Nieuwsbrief 2

Nieuwsbrief 3
als pdf

Nieuwsbrief 4

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana

Nieuwsbrief nr. 3
ISSN 1386-6451
januari 1994 - 2e jaargang nr. 1



Een uitgave van Hans & Ton Kleppe, buitengewoon leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Grondmolen 20, 3352 CA PAPENDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieHans & Ton Kleppe
Het Bob Evers-virusJohn Beringen
De veertigste jongensdroom. Jubileum rond Bob EversBart Veldkamp
Grenzeloos genieten van de Grimbos-geschiedenis. Glibberigheden bij een goudjachtHenk Bergman
Recensie van deel 40: Bob Evers naar Oost-DuitslandKolonel Koops
Advertentierubriek „In de Roos”(div.)
Beantwoording van vragen(div.)
Speciale bijdrage: Old Shatterhand en WinnetouMarie-José van den Hout




Nieuws van de redactie
Hans & Ton Kleppe


Allereerst danken wij u voor de vele goede wensen voor 1994 en wensen wij u van onze kant van harte een Gelukkig Nieuwjaar.
Dit is alweer het derde nummer van de Bob Evers Nieuwsbrief. De Nieuwsbrief staat deze keer nog grotendeels in het teken van deel 40 in de serie, 50 jaar Bob Evers en de manifestatie van 2 oktober in Apeldoorn.
Daarom deze keer bij wijze van uitzondering een meer dan dubbeldik nummer.
De laatste maanden is een ware publiciteitsgolf door Nederland gegaan over de Bob Evers serie, Willy van der Heide en
Peter de Zwaan. In de regionale en landelijke pers zijn in totaal een kleine honderd artikelen verschenen. Op de jubileumbijeenkomst in Apeldoorn waren mensen van de radio, tv en schrijvende pers aanwezig. Uit het gehele land waren fans komen opdagen. Een Amsterdammer reed op weg naar Apeldoorn op de A1 in al zijn opwinding zijn auto total-loss en belde vanuit een dorpje in de buurt op naar de uitgever - hij kon niet meer komen maar hij wilde wel dat er een gesigneerd exemplaar voor hem gereserveerd zou worden. Hieraan werd door Peter de Zwaan volgaarne voldaan met als toevoeging „voor de fan die het niet haalde”! De Bob Evers serie maakt heel wat los.
In dit nummer o.a. een kostelijke sfeerimpressie over „Gejubel om een jubileum” in Apeldoorn, een prachtig artikel van de bekende publicist Henk Bergman en een recensie over deel veertig, geschreven door kolonel Koops, die nog onder kolonel Prins (ja, de vader van Jan) in het K.N.I.L. heeft gediend.
De primeur in dit blad is de speciale bijdrage van de zuster van Willy van der Heide. Zij heeft ons, als voorpublicatie op haar boek, alvast een stuk daaruit gegund. U komt het tegen op blz. 9 en 10. Op de foto ziet u Marie-José zelf en de zoon van Willy van der Heide, Paul van den Hout.

Documentatiealbum.
In verband met de stroom publicaties van de laatste tijd zijn wij bezig met het aanpassen van ons documentatiealbum. De meest interessante artikelen over 50 jaar Bob Evers serie mogen natuurlijk niet in ons album ontbreken. Het boekwerk krijgt een omvang van circa 400 bladzijden.
Omdat het in drukvorm laten verschijnen waarschijnlijk niet haalbaar is, zijn wij van plan om het als typoscript uit te geven.
Hopelijk kunnen wij u in de volgende Nieuwsbrief meer vertellen over de precieze inhoud, de prijs (die niet laag zal zijn) en de wijze van bestellen.

Peter de Zwaan schrijft verder.
Van de hand van Peter de Zwaan zijn twee nieuwe uitgaven verschenen in de reeks over Dominique en Dinand Dubbel. De titels zijn : „Dubbelspel in Cap d’Agde” en „Dubbelspel bij Annecy”. De boeken worden uitgegeven door Het Spectrum en hebben als ISBN nr. 9027434026 en 9027434034.

Deel 36 herschreven!
Zoals attente lezers ons al hebben laten weten is de overgang tussen deel 36 en deel 37 niet helemaal correct. Ook uitgever De Eekhoorn en Peter de Zwaan zijn hiervan op de hoogte gesteld. Het resultaat hiervan is dat een aantal passages op de bladzijden 180, 181, 184 en 185 opnieuw zijn geschreven. In de onlangs verschenen 4e druk van deel 36 „Kloppartijen in een koelhuis” is een en ander aangepast.
Verder dankzij de lezers nog enkele aanpassingen:
-   deel 19 „Vreemd krakeel in Californië” (18e druk). Op de achterzijde is. dankzij een oplettende lezeres, in de derde regel van boven, de naam „Bob Evers” vervangen door „Arie Roos”,
-   deel 40 „Schermutselingen bij een zandafgraving” (nu al de tweede druk); op enkele pagina’s zijn afbreekfouten gecorrigeerd.
De Uitgever houdt zich aanbevolen voor verdere aan-of opmerkingen. Het adres is: Uitgeverij De Eekhoorn, Postbus 70, 7300 AB Apeldoorn.

Lezersservice.
-     In het artikel „De veertigste jongensdroom, Jubileum rond Bob Evers” van Bart Veldkamp op pagina 2 en 3 van deze Nieuwsbrief wordt enkele malen verwezen naar de Jubileumrede. Dit is de rede die speciaal ter gelegenheid van „Gejubel om een jubileum” is geschreven door de bekende schrijver en bestuurslid van het Bob Evers Genootschap: Geerten Meijsing. Bij ontstentenis van Meijsing werd de Jubileumrede door het bestuurslid Coen van der Linden voorgedragen. Naar aanleiding van enkele verzoeken hebben wij besloten om een ieder op aanvraag de boeiende Jubileumrede toe te sturen. Om in het bezit te komen van een exemplaar van de Jubileumrede stuurt u een aan uzelf gerichte en voldoende gefrankeerde envelop naar de redactie. De Jubileumrede omvat twee aan beide zijden bedrukte vellen op A4 formaat. Wij streven naar terugzending binnen een week.
-     Niet iedereen heeft de uitnodiging voor 2 oktober j.l. „Gejubel om een jubileum” ontvangen. Voor de liefhebbers is er, zolang de voorraad strekt, een uitnodiging beschikbaar. Geïnteresseerden sturen een aan hen zelf gerichte en voldoende gefrankeerde envelop naar de redactie onder vermelding „uitnodiging”. Om de uitnodiging niet onnodig te vouwen dient de envelop voor terugzending een formaat van 21 x 11 cm te hebben.

Veiling.
Op 2 oktober kon op 25 objecten een schriftelijk bod worden uitgebracht. Hiervan is druk gebruik gemaakt. Wij vermelden het hoogste bod op enkele bijzondere stukken.
-   „Die strijd om die goudskip” (Zuid Afrikaans), ƒ 200,-
-   „Avonturen in de Stille Zuidzee”, originele illustratie, ƒ 300,-
-   „Slimmigheden met suikerzakjes”, origineel manuscript, ƒ 250,-.

Volgende keer:
een artikel getiteld: „Erotiek in de Bob Evers serie” (uitgesteld), de ruilrubriek, de vraag- en antwoordrubriek en „Auteurs over Willy”. Alle opmerkingen, ook kritische, zijn welkom.

Wij danken iedereen voor de plezierige brieven met vragen en opmerkingen en vermelden nog dat de volgende Nieuwsbrief in juli 1994 verschijnt.





Het Bob Evers-virus
John Beringen


Beste mensen,
Zoals u allen weet, is „Het Bob Evers-virus” de titel van mijn tweede boek over Bob & Co. Indertijd kondigde ik tevens aan dat ik nog een derde boek zou schrijven, getiteld „De Bob Evers-legende”. Welnu, ik kan u mededelen dat ik op dit moment druk doende ben om zowel „Het virus” als „De legende” in EEN boek te verwerken. Dat heeft uiteraard wel tot gevolg dat uw geduid langer op de proef gesteld zal worden. De reden waarom ik zulks besloten heb, is tweeledig:
Enerzijds wil ik zeker zijn dat dit tweede boekwerk een absolute meerwaarde zal hebben t.o.v. „Het verschijnsel”; anderzijds is het mijn bedoeling om mij op korte termijn bezig te houden met het schrijven over geheel andere thema’s. Om maar iets te noemen: het autobiografische werk over Rusland (periode 1982-1992) - waarover gesproken wordt achterin „Het verschijnsel” - is nu geen overweging meer, maar een te schrijven boek, waarvoor de globale opzet reeds vaststaat. „Het virus” blijft echter voorrang houden. In de volgende Nieuwsbrief van de gebroeders Kleppe zullen de nevelen hieromtrent grotendeels opgetrokken zijn. Het duurt dus allemaal wat langer, maar het zal de moeite meer dan waard zijn;
DAT GARANDEER IK U!
Met vriendelijke groet,
J. Beringen.





De veertigste jongensdroom
Jubileum rond Bob Evers

Bart Veldkamp


Jubileum
Wat voor avonturen beleef je zoal op zaterdagochtend om 10:00 uur? De een sjokt met zijn vrouw door Albert Heijn of poetst zijn auto, de ander lost nog een Alka Seltzer op of draait zich om, weer een ander zal zeggen: Dat gaat u niets aan! Ongetwijfeld leest iemand ergens een Bob Evers-deeltje.

Op zaterdag 2 oktober 1993 staan er andere avonturen op het programma. In de burelen van
Uitgeverij De Eekhoorn in Apeldoorn is een nogal bijzondere bijeenkomst georganiseerd. „Gejubel om een jubileum” is de titel van de volgende evenementen:

-   deel 40, „Schermutselingen bij een zandafgraving”, verschijnt;
-   de verhalen bestaan 50 jaar en dat wordt gevierd;
-   het 5.000.000ste exemplaar ever van een deel uit de serie wordt uitgereikt.

Een en ander wordt gelardeerd met lezingen en een ruil- en curiosamarkt. Geen wonder dat een paar honderd Bob Evers-fans opgewekt en in het geheel niet slaperig arriveren op het Apeldoornse industrieterrein. Wie niet was uitgenodigd hoorde wel via de media dat er iets te doen was. Talloze kranten, tijdschriften en radio-omroepen besteedden aandacht aan de verjaardag van de drie jongens, die in Nederland qua naambekendheid wel eens vlak achter Ajax zouden kunnen komen.

Sprekers
De dag wordt geopend door Ton Kleppe, samen met zijn broer Hans de grote Bob Evers-activist van dit moment en uitgever/redacteur van de Bob Evers Nieuwsbrief. Hij begroet Marie-José van den Hout en Paul van den Hout, de zuster en de zoon van Willy van der Heide. Verder heet hij twee leden van het „geheime” Bob Evers Genootschap welkom, Frans Verpoorten jr. en Coen van der Linden. De andere eregasten zijn: Chiel Stenvert, directeur van Uitgeverij De Eekhoorn; John Beringen, schrijver van het boek „Het verschijnsel Bob Evers”; en, uiteraard, Peter de Zwaan, de schrijver die het werk van Willy van der Heide heeft voortgezet.

De eerste spreker is Coen van der Linden namens het Bob Evers Genootschap, waarvan de voorzitter, Peter Muller, verhinderd is. Eveneens is verhinderd Geerten Meijsing, een van de oprichters van het Genootschap, en schrijver van onder andere „De grachtengordel”. Hij was bevriend met Willy van der Heide en verwijst in zijn werk regelmatig naar de Bob Evers-serie (zie bijv. het register bij „Werkbrieven 1968-1981” van Joyce & Co.). Meijsing heeft voor vandaag de Jubileumrede geschreven, die door Van der Linden wordt voorgedragen. Het Genootschap spoort aan tot verdere ontwikkeling van de Bob Evers-wetenschap en komt met concrete voorstellen. Een van de meest heikele vraagstukken van het Bob Evers-onderzoek is waarom het in de serie zo vaak precies kwart voor drie in de middag is. Omdat kwart voor drie het meest dode tijdstip in de (mid)dag is? Verder pleit het Genootschap voor streng filologisch onderzoek. Maar vooral staat Meijsing in zijn Jubileumrede stil bij de geestelijke vader van de reeks: Willy van der Heide, alias Willem W. Waterman. Er volgen enkele mooie herinneringen. Zo kwam Willy van der Heide naar Bellágio in Italië om Meijsing op te zoeken. Daar wilde hij een Bob Evers schrijven: „Op mijn verzoek,” aldus Meijsing, „zou het nieuwe deel aan het Como-meer spelen, en zouden de jongens in een Citroën DS rijden.” Vandaag herdenken we Willy van der Heide, maar we vieren de vijftigjarige Bob Evers die allerminst in een midlife crisis verkeert.

De zaal luistert geboeid. Er druppelen nog steeds fans binnen: sommigen moesten zeker eerst naar Albert Heijn.

De volgende spreker is John Beringen, ’s avonds door het televisieprogramma NOVA aangekondigd als „Bob Evers-deskundige”. De geleerde presenteert de pocketeditie van „Het verschijnsel Bob Evers”, bij velen al bekend als typoscript. Uitgeverij Warung Bambu uit Breda heeft het uitgegeven in de bekende kleuren rood en diepgeel. Er staat alweer een volgend werk op stapel, „Het Bob Evers-virus”. Bij het signeren na afloop heeft Beringen het vrijwel net zo druk als Peter de Zwaan. Iedereen wil een exemplaar van zijn encyclopedische „Het verschijnsel”, dat, met enige aanpassing, gemakkelijk tot een Bob Evers-dissertatie kan worden omgewerkt.

Chiel Stenvert, directeur van Uitgeverij De Eekhoorn, vertelt welke moeite zijn uitgeversfamilie soms had om Willy van der Heide aan het werk te houden als deze de bokkepruik ophad. Aan Peter de Zwaan, de huidige schrijver van de serie, overhandigt hij het 5.000.000ste deel dat van de persen is gerold. Het exemplaar gaat vergezeld van de originele omslagtekening van illustrator Bert Zeijlstra, die de scène van pagina’s 153/154 heeft gebruikt voor de cover van „Schermutselingen bij een zandafgraving”. Bijna alle omslagen van de laatste drukken van de serie zijn van de hand van Zeijlstra, vandaag eveneens in de zaal aanwezig.

De laatste spreker is Peter de Zwaan (zelve). Nieuwsgierig bekijkt de steeds vollere zaal (er zijn nu geen stoelen meer vrij) wie toch die vent is die zo naadloos in de voetsporen van Willy van der Heide is getreden. Het is een vrij jonge, lange man met een wat ordentelijker voorkomen dan zijn voorganger (wel heeft hij evenals de grote Meester beharing in het gelaat). Wat hij nog voor andere werken schrijft is behandeld in nummer 1 van de Nieuwsbrief. De Zwaan blijkt een onderhoudend spreker. Zijn Meppelse accent en de droogkloterige humor van de noorderling zorgen voor een aangenaam kwartiertje.

De Zwaan waarschuwt de „Kleppe Brothers” dat ze niet beroemder moeten worden dan de serie, corrigeert een verwijzing uit de Jubileumrede van Geerten Meijsing, merkt op dat het illustere Bob Evers Genootschap eigenlijk niet bestaat en doet uit de doeken dat Paul Nowee, de (tweede) schrijver van Arendsoog, de week voor dit jubileum is overleden. Dan geeft hij antwoord op vragen die hem de laatste tijd (door de pers) vaak worden gesteld. Waarom is hij met Bob Evers begonnen? Is het schrijven van deeltjes voor de serie moeilijk? Gaan de jongens veranderen? Komen er meisjes in de serie? Hoe lang gaat Bob Evers door? Wij zouden in deze Nieuwsbrief wel alle antwoorden van Peter de Zwaan kunnen weergeven, maar dan hebben de journalisten niets meer te doen, en het is de bedoeling dat de aandacht in de pers flink voortduurt. Tot slot treitert De Zwaan de aanwezigen door te openbaren dat deel 41, „Bakkeleien in een Berlijnse bios”, al klaar is, maar dat De Eekhoorn het pas over een jaar wil uitgeven.

De Zwaan deelt de prijzen uit die twee lezers van het Apeldoorns Stadsblad hebben gewonnen: beiden krijgen de complete serie in cellofaan. Dat ziet er mals uit, bijna net zo mals als een Amerikaanse suit-case bier.

Ruil- en curiosamarkt
Dan sluit Ton Kleppe het sprekersgedeelte af en opent de markt. In alle hoeken en gaten van de uitgeverij klappen lezers hun koffertjes open om ruilmateriaal voor de dag te halen. De meest prachtige drukken, sommige met stofomslag, worden gekoesterd. De Eekhoorn heeft in een vitrine Zuidafrikaanse edities staan: „Die strijd om die goudskip”. Woedende ruzietelegrammen van Willy van der Heide gaan van hand tot hand. Het gebouw zit vol fans: de gemiddelde leeftijd ligt ergens achter in de dertig, maar alle generaties zijn vertegenwoordigd. Het percentage aanwezige vrouwen: hooguit twee. In een aparte kamer signeren Peter de Zwaan en John Beringen zich een signeerarm, de Kleppe Brothers hebben het druk in een kamer van het Genootschap. De Eekhoorn verkoopt deel 40 en de andere pocketuitgaven. Het televisieprogramma NOVA vraagt iedereen waar „Heibel in Honoloeloe” over gaat (vroegen ze maar eens hoe je „Evers” uitspreekt in het Amerikaans) en zendt ’s avonds een impressie uit. De kantine van De Eekhoorn fungeert als sociëteit waar litteraire debatten worden gehouden: welke drukken had John Beringen eigenlijk moeten raadplegen voor „Het verschijnsel”?; worden stijl en techniek van Peter de Zwaan per deeltje beter? De kenners raken verhit. Een Amsterdamse bezoeker vertelt dat zelfs de etalage van Athenaeum op het Spui aan Bob Evers is gewijd. Van de gang klinkt opgewonden loven en bieden. Het lijkt wel een Poolse markt voor tweedehands auto’s. Pennen krabbelen adressen op papiertjes en tegen-Genootschappen verkeren in oprichting. Rumoer rond een revival.





Grenzeloos genieten van de Grimbos-geschiedenis.
Glibberigheden bij een goudjacht

Henk Bergman


Op de Bob Evers-dag in Apeldoorn vroeg iemand mij wat ik van alle veertig delen de beste vind. Natuurlijk had ik mij die vraag zelf ook vaak genoeg gesteld, maar nu was ik min of meer gedwongen een rechtstreeks antwoord te geven. „Bedoel je een serie van drie of een losstaand deel?” vroeg ik om nog wat tijd te winnen, hoewel ik al best wist wat ik ging antwoorden. „Maakt me niet uit,” zei de ander. „Nou als serie kies ik voor de Jacht op de schat van de Grimbossen.” Kenners weten nu meteen dat ik het heb over de delen 13, 14 en 15: „Een motorboot voor een drijvend flesje”, „Een klopjacht op een kapitein” en „Een raderboot als zilvervloot”.
Waarom vind ik deze serie van drie zo goed? Dat wil ik hieronder uitleggen, waarbij ik ook enkele „fouten” en later aangebrachte tekstwijzigingen zal aangeven. Ik streef niet naar volledigheid; dat zeg ik er voor de volledigheid bij.
Ik ga uit van de drie gebonden edities met stofomslag die ik heb (alle drie een tweede druk, resp. 1953, 1954, 1955) en de eerste pocketedities (alle drie uit 1967). Latere pocketedities heb ik niet bekeken; dat mag een ander doen.

Stadionsluis
Het verhaal begint natuurlijk veelbelovend. Ik citeer de openingsalinea. „Het onverwachte avontuur met de particuliere detective Pijnenborg begon, doordat de zuinige Jan Prins met zijn Scheldejol dwars door de Stadionsluis in Amsterdam ging varen om een dubbeltje te verdienen. Dat geschiedde onder honende opmerkingen van Bob Evers, die met een pikhaak gereed stond om een paar honderd gulden schade als gevolg van een aanvaring te voorkomen.” In de pocketeditie is deze passage op één punt gewijzigd: het dubbeltje is veranderd in een kwartje. De „paar honderd gulden” is echter gebleven.
Opvallend is dat degene die de tekst voor de omslagpagina van de pocketeditie heeft verwerkt, niet goed heeft opgelet. Hij of zij heeft letterlijk de tekst van het stofomslag overgenomen, waardoor op de omslag van de pocketeditie nog steeds het dubbeltje staat vermeld, terwijl in de tekst dus sprake is van een kwartje.
Meteen maar even een andere opvallende tekstwijziging uit de eerste pagina’s. Na de levensgevaarlijke manoeuvre van Jan Prins om het flesje te bemachtigen worden de jongens toegeschreeuwd door een opgewonden sluiswachter. In de gebonden editie staat er: „Luister eens even, daar beneden!...” De pocketeditie is iets uitgebreider: „Luister eens even, aankomende waterprovo’s, daar beneden!...” Deze toevoeging is een teken des tijds: het is 1966 of 1967!
Opvallend is het stofomslag van „Een motorboot”. Daarop zien we Jan, Bob en Arie in een boot, bezig met het aan boord krijgen van het flesje. Dat is dus gewoon fout. Het gaat er juist om dat Arie niet mee was; hij moest thuis blijven omdat een tante en een oom uit Australië op bezoek kwamen. Voor het verdere verloop van het verhaal is de tijdelijke afwezigheid van Arie essentieel; het is dan ook onbegrijpelijk dat de tekenaar deze fout heeft gemaakt. (Bovendien tekende hij ook nog een soort riet op het omslag, terwijl in een sluis natuurlijk geen begroeiing is). Merkwaardig genoeg is de tekenfout niet hersteld op het omslag voor de pocketeditie. Ook daar zien we de drie jongens in de boot; nota bene Arie is (net als op het stofomslag) in de weer met de pikhaak.

Vertrouwde omgeving
Ik woonde in de jaren vijftig een kwartiertje fietsen van de Stadionsluis. Bovendien kwam ik veel in het Olympisch Stadion bij mijn favoriete club BVC Amsterdam (later: DWS). Ik kende het hele terrein rond het stadion daardoor goed. Dat gold ook voor de andere plaatsen waar zich dit avontuur in eerste instantie afspeelt: Den Haag, Lisse (een beetje), Leiden, De Kaag en Amsterdam. Zelfs de situatie rond de Duitse grens kende ik aardig, omdat ik eens een vakantie in Winterswijk had doorgebracht.
Een avontuur wordt aantrekkelijker als je vertrouwd bent met de locaties waar het zich afspeelt. Tenminste, zo ervaar ik het. En in de Grimbos-trilogie komen van alle Bob Evers-boeken de meeste plaatsen voor die mij als jongetje al vertrouwd waren. Anders gezegd: de Nederlandse avonturen van Jan, Bob en Arie hebben mij altijd meer aangesproken dan de buitenlandse. Het feit dat ik inmiddels op flink wat buitenlandse Evers-locaties ben geweest heeft daar niets aan veranderd.

Beste scènes
De belangrijkste reden waarom ik de trilogie over de jacht op de Grimbos-schat zo waardeer is eenvoudig omdat het verhaal zo spannend en „echt” is. Ik hoef het hier natuurlijk niet na te vertellen; de lezers van deze Nieuwsbrief zullen het allemaal kennen.
Maar het is niet het verhaal alleen; de trilogie bevat ook enkele scènes die tot de beste uit het Van der Heide-oeuvre behoren. Allereerst is daar de komst van de Australische oom en tante, die Arie ertoe dwingt thuis te blijven terwijl z’n vrienden alvast de boot naar Leiden brengen („Motorboot”). Hij moet met ze mee naar de schouwburg, waar hij zich „ijselijk” verveelt. Maar hij gedraagt zich echter „bewonderenswaardig” en laat niets merken. Hij trakteert het hele gezelschap zelfs in Américain (niet met een é) op koffie met mokkagebak. Zijn tante en oom vinden hem „een zeldzaam beleefde jongen”, papa en mama Roos zijn „in de wolken”. Maar natuurlijk volgt de dubbele bodem, die je als jongetje met een vergelijkbare oom en tante (maar dan uit Groningen) zo goed herkende (en uiteraard nu nog): Arie „vreesde dat hij geen tweede dag en avond bij zijn oom en tante zou kunnen doorbrengen zonder een deel van de gemaakte goede indruk weer te niet te doen. Hij had een topprestatie geleverd, vond Arie, en trachten die nog te verbeteren zou een grote fout zijn.”
In de pocketeditie is deze tekst nog flink aangezet. Arie gaat daar naar de schouwburg „met gepoetste schoenen en zijn netste pak aan”, hij verveelt zich nu niet ijselijk maar „stierlijk”, onderdrukt ook nog zijn geeuwneigingen, biedt een mokkapunt aan in plaats van mokkagebak, doet dat nu in American (onjuiste spelling), koopt voor z’n tante een doos Droste-flikken en voor z’n oom een kistje sigaren en vreest geen tweede dag en avond in het gezelschap van oom en tante te kunnen doorbrengen zonder een belangrijk deel van de gemaakte goede indrukken weer teniet te doen.
Een tweede scène die me altijd zal bijblijven is die van de wachtmeester Van Praay met Hennie Schol in de donkere Zeeuwse nacht („Raderboot”). Schol is bezig zijn enkele dagen eerder begraven portie goud op te halen en wordt daarbij door Van Praay gestoord. Als excuus voor zijn verblijf zo ver van Amsterdam vertelt Schol dat hij dichter is en de beste invallen krijgt „des nachts, op zomernachten en onder de sterren”. Dan ontspint zich een dialoog waarbij Schol wanhopig probeert dichtregels te citeren en Van Praay hem tussendoor listige vraagjes stelt. Inmiddels heeft ook een boer uit een naburige hoeve zich bij het gezelschap gevoegd en dat inspireert Hennie tot het volgende meesterwerkje:
Een man en een hond
lopen de wereld rond.
Een vrouw en een kat
horen thuis; op de mat.
De scène, die absoluut het predikaat „klassiek” verdient, gaat zo nog even door.

Nog meer scènes
Er komen in de trilogie nog veel meer aansprekende scènes voor. Uit plaatsgebrek noem ik ze alleen maar:

Arie wacht eindeloos op z’n vrienden op de Spanjaardsbrug in Leiden („Motorboot”);

Arie speelt met de kinderen bij de Paddestoelen op het Kaageiland („Motorboot”);

detective Pijnenborg vertelt zijn verhaal op de Waterjuffer nadat hij is bevrijd („Klopjacht”);

de vechtpartij met Hennie Schol op de vrachtauto die meel vervoert („Klopjacht”);

de Grimbossen komen in het Nijmeegse hotel het ontbijt van de jongens verstoren („Raderboot”);

Bob slaagt er niet in te voorkomen dat pa Roos zich met de strijd gaat bemoeien („Raderboot”);

pa Roos, achtervolgd door Van Praay, belandt in een Zeeuwse sloot („Raderboot”).



Favoriete omschrijvingen
Nóg een reden waarom ik de Grimbos-trilogie zo waardeer is dat er enkele van mijn favoriete Van der Heide-uitspraken in voorkomen.
In „Motorboot” bijvoorbeeld staat over Grimbos geschreven: „P.S.H. Grimbos... Publicist. Arie kreunde. Publicist, herhaalde hij halfluid. Een van die kerels die eens in de maand een stukje schrijven in het maandblad voor de Bloembollencultuur. Geen wonder dat zijn huis op inzakken staat.”
In „Klopjacht” wordt Bonzo beschreven als iemand van wie „de hersens ongeveer de afmetingen hadden van die van een uit de kluiten gewassen garnaal.”
En over de wachtmeester Van Praay wordt in „Raderboot” gezegd: „bovendien had hij die dag, in zeventien verschillende huizen en boerderijen, bij elkaar acht en twintig koppen koffie gedronken... voldoende om zelfs een oververmoeid nijlpaard het insluimeren onmogelijk te maken.”

Per boek
Tot slot per boek nog een aantal opvallende zaken.
Motorboot
  1.

Zegt de sluiswachter op blz. 9 van de gebonden uitgave „al was-tie Molotov zelf” (Russische minister van buitenlandse zaken in de jaren vijftig), in de pocketeditie is dat veranderd in „al was-tie de President zelf”.

  2.

Natuurlijk is „een glaasje Cola drinken” geschrapt in de pocketeditie.

  3.

In de gebonden editie eet Arie in Leiden twee broodjes ei; in de pocketeditie zijn dat er zes geworden.

  4.

In de pocketeditie is de scène waarin de wachtende Arie een jongetje vraagt voor hem op het station een tijdschrift te kopen sterk uitgebreid.

  5.

Het kengetal van Den Haag is nog K 1700 (dat kan ik me niet eens meer herinneren).

  6.

Een afgrijselijke zetfout in de gebonden editie op blz. 123: Jan en Rob worden teruggevonden.

  7.

Na de Paddestoelenscène mogen de prijswinnaars een gulden, resp. een riks gaan versnoepen.

  8.

De voorlaatste zin van het boek bevat een opvallende wijziging. in de gebonden editie zegt Arie: „Al moet ik er heel Holland voor binnenstebuiten keren.” In de pocket is Holland veranderd in België, kennelijk omdat de jongens zich op dat moment daar bevinden.


Klopjacht
  9.

Wie kent in Amsterdam de Laurierzijgracht en de Ouwe Storting? (resp. het adres van de zuster van Hennie Schol en van Hennie Schol zelf). Misschien bestonden ze toen, maar nu in elk geval niet meer.

10.

„Arie knipoogde naar een foto van Doris Day.” Later is het een foto van Sophia Loren.

11.

Er wordt gezegd dat Arie Roos in een alleenstaand huis in Amsterdam-Zuid woont. In andere delen wordt echter vaak het adres Singel 745 vermeld (behalve in „Drie jongens en een caravan”, waar ook sprake is van Amsterdam-Zuid).

12.

Eisenhower is vervangen door „de Amerikaanse ambassadeur”.


Raderboot
13.

Ook hier is in de pocketeditie de naam Molotov verdwenen. Het is nu: de Binnenlandse Veiligheidsdienst (in het telefoongesprek van Arie met z’n vader).

14.

We lezen dat pa Roos 48 jaar is (blz. 9).

15.

In de verklaring die mevr. Grimbos moet ondertekenen wordt als woonplaats van Robert Evers in de gebonden editie New York vermeld. Later is dat Pittsburgh, U.S.A. geworden.

16.

Pa Roos jokt tegen zijn vrouw! Hij dist „een allerschandelijkst kletsverhaal” op over „een plotselinge zakenreis naar Maastricht”. (Wat moet een reder daar overigens in godsnaam?).

17.

In de gebonden zowel als in de pocketeditie (resp. blz. 87 en 88) staat iets dat niet kan. De boerin en Corrie gaan naar het radioprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein luisteren om kwart over één ’s nachts! Het programma werd echter vroeg in de avond uitgezonden; in de jaren vijftig was er sowieso geen nachtradio.

18.

Als pa Roos in de sloot is beland en wordt ondervraagd door Van Praay, refereert hij in de pocketeditie aan Viëtnam, waar in de gebonden editie nog Korea stond.







Bob Evers naar Oost-Duitsland
Recensie van deel 40

Kolonel Koops   ®


In de nieuwe Bob Evers wordt maar matig gemept en vastbinden is er ook nauwelijks bij. Is Peter de Zwaan de gouden Willy van der Heide-formule aan het verzieken?

Op bladzijde 153 slaat Bob een anonieme vrachtwagenchauffeur „secuur op het achterhoofd” en op bladzijde 172 bindt Jan een zekere Lothar vast. Lothar krijgt géén prop in zijn mond. Dan zijn we al bijna aan het einde van het boek. Iets daarvóór wordt Arie (niet vastgebonden maar) opgesloten. Is dat alles?

Nee. Deel 40 uit de Bob Evers-serie, „Schermutselingen bij een zandafgraving”, biedt veel meer. Het is, naar verluidt, de aanzet tot een trilogie, de eerste trilogie die de nieuwe schrijver Peter de Zwaan aandurft. B.40 biedt allerlei ingrediënten van het onverwoestbare recept. Arie haalt een prachtige slimmigheidstruc uit met gerolde porterfeuilles, Jan vernielt op technisch-inventieve wijze een betonnen garage (waarin hij opgesloten is!). Geld en eten komen vaak aan bod, een mooie auto (een Saab 96L) speelt een rol (het merk Buick wordt gelukkig ook genoemd) en er wordt naar muziek verwezen, waarbij Harry Connick. Jr. en andere moderne artiesten niet onvermeld blijven. Ik laat het aan Bob Evers-deskundige Dr J. J. Beringen over om alle thema’s en motieven te inventariseren.

Het verhaal neemt weer weinig dagen in beslag. Het eigenlijke avontuur begint vroeg in de middag en eindigt in de kleine uurtjes van de volgende dag. Van der Heide deed dat ook al: zo kun je veel belevenissen in één zomervacantie proppen en worden de jongens maar langzaam ouder. De helden zijn weliswaar geen scholieren meer, maar ze moeten nog wel jaren mee, liefst als „jongens”.

Het modernste aan het verhaal zijn de plot en het gebied waar het verhaal zich afspeelt. Wat de plot is zal ik niet verklappen, maar het betreft handelingen die typisch zijn voor de landen achter het opgetrokken IJzeren Gordijn. De Zwaan heeft het geweldige idee gekregen Jan, Bob en Arie te laten reizen naar het gebied van de voormalige DDR. De Europese geschiedenis vroeg daar natuurlijk om. In B.9 hebben de jongens nog te kampen met naoorlogse deviezenbepalingen; nu hebben ze de Duitse Einigung alweer achter de rug. Deze setting biedt de schrijver een aantal mogelijkheden. In de eerste plaats kan hij gebruik maken van de (in deze recensie verzwegen) actualiteit. Hij kan Bob leuke fouten laten maken als de Amerikaan weer niet precies begrijpt wat hier een paar jaar geleden is gebeurd (en hij kan Bob fijne misère bezorgen met de Duitse taal: hoe moet dat over een paar deeltjes als we in Krakau zijn?). Maar vooral kan De Zwaan aan het boek toevoegen wat ik altijd een van de sterkste punten van de serie heb gevonden.

Willy van der Heide durfde het aan omgevingen te gebruiken die als öde kunnen worden gekenschetst. Lege stations bij nacht, verlaten industrieterreinen met motregen en karige verlichting, rommelige buitenwijken met opwaaiend vuil: in de Bob Evers-actie kwam nog eens een terrain vague voor, en dat kon je als jonge lezer van de Kameleon-serie nou niet bepaald zeggen. Hoe öde en desolaat het Oostduitse gebied is na de afslag Wollin op de weg tussen Helmstedt en Berlijn - ook dat zal ik niet prijsgeven, maar Peter de Zwaan bereikt hier grote en klassieke Bob Evers-hoogte.

Er valt nog veel meer te zeggen over het jubileumnummer B.40, maar de ruimte in deze Nieuwsbrief is beperkt. Laat ons besluiten met te stellen dat de „Schermutselingen” in vrijwel niets teleurstellen. Het verhaal is glashelder gestructureerd en is geloofwaardig. De vaste elementen van de serie keren op een natuurlijke manier terug en worden niet „geforceerd” aangedragen. Het boek is spannend, mede omdat de compositie met cliffhangers en wisselende scènes ijzersterk is geconstrueerd. Uw recensent was weer in drie uurtjes klaar (eerste lezing), en dat is een goed teken voor een boek dat toch een page-turner moet zijn.

Is de serie veranderd? Zijn de jongens veranderd? Ja. natuurlijk, maar toch ook eigenlijk niet. Hoe dat kan, ik weet het niet, maar knap is het wel. En hoe het bestaat dat de deeltjes nog steeds maar ƒ 6,50 kosten is mij ook een raadsel. Een titel van de Pizza-bende (ook van De Eekhoorn, vanaf 10 jaar) doet al ƒ 9,95. We leven in mooie tijden.





Advertentierubriek „In de Roos”


Te koop aangeboden:

Stampij om een schuiftrompet”, zonder stofomslag. P. Dekker, 02990-36069.

Te ruil aangeboden:

Wilde sport om een nummerbord” 3e dr., „Drie jongens en een caravan” 3e en 4e dr., „Een meesterstunt in Mexico” 2e dr., „Sensatie op een Engelse vrachtboot” 2e dr., „Tumult in een toeristenhotel” 4e dr., „Een overval in de lucht” 5e dr. J. Bouman, 023-368328 (na 20.00 uur).

Te koop gevraagd:

Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?”. E. Kist, 013-685791.

Gezocht:

stofomslagen voor de nrs. 1, 3, 13 en 18. Grote boeken nrs. 2, 4, 10, 15 en 31. A. Rouwenhorst, 03420-91688.

Gevraagd:

Bob Evers pockets, delen 34 en 35 uitgegeven door Unieboek. B. van Drogenbroek 03484-71323.

Gevraagd:

Toen ik een nieuw leven ging beginnen” van W. v.d. Heide, „Een woestijn raakt zoek”, „Amerika filmt”, „De erfenis van een zonderling”, „De geheimzinnige schat” van W. Waterman. P. Vinkenoog, 020-6939639.


Uw advertentie voor de volgende Nieuwsbrief moet uiterlijk in juni 1994 bij de redactie zijn!





Beantwoording van vragen


Vraag:

welke tekenaars hebben illustraties voor de Bob Evers serie gemaakt?

Antwoord:

Frans Mettes, Moriën, Carol Voges, Rudy van Giffen en Bert Zeijlstra.

Vraag:

zijn er Bob Evers boeken in het buitenland uitgegeven of verschenen?

Antwoord:

ja, in Zuid-Afrika en België.







Old Shatterhand en Winnetou
Marie-José van den Hout


Speciale bijdrage door Marie-José van den Hout
Een van Frankrijk’s meest eminente antropologen, Françoise Héritier-Auge, van het Collège de France onderstreepte het onlangs ook nog eens: De band tussen broer en zus is, door de hele Geschiedenis heen, een van de allerbelangrijkste van alle menselijke relaties gebleken.
Ook tussen Willy van der Heide en zijn veel jongere zuster heeft altijd een bijzondere, zij het strijdbare, band bestaan. Zo bezwoer hij haar bijvoorbeeld met hem samen te werken want, zo vond hij, „samen zouden ze de wereld veroveren”.
Hun samenzijn mondde echter altijd uit in heftige ruzies en een keer is hij haar helemaal in Parijs gaan lopen zoeken, maar keerde onverrichterzake terug.
Niet zo verwonderlijk eigenlijk dat ze zich in die tijd zo tegen hem afzette, ook een meisje moet haar eigen weg zien te vinden in het leven. Ze werd journaliste. Ons stuurde ze, als verrassing voor dit derde nummer van de
Bob Evers Nieuwsbrief een kleine, maar exclusieve bijdrage over haar jeugd met Willy.

Titel:
Old Shatterhand en Winnetou
Waarom wij een auto in de garage hadden staan is me ook nu nog niet helemaal duidelijk, misschien was het alleen maar een statussymbool.
De schaarse keren dat mijn vader erin reed kon je op de vingers van een hand tellen, wie er echter veel vaker gebruik van maakte was mijn broer. Hij nam me dan weleens mee, tochtjes maken door de omgeving, of we gingen naar de IJzeren Man, in Vught, waar hij een kano had.
Als ik nu nog terugdenk aan die auto, krijg ik net zo’n zweverig gevoel als wanneer ik verliefd ben. Het was een diepzwarte twoseater, zoals je die nu nergens en nooit meer ziet, met een linnen kap en met aan de achterkant een rumble-seat! Hierbij moet je je een uitklapbaar geheel voor de geest halen, waardoor achter de twee bestaande zitplaatsen er nog eens twee kleinere zitplaatsen te voorschijn getoverd konden worden.
Daar kroop ik dan in, door m’n voet op een steun te plaatsen.
Deze rumble-seat was dus uitermate geschikt voor kinderen, hoewel onze Duitse oosterburen daar toch anders over denken, die noemen zoiets een Schwiegermutter-sitz, een zitje voor schoonmoeders. Bovendien waren deze twee plaatsen altijd onbeschut, omdat ze niet met de linnen kap bedekt konden worden.
Wat een droom!
Mijn vader verplaatste zich alleen nog maar op de fiets, behalve misschien op bepaalde hoogtijdagen, dan werd de auto wel van stal gehaald.
Buiten zijn normale rooster overdag op school (hij was leraar), gaf hij les aan zowat het hele politiekorps van alle omliggende dorpen en gehuchten. Zodoende kenden de meeste agenten van Den Bosch en omstreken mijn vader, en natuurlijk ook ons.
Op een dag gingen we weer eens een ritje maken, mijn broer, Old Shatterhand, en ik, zijn Winnetou!
Van louter verrukking klom ik bovenop de opengeslagen linnen kap. De wind woei me om de oren, m’n haren wapperden vrolijk, ik kon mijn geluk niet op!
Beetje bij beetje begon het echter te regenen.
„Als we maar hard genoeg doorrijden, schieten de druppels vanzelf over ons heen en worden we niet nat,” doceerde bleekgezicht Old Shatterhand plechtstatig, terwijl we met een bliksemvaart door Hintham suisden.

Opeens zag ik heel in de verte uniformen opdoemen, dus zei ik tegen m’n broer dat er waarschijnlijk agenten achter ons aanzaten?
Ik hield mijn broer voor dat, als ik me op het groene weiland zou kunnen uitstrekken en, in navolging van het Apachen hoofd Winnetou, mijn oor te luisteren zou kunnen leggen tegen de drassige grond van Nuland, ik naar alle waarschijnlijkheid het aantal achtervolgers kon bepalen, alsmede het merk sigaretten dat ze rookten. Wellicht kon ik ook nog de kleur van hun ogen inschatten! Maar deze snoeverij beantwoordde hij met het steeds dieper intrappen van het gaspedaal en die agenten maar proberen ons bij te houden!

Wat daarna gebeurde is eigenlijk niet te beschrijven.
Zo’n achtervolging zie je uitsluitend in Amerikaanse films.
Een feest van jewelste.
Hintham door, Rosmalen voorbij, Nuland in, rechtsaf een landweggetje, weer rechts een hobbelig paadje over, dan een smalle laan op met aan weerszijden bomen en dat alles in vliegende vaart, en ik op die kap maar schreeuwen en gebaren van jewelste en die agenten maar proberen ons bij te houden.
Uiteindelijk zijn we ze kwijtgeraakt, maar genoten heb ik wel!

Later, hij werkte toen al bij Philips, had mijn broer het plan opgevat een motor te kopen, ook daarop reed ik dikwijls mee; we gierden dan door de bochten, ik achterop of in de zijspan, helemaal overhellend naar één kant.

Niet zo verwonderlijk eigenlijk, dat ik op latere leeftijd heel veel mannen maar saaie pieten vond...

Uit: „Gelukkig gisteren” van Marie-José van den Hout



copyright foto F.H.W. Verpoorten jr.








Nieuwsbrief 2

Nieuwsbrief 3
als pdf

Nieuwsbrief 4

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana