob Evers Nieuwsbrief van de oprichters Hans en Ton Kleppe. Die eerste Nieuwsbrief is verschenen naar aanleiding van archiefonderzoek bij bibliotheken naar de auteur Willy van der Heide. Wij waren verrast over alles wat er aanwezig was over de boeken en vooral over de handel en wandel van Willy van der Heide.
Wij wilden al die wetenschap niet voor onszelf houden, maar dachten aan een manier om dat ter kennis te brengen aan andere liefhebbers van de serie. Dat werd de Bob Evers Nieuwsbrief, gedateerd januari 1993. De eerste zin luidde:
„Dit is het eerste nummer van de Bob Evers Nieuwsbrief. Het is onze bedoeling om hierin vooral aandacht te schenken aan de legendarische Bob Evers-serie, maar ook aan de andere series, geschreven door een van de meest schilderachtige auteurs die Nederland heeft gekend: Willy van der Heide.”
De nieuwsvoorziening ging niet alleen per halfjaarlijkse Bob Evers Nieuwsbrief, maar ook door middel van ons eenmalig project, een boek van circa 400 pagina’s vol met info uit de archieven, met de titel: „Wetenswaardigheden over Willem Waterman” (de zogeheten Kleppemap), uitgave 1995.
De distributie van de toen nog papieren nieuwsbrief geschiedde per ouderwetse post en na aanmelding van de belangstellenden. Op het hoogtepunt werden er 600 exemplaren gedrukt, gesorteerd, ingepakt en verstuurd, waarbij de porti werden vergoed door de welwillende medewerking van uitgeverij De Eekhoorn. Voor onze kopieerkosten werd in 1999 éénmaal een vrijwillige bijdrage van de lezers gevraagd.
Slechts één keer ging het mis met de vergoeding van de porti: dat was nadat Ton in restaurant ’t Kompas op Kaageiland tijdens een bijeenkomst op 11 november 2000 op een stoel staande de illegale geel/rode uitgave van „Lizzie Scott gaat de vernieling in” omhoog hield. Daarin staan avonturen van een geheel ander gehalte dan de Bob Evers-serie.
De juist op dat moment binnenkomende directie van De Eekhoorn was daar niet blij mee en vond dat deze „aanprijzing” consequenties voor de portovergoeding zou moeten inhouden. Enfin, dankzij de bemiddeling van Peter de Zwaan is het allemaal goed gekomen en kon de verzending veilig gesteld worden. Ook van Peter de Zwaan is de erenaam „Kleppe brothers”, afkomstig, een naam die we graag gebruiken.

Juist toen de productie en de distributie toch wel uitermate bewerkelijk was geworden stelde Simon Kuipers zich bereid om de redactie te versterken. Dankzij Simon werd in 2002 met ingang van Nieuwsbrief nr. 21 begonnen met het digitaliseren van de Nieuwsbrief en de distributie via het internet. Simon bracht de Nieuwsbrief daardoor, maar ook inhoudelijk, op een hoger plan, hartelijk dank daarvoor.
Met ingang van Nieuwsbrief nr. 26 van januari 2006 trad Roger Schenk toe tot de redactie. Met Nieuwsbrief nr. 39 van augustus 2012 werd de redactie verder versterkt in de persoon van Bob Evers-deskundige John Beringen. Sinds 2012 is er dus een vierkoppige redactie waarbij, Roger en John de hoofdredactie vormen en wij (Hans en Ton Kleppe) als medewerkers worden vermeld voor ondersteuning en hand- en spandiensten.
Op initiatief van de redactieleden hebben diverse grote samenkomsten en feestelijke manifestaties plaatsgevonden. Verschillende werden georganiseerd in goede samenwerking met uitgeverij De Eekhoorn.

1993
1997
2000
2000
2001
2003
2007
2015

Gejubel om een jubileum
Zwijmelzotheid in Zeewolde
Fantastische veiling in Zeewolde
Herkanen op de Kaag
Kaageiland
Mijlpaal in Mijnsheerenland
Levendig lustrum in Mokum
D-day in Den Bosch

verslag in Nieuwsbrief nr. 3
verslag in Nieuwsbrief nr. 11
verslag in Nieuwsbrief nr. 17
verslag in Nieuwsbrief nr. 17
verslag in Nieuwsbrief nr. 19
verslag in Nieuwsbrief nr. 24
verslag in Nieuwsbrief nr. 30
verslag in Nieuwsbrief nr. 45


Wat voor u ligt, is het jubileumnummer 50, ofwel 25 jaar Nieuwsbrieven, bijna 1000 pagina’s, geen sinecure. Wat een rijkdom aan interessante artikelen van vaste columnisten, spontane reacties en interessante beschouwingen. Wij denken aan de prachtige columns en incidentele bijdragen van o.a. Henk Bergman, Paul van den Hout (†), Marie-José van den Hout (†), Gert Huber, kolonel Koops, Doeschka Meijsing (†), Geerten Meijsing, schout-bij-kunstlicht Spook, Bart Veldkamp, Peter de Zwaan en vele anderen.
Alle 50 Bob Evers Nieuwsbrieven zijn (terug) te lezen op: http://www.apriana.nl/nieuwsbrief-index.html.
Dit nummer, 50, is grotendeels door u, de lezer gevuld. Via de mailinglist, facebook en via De Telegraaf kwamen uw herinneringen bij ons binnen. Wij hopen en verwachten veel leesplezier met al die ingezonden stukken. Hartelijk dank aan allen voor de bijdragen!


© Marleen Kleppe

4. 20 jaar Bob Evers.nl 1997 – 2017

Al 20 jaar houdt Marco Meinders, liefhebber van Bob Evers-verhalen, de site www.bobevers.nl in de lucht.
Er staat zo ongelooflijk veel informatie op die site dat het beste advies is; surf er naar toe en overtuig jezelf.
Op 3 september mochten wij als nog net niet voltallige redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief, Marco in restaurant „De Heeren van Maarssen” feliciteren met zijn mooie langjarige webmasterschap.
Immers de halfjaarlijkse Bob Evers Nieuwsbrief en bobevers.nl zijn geen concurrenten, maar complementair door de mogelijkheid van actuele nieuwsvoorziening via de site bobevers.nl.

5. Deel 60, „Schatgraven in een stationshal

Peter de Zwaan, succesvol auteur van thrillers en kinderboeken, winnaar van enkele belangrijke literatuurprijzen, heeft de grote meester qua productie bijna ingehaald wanneer begin 2018 „Schatgraven in een stationshal” wordt uitgebracht. Hierna nog een stuk of 8 delen en het is zover!
We kijken met veel belangstelling uit naar deel 60, en deel 61 is ook al aangekondigd, het moet toch niet gekker worden. De titel van deel 61 is ook al bekend en luidt: „Het preppaleis van de Holenman”. Wie of wat is een preppaleis? Als je dacht dat google bij alles uitkomst biedt dan kom je bedrogen uit, want bij het intoetsen van „preppaleis” kom je weer terecht bij datzelfde preppaleis, dus dat schiet niet op.
Wie de behoefte voelt om Peter er rechtstreeks naar te vragen, hier is de site: www.peterdezwaan.nl.
Trouwens deel nr. 61 zal het 25ste volledig geschreven deel door Peter zijn, alweer een jubileum!
Peter, van harte gefeliciteerd!

Warm aanbevolen, maar zeker niet volledig:
www.apriana.nl
www.bobevers.nl
www.bobevers.nl/mailinglist.html
www.peterdezwaan.nl
www.facebook.com/groups/bobevers
debobeversstrip.blogspot.nl
www.youtube.com/results?search_query=film+bob+evers
en nog tientallen andere sites van liefhebbers via google.

© Carla Terstegen






Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Hans Labrijn

Vroeger al gelezen. 2014 kanker. Geopereerd. Bestraald in Boston. Moeite met slapen. De hele serie ’s nachts herlezen. Geweldig! Het heeft voor mij de zinnen verzet. En... ik ben er nog steeds!





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
William van der Meulen, Lelystad

De Bob Evers-serie, geschreven door Willy van der Heide, zorgde in mijn jeugd (babyboomer) voor vele uren leesplezier met bijbehorende rode oortjes van de spanning. Het was bij mijn ouders thuis een goede gewoonte om de kinderen zo vroeg mogelijk te laten lezen. Goed voor de woordenschat, zinsbouw, ontwikkeling van de taal, versterken van de geografische kennis en voor het aanleren van de betekenis van vriendschap. Op de lagere school kreeg ik bij iedere verjaardag of Sint Nicolaasfeest een boek uit de Bob Evers-serie met als gevolg dat ik daarna van mijn eerste zakgeld direct een boek aanschafte. Als het wat somber of regenachtig weer was of als de avond vroeg inviel in de herfst en de winter, zat ik in een hoekje van een ouderwetse crapaud heerlijk onderuitgezakt te lezen. Vergat de omgeving en hoorde niets wat er om me heen gebeurde. „Daar heb je geen kind aan,” zei mijn vader dan.

De spannende avonturen werden in een paar dagen uitgelezen. Heb er destijds zelfs een spreekbeurt over gehouden in de 7e klas van de lagere school (Parkschool Zwolle). Het doet me terug denken aan de huiselijke gezelligheid met een brandende kolenhaard met gevulde kolenkit, een wasrekje met drogende was rond die haard en op zaterdagavond in bad (een houten tobbe) voor diezelfde kachel en dan daarna in pyjama kijken naar de Tom Manders Show met ‘Dorus’ in de hoofdrol. De volgende ochtend bij het ontbijt - met één snee wit brood met hagelslag, één snee tarvo brood met belegen kaas, één snee wit brood met aardbeienjam, een zacht gekookt eitje en een beker thee met melk - vroeg mijn moeder dan: „Hoe was het met Arie, Jan en Bob?” Zo leerde je onbewust verhalen samen te vatten. Een vast zondagochtendritueel.

Goed bewaard heb ik de serie: „Heibel in Honoloeloe”, „Hoog spel in Hong-Kong”, „Wilde sport om een nummerbord”, „Drie jongens en een caravan”, „Nummer Negen seint New York”, „Een meesterstunt in Mexico”, „Pyjama-rel in Panama”, „Tumult in een toeristenhotel”, „Dollarjacht en een D-trein”, „Arie Roos wordt geheim agent”, „Cnall-effecten in Casablanca”, „Avonturen in de Stille Zuidzee”, „Drie jongens als circusdetective” en „Vreemd gespuis in een warenhuis”. Die boeken zijn bewaard gebleven en mijn kinderen (inmiddels ruim 40 jaar „jong”) hebben deze boeken eveneens verslonden. Nu is het een nog geen 9-jarige kleinzoon die kennis maakt met de boeken van Bob Evers en die geniet van de avonturen van drie verschillende kornuiten die een prachtige vriendschap delen.

De verhalen in deze boeken vormen een schril contrast met de huidige rol van jonge kinderen in onze gehaaste en geïrriteerde samenleving. Een algemeen beeld: nu gaan ze vroeg in de ochtend naar school en komen vanuit de buitenschoolse opvang vlak voor het avondeten thuis. Ouders hebben (te) weinig tijd en (dus) aandacht voor hun opgroeiende kroost. De kinderen zitten in het weekeinde soms urenlang achter een computer, gamen en kijken films. Buitenspelen en leesuurtjes zijn gezakt op de favorietenlijst. Het zou goed zijn als op de basisschool het voorleesuur weer werd ingevoerd met boeken uit de Bob Evers-serie als avontuurlijke literatuur. Geen moord en doodslag, maar spannende avonturen waarin je met vriendschap en jeugdige (over)moed problemen oplost.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Bart Oudshoorn

3 maart 1975, ik ben 14, en alleen thuis. Heerlijk. Mijn moeder werkt in de plaatselijke bibliotheek, dus de aanvoer van Bob Evers-boeken is gegarandeerd.
Huiswerk uit de agenda gegumd, want pa controleert dat, pot thee kaakjes met Droste-flikken en een nieuwe hardcover Bob Evers. Voor het decor een veldfles en zaklantaarn op de bank naast me. De volle beleving is wat ik wilde. En dan… welkom in de wereld van Arie, Bob en Jan. Het avontuur dat je kon ruiken, voelen... voor je zag.
De avonturen maakten mij klaar om wereldreiziger te worden. Ik zou nooit verdwalen, immers de gespiraliseerde vierkanten lossen dat op. Net zoals vele andere dwaze, maar o zo geloofwaardige, verzinselen van Willy van der Heide om Bob, Arie en Jan uit de nesten te werken mij klaar maakten voor de volwassen wereld. Dacht ik. Wel heb ik de wereld bereisd, met rugzak. Zeker weten dat de beschrijvingen van de landen die de auteur compleet verzon mij hiertoe geïnspireerd heeft.

Tot daar. Nu bezig met de uitgever om te kijken of we kunnen komen tot een verfilming van deel 1, 2 en 3. Die overigens na deel 4 geschreven werden.

Kijk uit naar jullie artikel. Pas op voor de fijnslijpers…





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Bert Pieké, Vancouver Island/Canada

Uit mijn bio:

1953
Geregeld gaan wij bij Oma en Opa in Holten logeren… Lekker op het land, met hond Tom en boerderijen er om heen. Daar zag ik voor het eerst een kalf worden geboren. Oma geeft ons voor onze verjaardagen telkens een boek: Bob Evers boeken worden de eerste ontmoeting met buitenland en avontuur.

Ik was toen 7 jaar oud...





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Ruud

L.S.,
Vroeger lazen wij die boeken vanuit de bibliotheek in Amsterdam. Met rode oortjes!! En dan praat ik over ongeveer 60 jaar terug. Die boeken werden door ons verslonden, evenals in die tijd de boeken van Pim Pandoer. Het verbaast mij niet dat er zoveel boeken van zijn verkocht!!





Nabrander
Eric Salomons, Den Haag

De Bob Evers-serie, wat heb ik daar een hoop plezier aan beleefd. En ik heb ze nog, allemaal, de hele serie. Ze zitten al tientallen jaren in een doos op zolder en nu staan ze naast me. Toevallig, want we zijn aan het verbouwen en één en ander is tijdelijk verplaatst. En dan dit bericht in De Telegraaf, wat een toeval. Al de hele week denk ik terug aan die spannende verhalen. Aan al die uren dat ik me terugtrok in een hoek van mijn kamertje, samen met een bord boterhammen met pindakaas. Ik „verslond” ze. De boterhammen en de verhalen. Ik droomde weg naar de verre oorden waar de verhalen zich soms af speelden. Vooral de „Avonturen in de Stille Zuidzee” en „De strijd om het goudschip” hebben indertijd een enorme indruk op me gemaakt en kan ik ze mij nog steeds herinneren.

Computers, internet, mobile telefoon, ze bestonden toen nog niet. Lezen was de manier om „in een andere wereld” te komen. En ik deed dat graag. De Bob Evers-serie maar ook andere series zoals Inspecteur Arglistig waren mijn grote passie.

Ik probeer mijn zoon van 11 (genaamd Bob, roepnaam Bobby) voor de Bob Evers-serie te interesseren maar die kijkt me aan of ik gek ben. Nee, die moet je dwingen te lezen. Hij moet lezen voor zijn school maar vanzelf gaat het niet. Als hij de kans krijg zit hij de hele dag op zijn computer te spelen, Minecraft.

En nu staan ze naast me. De Bob Evers-serie. Ik blader er doorheen. Het Nederlands en de schrijfstijl is verouderd. Zal ik ze weer gaan lezen… Het gaat er zeker nog eens van komen, terug naar mijn kinderjaren.





„Je rolt van het een in het ander”
Roger Schenk

„Je rolt van het een in het ander” is ook de titel van het eerste hoofdstuk van deel 20, „Lotgevallen rond een locomotief”, en dat is nou net wat mijn persoontje kenmerkt als het gaat om de Bob Evers-serie.

Mijn allereerste Bob Evers-boekje kreeg ik van mijn oma; de titel ervan was „Kabaal om een varkensleren koffer”. De eerlijkheid gebiedt mij te bekennen dat ik er niet veel aan vond. Later zag ik dat het jaartal 1967 in het boek stond; een snelle rekensom leert dat ik toen drie jaar oud was. Eeuwig zonde, want ik heb toen dus dé kans laten liggen om voor eens en voor altijd de jongste Bob Evers-fan van Nederland te worden! Veel later - in de zomer van 1973: ik was toen negen - kocht ik mijn eerste eigen Bob Evers-pocket en natuurlijk was dat deel 1: „Avonturen in de Stille Zuidzee”. Ik kan mij herinneren dat ik dat deeltje, stomtoevallig in de tuin van diezelfde oma (en opa), in één jongensadem heb uitgelezen. Wat een boek! Die gouden combinatie van avontuur en humor! De serie had er een fan bij.

De eerste jaren of wellicht decennia van mijn bestaan als Bob Evers-fan verliepen zoals die van talloze andere fans: ik kocht de serie van mijn zakgeld en was uiteraard uiterst teleurgesteld dat de serie bij deel 32 ophield. Eind jaren ’70 van de vorige eeuw verschenen als donderslag bij heldere hemel de deeltjes 34 en 35: een andere uitgeverij, een ander logo, maar de boeken waren net zo spannend en humoristisch als hun 32 inmiddels stuk gelezen voorgangers. Ze waren als ik mij goed herinner, weliswaar een heel stuk duurder dan de eerste 32, maar ja, ik was inmiddels al een paar jaar ouder, met als voornaamste voordeel dat mijn zakgeld inmiddels ook ietwat was verhoogd. Achterin werd een deel 36 aangekondigd, met titel en al. Het wachten was op de verschijning van dat deel, maar op dat moment was voor mij nog vele malen belangrijker: de zoektocht naar het ontbrekende deel 33. Jaren later begreep ik dat er pockets van deel 32 in omloop waren waarin de titel van deel 33 werd onthuld, maar in mijn exemplaar stond natuurlijk weer helemaal niets! Twee prangende vragen - hoe zou dat deel toch heten en bij welke uitgeverij zou het verschenen zijn? - werden naar de achtergrond gedrongen door de alles overheersende vraag: hoe kom ik aan dat deel 33? Dat deel 33 helemaal nooit was verschenen, kwam in die tijd echt niet in een tienerhoofd op, natuurlijk niet!

Enfin, zoals vrijwel ieder mens op aarde werd ook ik ouder, moest ineens boeken van een heel andere kaliber gaan lezen: Couperus, Daum, Van Deyssel, Mulisch en later kwamen daar nog mannen als Livius, Vergilius, Homerus, Goethe, Böll, Grass, de Montherland, Vercors, Vonnegut, Shakespeare, Boccaccio en Dante Alighieri bij. Zij allen hadden natuurlijk ook niet onverdienstelijke pogingen gedaan om boeken en boekjes te schrijven, maar ja… hun humor en spanning waren kansloos tegenover de pennenvruchten van Willy van der Heide! Hun wraak was zoet: mettertijd zouden deze kerels (en een chronisch tekort aan vrije tijd) er tóch voor zorgen dat Willy van der Heide en zijn schepping langzaam, maar o zo zeker naar de achtergrond werden verdrongen.

Tot… een medestudent op een Leids terrasje een nogal gezette en roodharige studiegenoot „Arie Roos” noemde! Het aldus aangesproken slachtoffer wist niet wie Arie Roos was - ja, dergelijke mensen bestaan blijkbaar ook in Nederland - en dus wij gingen hem uitvoerig uitleggen wie Arie Roos en diens kornuiten Jan Prins en Bob Evers waren. Dat deden wij blijkbaar met zulk een passie dat deze studiegenoot ook als de raphazen alle inmiddels 34 delen aanschafte en verslond. Een logisch gevolg daarvan was dat ook ik de serie ging herlezen. Op de momenten dat wij geen Bob Evers lazen resp. herlazen, studeerden wij Klassieke Talen, waar wij allengs gewend waren geraakt aan Griekse tragedies die begonnen met een lijst van dramatis personae, personen die aan de handeling deelnamen. „Zou er ook zo’n lijst van Bob Evers bestaan?” was onze eerstvolgende, logische vraag. De vraag stellen is hem beantwoorden: nee dus. Wellicht dat duizenden anderen het bij de voor de hand liggende conclusie zouden laten, maar vanaf dat moment, ergens in de jaren ’80 van de vorige eeuw, begon zich toch een heel, heel klein Willy van der Heide-adeptje in mij te roeren: een beetje gek, maar ook weer niet te beroerd om de handen uit de mouwen te steken, kortom: een eerste lijst met dramatis personae van de Bob Evers-serie was geboren! Die werd gekopieerd en aan vrienden en bekenden die ook van deze serie hielden gegeven; commentaren en reacties zorgden ervoor dat deze ooit zo bescheiden lijst steeds verder werd uitgebreid, met namen van auto’s, landen, literatuur, enz. enz. Helaas bleek de serie niet foutloos: er zaten nogal wat inhoudelijke, maar ook taalkundige fouten in. Een tweede lijst, die van errata et addenda, was geboren: nee, een vooroorlogse Ferrari bestaat toch echt niet, meneer Van der Heide!

In 1987 kreeg ik zowat een hartverzakking van pure pret, toen ik bij Vroom & Dreesmann zomaar het lang verwachte deel 33 zag liggen. „Voltooid door Peter de Zwaan”, aldus de titelpagina. Wie was dit nou weer? En zou Willy van der Heide dan soms dood zijn? Ik had mijn verhaal ook kunnen beginnen met de zin „Een zoektocht naar Willy van der Heide in 1000 vragen”, maar Willy’s „Je rolt van het een in het ander” is ook niet onaardig: per slot van rekening ging het balletje nu echt aan het rollen.
Pas in dit stadium ontdekte ik dat Willy van der Heide slechts een pseudoniem was, dat Wilhelmus Henricus Maria van den Hout, zoals hij echt heette, op een steenworp afstand, namelijk in Den Haag, had gewoond en gewoon in het Haagse telefoonboek had gestaan. Als ik dát allemaal had geweten, had ik de man dus gewoon kunnen bezoeken. Nu bleef het bij die ene zeer kortstondige ontmoeting in een bekend Haags etablissement, zonder dat ik ook maar één woord met de Grote Meester van de Alliteratie heb kunnen wisselen. Er verschenen nieuwe delen van Peter de Zwaan. Halverwege de jaren ’90 was mijn lijst uitgegroeid tot een lijvig boekwerk van vele honderden pagina’s. Te lijvig om als echt boek uit te geven, maar als syllabus vond het ding gretig aftrek. Ik noemde het ding groots „Encyclopaedia Apriana”, als zelfbedachte variant op de favoriete lectuur van Jan Prins, de „Encyclopaedia Britannica”, maar dan met natuurlijk de component ‘apri’ erin, Latijn voor ‘Evers’. Zonder te willen opscheppen mag ik rustig beweren dat het maken van die syllabus mij in het Bob Evers-circuit een zekere faam opleverde, zonder dat ik zelf eigenlijk in de gaten had dat ik blijkbaar iets bijzonders had gepresteerd. Tegenwoordig zijn de eerste 32 delen van de serie te koop als epub en kun je met een paar drukken op de knoppen van je toetsenbord vrij eenvoudig doen wat ik indertijd op papier heb gedaan, maar goed, dat was toen en dit is nu. Mijn naam binnen de Bob Evers-gemeenschap bracht in elk geval weer nieuwe balletjes aan het rollen en opende deuren die voor anderen gesloten bleven.
In 1972 had een handvol fans, onder wie Peter J. Muller en Geerten Meijsing, het Bob Evers Genootschap opgericht, dat je heel oneerbiedig „de officiële Bob Evers-fanclub” zou kunnen noemen, ware het niet dat de doelstelling van het Genootschap veel nobeler is dan die van de gemiddelde fanclub: het onder de aandacht van het grote publiek brengen en houden van de literaire nalatenschap van Willem van den Hout. Het bijzondere van dit Genootschap is en was, dat er geen leden waren, alleen die vijf bestuursleden uit 1972. Sinds 2003 echter zijn er vier buitengewoon honoraire leden toegelaten tot de gelederen van het Bob Evers Genootschap. Met gepaste trots mag ik mededelen dat ik een van hen ben.

Helaas heb ik de kans om met Willem van den Hout persoonlijk in contact te komen dus laten lopen, maar ik kwam wel in contact met zijn zus (die ons helaas in 2009 is ontvallen), drie van zijn vier zonen, met John Beringen (schrijver van o.a. „Het verschijnsel Bob Evers” en de enige levende persoon die ooit van de Nederlandse publieke omroep het predicaat „Bob Evers-deskundige” kreeg),
Peter de Zwaan (schrijver van de serie vanaf deel 33) en last but not least de gebroeders Kleppe (die vanaf 1993 een halfjaarlijkse Bob Evers Nieuwsbrief uitgeven). Dat laatste ging voor de eeuwwisseling nog heel ouderwets, met echte inkt op echt papier, dat in echte enveloppen met echte postzegels erop werd gevouwen. Toen dat echter te bewerkelijk en te duur werd - de papieren Nieuwsbrief had op het laatst zo’n 600 abonnees -, werd de redactie ervan uitgebreid met o.a. mijn persoontje en sindsdien verschijnt de Bob Evers Nieuwsbrief elke januari en juli op de website www.apriana.nl.

Gaandeweg verneem je dan dat Willem van den Hout onder zijn eigen naam, maar ook onder talloze synoniemen nog veel meer werken en werkjes op zijn naam heeft dan alleen die 32 + 2 Bob Evers-delen; zijn overige publicaties variëren van bijdragen aan seksblaadjes tot vrome onderschriften bij kruiswegstaties, van korte verhalen in „Noordbrabantsch Dagblad Het Huisgezin” tot columns in het ultra-rechtse tijdschrift „Rechts-Om” en van educatieve kinderboekjes tot een verhandeling over wichelroedelopen. De veelschrijver was van alle markten thuis, of misschien is het correcter om te zeggen: had de gave om de mensen te laten geloven dát hij van alle markten thuis was: hij noemde zichzelf ‘prae-adviseur voor psychiatrie’ en heeft als zodanig jarenlang betogen geschreven in het blad „Arts en Wereld”, iets waar zelfs professoren met open ogen intuinden - tot de waarheid aan het daglicht kwam. Eén ding ontbreekt er echter nog: een biografie over de man met de honderd pseudoniemen. Achtereenvolgens hebben Willems vriend, de journalist Henk J. Meier, en de Groningse historicus Johan van der Ploeg pogingen gedaan om deze leemte in de Nederlandse literatuurgeschiedenis weg te werken. Beiden zijn echter helaas overleden. Een en ander wil nog niet zeggen dat die biografie daarmee van de baan is, want op verzoek van enkele familieleden van Van den Hout heb ik de zware taak op mij genomen om als derde de ultieme Van den Hout-biografie tot een goed einde te brengen, met gebruikmaking van de materialen van de twee eerdere biografen. Gelukkig ben ik niet bijgelovig - maar wel behept met een drukke baan, dus enig geduld is daarbij geboden.

Met dat beroemde deel 33, waarnaar ik zo lang op zoek was, is het tenslotte ook nog goed gekomen: de trots van mijn Bob Evers-verzameling is het originele typoscript van het deel daarvan dat ooit door Willy van der Heide is getypt!


© Willy van der Heide | PanAM ; © foto : Roger Schenk






Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Jan van der Tempel

Geweldig leuke serie. Volgens mij heb ik alle delen. Ben nu 70, maar zo nu en dan lees ik dan weer enkele delen.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Tom

Zoveel uren doorgebracht, volledig in de verhalen gezogen. Alle boeken meerdere keren gelezen. Destijds wel al wat gedateerd omdat gesproken werd over dingen uit de decennia ervoor. Zoals de „Encyclopedia Britannica” en perron kaartjes. Er was iets met de schrijver of zo. De serie stopte of werd onderbroken? Een andere schrijver? Ik weet het niet meer. Ik heb de complete serie nog bewaard voor mijn kinderen. Maar (dat snap ik nu ook) die hebben daar totaal geen interesse in. Mede door games en internet. Eeuwig zonde, denk ik. Maar gelukkig voor hen weet je niet wat je niet weet. (En dus mist).

Voor mij dus een icoon uit mijn jeugd.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Harry Tuinman, Groningen

Het waren voor mij prachtige momenten met een boek van Bob Evers.
Dit wilde ik ook wel als kind: grootse avonturen met boten, treinen, wapens. Dit trio kon de hele wereld aan.
Ik heb de hele serie van Willy van der Heide verslonden.
Samen met een vriendje logeren bij een tante in Eelde; daar gingen we om de haverklap naar de bibliotheek annex boekhandel om nieuw leesvoer te halen. Er was niets mooiers dan dit.
Ook nu (75 jaar) heb ik nog vele boeken van Bob Evers in mijn bezit. Ik koester ze als herinnering aan heerlijke kinderuren.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Nicole Verdonschot

Fantastische serie. Ik zou alle boeken graag weer eens lezen, ik heb er helaas nog maar een… „Arie Roos als Ali Baba”… en dat is niet eens het leukste boekje…





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Ed Vernooij, Ede

Beste mevrouw Schipper,

Wat dom van mij dat ik vorige week niet op tijd naar het volgende onderwerp in uw rubriek „Toen” heb gekeken.
Anders had ik ook kunnen reageren, want ook ik ben opgegroeid met de Bob Evers-serie.
Tijdens het zomerkamp van de padvinderij in 1958 las de akela voor uit de Bob Evers-boeken „Een overval in de lucht” en „De jacht op het koperen kanon”. De boeken kwamen uit een buurtbibliotheek in de buurt van mijn oma en ik mocht daarna zelf de overige boeken gaan lenen en lezen. Ik genoot van de avonturen van Jan, Bob en Arie, hun reizen en het rijden in Amerikaanse auto’s. In 1968 verscheen de serie in pocketvorm en heb ik ze allemaal gekocht.
Na het overlijden van Willy van der Heide zette Peter de Zwaan gelukkig de serie voort en heb ik 51 BE-boeken.
Vanaf 1993 verscheen de BE-Nieuwsbrief van de gebroeders Kleppe uit Papendrecht met achtergrondinformatie en historische verklaringen.
En dan waren er nog de boeken van John Beringen met verklarende teksten.

Ik heb nu net uw artikel gelezen en het is bijzonder leuk dat u zoveel reacties hebt gehad. De twee pagina’s bewaar ik bij mijn Bob Evers-documentatie.
Mijn reactie komt als mosterd na de maaltijd maar is wellicht bruikbaar voor het archief.
Ik las dat inmiddels deel 59 is verschenen dus ik heb de laatste jaren wat gemist. Ik ga er snel achteraan.

Ik zal nu voortaan eerst kijken in „Vrij” wat het nieuwe onderwerp is in uw rubrieken „Check In” en „Toen” om eventueel op tijd te reageren.

Succes met de rubrieken en met een hartelijke groet,
Ed Vernooij


© De Eekhoorn | Frans Mettes






Mijn leven met Bob Evers
Foeke Zeilstra, Voorschoten

Het was de winter van 1962-1963. Je kon schaatsen van begin november tot in maart. Ik woonde in Dokkum, zat in het laatste jaar van de lagere school en had mijn eerste deel van de Bob Evers-serie te pakken. Bord boerenkool op schoot en lezen maar. Het was het deel „Wilde sport om een nummerbord”. Die dag in januari ontstond een liefde die tot op de dag van vandaag voortduurt. Vanaf januari 1963 - ik weet dat nog precies omdat Reinier Paping de Elfstedentocht won - heb ik in een paar maanden tijd de andere 31 Bob Evers-boeken geleend uit een kleine buurtbibliotheek. De Openbare Bibliotheek had de serie waarin de hoofdpersonen - twee HBS-jongens en hun Amerikaanse vriend Bob Evers - „veel te vrij en te brutaal waren”, niet. De jongens beleefden avonturen over de hele wereld, konden met vuurwapens omgaan, hadden nooit gebrek aan geld en waren alle boeven te slim af. Hun vindingrijkheid kende geen grenzen en hun onderlinge gesprekken en grappen waren erg amusant en vaak kolderiek. Het was een kleurrijke reeks die sterk afweek van de veel bravere kinderboeken uit die tijd. Bob Evers was synoniem voor een kleurrijke, internationale glamourwereld. Een groot contrast met de sobere wederopbouwsfeer in het Nederland van de jaren vijftig en begin zestig.

Het is niet bij die jaren gebleven: nog steeds lees ik mijn eega iedere avond voor het slapen gaan een minuut of tien voor uit een van de delen. Als we er 32 op hebben zitten - dat duurt een jaar of drie - beginnen we vrolijk weer bij nummer één. Je valt in slaap met een glimlach en een gezonde nachtrust is verzekerd.

Op
Facebook vinden meer dan 400 Bob Evers-liefhebbers elkaar. Dagelijks worden onderwerpen uit de boeken aangesneden en bediscussieerd. Onder de noemer ‘een BE-moment’ delen fans ervaringen die lijken op scènes uit de boeken. Vaak met foto’s en citaten. De Bob Evers Nieuwsbrief gaat tweemaal per jaar met archiefonderzoek en achtergrondverhalen meer de diepte in. En minstens één keer per jaar wordt ergens in Nederland een Bob Evers Dag georganiseerd. Doorgaans op belangrijke locaties uit de delen die in Nederland spelen. De Kaag, ’s-Hertogenbosch, Lisse, Utrecht, de Veluwe, Voorschoten, Amsterdam zijn in de afgelopen jaren allemaal al eens op stelten gezet door tientallen liefhebbers die er deelnamen aan speur-, puzzel- en vaartochten. Bob Evers passé? Welnee! De hoofdpersonen Jan, Bob en Arie leven voort in de fans van nu!


© De Eekhoorn | Frans Mettes






Een goed bewaard BE-geheim: Bob Evers-lezers worden minder snel oud!
Foeke Zeilstra, Voorschoten

Als Jan, Bob en Arie - de hoofdpersonen uit de Bob Evers-boeken - eenmaal in je bloed zitten, wordt het verouderingsproces afgeremd. Het is één van de geheimen over de invloed van Bob Evers in het dagelijks leven. Bij sommige fans komt de veroudering zelfs helemaal tot stilstand. En er zijn zelfs gevallen bekend waarbij BE-lezers steeds jonger worden! Een enkeling bij wie die verjonging plaatsvindt, wordt zelfs gesignaleerd met boeken voor steeds jeugdiger lezers: de Kameleon-reeks en - als ze nog meer verjongen – zelfs met de Jip en Janneke-verhalen van Annie M.G. Schmidt. Die categorie lezers is geestelijk dan weer terug bij het begin van hun leescarrière. Zij worden erg benijd door de gemiddelde Bob Evers-fan, want liefhebbers die op deze manier jonger zijn geworden, hebben dan de hele serie van tientallen Bob Evers-delen nog voor zich… Bijzonder, maar het zijn buitengewoon zeldzame gevallen!


© Roger Schenk






Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Peter van Zoonen, Castricum

Ach ja, de Bob Evers-serie. Van een kennis hoorde ik dat er in de jaren 50 bij de bibliotheken wachtlijsten waren voor deze boeken. In die jaren waren het nog grote hardcover boeken met prachtige stofomslagen (zie foto). Toen ik ze in de jaren 60 ging lezen waren het al pockets. Waarom waren ze zo populair? Omdat ze niet braaf of opvoedkundig waren maar spannend. Jongens die in Europa maar ook in Amerika spannende avonturen beleefden met de Amerikaanse FBI. Wat ook mooi was, was de manier waarop de schrijver speelde met alliteratie in de titels van de boeken. Zo had je boektitels als „Een klopjacht op een kapitein”, „Vreemd gespuis in een warenhuis”, maar vooral de titel „Stampij om een schuiftrompet” als mooiste voorbeeld. De ei uit „stampei” was vervangen voor een lange ij als knipoog naar een schuiftrompet.


© Roger Schenk






Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Arie van der Zouwen

Dag,

Is er een deadline voor de input?
Hebt u al genoeg gegevens?
Nick van Wely?
Misschien kan ik ook nog wat bijdragen.
Ben de afgelopen dagen druk geweest, maar had de oproep nog wel in gedachten.





Mijn herinneringen aan de Bob Evers-serie
Peter de Zwaan, Meppel

Halverwege de Stationsweg in Meppel, op weg naar onze lagere school, keken we al, vriend Henk en ik: zit-ie er? Vaak wel. Een lange man met een grote snor, gebogen over een typemachine voor het raam van „Hotel Ogterop” aan het einde van de straat. Willy van der Heide, de schrijver van onze favoriete serie, die door zijn uitgever naar het rustige Meppel was gehaald omdat anders van schrijven niets kwam. Op school mocht je Arendsoog lezen, of Pim Pandoer, zolang je er maar niet over praatte. Bob Evers, daar ging het om. Met Jan Prins, Bob Evers en de dikke, altijd slimme Arie Roos.
We kenden hun avonturen. Henk en ik overhoorden elkaar de namen, gebeurtenissen en grappen. Op onze verjaardagslijst stond:
1. het nieuwste Bob Evers-boek,
2. het nieuwste Bob Evers-boek,
en dat tot 10 om onze ouders duidelijk te maken wat we bedoelden.

Na deel 32 hield de serie op. Tot ons verdriet, want al waren we ouder, we lazen en herlazen elk boek.
Vele jaren na de dood van Willy van der Heide kwam toch deel 33 en daarna 34, 35. De familie van Willy en de fans vonden het geweldig. Op fanclubdagen kwamen de lezers bij honderden. In het begin waren het veertigers, later vijftigers en zestigers, ouderen die elk jaar een poosje jong wilden zijn en vol vuur spraken over dé serie van hun jeugd.
Volgend jaar komen de delen 60 en 61 en verschijnt ook eindelijk de eerste verhalenbundel. De eerste fans komen nu al met vragen of het echt waar is. Ja, hoor, echt waar, neem het maar aan van de huidige schrijver, Peter de Zwaan, Meppel.


© Lia Krijnen







Nieuwsbrief 49
Nieuwsbrief 50 als pdf
Nieuwsbrief 51
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina