Nieuwsbrief nr. 39
ISSN 1386-6451
augustus 2012 - 19e jaargang nr. 2



Een uitgave van Roger Schenk en John Beringen, buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Kwakken in een kanaalRoger Schenk
Drie jongens en een caravan” als hoorspelJohn Beringen
Weggegooid.....Victor H. Huitink
D’66: opportunistisch en beginselloosVictor H. Huitink
BEslommeringen BEtreffende BEtekenaarsRoger Schenk
(Gast)column: Goud: 50 jaar Bob Evers (geen bloemen, geen kransen)Roger Verstraete
Enkele foto’s uit SłubiceRoger Schenk
Ja, ja, die mannenWEHE
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 12) :
Woordschilderen
Geerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen

Prijsschieten op een premiejager”: een update.
In de vorige Bob Evers Nieuwsbrief hadden wij de eer jullie aan te kondigen dat
Peter de Zwaan dan eindelijk begonnen was aan Bob Evers, deel 52: „Prijsschieten op een premiejager”. Sterker nog: het eerste hoofdstuk stond zelfs al op internet! Daarna kwam helaas, in afwachting van wat de heropgerichte Eekhoorn gaat doen, de klad erin. Al moeten wij met het schaamrood op ons kakement bekennen dat die „klad” ook voor een deel aan onszelf ligt. Wat wil namelijk het geval?
Schrijven is leuk, brengt „eeuwige” roem, geeft de auteur een bepaalde status, maar daar kan geen enkele schoorsteen ter wereld van roken. Peter de Zwaan kwam dus met een nog nooit eerder bedachte constructie op de proppen: hij kondigde aan dat hij de volgende negen hoofdstukken van „Prijsschieten op een premiejager” alleen dan zouden verschijnen wanneer 500 mensen één euro per hoofdstuk aan hem over zouden maken. Blijkbaar schuilt in de meeste Bob Evers-fans tóch een Jan Prins: de meeste mensen dachten namelijk: „Ja, maar wacht nou eens even. Als ik pakweg zeven keer één euro overmaak en 499 anderen dat ook doen, maar na acht hoofdstukken komt er één van die 500 nog levende Bob Evers-fans te overlijden, dan gaat het hele verdere feest niet door en heb ik maar liefst zeven hele euro’s betaald voor een incompleet boek.” Dit soort redenaties zorgde ervoor dat nog geen honderd fans bereid waren om die ene euro aan Peter over te maken!
Jongens (en meisjes!), waar blijft jullie goede Arie Roos-inborst? „Het leven is één permanente gok”, „geld moet rollen” en meer van dat soort kreten! Het doet ons ouwe hart goed te vernemen dat Peter de Zwaan op een goede dag op zijn website vermeldde dat de door hem bedachte constructie niet doorging, maar dat hij nadacht over een printing on demand-idee en dat in dat geval de Arie Rozen die deze gok voor één euro hebben gewaagd, het boek gratis - exclusief uiteraard de verzendkosten - zouden krijgen! Waarmee het aloude, zij het ietwat foute devies „Arie Roos wint op alle fronten!” dan toch eindelijk bewaarheid wordt: hij wint het in elk geval van de Jan Prinsen onder ons!
De voorkant van het boek is al min of meer klaar, zoals we hierboven kunnen zien. Zeg nou zelf: ziet die er niet vele malen beter uit dan wat Bert Zeijlstra ons tot nog toe heeft laten zien?

Redactionele BEslommeringen
Voor islamieten is een inktzwarte dag, zo tijdens de ramadan, een prettige aangelegenheid, maar voor ons, rood en geel gewende Bob Evers-fans toch iets minder! 23 juli j.l. was zo’n donkergekleurde dag. Op die dag maakten de Kleppe-broertjes wereldkundig dat zij met onmiddellijke ingang terug traden als redacteuren van hun eigen geesteskindje, de Bob Evers Nieuwsbrief. De oplettende lezer had dit ongetwijfeld al gezien aan de kop van de onderhavige Nieuwsbrief, net zoals het feit dat de in Bob Evers-kringen wereldberoemde John Beringen bereid werd gevonden om de redactie te versterken. Hans en Ton Kleppe zullen de aldus nieuw geformeerde redactie gelukkig wel met hun wijze raad en daad terzijde blijven staan.
Net als in de begintijd zal de redactie dus uit twee man bestaan, maar voor de rest is mettertijd zowat alles veranderd. In 1993, toen Nieuwsbrief nummer 1 verscheen, was het begrip „internet” nog slechts bij een enkeling bekend, zodat als distributiemedium logischerwijze voor bezorging per post werd gekozen. Hans Kleppe werkte bij een van de grootste fabrikanten van kopieerapparaten en kon op die manier gratis kopieën maken, eerst op A3- en later op A4-formaat. Op die zwart omrande avond van de 23e juli haalden Hans en Ton herinneringen op aan die begindagen van de Nieuwsbrief, namelijk hoe zij getweeën en gewapend met een nietmachine om een grote tafel vol stapels papieren heen cirkelden om de bladen in de juiste volgorde en voorzien van nietjes tot een keurige Nieuwsbrief te formeren. Het gerucht wil zelfs dat bij de samenstelling van de eerste paar Nieuwsbrieven nog ouderwetse scharen en potten lijm gebruikt zijn! Een sponsor, die onbekend wenst te blijven, zorgde vervolgens voor gratis enveloppen, waarin die Nieuwsbrieven terecht kwamen; Uitgeverij De Eekhoorn betaalde in die tijd de postzegels, maar het likken aan die dingen (ja, zo ging dat vroeger!) was wederom een taak voor de Kleppe-broers.
Een belangrijk moment was het verschijnen van „Bakkeleien in een Berlijnse bios” (1994), waarin het bestaan van de Nieuwsbrief werd vermeld. De oplage van de Nieuwsbrief steeg, mede hierdoor, binnen een paar jaar tijd van 250 naar 600 exemplaren, dus wij kunnen ons er wel een voorstelling van maken hoe veel er in Huize Kleppe rondgelopen, gevouwen, geniet en gelikt is. Nieuwsbrief 14 (juli 1999) was de eerste Nieuwsbrief die praktisch op hetzelfde moment in druk en op internet werd gepubliceerd. Redenen van kostenefficiency en productie-effectiviteit brachten Ton en Hans er drie jaar later toe te zoeken naar een mogelijkheid om met behulp van moderne technologieën de uitgave van de Nieuwsbrief voort te zetten. De redactie werd uitgebreid met Simon Kuipers, net als de Kleppes een langjarige Bob Evers-fan, die de verzorging van de Nieuwsbrief in een nieuw formaat op zich nam. De postbezorging werd afgeschaft en daarvoor in de plaats kwam met ingang van Nieuwsbrief 21 (oktober 2002) een e-mailversie. Nieuwsbrief 25 (augustus 2004) werd verstuurd naar 400 abonnees.
Na een tijdelijke onderbreking verscheen Nieuwsbrief 26 in januari 2006 op deze site; de plaats van Simon Kuipers in de redactie werd vanaf dat moment ingenomen door Roger Schenk. Omdat de Nieuwsbrieven zowel in html- als in pdf-formaat beschikbaar zijn, werd besloten de e-mailversie van de Nieuwsbrief af te schaffen. Nog steeds bereiken de redactie af en toe mailtjes en briefjes van mensen die zich willen abonneren op de Nieuwsbrief: dat is niet nodig, lieve mensen! De Nieuwsbrief blijft in principe tweemaal per jaar verschijnen, redactiewisselingen ten spijt.
Wij - Roger en John - betreuren het besluit van de Kleppes om na maar liefst 38 exemplaren van de Nieuwsbrief terug te treden, maar wij respecteren dat. Tenslotte willen wij namens alle lezers van de Nieuwsbrief Hans en Ton van harte bedanken voor hun bijna twintig jaar durende noeste arbeid, die dus langer heeft geduurd dan de „eigenlijke” Bob Evers-serie (als je alleen de 32 hardcovers meetelt) en de hoop uitspreken dat de Bob Evers-fans de Nieuwsbrief trouw zullen blijven, zowel met het aanleveren van kopij als met het lezen daarvan.

Nog een Lincoln Zephyr!
In de jaren ’60 - de hoogtijdagen van de Karl May-films en tevens 50 jaar na het overlijden van Karl May, waardoor de rechten in 1962 vrijkwamen - verschenen er ineens allerlei parafernalia op de markt: kwartetspellen, boekenleggers, ansichtkaarten, poppetjes, stickers, schaalmodellen, dia-series, noem maar op...: je kunt het zo gek niet bedenken. Gek genoeg waren het de Fransen die dit idee al snel overnamen voor hun eigen Astérix-serie en daarna werd de ondersteuning van boekenseries door souvenirs en prullaria een wereldwijde trend. Ook Nederland kon niet achterblijven, maar eigenlijk bleef de trend hier vrijwel beperkt tot stripverhalen en TV-series: de poppetjes, stickers en stickeralbums van Astérix, de Smurfen, Lucky Luke, Suske en Wiske en TiTa Tovenaar waren niet aan te slepen! Pas later zette deze trend zich vooral dankzij Harry Potter door naar „gewone” jeugdboeken.
O, was die Bob Evers-serie nou nog maar gewoon nieuw in de winkel te krijgen! Wij weten zeker dat er serie een enorme boost zou krijgen door allerlei parafernalia; helaas heeft Bob Evers deze slag net gemist: wat hadden wij mooie setjes autootjes uit de Bob Evers-serie kunnen sparen! Of Jan-, Bob- en Arie-poppen! Een schaalmodel van de „PH-XKY”, om nog maar eens wat te noemen. Alleen een kwartetspel lijkt niet op z’n plaats, omdat denken in viertallen nou eenmaal niet bij Bob Evers past. Nee, dan eerder een zakje Bob Evers-plaatjes bij iedere tien euro die je bij Albert Heijn besteedt: dat is weer eens wat anders dan die „eeuwige” voetbalplaatjes!

De 7 kristallen bollen

Lincoln Zephyr als schaalmodel,
compleet met Haddock, Kuifje en Bobbie

Maar een serie als Kuifje - stripboeken, daar heb je het al - kent natuurlijk wel allerlei mooie en minder mooie verzamelobjecten. Zo is er een serie miniaturen van auto’s uit de Kuifje-serie op de markt. De redactie van de Nieuwsbrief wist de hand te leggen op een schaalmodel van de auto van Kapitein Haddock in „De 7 kristallen bollen”. Het is een Lincoln Zephyr (model 1938), qua kleur „niet ongelijk aan de kleur van de uniformen van het Duitse Afrikakorps van generaal Rommel” (om maar eens een citaatje uit een ander boek dan Kuifje te gebruiken).
En daarmee komen wij inderdaad uit bij Bob Evers. Waarom laat Willy van der Heide zijn drie jongens uitgerekend in een gele Lincoln Zephyr rijden> Hij bezat ooit zelf een dergelijke auto, maar naar verluidt was die niet geel. Zou hij zich hebben laten inspireren door „De 7 kristallen bollen”? Qua tijd komt het inderdaad aardig uit: het Kuifje-deel verscheen in 1948. Overigens was het stripverhaal al langer klaar, maar de publicatie ervan werd onderbroken door de bevrijding in september 1944. Veel medewerkers van het blad „Le Soir” werden gearresteerd en in beschuldiging gesteld; ook Hergé (pseudoniem van Georges Remi, * 22/05/1907, † 03/03/1983) werd vier maal voor het gerecht gedaagd, maar nooit veroordeeld. Hij kreeg wel een publicatieverbod van twee jaar. In deze tijd hield Hergé zich bezig met het herzien van de vooroorlogse Kuifjes. Hee, waar hebben wij dat verhaal van dat niet veroordeeld zijn, maar wel een publicatieverbod krijgen opgelegd toch eerder gelezen...?
Terug naar het schaalmodelletje van de Lincoln Zephyr. Er zit zelfs een heus echtheidscertificaat bij, met wat technische gegevens over de auto. Omdat het hier tevens gaat om dé auto uit de Bob Evers-serie heeft de redactie van de Nieuwsbrief het zinvol geacht om (een deel van) dat certificaat hieronder af te beelden.



Van bijeenkomst naar bijeenkomst

Zoals jullie hieronder kunnen lezen, heeft een select groepje Bob Evers-fans op 30 juni j.l. het illustere dorpje Humbeek bezocht. Daar werd meteen een toespeling gemaakt op alweer een volgende bijeenkomst, op 29 september.
Een door Niek Eleveld onderschept telegram is het laatste zetje dat sommigen van jullie wellicht nodig hebben om naar jullie agenda’s te grijpen:
Van Genderen,
Stationsweg 26b,
Amersfoort.
Volgende zending speelgoedtreinen aan Uw firma wordt volgens afspraak zaterdag 29 september afgezonden, op gewone wijze per trein.
Dausenberg.
Wacht! Diezelfde agenda’s die jullie nu in je hand hebben, reiken - mits ze niet digitaal zijn - nog niet tot 2015, maar misschien is het wel handig om even in je achterhoofd te houden dat het Bob Evers Genootschap voornemens is om in het weekend voor of na 3 juni 2015 (de honderdste geboortedag van Wilhelmus Henricus Maria van den Hout) een grote bijeenkomst in Den Bosch en Vught te organiseren.
Zover is het echter nog niet. Eerst maar eens even het foto-verslag van de Humbeek-bijeenkomst lezen c.q. bekijken en een woord van dank uitbrengen aan de heren Degeling (voor het tracteren op Belgische frieten) en Verstraete (voor het tracteren op Amerikaanse frisdranken)!
Wat heeft de onderhavige Nieuwsbrief nog meer te bieden? Enkele oude verhalen en artikelen van de schrijver met wiens initialen alle websites te wereld beginnen, maar ook een, gelijk een blik Anton Hunink, uit de archieven opgedoken stuk hoorspel, een artikel over de diverse illustratoren van de Bob Evers-boeken, foto’s van de plaats Słubice, de bekende gastcolumn en de column Onder het vergrootglas van Geerten Meijsing.
Nieuwsbrief nummer 40 zal in januari 2013 verschijnen en in ieder geval een verslag van de 29 september-gebeurtenis bevatten. Voor de verdere inhoud van de eerste Nieuwsbrief van het jubileumjaar waarin deze twintig jaar bestaat, zijn jullie zelf (gedeeltelijk) verantwoordelijk, want de mailbox nieuwsbrief@apriana.nl wacht met smart op jullie bijdragen!






Kwakken in een kanaal
Roger Schenk

Bob Evers is zo’n on-Nederlandse serie: de avonturen spelen zich overal op de aardbol af,” zo hoor je zo vaak. Ja, de mensen die dat beweren, zullen ongetwijfeld gelijk hebben; een van de redenen waarom er tot op heden geen officieel Bob Evers-museum bestaat, is dat we te maken hebben met de vraag: waar zou een dergelijk museum dan moeten staan? Een heel andere situatie dus dan De Kameleon, die zich vrijwel op één plaats afspeelt en dientengevolge gemakkelijk een museum, sterker nog: een heel museumdorp, kon krijgen.
Maar goed, terug naar die „internationale” Bob Evers-serie. Waarom hebben wij, de bekende leunstoelavonturiers, al onze bijeenkomsten tot nu toe in Nederland gehouden? Tijd om onze vleugels eens uit te slaan en een locatie in het verre buitenland op te zoeken! In dit geval dus Humbeek, het decor van „Kunstgrepen met kunstschatten”, „Bombarie om een bunker” en - hors catégorie (of liever gezegd: hors série) - „De smokkelvaart van de ‘Maia’”. Op 30 juni j.l. was het zover en trokken de Bob Evers-fans die niet bij de grens werden tegengehouden, „massaal” naar het bekende kanaal, teneinde te keuvelen en een aantal symbolische handelingen te verrichten. Hieronder een korte foto-impressie; meer foto’s zijn uiteraard elders op deze website te vinden.

In de tijd waarin de drie genoemde boeken zich afspelen, bestond deze brug niet: de oude brug is tegen
het einde van de Tweede Wereldoorlog vernietigd en dit enorme exemplaar - op de groei gekocht? - werd
pas in 1968 gebouwd. Het klopt dus, dat Jan, Bob, Arie en Parsons om bij het huis van Kresse te komen,
eerst richting Brussel moesten rijden en vervolgens langs de andere oever weer noordwaarts. Wat niet
lijkt te kloppen, is de naam „De Maritiem”, die Willy van der Heide aan dit kanaal gaf: de officiële naam
is Zeekanaal Brussel - Schelde
.

Ja, dit verzin je in je stoutste koortsdromen niet!
Uitgerekend op de dag dat
Bob Evers-fans Humbeek bezoeken, is een „kunstmagneet” bezig schilderijen
uit een Humbeeks huis te halen. Geen zinken kokers, geen holle vliegtuigvleugels en zelfs geen open-
gewerkte kap van een tomaatrode „vooroorlogse” (!) Ferrari, maar gewoon in een Citroënbusje
.

„Vóór wij in konden grijpen had Rob van Renssen een oud colaflesje met een zwieperd [...] het kanaal in
geplompt.” (vrij naar „
Bombarie om een bunker”).
Maar in tegenstelling tot het boek kwamen er ditmaal géén twee protesterende kreten. Het flesje zat keu-
rig aan een touwtje en werd snel weer uit het kanaal gehaald, dus Jan hoefde niet te krijten vanwege het
statiegeld, en een oude visser, die zou kunnen schreeuwen dat op die manier alle vissen aan het schrik-
ken werden gebracht, was in geen velden of wegen te bekennen. Wél enkele belangstellende Belgen aan
de overkant van het kanaal; wij weten in elk geval zeker dat er sindsdien in Humbeek enkele nieuwe mop-
pen over gierige ’Ollanders de ronde doen: ze vissen hun eigen flesjes weer op vanwege het statiegeld
...

Ook moest er natuurlijk een lichtgrijze Ford het kanaal in gekwakt worden. Na afloop van de „plechtig-
heden” werden het historische colaflesje en de historische Ford met het Humbeekse kanaalwater er
nog aan overhandigd aan de schrijver dezes in verband met de mogelijke oprichting van een
Bob Evers-
museum(pje). Dus tóch?
...

Al eerder had ik, geen vier, maar slechts twee-en-een-halve kilometer ten noorden van Humbeek, langs
de kanaaldijk de restanten van een huis ontdekt: vierkante stenen, dat kon dus nauwelijks iets anders
dan het huis van Kresse zijn geweest! Om het „Bombarie”-gevoel te completeren werd ter plekke een
maquette van een U-vormig huis in de hens gestoken
.

Heel de club is weer bijeen, allemaal gekken, allemaal gekken”:
v.l.n.r. Giel Kerssens, Roger Verstraete, Fred de Koning, Rob van Renssen, Gijs Craushaupt,
Roger Schenk, Leon Degeling, Arie van der Zouwen, Adriaan van Lidth de Jeude, John Beringen en
André Rouwenhorst.
Enkele van deze illustere figuren treffen jullie ook elders in deze
Nieuwsbrief aan.
Danny Engelman staat niet op de foto, want hij bevindt zich aan de andere kant van de camera
.






Drie jongens en een caravan” als hoorspel
John Beringen

In 1954 zond de KRO radio op de zaterdagmiddag een kinderprogramma met de titel „De Wigwam” uit.
Dat duurde in totaal 40 minuten. Soms liep het van 17.00 u - 17.40 u, soms van 17.20 u - 18.00 u.
In „De Wigwam” waren altijd twee onderwerpen: een hoorspel en muziek voor kinderen. De ene keer zorgde „de Jeugdbond zonder naam” voor een muzikaal intermezzo en de ander keer waren het weer „de Karekieten” die hun zangkunst ten gehore brachten. „De Karekieten” begeleidden „Kleine” Heleentje van Kapellen op haar megahit „Naar de speeltuin”, bij ons vooral bekend in de Arie Roos-versie uit „Een dollarjacht in een D-trein”.
Maar wij interesseren ons uiteraard alleen voor het hoorspel, want op 4, 11, 18 en 25 september en 2, 9, 16 en 23 oktober kon men luisteren naar „Drie jongens en een caravan”. En daarvan is het script van deel acht (het laatste deel dus) boven water gekomen. Afgaande op de lengte hiervan, kunnen we voorzichtig stellen dat één deel rond een kwartier geduurd moet hebben (in de radiogidsen staan de twee onderwerpen uit „De Wigwam” niet apart aangeduid qua tijdsduur). Ook wist ik de rolverdelingen boven water te krijgen, d.w.z. van deel 1 t/m 6. Dat houdt dus in dat we niet weten wie de rollen speelden van Bardoux en chauffeur Etienne. Maar desondanks mag hem dat de pret niet drukken.
Van de personen die hun stem leenden voor dit hoorspel, zijn er nog maar een paar in leven, te weten Johan Wolder (Jan Prins), thans 90 jaar oud en Willy Brill, (Yettie Sanders) thans 85 jaar oud. Over Henk Josso is niets bekend. Last but not least: de regisseur, Leon Povel, leeft ook nog steeds. Hij is in december j.l. 100 jaar geworden.
Nog één interessant feitje: in dit hoorspel werd Bob Evers gespeeld door Jan Borkus. De naam zal de meesten niet veel zeggen, maar Borkus gaf zijn stem aan Brains in de Nederlands nagesynchroniseerde afleveringen van de „Thunderbirds”. En hij gaf ook zijn stem aan de walrus „Gompie” en de vos „Ritsaart” uit de poppenserie „Het koerhuis van pappa Wirrewarre”, in de jaren ’60 op TV; en dat programma was weer geïntegreerd in het kinderprogramma „De kijkkast” De wat ouderen onder ons zullen zich daar wellicht nog iets van kunnen herinneren. Maar genoeg min of meer interessante weetjes. We gaan nu naar het script van deel 8 van „Drie jongens en een caravan” en kunnen constateren dat sommige woorden niet door dezelfde personen als in de boekversie worden gesproken.

De rolverdeling: („d” = dubbelrol)
Bob Evers
Jan Prins
Arie Roos
Graham
Chauffeur 1
Chauffeur 2
Mevrouw Roos
Yettie Sanders
Monteur
Dienstmeisje
Amerikaan
Dhr. Sanders
Agent 1
Eerste man
Agent 2
Stem a
Stem b
Gendarme
Kippenboer
Taxichauffeur
George, chauffeur
Jan Borkus
Johan Wolder
Erik Plooyer
Nico de Jong
Peter Aryans
Frans Somers
Miep v.d. Berg
Willy Brill
Jo Vischer
Willy Brill   (d)
Peter Aryans    (d)
Daan van Ollefen
Jo Vischer    (d)
Guus Verstraete
Wam Heskes
Guus Verstraete    (d)
Henk Josso
Rien van Noppen
Anton Burgdorffer
Jo Vischer    (d)
Piet te Nuyl
Regie: Leon Povel.

TITEL:

AUTEUR:
PERSONEN:
DRIE JONGENS EN EEN CARAVAN - VIII
(opname: 3 september 1954 - uitzending: 23 oktober 1954)
Willy van der Heide
Arie Roos
Jan Prins
Bardoux         - (sprekend met Frans accent)
Chauffeur Etienne          - (alleen in dit deel)
Yettie Sanders
       geen dubbelrollen

OMROEPER:

En nu: ons vervolgverhaal!
(EERSTE DRIE MATEN VAN „YANKEE DOODLE” IN SNEL MARSTEMPO)
Drie jongens en een Caravan”.
(VIERDE EN VIJFDE MAAT, IDEM TEMPO)


ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Toen George, de chauffeur van Sanders, aan de Amerikaanse smokkelaar had verteld, dat de 50.000 dollars weer bij ons op de kampeerwagen lagen, was het één uur in de nacht. Men zou verwachten, dat onze Amerikaan, met het pistool in de vuist bij ons binnen zou komen stuiven. Maar dat gebeurde toch niet. Mogelijk kwam dit, omdat Jan alle ramen had gesloten en de schuifdeur van binnen op slot gedraaid. Hij sloot zelfs het raampje boven het bed, waarop ik me zat uit te kleden.

ARIE ROOS:

Hei, zeg! Ben je bang dat ik kou vat?

JAN PRINS:

De overeenkomst tussen walvissen en jou is: dat jullie beide een speklaag bezitten, die jullie beschermt tegen overmatig afkoelen. Ik sluit de ramen niet tegen de kou, maar tegen het binnendringen van Amerikaanse dollarsmokkelaars!

ARIE ROOS:

Goed zo, getrouwe waakhond. Als je onraad hoort, geef dan twee korte scherpe blaffen.

JAN PRINS:

Ik zal je twee korte, scherpe klappen op je kop geven. Nou goed?

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Wij sliepen die nacht als bakstenen en we sliepen nog, toen een gebons op de deur en getik tegen de ruiten ons wekten. Ik keek op mijn klokje. Het was half negen in de ochtend.

JAN PRINS:

Wie is daar?

BARDOUX:

(VAN BUITEN)
Allons, ouvrez!

BOB EVERS:

Hei - wat is er aan de hand?

JAN PRINS:

Kleed je aan, joh! Er staat buiten een knaap Frans te gillen.

BOB EVERS:

Is hij nou dol! Frans om half negen in de morgen!

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Jan schoot een broek en short aan, draaide de sleutel van de buitendeur om en rolde die opzij. Beneden, onderaan het trapje, stond een kleine man, in een grijze streepjesbroek met een zwart jasje. Zijn schoenen waren glimmend gepoetst en over zijn arm hing een keurig opgerolde parapluie.

BARDOUX:

Bonjour, messieurs. Mijn naam is Bardoux. Ik heb een brief ontvangen van mijn vriend Graham. En ik ben u een eindweegs tegemoet gekomen. Mag ik binnenkomen?

JAN PRINS:

Maar natuurlijk. Komt u binnen.
(VOETSTAPPEN OP DE VLOER)
Het is hier een beetje eh... rommelig... Arie!! ... Koffie maken!

BARDOUX:

Jullie weten waarschijnlijk, dat Graham en ik oude vrienden zijn. En dat wij samen een paar weken in deze caravan zouden rondtoeren.

BOB EVERS:

Daar weten we alles van.

BARDOUX:

Welaan, jonge lieden. Ik dank jullie hartelijk voor wat je tot dusver hebt gedaan. Het is in één woord keurig! Maar ik vind niet, dat ik nog verder beslag moet leggen op jullie kostbare vacantietijd.

JAN PRINS :

U bedoelt, dat wij de caravan niet verder hoeven te brengen?

BARDOUX:

Precies, jongeman. Ik kan hier de wagens wel overnemen met de verantwoordelijkheid ervoor. Jong als jullie zijn, zal die verantwoordelijkheid zwaar hebben gewogen...

JAN PRINS:

Nou... zó vreselijk lastig wás het niet.

BOB EVERS:

Luistert U eens: hoe weten wij, dat u inderdáád Bardoux zelf bent?

JAN PRINS:

Ja - kunt u zich misschien legitimeren?

BARDOUX:

Maar natuurlijk, jongeman. Ik ben zeer verheugd, dat jullie mij dat vragen. Het is een bewijs van verantwoordelijkheidsgevoel... Hier is mijn Franse paspoort, mijn rijbewijs, enkele brieven door mijn bank aan mij gericht en ten overvloede is hier nog een brief, door Graham zelfs aan mij geschreven, aan mijn hotel in Zwitserland, waarin hij mij mededeelt, dat jullie deze caravan naar Zuid-Frankijk zouden rijden.

JAN PRINS:

Mag ik die papieren ook even bekijken?

BARDOUX:

Is het allemaal... in orde?

BOB EVERS:

Voor zover ik kan zien, volkomen in orde.

JAN PRINS:

Ha. Daar is Arie met de koffie!

ARIE ROOS:

Veel of weinig suiker, meneer Bardoux?

BARDOUX:

Helemaal geen suiker.

ARIE ROOS:

Alstublieft.

BARDOUX:

En als wij deze uitstekende koffie hebben opgedronken, heb ik nòg een verrassing voor jullie. We gaan even de stad in om voor elk van jullie drieën een cadeautje uit te zoeken voor de keurige manier, waarop je deze wagen hierheen hebt vervoerd.

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Wij konden weinig anders doen, dan beleefd te zeggen, dat het heel erg vriendelijk was. Het viel ons wel een beetje koud op het lijf. We hadden min of meer gerekend op een tocht naar het zuiden van Frankrijk en nu ging dat alles in rook op.

BARDOUX:

Zijn jullie klaar, of moeten jullie je nog speciaal omkleden?

JAN PRINS:

Heeft U er geen bezwaar tegen, dat wij in deze costuums meegaan?

BARDOUX:

Natuurlijk niet. We gaan niet naar een receptie van de Franse President. Kom maar mee.

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Bardoux ging ons vóór naar de hoofdweg, waar een roodbruine, gesloten auto stond te wachten met een chauffeur aan het stuur. Bardoux ging vóórin zitten, wij met z'n drieën achterin en we rolden weg, naar de stad Bergen. Tien minuten later stopten wij voor de ingang van een groot warenhuis, waar onze cadeautjes zouden worden gekocht. Bardoux, Jan en Bob gingen naar binnen door de draaideur, maar ik bleef een beetje achter, liep terug naar de auto en sprak de chauffeur aan...

CHAUFFEUR:

Goeden morgen, Monsieur!

ARIE ROOS:

Wil jij intussen een kop koffie drinken of een pakje sigaretten kopen? Hier zijn vijftig francs.

CHAUFFEUR:

Merci bien, monsieur. Dat is erg vriendelijk van u monsieur.

ARIE ROOS:

Jullie hebben ons verdraaid gauw gevonden. Het is anders geen kleinigheid, een kampeerwagen op te zoeken die ergens tussen Brussel en Parijs zwalkt.

CHAUFFEUR:

Dat was toch zo lastig niet, Monsieur? De baas wist toch, waar hij stond. Bij Bergen.

ARIE ROOS:

Och ja, natuurlijk. Ik ga weer naar binnen, anders weet Bardoux niet waar ik blijf.

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Daarna hield Bardoux ons zeker twee uur bezig. Jan kreeg een nieuw leren portefeuille. Bob een zilveren windmolen om de punten van sigaren mee te knippen voor zijn Amerikaanse familie en ik kreeg een nieuwe vulpen. Wij vonden het toen welletjes, maar Bardoux sleepte ons mee naar de lunchroom en stond er op, dat wij daar wat zouden eten. We hadden er helemaal geen zin in, want Bardoux was een vervelende zeurkous, maar hij hield ons vast tot een juffrouw naar ons tafeltje toekwam.

JUFFROUW:

Monsieur Bardoux? Er is telefoon voor U. In die cel daar.

BARDOUX:

Excuseer mij een ogenblik, jongens.

ARIE ROOS:

Dàt is grappig. Zou hij van tevoren gezegd hebben, dat hij hier ging eten?

JAN PRINS:

Het kan toch zijn chauffeur zijn, joh! Zoek niet overal iets achter.

ARIE ROOS:

Antwoord mij op één vraag, goede vriend Jan: hóé wist Bardoux, waar onze caravan ergens stond? Hij wist het precies, want hij zei zijn chauffeur, waar hij heen moest rijden.

BOB EVERS:

(LANGGEREKT)
Dàt is grappig.

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Op dat ogenblik kwam Bardoux terug in een niet al te best humeur. Hij rekende meteen af en vroeg toen:

BARDOUX:

Hoe laat willen jullie terug gaan naar Holland en hoe?

JAN PRINS:

Per trein. We hebben geld genoeg.

BARDOUX:

Allons. Ik zal jullie terugbrengen. Pak je bagage en ik rijd je naar het station. Bon?

JAN PRINS:

Bon.

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Ik stond bij mijn bed mijn koffers in te pakken, toen Jan binnen kwam stuiven.

JAN PRINS:

Arie!... Er is iemand in de caravan geweest!

ARIE ROOS:

Hoe weet je dat?

JAN PRINS:

Al mijn bullen liggen door elkaar en je weet hoe precies ik ben.

ARIE ROOS:

Ik dacht het ook, zie je. Mijn klokje hier stond op het tafeltje en toen ik binnenkwam stond het op het boekenrek.

JAN PRINS:

Dan had jij tòch gelijk. Die Bardoux heeft ons meegenomen om intussen deze wagen te laten afsnuffelen.

BOB EVERS:

Jan! Arie! Er heeft iemand in mijn rommel gezeten!

JAN PRINS:

Weten we allang. Vertel ons eens iets nieuws!

BOB EVERS:

Maar wie kan dat geweest zijn?

ARIE ROOS:

Als je het mij vraagt: de chauffeur van Bardoux. We zijn bij elkaar zowat twee uur weggeweest. Tijd genoeg voor hem om alles te doorzoeken.

JAN PRINS:

Om wàt te zoeken?

ARIE ROOS:

(SARCASTISCH)
Kievitseieren, is het nou goed?

BOB EVERS:

Die 50.000 dollar, bedoel je?

ARIE ROOS:

Ja... wat dacht je?

JAN PRINS:

Ik heb er tabak van. Ze kunnen het lieve rambam krijgen. Ik ga naar het station en hoe eerder hoe liever.
(WEGLOPENDE VOETSTAPPEN)

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Intussen liet Bardoux ons volkomen met rust. Hij kuierde de weg op en af, liep wat om de caravan heen en bemoeide zich niet met ons, vóór wij gepakt en gezakt op het balcon verschenen.

BOB EVERS:

Wij zijn klaar, monsieur Bardoux.

BARDOUX:

Prima, prima. Is dat al je bagage?

JAN PRINS:

Dat is alles, ja. Kunnen we nu naar het station?

BARDOUX:

Eén ogenblik, jongelieden... we zijn nog niet helemaal klaar. Ik ben tegenover mijn vriend Graham verplicht, even te controleren, of jullie niets van de inventaris van zijn caravan hebt meegenomen...

BOB EVERS:

Luister eens, Meneer Bardoux... Ik neem aan dat Mr. Graham ons niet voor niets zijn caravan toevertrouwde.

JAN PRINS:

Dacht U soms, dat wij iets zouden stelen?

BARDOUX:

Geenszins, jonge vriend. Ik verwacht geen ogenblik, dat jullie iets hebben meegenomen. Geen seconde. Maar ik wil aan Graham kunnen verklaren, dat ik alles heb gecontroleerd en in orde bevonden. Geloof mij - in zaken doen we precies zo.

JAN PRINS:

Behalve dan toch het nasnuffelen van persoonlijke bagage. Dat is een belediging, Meneer Bardoux.

BARDOUX:

Dat is een kwestie van opvatting. Mijn chauffeur zal jullie spullen even nagaan. Etienne - ga je gang.

JAN PRINS:

Oh, best. Als Uw chauffeur graag in mijn vuile sokken grasduint, is hij welkom en hoe eerder ik hier verder weg ben, hoe liever. Ga Uw gang.

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Wij gingen naast elkaar op het onderste treetje van het trapje zitten, pelden een reep chocolade af en wachtten af. De chauffeur had de eerste koffer geopend en begon ze systematisch na te zoeken. Het duurde twintig minuten. Bardoux stond aandachtig en zwijgend toe te zien. Toen de laatste koffer gesloten was, stond de chauffeur op en schudde het hoofd tegen zijn baas.

JAN PRINS:

Niets gevonden, meneer Bardoux?

ARIE ROOS:

Ik heb zo’n idee jongens, dat meneer Bardoux denkt, dat wij de dollars in onze zak hebben.

BOB EVERS:

Als hij dat denkt, laat hij dan onze zakken nazoeken, dan zijn wij van het gezeur af.

JAN PRINS:

Begint U maar met mij, meneer Bardoux!

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Wij dachten niet, dat hij het doen zou, maar waarachtig! Bardoux stapte naar voren en begon onze jassen en broekzakken te bekloppen... Hij vond natuurlijk niets en toen hij achteruit stapte, was hij een beetje wit om zijn neus.

BARDOUX:

Jullie kunnen gaan. Het is in orde.

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Bob stond naar de lucht te kijken; ik stond Bardoux in zijn gezicht uit te lachen, maar Jan Prins werd nijdig. En hij barstte los:

JAN PRINS:

(NIJDIG)
Ik heb het spelletje nu helemaal dóór, meneer Bardoux! Van Uw vriend Graham wist U, dat er een caravan van Holland naar Frankrijk zou rijden. U vond dat een pracht gelegenheid voor een handig smokkeltje met dollars. U had een handlanger of een vriendje, die het geld in de binnenband van een autowiel stopte en 's nachts dat wiel met één van onze wielen verruilde. Maar de boel liep in de war, toen wij aan Sanders uit Eindhoven, die een lekke band had, een wiel afstonden. Datzelfde wiel. Toen zaten de dollars in Eindhoven.

BOB EVERS:

En nu zijn ze zoek.

ARIE ROOS:

Hélemaal zoek!

JAN PRINS:

Maar één ding staat vast, meneer Bardoux, WIJ hebben ze niet.

ARIE ROOS:

En een ander ding staat óók vast, meneer Bardoux: als wij nog één keer last hebben van U, of van Uw lange Amerikaanse handlager, met een voorliefde voor slappe hoeden, vertellen wij het hele verhaal aan de deviezendienst van de Nederlandse Bank.

BOB EVERS:

En bovendien, meneer Bardoux, wat nog wel zo onaangenaam is, zal ik dan Uw vriend Graham inlichten die dan vermoedelijk niet meer Uw vriend zal zijn. Goeden middag, meneer Bardoux.

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
We namen onze koffers op en wandelden naar de hoofdverkeersweg. Bardoux stond volkomen onbewegelijk en zei geen woord. Wat kon hij ook zeggen? Alleen, dat hij van niets wist, maar daar kreeg hij ook zijn geld niet mee terug... Een half uur later zaten wij in de sneltrein naar Brussel.
(INFADEN SNELTREINWIELEN)

JAN PRINS:

Nou, wij hebben onze taak verricht. Die kampeerwagen afgeleverd aan Graham’s boezemvriend en zakenrelatie.

ARIE ROOS:

Fijne boezemvriend en zakenrelatie! Als Graham ooit dat verhaal van die gesmokkelde dollars hoort, slaat hij Bardoux dwars het Nauw van Calais over.

BOB EVERS:

Wat moeten wij nu eigenlijk met die 50.000 dollars aan?

ARIE ROOS:

We kunnen ze natuurlijk beschouwen als een onderdeel van de Marshall-hulp aan Europa.

JAN PRINS:

De Marshall-hulp aan Sanders’ zijn chauffeur dan toch, want die heeft ze.

BOB EVERS:

Maar wáár?

JAN PRINS:

We moesten toch maar eens even in Eindhoven op de Stratumsedijk gaan neuzen. Want als Sanders en zijn chauffeur ruzie krijgen en die dollar-kwestie komt bij de politie terecht, worden wij natuurlijk óók genoemd...

ARIE ROOS:

... en dan zullen een paar kerels ons wel eens manhaftig aan de oren komen trekken om te vragen, waarom wij niets gezegd hebben.

JAN PRINS:

En verklikkertje spelen? Ammenooitnie!

BOB EVERS:

Maar luister nou eens even, Jan! Als wij doen alsof onze neus bloedt, worden we automatisch medeplichtig. Maar als we aangifte doen, zijn we verklikkers.

ARIE ROOS:

Ja, dat zeg je nou wel, maar aangifte waarvan?

JAN PRINS:

Van deviezensmokkel natuurlijk!

ARIE ROOS:

Wèlke deviezensmokkel? Er is helemaal niet gesmokkeld.

BOB EVERS:

Verduveld ja! Die dollars zijn de grens nooit over geweest.

JAN PRINS:

Maar is de póging tot smokkel dan niet strafbaar?

ARIE ROOS:

Luister nou eens Jan, nu moet je het niet te ver gaan zoeken. Wij wisten van die dollars minder dan niets af tot het ogenblik, dat Sanders ze vond.

JAN PRINS:

Klopt.

ARIE ROOS:

Het enige wat er dus gebeurd is, blijft dat Sanders 50.000 dollars heeft gevonden. Dus Sanders moet aangifte doen en niet wij.

BOB EVERS:

Is dat werkelijk zo?

ARIE ROOS:

Ja, natuurlijk. Als jij op straat ziet, dat ik een portefeuille vind, moet IK bij de politie aangifte doen omdat ik hem gevonden heb. Maar jij hoeft je er niet mee te bemoeien!

JAN PRINS:

Dat is zo. Maar laten we in ieder geval in Eindhoven maar even gaan vragen of er nog nieuws is.
(UITFADEN SNELTREINWIELEN)

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Maar zoals bijna altijd, gebeurde er nu weer het onverwachte. Wij namen in Eindhoven een taxi en reden naar de villa van Sanders. Zodra wij uitstapten, kwam Yettie naar buiten stuiven.
(GELUID STOPPENDE AUTO)

YETTIE SANDERS:

Zijn jullie daar? Heb je het al gehoord? George, de chauffeur, ligt in het ziekenhuis in Turnhout!

JAN PRINS:

Hoe is dat zo ineens gekomen?

YETTIE SANDERS:

Wij werden net opgebeld door de politie in Turnhout. Hij reed in vliegende vaart een kruispunt voorbij en kwam boven op een vrachtauto!

BOB EVERS:

Is het ernstig met hem?

YETTIE SANDERS:

Hij is er vrij goed afgekomen. Een gebroken arm en een platte neus of zoiets.

JAN PRINS:

Wanneer is het gebeurd?

YETTIE SANDERS:

Vanmiddag. Paatje is met een taxi naar hem toe. George moet hier vannacht stiekem zijn teruggeweest om zijn kleren op te halen, maar we hebben hem niet gehoord. En het allergekste is...

ARIE ROOS:

Wàt is het allergekste?

YETTIE SANDERS:

De politie belde op, want hij had 50.000 dollars in de zakken van zijn jasje.

JAN PRINS:

Wat een sufferd!

BOB EVERS:

De verleiding is hem toch te sterk geworden.

JAN PRINS:

Nou - dat lost dan meteen alles op. De chauffeur een schudding aan zijn hersens als straf en de politie heeft de dollars.

ARIE ROOS:

Naar het station, jongens en naar huis!

JAN PRINS:

Oké. Chauffeur, station!

ARIE ROOS:

(VERHALEND)
Wij doken weer in onze taxi en stoven terug naar het station. Jan zat te grinniken:

JAN PRINS:

Die sufferd van een chauffeur! Hij had die dollars in Holland moeten laten. Nu heeft hij wèl deviezen gesmokkeld, want Turnhout ligt nèt over de grens in België.

BOB EVERS:

Nou - dat hebben we weer achter de rug.

ARIE ROOS:

Hoho - we zijn er nog niet helemaal.

BOB EVERS:

Wat dan nu weer?

ARIE ROOS:

We moeten nog een afrekening maken voor Graham.

JAN PRINS:

Oja. Mooie afrekening zal dat worden! Eén caravan naar Bergen gebracht. Taxikosten Eindhoven-Bergen f. 140,-.

ARIE ROOS:

Hij zal denken, dat we die caravan met een taxi hebben laten slepen om de motor te sparen.

BOB EVERS:

En we moeten ook nog een rapport schrijven over wat er, volgens ons, aan die caravan ontbreekt.

ARIE ROOS:

Ik weet wèl, wat er volgens Bardoux aan ontbreekt.

JAN PRINS:

O ja, wat dan?

ARIE ROOS:

(GRINNIKEND)
50.000 dollars.

(GONGSLAG)

(SLUITEN MET 8 MATEN „YANKEE DOODLE” IN SNEL MARSTEMPO)



Hilversum, 3 september 1954

Natuurlijk wil de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief u de gezichten van de drie hoofdrolsprekers niet onthouden:

Johan Wolder
* 1922
„Jan Prins”

Jan Borkus
* 19/09/1920 , † 29/10/2007
„Bob Evers”

Erik Plooyer
* 16/10/1933 , † 05/01/1988
„Arie Roos”






Weggegooid.....
Victor H. Huitink

Tussen 1968 en 1970 - mogelijk langer - verscheen het rechtse tijdschrift Rechts-Om, met als devies: „Nationaal en Onafhankelijk”. Het postadres was Darwinplantsoen 9, Amsterdam.
Naast uiteraard talloze artikelen waarin de loftrompet werd gestoken over „bevriende” regimes in Zuid-Afrika ten tijde van de Apartheid en Griekenland onder de kolonels en bijna nog meer artikelen waarin de intense afschuw werd uitgesproken - nee: uitgespuwd - over regimes in Cuba en de Sovjet-Unie, vakbewegingen en de Verenigde Naties, was het natuurlijk onvermijdelijk dat wij de schrijver die zichzelf in dronken toestand omschreef als „de laatste levende fascist van Nederland” in dit blad zouden tegenkomen. En ja hoor: Willem van den Hout schreef onder het pseudoniem Victor H. Huitink minimaal vijftien columns voor dit blad.
Hieronder geeft de redactie van de
Bob Evers Nieuwsbrief twee van die columns weer; als je deze gelezen hebt, heb je ze eigenlijk allemaal gelezen. De redactie heeft voor de onderhavige columns gekozen omdat de erin aan de kaak gestelde thema’s ook bij de komende verkiezingen eigenlijk nog steeds actueel zijn: „Weggegooid.....” uit 2e jaargang nr. 9 (19 juli 1969) en „D’66: opportunistisch en beginselloos” uit diezelfde jaargang nr. 23 (30 mei 1970 - de jaargangen liepen blijkbaar niet volgens kalender-, maar volgens schooljaren); ten slotte wijst de redactie er met nadruk op dat het in de columns gestelde de mening van Willem van den Hout - alias Victor H. Huitink - was en niet die van de redactie!


Wie weet hoe en waaraan onderontwikkelde landen de door hen ontvangen leningen en geldschenkingen besteden en wie de huidige economische situatie en ontwikkeling van ons eigen land kent, zal zich permanent ergeren aan de hoogst bedenkelijke wijze waarop linkse politici om verhoging van de overheidssteun aan de ontwikkelingslanden blijven leuren.
Het is deze slecht geïnformeerde linkse politieke leiders kennelijk niet bekend, dat verhoging van de financiële steun in vele gevallen geen zin heeft. Want wegens de nog zeer gebrekkige economische infrastructuur van de meeste onderontwikkelde gebieden zijn verscheidene daarvan niet eens in staat het hun toegestane crediet ten volle te benutten!
Als pleiters voor vermeerdering van ontwikkelingshulp zich ooit verdiept hadden in de vele rapporten en verslagen, die door de hulpverlenende regeringen, nationale en internationale ontwikkelingsfondsen en VN-organisaties zijn gepubliceerd, wisten ze iets van de onoordeelkundige en onverantwoordelijke wijze waarop geleende en geschonken gelden worden besteed. Daardoor en door kinderlijke spilzucht zijn reeds miljarden dollars verloren gegaan, onder andere aan prestige-projecten. Van deze groots opgezette projecten zijn vele onvoltooid gebleven en aan het spel der natuurelementen prijs gegeven. En die wel afgebouwd zijn moeten nog hun nut bewijzen!
Linkse politici weten blijkbaar ook niet, dat de onderontwikkelde landen - op enkele verstandig bestuurde jonge staten na - ieder jaar veel meer uitgeven dan zij ontvangen. Daardoor hebben zij voortdurend met een steeds groter deficit te kampen. Met de betaling van de zich accumulerende rente voor de geleende enorme bedragen heeft men de grootste moeite en aan aflossing van de hoofdsom is men amper toe. Zij komen er niet meer uit, zelfs niet door middel van een amortisatie met behulp van nieuwe leningen tegen lagere rente en langere looptijd. Hun schuldenlast wordt steeds groter, terwijl hun inkomen, produktie en produktiviteit niet navenant stijgen.
Het is onze linkse pleitbezorgers voor meer ontwikkelingssteun blijkbaar ook niet bekend, dat de meeste jonge staten er coûte que coûte naar streven in zeer korte tijd op hetzelfde levenspeil te komen als dat van de onwikkelde - sic! - staten, een statusniveau waarvoor honderden jaren nodig zijn geweest. In verscheidene van die jonge staten, waar in verband met de zeer vruchtbare bodem aan een snelle agrarische ontwikkeling prioriteit moest worden gegeven, verrezen kapitaalintensieve industrieën. Daarvan hebben de produkten niet eens voldoende debiet in eigen land, terwijl ze wegens afwezigheid van buitenlandse vraag ook niet uitgevoerd kunnen worden. De in die industrieën geïnvesteerde kapitalen werpen niet alleen geen vrucht af, maar moeten wegens stillegging als verliesposten worden afgeschreven! Men moet en zal echter fabrieken oprichten, omdat industrieën cachet geven en bijdragen tot verhoging van aanzien en prestige!
Door links en ultra-links wordt voortdurend aangedrongen op beperking van onze defensiebegroting, om de ontwikkelingslanden meer steun te verlenen.
Maar als wij de bewapening van de ‘arme’ landen en de kosten ervan bij hun nationaal inkomen vergelijken zien we, dat we procentueel veel minder voor onze defensie uitgeven. In dit opzicht zijn de Afrikaanse en Arabische landen treffende voorbeelden.
De economische ontwikkeling van de jonge staten kan ook met behulp van buitenlandse investeringen worden bevorderd. Maar de buitenlandse ondernemers blijven weg, omdat zij hun geld niet willen steken in ondernemingen, die vroeg of laat toch door de gastlanden worden genationaliseerd.
De vrije wereld geeft met volle handen, omdat zij bevreesd is voor communistische invloed in de ontwikkelingslanden. Die vrees is echter ongegrond. Immers, het Sowjetblok heeft in de periode 1954/1964 $ 6,4 miljard toegezegd. maar niet meer dan $ 2 miljard daarvan geëffectueerd. Deze $ 2 miljard steekt wel heel erg schriel af tegen het reeds door de OESO-landen in diezelfde periode verstrekte bedrag ad $ 70 miljard!
Frenetieke pogingen van linkse politici om Nederland ertoe te brengen nog meer miljarden in dit Danaïdenvat te storten, getuigen van volslagen gebrek aan verantwoordelijksbesef - sic!.







D’66: opportunistisch en beginselloos
Victor H. Huitink

Op het jongste congres van D’66 is wederom gebleken dat deze partij beginselloos is.
Elsevier schrijft zelfs met nadruk dat D’66 geen gezicht heeft. Dat klopt, want ze zou door haar pragmatisme of opportunisme wel eens haar gezicht kunnen verliezen Toch blijft D’66 het electoraat nog steeds voorhouden dat zij met vernieuwingen wil komen om de Nederlandse politiek een nieuw gezicht te geven. En dat wordt al ruim drie jaar beloofd door een partij die zelf nog helemaal geen gezicht kan tonen en nog steeds geen beginsel of grondslag heeft voor een politieke nieuwbouw!
Zeven leden van het D’66-hoofdbestuur, onder wie mr. J. A. Nagtegaal, zijn naar de DDR (Oost-Duitsland) getogen voor een oriëntatiebezoek van 16 tot 23 april 1970. D’66 ijvert namelijk voor erkenning van de DDR, omdat zij vindt, dat de realiteit er ons toe noopt. Maar de Grote Realiteit aller realiteiten, het imminente gevaar uit Oost-Europa, weigert D’66 te erkennen en zij blijft fervent pleiten voor de erkenning van Oost-Duitsland, een staat waarvan de regering laat schieten op eigen burgers als deze het land willen verlaten!
Ondanks de z.g. onduidelijkheid zijn er toch wel heel duidelijk enkele van haar standpunten te onderkennen. D’66 is namelijk pro-Vietcong, noemt buitenparlementaire akties als de bezetting van het maagdenhuis „gewenst”, vind - sic! - dat pornografie, majesteitsschennis, godslastering, belediging van een bevriend staatshoofd en overspel niet langer strafbaar behoren te zijn, stelt in een commissierapport „gedwongen sterilisatie” voor bij een te hoog bevolkingsaccres en heeft zich al uitgesproken voor samenwerking met de nieuwlinkse P.v.d.A.!
D’66 richt zich meer tot de jongeren. maar gezien het individualisme van de jeugd, gelooft niemand, dat D’66 thans veel jongeren zal kunnen aantrekken. Het individualisme staat immers lijnrecht tegenover het collectivisme van de dictatoriale socialisten en communisten!







BEslommeringen BEtreffende BEtekenaars
Roger Schenk

Wat ’n hobby hebben wij! Wat ’n serie beminnen wij!
Net zoals het leven van de schrijver verloopt geen enkele bibliografie, biografie of wat voor grafie betreffende Bob Evers dan ook volslagen rechtlijnig. Nee, wij kunnen natuurlijk met ons allen vooral geen fan zijn van een serie, waarvan deel 1 t/m 52 keurig achtereen en zonder hindernissen verschijnen. Dat hebben wij weer: eerst verschenen deel 1 t/m 32, dan decennialang helemaal niets, vervolgens als donderslag bij heldere hemel delen 34 en 35, weer een decennium later deel 33, op zijn beurt gevolgd door opnieuw delen 34 en 35 en dan pas 36 en verder. Inmiddels overigens van de hand van een nieuwe schrijver. Sommige fans ging dit nog niet ver genoeg en zij schreven hun eigen, illegale Bob Evers-verhaaltjes; zou je op het onzalige idee komen om al deze, niet in boekvorm verschenen deeltjes ook nog te willen nummeren, dan zou je helemaal stierstarnakel krankjorum worden. Dat Willy van der Heide dan ook nog eens tegelijk aan deel 19 en deel 30 bezig was, weten we al sinds het verschijnen van „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” in 1979 en maakt de datering er bepaald niet makkelijker op.
Over de inhoudelijke volgorde van de delen 10 t/m 13 is al voldoende gediscussieerd op de Bob Evers Mailinglist, dus die discussie hoeven wij hier niet te herhalen. Kan het nog gekker? O ja, beslist!
Als je nu eens een chronologisch overzicht van de omslagtekeningen van de Bob Evers-boeken probeert te maken, kom je tot het volgende resultaat:
1949-1958
1958-1959
1960-1961
1961-1965
1966-1970
1970
1977-1978
1983-1984
1985-2003
2010 e.v.
Frans Mettes
Rudy van Giffen
Frans Mettes
Rudy van Giffen
Moriën
Rudy van Giffen
Marek
Carol Voges
Bert Zeijlstra
E. H. M. Krijnen
HC 1 t/m 24
HC 25, 26, 27
HC 28, 29, 30
HC 31, 32; pocket 1 t/m 6
pocket 7 t/m 30
pocket 31, 32
pocket 34, 35
pocket 1, 2, 3, 13, 15, 18, 20, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 29, 30, 31
pocket 1 t/m 46; HC 47 t/m 50
HC 51, 52

Voeg hierbij nog het gegeven dat de eerste 27 hardcovers illustraties bevatten, maar de delen 28 en verder niet meer, dan krijg je de indruk dat er in 1958/59 iets raars moet zijn gebeurd. Frans Mettes maakte vanaf deel 25 plaats voor Rudy van Giffen. Werd hij te duur of te veeleisend voor
Uitgeverij De Eekhoorn? Was hij soms ziek geworden? Hoe het ook zij, zijn werk werd - al dan niet met tijdelijke bedoeling - overgenomen door Rudy van Giffen, maar na drie delen kwam Mettes alweer terug om de voorkanten van de delen 28 t/m 30 te tekenen; verdere illustraties ontbraken vanaf dat moment echter. Conclusies met betrekking tot bovengenoemde vragen kunnen we hier niet aan verbinden: was Mettes nog steeds te duur of te veeleisend, zodat de uitgever afzag van illustraties, of liet zijn gezondheid het niet meer toe? Hoe dan ook, voor de laatste twee hardcovers werd Rudy van Giffen weer van stal gehaald; blijkbaar beviel de nieuwe formule - dus zonder illustraties - De Eekhoorn wel, want ook de delen 31 en 32 bevatten alleen maar tekst.
Het was de bedoeling dat Rudy van Giffen ook de vanaf 1965 verschijnende pockets zou illustreren. Zo gezegd, zo - niet helemaal - gedaan. Voor „Avonturen in de Stille Zuidzee”, de nieuwe nummer 1, werden drie illustraties van Mettes gehandhaafd; om onbegrijpelijke redenen bevat deze pocket de drie overige Mettes-tekeningen niet. Het had zo mooi kunnen zijn: pocket 1 telt 187 pagina’s; met de drie plaatjes erbij zou men keurig op 190 zijn uitgekomen... In elk geval verschenen ook de volgende vijf pockets met omslagtekeningen van Rudy van Giffen, maar „Drie jongens op een onbewoond eiland” bevatte vier illustraties plus één getekend kaartje van Frans Mettes; één illustratie kon met pensioen. Hetzelfde gold voor de in totaal 22 Mettes-illustraties van de vier daaropvolgende pockets; alleen Mettes’ kaartschetsen in „Een overval in de lucht” mochten blijven.
Vanaf 1966, de pocket van „Tumult in een toeristenhotel”, nam een zekere Moriën de omslagen voor zijn rekening. Vanaf dat moment werden de bekende rode Bob Evers-driehoekjes aan de tekening toegevoegd; de eerste zes pockets waren zonder driehoekje verschenen (met alleen de tekst BOB EVERS in typemachineschrift), maar die kregen in alle herdrukken vanaf 1966 een zwart driehoekje. De vraag: „Waarom?” brandt natuurlijk op ieders lippen; een schrale troost: ook op de mijne, want ik moet het antwoord helaas schuldig blijven. De pockets bleven tot 1968 verschijnen met een frequentie van zes per jaar, maar in de jaren 1969 en 1970 slechts vier per jaar. Na deel 30 haakte Moriën af, zodat de delen 31 en 32 verschenen met de gerecyclede afbeeldingen van Rudy van Giffen. Het zou te ver voeren om het in dit kader ook nog over de ruggen van de pockets te hebben, dus ik laat het bij de opmerking dat de boektitels op de ruggen van de delen 29 t/m 32 ineens in hoofdletters verschenen (dus alle in 1970 verschenen delen), aanvankelijk tenminste: bij latere herdrukken (vanaf 1977) is dit veranderd.
Voor de volledigheid zij nog vermeld dat de pocket van „Drie jongens als circusdetective” vier van de vijf Mettes-illustraties bevatte en die van „Een dollarjacht in een D-trein” vier van de zes. De vijfde en laatste pocket die van Mettes-illustraties was voorzien, was „Drie jongens en een caravan”; omdat dit de laatste pocket met plaatjes was, haalde De Eekhoorn eens flink uit door voor het eerst álle illustraties van Mettes (vijf stuks) uit de hardcover over te nemen in de pocket. Ook nu weer een prangende vraag: „Waarom toch alleen afbeeldingen in de delen 1, 2, 8, 9 en 11?” Het is en blijft eeuwig zonde dat er van de 134 verschillende tekstillustraties van Frans Mettes er dus maar 20 hergebruikt zijn (en van de 18 Van Giffen-illustraties niet één). Nu ik het toch over die tekstillustraties heb, wil ik voor de volledigheid nog enkele feiten opnoemen:




de hardcovers 1 t/m 27 hebben een frontispice; bij de delen 2, 10, 12, 15, 25, 26 en 27 betreft dit een afbeelding die verderop in het boek is hergebruikt;
de hardcovers 1 t/m 13 hebben vier tot zes (verschillende) afbeeldingen, vanaf deel 14 (t/m 27 dus) zijn dat er steevast zes;
de inhoud van de pockets is bij alle herdrukken altijd ongewijzigd gebleven, dus ook de tekstillustraties;
zoals hierboven beschreven, zijn in de pockets wél de kaartjes en situatieschetsen overgenomen;
zo op het oog is er geen cent te veel uitgegeven bij het overnemen van de tekstillustraties: met name de donkere kaartjes van de Pisarots in pocket 4 en de eveneens donkere afbeeldingen in pocket 11 zijn slecht gekopieerd.

De Van Giffen-/Moriën-/Van Giffen-reeks, zoals de eerste serie pockets zou moeten heten, kende het grootste aantal herdrukken, dus de meeste lezers zijn opgegroeid met de voorkanten van Van Giffen en Moriën.
Zoals reeds opgemerkt, verschenen in 1977 en 1978 bij Van Holkema en Warendorf ineens twee „illegale” delen, „Bob Evers belegert Fort B” en „Arie Roos als ruilmatroos”. De boekjes waren al in de eerste helft van de jaren ’70 gereed, maar geen drukker, geen uitgever wilde zijn vingers branden aan deze „illegale” delen. Naar verluidt, zijn de boekjes daarom in Oost-Duitsland gedrukt; op de tekeningen van de voorkanten staat de naam Marek, geen Nederlandse naam: eveneens iemand van achter het IJzeren Gordijn? (Voor de jongeren onder ons: het IJzeren Gordijn was tot 1989 de grens tussen het vrije westen en het communistische Oostblok). Hoe het ook zij: een kattenbelletje van de auteur aan deze tekenaar - afgedrukt in de „Kleppe-map” - geeft ons een aardig beeld van de werkwijze van een boekillustrator.

Bob Evers Belegert Fort B.

          De actie speelt zich af in Colombia, Zuid Amerika en betreft in grotelijnen de strijd om destijds door Spanjolen ontgonnen, en later bedolven geraakte smaragdmijnen. Deze liggen aan de Oosthellingen van het Andes gebergte.Vanwege de vrijwel steeds te vrezen overvallen door concurrenten, bandieten, enz. liggen langs de steile paden een soort blokhuizen of miniforstjes.
          Boekomslag toont één van de " fortjes" ( waarop ruwweg de hoofdletter B staat geschilderd) en dat ligt aan de voet van een zeer steile rotswand. Deze steilte ( bijna verticaal) is belangrijk aangezien op een bepaald punt in het verhaal een der jeugdige helde met een bulldozer een rotsblok van de helling duwt en boven op het fort laat smakken.
          Het fort zelf is geconstrueerd uit ruwe rotsblokken, met cement aaneen geplakt.Dat ziet er schilderachtiger en romantischer uit dan een ordelijk gegoten machinegeweerpost of bunkertje.Maar wel zit er, voorin, een horizontale schietspleet waardoor men een machine geweer ziet vuren: rook, vuurstalen etc. uitstotend.Achter of naast de vuurloop vaag zichtbaar het gezicht van een der bandieten.
          Een eind verder een der " belegeraars": de dikke, vette, sproetige Arie Roos, die verdekt ligt achter een rotsblok, met een geweer in de aanslag.De bovenkant van de tekening toont nog juist de bovenrand van het rotshelling, met het front van een bulldozer die een rotsblok voortduwt .Indien mogelijk de andere twee jongens op of aan het stuur van deze bulldozer.
                                                                                x           x
                                                                                      x
Tweede mogelijkheid:
          Als dit tekentechnisch lastig blijkt, dan het volgende:
          Het rotsblokkenfort B kan blijven zoals beschreven, met vurend machinegeweer plus bandiet, maar met twee jongens, aanvallend vanuir verschillende dekkingen.De dikke als boven beschreven: de andere (Jan Prins of Bob Evers) heeft juist een handgranaat geworpen,die vlakbij de schietspleet explodeert. Desnoods kan dan de bulldozer wegblijven.

                                                            Van den
(sic!) Heide


Uit dit - blijkbaar inderhaast getypte - briefje blijkt dat de schrijver de tekenaar niet persoonlijk kende en dat de tekenaar de inhoud van het boek niet kende. Als een dergelijk briefje exemplarisch is voor de hele serie, mogen wij de op de omslagen voorkomende fouten niet toeschrijven aan de diverse tekenaars, maar aan de auteur!
In 1983 wilde de uitgeverij blijkbaar een nieuwer, jonger publiek aanspreken en met dat doel verzocht men Carol Voges om nieuwe voor- en achterkanten te ontwerpen. Carol Voges verzorgde voor De Eekhoorn de omslagen en illustraties van series als Oki en Doki, Tup en Joep en Pietje Puk; zijn weergave van Jan, Bob en Arie is dan ook een stuk kinderachtiger dan die van zijn voorgangers. In twee jaar tijd tekende Voges zestien omslagen, in een volgorde zoals die werd bepaald door de herdrukken die aan de beurt waren.
Vanaf 1985 - dus nog ruim vóór Carol Voges de hele serie had bewerkt - koos de uitgeverij voor een nieuwe tekenaar: Bert Zeijlstra. Hij voorzag alle pockets - uiteindelijk in totaal 46 stuks - van een aquarel-achtige voorkant en vanaf 2000 ook nog eens de nieuwe hardcovers 47 t/m 50 van een, eh... niet helemaal smaakvolle tekening. Na een onderbreking van zeven magere jaren verscheen in 2010 dan eindelijk weer eens een nieuw deel, „Clandestiene streken op een cruiseschip”. Dit eerste deel van een nieuwe en hopelijk nog langdurige serie kreeg, net als het concept van „Prijsschieten op een premiejager”, een mooie fotorealistische voorzijde van E.H.M. Krijnen mee.

In 2004, 2007 en 2010 publiceerden Wolfgang Hermesmeier en Stefan Schmatz het standaardwerk „Traumwelten”: in drie kloeke delen, zoals dat zo mooi heet, presenteerden beide heren een overzicht van alle tekenaars die ooit afbeeldingen hebben gemaakt voor Karl May, voor zover bekend. Ondanks het monnikenwerk dat beide heren hebben verricht, zal het de lezer opvallen hoe relatief weinig biografische gegevens er te vinden zijn over illustratoren van boeken. Ondankbaar werk blijkbaar, om in opdracht van een uitgeverij een boek te illustreren aan de hand van een korte beschrijving, zoals we hierboven zagen!
Een poging om de biografische gegevens van de scheppers van de 132 verschillende Bob Evers-voorkanten (de voorkanten van deel 31 en 32 zijn immers hergebruikt) te achterhalen is dus reeds bij voorbaat gedoemd om te mislukken. Maar laat ik dan toch maar een poging wagen.

Dankzij het alfabet mag Rudy van Giffen het en/of de spits afbijten. En dat komt dan meteen goed uit, want naast het creëren van elf Bob Evers-voorzijden heeft hij ook één Karl May-boek, te weten „De kaperkapitein” (Uitgave Van Goor Zonen, 1957), geïllustreerd, zodat ook hij een plaatsje heeft bemachtigd in bovengenoemd werk „Traumwelten” (zie ook Nieuwsbrief 36).
Van Giffen, wiens voornaam soms als Rudy en soms als Rudi wordt gespeld (en in de Bob Evers-pockets ‘veiligheidshalve’ afgekort tot R.), werd op 29 november 1929 geboren in Bandoeng. In het tijdschrift Wapenbroeders, een blad van en voor de Nederlandse strijdkrachten in Nederlands Indië, met het stripverhaal „Vliegtuig vermist”. In Nederland illustreerde hij honderden boeken, waaronder elf Biggles-delen, eveneens elf Bob Evers-delen en dat ene Karl May-boek, hetgeen weer geleid heeft tot de vermelding van de naam Bob Evers-Serie in „Traumwelten III”, voor zover mij bekend de enige keer dat Bob Evers in Duitse literatuur wordt genoemd.

Rudy van Giffen

Een aflevering van „Vliegtuig vermist”, getekend door „Rudy”
(=Rudy van Giffen)

Rudy van Giffen:
Frits Deelman: de verborgen zuidpoolbasis” van Leon Rousseau, die wij kennen als de vertaler van drie Bob Evers-boeken in het Afrikaans (zie Nieuwsbrief 37)

Rudy van Giffen:
Biggles en de valse professor” (=Biggles 66) van W.E. Johns

E. (Lia) H. M. Krijnen, van 1 september 1953, beter bekend als de vrouw van Peter de Zwaan, verzorgde de schitterende voorplaat van „Clandestiene streken op een cruiseschip”; aan het concept te zien is de voorplaat van „Prijsschieten op een premiejager” zo mogelijk nog mooier. Het wordt tijd dat dat boek eens... Enfin, daar hebben we het al vaker over gehad. In 2007 verrasten Peter de Zwaan en Lia Krijnen hun vrienden met het boekje „Jeff Meeks en Rockne Paradise wensen u een voorspoedig 2008”, vier jaar later verraste het echtpaar vriend en vijand door gezamenlijk de roman „Zusjesliefde” te schrijven onder het pseudoniem Lia Peters. In het dagelijks leven is Lia journaliste en fotografe.

Lia Krijnen

Jeff Meeks en Rockne Paradise wensen u een voorspoedig 2008”, begeerd relatiegeschenk van het echtpaar De Zwaan-Krijnen

Zusjesliefde”, het romandebuut van het echtpaar De Zwaan-Krijnen

Ook Marek tekende twee omslagen. Over deze tekenaar is het minst bekend: we weten niet eens of de naam Marek, waarmee hij de tekeningen van „Bob Evers belegert Fort B” en „Arie Roos als ruilmatroos” (Van Holkema & Warendorf-uitgave) signeerde, ’s mans voor- of achternaam is en waar hij vandaan komt. Zoals hierboven reeds opgemerkt, is het best mogelijk dat hij in het Oostblok woonde; in dat geval zal het geciteerde kattenbelletje van Willem door de uitgever vertaald zijn voor de mysterieuze heer Marek het onder ogen kreeg.

Maar liefst zevenentwintig hardcoverdelen werden geïllustreerd en van een omslag voorzien door de welbekende Frans Mettes (geboren op 18 maart 1909 , overleden op 30 november 1984). Frans Mettes maakte vanaf de jaren ’30 naam met film- en reclameposters voor o.a. Belinda, Boldoot, Bols, Heineken, Hofnar, de Holland Amerika Lijn, Jaffa, de KLM, de NS en Van Houten en was een oude bekende van Willem; hij had diens „Amerika filmt” en „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?” geïllustreerd, zoals Willem in interviews vertelde. Dat klopte allemaal als de spreekwoordelijke zwerende vinger, maar noch Willem noch Frans repte na de oorlog over hun samenwerking waar het de anonieme, pro-Duitse propagandabrochure „Geef mij maar Amerika!” en de eveneens dubieuze „Drie-Stuivers-Roman” (beter bekend onder de naam Philip Raack) betrof. In de brochure werden de namen van auteur en tekenaar niet genoemd, maar kenners van het werk van Willem Waterman en van Frans Mettes herkennen beider stijl. Voor de „Drie-Stuivers-Roman” (auteur niet genoemd, illustrator wel) mat Frans Mettes zichzelf zelfs een toentertijd „politiek correcte” naam aan: Franz Mettes! Hoe dan ook, de illustraties van Mettes horen gewoon bij Bob Evers, oftewel, om de schrijver te citeren: „Prachtige illustraties; maakten altijd de indruk alsof ze niet af waren en dat sloot op één of andere manier perfekt aan bij mijn verhalen. Stenvert heeft dat toen, in de jaren vijftig, uitstekend begrepen en liet Frans Mettes de illustraties maken. Maar ja, wat weten de gasten van De Eekhoorn daar nou vanaf? Geen KONT, toch zeker!” (John Beringen, „Het Bob Evers Virus”, pp. 96-97).
Behalve de 27 Bob Evers-delen zou Mettes ook nog Willems „Drie meisjes en een cafetaria” (1952) en „Drie meisjes en een Lord” illustreren. Het derde en laatste deel uit die reeks, „Drie meisjes en een vakantiekamp” (1955) is om een of andere reden geïllustreerd door Hans Borrebach. In de krant De Standaard tekende Mettes vanaf 1938 ook nog eens het komische stripverhaal „Het huis aan ’t water” (tekst Jac van Amstel). In Bob Evers-verband is het aardig om te weten dat Frans Mettes een tijdlang op het adres Eendrachtstraat 14 te Amsterdam heeft gewoond.
En of de duvel ermee speelt: van 31 oktober a.s. tot 11 februari 2013 is er een Frans Mettes-tentoonstelling in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Voor meer informatie verwijs ik jullie naar de website. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, zal grafisch ontwerper Gielijn Escher op 31 oktober ook nog eens een monografie over Frans Mettes presenteren!

Frans Mettes en
een van zijn posters

Frans Mettes:
Filmposter van „Angel” uit 1937.
(Niet te verwarren met „Der blaue Engel”!)

Frans Mettes:
Reclameposter

Frans Mettes:
Reclameposter

De Bob Evers-liefhebber heeft, zoals gezegd, ook warme herinneringen aan J. H. Moriën. Maar liefst vierentwintig prachtige voorkanten en dan toch nog zo onbekend! Meer dan ’s mans voorletters, geboorte- en sterfjaar (1897 resp. 1989) en het feit dat hij vanaf de jaren ’20 actief was als tekenaar van reclameposters, net als Frans Mettes, heb ik niet kunnen achterhalen. Na de oorlog legde hij zich steeds meer toe op het maken van boekillustraties, met Bob Evers natuurlijk als pièce de résistance!

Moriën:
Reclameposter uit 1925

Moriën:
Reclameposter uit 1930

Moriën:
Blond maar gevaarlijk” (Middernacht-serie) van Carter Brown

Moriën:
Het contract van „Three Oaks”” (Winfair-serie) van Ray Franklin

Zestien voor- en achterkanten werden ontworpen door Carol Voges (geboren 19 juni 1925, overleden 9 januari 2001), maar om reeds hierboven genoemde redenen zal geen enkele sterveling er rouwig om zijn dat Voges de overige (op dat moment) zestien delen níet van nieuwe voorkanten heeft voorzien. Van 2 november 1945 tot 1952 tekende Carol Voges de komische stripreeks „De avonturen van Pa Pinkelman” (tekst Godfried Bomans) in De Volkskrant. Verder verzorgde hij, vrijwel uitsluitend voor Uitgeverij De Eekhoorn, talloze boekillustraties, met name voor de boekenseries van Henri Arnoldus. Ook tekende Voges diverse stripverhalen voor Bobo, Donald Duck, Okki, Sesamstraat, Sjors en Taptoe.

Carol Voges

Carol Voges:
Titelblad van de tweede serie „Avonturen van Pa Pinkelman”, samen met Godfried Bomans

Carol Voges:
Oki en Doki bij de nikkers” van Henri Arnoldus
In latere drukken is het laatste woord vervangen door „negers”, maar de omslagtekening bleef hetzelfde

Carol Voges’ visie op de drie grootste helden uit de Nederlandse jeugdliteratuur.
Zijn dít „onze” Jan, Bob en Arie?

De enige tekenaar die de hele reeks (t/m deel 50 tenminste) qua voorkanten zou voltooien, is Bert Zeijlstra. Afgezien van één foto en de voorkant van wat andere door hem geïllustreerde boeken is er nauwelijks iets over deze man bekend, zelfs geen geboortedatum. Wel weten we dat de man ooit docent is geweest op de Utrechtse kunstacademie en dat hij een dochter heeft, Candy, die in navolging van haar vader een eigen grafisch ontwerpbureau, SOLID, bezit.

Bert Zeijlstra

Bert Zeijlstra:
Vrij leven”, samen met Louis de Koning

Bert Zeijlstra:
De grote lijn atlas”, samen met Hans de Jong

Redelijk teleurstellend dus, de biografische gegevens over de diverse Bob Evers-illustratoren. En dat terwijl we nog niet eens volledig klaar zijn met ons overzicht! Er zijn in de loop der tijden ook nog eens vijf (zes) Bob Evers-feuilletons en vijf Bob Evers-stripverhalen verschenen.
In het foute blad Jeugd verscheen in 1943/1944 het feuilleton „De avonturen van drie jongens in de Stille Zuidzee”, de oerversie van „Avonturen in de Stille Zuidzee”. De talloze illustraties bij dit feuilleton waren van de hand van Franz Mettes: daar heb je die voornaam weer!
In Jeugdkampioen, het inmiddels ter ziele gegane jongerenblad van de ANWB, jaargang 1949 maakte Nic Blans (jr.) (26 mei 1917 - 28 oktober 1996) tekeningen bij het feuilleton „Drie jongen en een caravan”.
De tekeningen bij de feuilletons „Tumult in een toeristenhotel” (Jeugdkampioen, 1950) en „Een speurtocht door Noord Afrika” (Jeugdkampioen, 1951/1953) waren van de hand van Wim Boost (2 juli 1918 - 1 augustus 2005), de man die onder het pseudoniem „Wibo” tussen 1951 en 1983 maar liefst 8888 cartoons voor De Volkskrant maakte.
Het vijfde en voorlopig laatste complete feuilleton, „Clandestiene streken op een cruiseschip” was tussen oktober 2008 en medio 2009 te vinden op Peter de Zwaans website. Als enige illustratie was het concept van de voorkant van de latere boekuitgave te zien, door Lia Krijnen.
Hans van Oudenaarden (geboren 21 februari 1959) tenslotte tekende zes Bob Evers-stripverhalen, waarvan er vijf als album zijn verschenen. De scenario’s van deze strips werden verzorgd door Koen Wynkoop („Een vliegtuigsmokkel met verrassingen”) en Frank Jonker („Kabaal om een varkensleren koffer”, „Avonturen in de Stille Zuidzee”„Drie jongens op een onbewoond eiland”, „De strijd om het goudschip” en „Een overval in de lucht”). Hans van Oudenaarden is zeer actief met diverse stripreeksen, met als logisch gevolg dat de Bob Evers-fans al tijden lang likkebaardend en reikhalzend uitkijken naar een volgend album.





Goud: 50 jaar Bob Evers (geen bloemen, geen kransen)
Roger Verstraete

Of ik er dit jaar aan gedacht zou hebben is hoogst onzeker. Ik sta nu eenmaal niet wild van jubilea, verjaar-, vader- en dito dagen. Maar de Jongeheer Schenk had zo nodig een vacature voor een gastcolumn en zo heeft dit jubileum het licht gezien.
Op zoek naar onderwerp en inhoud kwam ik er plots op dat ik ten jare 1962, ergens in het begin van de grote vakantie (zo heet de zomervakantie bij ons en ze duurt van 1 juli tot 1 september, best groot is ze dus wel) voor het eerst in aanraking met BE kwam en wel meteen met 25 delen; dat was nl. het aantal gebonden boeken die zich op een boekenplank, die zich op ongeveer 75 cm hoogte, links van de ingang van de bieb, in een boerendorp in een uithoek van West-Vlaanderen bevond.
Een vergelijkbare plank, met 25 delen van de beste (jongens)boeken ooit geschreven heb ik in de volgende 50 jaar niet meer ontdekt, in de verste verte niet: de beste plank van mijn leven dus. En pas nu, nu ik eraan terugdenk en beschrijf, wordt het me steeds duidelijker welk gedenkwaardige gebeurtenis dit wel is geweest. En waarbij de prangende vraag rijst wie van die nonnen (want zij bestuurden toen de bieb) zo’n grote BE-fan was dat er een hele plank was aan gewijd (of was het een van hun aanbidders?).
Tijdens die 50 jaar zijn op een aantal ogenblikken lichtjes beginnen te branden waardoor mijn BE-trance alleen maar groter en ook completer werd. Die lichtjes zijn een soort ultieme spaarlampen met een extreem lange ontstekingstijd: tijdstip van ontsteking ergens in het najaar van ’62 toen mijn 25 delen voor de tweede keer waren verslonden, verorberd, opgepeuzeld en binnenste buiten gekeerd en ik figuurlijk in Humbeek aan het kanaal stond samen met de jongens uitkijkend naar wat het volgende avontuur zou brengen; het stond niet op mijn plank!! Intussen wentelde Jerry zich in zijn bad, verkneukelde Kresse zich in het gezicht van Parsons toen die besefte dat het jacht niet bestond en keek diezelfde Parsons intens droevig omdat zijn grote vriend hem bedrogen had (en de poen foetsie was).
Pas in ’76, ik had toen al twee nakomelingen, begon het lampje plots helder te branden en ineens zag ik waar „Bombarie” en de rest van de ontbrekende boeken verborgen lagen, nl. bij de Eekhoorn.
Veel van die erg lange ontstekingstijd hangt helemaal samen met het West-Vlaanderen van de jaren zestig. Voor ’68, toen ik een hogere opleiding ging volgen, ben ik de provincie niet uitgekomen; erger nog, de omgeving van Ieper, een stadje op 10 km van mijn geboortedorp, was zo ongeveer mijn wereld in die periode. In de enige boekhandel die daar te vinden was, kocht ik ooit op 16-jarige leeftijd met mijn uiterst schaarse spaarcenten, voor 100 frankskes (omgerekend 7 gulden) ineens 10 Biggles-boeken (vreemd genoeg onvindbaar in de bieb). Die moest ik dan thuis heel goed wegstoppen en voorzichtig één voor één lezen (wist men dan veel waar dat ene boekje vandaan kwam). BE-pockets waren daar dus niet te vinden (was dat zo geweest dan had ik ze ongetwijfeld alle 32 gekocht met grote verstopproblemen als gevolg) en ik snapte blijkbaar niet dat, als Biggles te koop was, BE dat ook moest zijn, alleen niet in mijn deel van de wereld.
Toen ik in ’68 dan in Gent belandde, toch een van de grote Vlaamse steden, was daar van BE ook niets te vinden en hield ik het dan maar op Biggles, alleen moest ik die dan niet meer wegstoppen. Het kwam nog altijd niet bij me op om in de grotere boekhandel navraag te doen naar BE, ondanks het feit dat ik elke keer na het herlezen van „Kunstschatten” in Humbeek verweesd en diep ongelukkig achterbleef (J nog steeds wentelend, K zich verkneukelend, P net niet depressief) en de volgende maanden „Bombarie” en „Bunker” niet uit mijn hoofd kon zetten (en ook net niet depressief).
Pas in ’76 dus, toen ik al een paar jaar aan mijn „Carrière” was begonnen viel mijn Belgische frank eindelijk op zijn plaats!
Ik kwam toen al een paar jaar geregeld in Brussel, maar dat is uiteraard ook niet het Mekka van het Nederlandstalige boek. Ik vermoed dat Antwerpen de enige plek was waar BE al eens in de rekken stond, maar behalve een bezoek aan de Zoo lag die stad buiten mijn actieradius. In die hele periode, zo tot begin de jaren ’80 kwam je ook maar sporadisch in Nederland. Veel verder dan Sluis in Zeeuws-Vlaanderen en het eiland Walcheren (zo was dat bij ons bekend/klonk heel exotisch) kwam je niet.
Zelfs toen ik vanaf begin ’80 steeds meer in Nederland kwam en steeds noordelijker, legde ik nog altijd niet de link tussen BE en de boekhandel: BE vond je in de bieb en bij de Eekhoorn en Biggles kwam uit de boekhandel of hoe ongelooflijk klunzig je in hokjes kan denken en dat gedurende 40 jaar.....
En dat is eigenlijk pas veranderd toen ik in 2002 de BE-site en PdZ ontdekte en toen de Eekhoorn mij via mail liet weten dat ik de PdZ-delen in de boekhandel kon vinden, tenminste toch de laatste delen: dus dat tweede lampje is eigenlijk vooral door die mail op volle kracht gaan branden. Maar tot mijn groot verdriet was BE dan ook al grotendeels uit ook de Nederlandse boekhandel verdwenen, welgeteld 3 PdZ’s en 1 omnibus heb ik er toen nog gevonden en dan nog in Middelburg, vlakbij dus.
Om deze tijdlijn van 50 jaar BE af te ronden toch nog iets over wat deze boeken voor mij zo speciaal maakt.
Zoals Foeke Z. in een van zijn bijdragen ooit eens aangaf, zijn de verhalen gewoon steen- en steengoed, ongeacht het feit dat het in al die jongensboeken eigenlijk bijna altijd over hetzelfde gaat, nl. goudschatten en juwelenschatten van allerlei origine, allerhande niet te hete of te zware smokkelwaar en hier en daar een spionnenverhaal.
Het is ook heel weinigen gegeven om het verhaal, steengoed of niet, ook nog eens te kruiden met kwaliteitsvolle zelf- en andere spot. En bijna altijd is het gebekvecht tussen de jongens erg vermakelijk, soms ronduit hilarisch.
Ik ken er nauwelijks voorbeelden van; J. van Londen is verdienstelijk, maar nogal braaf, soms oubollig en PdZ doet zijn best, maar meestal is het teveel „meer van hetzelfde”. Ik lees ook nogal wat crimefiction en daar is de Falco-serie van Lindsey Davis wel een buitenbeentje door het sarcasme en erg genietbare gesneer van de hoofdpersoon (speelt zich bovendien af in het antieke Rome tijdens het bewind van de Flavii).
Zoals ook al een paar keer aangegeven in mijn bijdragen op de Bob Evers Mailinglist is mijn vooralsnog laatste lampje (sinds een vijftal jaren) een zoektocht naar meer jongensboeken uit de „stillekes”-jaren in binnen en buitenland, want BE ken ik langzamerhand zo goed van buiten dat het mijn leesgenot erg aantast waardoor de tussentijden steeds langer worden. J. van Londen was een goeie aanwinst en ook een paar Engelstalige series waarbij vooral die van A. Ransome hoge ogen gooit. Het derde deel („Peter Duck”) uit die serie gaat, jawel, over een goud- en juwelenschat die op een op een onbewoond Caraïbisch eiland gevonden dient te worden door de helden van dienst: knap verhaal, spannend, geloofwaardig en er wordt voortdurend gezeild met veel technische poespas en kunststukjes die mijn petje ver te boven gaan, maar die voor alle Nederlanders die van zeilen houden (toch de meeste, denk ik dan) een groot feest moeten zijn.
En mijn laatste aanwinst is het eerste deel van De Kameleon, mij warm aanbevolen door u allen bekend; het bevalt tot hiertoe heel behoorlijk en het smaakt zeker naar meer. Bedankt Danny!!
En voor wie zich nog meer wenst te verdiepen in de aantrekkingskracht van jeugdseries is er nog dit:
Reading Series Fiction: From Arthur Ransome to Gene Kemp
This book investigates the ‘series’ in children’s literature. The works of several well-known children’s authors - UK and the US, traditional and contemporary - are analyzed, and using these examples, the book explores the special nature and appeal of series writing for children. As well as providing an historical overview of the series, the author raises important questions about the nature of literary criticism applied to children’s literature.






Enkele foto’s uit Słubice
Roger Schenk

Deel twee in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
Ditmaal heb ik gekozen voor een plaats uit een van de latere delen, „De Stripman van Słubice”, waarvan de eerste druk in 1995 verscheen. Tien jaar daarna bezocht ik voor het eerst deze plek, die voor de oorlog tot Duitsland behoorde en een deel van Frankfurt an der Oder was, Dammvorstadt geheten.
Peter de Zwaan schreef het deel vermoedelijk al enkele jaren eerder, net na de val van de Muur. In de pakweg twintig jaren nadien - niet eens zo lang geleden - is er een hoop veranderd, maar veel van wat Peter schrijft, is nog duidelijk te herkennen.

Kaartje van de omgeving.
De nummers 1 t/m 6 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.

Panorama over de Oder en Słubice: de stad maakt nu helemaal niet meer zo’n donkere en
sombere indruk als in de „tijd van Jan, Bob en Arie”!
(1)

Het wegdek van het voorste gedeelte van de zogeheten „Brücke der Freundschaft” over de Oder is nog
zoals Jan, Bob en Arie dat hebben gekend; alleen is er nu over dat gedeelte een overkapping gebouwd,
maar de rest van de brug is sinds 2002, een eindje terzijde van de oude brug, nieuw gebouwd.
Jan, Bob en Arie moesten hier heel lang wachten voor ze Polen in konden, maar op 21 december 2007
werd het Verdrag van Schengen ook op Polen van toepassing, dus alle „douanesnaken” - zoals dat in
goed
Bob Evers-jargon heet - hebben het hazenpad gekozen. Tot het verdwijnen van de douane was
het dan ook - in tegenstelling tot wat Peter de Zwaan beschrijft - in verband met die drukte verboden
om in Frankfurt an der Oder, komend vanaf de Karl-Marx-Allee, rechtsaf de Rosa-Luxemburg-Straβe/
Słubicer Straβe in te slaan.
(2)

Tegen de tijd dat Słubice een echt Bob Evers-bedevaartsoord wordt, zal het witamy-bord ook
Nederlandse tekst moeten bevatten en natuurlijk rood en geel geschilderd worden!
(3)

Arie zag alleen maar mensen met sombere gezichten richting de beroemde bazar van Słubice lopen;
die heb ik niet gezien, maar ze zullen er in maart 2007 wel voldoende zijn geweest, want toen brandde
de bazar geheel af. Ik hoefde niet eens een niet-bestaande oom uit mijn Arie Roos-duim te zuigen om
van een inboorling de oorzaak van deze catastrofe te vernemen: bij laswerkzaamheden had iemand een
gasfles of -houder geraakt.
Bij mijn laatste bezoek aan Słubice (in 2010) was nieuwe bazar zo goed als klaar.
(4).

Het huisje van de „Stripman” in de volkstuintjes tussen het centrum van Słubice en de bazar: na het op-
rollen van de motorblokkenbende door Jan, Bob en Arie is er nog maar één stripfiguurtje overgebleven...
(5)

En zelfs de garage met het steegje ernaast, waar Jan en Bob zichzelf omhoog werkten is er nog, al lijkt
de hoogte van twaalf meter die Peter de Zwaan beschrijft, ietwat overdreven.
(6)






Ja, ja, die mannen
WEHE

Net als in de vorige Nieuwsbrief presenteert de redactie een kort verhaal van Willem van den Hout uit het tijdschrift Amor’s Magazine, ditmaal uit nr. 11 en geschreven onder het pseudoniem WEHE


„Als de klok van Arne...... hallo, dag schatje, daar is mannie weer.”
„Zo ben je daar eindelijk?”
„Niet boos zijn lieveling.. Als de klok.... O, wat ziet mijn vrouwtje er weer schattig uit, geef me een kusje.”
„Neen, dank je. Je stinkt naar de alcohol. En schei in hemelsnaam uit met dat zingen. Het is al over twaalven.”
„Mag ik nu in mijn eigen huis niet meer zingen ook? Goed, doe maar niet zo boos.”
„En smijt niet zo met je schoenen. Wat moeten de buren wel denken, midden in de nacht.”
„Ze zullen denken: wat houden die twee duifjes toch innig veel van elkaar. Hoor ze eens tortelen.”
„Je bent onuitstaanbaar. Blijf alsjeblieft van mijn lijf af. Je bent dronken.”
„Ik dronken? Haha, van 2 glaasjes melk. Melk is goed voor elk. Denderende mop. Moet ik morgen op de soos vertellen. Lieveling, allemaal negens, allemaal negens gegooid. Alleen van de melk.. hihi.”
Mevrouw Jansen kiest maar de wijste weg en zwijgt. Als hij in zo’n stemming is, is er geen huis mee te. houden. Vlug verdwijnt ze naar boven naar de slaapkamer en sluit de deur af. Een heel klein beetje wankelend volgt Jansen zijn vrouw de trap op.
„Als de klok van Arnemui.. Hé .. de deur is dicht.... Lieveling, je hebt per ongeluk de sleutel omgedraaid.”
„Ga maar naar de logeerkamer..”
„Goed goed .... nacht lieveling.. tabé.... Als de klok van....”
Jansen valt op het logeerbed neer en binnen twee minuten snurkt hij als een os. Mevrouw kan echter de slaap niet vatten. Onrustig ligt ze te woelen in het grote koude bed. O, o, die mannen. Verschrikkelijke wezens. Altijd moet er een borrel bij te pas komen. Glaasjes melk.. Bah.. Op tien meter afstand ruik je de geneverlucht. Wou hij nu maar begrijpen hoe idioot hij zich aanstelde als hij dronken was. Hopelijk gedroeg haar man zich morgen niet zo kinderachtig als haar tweelingzuster er was. Ze wilde niet voor haar hele leven geblameerd worden.
Jansen is de volgende morgen nog erg gemelijk. En een dorst.... een dorst....
„Moet je maar niet drinken.”
Pats, die zat. Mevrouw Jansen zit direct op haar stokpaardje.
„En dat zeg ik je: Nelly komt vanavond een paar dagen logeren, dat je je fatsoenlijk gedraagt.”
„Wat zeg je? Nelly komt? Reuze gezellig.... reuze gezellig. Zal ik een borrel meebrengen?”
„Als je met een borrel op tafel komt, loop ik de deur uit. Nu weet je het.”
„Nelly lust misschien wel een hartversterkertje.... Een reuze leuke meid. Jammer dat dat kindje nog steeds niet getrouwd is.”
„Je bedoelt zeker: jammer dat ik al met jou getrouwd ben hè? Als je je maar fatsoenlijk gedraagt.”
En met deze wijze raad vertrok Jansen naar zijn kantoor.
Zo, zo, Nelly kwam. Jansen kon wel dansen van plezier. Hij kon het zichzelf wel bekennen, dat hij gek op dat mooie meisje. was. Ze leek uiterlijk als twee druppels op zijn vrouw, alleen haar ogen. Die waren anders. Die keken altijd spottend en uitdagend de wereld in.. Ze was nog altijd niet getrouwd, maar dat betekende allerminst, dat ze een mannenhaatster was. Tenminste, tegenover Jansen, haar zwager, liet ze daar niets van blijken. De zoentjes, die Jansen heimelijk van haar lippen gestolen had, waren niet meer op de vingers van één hand te tellen. Zij mocht haar zwager wel. En hij haar! Maar mevrouw Jansen was daarvan totaal onkundig. Anders had ze zich wel even bedacht voor ze haar zusje in huis haalde.
Tussen de middag nam Jansen de telefoon van de haak.
„Hallo, spreek ik met mej. Olsen? Ja? Hallo Nelly, hier Leo, die boze zwager van je. Hoe gaat het met me?”
„Nou met jou dat weet ik niet; ik maak het uitstekend. Ik kom vanavond bij jullie logeren. Fijn?”
„Nelly, je weet hoe ik naar je verlang. Jij bent mijn zonnetje. Mijn kleine Venus van Milo.”
„Malle vent. Je vergeet dat je getrouwd bent met mijn lieve zuster. Laten wij geen domme kinderen worden Leo. Je 'hebt haar gekozen en nu zul je het met haar moeten doen.”
„Nelly, je weet toch dat ik heel veel van je houd?”
„Ik ook van jou jongen, maar wij moeten verstandig zijn. Gedraag je alsjeblieft fatsoenlijk vanavond.”
„Ook gij Brutus?”
„Dus Greet heeft het je ook al gezegd? Ze heeft toch geen vermoedens?”
„Welnee. Maar ze is bang dat ik vanavond dronken thuis kom. Stel je voor.”
„En jij lust niet eens een borrel, nietwaar? Nou Leo, tot vanavond hoor. Ik kom laat. Ga maar gerust eerst biljarten. Daag!”
Leo legt de hoorn neer. Strak staart hij voor zich uit. Hij leerde Greet kennen en drie maanden later Nelly. En ineens was heel zijn grote liefde voor Greet naar de achtergrond gedrongen.
Maar Greet had hem vast gehouden. Had direct verlovingskaarten rond gestuurd en zo was hij aan haar blijven hangen. Ze was een beste vrouw! Heel best zelfs. Maar ze miste die sprankelende humor van Nelly. Leo verheugde zich ontzettend op de avond. Met Nelly!!! Voor tien uur zou ze zeker niet komen. Jansen kon dus eerst nog een paar uurtjes naar de club. En terwijl hij achter zijn borrelglaasje zat te dromen, schoot er ineens iets in zijn gedachten. Ja, dat zou lollig worden.
Greet maakte hem altijd uit voor dronkaard, die zich altijd idioot aanstelde. Haha.... Vanavond zou hij expres eens dronken thuis komen. Haha.
En zo verscheen hij klokke elf, het hoedje iets te schuin op zijn dikke haarbos, in de salon.
„Als de klok van.... Hihi, wat zie ik nou.... Twee.. twee vrouwtjes? .. Twee Greetjes?”
Mevrouw Jansen wil woedend opspringen, maar Nelly’s heldere lach houdt haar tegen.
„Dag liefste vrouwtje, wat zie je er weer heerlijk uit. Laat mij je een fijn zoentje geven.”
Onzeker loopt Leo naar de twee vrouwen. Even staart hij naar de twee, besluiteloos, maar dan neemt hij resoluut Nelly in zijn armen en geeft haar een dikke zoen. Met open mond staart mevrouw Jansen naar haar man. Natuurlijk weer dronken. Verschrikkelijk.
Maar net doen of ze niets merkt. Maar Leo is bijzonder verliefd vanavond.
„Schatje.... wat heb je een leuk japonnetje aan? Niks erg hoor. Koop jij maar een mooi japonnetje. Staat ontzettend leuk bij je snoeperig figuurtje. Toe schat kom eens heerlijk bij me zitten. Toe nou, niemand ziet het.”
Mevrouw Jansen is recht overeind gesprongen.
Maar Leo ziet haar niet eens. Een beetje onzeker stapt hij op de andere vrouw toe en trekt haar op zijn schoot. Gretig legt hij zijn arm om haar leest en drukt zijn hoofd tegen haar schouder.
„Jij.... hik.... jij bent mijn eigen lief klein snoesepoesje, mijn honneponnetje...”
Mevrouw Jansen raakt over haar toeren.
„Leo.... Leo.... Nelly.... hoe kun je dat allemaal toelaten.... Ik.... Ik....”
„Ik kan er niets aan doen.... Toe Leo,.... laat mij los....”
Maar Leo neuriet een deuntje, terwijl hij het meisje op zijn schoot stevig vast houdt en knuffelt. Maar nu is mevrouw Jansen het zat. Ze trekt de pantoffel van haar voet en geeft Leo een flinke mep boven op zijn hoofd.
„Zo, lelijke dronkaard. Dat is voor jou.” En met deze woorden rent ze de deur uit naar boven naar haar slaapkamer en sluit de deur achter zich dicht.
Nauwelijks is ze de kamer uit of Nelly springt van Leo’s schoot.
„Maar jongen, wat heb je nu weer uitgespookt. Dat had je niet moeten doen.”
„Maar schatje, wat heb ik dan gedaan. Ik moest toch iets verzinnen om even met jou alleen te zijn. Misschien leert Greet het dan meteen af om me altijd voor dronkaard uit te schelden. En nu heeft ze natuurlijk de slaapkamer gesloten en moet ik op de logeerkamer gaan slapen. O jé,.... daar moet jij.... zeg Nelly.... ik zal vanavond bij jou moeten blijven. Mag ik? Het is zo heel....”
„Stil jongen, dat gaat niet, neen tenminste...”
Nelly’s gezicht heldert ineens op.
Plotseling kust ze Leo goeden nacht en verdwijnt naar boven. Leo blijft nog wat rondscharrelen, zingt nog tweemaal van de klok van Arnemuiden en loopt dan ook naar boven. Zou de deur werkelijk gesloten zijn? Ja warempel. Greet drijft hem zelf naar Nelly.
„Ga maar naar de logeerkamer. Ik kan je niet zien.”
Gnuivend loopt Leo naar de kamer er naast, drukt de deur open.
„Laat het licht uit. Anders....”
„Goed schatje.... lig je al in bed? Ik kom....”
In een paar tellen is Leo uitgekleed en springt in bed.
„Ha, lieveling, wat heb ik naar je verlangd.”
Hij pakt het vrouwtje naast zich in zijn armen en begint haar onstuimig te kussen.
„Mijn liefste lieveling.... Wij horen bij elkaar.... Nooit laat ik je meer gaan. Ik kan niet buiten je. Jij en jij alleen.”
„Zal je dan nooit meer dronken zijn, schat?”
„Dronken? Welnee, hoe kom je daarbij. Ik ben nooit dronken.”
„Behalve vanavond een beetje! Anders had je mijn zuster niet op je schoot genomen en gekust.”
Leo’s handen stokken ineens. Mijn zuster Nelly? Wie is dat dan, die hier naast hem ligt? Vlug trekt hij het licht aan en staart ontdaan in de lachende ogen van zijn eigen Greetje. Maar Leo is niet dronken. Hij is nuchter als een kalf.
„Zie je, lieveling.... ik was toch wel een beetje dronken.... Dom mannetje hè? Kom geef me maar gauw een zoentje, dat je vergeeft. Ik beloof je dat ik heus nooit meer zal drinken. Wat moet Nelly wel van me gedacht hebben.”
„Nelly vergeeft het je van harte. Ze wist toch zelf, dat je in je dronken bui niet wist wat je deed.”
Leo trok maar gauw het licht uit. Zijn vrouw mocht zijn gezicht niet zien. Ja, ja, die mannen.





Onder het vergrootglas (nieuwe serie 12) : Woordschilderen
Geerten Meijsing

De zomervakantie was aangebroken, en ook al blijf ik waar ik zit, de maand augustus geeft mij altijd een feestelijk gevoel, ook al omdat ik in die maand jarig ben: het is mijn maand zogezegd. Dat gevoel is een blijvende erfenis van de schooljaren: voorlopig niet naar school te hoeven, eindeloos te kunnen zeilen, aan boord je kostje koken en te slapen onder de dektent met je beste vriend - wat kun je nog meer willen?
Om dat geluk te vervolmaken herlees ik deze maand altijd een paar Bob Evers-boeken. Wat je nog meer zou willen? Dat je kon zeilen in de Stille Zuidzee en een jaar op een onbewoond eiland wonen. Daarom heb ik dit keer achter elkaar de drie eerste delen (zoals die later canoniek aan het begin van de serie geplaatst zijn) gelezen, in afwachting van twee vrienden die in een vrij klein zeilbootje (een bijna veertig jaar oude Albin Vega van 27 voet) van Marseille langs Corsica, Sardinië, de Æolische Eilanden en door de Straat van Messina naar Siracusa kwamen zeilen. Daar hebben ze twaalf dagen over gedaan. Een van de twee is ook een fanatiek BE-lezer, die onder meer eens met zijn vader en stopwatch in de hand de mysterieuze reis heeft nagevaren van de scheldejol die met Jan Prins en Bob Evers aan boord in het niets leek te zijn opgelost vanaf de Spanjaardsbrug bij Leiden, waar Arie zijn vrienden zou opwachten; volgens hun scheepslogboek klopte het tijdschema precies.
Toen het schip van mijn vrienden de Porto Piccolo binnenliep, zat ik hun in mijn auto aan de kade op te wachten. Later vroeg de kapitein van de „Idée-fixe” (waarom heeft die scheldejol van Jan eigenlijk geen naam?) of ik iets in zijn scheepslogboek wilde schrijven. Dat werd het volgende:
Siracusa / 10 agosto 2012:
Stipt op tijd kwam de oude Citroën van Colenbrander met zijn voorwielen tot stilstand, nipt aan de kaderand van de Porto Piccolo. Hij zag de „Idée-Fixe” met gehesen grootzeil en gezwinde spoed tussen de pieren doorvaren, en gaf, nadat hij tevreden op zijn beide polshorloges had gekeken, enige felle, korte lichtsignalen met zijn gele koplampen. Vijf minuten later was hij over de steiger naar het door zwaar weer gehavende zeilbootje gelopen, en zag hij, tot zijn niet geringe verbazing, de twee Bronzen van Riace, als lopende beelden, van boord komen. „Franke en Frank, mag ik aannemen?” -G.M.

Drie sterren nonsens (uitdrukking van Willem W.) voor wie de boeken niet kent. Omdat deze schipper ook een (on)gezonde belangstelling voor wapens en schietgeweren heeft, ging het gesprek vaak over onze drie helden, en meer nog over de muiters Braggart, Mickey Mouse en de oude Schotse machinist MacGarrigle met zijn repeteergeweer. Ik heb al eens eerder opgemerkt op deze bladzijden dat de bijfiguren en de boeven in de BE-boeken vaak opmerkelijk drie-dimensionaal getekend zijn; ze bezitten echt karakter, en nog sterker: het vertelperspectief wordt vaak verlegd van de drie jongens naar een of meerdere van de boeven. Dit is een van de kenmerken die de boeken zo opmerkelijk maken, alsook het herhalen van dezelfde gebeurtenissen vanuit een verschillend vertelperspectief.
Bij het lezen van de eerste drie boeken was mij ditmaal nauwelijks iets opgevallen om onder het vergrootglas te leggen; de jongens zelf hebben nog weinig karakter, de verwikkelingen gaan snel van start en het verhaal vertoont nauwelijks ‘zakken’. Wel eten ze onwaarschijnlijk veel varkensvlees en hebben ze wonderlijk genoeg geen last van vitaminegebrek. Er zijn in die delen nog weinig typische Willem Watermanzinnen te vinden - dat merkwaardige idioom wat zijn schrijven zo bijzonder maakt en de tekst ‘stem’ geeft, namelijk die van de schrijver. Men zou kunnen zeggen dat hij zich nog enigszins op de vlakte houdt, met in zijn achterhoofd het idee dat hij jongensboeken aan het schrijven is - alleen het wapengebruik past niet bij dat genre.
Wat mij wel opviel, is dat Willy van der Heide de verleiding niet heeft kunnen weerstaan om hier en daar overdadig met woorden te schilderen: eindeloze zonsop- en ondergangen in kleuren en halftinten, de sterrenhemel, wit oplichtende strandjes in de nacht, een onverwachte waterval tussen het tropisch groen. Met de voorbeelden alleen al zou ik drie van deze columns kunnen vullen. En wat mij ook is opgevallen is hoe onwaarschijnlijk veel de figuren uit deze eerste drie boeken in hun broekzakken met zich meedragen.
De ronding van Kaap Hoorn is voor de „Willi Waw” kennelijk een peulenschilletje; over het indrukwekkende landschap van Vuurland geen woord.
Van enig ontzag voor doodgeschoten mensen wordt blijk gegeven (vooral als Jan Prins de morele overweging uitspreekt dat je die levensgevaarlijke boeven niet zomaar mag afknallen, maar dat je alleen uit zelfverdediging mag schieten), maar verder wordt niets over de religieuze achtergrond van de jongens verteld, en ook niet of ze er misschien nog andere vrienden, van school bij voorbeeld, of van een sportclub, op nahouden. Kortom, de karakters van onze drie vrienden zijn, in tegenstelling tot de kalenderplaatjes van de Stille Zuidzee, of de nauwkeurige tekening van de „Frisco”, nog nauwelijks ingekleurd.
Verder komt er weer geen vrouw in het boek voor, ook niet gebonden aan de mast, zoals Kapitein Rob in dezelfde tijd wel tekende. Dat het om nog schoolgaande pubers gaat, blijkt slechts uit hun flauwe grapjes en pesterijen. Het was allerminst deze meligheid waardoor ik met name „De strijd om het goudschip” weer met groot plezier gelezen heb. De tegenwoordig ongeoorloofde beschrijvingen van het gedrag der inboorlingen blijven daarentegen wel erg geestig.






Nieuwsbrief 38
Nieuwsbrief 39 als pdf
Nieuwsbrief 40
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina