Nieuwsbrief nr. 41
ISSN 1386-6451
juli 2013 - 20e jaargang nr. 2



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Die blaue 3Roger Schenk
Mulisch?Hans van Rosmalen
Vrolijk PasenPaul van den Hout
Een radiobedrijf voor en door jongensPiet van Heesewijk
Recensie van deel 52: Lotgevallen rond een limousineSchout-bij-kunstlicht Spook
(Gast)column: Rouwmuziek in een PuddingfabriekKoen Wynkoop
WWW contra Peter de Zwaan: twee ingezonden E-mailsArie Vrolijk
Pedagogisch niet verantwoord?John Beringen
Vijf vossen in een volièreWilly van der Heide
Psychotechnisch huwelijkP. P. Preuts
Enkele foto’s uit Frankfurt (Oder)Roger Schenk
Ave frater atque valePaul van den Hout
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 14) :
Willy filmt Amerika
Geerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen


Prijsschieten op een premiejager” verschenen.

Sinds de vorige Nieuwsbrief wisten wij het zeker: er komt een deel 52! Welnu, inmiddels is deel 52 van de onverwoestbare Bob Evers-serie verschenen, „Prijsschieten op een premiejager”; dat komt dus niet als een verrassing. Wat wel een nogal spectaculaire ontwikkeling is, is dat de boeken niet zijn verschenen bij Uitgeverij De Eekhoorn, maar bij Zwarte Zwaan, een geheel nieuwe uitgeverij, die uitsluitend boeken van Peter de Zwaan zal uitbrengen, zowel jeugdboeken als thrillers. In het najaar zal het derde boek van deze jonge uitgeverij verschijnen, „De Loverman”, over een bekende of liever gezegd beruchte neuroloog uit het oosten des lands. Het derde boek? Jazeker, want een tweede verrassing is een herdruk van deel 51, „Clandestiene streken op een cruiseschip”. Voer voor de verzamelaar, maar natuurlijk ook voor degenen die dit deeltje nog niet in de Eekhoorn-versie hadden bemachtigd. Verzamelaars kunnen sowieso hun vingers aflikken, want Peter heeft de eerste 500 exemplaren van beide delen eigenhandig van een nummer en zijn eigen handtekening voorzien.
Elders in de onderhavige Nieuwsbrief staat een uitgebreide recensie van „Prijsschieten op een premiejager”, net als de recensie van deel 51 in Nieuwsbrief 36 afkomstig van Schout-bij-kunstlicht Spook.
Clandestiene streken op een cruiseschip”: ISBN 978-90-820523-2-9.
Prijsschieten op een premiejager”: ISBN 978-90-820523-0-5.

Duitstalige Bob Evers gevonden!!!
Ha! U dacht zeker óók dat „Avonture in die Stille Suidsee”, „Drie seuns op ’n onbewoonde eiland”, „Die stryd om die goudskip” en een hoofdstukje „A hold-up in mid-air” de enige buitenlandse vertalingen van onze Nederlandse en toch zo „internationale” serie waren? In dat geval heeft de redactie een verrassing voor u in petto, waar je u tegen zegt!
Redactiespeurneus Roger Schenk - zeg maar: de Colenbrander van het Eiland van Dordt, compleet met Citroën en al, maar helaas slechts gezegend met één horloge - ontdekte een vijfde buitenlandse vertaling en wel een Duitse!!! En dan hebben we het niet over de Duitstalige vertaling van de eerste Bob Evers-strip, „Ärger um einen schweinsledernen Koffer” (die samen met de Deense strip „Ballade um en svinelæderkuffert” verscheen; u leest daar alles over in Nieuwsbrief 26), nee, het gaat om een originele, Duitse vertaling uit het historisch belangwekkende jaar 1961: in dat jaar bouwden de Oost-Duitsers een muur en maakten de West-Duitsers kennis met Bob Evers. Lees snel verder in het artikel „Die blaue 3”!

Zo vader, zo zoon on demand.
In de vorige Nieuwsbrief wisten wij al te vermelden dat bookscout.nl voornemens was om Paul van den Houts meesterwerk in Onegin-strofen opnieuw uit te geven. Welnu, het boek is inmiddels verschenen onder de titel „Een moordfeest”. Gek genoeg noemt bookscout.nl dit een „eerste druk”, terwijl het formeel toch een tweede druk is, namelijk een herdruk van „De muze en de misdaad”. Maar wie neemt het bookscout.nl kwalijk? Integendeel, de liefhebbers zullen blij zijn dat deze uitgeverij hen met deze print-on-demand-uitgave in staat stelt om het boek alsnog aan te schaffen; de „De muze en de misdaad”-variant (zie ook Nieuwsbrief 36), die in een zeer kleine oplage is verschenen, was namelijk zeer snel uitverkocht, zodat tot nu toe alleen de échte liefhebbers hebben kunnen constateren hoe waar Willems jaloerse woorden dat Paul meer talent had dan hijzelf, zijn!
Wie, alvorens tot de aanschaf van het boek over te gaan, nog een voorproefje nodig heeft, kijke op YouTube, waar Paul zelf een gedeelte van het gedicht declameert.
Interessant aan deze nieuwe uitgave is verder het feit dat de voorkant getekend is door Pauls partner, Lydwina.
Een moordfeest”, Soest: Boekscout.nl, 2013; ISBN 9789462066618.

En ook van vader Willem zelf is er, inmiddels alweer een tijdje geleden, weer eens een print-on-demand-boekje verschenen; op het gebied van boekuitgaven is dit nu al de miskleun van deze nog zo jonge 21e eeuw. Wij laten één van de directeuren van Olympia Press aan het woord; schatert u even mee?
„In de vroege jaren ’70 dacht de toenmalige board of directors van Olympia Press/Maurice Girodias enorm te gaan scoren met de uitgave van de memoires van de eigenares van het eerste S.M.-bordeel in Amerika. Omdat haar arrestatie en daaropvolgende rechtszaak in de jaren ’60 door vrijwel alle brave Amerikaanse huisvaders met rode, nee: waarlijk donkerrode oortjes gevolgd was in de media, dacht Olympia Press een enorme klapper te kunnen maken; vooral ook omdat er een geniale ghostwriter was gevonden, die de summiere krabbels van Dutch Monique von Cleef tot een heerlijk leesbaar geheel wist te transformeren. Deze ghostwriter was eveneens Dutch, Duits dus, en scheen in eigen land een beroemdheid te zijn; op de flaptekst van „The House of Pain” staat het immers duidelijk te lezen: the prominent Dutch author, William Waterman! Nou, u voelt ’m al aankomen: het boek liep voor geen yard! De oorzaak moet waarschijnlijk gezocht worden in het feit dat er in het hele boek eigenlijk nauwelijks spectaculaire onthullingen werden gedaan: de beschrijving van de S.M.-praktijken was nogal tam, maar bovenal: het publiek wilde natuurlijk namen lezen van mensen die in Von Cleefs bordeel op bezoek waren geweest en laten die namen nou nét niet genoemd worden!
Hoe dan ook: het overgrote deel van de oplage kwam in de ramsh terecht; hetzelfde lot was de pocketversie van het boek beschoren. Tot ineens.... eind jaren ’90 begonnen de eerste Amerikaanse antiquariaten te experimenteren met internet en online shopping. Nog begreep niemand het fijne ervan, maar ineens kwamen er honderden bestellingen uit een of ander onbekend deel van Scandinavië, the Netherlands of zoiets; ik kan me herinneren dat wij die naam ooit op de high school hebben geleerd, maar waar precies in Scandinavië het ligt... Hoe dan ook: wij - inmiddels werkte ik ook bij Olympia Press - zagen met lede ogen aan hoe de prijzen van „The House of Pain” in no time stegen van nog geen 10 dollar tot ver boven de 200 dollar. Voer voor economen: kwestie van vraag en aanbod uiteraard, maar mooi dat wij van Olympia Press er geen cent aan verdienden, natuurlijk! Terrible!
Ook binnen onze uitgeverij sloeg de internationalisering echter toe en wij namen ’n paar jaar geleden een jonge Engelsman in dienst, die al snel het verband kon leggen tussen de begrippen Dutch en the Netherlands. En eindelijk was het quarter gevallen: dus dáárom waren die Dutch people zo geïnteresseerd in het wel en wee van hun landgenote in de States, maar waarom zo ineens?

Hoe dan ook: wij wilden ook wel een graantje meepikken van die „House of Pain”-boom en dus besloten wij in 2011 om een print-on-demand-uitgave van het boek op de markt te brengen. Maar ja, die aardige Dutch people waren natuurlijk vooral geïnteresseerd van de wederwaardigheden van hun Monique in the Netherlands, dus het tweede gedeelte - dat zich in de States afspeelt - plus de procesgang hebben we weggelaten uit deze nieuwe uitgave. Onze Engelse medewerker wist te melden dat Dutch people niet „von”, maar „van” heten, dus die fout hebben we nu na vier decennia eindelijk rechtgezet: er staat nu Monique van Cleef op de kaft, zoals het hoort. En die prominent Dutch author William Waterman? Ach, zo prominent schijnt hij after all toch niet te zijn geweest, want op internet kom je die naam nergens tegen, behalve dan in verband met „The House of Pain”. Je komt al googlend wel veelvuldig de naam Willem W. Waterman tegen (mogelijk een familielid van William), maar die schreef vooral in de jaren ’40. Dus: de naam William Waterman hebben we maar weggelaten, want die naam zegt ons Dutch lezerspubliek hoogstwaarschijnlijk tóch niets.
Inmiddels tref je de print-on-demand-versie van „The House of Pain” op alle Europese Ebay-sites aan, maar ’t is of de duvel ermee speelt: het boekje loopt alweer voor geen yard, dus het is voor een habbekrats te krijgen! Nee, wij Olympians hebben bepaald geen geluk met dat boek!”
The House of Pain”, Ophelia Press (The Olympia Press), 2011; ISBN 9891608729814.

Terug naar zoon Paul: hij spaart kosten nog moeite om zijn vader naar de kroon te steken. Was de laatste in december onderwerp van een heuse kerst- dan wel nieuwjaarspuzzel, zoon Paul kwam op 18 april 2013 op acht horizontaal voor in de puzzel van Dagblad Trouw! (Voor de ongelukkigen die niet in het bezit van Pauls dichtbundel „Oud heden” zijn: de oplossing is trouver). Ja, ja, de appel valt niet ver van de boom; het wachten is nu op een 32-delige successerie van de hand van zoonlief. Je kunt het, Paul!


Willem alweer als romanfiguur!
In diezelfde tijd waarin de eerste versie van „The House of Pain” uitkwam, was Willem bevriend met de dichter Jaap Verduijn. Deze was ook aanwezig bij de plechtigheid bij het voormalige Noord-Zuid-Holland Koffiehuis op 6 december 1972 en heeft nog een tijdje bij Willem op de bij de redactie zo bekende „Maria van Mijdrecht” gewoond. Naar de redactie nu pas vernam, heeft deze Jaap Verduijn in 2009 een boek (ook al print-on-demand: is dit een epidemie, of wat?) uitgegeven onder de titel „Hachelbout’s harem”, een autobiografische roman, waarin tussen allerlei andere kleurrijke figuren natuurlijk ook onze eigen Willem van den Hout prominent aanwezig is. Op blz. 32 van het boek komen we het zo bekende verhaal van het zo bekende briefje op de „Maria van Mijdrecht” tegen. Je zou het boekje kunnen kwalificeren als een kruising tussen Ab Pruis’ „Het Stinkdier” en Willems eigen „Toen ik een nieuw leven ging beginnen”: een erg grappig en lekker leesbaar werkje dus, niet alleen in (gedrukte) boekvorm te krijgen, maar ook als e-book.
Hachelbout’s harem” Ede: EdeseJaap (pumbo.nl), 2009; ISBN 9789081460323.

Aan Geerten Meijsing gewijd weblog leeggehaald.
Er was eens ... een website, gewijd aan leven en werk van Bob Evers Genootschap-bestuurslid en trouwe columnist van de Bob Evers Nieuwsbrief : www.meijsing.com. Dat klinkt als het begin van een mooi sprookje, maar helaas... in het jaar 2010 werd deze website opgeheven; het weblog Armas y Letras nam de taak over om ons te informeren over het wel en wee van de bekende Nederlandse auteur. Sinds 19 januari 2013 bestaat het weblog helaas nog maar uit één pagina, te weten:

BERICHT AAN DE LEZER
Geachte lezer,
Op nadrukkelijk verzoek van Geerten Meijsing stoppen wij met onmiddellijke ingang met Armas y Letras. De gepubliceerde stukken blijven wel bewaard, maar zullen niet langer zichtbaar zijn. Wij doen dit ongaarne maar kunnen niet anders dan de wens van de auteur respecteren, die zich om persoonlijke redenen niet langer geassocieerd wil zien met een aan hem gewijd blog.
Wij bedanken iedereen die in het verleden iets heeft bijgedragen aan Armas y Letras. Vooral Jack van der Weide zijn wij veel verschuldigd. Zijn originele en goed gedocumenteerde stukken vormden vooral de laatste tijd om zo te zeggen de merg van ons blog.
Wij blijven Geerten Meijsing vanzelfsprekend met warme belangstelling volgen en wensen hem het allerbeste toe. We hopen dat zijn aanstaande roman hem én ons alles brengt wat we ervan verwachten.
Met spijt in het hart maar sans rancune,
Robert Eksteen
Jan-Paul van Spaendonck.

Wie zal ons nu voortaan op de hoogte houden van de Gebeurtenissen rond Geerten ...? Behalve natuurlijk de onvolprezen Bob Evers Nieuwsbrief, die als vanouds verslag zal doen van alle nieuwe boeken die Geerten schrijft; helaas zijn dat er de laatste jaren niet al te veel (maar: er is nieuw werk in aantocht!). De redactie van de Nieuwsbrief heeft dan ook, zij het met pijn in het hart, besloten om alle links naar Geertens homepage en naar Armas y Letras van deze site te verwijderen.
Om dan maar min of meer in sprookjesstijl af te sluiten: ... en wij leefden nog lang en ongelukkig! (Maar wel vol hoop op nieuw werk van de sympathieke schrijver).

Een andere website daarentegen van een wisse dood gered!
De redactie is van mening dat de naam Marie-José van den Hout geen introductie meer behoeft. Aangezien het echter de taak van een zichzelf respecterende redactie is om iedereen over van alles en nog wat te informeren, zij hier kort aangestipt dat deze dame de jongere zus was van de (eerste) schrijver van de Bob Evers-serie; ze was niet zo’n enorme veelschrijfster als haar broer, maar toch heeft zij twee boeken geschreven, „Gelukkig gisteren” (2005) en „Passie in Parijs” (2009). Over beide boeken is in oude Nieuwsbrieven al het nodige gezegd en wij houden er, net als jullie, niet van om in herhaling te vallen. Gelukkig-gisteren was ook de naam van Marie-José’s website: kijk, broerlief mag dan wat meer boeken hebben geschreven, maar een eigen website had hij niet!

Marie-José was tot op hoge leeftijd een persoon vol levenslust; de enige keer dat redacteur Roger Schenk haar over haar eigen - op dat moment nog lang niet nakende - dood heeft horen praten, was toen zij de uitdrukkelijke wens uitsprak dat hij er zorg voor zou dragen dat haar website behouden zou blijven. Roger beloofde dit uiteraard, maar Marie-José’s onverwachte dood op 09-09-09 gooide roet in het eten: er dook een executeur testamentair op, die Gelukkig gisteren voor een aantal jaren vooruit had betaald.... Zo gezegd, zo gedaan.
Tot... Roger er op 15 april jongstleden, nota bene twee dagen vóór Marie-José’s 86e verjaardag, achter kwam alle lincks naar www.gelukkig-gisteren.nl morsdood liepen; navraag bij de webhost leverde het ontnuchterende antwoord op, dat er nog een rekening van € 550,- open stond op die website. Goede raad was op dat moment letterlijk duur, maar - om een lang verhaal kort te maken - enkele snelle en doeltreffende acties van Bart Koop-Henzen, Michiel van Deursen, Paul Vinkenoog, Roger Schenk, Ronald Cobet en Udo Tjalsma hebben ertoe geleid dat Marie-José’s website vanaf 18 april (als één dag verlaat verjaardagscadeautje) weer in zijn volle glorie op het wereldwijde web straalt, weliswaar onder een ietwat gewijzigde url, t.w. www.gelukkiggisteren.nl (dus zonder dat streepje tussen „gelukkig” en „gisteren”, zoals op alle foto’s op de website te zien is, maar het is hopelijk slechts een doorgewinterde kniesoor die daarop let).
Namens wijlen Marie-José van den Hout dank aan alle genoemde heren!


Oudste zoon van Willem van den Hout overleden.

Op 27 april is in Leende Peter van den Hout overleden; hij werd op 24 november 1937 in Eindhoven geboren als oudste zoon van Willem van den Hout en Wiesje Grossouw. Onder zijn volledige naam Willem-Peter speelt hij een rol(letje) in „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?”.
Tijdens zijn werkzame leven was Peter psychiater; behalve zijn dissertatie, „Brachialgie in de huisartspraktijk” (Groningen, 1969), verschenen van zijn hand de drie boeken waarover John Beringen schreef in Nieuwsbrief 36 en - samen met dr. H.J. Aalderen - het boek „De huisarts: zijn persoon en denken in het geneeskundig proces”, plus talloze artikelen in diverse wetenschappelijke tijdschriften, waarin hij zijn progressieve visie op de psychiatrie uiteenzette.
Hij laat een vriendin, twee dochters en een zoon na; de medewerkers van de Nieuwsbrief condoleren hen met hun verlies.


Links een foto van de broers Paul (die zich probeert te verbergen achter een bierglas: een léég glas, nota bene!) en Peter van den Hout in het ons zo welbekende Café De Oude Wester in Amsterdam.


Ook Johan van der Ploeg is niet meer.

Johan van der Ploeg introduceerde zichzelf in 2001 bij het grote publiek door zijn voornemen om eindelijk eens een echte W.H.M. van den Hout-biografie te schrijven in Nieuwsbrief 17 kenbaar te maken. Johan, opgeleid als historicus en werkzaam als archivaris, heeft bergen werk verzet om talloze archiefstukken betreffende „onze” Willem boven water te krijgen. Een vreselijke, slopende ziekte maakte echter al na één hoofdstuk een abrupt einde aan zijn plannen om die biografie ook daadwerkelijk te schrijven. Toch kwam het bericht dat Johan op 4 juni jl. aan de gevolgen van deze ziekte is overleden, op slechts 62-jarige leeftijd, nog onverwachts.
Ook in dit geval kunnen de medewerkers van de Nieuwsbrief weinig meer doen dan de nabestaanden condoleren met hun verlies en hun misschien een zeer kleine troost bieden door de stellige verzekering dat Johans levenswerk, die roemruchte biografie, niet verloren zal gaan, maar door Roger zal worden voltooid.


Marie-José van den Hout - inmiddels ook al overleden - en Johan van der Ploeg op de Bob Evers-dag op De Kaag op 11 november 2000.


When the last Saint goes marching in(to heaven)”...
En twee dagen na het overlijden van Johan van der Ploeg kwam er definitief, grondig en voorgoed een einde aan onze jeugd: het laatste lid van de „klassieke” bezetting van het Dutch Swing College - d.w.z. de enige echte, door Willy van der Heide geautoriseerde, want in „Stampij om een schuiftrompet” en „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” vereeuwigde bezetting - heeft het ondermaanse verlaten en zich bij de andere bandleden in het hiernamaals vervoegd: Wladimir (roepnaam Dim) Kesber. Dim maakte van 1946 tot 1960 deel uit van de Dutch Swing College Band (zoals de officiële naam van het orkest luidde); nadien speelde hij saxofoon en klarinet in de Reunion Jazzband, Dim Kesber and the Augmenters en Dim Kesber and Friends; op 3 maart 2013 trad hij - inmiddels 83 jaar jong, 68 jaar muziekervaring met zich meetorsend - nog op in Jazz- en Theatercafé Porgy and Bess (Terneuzen) met zijn Friends en zangeres Denise Jannah, naar wij nu weten zijn laatste concert - „When the Saints go marching in” klinkt voortaan vanaf een wolkje...
De Dutch Swing College Band bestaat nog steeds, zij het uiteraard in een compleet andere bezetting dan in de tijd van Jan, Bob en Arie; onderstaande foto (© Wouter van Gool) uit 1953 toont nog eenmaal alle acht bandleden die wij zo goed kennen:

Vanaf linksboven met de klok mee:
Arie Ligthart (banjo) : * 8 maart 1924 , † 1 december 1997;
Wybe Buma (trompet) : * 15 december 1924 , † 28 augustus 1998;
Peter Schilperoort (sopraansax) : * 4 november 1919 , † 17 november 1990;
Dim Kesber (klarinet) : * 8 januari 1930 , † 6 juni 2013;
Wim Kolstee (schuiftrompet) : * 30 april 1927 , † 2 februari 2006;
André Westendorp (drums) : * 17 maart 1926 , † 12 december 1987;
Bob van Oven (bas) : * 19 augustus 1923 , † 4 februari 2006;
Joop Schrier (piano) : * 1 augustus 1918 , † 1 april 1995.

In verband met het overlijden van enkele prominente leden van de uitgebreide Bob Evers-familie vond de redactie het gepast om de traditionele gastcolumn deze keer plaats te laten maken voor Koen Wynkoops zeer bijzondere en zeer ontroerende „gastcolumn”: in memoriam Johan van der Ploeg.
De redactie is zich terdege bewust van het in zulke gevallen gebruikte, platgetrapte cliché, maar zij weet ook niet veel meer opbeurends te verzinnen na de recente reeks sterfgevallen binnen (zijtakken van) de Bob Evers-familie. Welaan dan: life goes on, de Bob Evers Nieuwsbrief gaat eveneens verder; kopij is vanzelfsprekend als altijd van harte welkom op nieuwsbrief@apriana.nl.






Die blaue 3
Roger Schenk

Wie zei dat er in dezen tijd geen juweeltjes konden opduiken uit oude enveloppen? Er moeten meer en meer juweeltjes opduiken uit oude enveloppen!
Wat te denken van het nevenstaande document? Een bijlage bij een contract dat de ons welbekende Willem van den Hout op 14 december 1960 had gesloten met Rolf Kauka! Het contract zelf is helaas met de noorderzon vertrokken, maar de inhoud ervan valt aan de hand van het onderhavige document redelijk eenvoudig te reconstrueren. Het betreft hier namelijk een contract over een Duitse vertaling van „Een overval in de lucht” („Ein Überfall in der Luft”), die als feuilleton zou moeten verschijnen; dat zou Willem dan de somma van 400 harde Duitse marken opleveren (in 1961 iets meer dan 360 nog hardere Nederlandse guldens). In de hier afgebeelde Zusatz d.d. 30 januari 1961 zijn daarbij bovendien opgenomen de Duitse rechten voor „De jacht op het koperen kanon” („Jagd auf eine kupferne Kanone”) en „Sensatie op een Engelse vrachtboot” („Sensation auf einem englischen Frachter”), eveneens voor 400 DM per verhaal. In totaal zou Willem dus 1200 DM ontvangen in een tijd waarin in Nederland „Heibel in Honoloeloe” en „Arie Roos wordt geheim agent” van de persen rolden. Of... de helft? Hoe zat dat?
In het contract tussen Willem en Stenvert betreffende de Wanda Moens-serie - gepubliceerd in Nieuwsbrief 40 - lezen we onder artikel 3 de bepaling: „Van vertalingen, tot stand gekomen door bemiddeling van de uitgevers wordt de winst gelijkelijk tussen auteur en uitgevers verdeeld. Van vertalingen, door bemiddeling van de auteur geplaatst, ontvangt de uitgever geen aandeel.”. Er gemakshalve maar eventjes van uitgaande dat er in het geheimzinnige, voor ons (nog?) ontoegankelijke contract tussen Willem en Stenvert/De Eekhoorn betreffende Bob Evers ook een soortgelijke bepaling heeft gestaan, mogen we dus aannemen dat de Duitse vertalingen Willem dus 600 of 1200 mark opleverden. Omdat het feuilleton niet verschenen is onder de naam Bob Evers (rechten!) neig ik naar het laatste.

Allereerst de persoon van Rolf Kauka (* 09/04/1917 , † 13/09/2000). De gemiddelde Nederlander zal hem waarschijnlijk niet kennen, maar in Duitsland was hij wereldberoemd! Je zou de man met recht een van de toonaangevende Europese comic-pioniers mogen noemen; zelfs het predikaat „Europese Walt Disney” wordt gebruikt: reeds als gymnasiast onderscheidde hij zich door cartoons te tekenen voor de „Leipziger Neuesten Nachrichten” en het „Weiβenfelser Tageblatt”, maar pas na de oorlog komt hij goed op dreef. In 1947 richt hij zijn eigen Kauka-Verlag op en begint tijdschriften uit te geven, vanaf 1952 in samenwerking met de bekende kunstenaar Dorul van der Heide. Op deze naam - geen pseudoniem, zoals die andere Van der Heide! - kom ik nog nader terug. In mei 1953 verschijnt bij de Kauka-Verlag het tijdschrift „Till Eulenspiegel”; in het zesde nummer daarvan lezen we voor het eerst een stripverhaaltje over de vosjes Fix en Foxi. Het tijdschrift - waarin niet alleen strips, maar van tijd tot tijd ook gewone prozaverhalen en feuilletons zijn opgenomen - verschijnt aanvankelijk eens per maand en later eens in de veertien dagen; vanaf nummer 29 (begin 1955) wordt de titel veranderd in „Fix und Foxi” en het blad wordt het toonaangevende comicblad van Europa, een serieuze concurrent van het Amerikaanse blad dat vanaf de vroege jaren ’50 ons continent verovert: „Donald Duck”. Tussen 1953 en 1994 worden er in Duitsland maar liefst 2018 „Fix und Foxi”-deeltjes uitgegeven; op het hoogtepunt van z’n roem (circa 1965) bereikte het blad, inmiddels al lang een weekblad, per aflevering een dikke 400.000 abonnees; reden voor de Kauka-Verlag om het ook eens in Nederland te proberen: tussen oktober 1959 en augustus 1966 verschenen er in totaal 35 afleveringen van „Fix en Foxi”. In Nederland werd het blad geen succes, ondanks de pogingen om een Nederlands/Vlaams karakter aan het blad te geven door naast de avonturen van Fix en Foxi zelf ook nog strips als Pit en Piccolo (later beter bekend onder de naam Robbedoes en Kwabbernoot), Roodbaard en Blueberry op te nemen. In Duitsland blijft het succes echter enorm; Rolf Kauka richt zelfs een filmmaatschappij op (zie het opschrift boven het contract), die o.a. tekenfilms over Fix und Foxi maakt, maar ook reclamefilmpjes voor BMW. Qua gezondheid ging het helaas iets minder met onze vriend Kauka, die zich in 1982 dan ook terugtrok op zijn plantage Chinquapin in Thomasville/Georgia; daar schreef hij nog enige romans en richtte her en der wat nieuwe uitgeverijen en tijdschriften op. Niet al te handig is de omzetting van week- naar maandblad in 1994; als het decembernummer 1994 dan ook nog eens vóór verschijning niet door Kauka’s eigen ballotage komt, valt het doek voor het blad „Fix und Foxi”; al zijn er in 2000 en tussen 2005 en 2010 pogingen tot een doorstart. De fans van het blad blijven echter razend enthousiast en onderhouden een eigen online-encyclopedie, de Kaukapedia. In het Ravensburger Spieleland ligt het Fix und Foxi Abenteuerland.

De naam Kaukapedia is dus gevallen: een heerlijke bron van informatie, zeker voor ventjes met contractbijlagen, die op zoek zijn naar eventuele Duitse Bob Evers-vertalingen. Maar zo glad zat dat allemaal niet!
De naam Bob Evers komt niet voor in de Kaukapedia - dat zal dan wel met die omineuze rechten te maken hebben -, maar ook heeft men om een of andere duistere reden blijkbaar afgezien van de titels „Ein Überfall in der Luft”, „Jagd auf eine kupferne Kanone” en „Sensation auf einem englischen Frachter”. Nou, ga dan maar eens zoeken! Maar... vanaf „Fix und Foxi” 286 (6 juni 1961) stuitte ik wel op een vervolgverhaal van ene Willy van der Heide, genaamd „Die blaue 3”!!! Raak!!!
Vanaf dat moment kunt u zich waarschijnlijk wel voorstellen hoe uw razende reporter als ’n gek „Fix und Foxi”’s is gaan inslaan. Gelukkig bleek het uiteindelijk dus maar om 18 afleveringen te gaan, maar... eh... had ik al verteld dat het blad nog steeds een grote schare fans heeft in Duitsland? O ja. Nou, dan kunt u zich een kleine voorstelling maken van de prijsontwikkeling van de individuele nummers...

De drie delen van de briefjesjacht zijn dus tot één feuilleton verwerkt; de oorspronkelijke drie delen, zoals ze bij Stenvert verschenen, tellen in totaal 165.571 woorden, het Duitse feuilleton slechts 40.421. Dat betekent dus dat dik driekwart van de tekst het veld heeft moeten ruimen; de vertaalster/bewerkster was een zekere M.-José van de Voort en deze dame heeft - helaas - kosten noch moeite gespaard om vooral het humoristische element eruit te halen. Bij de insluiping in het huis van Mr. Bromfield (in de Duitse versie om een of andere reden Mr. Clifford genoemd; en het huis is verplaatst van Exeter naar de omgeving van Londen) herinneren wij ons maar al te goed frasen als „Hè jij die gummistok van zes gulden vijf en veertig nog?”. Ik zal nou niet beweren dat dit bepaald het hoogtepunt is van Heidiaanse humor, maar ik moet wel bekennen... bij het lezen van de Duitse versie heb ik deze conversatie node gemist. De intens hilarische zoektocht naar al die krankzinnige Jansens in Amsterdam? Fehlanzeige! Het nachtelijke tumult in Bromborough? Verschwunden! De scène op de „Mersey Hope” wordt, Gottseigelobt!, vrij integraal weergegeven, maar de vraag (en het antwoord) wat dat witte poeder op Bobs lijf is, blijft achterwege. En toen ik ten langen leste constateerde dat zelfs briefje 11 - „mis-poes” - van „Ha-Ha-Ha-Hathaway” op het appel ontbrak, brulde ik een woord, zo lelijk, dat jullie er eerst wit en vervolgens rood van zouden worden als ik het in deze Nieuwsbrief zou weergeven...
Maar goed, alles in ogenschouw nemende moet ik helaas de conclusie trekken dat het verhaal „Die blaue 3” niet bepaald het hoogtepunt is geweest uit de „Fix und Foxi”-geschiedenis. En dat ligt zeer zeker niet aan de kwaliteit van de oorspronkelijke verhalen! Wij, de kenners, beweren immers al decennialang dat onze geliefde roodgele boekjes zo on-Nederlands, zo internationaal zijn. Nou dan! Maar dan moet men die beproefde kwaliteit van het verhaal natuurlijk niet aantasten door driekwart van de tekst te schrappen; toegegeven, in een feuilleton kan dat natuurlijk niet anders, maar toch... De Duitse lezer die het verhaal voor het eerst leest, moet helemaal tot aflevering 14 wachten voor het hem enigszins duidelijk wordt waarom die Barnett toch achter dat ene briefje aan zit. Dat de redactie van „Fix und Foxi” zich waarschijnlijk veel meer van het verhaal van Nederlands beste schrijver had voorgesteld, kunnen we zelfs afleiden uit het gegeven dat men op een bepaald moment gewoon van het verhaal af wilde, althans: het verhaal naar een snel einde brengen. De vaste „Fix und Foxi”-illustrator Dorul van der Heide maakte in totaal 23 afbeeldingen bij de tekst; 18 daarvan staan in de eerste negen afleveringen, de overige vijf in de laatste negen; wie snel rekent, ziet dat er inderdaad maar liefst vier afleveringen zijn zonder afbeelding. Een feuilleton in een blad halverwege afbreken levert steevast een stroom aan ingezonden brieven op, dus dat doet men dan maar niet, maar aan alles is te merken dat men gewoon blij is als „Die blaue 3” eindelijk is afgelopen. De laatste aflevering beslaat nog maar vier halve kolommetjes in het blad.
Dorul van der Heide (* 02/06/1903 , † 16/05/1994) was een Duitse kunstenaar met Nederlandse ouders. Hij was de vaste tekenaar van „Fix und Foxi”, maar maakte daarnaast ook filmaffiches, aquarellen, olieverfschilderijen en vooral heel veel boekillustraties, waarvan die voor de Karl May-boeken het bekendst zijn. Het lijstje Bob Evers-illustratoren - zoals dat begonnen werd in Nieuwsbrief 39 - dreigt door de ontdekking van deze 23 illustraties van Van der Heide zelfs een lijst te worden.

De ons verder onbekende vertaalster/bewerkster M.-José van de Voort heeft niet alleen dingen veranderd aan de handeling, maar hier en daar heeft zij ook wat dingen toegevoegd, dingen die zelfs de meest doorgewinterde Bob Evers-fan nog niet wist. Hieronder heb ik de belangrijkste verschillen tussen de originele versie en het Duitse feuilleton in kaart gebracht.
N.B. De 18 afleveringen zijn voor ons gevoel wat raar genummerd: aflevering 1 heet helemaal niets, aflevering 2 heet „1. Fortsetzung” en zo gaan we vrolijk door tot en met de „16. Fortsetzung” en het laatste deel, terecht „Schluβ” genaamd. Om elk mogelijk misverstand uit te sluiten, heb ik me aan de Duitse benamingen gehouden.

Die blaue 3, „Fix und Foxi” 286 (6 juni 1961, pp. 20-23, 2 afb.) :
Om meteen maar met de grootste verrassing te beginnen: Arie Roos is een Duitser en hij heet Otto Roth! Aan Jan Prins en Bob Evers is niets veranderd: Nederlander resp. Amerikaan en dat is vrij logisch: ook in het na-oorlogse Duitsland had alles wat uit Amerika kwam een magische klank en het erop na houden van een Amerikaan vergroot de mogelijkheden in vervolgdelen; Jan Prins is natuurlijk het prototype van de zuinige en secure Hollander, maar de rolronde gestalte van Arie/Otto is natuurlijk een prachtige, wandelende reclame voor het Wirtschaftswunder! Daarbij is Arie/Otto de heimelijke held van het verhaal, kortom: een ideaal rolmodel voor jeugdige Duitse „Fix und Foxi”-lezers. En niet alleen die, maar blijkens de inleiding mogen ook hun vaders het feuilleton lezen. De drie jongens zitten alle drie op de Oberschule, het Voortgezet Onderwijs (en dat is wel zo handig, want nu voorkomen we tenminste gezeur over een Amerikaanse of Duitse „H.B.S.”, zoals in de boeken! Van de Voort legt in één zinnetje feilloos uit hoe het schoolsysteem in de diverse landen werkt: Bob en Otto leren op hun scholen uiteraard alleen hun moerstaal, Jan spreekt als Nederlands jongetje van voor de Mammoetwet vlot Engels en Duits. Otto heeft door de omgang met zijn vrienden inmiddels zoveel Engels geleerd dat de onderlinge conversaties in die taal plaatsvinden.
Bob is op het moment van het avontuur bijna 17, Jan is net 16 geworden en Otto is bijna 16. Wellicht was mevrouw Van de Voort uitstekend op de hoogte van de inhoud van Bob Evers-serie, want dit is precies wat wij altijd al gedacht hebben bij het lezen van „Drie jongens en een caravan”, waar Jan (vóór de zomervakantie jarig) al een rijbewijs heeft en Arie (na de zomervakantie jarig) nog niet.
Otto’s vader, de ouweheer Roth dus, is reder in Hamburg; oud-kolonel Prins is zijn compagnon in Amsterdam. Hiermee hebben we dus inmiddels de situatie dat alle drie de vaders van onze helden op een bepaald moment ooit reder in Amsterdam zijn geweest: pa Evers in het feuilleton „De avonturen van drie jongens in de Stille Zuidzee”, pa Roos in de Nederlandse boeken en nu dus pa Prins in het Duitse feuilleton!
Pa Prins blijkt op Prinsengracht 15 te wonen, en dat is natuurlijk niet zo fijn voor Otto, die net als Arie in de Nederlandse versie de tram verlaat in de Leidsestraat en nu dus in de stromende augustusregen nog een heel eind te lopen heeft! Hij arriveert uiteindelijk bij Jans huis, beklimt het bordesje „zoals Amsterdamse grachtenpanden dat hebben” en voert vervolgens het bekende gesprek met Jan. Dat dat Van de Voort-mens in 1961 nou ook verzuimd heeft om op Google Streetview te kijken, al was het maar heel eventjes: tsssssss! Anders had zij makkelijk kunnen zien dat uitgerekend Prinsengracht 15 géén bordesje heeft. Wél grappig dat dit zo ongeveer de plek is waartegenover Willems „Maria van Mijdrecht” een decennium later lag, maar dat wisten we in 1961 nog niet...
Vervolgens belt Bob Evers vanuit Londen en stuurt Jan en Otto naar... Johannesburg, waar de Elephantjes op Buffalo Hill 4 wonen! Dan stelt Bob een vraag, die in de Nederlandse versie helemaal niet zo dom is, maar in de Duitse wel: „Is Otto’s paspoort ook in orde?” Dat besefte de vertaalster natuurlijk ook, dus ze heeft er snel het zinnetje aan toegevoegd: „Logisch, anders kon hij nu niet hier in Holland zitten!”

Die blaue 3, 1. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 287 (13 juni 1961, pp. 18-21, 3 afb.) :
Als je dan vervolgens leest dat Jan en Otto op weg naar Schiphol heel braaf langs het kantoor van Jans vader rijden, waar Jan afscheid gaat nemen (en natuurlijk toestemming krijgt om naar Johannesburg te vliegen), tja... dan bekruipen je onwillekeurig toch wat vragen als: „Zijn dit nou die vrijgevochten jongens, die wij zo goed dachten te kennen? Is mevrouw Van de Voort niet bezig om de hele Bob Evers-formule goed en grondig te verzieken?” In het gunstigste geval voel je alvast aan je water dat het begin van „De jacht op het koperen kanon” ook heel anders zal verlopen!
Verder zijn er in deze aflevering gelukkig weinig verschillen met de Nederlandse tekst, behalve dat sommige mensen en zaken andere namen hebben gekregen: Breitstein is natuurlijk geen Duitser, maar een Oost-Europeaan (net als in de latere Nederlandse pockets dus) en heet Larski; zijn handlangers zullen door Jan en Otto verderop „Flachnase” resp. „Glatzmann” gedoopt worden. Andersons maatschappij heet nu de Internationale Stillerer Scheepswerven.

Die blaue 3, 2. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 288 (20 juni 1961, pp. 18-21, 1 afb.) :
Van Amsterdam tot Caïro gebeurt er niets wat we niet al wisten; dat de PH-XKY tussen Caïro en de Kalahari-woestijn blijkbaar een stuk over de Sahara vliegt, is nieuw en tamelijk apart!
Jonkheer Paul van Rilland-Bath heeft promotie gemaakt en heet nu Baron Paul Rilland-Bath.
Bij de overval in de lucht wordt Zazu (ja, zo schijf je dat in het Duits), het keffertje van Lalu Lalonde (ja, zo schrijf je dat in het Duits) al meteen neergeknald. Lekker rustig zo.


Larski houdt de passagiers van de PH-XKY onder schot.

Die blaue 3, 3. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 289 (27 juni 1961, pp. 14-17, 2 afb.) :
Meest opvallende feit in de woestijnnacht is dat alle passagiers en bemanningsleden overnachten in een en dezelfde schuilplaats.
Er is geen enkele vorm van naijver tussen Lalu Lalonde en Tante Ginny; sterker nog, de filmster slaapt de slaap der onschuldigen in Tante Ginny’s armen.
Kijk, om nou van Arie een Duitser te maken, dat is één ding! Maar om hem nou meteen ook maar een Duits soldatenlied uit de Eerste Wereldoorlog te laten neuriën, dat gaat wellicht wat te ver... En toch is dat precies wat Otto doet: „Weit ist der Weg zurück ins Heimatland”, van een zekere Franz Baumann. Nou ja, zolang het tenminste maar geen Frans Bauer is, denken we dan maar.

Die blaue 3, 4. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 290 (4 juli 1961, pp. 22-25, 2 afb.) :
Overvaller Larski is toch een stuk netter dan de Breitstein uit de Nederlandse editie: hij staat op verzoek keurig water af aan Tante Ginny voor de gewonde piloot van de PH-XKY!
De passagiers ondernemen met z’n allen één aanval op het drietal luchtpiraten en die aanval slaagt natuurlijk meteen; Larski wordt geveld door een klap met Tante Ginny’s roman. Ach. Zoiets gebeurt in tekenfilms, maar toch niet in serieuze boeken over georganiseerde luchtpiraten van achter het IJzeren Gordijn? Erg jammer, dit.
Door handig gebruik te maken van de op Larski, „Flachnase” en „Glatzmann” veroverde pistolen weet Jarvis Jeffries - ja, die is er natuurlijk ook bij! - de hier naamloze geoloog met de rupsauto ertoe te bewegen hem alleen mee te nemen naar het vliegveld van Duellele.

Die blaue 3, 5. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 291 (11 juli 1961, pp. 8-10, 2 afb.) :
Het begin van „De jacht op het koperen kanon” is naar voren gehaald; we komen te weten dat huishoudster Marianne (in aflevering 1 overigens Marian genoemd) al bij de moeder van kolonel Prins in dienst was en de kolonel dus al kent vanaf het moment dat deze een jongen was.
In de eerste aflevering heette de erflater prof. Hattaway, maar vanaf deze 5. Fortsetzung mag hij weer gewoon Hathaway heten.
Bob bewoont in het „Cheshire Hotel” niet kamer 342, maar 21.
De PH-XKY met bemanning, passagiers en geboeide boeven aan boord wordt gevonden; de manier waarop de boeven overmeesterd zijn, heeft erg voordelig uitgepakt voor de lichamelijke gezondheid van „Flachnase” en de Chinese steward, want beiden overleven het avontuur. Gelukkig maar weer: al dat bloedvergieten ook...

Die blaue 3, 6. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 292 (18 juli 1961, pp. 17-20, 3 afb.) :
Net als de woning van de Elephants bevindt zich ook het „Fitzmaurice Hotel” in Johannesburg, maar Jeffries is hier alweer vertrokken. Dat komt Jan te weten en van de schrik doet hij iets zeer onPrinselijks: „Jan bedankte sich mit einem Trinkgeld und eilte zurück zum Taxi.” Dit druist zo in tegen alles wat wij over het karakter van Jan weten, dat ik dit zinnetje niet eens in het Nederlands durf weer te geven!
Het privé-vliegtuig waarvan Jan en Otto gebruik mogen maken, „Blitz”, is gek genoeg niet van James Elephant, maar van een andere vriend van Anderson, ene James Illworth; de piloot heet Jamesson. Over motorvliegtuigen, straalvliegtuigen en oorlogen wordt begrijpelijkerwijs maar niet gesproken.

Die blaue 3, 7. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 293 (25 juli 1961, pp. 12-15, 2 afb.) :
Deze aflevering begint met de enige hoofdstuktitel uit het hele feuilleton: „Einbruch mit Überraschungen”. Die inbraak vindt plaats in de leegstaande, naamloze villa van een meneer Clifford in de buurt van Londen, niet te verwarren met de villa „Seven Oaks” van meneer Bromfield in Exeter! De drie (!) inbrekers, van wie alleen Pincher met name wordt genoemd, worden snel en probleemloos uitgeschakeld, waarna Lois het gezochte briefje op een nogal onorthodoxe manier vindt: ze laat het betreffende geweer uit haar handen vallen.
Van alle 48 op te sporen briefjes is dit inderdaad het 46e briefje dat John en Lois vinden, maar dat wil nog niet zeggen dat dit briefje, „Schwierigkeiten”, ook daadwerkelijk nummer 46 draagt! In de Duitse tekst zou dit briefje 41 moeten zijn!

Die blaue 3, 8. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 294 (1 augustus 1961, pp. 14-16, 1 afb.) :
Voor John Bennet - een enkele maal Bennett genoemd - ook maar op het idee kan komen om naar Kaapstad (Johannesburg) te vliegen, melden de kranten al dat de PH-XKY gevonden is; die krantenberichten laten aan duidelijkheid niets te wensen over: de naam Jeffries en zijn verdwijning worden uitvoerig genoemd.
Het privé-vliegtuig „Blitz” maakt geen ererondje rondom het BOAC-vliegtuig. De cockpit van een vliegtuig wordt vrij consequent Flugkanzel genoemd, maar in deze aflevering ineens Führerkanzel, ongetwijfeld ook een correcte benaming, die ons echter wat akelig in de oren klinkt...
In de Duitse versie wordt het uiterlijk van Lois herhaaldelijk benadrukt; ze wordt knap genoemd.


Aankondiging van de 9. Fortsetzung en
samenvatting van het voorafgaande.

Die blaue 3, 9. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 295 (8 augustus 1961, pp. 16-17, geen afb.) :
In deze aflevering trekt kolonel Prins erop uit om Jeffries te overvallen in diens hotel; in tegenstelling tot de Nederlandse versie beschikken de kamers in het „Parkhotel” nu wél over een eigen badkamer. Gelukkig sluit Jeffries zijn kamerdeur niet af tijdens het badderen, zodat kolonel Prins hem probleemloos kan beroven van zijn briefje. Nou ja, probleemloos: ook nu weer zijn er wat jiu-jitsu-grepen nodig om Jeffries tot medewerking te bewegen en dat lukt zo goed dat Jeffries zelf de telegramjongen braaf antwoord geeft, zodat de kolonel dat niet hoeft te doen.

Die blaue 3, 10. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 296 (15 augustus 1961, pp. 16-18, geen afb.) :
Op het buit gemaakte briefje (nr. 19) staat „aufspüren”.
Navraag in het „Parkhotel” leert Bob dat Jeffies, die de avond tevoren nog zonder bagage was gearriveerd, met bagage is vertrokken.
We vernemen dat de gezochte Jansen stuurman is bij de „Christliche Seefahrt”, wat dat dan ook moge zijn.
Pa Prins, die ondanks zijn nieuwe beroep van reder blijkbaar vrije tijd genoeg heeft om zich ook met de briefjesjacht bezig te houden, gaat naar de Burgerlijke Stand om de kaartenbak te doorzoeken, daarbij inderdaad geassisteerd door een kletsend meisje, maar zonder door haar tot waanzin gedreven te worden zoals in de Nederlandse versie. Jan, Bob en Otto gaan intussen ook op zoek naar stuurman Jansen, maar de - humoristische - details ontbreken.
Als Barnett Jeffries vastbindt in het „Handelshotel”, blijft zijn gezicht onbewogen en ondoorgrondelijk: hij draagt zijn bijnaam „Angelface” werkelijk niet voor niets, zo lezen we, hetgeen de verdenking doet rijzen dat de goede mevrouw Van de Voort het verschil tussen een angelface en een pokerface niet helemaal weet...

Die blaue 3, 11. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 297 (22 augustus 1961, pp. 19-21, 1 afb.) :
„Inspecteur” Jansen - inmiddels gedegradeerd tot Wachtmeister - vraagt op het politiebureau aan Bob of die soms een broer heeft met rood haar, die hem ’s morgens vroeg uit bed heeft gebeld; de scène zelf ontbreekt helaas, zodat we nooit zullen vernemen of deze Wachtmeister inderdaad ook geen Aluminiumkriegsschiffe, Marzipanpanzer of Kupferkanonen bezit. Datzelfde geldt overigens ook voor de exacte reden waarom Bob werd gearresteerd.
De Kloveniersburgwal is vervangen door de Kloveniersgracht; tja, het woord „gracht” klinkt Duitsers nou eenmaal bekender in de oren dan „burgwal”.

Die blaue 3, 12. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 298 (29 augustus 1961, pp. 16-18, 1 afb.) :
In het „Handelshotel” wordt duidelijk dat Barnett naar Alkmaar is vertrokken; daar aangekomen worden Jan, Bob en Otto geparkeerd in Café „Roter Hahn”. Kolonel Prins gaat achtereenvolgens naar de Burgerlijke Stand, de Bloemfonteinstraat, smid Robben en het station, maar de drie jongens doen helemaal niets in Alkmaar! Samen met de conducteur weet pa Prins Barnett zoveel angst aan te jagen dat die de trein in Uitgeest ontvlucht, met de bekende gevolgen van dien. Via agent Knevelen - what’s in a name - komen de jongens er vervolgens achter dat het briefje onderweg is naar Bromborough.


Jan Prins, Jackie Brass en Mrs. Fentwick.

Die blaue 3, 13. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 299 (5 september 1961, pp. 20-22, 1 afb.) :
Ons geliefde Bromborough wordt zomaar verplaatst naar de Engelse zuidkust, hetgeen de opmerking van postmeesteres Fentwick - die trots is op haar streek en dus wel geen Schotse zal zijn - dat er in die streek nauwelijks toeristen komen, ietwat ongeloofwaardig laat overkomen! Bovendien... maar dat is voor de volgende aflevering.
We komen er nu eindelijk achter waarom Barnett zo krampachtig erop uit is om één Hathaway-briefje te veroveren.
Zijn voormalige handlanger Jeffries raakt het spoor bijster in Alkmaar en verdwijnt definitief uit het verhaal!
Lois Bennet stelt zich telefonisch aan Mrs. Fentwick voor als „Miss Barnett”; zij en haar broer rijden vanaf nu gelukkig weer in hun eigen, oude en vertrouwde Bentley (waar zij in eerdere afleveringen nog een ouwe Ford hadden).
Het vijftal Jan, Bob, Otto, John en Lois rijdt gezamenlijk naar Bromborough; het vooropgezette plan is om Jan een kamer te laten huren in het postkantoor van Mrs. Fentwick; de overige vier gaan op hun lauweren rusten: geen paniek om pruimen, geen gedruis van gespuis in het dorpshuis, geen bombarie om een brandweercommandant en al helemaal geen tumult in het „Bromborough-Hotel”. Aan het eind van deze aflevering heeft Jan het briefje in Jackie Brass’ plunjezak gestopt.
Door sommigen is de suggestie geopperd dat de vertaalster/bewerkster M.-José van de Voort wellicht een pseudoniem zou zijn van Willems zus Marie-José van den Hout. Dat leek mij eerlijk gezegd al meteen redelijk onwaarschijnlijk (Marie-José had veel met Frans, maar niet zo gek veel met Duits) en vanaf deze 13. Fortsetzung weet ik het zeker: een van de straatnamen die in Bromborough werden genoemd, is hier fout gespeld als Plumyard Avenue (een voor Bromborough-begrippen begrijpelijke fout: Pruimentuin!), maar Marie-José van den Hout zou deze fout nooit hebben kunnen maken: in 1949 woonde zijzelf aan de Plymyard Avenue in Bromborough! En waarom zou zij Bromborough naar de Engelse zuidkust hebben willen verplaatsen?

Die blaue 3, 14. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 300 (12 september 1961, pp. 17-19, 1 afb.) :
De „Mersey Hope” ligt niet tussen Port Sunlight en Rock Ferry, maar in Liverpool. Mevrouw Van de Voort heeft wat aangericht met haar „Bromborough aan de Engelse zuidkust”: Jackie Brass neemt de bus van kwart over zes naar Liverpool (13. Fortsetzung) en arriveert aldaar om vijf voor acht: ik geef het je te doen vanaf de Engelse zuidkust!

Die blaue 3, 15. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 301 (19 september 1961, pp. 11-13, geen afb.) :
Zoals ik in de inleiding al zei: de gebeurtenissen op de „Mersey Hope” zijn vrij compleet weergegeven. Alleen jammer dat de woordspeling: „Mijn hand-tekening, zei je? Mijn voet-tekening kun je krijgen!” in het Duits (Autogramm) onvertaalbaar is, maar daar kan mevrouw Van de Voort ook niets aan doen.
Een belangrijk verschil is verder, dat niet Arie/Otto overboord valt van Johns bootje, maar Jan. En daar is een belangrijke reden voor, zoals we aanstonds zullen zien.

Die blaue 3, 16. Fortsetzung, „Fix und Foxi” 302 (26 september 1961, pp. 24-25, 1 afb.) :
In de Nederlandse versie neemt Jan Prins Jeffries het laatste briefje af. Jeffries is in de Duitse versie spoorloos verdwenen in Alkmaar (ik durf er een lief ding onder te verwedden dat hij nog steeds in de richting van Hoorn wandelt...) en Jan lag in het Mersey-water te spartelen. Dus neemt nu Otto Barnett dat laatste briefje af. Otto is natuurlijk voor Duitse lezertjes de grote held, zoals ik eerder al stelde, dus het is niet meer dan logisch dat hij ook in deze aflevering de grote held uithangt, want dankzij dit laatste briefje is de jacht ten einde.
Net als in de Nederlandse versie wordt de fout gemaakt om briefje 19 tweemaal ten tonele te voeren; mevrouw Van de Voort zou mevrouw Van de Voort niet zijn als ze daar niet nog een extra foutje aan toe had gevoegd: in de 10. Fortsetzung stond er nog „aufspüren” op ditzelfde kaartje, nu staat er - terecht - „Aufspürung”!


Barnett en Otto Roth.

Die blaue 3, Schluβ, „Fix und Foxi” 303 (3 oktober 1961, pp. 14-15, geen afb.) :
„Aan mijn neef John en mijn nicht Lois...” wordt in het Duits „Meinem Neffen John und meiner Nichte Lois...”: wat zijn naamvallen toch prachtige uitvindingen! Wij hebben ze allemaal leren waarderen toen wij op school zaten, nietwaar? Maar soms zou je die krengen toch...!!! Want op deze manier bevatten de 48 papiertjes van wijlen professor George Hathaway slechts 47 woorden! Ai! Oei!
Barnett logeert in de Duitse versie al lang niet meer bij Mrs. Fentwick; hij kan dus ook geen „mis-poes”-briefje ontvangen, maar dat had ik in de inleiding al gezegd.
Tenslotte nog de volgende overdenking: in de Nederlandse hardcover-editie uit 1950 ontvangen Jan, Bob en Arie elk 2000 Britse ponden; als we daar de retail price index op loslaten, is dat bedrag anno 2013 maar liefst 53.400 pond waard. In de Duitse editie krijgen Jan, Bob en Otto nog steeds die 2000 pond, maar dat is nu nog „maar” 34.700 pond waard, volgens diezelfde retail price index; en, voor de volledigheid: de 2000 ponden uit 1965, die Jan, Bob en Arie in de Nederlandse pocketeditie krijgen, leveren nu 30.200 pond op. Toch minder dan de oorspronkelijke beloning, maar nog steeds een alleszins redelijke vergoeding voor een „vakantiebaantje”: er gingen hele zomervakanties voorbij, waarin ik beduidend minder verdiende met zo’n baantje...





Mulisch?
Hans van Rosmalen

Het oudste en waarschijnlijk beroemdste studentenblad van Nederland is zonder enige twijfel het Amsterdamse Propria Cures („Bemoei je alsjeblieft met je eigen zaken”); latere beroemdheden als Frits Bolkestein, Godfried Bomans, Hugo Brandt Corstius, Jan Eijkelboom, J.P. Guépin, Hella S. Haasse, Mensje van Keulen, Tim Krabbé, Erik van Muiswinkel, Henk Spaan en David Wijnkoop waren in hun studententijd kort of lang redacteur van het blad. In de uitgave van 13 april 1974 treffen wij de volgende anekdote aan.


Enige jaren geleden gelukte het een vriend van mij in een keurig café in de binnenstad Oud-Zuid een meisje te versieren.
In die dagen was dat nog niets bijzonders en ik zou het hele voorval dan ook allang vergeten zijn, wanneer het onverwachte incident niet had plaatsgevonden, waardoor deze veelbelovende jonge relatie vroegtijdig tot een einde kwam.
Het bleek namelijk dat Caroline, want zo heette zij, gewoon was haar sponde te delen met een heetgebakerd manspersoon die een sprekende gelijkenis vertoont met Harry Mulisch. Het behoeft geen betoog dat mijn vriend, Jaap genaamd, bij het vooruitzicht Harry Mulisch een blauw oog te kunnen slaan, grinnikend zijn bril op de tapkast legde en dreigend zijn mouwen begon op te stropen.
Toen Caroline echter tussenbeide kwam en daarbij Harry met Paul aansprak begreep Jaap dat hij zich had vergist en zette teleurgesteld zijn bril weer op om Paul beter te kunnen bekijken; het voorval liep met een sisser af.

Deze rommelige geschiedenis kreeg vorige week een onverwacht vervolg toen ik met Jaap in een ongunstig bekend staand café in het Amsterdamse stadscentrum een pilsje stond te drinken. Het liep al tegen sluitingstijd toen er een groepje mensen binnenkwam, waaronder ik tot mijn verrassing Caroline en Paul ontwaarde. Het bleek dat een van de andere leden van het gezelschap een kennis van mij was en bij het praatje dat wij maakten kwam het gesprek toevallig op Caroline en Paul, die Paul Waterman bleek te heten.
„Ja, hij is de zoon van Willem Waterman. die schijnt schrijver te zijn of zo,” werd mij terloops medegedeeld.
„Willem Waterman? Die schreef toch onder het pseudoniem Willy van der Heide?”
„Ja, precies. Ken je hem?”
- Willy van der Heide - schoot het door mij heen. De auteur van „Trammelant op Trinidad”, „Een Dollarjacht in een D-trein”, „Pyjamarel in Panama”, en ga zo maar door: kortom de schepper van de avonturen van Jan Prins, Arie Roos en Bob Evers!
Nu wist ik dat ook Jaap in zijn jeugdjaren een groot liefhebber was geweest van de Bob Evers-serie, vooral omdat de helden uit deze serie zich plachten te verplaatsen in glanzende Amerikaanse sleeën, zodat ik hem op de hoogte bracht van mijn juist verworven kennis.
De slok die hij op dat moment nam werd hem fataal, want van schrik raakte zijn huig geheel ontregeld zodat het vocht met een forse gulp zijn luchtpijp binnendrong.
Toen hij weer was hersteld was het sluitingstijd en wij vertrokken; buiten regende het, maar gelukkig kon ik een eindweegs met Jaap meerijden in zijn auto.
In de buurt van het Weteringcircuit siste hij me plotseling vanuit zijn mondhoek toe:
„Doe zo gewoon mogelijk en kijk niet achterom.”
Terwijl ik geschrokken de glazige uitdrukking in zijn ogen bemerkte, vervolgde hij met een grijns om de lippen. „We worden gevolgd door een grijze Studebaker...”





Vrolijk Pasen
Paul van den Hout

Toen ik, nu alweer tientallen jaren geleden, in Groningen klassieke talen studeerde („slechts met matig succes en niet eens alle,” zoals de toen nog Dichters-des-Vaderlands-in-spe (Driek van Wissen, red.) het smalend, maar snedig formuleerde), was ik bevriend met een andere jonge dichter die het heel wat eerder tot landelijke bekendheid zou schoppen. Bij deze flamboyante romanticus placht ik regelmatig ’s middags „op de thee” te komen om te genieten van zijn sprankelende conversatie over voor zorgeloze jongelieden als wij brandende kwesties. Die betroffen voornamelijk vrouwen, alcoholische escapades, het wel en wee van vrienden en bekenden en roddels over hoogleraren. Dank zij de formidabele eruditie van J.P., zoals wij hem noemden (Jean-Pierre Rawie, red.), werd deze luchtige kost echter steeds gekruid met tal van literaire bon mots en pikante anecdotes. Het waren, als ik eraan terugdenk, even pretentieloze als prettige uren.
          Toen ik weer eens om een uur of drie ’s middags bij hem had aangebeld, deed hij, als altijd onberispelijk gekleed in driedelig pak met horlogeketting over het beginnend embonpoint, de deur voor mij open en ging mij voor naar zijn woonkamer. Daar trof ik een tweede bezoeker, die in een van de comfortabele fauteuils goeddeels schuil ging achter de NRC. Hij stond bij onze binnenkomst op, stelde zich, mij vormelijk de hand schuddend, voor als Volkert Couzijn, ging meteen weer zitten en hervatte zijn lectuur. J.P. schonk thee in voor mij, plaatste een asbak op een tafeltje naast mijn stoel en verrichtte nog een paar van die kleine handelingen waaraan men de goede gastheer herkent. Toen ging hij er eens goed voor zitten en begon aan een van die fameuze potpourri’s van recente belevenissen, kwinkslagen, toepasselijke citaten en vileine achterklap waaraan hij zijn reputatie als causeur ontleende. Als gewoonlijk beperkte mijn inbreng zich voornamelijk tot lachen en een incidentele interjectie of aanvulling.
          Toen J.P.’s onstuitbare woordenstroom na een half uur even was opgedroogd, liet Volkert, die onderwijl onverstoorbaar de krant was blijven lezen, opeens van zich horen.
          „Zeg, J.P., zou je vriend dat verhaal willen horen dat ik je zojuist heb verteld?” vroeg hij. Hij had zijn krant op zijn knieën gelegd, zodat ik hem nu wat nauwkeuriger kon opnemen: vrij klein van postuur, keurig geknipt donkerblond haar, precieus snorretje en pientere ogen achter een professoraal brilletje. Hij had een welluidend, uiterst bekakt stemgeluid en formuleerde zijn zinnen zéér zorgvuldig, zoals ik zou merken.
          „Doe dat vooral, beste kerel. Ik weet zeker dat hij het zal savoureren,” moedigde J.P. hem aan.
          Volkert richtte zich nu tot mij. „Goed, Paul, je moet weten, ik studeer Slavische talen. Mijn moeder is directrice van de huishoudschool in Den Helder, en ik breng om de veertien dagen het weekend bij haar door. Des zondags krijgt Mamá vaak bezoek van een vriendin die, horribile dictu, Truus Pannekoek heet en afkomstig is uit Anna Paulownapolder. Deze Truus, nu, is lid van Amnesty International en trekt zich namens deze menslievende organisatie het lot aan van de vele doopsgezinden die, zoals je wellicht weet, in Rusland vanwege hun geloof in de gevangenis zitten.”
          Ik zei dat ik dat niet wist. Volkert was daar geenszins door uit het veld geslagen en ging verder.
          „Als tastbaar blijk van haar betrokkenheid pleegt Truus die gedetineerde stakkers van tijd tot tijd een briefkaart te sturen met een opbeurende tekst en het stempel van Amnesty erop. Goed, een paar maanden geleden, twee weken vóór Pasen, kwam ze weer op bezoek bij Mamá. Ze was, deelde ze ons mee, van plan ter gelegenheid van het feest van ’s Heren opstanding haar cliënten in Rusland een hart onder de riem te steken met een Paasgroet. ‘Vrolijk Pasen’ leek haar niet zo geschikt en bovendien wist ze niet hoe dat in het Russisch luidde. Of ik misschien een suggestie had? Welnu, zoals bekend, groeten Russen elkaar met Pasen ritueel met de woorden: ‘De Heer is verrezen’, waarna het al even rituele antwoord luidt: ‘De Heer is waarlijk verrezen.’”
          Ik kende dat gebruik uit Griekenland en prevelde, om duidelijk te maken dat ik niet helemáál van de straat kwam: „Christós anésti, vevèjos anésti.
          Volkert knikte instemmend, maar ongeïmponeerd. „Precies, maar dan in het Russisch, uiteraard,” zei hij. „Spreek je Russisch?”
          „Tot mijn spijt niet.”
          „Doet er ook niet toe voor de clou van het verhaal,” zei Volkert grootmoedig. „Goed, ik vertel dat dus aan Truus, en die is meteen laaiend enthousiast. En ze bleek zich ook goed voorbereid te hebben, want ze stoof meteen naar de gang en kwam terug met zo’n ouderwetse schooltas, waar ze een stuk of veertig potsierlijke Paaskaarten uit te voorschijn haalde die ze voor mijn neus op tafel kwakte. Of ik daar maar even veertig keer ‘De Heer is waarlijk verrezen’ in het Russisch op wou krabbelen! Nou vraag ik je! Maar goed, het is een best mens, dus ik pen veertig keer in mijn mooiste Cyrillische karakters ‘De Heer is waarlijk verrezen’ op die kaarten, en Truus gaat driftig aan de slag met inktkussen en stempel van Amnesty. Daarna stopt ze alles weer in haar tas, stapt op de fiets en rijdt naar de dichtstbijzijnde brievenbus, Gods zegen afsmekend over de behouden aankomst van deze verheven zending.”
          Volkert zweeg even en nam een slokje thee. De gedragen klank die zijn stem aannam toen hij verder ging, verried dat deze onderbreking de opmaat was tot een dramatisch slotakkoord.
          „Wie, Paul,” klonk het, „schetst mijn ontzetting, toen ik, enige dagen later bij toeval weer eens in mijn Russische grammaire bladerend, besefte dat die vanwege hun geloofsijver gekerkerde doopsgezinden de volgende troostende tekst onder ogen hebben gekregen: ‘De Heer is tevergeefs verrezen!’ Die woorden voor ‘waarlijk’ en ‘tevergeefs’ (na pravda resp. naprasna, red.) lijken namelijk verraderlijk veel op elkaar in het Russisch!”
          Ik verslikte me in mijn thee en moest onbedaarlijk lachen, zeker toen ik me realiseerde dat die blijde boodschap van Amnesty International de enige moet zijn geweest die de Russische censuur heeft laten passeren.





Een radiobedrijf voor en door jongens
Heesewijk, Piet van

Na alle negatieve berichtgeving van de laatste jaren over katholieke internaten is het een ware verademing om te lezen dat broeders in sommige internaten gelukkig ook activiteiten organiseerden die de leerlingen zelf ook leuk vonden.
Uit de
Jeugdkampioen van 8 mei 1950 haalden wij dit verslag:


Ons jeugdlid Piet van Heesewijk vroeg ons enige tijd geleden toestemming om het vervolgverhaal "Drie jongens en een caravan" van Willy van der Heide, dat het vorig jaar in de J. K. stond, tot hoorspel om te werken voor hun schoolradio (hij is leerling van de Bisschoppelijke Nijverheidsschool te Voorhout, een internaat). Wij gaven die toestemming natuurlijk en vroegen, nieuwsgierig geworden, of hij in de J. K. niet eens iets wilde vertellen over dat radiobedrijf. Hier volgt zijn relaas:

„Als het Dinsdagavond 8 uur is zetten de bewoners van de B.N.S. hun luidsprekers aan en de heldere tonen van de plaat „Lady of Spain” klinken door de luidspreker, de herkenningsmelodie van Radio B.N.S. Zoals iedere Dinsdag verdringen de meeste jongens zich voor de luidspreker om te horen wat de. B.N.S.-radio te brengen heeft.
De uitzendingen worden door de jongens zelf verzorgd. Ze bestaan uit een hoorspel, vaste rubrieken, muziek, het plaatje en de nieuwtjes van de week. Ons laatste hoorspel is gemaakt naar het JK-vervolg-verhaal „Drie jongens en een caravan” van Willy van der Heide, een vorige keer speelden we een bekend toneelstuk na. Zowel het bewerken als het spelen gebeurt door de jongens zelf.
„Het ene oor in, het andere uit” is een van de vaste rubrieken; zij brengt de nieuwtjes van de afgelopen week en wordt door twee jongens verzorgd.
„Ome Jozef, Harry en de rest van de wereld” is een politieke rubriek, die moeilijk door een jongen verzorgd kan worden; daarom doet een broeder het.
Het plaatje van de week is een nieuwe plaat die deze avond voor de eerste keer wordt gedraaid als aanwinst van de B.N.S.-studio. Er speelt ook wel eens een band in de studio, wat de luisteraars natuurlijk veel fijner vinden dan een gramofoonplaatje.
De buitenwereld hoort natuurlijk nooit iets van deze uitzendingen, want deze blijven beperkt tot het huis. Dat is juist het leuke van het geval; wil je een bepaalde jongen er eens doorhalen, dan kun je dat doen, bijvoorbeeld in de rubriek „Het ene oor in, hét andere uit” Als buitenstaanders dat óók konden horen, zouden ze zich afvragen wat ons mankeert.
De leiding en organisatie berusten bij twee broeders; de ene zorgt met een paar jongens voor de technische dienst, het bedienen van versterker en pick-ups, de andere regisseert de hoorspelen en is officieel omroeper van Radio B.N.S.
Natuurlijk proberen wij altijd actueel te zijn; bij tentoonstellingen, uitvoeringen of andere officiële gelegenheden in het internaat is Radio B.N.S. er altijd direct bij om een reportage te geven, die dan overal in het huis te horen is, net als de normale Dinsdag-uitzendingen.
Zo, nu weet je iets meer over onze „binnenshuize” radio; is dat niets voor jouw school? Je zou er eens over kunnen praten. Wij zijn nu volop aan het werk om eens bij onze collega’s in Hilversum te gaan kijken. Allicht leren we nog wat en kunnen we na die excursie onze studio nog weer beter inrichten.”





Recensie van deel 52: Lotgevallen rond een limousine
Schout-bij-kunstlicht Spook


In Nieuwsbrief 38 lazen wij het verhaal dat Weton-Wesgram failliet was, maar dat
De Eekhoorn gered was uit de failliete boedel en een doorstart zou maken als zelfstandige uitgeverij. Vanaf dat moment koesterden alle oudere jongeren van Nederland en nabije omstreken nog maar één wens: bij een nieuwe Eekhoorn hoort natuurlijk een nieuwe Bob Evers! Een titel had Peter de Zwaan ook al paraat, dus onze hoop was gerechtvaardigd. Maar goed: dat was begin 2012 en een deel 52 bleef uit; sterker nog: (vrijwel) alle uitgaven van de heropgerichte uitgeverij uit Wanneperveen bleven uit... Het einde van onze droom?
Begin dit jaar echter kregen (vrijwel) alle vrienden van Bob Evers een mailtje van de Nieuwsbrief-redactie om te peilen of er daadwerkelijk belangstelling bestond voor een 52e Bob Evers en eventuele herdrukken van moeilijk te verkrijgen Peter de Zwaan-delen. Die peiling viel blijkbaar positief uit, want, om een lang verhaal kort te maken: op vrijdag 24 mei lieten de gezamenlijke postbodes van Nederland heel wat brievenbussen klepperen en verspreidden zo heel wat vreugde in de diverse huiskamers van de Bob Evers-fans: een spiksplinternieuw deeltje en een herdruk van deel 51! De omslagen waren prachtig en de geur alleen al van de nieuwe boeken zouden mij kunnen verleiden tot het schrijven van een lyrisch verhaal van ettelijke bladzijden. Zouden, zei ik: ik doe het niet, ik heb als recensent de verplichting om mij te beperken tot de inhoud. Beide boeken - die iets groter zijn dan de oude pockets en iets kleiner dan de „Kameleon-formaatjes” 47 t/m 51 - zijn niet meer getooid met een knaagdier, maar ze torsen het logo van een geheel nieuwe uitgeverij op hun rug: Zwarte Zwaan. Inderdaad, een geheel nieuwe uitgeverij, met slechts één auteur in haar fonds: Peter de Zwaan. Ook het logo van de bekendste serie van Nederland is ietwat aangepast: geen driehoekje meer, maar een achthoek. Een octagon! Hee, hebben we dat niet al eens eerder gezien, bij de Van Holkema en Warendorf-uitgaven? Ook toen twee Bob Evers-deeltjes, met als pleister op de wonde de aankondiging van een derde... Als dat maar geen slecht voorteken is...
Maar goed, dat zal de tijd ons wel leren. De inhoud, daar had ik het al over. Daar willen wij alles over weten. „Prijsschieten op een premiejager” is natuurlijk een voortzetting van „Clandestiene streken op een cruiseschip”. We waren blijven steken in Mexico, sinds de delen 17, 20 en 21 een „klassiek” Bob Evers-land. In de Bob Evers-serie speelt het getal drie een belangrijke rol: de hoofdrolspelers zijn drie jongens, de serie bestaat uit trilogieën en, zoals reeds gezegd, het logo van de serie was 46 pockets lang een driehoek; in „Prijsschieten op een premiejager” zijn er drie boeven - Antonio Rivas, Eduardo Rivas en Adolfo Rivas - op wie de achtervolging wordt voortgezet door twee partijen (geen drie, dat is dan voor het effect een beetje jammer): Jan en premiejager Bruce Jonaths per auto en Arie en Bob per cruiseschip. De drie jongens hebben in het verleden boeven op vier continenten achternagezeten in alle mogelijke vervoermiddelen, maar een cruiseschip was daar nog niet eerder bij; inherent aan het gebruik van een dergelijk drijvend dorp is natuurlijk het feit dat de tweevoudige achtervolging de kustlijn van Mexico volgt van Baja California tot in de Golf van Tehuantepec. Toen wij nog jong waren - en dat is al een hele tijd geleden! - lazen wij met rode oortjes het absolute hoogtepunt uit het Mexicaanse avontuur „Lotgevallen rond een locomotief”: Bob en Arie, die met hun locomotief terechtkomen tussen twee treinen die in volle vaart op hen af denderen. Een van de hoogtepunten uit de Nederlandse jeugdliteratuur, mogen wij zonder enige overdrijving stellen. Nu wij een heel stuk ouder, hopelijk wat wijzer, maar in ieder geval een stuk kaler en/of grijzer zijn, bevinden wij ons in gedachten wederom in Mexico met Bob en zijn maatjes; en opnieuw heeft de schrijver van Bob Evers een soortgelijk hoogtepunt voor ons in petto. Dat hoogtepunt is niet de spannende (voorlopige) ontknoping in La Crucecita, maar het benauwde moment waarop Jan en Jonaths in hun Chevrolet Suburban VIP Limousine in een vergelijkbare situatie komen als Bob en Arie 32 avonturen eerder, in dit geval dan tussen twee dreigende vrachtauto’s. Deze scène is, samen met de ontsnappingswijze van Jantje Prins, gedoemd om een nieuwe klassieker te worden in de vaderlandse jongensboekenwereld.
Beide boeken zijn te bestellen via de website van Peter de Zwaan voor € 14,99 per deeltje (inclusief verzendkosten). Dat is, volgens mijn goede vriend Jan Prins, een klein beetje duurder dan vroeger bij De Eekhoorn, maar van de andere kant: voor een nieuw Kameleon-deeltje - ook al niet meer verkrijgbaar in de winkel - betaal je op internet ook al € 9,95 plus verzendkosten en voor dat geld krijg je dan hoogstens een achtervolging van boeven door twee jongens en een veldwachter in een boot. Nee, dan is „Prijsschieten op een premiejager” toch een stuk spannender! En om zelfs zuinige zonen van kolonels definitief over de streep te trekken, heeft Peter de Zwaan ook nog eens een interessante kortingsactie in petto.
En nu begint voor de fans het ongeduldig wachten op het slotdeel van de trilogie, „Glorierijke missers in La Gloria”...





Rouwmuziek in een puddingfabriek
Koen Wynkoop

Wat vooraf ging: in een vorige eeuw rijd ik met een snelheid ver boven de toegestane door Nederland. Op weg naar Nyenrode, waar René Verhulst een BE-dag heeft georganiseerd, en ik heb nogal wat vertraging.
Ruimschoots te laat rijd ik de parkeerplaats op, en volg de roodgele aanwijzingen. Als ik het oude gebouw binnen wil stappen, komt er een boomlange motoragent naar buiten. Hij groet me uiterst beleefd en vraagt eerst of ik een blauwe Volvo 745 rijd; inderdaad, en vervolgens of ik wel eens van trajectcontrole heb gehoord. Dat heb ik.

Dan komt de aap uit de mouw: niet alleen heb ik de rit van Eindhoven naar Nyenrode met een veel te hoge gemiddelde snelheid afgelegd, ook ben ik bij Den Bosch geflitst. 158 km/u. De wetsdienaar kijkt me aan met die blik, die wetsdienaren op zulke momenten eigen is: één van diep bedroefd plichtsbesef, die de daaronder liggende onverholen grijns alleen nog maar duidelijker maakt. Dat wordt duur, denk ik. Heel duur.

Gelukkig komen er nog twee apen, niet uit de mouw, maar uit de deur, ook boomlang en breed grijnzend. De licht blonde herken ik (nog) niet, de wat donkerder blonde des te beter. René. Of ik al kennis heb gemaakt met de man van zijn secretaresse: de motoragent. De eerste grap is gemaakt op een dag, die in de herinnering zal blijven. Niet alleen omdat Edwin Korts laarzen op onverklaarbare wijze zullen verdwijnen, maar ook omdat ik kennis zal maken met een paar mensen die qua profiel nogal afwijken van de gemene doorsnee-BE-fan: eerst, in de kelder van het kasteel, een leuk jong meisje, dan later haar jongere broer, beiden verrassend BElezen, en kort daarop ook hun vader. Boomlang en blond. Johan van der Ploeg.

                                                      - - - - -

Afgelopen zaterdag rijd ik weer door Nederland. Op weg naar Groningen, naar de zogenaamde Puddingfabriek. Ooit inderdaad een puddingfabriek, tussentijds jarenlang het onderdak voor het gemeentearchief en als zodanig de werkplek van Johan, nu een locatie voor events. Het woord event klinkt hier naar mijn smaak nogal misplaatst. Bijeenkomst past beter. Herdenkingsbijeenkomst. Ter nagedachtenis aan Johan. Want Johan is dood. R.I.P. De gedachten gaan, ongecontroleerd, alle kanten op,
Willems invloed reikt ver, ik speel met afkortingen, alliteraties: Rouwmuziek in een Puddingfabriek.

De snelweg is bijna ten einde, nog maar een paar kilometer tot de binnenstad, als een motoragent me inhaalt, me uit mijn overpeinzingen haalt en naar de kant wenkt. Hij vraagt of alles in orde is. Verbaasd zeg ik ja, terwijl ik nee bedoel. Waar ik heen ga? Een Rouwdienst in de Puddingfabriek, zeg ik. Zijn blik, inderdaad, één van diep bedroefd plichtsbesef, die de daaronder liggende onverholen grijns alleen nog maar duidelijker maakt, doet me beseffen hoe absurd mijn woorden moeten klinken. Witte vaatjes zei u? Ja, meneer de veldwachter, wit, want dat zijn ze altijd. Ik verwacht al een alcoholcontrole als de veldwachter zijn schouders ophaalt en zegt, dat ik me wat beter op de weg moet concentreren. Vitaminegebrek. Meer groente en fruit eten, denk ik, terwijl hij weer op zijn machine stapt en binnen seconden in de verte verdwijnt. Hij heeft haast, zijn volgend doel te bereiken. Ik niet.

                                                      - - - - -

Die dag op Nyenrode leer ik Johan, die lange, slanke blonde Groninger, kennen. Zijn jongensachtige uiterlijk past bij hem: nieuwsgierig, geïnteresseerd, welbespraakt en -belezen, ernstig BEsmet met het virus, en uiterst sympathiek. De vriendschap ontstaat als iets natuurlijks, snel en vanzelfsprekend. We mailen, bezoeken elkaar, met aanhang, de vriendschap(-pen) verdicht(-en) zich in het hoge noorden, gelijk in het diepe zuiden van de Benelux. Johan vertelt me van zijn voorgenomen levenswerk, het Van Den Hout-Biografie-Proefschrift en ik spring als een bok op de haverkist - maar hij laat niets inhoudelijks los. Hij zegt me te wachten tot hij een eerste begin heeft, pas dán mag ik wat lezen.
Of ik dat dan wel uiterst kritisch wil doen?

Ik krijg wat anders van zijn hand te lezen: „Bestelbussen”. Voorwaar niet de slechtste fan-BE, maar er valt me iets op. Als ik op een zekere pagina twintig keer de naam van de Kijk in 't Jatstraat lees, krijg ik de indruk dat de tekst spontaan is opgeschreven en nooit meer nagezien. Ik spreek Johan erop aan, maar hij wijkt uit, verandert herhaald van gespreksthema. De aanwijzing is duidelijk maar ik vermoed niets.

                                                      - - - - -

Na een hoop diefstal, bedrog, verraad en andere smerigheden geef ik mijn actieve rol in de BE-wereld op. Enkele vriendschappen blijven, soms op de nachtvlam maar toch, bestaan. Zo ook die met Johan en familie. De eerste spreker in de Puddingfabriek, Johans jongere broer Kees, memoreert daaraan als hîj vertelt hoe Johan en diens zoon hem een paar jaar geleden in Italië bezoeken, waar Johan aan de biografie wil werken. Als het eerste hoofdstuk klaar is, mag Kees het lezen.
„Ik schrok. Het was een enorme lijst van feiten, gegevens, personen, weetjes - zonder enige vorm van samenhang of structuur.”
Op de terugweg komen Johan en zijn zoon bij ons langs. Hoewel op zich niet veranderd, is hij toch ‘anders’: wat gespannen en onzeker.

                                                      - - - - -

Er valt een lange stilte, die pas doorbroken wordt nadat diverse mensen zich op de lijst uiten over Johan. Meestal niet gehinderd door ook maar de minste kennis van zaken en/of enige vorm van innerlijke beschaving.
Ja, ook zij. De woorden zijn speculatief, tendentieus, dom, een combinatie van die drie of gewoon regelrecht smerig. Als er geen reactie komt, besluit ik zelf maar weer eens contact op te nemen, om uit te vinden waarom ik niets meer hoor.

Er valt weer een lange stilte, nadat Johans zoon mij verteld heeft dat zijn vader aan een bepaalde vorm van Alzheimer lijdt. De Luxemburgs-Groningse communicatie wordt weer intensiever, en één en ander leidt tot een bezoek alhier van Johan, zijn vrouw, zijn zoon en zijn jongste dochter. Ik word tot in detail gebriefed en gewaarschuwd, met Johan is geen communicatie meer mogelijk, hij houdt afstand van mensen, enzovoort. Groot is dan ook de verrassing als ze hier voor de deur staan, ik die open doe en Johan, na een heerlijke rit met zijn favoriete muziek, stralend zegt: „Ja, maar hém ken ik!” en zijn armen om me heen slaat. Op onverklaarbare wijze heeft hij een uitstekend weekend, we kunnen binnen bepaalde grenzen prima communiceren en hebben een fantastisch weekend. Eén van de hoogtepunten is als ik weer eens iets idioots doe en Johan terloops „typisch Koen” zegt, zijn familie met verbijsterde gezichten achterlatend. Die dagen praten de familie en ik ook over de verbale ruïne die de biografie is, en ik bied aan ervoor te zorgen dat ik zal redden wat er te redden is.

                                                      - - - - -

Het zal zo’n beetje zijn laatste leuke weekend zijn. Korte tijd later hoor ik dat Johan in een inrichting zit, thuisopvang is onmogelijk geworden en opname onvermijdelijk. Nieuws komt zelden en mondjesmaat - tot dan het bericht komt dat Johans lijdensweg bijna ten einde is.
Weinige dagen later hoor ik van zijn verlossende dood.

                                                      - - - - -

In de Puddingfabriek is het prop- en propvol. Ongelofelijk veel jonge mensen. Velen kennen elkaar niet, maar de geest van Johan smelt alles aaneen. Er wordt gesproken, mooi, ontroerend, aangrijpend - en geen van de sprekers vergeet, met nadruk Johans band met de BEweging te vermelden. Er wordt gezongen, een prachtig Surinaams troostliedje - velen blijken het te kennen, en neuriën zacht mee. Adembenemend. Er wordt geweldige muziek gespeeld. De kinderen vertellen met imponerende courage over hun vader, en weten zo zelfs af en toe een glimlach op de (alle) betraande gezichten te doen verschijnen. En als zij met de kist door een erehaag van mensen naar het crematorium vertrekken, worden er oneindig veel, ja ja, rode en gele bloemblaadjes gestrooid. Ik neem afscheid van mijn vriend Johan van der Ploeg met de zwijgend uitgesproken belofte dat ik alles zal doen om te proberen, zijn werk in het biografieproject van Roger te integreren en het - en ook zijn naam - de plaats te geven die het verdient.

                                                      - - - - -

Op de automatische piloot gaat het door de polder terug naar mijn hotel in Amsterdam. Ik zie alles wel, maar neem niets meer op, sta voor de parkeergarage, maar realiseer me pas dat ik op die knop moet drukken als er achter me wordt getoeterd. Weer buiten, zie ik de letters op het dak van Krasnapolsky al achter het Nationaal Monument. Nog een paar stappen, dan kan ik eindelijk alles laten vallen .. Er rijdt een motoragent over de Dam. Ik blijf staan, draai me om en loop de Raadhuisstraat in, in richting van Café De Oude Wester. Ik heb nog een biljet van vijftig op zak - dat zal wel genoeg zijn.

Koen Wynkoop, juni 2013.





WWW contra Peter de Zwaan: twee ingezonden E-mails
Arie Vrolijk

Je hebt van die mensen die de Bob Evers Nieuwsbrief ervan beschuldigen een spreekbuis te zijn van Peter de Zwaan, Uitgeverij De Eekhoorn, Jack Masters, het mannetje in de maan of desnoods Kim Jong-un. Om te bewijzen dat de Nieuwsbrief volkomen onafhankelijke journalistiek bedrijft en niemands spreekbuis was, is en zal zijn (hooguit van een zeker trio HBS-bengels...) biedt zij ook ruimte aan het broodnodige tegengeluid, zoals hieronder in de vorm van een ingezonden E-mail.
Maar al is de schrijver ervan nog zo snel, De Zwaans schrijverskwaliteiten achterhalen hem wel, zoals moge blijken uit een tweede ingezonden E-mail!
Kortom: klim in de pen - of desnoods in de fax, het toetsenbord - en schrijf, fax of mail aan het bekende redactie-adres! Zelfs duivenpost wordt op prijs gesteld! Duivenpost, zei ik, geen -poep.


Jarenlang heb ik geweigerd een BE-boek van Peter de Zwaan te lezen. Ik was er namelijk van overtuigd dat WWW niet te overtreffen was en bovendien, dat laatste „gezamenlijke” boek, nr 36, over dat koelhuis, vond ik zodanig taai/saai dat ik me geen illusies maakte over de vervolgdelen van De Zwaan.
Maar vandaag is/was het Koninginnedag en ja hoor, daar lag nr 37 voor het grijpen EN voor een klein prijsje. Dus gekocht en ff uitgelezen. Conclusie: ik had helaas gelijk. Dit boek gaat namelijk NERGENS over. Alle boeken van WWW hebben een plot, hoe zwak soms ook. En de kunst van de meester was dat je steeds vanaf pagina 3 meegezogen werd in het verhaal. Sterker nog, het was vaak zo geschreven dat je je verbeeldde dat het echt gebeurd kon zijn. En daarbij had de meester een uitstekend gevoel voor humor, gecombineerd met een fikse dosis „street - wisdom”. Een mooi voorbeeld daarvan blijf ik vinden die passage over Jan, in de schilderijen-trilogie, die een stuk worst bestelt, dan een kleiner stuk krijgt dan-ie had aangewezen en dat die verkoper dan zegt: „Jij krijgt geen worst.” Dat verzin je niet, dat getuigt van levenservaring, opmerkzaamheid, humor en schrijverskunde.
Het laatste bezit De Zwaan zonder twijfel - hoewel je de wendingen vaak al VER van tevoren ziet aankomen, zoals de auto-aankoop-passage in deel 37 met een handzame agent-op-de-achtergrond. Maar humor ontbreekt helaas, hoewel daartoe wel pogingen worden ondernomen, zoals aan het begin van het „avontuur”, waarbij Arie weigert zijn vader te bellen, tot grote hilariteit van Bob en Jan. De pointe van die hilariteit is helaas ver te zoeken. Het „hoogtepunt” van het boek zou dan een vechtpartij in een supermarkt moeten zijn - daar is ook de titel aan gewijd - maar het slaat letterlijk en figuurlijk NERGENS op en leidt al helemaal nergens naar.
Echter, het ergste van alles is, dat je niet wordt meegezogen in het verhaal. Dat kon WWW als geen ander, maar De Zwaan - althans in dit verhaal - helaas niet. Tijdens het lezen vraag je je steeds af: waarom doen ze dit? Wat willen ze nu eigenlijk? Waarnaar streven zij?
De Zwaan voelde dit zelf ook aan, getuige de passage op pagina 159, waarin hij Jan terecht laat zeggen dat dit avontuur kop- en staartloos is. De reden van het „avontuur” is dan, zo legt Arie uit, dat hun auto is gestolen. Maar die Volvo is goed verzekerd, zo lazen wij in het begin al. En de missie van reder Roos - zoek uit hoe ’t zit met die diefstallen van vrachtwagens plus inhoud - is vervuld. Dus wat willen onze drie helden nou nog verder? Wat willen zij van Ivo Livi? Waarom wil Jan in dat peperdure restaurant Borrini zien? Waarom wil Bob in dat huis van de maat van Borrini komen? En al helemaal: waarom stelen onze drie helden een vrachtauto? Wat worden zij daar wijzer van (behalve een strafblad)? Kortom, waar is de logica achter dit verhaal?
Antwoord: die ontbreekt helaas. En was die logica dan altijd aanwezig in de verhalen van WWW? Neen, zeker niet. Maar zijn kunde en gave was, om het zodanig op te schrijven dat je vergat na te denken, werd meegezogen door het verhaal en af en toe moest lachen. Helaas, Peter de Zwaan ontbeert deze vermogens, hoewel hij zijn best doet en zich af en toe bedient van bepaalde stopwoordjes van WWW (alleen het „pinkdik” henneptouw ontbreekt, maar dat komt omdat er niemand wordt vastgebonden in dit verhaal). Kortom, jammer, maar WWW valt helaas niet te overtreffen.

Gelukkig is Arie Vrolijk een eerlijk man, met een eigen mening, maar ook bereid om zijn ongelijk te bekennen of althans zijn mening te herzien. Daarom was de redactie drie weken later zo in haar nopjes met onderstaand vervolg:


Ik stuurde jullie eerder mijn recensie van BE 37, een boek dat volgens mij echt he-le-maal nergens over gaat en een pointe mist. Daarna sprak ik mijn goede vriend Sjoerd (nee, hij heet niet Van Hasselt) en vertelde hem mijn teleurstellende lees-ervaring. Hij hoorde mij geduldig aan en zei toen: „39.” Ik begreep ’m meteen en vroeg: „Heb jij dat?”
„Tuurlijk.”
„OK, geef maar, probeer ik ’t nog een keer.”
En verdomd, inderdaad, dat is gewoon een goeie BE! Op de achterkaft wordt melding gemaakt van een „ouderwets BE-avontuur” en daar is geen woord gelogen bij. OK, de humor van De Zwaan blijft het afleggen tegen die van Van der Heide, maar ’t is gewoon een lekkere BE, die prima wegleest en smaakt naar méér. Een wereld is voor mij open gegaan: er is BE-leven na de dood!
Dus ben ik nu druk aan het inkopen, maar schrik van sommige prijzen: 75 euri voor het San Antonio-avontuur!!! Wat is dat voor een gekkigheid, kan iemand mij dat uitleggen?

De redactie (die misschien toch, heel in de verte, een piepklein spreekbuisje is van de kersverse Uitgeverij Zwarte Zwaan?) is blij met die laatste vraag van Arie; van de prijzen die gevraagd worden, wordt niemand blij, enkele handelaren wellicht uitgezonderd Alhoewel, het is nog maar de vraag of die handelaren eigenlijk wel zo blij moeten zijn met die belachelijke prijzen die ze vragen, want op deze manier verkopen ze natuurlijk geen boek meer. En terecht! Wie het onderste uit de kan wil hebben..., nietwaar?
In elk geval zijn de torenhoge prijzen ook Peter de Zwaan een doorn in het oog; hij heeft niet voor niets geïnformeerd naar de belangstelling voor eventuele herdrukken van de delen 33 t/m 50; inmiddels heeft hij plechtig verklaard serieus over herdrukken gaat nadenken op het moment dat de oplage van „
Clandestiene streken op een cruiseschip” en „Prijsschieten op een premiejager” grotendeels de deur uit is. Kortom: nu een deel 51 en 52 kopen is zowel voor Peter als voor ons voordelig!







Pedagogisch niet verantwoord?
John Beringen

Het is bekend dat de Bob Evers-serie zich, in de tijd dat deze tot stand kwam en razend populair zou worden, nooit op één enkele positieve recensie mocht verheugen. De redenen hiervoor liggen besloten in diverse invalshoeken en komen voort uit bepaalde beschouwingen. Willem gaf hierover zelf de verklaring: „De boeken waren (volgens anderen) ON-Nederlands. Ze waren niet koekebakkerig en kneuterig genoeg.” Hier zal uiteraard een kern van waarheid in zitten. Vergeleken met andere jongensboeken uit die tijd waren ze inderdaad on-Nederlands te noemen. En terwijl er in de meeste gevallen met een zekere interesse werd kennisgenomen van veranderingen en er niet op voorhand al negatief werd geoordeeld over alles wat anders was (even afgezien van verstokte super-conservatieve individuen die je in ieder tijdperk aantreft) kon Bob Evers al meteen geen goed doen. Er zullen inderdaad mensen zijn geweest die het maar niks vonden, maar e.e.a. zal meer te maken hebben gehad met afgunst. Waar in alle andere gevallen populariteit en verkoopcijfers als een graadmeter werden aangemerkt voor de kwaliteit van een product, raapte menigeen iedere mogelijke stok op om mee te slaan teneinde aan te geven dat de kaskraker Bob Evers GEEN geschikte lectuur was. Velen mochten Willem niet of konden niet met hem door één deur en daarom KON zijn werk zogezegd dan ook niet deugen. Binnen dit hypocriete en inconsequente spelletje kennen we één uitzondering: de inmiddels overleden Martin van Amerongen. Deze was weliswaar absoluut geen vriend van Willem, maar hij was in ieder geval wel zo eerlijk om de kwaliteit van zijn werk te onderkennen. „Tumult in een toeristenhotel” vond hij een absolute klassieker en over Bob Evers in zijn algemeenheid merkte hij op: „Het was in ieder geval stukken beter dan de andere suffe lectuur die je gewoonlijk als jochie in de jaren ’50 kreeg aangeboden.”
Ondanks alle kritiek kon niemand de groeiende populariteit van de boeken negeren. Het Christelijk Jongemannenverbond dat een zeer afkeurende reactie gaf op het werk van Willem, poogde hiervoor een - naar hedendaagse begrippen zeer doorzichtige - verklaring te formuleren, nl. het feit „dat alles wat de lagere instincten prikkelt nou eenmaal grif ingang vindt.” Het zal beslist niet de bedoeling zijn geweest om zich d.m.v. dit uitzonderlijk zwakke argument zo in de kaart te laten kijken, maar het mag op z’n minst worden aangemerkt als een bijzonder knullige uitspraak als je dit fenomeen consequent zou doortrekken naar iedere andere club, instelling, vereniging enz… die slechts kan bestaan dankzij een achterban die wordt gevormd door gelijkgestemden, gelijkdenkenden en geloofsgenoten. In alle bescheidenheid durf ik zelfs op te merken dat ook het Jongemannen verbond ZELF hiervan afhankelijk was. Maar dit even terzijde, want het punt van kritiek werd door anderen over het algemeen wat subtieler en beschaafder geformuleerd. Samenvattend: het Bob Evers-epos zou niet opbouwend of pedagogisch verantwoord zijn. Dat is tenminste al iets genuanceerder verwoord ofschoon dan meteen de vraag rijst hoe Bob en Co. zich dan WEL hadden moeten gedragen om niet het mikpunt van twijfelachtige kritiek te worden. Brave jongens in een brave wereld waarin geen slechte mensen bestaan en waarin alleen maar dingen gebeuren die door de beugel kunnen? Mja… dat ruikt meer naar sprookjes, terwijl we jongensboeken willen lezen waarin iets te beleven valt en waarbij af en toe ook stevig gelachen kan worden. Ontegenzeggelijk bleek de serie „anders” dan de gebruikelijke jongenslectuur van dat moment, maar was alles dan werkelijk zo afkeurenswaardig? Er komen geen meisjes voor in de serie; d.w.z. niet op een manier waar je bedenkingen bij zou kunnen hebben. Een enkele keer wordt er een biertje gedronken; er wordt echter niet „gezopen.” Het enige waar je wat op zou kunnen aanmerken, is het feit dat er in het begin van de serie af en toe wordt gerookt. Dat zal toen (in de tijd dat je nog bordjes zag met de spreuk „Het is geen man die niet roken kan”) echter niet zo’n ernstig punt van kritiek hebben gevormd. Vandaag aan de dag is dat natuurlijk achterhaald, evenals het feit dat je nog tot in de late jaren ’70 bij de doe-het-zelf-winkel een plaat asbest kon halen om die vervolgens thuis op je gemak op maat te zagen. Maar werd er nou echt helemaal niets opbouwends weergegeven of meegegeven aan de jeugdige lezer? Dat moeten we toch met klem weerspreken. En omdat de lezer dezes uiteraard iets aangetoond wil zien, heb ik een paar voorbeelden uitgepikt. Om te beginnen, gaan we naar het Zuidzee-avontuur. In „De strijd om het goudschip” kunnen we op bladzijde 77 (HC; pocket: blz. 73) het volgende stuk lezen:

Beide mannen strompelden buiten adem op de bosrand toe. Achter hen en tussen de hutten rezen de zwarte gedaanten bij tientallen op. Geruisloos suisden hun speren… De twee muiters bereikten de bosrand nimmer. Zij lagen roerloos in het hoge gras tussen twee hutten; enkele korte speren in de rug. Zij hadden hun lange lijst van wandaden met een bittere dood moeten boeten.

Alles bij elkaar een wat aangrijpend fragment. Toch bevat de allerlaatste zin hiervan naast een immens stuk drama ook iets wat tot nadenken stemt. „Misdaad loont niet” lijkt de boodschap te zijn. Iets verderop wordt dit bekrachtigd met:

Men kon de negers moeilijk iets verwijten. Zij waren op hun eigen eiland overvallen door drie misdadigers en zij hadden zich naar beste kunnen verweerd.

Met andere woorden: „Wat de muiters overkwam, hadden ze over zich afgeroepen en hadden ze uitsluitend aan zichzelf te danken.”
In „Drie jongens en een caravan” lezen we op blz. 27 (HC en pocket) iets interessants. Als de caravan in de achtertuin van de familie Roos wordt geparkeerd en ma Roos rondkijkt, levert ze kritiek als ze de asbakjes boven de bedden ziet:

„Foei. Op die manier het roken in bed nog aanmoedigen ook! Je mag die Amerikaan wel zeggen dat hij er meteen een brandblusser naast monteert, of de helft van zijn kopers gaat met trailer en al in vlammen op.”

Toegegeven: ze ageert hier niet tegen het roken an sich, maar tegen het roken in bed door op het (beslist niet denkbeeldige) risico hiervan te wijzen. Je zou dit een beetje kunnen opvatten als een waarschuwing aan de lezers die dit op zeer jeugdige leeftijd lezen voor het geval dat ze later gaan roken: rook niet in bed. Uiteraard is het nog verstandiger om in het geheel niet te (gaan) roken. Maar als we het hebben over kinderen „iets opbouwends meegeven” dan kan dat natuurlijk in de vorm van een pijnlijk nuchter geformuleerde conclusie (zoals bij de twee muiters) of, zoals we net zagen, door te wijzen op niet te verwaarlozen gevaar.
Een andere bij uitstek geschikte methodiek bestaat weer uit iets onder de aandacht brengen waarbij men slechts kan denken: „Zo moet het dus NIET!” Hiervoor gaan we naar „Drie jongens als circusdetective”. Op bladzijde 46 en 47 (HC; pocket: blz. 43) lezen we hoe Mark, Luuk en de Bolle op zoek gaan naar de kist verloren speelgoedtreintjes. Vrij snel komen ze aan de weet dat kinderen treintjes hebben meegenomen. Die worden van het bed gelicht en verhoord. De alwetende verteller becommentarieert als volgt:

De volwassenen gedroegen zich als ezels, want als ze de kinderen rustig hadden uitgelegd wat er aan de hand was, hadden ze meteen op al hun vragen met grote preciesheid antwoord gekregen. Maar door zich er allemaal mee te bemoeien en door te gaan dreigen met gevangenis werden de kinderen zo ijselijk bang gemaakt, dat zijn niet dan na langdurige kruisverhoren wilden loslaten wat er nu eigenlijk gebeurd was. Als zij het stadhuis in brand hadden gestoken en het Bevolkingsregister gestolen, waarna zij van alle trouwakten papieren bootjes hadden gevouwen, had het tumult waarlijk nauwelijks groter kunnen zijn.

Een nuchtere weergave die ook door ouders ter harte genomen kan worden. Er zullen in de Bob Evers-boeken ongetwijfeld nog veel meer van dit soort juweeltjes te vinden zijn - die de dames en heren critici nooit zijn opgevallen of mogelijk bewust door hen genegeerd - maar ik heb er slechts vier uitgepikt. De allermooiste hiervan heb ik voor het laatst bewaard. Het gaat om „Lotgevallen om een locomotief” blz. 27 e.v. (HC; pocket: blz 25 e.v.). We maken kennis met Jacinto die op een telegraafkantoor werkt. Deze heeft het niet echt makkelijk. Hij wil hogerop komen, maar wat hem tegenwerkt, is zijn minimale schoolopleiding. Enerzijds komt dat omdat hij geen echte studiebol is en anderzijds lokt het leren hem ook niet echt aan. De alwetende verteller laat weten dat Jacinto wel wilde trouwen, maar dat hij dan toch meer zou moeten verdienen. Uiteindelijk krijgt hij bijverdiensten door alle telegrammen die voor de Central American Mining Company bestemd waren, over te schrijven en af te geven aan iemand die daar veel geld voor over heeft: het dubbele van wat hij met zijn baan in het telegraafkantoor verdiende. Typisch een voorbeeld van hoe iemand op het verkeerde pad kwam door een combinatie van verschillende factoren: een beetje een achterstand, een wat verminderde motivatie, in concreto wat „kansarm” en relatief wat zwakker in de schoenen staande. Willem heeft hiermee niet alleen de beweegredenen van Jacinto’s gedrag zeer aannemelijk verklaard, maar geeft hiermee ook aan dat eenieder beter zijn/haar best kan doen teneinde niet op een soortgelijke manier aan lager wal te raken.

Het is al eerder opgemerkt: er zullen beslist meer mooie voorbeelden te vinden zijn binnen de Bob Evers-serie, maar aan de hand van deze vier beschreven, willekeurig uitgepikte voorvallen kan men stellen dat de verwijten „niets opbouwends” en „pedagogisch niet verantwoord” uit de lucht zijn gegrepen.





Vijf vossen in een volière
Willy van der Heide

Dit verhaal verscheen eerder in Panorama, 47e jaargang nr. 14 (2 april 1960)

De eerste april is van oudsher een gevaarlijke datum. Men loopt op die dag alle kans bij de neus te worden genomen. Wij gaan dit keer een stapje verder en onthullen, hoe de charmante leerlingen van een deftige middelbare meisjesschool door een stelletje jongelui studentikoos zijn bedot.
Ach, 1april is nu eenmaal een dag waarop men met schade en schande wijs wordt...


          „Jongens - dat lukt nóóit!” zei de vos Herman.
          „Het lukt ons wél!” verzekerde de vos Alex. „Als we tenminste een net pak aantrekken en niet uit onze rol vallen.”
          „Daar hèb je het al!” knorde vos Heintje. „Ik heb maar één pak en dat is alleen van voren net, want achter in mijn broek zit een scheur.”
          „Wat hindert dat nou?” vroeg vos Jozef. „Je gaat als psycholoog toch zeker niet gebukt met je rug naar de proefpersonen toe staan?
          De vijfde vos heette Kees. Die zei niet veel, maar keek bedenkelijk. Hij was een van de vossen met een erg nette familie op de directe achtergrond. Bovendien bezat hij een auto. Weliswaar wat oud - maar toch in beginsel een automobiel. Hij was dus vrijwel onmisbaar in het plan dat moest worden uitgevoerd. Bovendien was de kans om zulk een mop uit te halen voor hem eenvoudigweg onweerstaanbaar.
          „Best - ik wil meedoen!” verklaarde vos Kees tenslotte. „Maar dan moet het geval goed voorbereid worden. Compleet met testformulieren en testmateriaal.”
          De vijf vossen staken dus de loze koppen bij elkaar en begonnen een nummertje passie te preken.

          Het plan om een goed bewaakte meisjesschool binnen te dringen onder ietwat vals getinte vlag ontstond (zoals vele dergelijke studentikoze expedities) uit een achteloos regenmiddaggesprek op de kamer van medisch student Alex. De vos Heintje lag overdwars in een leren fauteuil te lezen in een oud nummer van Panorama: het verhaal namelijk betreffende de Belgische studenten die zich met succes hadden uitgegeven voor een lid plus gevolg van het Belgisch koninklijk huis en zich lieten huldigen door een deftig meisjespensionaat.
          „O, wat zou ik graag zó'n soort stunt willen uithalen!” riep vos Heintje.
          De vos Herman (bezig zijn juchtleren schoenen in het vet te zetten) keek op: „Wát wou jij uithalen?”
          „Hier - lees zelf maar:
          De vijf jongelieden, in die kamer bijeen, bekeken het blad. Toen zei vos Kees spottend: „Maar dat héb je toch al eens gedaan, Heintje?”
          „Wat? Ik? Wanneer dan?”
          „Toen je samen met Adje mee bent gereden in de officiële stoet van president Coty!”
          Dit was zeer juist opgemerkt. In Nederland is de humor minder dood dan soms wel wordt gemeend. Er gebeuren nog steeds voldoende lachwekkende dingen, maar die komen zelden meer in de krant. Toen enkele jaren geleden de Franse president Coty feestelijk in Amsterdam zou worden ontvangen, huurde Heintje samen met zijn vriend Adje een glanzende open staatsieauto, compleet met chauffeur. Zij dosten zich uit met bolhoeden, diplomatenpakken-met-streepjesbroeken plus een opgerolde paraplu en gingen stijf rechtop achter in de open wagen zitten. Vervolgens droegen zij de chauffeur op om, zodra de stoet in zicht kwam, brutaalweg naar de politieafzetting te koersen.
          De koelbloedige chauffeur (die tevoren een vette fooi in de zak had gekregen) rolde rustig op het politiekordon af, waarop beide vrienden heftig gebarend en onder het slaken van woeste Franse kreten de bedoeling kenbaar maakten hun officiële plaats in de stoet in te nemen. De politiemannen weken eerbiedig terzijde en een minuut later rolde de open wagen, waarin twee van de meest vermaarde feestneuzen van de randstad Holland, voorwaarts in het plechtstatige zog van excellentie Coty. Een en ander tot uitbundige hilariteit van tientallen bekenden, die tot hun onuitsprekelijke jolijt plotseling de snuiten van hun kornuiten in de diplomatieke sfeer zagen getrokken.

Problemen
          Tot zover liep alles op rubberrolletjes. De problemen ontstonden pas, toen de stoet tot stilstand kwam voor een bordes, te midden van volksliederen, gepresenteerde geweren en een massa protocol. De vrienden achtten nu het juiste moment gekomen om op diplomatieke wijze het veld te ruimen. Doch toen bleek, dat het veel gemakkelijker was de politiefuik binnen te komen dan er weer uit te verdwijnen. Eenmaal door hun plaats in de stoet deel uitmakende van de keurcollectie Hoog Bezoek werd elke uitweg door het kordon beleefd doch dringend geweigerd. Elke politieman bleek er vast van overtuigd, dat deze verwoed gebarende Fransozen geen steek begrip hadden voor de noodzaak van een keurige Nederlandse organisatie. Telkens als er een inspecteur van politie of een infanteriemajoor naderde die er uit zag, alsof hij weleens écht Frans zou kunnen verstaan, raakten de vrienden in grotere paniek en het kostte hun tien schier eindeloze minuten eer zij in de haag van beleefd weerstrevende uniformen een gat vonden, waardoor zij konden ontsnappen.
          Deze zenuwslopende ervaring belette vos Heintje echter niet om nu de verzuchting te slaken: „Wat zou ik graag weer eens iets geks willen beleven. Het wordt hoog tijd dat we weer eens wat te lachen krijgen.”
          „Voor zover ik weet,” merkte vos Kees op, „is er voorlopig voor geen enkel Frans staatshoofd belet aangevraagd.”
          „Afgezien van het feit of je zo iets bij De Gaulle zou lukken.”
          „Tenzij je als parachutist vermomd boven het Damrak uit een Mirage wordt gedropt.”
          Toen was het vos Alex, die opmerkte: „Je kunt tegenwoordig overal binnenkomen en van alles uithalen, als je maar zegt dat je van een psychotechnisch bureau komt.”
          „Precies!” viel vos Herman bij en haalde een pak papieren uit zijn zak. „Al dagenlang doe ik een enquête voor een reclamebureau. Ik moet de huizen langs om huisvrouwen vragen te stellen over hun reacties op advertenties. Voor een psychotechnisch formulier gaan alle deuren open.”
          Dit opende geheel nieuwe perspectieven. Ieder van de aanwezigen zag de mogelijkheid van een stunt in deze algemene richting. Uiteraard duurde het niet lang voor een van de vijf opperde: „Laten we daar dan een middelbare meisjesschool voor nemen.”
          „En als we er dan tóch een nemen, dan meteen goed.”
          De vijf vossen geraakten nu in geestdrift. „Weet je die meisjesschool in Amsterdam-Zuid?”
          „Man - daar zitten alleen maar dochters van miljonairs op!”
          „Dat is overdreven...”
          „Nou ja - het is de duurste meisjesschool van de Goudkust.”
          „En dáár binnenkomen? Dat lukt nooit.”
          „Lukt ons wél!” verklaarde de vos Alex.
          Het lukte boven alle verwachting, maar het werd ook redelijk voorbereid. Er moest natuurlijk iets komen om aan de proefpersonen voor te leggen - iets waarover vragen konden worden gesteld. Maar wat legt men nu voor aan meisjes van een middelbare school? Het mocht ook niet al te veel geld gaan kosten...
          Het was tenslotte vos Jozef die op een geniaal denkbeeld kwam: „We gaan gewoon naar de Nieuwe Zijds Voorburgwal en kopen daar honderd kranten.”
          „Welke krant?”
          „Dat komt er niet op aan. Als ze maar alle honderd van dezelfde datum zijn.”
          Kees (met automobiel) werd afgevaardigd om honderd exemplaren in te slaan. Intussen spanden de vier overigen zich in om een testformulier op te stellen.
          „Luister eens even... We moeten natuurlijk zogenaamd gestuurd worden door een of ander psychotechnisch bureau.”
          „En wat zou dat? Iedere gek mag een psychotechnisch bureau opzetten. Het is geen beschermd beroep of zo. Je hebt er niet eens een middenstandsdiploma voor nodig.”
          „Klopt, jongens. Je mag geen melkzaak of een winkeltje in garen en band beginnen zonder vestigingseisen en diploma's. Maar lid van de Staten Generaal of directeur van een psychotechnisch bureau ben je binnen één dag.”
          En daar en dan werd een Laboratorium voor Publiciteits Psychologie uit de grond gestampt, ingedeeld in Secties en gesteld onder leiding van een zekere dr. J. J. Boyd, die zoveel in cafés had vertoefd dat hij over publiciteit niet te klagen had en zeker ook zijn sporen op het gebied van de psychologie van barkeepers had verdiend. Het testformulier werd snel in elkaar gezet. De fraai klinkende hoofden: „Reactie V.P.” en „Reactie A.P.” sloegen op eventuele indrukken, opgedaan uit de voorpagina en achterpagina van de mede te nemen krantenummers. Deze reacties overigens konden niemand een zier schelen. De rest van de vragen en opgaven op het formulier waren schoonschijnende camouflagelarie. De vier hokjes onderaan waren elk voorzien van een stel streepjes. Met gebruikmaking van deze streepjes moest in elk dier hokjes een eenvoudige tekening worden vervaardigd. De vragen helemaal rechts onderaan informeerden naar de favoriete kleur en de favoriete persoon van de ondervraagde leerlinge.

Nerveus
          Nu het testmateriaal (oude kranten) en de testformulieren (dank zij het machtig brein van dr. J. J. Boyd) gereed waren, rees de vraag wie van de vijf de kat de bel zou gaan aanbinden; met andere woorden: wie het zou wagen de directrice van de betrokken school op te bellen, met het verzoek daar een proefonderzoek te mogen houden. Toen dat kritieke moment naderde, waren de vossen nog wel steeds loos, maar toch ook (zoals zij ruiterlijk toegeven) een tikje nerveus-lacherig. Een van de studenten nam tenslotte kordaat de hoorn op. De anderen wachtten in spanning, bijtend op knokkels of pogend niet in lachen uit te barsten. Tot iedereens stomme verbazing was van geen enkele moeilijkheid sprake. Wanneer de heren wilden komen?
          De heren hadden op zulk een vlotte instemming niet gerekend en beloofden haastig terug te zullen bellen na het houden van ruggespraak met de psychotechnische leiding. De hoorn ging neer. De psychotechnische leiding ging vlijtig in conferentie.
          „Wanneer we kunnen komen. Wat moet ik zeggen?”
          De vossen krabden hun snuiten.
          „Luister eens eventjes,” zei vos Heintje. „Als wij daar met zijn vijven komen binnenstappen, kun je er op rekenen, dat er leraren of anderen rondlopen die ons kennen. Dan is de boot metéén aan. Ze gooien ons zó de straat op.”
          „Wat wou je dan doen? Vermommen?”
          Geluk moet men hebben bij dergelijke ondernemingen. Na een tweede voorzichtig telefoongesprek bleek, dat de betrekken meisjesschool zeer binnenkort een werkweek zou hebben op de „Hogenboeg”, een ferm eind buiten Amsterdam.
          „Dát is het!” riep vos Heintje. „Daar hebben we veel minder kans door de mand te vallen.”

In oude auto
          Wellicht wilt u het niet geloven. Maar u kunt het toch maar beter wel geloven, want het is werkelijk zo gebeurd: niemand viel door de mand. De heren vossen begrijpen momenteel zelf nog niet goed, hoe dat mogelijk is geweest. Zij arriveerden in de oude auto van vos Kees, die zij stilletjes om de hoek lieten staan, ook al omdat de accu leeg was en zij dus bij vertrek genoopt zouden zijn het ding aan te duwen; een tikje vreemd voor vijf assistenten van een succesvol Bureau voor Publiciteits Psychologie. Binnen zaten de meisjes al gereed aan tafeltjes in een grote zaal en de arme vos Heintje zag zich al de uren dat het psychotechnisch onderzoek duurde genoodzaakt kaars rechtop rond te wandelen. Over geen enkel testformulier kon hij zich bukken, naar geen enkele proefpersone kon hij zich teder overbuigen vanwege die vermaledijde scheur in zijn broek.
          Nadat de heren psychotechnici over hun eerste vlaag zenuwen heen waren, ontstonden er lichte onderlinge wrijvingen, aangezien de heren alras in de gaten kregen. waar de meest aantrekkelijke proefpersonen gezeten waren. Rond deze tafeltjes ontstond licht gedrang, soms overgaande in gedempte woordenwisselingen: „Ik had deze het eerst!” - „Zeg - heb je die daar gezien?” Een enkele maal ook verscherpt met wat kort ellebogenwerk. Zij hadden allen gedacht: Als we het daar een halfuur uithouden zonder dat ze ons dóór krijgen, is het mooi. Als wij maar eenmaal de ingevulde formulieren binnen hebben met de namen de telefoonnummers... Doch alles ging prachtig. Het ging zelfs veel té prachtig. Nadat de formulieren waren ingevuld en de vijf vossen zich terdege in het hoofd hadden geprent welke dames bij welke namen hoorden, en zij erover begonnen te denken het veld te ruimen, kregen zij het beleefd verzoek om tot leerzaam besluit, een korte lezing te willen houden over psychotechniek en over verschillende soorten tests. En daar hadden de vossen niet op gerekend. Zij waren er ook nauwelijks loos genoeg voor. Vos Alex stond op, schraapte de keel en begon een schoonklinkend gezwets dat in de Tweede Kamer mogelijk nauwelijks zou zijn opgevallen, maar er hier alras toe leidde, dat het woord moest worden overgenomen door vos Herman. Deze hield het precies vijf minuten uit, langzaam roder en roder wordend, tot een toenemend gegiechel en voetengestommel vanuit de zaal het iedereen duidelijk maakte dat men voor dit soort deskundige lezingen beter dr. J. J. Boyd zelf kon vragen en niet diens assistenten. Waarschijnlijk was de Hogere Leiding van de school begaan met de schuchterheid van deze onervaren assistenten, want bij het afscheid nemen kregen zij elk... een pakje sigaretten cadeau.
          En daar gingen de vossen.... zij laadden hun buit van adressen en telefoonnummers in het autootje, keken nog schichtig eenmaal om, duwden hun wrakke automobiel haastig aan en poetsten knallend de plaat.

          Een klein incident sluit het verhaal af. Zij hadden bij hun psychotechnische arbeid alle vijf een aktentas of een map bij zich gehad - dat hoort zo bij het beroep. Maar in de haast om weg te komen had vos Alex zijn eigen tas in de volière achtergelaten. En daar zaten papieren en andere dingen in, die hij dringend nodig had.
          „Waarom haal je het ding niet gewoonweg op?” vroeg vos Heintje.
          „Tja...” zei vos Alex fronsend. „Tjatja. Stel je voor dat ze intussen argwanend zijn geworden...”
          Er zat echter weinig anders op dan er manmoedig op af te gaan. Alex heeft nooit willen vertellen wat er precies in die tas zat. Maar toen hij op de bekende bel had gedrukt, bleef de voordeur stijf gesloten. De aktentas werd hem door een op een zeer smalle kier geopend raam toegeworpen. Het. raam klapte dicht.

          Vos Herman beweert dat er nu schrikdraad om de volière heen staat.





Psychotechnisch huwelijk
P. P. Preuts

Dat Willem van den Hout gedurende vele jaren van zijn carrière gefascineerd bleef door de bombastische term „psychotechnisch” blijkt ook uit onderstaande tekst uit het blad „Amor’s Magazine” (1e jaargang, nummer 4, blz. 4, 5 en 19), dat hij weer schreef onder het bij de lezers inmiddels bekende pseudoniem P. P. Preuts.

           Eindelijk was ze er. Ze had de lange gracht afgezeuld tot ze bij het bewuste nummer was aangeland. Het stond voor haar op een bordje naast de deur.

PSYCHOTECHNISCH HUWELIJKSBUREAU
FLIPPEMANS & KOKKELMEYER
Spreekuur 10-12 en 2-4.

           Ze zou nog maar even wachten, want volgens het bordje was de zitting nog niet begonnen. De grote boodschappentas, waarin de gesmeerde boterhammen nog zaten, zette ze op de stoep en zelf ging ze maar op de trede zitten. In de cafetaria, waar ze haar twaalf uurtje breed uit de tas opdiepte, had de juffrouw haar gewezen op het bordje: Meegebrachte eetwaren kunnen hier niet genuttigd worden. Alles werd weer ingepakt en met het onbegrip buitenmensen eigen, was ze als een opgelopen kalkoen weggegaan. Ze had nu net even tijd en dus ging de tas weer open.
           Achter de ramen van het huis had men haar aanwezigheid blijkbaar opgemerkt, want nu gingen de gordijntjes open en een kaal hoofd met een smal gezicht vertoonde zich. De grote neus, met anderzijds een hangsnor en bovenzijds een wankel lorgnetje, geflankeerd door twee rollende oogjes, was tegen de ruit gedrukt. De rollende ogen monsterden de bezoekster op de stoep.
           Het raam werd opgeschoven en een nu dwarsliggend hoofd vroeg of „de dame” bij „ons” moest wezen.
           De dame maakte haar handen vrij door de boterham, die zij juist tot zich wilde nemen, tussen haar tanden te klemmen en zoekt in de grote tas naar de brief. Niet dan nadat de inhoud van de tas op de stoep is gedeponeerd, lukt het haar een brief te graaien en leest, door de boterham onverstaanbaar, de naam en het adres van het bureau, waarvoor zij op het ogenblik kampeert, voor. Doordat zij nu haar mond bevrijdt, is het mogelijk de naam „Kokkelmeyer” op te vangen, waarop het hoofd in het raam eclipseert en als nieuwe verschijning door de opengaande deur ten tonele komt.
           „Kokkelmeyer, dat ben ik, dame. Komt U derin.”
           De bezoekster ruimt haar diversen weer in de handtas en hijst zich de stoep op, de brief zwaaiend in haar hand.
           „Deze kant dame. Nee niet deze deur, da’s de W.C. De volgende is mijn privé-deur. Gaat U voor. Neemt U deze stoel maar, daar gaat U niet doorheen.”
           De dame toont de vetgeworden brief, welke de aanleiding is van haar komst. Het is een antwoord op haar advertentie, waarin het huwelijksbureau van Flippemans & Kokkelmeyer haar aanraadt gebruik te maken van hun bemiddeling. Dit zou haar de zekerheid geven de juiste man te vinden, daar de huwelijkscandidaten psychotechnisch onderzocht worden. De dame had hier wel oren naar. Ze wou voor alles een gezonde man en geen Slappe Janus. Dat de dokters zich nu ook al met huwelijksbemiddeling bemoeiden. Maar ze wou er meer van weten, daarom was ze zelf maar gekomen. Voor alle zekerheid had ze vanmorgen zich geheel verschoond, je kon nooit weten of ze de andere partij ook wilden onderzoeken.
           „Ja, ziet U dokter, ik ben zeer sterk voor onderzoek en als het heel eerlijk moet gaan, ben ik ook bereid te laten zien, dat ik niks mankeer en een gezonde vrouw van vlees en bloed ben. Zal ik me dan maar even uitkleden dokter, dan kan U met mij beginnen.”
           De heer Kokkelmeyer’s verbazing steeg met de minuut. Was de dame verkeerd? Maar neen, ze had zijn naam genoemd en de brief dan!
           „Dame, ik begrijp er niets van. U komt om kennismaking te zoeken en U spreekt over U uit te kleden. Dat gaat zo vlug niet hier in de stad. Ik zal toch eerst moeten weten wat U zoekt en dan zien of ik iemand geschikt vindt die lief en leed met U samen wil delen.
           Dan is mijn naam Kokkelmeyer, maar U bent niet bij een dokter, alhoewel ons bureau de mensen meer gezondheid en kracht brengt en meer voor de maatschappij doet dan de beste pilledraaier.”
           „Maar ik ben vóór onderzoek en dan ook eerlijk: alle twee onder ’t mes!”
           „Dame, ik begrijp het misverstand. Luistert U effe. Ons bureau onderzoekt de candidaten voor het huwelijk psychotechnisch, dat betekent, of ze moreel en in feite deugen voor het huwelijk, en vooral voor onze klanten, die zich in vertrouwen tot ons richten. Laten we dus bij het begin beginnen. U wilt huwen. U zoekt een goede man. Dat kost U twee gulden 50. Ja, niet de man: maar dat is het inschrijfgeld.”
           Met dubbeltjes, kwartjes en wat losse centen voldoet de dame aan haar eerste verplichting. Dan neemt de heer Kokkelmeyer gewichtig uit de la van het bureau een schrift en vraagt naar naam en geboortedatum.
           Onder het opschrijven leest hij langzaam spellend mee.

                      „Eleulia Francisca Pietertje Dibbes, geboren in Pummerend op 12 April 1889.
                      Wat zoekt U eigenlijk?
                      Een man!

           Dat begrijp ik. U komt hier niet voor een hondje.”
           „Nou U het zegt, moet ik bekenne, dat het nog een hele strijd was of ik een hond zou nemen of een man. Veel verschil is er soms niet, want beide blaffen, beide smeren hem als ze de buitendeur open weten en als er een teef....”
           „Alle mannen zijn niet zo, dame,” onderbreekt Kokkelmeyer zijn cliënte, „zeer zeker niet als U ze van ons heeft. De onze zijn hokvast, teder en trouw. Dat is toch wel voldoende?”
           „Mijn man moet ook z’n handen kunnen gebruiken.”
           „Juist dame, ik zal ’t noteren.”
           „D’r moet wat inzitten en hij moet niet alleen maar willen slapen.
           „Neen, dame, ik begrijp, U wilt er steeds bij zijn.”
           „Neen, hoor. Opgeruimd staat netjes. Niet de hele dag om me heen. Dat kon ik van mijn eerste man zaliger ook niet hebben. Die zat van ’s morgens tot ’s avonds an me nek. Mijn tweede had daar weer te weinig van, tenminste tegenover mij. Die hing de hele dag aan verschillende nekken. Tot ie z’n nek brak toen hij van boven naar beneden werd geslingerd door de bruidegom naast ons, die hem met de bruid snapte tijdens de bruiloft. Mijn derde was erg degelijk, en oh zo correct. Ik ontving van hem een brief, dat het huwelijk niets voor hem was en dat hij ver weg was gaan wonen om me te vergeten. Later hoorde ik dat hij met de vrouw van bakker Bollemans er van door was. De kinderen had ze maar meegenomen en nu wonen ze met z’n zessen in Den Bosch. Ik ben nog naar hem toe geweest. Hij had het gedaan om het mens te helpen. Nou, na deze echtscheiding heb ik de laatste aan delirium verloren. Dat was een goeie. Nooit uit zijn humeur. Altijd zingen of buiten westen, maar dan deed hij geen kwaad, de stakkerd. Eens hebben ze hem thuis gebracht. Vergiftigd, werd er gezegd. Hij was morsdood.
           Kwaadsprekers vertelden dat ze hem water hadden laten drinken. En zo ziet U mijnheer, dat ik wel weet wat het huwelijk is en dat het toch van doorzetten getuigt als ik aan de vijfde wil beginnen. Maar nu zoek ik een huiselijk pietje, eentje die ik naar mijn hand kan zetten.”
           „Dame ik weet uw bedoeling. Rekent U op Flippemans en Kokkelmeyer. De man die aan Uwe zijde zal leven is al geboren! Hij bestaat en weet nog niet welk geluk hem wacht. Het is een schone taak, onze taak, dit geluk in goede banen te leiden. De condities zijn 10 pct. dame, van het geluk, ik bedoel van het vermogen der aangezochte.”
           „En dat geld dat ik zo juist betaald heb?”
           „Dat was inschrijfgeld, dame. De rest komt later. U hoort van ons.”
           De dame was nu opgestaan, zocht haar benodigdheden weer bij elkaar. Ze drentelde naar de opengehouden deur en schudde het weke handje van mijnheer Kokkelmeyer.
           „Je bent een goeierd!” grinnikte zij hem toe en stompte haar duim gekscherend in de zijde van het mannetje. Deze maakte een sprong terug en bleef op veilige afstand wachten, totdat zijn cliënte het bureau verlaten had. Toen zij de stoep afzakte, volgden een paar rollende oogjes achter het door het gordijntje afgedekte raam de trouwlustige bezoekster, die heupwiegend, de grote tas torsend, het grachtje afslenterde.
           Enige weken waren er verlopen. Het psychotechnisch huwelijksbureau Flippemans & Kokkelmeyer heeft intussen enige huwelijkskandidaten voor mevrouw Dibbes opgespoord en naar haar verwezen.
           Als van de arbeidsbeurs komende, hebben de vrijers zich bij haar aangediend met als paspoort een introductie van het huwelijksbureau.
           Op deze dag zat mijnheer Kokkelmeyer zijn klantenregister na te slaan en strandde op de naam van mevrouw Dibbes.
           Gek, nog steeds niets gehoord. Ze zal eens aangeschreven moeten worden, in de hoop, dat een der gezonden broeders toch nog gehapt heeft en er bijgevolg eindelijk afgerekend kan worden.
           Men roepe nimmer de duivel aan, want de trekbel gaat door een flinke ruk over.
           Kokkelmeyer snelt toe en als hij de deur opent staat daar voor hem met onheilspellende ogen de onafscheidelijke tas aan haar arm, mevrouw Eleulia Francisca Pietertje Dibbes.
           „Mevrouwtje! Komt U binnen. Gaat U zitten en vertelt U eens, is het gelukt?”
           „Wat gelukt? Hoe gelukt? Wie gelukt?”
           „Wij zonden U toch enige belangstellenden!”
           „Nou, aan belangstelling heeft het die schobbejakken niet ontbroken. De een kwam om m’n centen en de andere om gevoederd te worden met z’n natje en droogje. U heeft ze wèl uitgezocht, die gelukbrengers!”
           Stomverbaasd ziet Kokkelmeyer de haastig sprekende en woedende vrouw aan. Het speeksel loopt van drift met haar woorden de mond uit en Kokkelmeyer is doende met zijn zakdoek zich af te drogen hetgeen hem niet afdoende gelukt, omdat telkens opnieuw een stortvloed van woorden zijn verschrikt gezicht besproeit.
           Hij vlucht achter het bureau en de discussie wordt vervolgd over de schrijftafel, evenwel niet zonder dat deze door vuistslagen der spreekster nu en dan uit zijn voegen dreigt te vallen.
           Bij iedere klap sluiten zich de oogjes van het mannetje en schrikken de schoudertjes met een ruk op.
           „Die eerste mooie meneer, nou dat was een fijne! Hij kwam en deed maar direct of hij thuis was. Z’n schoenen gingen uit en hij wou dat ik alvast zijn kousen ging stoppen. Hij wou me aan de getrouwde staat wennen. Hij ging lang uit liggen en vroeg hoe laat het eten zou zijn. ’s Morgens moest hij thee op bed en een zacht gekookt eitje. ’s Middags ging hij wandelen en ’s avonds wou hij de eerste tijd nog zijn gewezen meisje ontvangen, om langzamerhand van d’r af te wennen. Eruit gebonjourd heb ik hem!
           Die tweede van U was nog meer bescheiden. Zo was tie binnen of hij had slaap en aan alleen liggen had hij een gruwelijke hekel. Voor ik er erg in had lag tie al boven in mijn bed en riep: ‘Eleulia, waar blijf je!’ Het is me met twee emmers water gelukt hem er uit te werken. Poedelnaakt heb ik hem buiten gezet. Z’n kleren heeft hij op de stoep moeten aantrekken.
           De derde leek rustiger en oh zo gewillig. Hij stelde maar voor boodschappen voor me te halen. Ik gaf hem een hele lijst op, om hem op de proef te stellen en toen ik hem mijn portemonnaie in de hand duwde, dacht ik, zie zo, nou ben je voor een hele tijd zoet. Laat nou maar eens kijken wat je ervan terecht brengt! Hij moet nog terugkomen!
           Het laatste portret deed de deur dicht.
           Met uw brief diende mijn gewezen man zich aan, U weet wel, die met de vrouw van de bakker ervan door was gegaan met die vier kinderen.
           Met die bloedjes stond hij voor me en vertelde dat zij hem verlaten had. Nu wilde hij weer met mij gelukkig worden, niet alleen als vrouw, maar ook als de moeder van zijn vier nagelaten kinderen.
           Toen ik de deur had dichtgeslagen voor z’n neus heeft hij nog lang staan sputteren van ‘ontaarde vrouw’ die het plotselinge geluk miskende van zijn terugkomst.”
           „Mevrouw, ’t is verschrikkelijk en jammer, maar niet onze schuld,” waagde Kokkelmeyer de stortvloed te onderbreken.
           „Schuld of geen schuld, bekend zal ik jullie maken. Een waarschuwing in de krant! Mijn rijksdaalder ben ik kwijt, maar ik heb er wat door opgedaan. Aan mijn lijf geen polonaise!”
           Met deze woorden rukte ze de deur open en stapte naar buiten, gevolgd door de heer Kokkelmeyer, die een schandaal trachtte te voorkomen en in de hand een rijksdaalder zwaaide, die hij mevrouw Dibbes smekend terug aanbood.
           Deze nam de trap manhaftig en gedecideerd met een paar stappen en als op maat stappend, verwijderde zij zich van de stoep, waarop een hulploos mensje stond, die de dreigende ondergang van zijn huwelijksbureau aanvoelde.
           Zou zij haar dreigementen volvoeren? Angstig speurend, bezwerend en hopend op inkeer, volgde mijnheer Kokkelmeyer de nog steeds hardop ruziënde vrouw. Hij zag haar de gracht aflopen en volgde haar het steegje in. Plots was ze verdwenen. Radeloos zocht het mannetje haar links en dan weer rechts. Ontmoedigd en hopeloos slenterde hij weer terug.
           Plotseling bleef hij als genageld aan de grond staan. Hij geloofde zijn ogen niet.
           Daar kwam mevrouw Dibbes het steegje weer uit met een triomphantelijke houding, met aan de lijn een grote Duitse dog.
           De koop bij de kennelbaas was vlug beslist.
           Lachend stond de koopman haar na te staren toen zij hem verliet met de opmerking:
           „’t is beter één hond aan de lijn, dan tien mannen in de lucht!”





Enkele foto’s uit Frankfurt (Oder)
Roger Schenk

Deel vier in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
Nog eenmaal gaat de reis naar het uiterste oosten van Duitsland, waar Jan, Bob en Arie hun best doen om het motorblokkenmysterie op te lossen: Frankfurt (Oder), dat „andere Frankfurt”.


Kaartje van de omgeving.
De nummers 1 t/m 6 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.

Am Winterhafen ligt in het boek zowel de vestiging van Siegler als de vervallen fabriek, waar Bob lastig
wordt gevallen door plaatselijke skinheads. Na Peter de Zwaans bezoek aan deze contreien, is de firma
Siegler blijkbaar failliet gegaan, zodat er nu ineens twee vervallen fabrieksgebouwen liggen; wat bleef,
zijn de Frankfurter hangjongeren.
(1)

De „Plattenbau”-woningen aan de Moskauer Straβe, waarin Manfred Janowsky woonde. Het beklem-
mende sfeertje in de Lebuser Vorstadt wordt door Peter uiterst treffend beschreven: nou had Arie nog
niet eens een auto met een geel nummerbord, maar toch voelde ook hij hoe de hele buurt hem in de
gaten hield; ergens was het ook wel weer grappig om alle gordijntjes synchroon te zien bewegen om
aan het eind van de doodlopende straat de manoeuvres van mijn geelgenummerde exemplaar nauw-
lettend te volgen.
(2)

Blik vanaf de „Brücke der Freundschaft” (zie ook Nieuwsbrief 39) op Frankfurt (Oder)-Noord, met
Oder, Hafenstraβe en Am Winterhafen, de vervallen fabriek en - in lang vervlogen dagen - het
transportbedrijf Siegler.
(3)

Zoals iedere stad in het oosten van Duitsland heeft ook Frankfurt (Oder) zijn eigen Karl-Marx-Straβe,
hier afgebeeld; zoals ieder openbaar vervoersbedrijf ter wereld vond ook de SVF het nodig om van tijd
tot tijd de tram- en buslijnen om te nummeren - dat doen ze alleen maar om de slachtoffers van het
openbaar vervoer te dwingen steeds een nieuwe dienstregeling te kopen -, zodat die mooie lijn 3 van
bestuurster Dorris Dörrie naar Neuberesinchen inmiddels door het leven gaat als lijn 1.
(4)

Nog meer veranderingen: ook het DDR-paradepaardje, „Hotel Stadt Frankfurt” aan de Karl-Marx-Straβe
zal nooit meer in aanmerking komen voor het predikaat
Bob Evers Monument: het heeft inmiddels
plaats moeten maken voor de Lenné Passagen.
(5)

Wat gelukkig wel nog bestaat, is het prachtige postkantoor; zelfs de telefooncel van waaruit Arie Roos
in deel 41 miljonair Metzger belt, is nog te bewonderen.
(6)






AVE FRATER ATQVE VALE
Paul van den Hout

Ik zal je, Peter, niet het graf in prijzen,
want dat lijkt even zinloos als te laat.
Voornamelijk wil ik je eer bewijzen,
want dat is waar het hier alleen om gaat.

Het doet mij pijn dat jij ons op die wijze,
die treurig op mij overkomt, verlaat
om weet ik veel waarheen te reizen -
er bleef ontzettend veel onuitgepraat.

Je hebt veel meer dan ik, merk ik, geleden
onder een wreed, en voor jou nooit geheeld
verleden, goeddeels aan mij voorbij gegleden -
jij zorgde, waar ik enkel heb gespeeld.

Aanvaard, wat jij bij leven nimmer duldde,
mijn pietas als een posthume hulde!

                                            Paul van den Hout
                                            2 mei 2013
                                            Amsterdam






Onder het vergrootglas (nieuwe serie 14) : Willy filmt Amerika
Geerten Meijsing

Amerika filmt. Een visie op Hollywood en op Hollywood’s wonderlijke werkwijzen”, Tilburg, 1939 / ’s-Gravenhage, z.j.

In 1973 landde ik op het vliegveld van Chicago. Het was de eerste keer dat ik in Amerika kwam. En deze zinsnede van Willy van de Heide werd voor mij onmiddellijk bewaarheid: „… Twee negers met knalgele overjassen in te korte broeken boven verschrikkelijk nieuwe schoenen.” Ik citeer uit het hoofd, dus kleine variaties zijn mogelijk. Met die „knalgele overjassen” bedoelde Willem waarschijnlijk zeiljoppers. De lengte van broeken luistert zeer precies, maar de mensen van de armere bevolking die je het eerste ziet wanneer je uit een luchthaven komt, de bedelaars, kruiers en taxichauffeurs (gele taxi’s inderdaad), droegen destijds hun werkbroeken nog hoog opgesjord, en iedereen weet dat je schoenen eerst moet inlopen (vroeger liet men dat zijn butler doen) voor je je ermee kunt vertonen. En natuurlijk zag je voor het eerst veel negers - door Van der Heide onbekommerd nikkers, zwartjes of kroeskoppen genoemd, toen er in Nederland nog maar één neger was die voor de televisie danste, een bounty dus. (Lees het boek van Robert Vuijsje: „Alleen maar nette mensen”, 2008).
Nu trek ik, vrij willekeurig, een Bob Evers uit de kast, B.22: „Vreemd gespuis in een warenhuis”, om verdere voorbeelden te vinden van hoe Willy Amerika schildert, en ik vind er meteen een heleboel. Onze schrijver doet dat voortreffelijk! Hier volgen enkele voorbeelden:
Blz. 9 van de pocket-editie met de datum 1968 achter het copyright notice ©:
Zo’n Amerikaanse drugstore is iets heel anders dan een Nederlandse drogisterij. Het is eigenlijk een combinatie van een drogisterij, apotheek, cafetaria en tijdschriftenwinkel. Of liever gezegd: een cafetaria waarin ze een drogisterij, tijdschriftenwinkel en allerlei andere soorten winkels hebben ondergebracht. Je kunt er gaan zitten, een zoopje (sic) bestellen en ondertussen rondkijken naar de verschillende uitstalkasten met duizend-en-één nuttige of zinloze zaken. […]
Toen de jongens binnenkwamen, zagen zij recht tegenover zich de marmeren cafetaria-toonbank, met chroomstalen krukjes, een ijsmachine, een koffieketel en schappen vol chocolade, kauwgum en dergelijke zaken. Voor de beide ramen links en rechts van de deur stonden enkele tafeltjes met stalen stoeltjes en tegen de zijwand waren de uitstalkasten: één met tandenborstels, zeep en parfumerieën, één voor boeken in zakformaat
(sic), een derde voor fototoestellen en films en een vierde met dranken.
Dato anno nu klinkt deze beschrijving niet zo bijzonder meer, omdat wij inmiddels Schiphol zijn gewend, in Italië zijn geweest, en in de vele hypermarkten die naar Amerikaans model ook hier gebouwd zijn. Maar wie in de tijd dat het boek oorspronkelijk gepubliceerd is, 1957, alleen een Amsterdams of Volendams café van binnen had gezien, keek hier vreemd van op. Natuurlijk stond er ook een jukebox in deze drugstore, waaruit een heel oud nummer van Louis Armstrong en het orkest van Jack Teagarden klonk, „Rocking Chair”, acht maal achtereen. De schommelstoel was toen ook iets typisch Amerikaans, op een veranda, in een zwoele zomeravond… En dan het begin van de handeling, Willy zegt actie en het scèneboard klapt voor het oog van de camera dicht. We zijn op bladzijde 13:
Zodra hij uit het gedreun van de muziek weg was, hoorde hij het janken van politiesirenes en vijf tellen later zag hij de auto’s aan komen stuiven, regen sissend wegspattend onder hun banden. Zij kwamen van beide kanten de straat af, het verkeer uitééndrijvend met hun alarmerend sirenegeloei, schoten schuins op het trottoir voor de drugstore af en stopten daar. […] …en nog voor zij stilstonden, vlogen de portieren open en agenten in uniform plus rechercheurs met slappe hoeden op [het zal niet!] sprongen eruit en stroomden de drugstore binnen; revolvers in de vuist.
We zien hier geen Baantjers of een aflevering van Tatort waarin men op het spoor is van een juwelendief. Blz 16:
Een jongen en meisje zaten nu aan een raamtafeltje en drie jongens, die eruit zagen als leerlingen van een Pittsburghse middelbare school [een „college” dus] stonden gumkauwend rond de jukebox, luisterend naar muziek en bladerend in enkele stripverhalen.
Het volgende hoofdstuk, dat begint op blz 41, heeft als veelzeggende ondertitel in dit verband: Scène a: helder idee van Arie Roos. Lijkt me evenwel wat moeilijk uit te tekenen op een storyboard, maar het algemene idee dat we hier in een film zitten - een Amerikaanse film welteverstaan - wordt hierdoor nog eens onderstreept. Vervolgens krijgen we op blz 45 een tussenkopje met Scène b: &cetera.
En zo zou ik eindeloos kunnen doorgaan, bij voorbeeld over de uitleg van de Pennsylvania Turnpike, blz 163:
…en dat is de allereerste moderne tolweg, die er in de United States werd aangelegd, in de jaren ’30, toen ging blijken, dat voor het groeiende snelverkeer een geheel nieuw soort wegen [typische WW-constructie] nodig waren. De praktische Amerikanen vonden, dat een snelweg die dag en nacht door een enorm verkeer wordt bereden, zichzelf best betalen kon door het heffen van tol. Op alle plaatsen waar je zo’n weg opkomt, is dus een tolhek met een man die je een kaartje geeft. […] [Met de interpunctie van Willy ben ik het niet altijd eens, maar dat kan ook de schuld zijn van de „redacteur”, als ze zo iemand bij Uitgeversmaatschappij De Eekhoorn in dienst hadden; denkelijk gebruikten ze ingehuurde werkstudenten voor de correcties.]
Deze voor ons inmiddels overbodige uitleg gaat nog enige tijd door, want elke toerist die ooit naar de wintersport, door Frankrijk of in Italië gereden heeft, kent het fenomeen inmiddels. Maar dan krijgen we een onverwachte flash back van de repliek waarmee de twee Hollandse jongens ooit Bob van dienst waren geweest toen hij eens de lof had gezongen van de Amerikaanse tolwegen, blz 164:
(„Luister!”' had Jan toen gezegd. [Altijd weer zien we de geweldige vondst van de raamvertelling; de gebeurtenissen worden later aan de auteur verteld, zoals we reeds op blz 21 lezen; een truc of techniek waardoor het verhaal extra perspectief krijgt: Toen Jan en Arie mij later deze geschiedenis vertelden, tekende Jan er een kaartje bij. „Kijk eens, mijnheer Van der Heide,” begon hij. &cetera.] „De United States zijn een rijk dat bestaat uit staten. Precies zo bestaat Nederland uit provincies. Vroeger waren de Nederlandse provincies nét zo onafhankelijk van elkaar als die staten van jullie nu nog zijn. Jullie staat Pennsylvania, die wij dus provincie noemen, legt een eigen snelweg aan, maar heeft geen zin daar verkeer uit andere staten gratis over te laten rijden, hoewel dat een belang is van het hele land. Dus Pennsylvania heft tolgeld. Dat deden wij in Holland vóór de oorlog ook. Daar mocht je niet op een provinciale weg rijden zonder een wegenkaart voor die weg. Maar wij kregen al héél gauw in de gaten, dat wegen een belang zijn voor het hele land. Al die tollen en kaartjes waren alleen maar tijd- en geldverlies. Dus nu betaalt het rijk alle wegen uit één rijkswegenbelasting. Jullie Amerikanen zijn niet vóór, maar ongeveer vijftig jaar bij ons ten achter. […] Over twintig jaar moeten jullie al die tolwegen weer opdoeken en er rijkswegen van maken en dan jullie eindelijk precies even modern als we in Holland al sinds 1945 zijn.”)
Quod non, cetero censeo…
Toch is het ook hier weer eens 1-0 voor Holland-Amerika.
Zoals ik wel eerder hier geschreven heb: Willy heeft veel liefde voor het Amerikaanse leven, maar hij weet dat altijd te relativeren door stevige kritiek op Onze Bevrijders.
Daarover een volgende keer verder.






Nieuwsbrief 40
Nieuwsbrief 41 als pdf
Nieuwsbrief 42
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina