Nieuwsbrief nr. 43
ISSN 1386-6451
juli 2014 - 21e jaargang nr. 2



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Uiterst aantrekkelijk aanbod van een uitgeverRoger Schenk
Het maken van de eerste Nederlandse porno-filmWillem W. Waterman
Recensie van deel 53: Een cover met een nep-ElvisSchout-bij-kunstlicht Spook
Wie zei dat je in dezen tijd geen „nieuwe” boeken van WWW kon vinden?Roger Schenk
Enkele foto’s uit La Crucecita & TulumLia Krijnen
De overeenkomst tussen Alfred Hitchcock, Edgar Wallace en Willy van der HeideJohn Beringen
(Gast)column: „Daar stonden Jan en Arie te bellen...”Paul Stenvert
Watermannelijke woningen, deel 2: 1937-1941Roger Schenk
Er is meer tusschen hemel en aarde...W.H.M. van den Hout-Menziers
Waar lag Het Eiland nou eigenlijk? Een poging tot identificatieRoger Schenk
AchternamenpuzzelJan Hulshof
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 16) :
Willy van der Heide beantwoordt het Proust Questionnaire
Geerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen


Glorierijke missers in La Gloria” verschenen!

Echt nieuws is het natuurlijk niet meer, maar het is voor de Bob Evers-fan wel de belangrijkste gebeurtenis van het afgelopen half jaar: deel 53, „Glorierijke missers in La Gloria”, is verschenen! Zoals de laatste jaren gebruikelijk was Schout-bij-kunstlicht Spook, de opvolger van de gepensioneerde Kolonel Koops, bereid om het nieuwe deel te recenseren; zijn recensie treft u elders in deze Nieuwsbrief aan.
De enkeling die nog niet in het gelukkige bezit is van het nieuwste deel, kan het boek bestellen door overmaking van € 14,99 (plus € 1,00 verzendkosten) op bankrekeningnummer NL37ABNA0428204066 ten name van P.J. de Zwaan te Enschede. Vermeld bij de betaling je naam, adres, postcode en het nummer van het boek dat je wilt hebben. Inderdaad: het nummer van het boek, want er is nog een beperkt aantal exemplaren van deel 51, „Clandestiene streken op een cruiseschip”, verkrijgbaar; wees er snel bij, want er staat voorlopig geen herdruk gepland. Van deel 52, „Prijsschieten op een premiejager”, is wel een herdruk verschenen. Ook die kunt u natuurlijk bestellen. Ook nu weer heeft Peter een interessante kortingsactie in petto; voor meer bijzonderheden verwijzen wij graag naar zijn website.
Goed nieuws is dat in het Willem W. Waterman-jaar 2015 deel 54 van de onverwoestbare Bob Evers-serie zal verschijnen. De titel luidt „Dollemansrit met een Mighty Mite” en naar verluidt zal het boek zich in de omgeving van Pittsburgh/Pa. afspelen, net als „Vreemd gespuis in een warenhuis” dus. Dat is dan precies 32 delen eerder. Twee-en-dertig! Een veelzeggend getal in de wereld van Bob Evers! Wij kunnen 2015 nauwelijks afwachten.
Peter de Zwaan, „Glorierijke missers in La Gloria”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2014. ISBN: 9789082052336.

Peter de Zwaan, veelschrijver te Enschede.

Het zijn drukke tijden voor de liefhebbers van (het werk van) Peter de Zwaan: behalve „Glorierijke missers in La Gloria” verschenen nog meer boeken van zijn hand: allereerst verraste Uitgeverij Link ons in januari j.l. (volgens het colofon echter al in september 2013) met een papieren versie van „Foutje in Pigeon Forge”, dat oorspronkelijk alleen als e-book was bedoeld. Een dergelijke actie, kunnen wij, Bob Evers-fans op leeftijd, die bijna high worden van de geur van papier en drukinkt, alleen maar toejuichen. Het gaat hier om een tamelijk korte roman (53 pagina’s) over de praatgrage huurmoordenaar Rockne Paradise, met wie wij alweer acht jaar geleden kennis maakten in „De Middelman” en die daarna alleen nog terugkeerde in „Kelly’s 30.000” en „Jeff Meeks en Rockne Paradise wensen u een voorspoedig 2008” (het eerste gezamenlijke project van Peter de Zwaan en Lia Krijnen). In „Foutje in Pigeon Forge” probeert de anders zo trefzekere huurmoordenaar een eerdere misser recht te zetten... met onverwachte gevolgen!
Van geheel andere orde is de waarlijk briljante roman „In mijn hoofd”, die afgelopen maart verscheen bij Uitgeverij Conserve: wie Peter de Zwaan alleen kent als auteur van thrillers en kinderboeken, zal aangenaam verrast zijn dat de man van meer markten thuis is. „In mijn hoofd” gaat over het jarenlange en aangrijpende proces dat zich afspeelt in het hoofd van hoofdpersoon Joop Rademakers en dat wij kortweg „alzheimer” of „dementie” plegen te noemen. Peter noemt zichzelf ervaringsdeskundige op dit gebied; natuurlijk niet in dier voege, dat hij deze vreselijke ziekte zelf heeft - al lijkt hij hier wel vergeten te zijn dat hij een eigen uitgeverij heeft -, maar omdat hij de ziekte hoogstpersoonlijk heeft meegemaakt bij zijn beide ouders. De Zwaan is dan ook meesterlijk als het erom gaat de verwarrende en steeds verder vervagende gedachtegang van de protagonist onder woorden te brengen. Het is Peters stellige overtuiging dat mensen met alzheimer meer weten en voelen dan menigeen denkt. Het boek is een absolute aanrader voor iedereen die te maken heeft (gehad) met dementerende familieleden! Vergeet - o jee, wéér die beladen term - „Hersenschimmen” van Bernlef, tot voor kort de mooiste roman over alzheimer, want „In mijn hoofd” van De Zwaan stelt „Hersenschimmen” in alle opzichten in de schaduw!
Voor de liefhebbers van De Zwaans thrillers tenslotte is er nog meer goed nieuws: in het najaar verschijnt de zesde roman in de Jeff Meeks-reeks (in het Nederlands rijmt dat mooi), „De Dwergbowler”.
Peter de Zwaan, „Foutje in Pigeon Forge”, Uitgeverij Link B.V., 2013 (2014). ISBN: 9789462320978.
Peter de Zwaan, „In mijn hoofd”, Uitgeverij Conserve, 2014. ISBN: 9789454293606.

Rumoer in een rustgebied” en „De loverman” als luisterboek.


Rumoer in een rustgebied

De loverman

Zoals reeds in Nieuwsbrief 42 aangekondigd werd, zijn inmiddels twee boeken van Peter de Zwaan bewerkt tot luisterboek. Het gaat om zijn veelgeprezen thriller „De loverman” (over de machinaties van Ernst Jansen Steur) en om het vijftigste deel uit de Bob Evers-serie, „Rumoer in een rustgebied”. Vooralsnog zijn beide luisterboeken alleen verkrijgbaar als mp3-download, voor € 14,95 resp. € 9,95: dat is warempel nog goedkoper dan in de vorige Nieuwsbrief werd aangekondigd, een welkome afwisseling in deze tijd waarin alles alleen maar duurder lijkt te worden.
De maker van beide luisterboeken, Peter van Eerdenburg, is van plan om bij voldoende belangstelling ook een CD uit te brengen van „Rumoer in een rustgebied” en zo hoort het natuurlijk ook. Kijk eens naar die prachtige, nieuwe voorkant! Die wil je toch in je kast hebben staan tussen alle andere Bob Evers-boeken! Deze voorkant is geheel in de stijl van de Zwarte Zwaan-uitgaven, met een foto van Selena Lindemann naar een idee van Lia Krijnen. Eigenlijk kunnen wij nauwelijks wachten op herdrukken van de delen 33 t/m 50 van Uitgeverij Zwarte Zwaan en dan allemaal met dit soort voorkanten, nietwaar?
Peter van Eerdenburg heeft bovendien toegezegd om in de toekomst ook zijn best te gaan doen op het verwerven van het recht om de Willy van der Heide-deeltjes om te zetten naar luisterboeken. Dus het is zaak om de man over de streep te trekken door hem te overtuigen van het feit dat Bob Evers nog steeds leeft. Bestellen dus, zo’n luisterboek! Dat kan heel eenvoudig via link 1 en link 2. Voorinschrijving voor de CD van „Rumoer” kan geschieden door een mailtje te sturen naar Peter van Eerdenburg.

Het kan niet op: alwéér een nieuw boek!


En ditmaal betreft het een geheel nieuw boek van Willem van den Hout zelf! Maar liefst 29 jaar na zijn dood slaagt de oude schavuit er nog steeds in om nieuwe boeken van zijn hand te laten uitgeven; daar slagen alleen de allergrootste schrijvers in. En Willem wás een van die allergrootsten. Je zou zomaar een biografie aan de man kunnen wijden...
Dat laatste is inderdaad iets waarmee ons redactielid Roger Schenk zich bezighoudt. Bij Bob Evers-fans was natuurlijk al langer bekend dat Willem in zijn jonge jaren een tijdlang de puzzelrubriek van Noordbrabantsch Dagblad Het Huisgezin verzorgde. Wijlen Johan van der Ploeg ontdekte echter dat Willem vanaf 1932 ook een aantal korte verhalen voor die krant heeft geschreven; Johans opvolger als biograaf Roger ontdekte vervolgens nog veel meer korte verhalen, o.a. een serie van 41 verhalen waarin Willem zelf een van de hoofdrollen vertolkt: samen met twee vrienden beleeft Wim Menzies (=Willem van den Hout) allerlei merkwaardige avonturen in en om Den Bosch. Qua thematiek mogen wij deze quasi-autobiografische belevenissen beschouwen als (geslaagde) vingeroefeningen voor „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?”. Roger heeft de verhalen gebundeld, er een uitgebreid voorwoord aan toegevoegd en De Leeskamer bereid gevonden ze als boek uit te geven. Wie de humor in „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?” kan waarderen, moet deze verhalenbundel, die van Roger de titel „Drie kwajongens op zwart zaad” meekreeg, zeker bestellen. Voor de prijs hoeft eigenlijk niemand dat te laten: De Leeskamer is bereid om het boek, maar liefst 288 pagina’s dik en voorzien van 67 afbeeldingen, voor minder dan twee tientjes bij u thuis op de deurmat te deponeren!
Bestellen kan via deze link.
Op pagina 2 van het lijvige boekwerk lezen wij tot onze blijde verrassing dat De Leeskamer een herdruk van Marie-José van den Houts „Passie in Parijs” voorbereidt! De uitgever laat echter weten dat hij alleen bij voldoende belangstelling overgaat tot een dergelijke actie, dus: mocht je belangstelling hebben voor dit bijzondere collector’s item, maak dat dan even kenbaar aan info@leeskamer.nl, wil je? Willem van den Hout, „Drie kwajongens op zwart zaad”, De Leeskamer, 2014. ISBN: 9789086060405.

Nog meer bewegende beelden van Willem W. Waterman ontdekt!

De gemiddelde Bob Evers-fan weet dat het getal drie een belangrijke rol speelt binnen deze passie: drie jongens - inmiddels zijn daar drie kwajongens aan toegevoegd -, de serie bestaat voor een niet onaanzienlijk deel uit trilogieën, de bij voorkeur gebruikte initialen van de schrijver bestaan uit drie W’s, enz.. Zo valt ook het leven van de gemiddelde Willem W. Waterman-fan uiteen in drie delen: de periode vóór augustus 2004, toen men dacht dat er alleen wat foto’s en geluidsopnamen van Willem bestonden, maar géén bewegende beelden. De tweede fase begon met Nieuwsbrief 25, waarin toenmalig redacteur Simon Kuipers het bestaan van maar liefst negentien seconden bewegend beeld van Willem wereldkundig maakte. En vanaf juli 2014 treedt de derde en laatste fase in: het besef dat er beduidend méér dan die 19 seconden bewegend beeld bestaan!
Vrijwel gelijktijdig, maar geheel onafhankelijk van elkaar, deden Bert Meppelink en Lex Verhoeven, twee gedreven Bob Evers-fans, de meer dan spectaculaire ontdekking dat er nog ergens een klein kwartier film bestaat, waarin Willem W. Waterman een prominente rol vervult. Het gaat om de film „The bare facts” van de vorig jaar overleden regisseur Izzy Abrahami; de opname van deze korte film, in de studio van Matthijs Schrofer aan de Lijnbaansstraat in Amsterdam, is een verhaal apart, waarover Willem later met smaak verhaalde in Candy nr. 75 (pp. 72-76). Voor een beter begrip met betrekking tot het ontstaan van deze film heeft de redactie van de Nieuwsbrief besloten om bij wijze van uitzondering eenmaal een tekst uit Candy te publiceren. Een kleine waarschuwing is hier echter op z’n plaats: zowel het verhaal als de film is niet geschikt voor jeugdige kijkers.
De film is te vinden op de website van Erga Netz, Izzy Abrahami’s zakelijk partner. Willem W. Waterman speelt als oudere heer de verteller, die de wereld om hem heen bekijkt met en zonder bril; met bril ziet hij alles naakt en puur („the bare facts”), zonder bril is iedereen aangekleed.
Op de pagina van Erga Netz vinden we ook de mogelijkheid om een donatie te doen teneinde het archief van Izzzy Abrahami in stand te houden; wie geen uitgesproken Jan Prins is, make gebruik van deze mogelijkheid.

Behalve aandacht voor nieuwe uitgaven van allerlei aard is er in deze Nieuwsbrief ook aandacht voor twee oudere, maar helaas nooit opgemerkte werkjes van Willem van den Hout en Flip van der Burgt; de redactie heeft twee verhalen van Willem aan de vergetelheid ontrukt, we volgen speurtochten van John Beringen naar overeenkomsten met andere beroemde schrijvers en van Roger Schenk naar het onbewoonde eiland van Jan, Bob en Arie; de foto-rubriek is ditmaal van niemand minder dan Lia Krijnen (welbekend van de prachtige voorplaten van de delen 51 en verder); de Watermannelijke woningen zijn alweer toe aan de tweede aflevering en een mailtje van Chiel Stenvert - inderdaad, ja: die van De Eekhoorn - zorgde ten burele van de redactie voor stennis en opwinding en naar alle verwachting ook bij de lezers in de huiskamers. De gastcolumn is van Paul Stenvert (geen familie) en Jan Hulshof, de winnaar van de Nieuwjaarspuzzel, nam revanche door zelf een nieuwe puzzel te ontwerpen en als uitsmijter (ros, natuurlijk: dat zijn ze altijd) is er een nieuwe, verrassende aflevering van „Onder het vergrootglas” van Onze Man op Sicilië.

2015 is door de redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief uitgeroepen tot Willem W. Waterman-jaar. Wie in dat bij voorbaat reeds gedenkwaardige jaar in de Nieuwsbrief vereeuwigd wenst te worden, sture haar/zijn kopij uiterlijk één maand voor aanvang van dat jaar naar: nieuwsbrief@apriana.nl.





Uiterst aantrekkelijk aanbod van een uitgever
Roger Schenk

Zoals wij sinds Nieuwsbrief 38 weten, werd Weton-Wesgram Holding B.V. te Oud-Beijerland op 3 januari 2012 failliet verklaard. Weton-Wesgram had op 11 januari 1999 Uitgeverij De Eekhoorn overgenomen. Na het faillissement van Uitgevers Maatschappij De Eekhoorn B.V. op 13 december 2011 zijn de uitgaverechten automatisch van de ons zo na aan het hart liggende Bob Evers-serie weer bij M.G. Stenvert terug gekomen.
De heer Stenvert wordt zo langzamerhand een dagje ouder en de doorstart van
De Eekhoorn is geen succes gebleken. De vraag is gerechtigd: wat gaat er verder met de auteursrechten gebeuren? Zoals de heer Stenvert terecht opmerkte: „De boel dood laten bloeden is ten opzichte van de echte Bob Evers-liefhebbers niet gepast.” Dat klinkt ons als muziek van het Dutch Swing College in de oren. Maar dat doodbloeden komt akelig dichtbij als de heer Stenvert mocht besluiten de rechten ritueel te verbranden of door te verkopen aan een derde partij.
Tenzij... wij, de die hard-fans, die derde partij vormen!
De heer Stenvert biedt ons thans een unieke kans om de auteursrechten van de delen 1 t/m 32 aan te schaffen. Ter vergelijking: het laatste deel - waarvan de auteursrechten overigens bij Peter de Zwaan liggen - heeft (via allerlei ingewikkelde berekeningen, die ik jullie met alle soorten van genoegen wil besparen) een marktwaarde van € 2820,- (excl. BTW). De delen ervoor hebben, mede dankzij een hogere oplage en betere reclame, een aanzienlijk hogere marktwaarde. De heer Stenvert is echter bereid om de auteursrechten, gebruiksrechten plus beeldrechten voor de somma van € 2500,- (eveneens excl. BTW) per deel van de hand te doen aan de echte fans.
Nou wil het toeval dat ik geen € 80.000,- euro in een ouwe sok heb liggen; en ik durf er ‘balkenbrij” op te zeggen dat de lezers van de Nieuwsbrief dat ook niet hebben. Om te voorkomen dat we deze unieke kans voorbij laten gaan, is het misschien mogelijk om een stichting op te richten, waarbij iedereen een bedrag inlegt, zodat wij gezamenlijk, via crowdfunding, die auteursrechten kunnen aanschaffen. Denk eens aan de mogelijkheden! Er is ooit een begin gemaakt met een serie strips! Zojuist is het allereerste Bob Evers-luisterboek verschenen! Een uitgeverij heeft zich reeds bij de heer Stenvert gemeld om de eerste drie delen van de serie opnieuw uit te geven! Media, die door sommigen nog steeds „nieuwe media” worden genoemd, hebben ons reeds het fenomeen epub opgeleverd, alleen nog geen legale Bob Evers-epubs! Mijn kristallen bol gaf evenmin als mijn koffiedik antwoord op de vraag wat nóg nieuwere media in de nabije toekomst allemaal kunnen betekenen voor de revival van Bob Evers-uitgaven! Wij, de op te richten stichting, kunnen dit niet alleen mogelijk maken, maar ook nog eens de revenuen opstrijken! Op de achtergrond zie ik Jan Prins bemoedigend knikken!
De heer Stenvert speelt open kaart en laat weten dat het merkrechtBob Evers’ en eventuele filmrechten nog steeds in handen zijn van M. Stenvert & Zoon Beheer B.V. (zie hier), dus de op te richten stichting kan alleen in goed overleg met iemand van Stenvert Beheer eventuele nieuwe Bob Evers-delen uitgeven, maar een mens weet nooit wat de toekomst zal brengen, zelfs niet als ze als waarzegster op een Trinidadse kermis staat. Deze constructie klinkt wellicht wat omslachtig, maar persoonlijk denk ik, dat het vetorecht van M. Stenvert & Zoon Beheer B.V. ons in elk geval een kwaliteitswaarborg garandeert: Bob Evers was en is een ijzersterk merk en het is in ons aller belang om dat zo te houden. De auteursrechten van de delen 33 en verder zijn ook geen onderdeel van de deal, want die berusten bij M. Stenvert & Zoon Beheer B.V. en Peter de Zwaan; datzelfde geldt voor de auteursrechten op Wanda Moens, Otto Onge, „De slag om Arnhem”, enz., want die rechten zijn teruggevallen aan de erven Van den Hout.
Wie na ampel beraad (van dat hééle ampele, weet je niet?) besloten heeft om mee te doen met deze op te richten stichting (of wellicht nog geheel andere plannen heeft teneinde de auteursrechten in handen te krijgen), sture een mailtje met die plannen naar nieuwsbrief@apriana.nl.





Het maken van de eerste Nederlandse porno-film
Willem W. Waterman

Zoals heel wat Candy-lezers zullen weten, ben ik (WWW) boekenschrijver van beroep. Maar wel van een speciaal ras. Ik kan héél moeilijk door mijn nekharen lullen, waarmee ik wil zeggen dat ik niet kan en wil schrijven over zaken waar ik persoonlijk nooit iets van heb meegemaakt. Ik ben dus van nature gedwongen, van alles te beleven en overal mijn neus in te steken. Dus mijn tijd tussen het ene boek en het andere vul ik het liefst met mijn buitenissige evenementen. Welnu:
In het jaar dat Phil Bloom de Nederlandse sex-revolutie inleidde door op het VPRO TV-scherm haar persoonlijke bloesem aan den volke te onthullen voer ik onder een ouwe zeilpet op een negen meter lange sloep de Hollandse wateren rond, met aan boord als meisje loos de bloedfraaie Sylvia Quiël, die vastberaden van plan was om op mij, als mannelijk model, portretschilderen te leren. Het geen haar overtuigend gelukt is.
En dáár begint mijn waar verhaal. Ietwat pikanter dan het gezever van Henk van der Keukenmeyden.


IZZY ABRAHAMI HEEFT EEN PLAN!
Ik zat in het café van de oude walvisvaarder Klaas Balk, op de plek waar de Ringvaart uitmondt in de Nieuwemeer en bedacht ineens, dat ik Flip van der Burgt moest opbellen, om te vernemen hoe het met de Revolutie stond. (Dat waren de PROVO-tijden, weet je nog?) Ik kreeg zijn wonderschone vrouw aan de telefoon: Adik, door mij beurtelings genoemd: „De Panterkat” of „Madame Nuh”.
„Willem!” zei zij, met zachtgevooisde nadruk. „Er zit hier iemand die overal naar je op zoek is geweest.”
„O”, zei ik, wat beducht. „Heb ik me weer eens misdragen?”
„Neenee,” zei Adik. „Althans niet dat ik weet. Maar het schijnt de bedoeling te zijn, dat je je gáát misdragen. Het is Izzy Abrahami.”
„Verrek!” zei ik. „Ik dacht dat die in Israël zat.”
„Zat-ie ook een tijd,” zei Adik. „Maar hij is naar Amsterdam gekomen via New York en hij heeft een Filmplan. Hier komt-ie.”
En toen kreeg ik Izzy aan de lijn: „Willem! You bastord! Where are you?”
„Ik zit in een kroeg, man. Met kraandrijvers, een paar ingenieurs van Fokker en wat wilde boere-dochters uit de Haarlemmermeer.”
„Kun je hiernaartoe komen?”
„Jawel, maar waarvoor? Drank hebben ze hier óók.”
„Ik ga een serie sexfilms maken in kleuren, met jou in de hoofdrol.”
„Praat geen barre wartaal, Izzy!” zei ik. „Daar ben ik toch zeker veuls en véúls te oud voor. Daar moet je zo’n jonge, ferme stoere...”
„Nonono,” zei Izzy. „Dat moet juist niet. Ik heb het hele scenario om jou heen geschreven.”
Zoiets maakt de mens nieuwsgierig. Wees redelijk, beste lezer: zoiets zou ook U nieuwsgierig hebben gemaakt.
„Verdien ik er wat mee?” vroeg ik. (Ko van Dijk zegt in zo’n geval: „Wat schuift het?”)
„Oh, yes. I’ll pay you.” Dat maakte het verhaal nog véél indringender, want ik had de slimme Izzy nog nooit iets of iemand zien betalen.
„Ik kom met de boot door de grachten heen,” beloofde ik. „Ik ben op de Leliegracht bij jullie zo tegen achten.”

HET GENIALE SCENARIO VAN IZZY
Er stond daar op de Leliegracht een enorme hoop Pernod en whisky om de Revolutie te helpen uitbotten, maar tussen de geleende kreten van Marx en Marcuse heen tierde Izzy me een werkelijk geniaal idee in het oor: „Jij bent een oude, wijze en wat cynische man,” begon hij.„Die het allemaal wel gezien en doorschouwd heeft. Dat past helemaal bij jouw type. Je draagt dan ook een pince-nez: zo’n knijpbrilletje, weet je niet? Als je gekleed bent, draag je een gewoon recht pak met das en een wandelstok.”
„Grijs flanel en wandelstok met zilveren knop?”
„Precies, old boy. Exact!”
„Heb ik thuis in de mottenballen hangen.”
„Nou, kijk. Ik wil demonstreren dat de hele wereld uit nèp bestaat. Allemaal Komedie.”
„Moet dat dan nog gedemonstréérd worden?” riep ik uit.
„Oh, sure!” zei Izzy. „Men gelooft nog veel te veel in morele en politieke bullshit. Dat ga ik doorprikken. Ik heb een heel stel mooie meiden en knappe knapen al geregeld. Nou gaat het zo: als jij dat knijpbrilletje AF hebt, en je kijkt gewoon rond, zie je alle medespelers gewoon gekleed. Maar zogauw je dat magische brilletje OP zet, staat alles en iedereen spierpoedelnaakt en kijk je dwars door alle nep heen. Jijzelf staat dan óók naakt.”
„Ja, dat moet wel,” zei ik bedenkelijk. „Maar denk je dat het publiek dat tegen-de-borst-stuitend tafereel overleeft? Met een schipperstrui aan en een zeilpet op heb ik nog wel iets schilderachtigs, maar...”
„Laat dát nou maar aan mij ter beoordeling over,” zei Izzy. „Ik verkoop het wel.”
„Nouja,” zei ik. „Dat is jouw pakkie-an. Maar ik wil dat wel eens meemaken. Waar wordt dat produkt opgenomen?”
„In de studio van Matthijs Schrofer. Hier vlakbij in de Lijnbaansstraat.”

IZZY EN DE DUBBELE BODEMS
Nu heb ik als regie-assistent gewerkt bij BIG CITY BLUES van Charles Huguenot van der Linden en ook zélf twee 16mm documentaires vervaardigd. Ik had dies het vage idee, dat ik een hoop meer van de praktijk van geluidsfilmen af wist dan Izzy. Maar dat maakte het allemaal maar spannender, natuurlijk. Bovendien was ik hoogst benieuwd, wat voor soort vreemd puin aan vrouwvolk onze Izzy voor de Eerste Officiële Nederlandse Sexfilm had weten te strikken. Want dat het zoniet een sexfilm, dan toch minstens een pornofilm moest gaan worden, bleek al heel rap. In die tijd ging in New York het gerucht (en dat was toen nog wáár ook - zo snel veranderen de zeden op dat gebied) dat je in Wild Amsterdam héél wat meer kon en mocht dan in de USA.
Nu wilde onze Izzy binnen het intellectuele raamwerk van zijn scenario gewoon wat rauw geneuk opnemen. Dat ging dan zo: hij had een twee centimeter dikke plaat perspex (glasplastic) besteld van twee bij één meter. Die zou op schragen worden gelegd, en daarbovenop zou dan een paartje gaan liggen kozen en vozen, terwijl de cameraman er op de rug onder lag om het allemaal in haarfijne close-ups te registreren. Maar die scènes zouden stiekem later in de film worden ingelast, want de rest van de „acteurs” waren keurige meisjes-studenten met wat progressieve denkbeelden. Die wilden dan wel netjes naakt met gesloten dijbeentjes op de film, maar knoeien en rotzooien was er voor hen niet bij. Ik hoefde dat gelukkig zelf óók niet. Ik hoefde alleen maar cynisch en wereldwijs naakt rond te stappen met stok plus zilveren knop en knijpbrilletje.

DE ACTEURS MAKEN MET ELKAAR KENNIS
Drie dagen later was (zoals dat heette in de schoolopstellen) de lang verwachte dag aangebroken. Om elf uur in de ochtend liep de studio van Matthijs vol met cameralieden, kabelvolk, lampenisten en een verbluffend stel mooie meiden. Pláátjes van meiden, gewoon. En het meest indrukwekkende was, dat de drie top-prijs-poezen bestonden uit een échte rooie, een échte brunette en een échte blondine. Met figuurtjes en smoeltjes om op bonbondozen te plakken, ook nog! Hetgeen alweer bewijst, dat juist mooie meiden elk redelijk excuus aangrijpen om al hun kleren uit te flikkeren en zich te laten bekijken.
„All we all here?” brulde Izzy, die zich al de stijl had aangemeten van een kruising tussen Andy Warhol en Sam Goldwyn. „Nu krijgen we allemaal koffie en trekt iedereen zijn kleren uit. We moeten eerst naakt aan elkaar wennen.”
Nouja, dat gold alleen maar voor de acteurs. Ik zat me, wat bibberend vanwege de kilte in de studio en slurpend aan hete koffie, af te vragen wie van dat prachtige stel toverkutjes zich boven op die plaat perspex moest laten prijsneuken, toen tot mijn verbazing Saskia Holleman kwam binnendraven. Te laat, zoals gewoonlijk. Voor wie Saskia Hollemans naam niet kent: zij is een beroepsactrice en zij was het welgevormde meisje dat met prachtige naakte tieten bij een koe destijds op dat verkiezingsaffiche stond. Weet u nog? Uit enkele opmerkingen van Izzy drong het tot mij door, dat het onze Saskia was, die min of meer heftig bewegend later in het geheel zou worden ingelast - uit alle kompasrichtingen gefilmd. Hetgeen mij één vraag open liet: welke knaap dat fokwerk zou moeten verrichten. Wantte.. het is één ding om een zo'n mooi en sexy ding als Saskia in een bad van het Hilton Hotel onder handen te nemen, maar toch wel iets heel anders om datzelfde te doen, omringd door meesmuilende lampenisten, camera-assistenten en microfoonbengels met microfoon-hengels.
Dáárvoor bleek beschikbaar een welgebouwde, om en bij de 25 jaar jonge en knap uitziende knaap. Nou krijgt niemand een stijve lul als je naakt met elkaar rondom een stel tafels koffie zit te drinken, je geestelijk preparerend op een film. Maar er is echt wel een logische verhouding tussen de lengte van de penis (slap) en de lengte (stijf). En dat was bij deze knaap wel normaal in orde, leek me. Naast me hoorde ik Izzy gedempt aan hem vragen: „Say man - je hebt toch geen moeite om het stijf te krijgen en te houwen als er een filmploeg om je heen staat, hè?”
„Oh, nee hoor!” verzekerde onze fokkert. „Geen centje last.”
„Laten we dan beginnen!” zei Izzy. „Lampen! Geluid...!”

ALLES MAAR DAN OOK ALLES GAAT MIS
Izzy Abrahami had zichzelf (dat bleek al heel snel) tot wonderknaap, van het Internationale Filmwezen benoemd. Nou - wonderen had hij wel nodig, want het zou een geluidsfilm worden, maar hij werkte met een doodgewone bandrecorder en een statiefmicrofoon. En dat in een holle studioruimte waar alles daverde en galmde, terwijl de acteurs soms één meter en soms tien meter van die microfoon af stonden. Maar ja - dat waren mijn zaken niet en als iedereen zich ermee gaat bemoeien is het helemáál geen werken. Ik trachtte in de koffiepauze nog met enige olifant-achtige tact erop te wijzen, dat een microfoon aan bepaalde technische wetten gehoorzaamt en dat een bandrecorder niet lipsynchroon loopt met een stomme camera, maar dat was volgens Izzy ouderwetse muggezifterij, waar een Progressief Genie zich niet mee op hoefde te houwen.
Vervolgens bleek, dat Izzy zelfs zo’n genie was, dat hij helemaal geen draaiboek gebruikte. Zoiets kán. Ik heb dat zelf gedaan bij een documentaire van drie kwartier. Maar een documentaire kun je later voorzien van muziek en gesproken tekst... en bovendien moest álles, maar dan ook álles hier precies kloppen en sluiten. Denk je eens eventjes in, beste lezer. De acteurs stonden op seconde A aangekleed door de hele studio verspreid... Midden in een scéne werden alle kleren uitgegooid... waarna de film opnieuw begon te lopen MET ALLE PERSONEN OP DEZELFDE PLAATS EN IN DEZELFDE HOUDING, maar spiernaakt. Een klus, waar ze zelfs in Hollywood nog bij moeten nadenken. Maar Izzy schudde dat allemaal uit zijn mouw. Het ergste was nog, dat er in die film ludiek gedanst moest worden in een studentikoze ruimte vol affiches van Che Guevara en Lenin, met beurtelings kleren áán en uit... maar wél precies op de maat van de Rolling Stones. Voorts kwamen er nog woeste revolutionaire speeches in voor van een Intellectueel Leider, staande op een tafel... ook al weer naakt en gekleed. Maar... er was niet eens uitgetypte dialoog. Dus na de eerste opnamedag zat ik bij Flip van der Burgt thuis Hollandse dialoog te schrijven, benevens revolutionaire redevoeringen waar ik het helemáál niet mee eens was. Maar ja - daar ben je schrijvert voor, nietwaar? Izzy’s mooie vrouw Rifka hield alles goed in de gaten vanuit een hoekje... mogelijk om te zorgen dat Izzy zijn handjes thuis hield. Schrofers mooie vrouw zorgde voor koffie en broodjes. Matthijs zelf zorgde voor het geld, want zoals gewoonlijk kon Izzy daar niet aan beginnen.
Na drie dagen waren de massa-scènes gereed en werd alles de studio uitgeveegd omdat men zich nu intens zou gaan bezig houden met de sextoeren van Saskia en haar partner op de transparante plaat.

DE FOKSTIER BLIJKT IMPOTENT!
Ik bleef wat op kantoor rondhangen met een boekje van de Olympia Press, maar na enige tijd ontstond er wat heen-en-weer geloop. Tot de assistent-cameraman mij inlichtte: de cameraman lag ruggelings gereed en ook Saskia lag gereed, maar de penis wilde niet rijzen. Tja... die dingen kunnen voorkomen. Saskia kneedde wat aan de ballen en sjorde wat aan de penis, tot alles functie-gereed leek en het geval naar binnen gleed... Maar als de camera begon te snorren, dan liet de penis het ineens afweten en glibberde weer naar buiten. Nouja - ook dát waren mijn zaken niet. Toen ik het boekje van de Olympia Press uit had, vroeg ik aan Matthijs mijn geld, wat hij me (correct als hij is) netjes uitbetaalde. Ik ging terug naar mijn sloep en voer door de Schinkel terug naar de Zuid-Hollandse plassen. En daar had dit verhaal natuurlijk mee af kunnen zijn. Zelfs af móéten zijn. Ik zat weer lekker aan het roer met alleen een shirtje aan en werd bruiner en bruiner. Het was een verrekte mooie maand toen, dat staat vast.
Maar een dag of tien later begonnen berichten met te bereiken. Izzy en Matthijs hadden me doodsdringend nodig. Ik kreeg hen te pakken.
„William!” kreet Izzy. „Enkele opnames moeten geheel opnieuw. Daar komen we niet onderuit.”
„Kom nou,” zei ik. „Ik ben hier lekker aan het spelevaren met mijn zeemeermin Sylvia, en je kúnt me verder wat.”
„Ik zal je er extra voor betalen, man! En jij als ouwe vriend kunt me niet zomaar in de steek laten.”
„Moeten die meiden dan óók weer opnieuw komen?”
„Ja, allicht. Een paar hele scènes moeten totaal opnieuw.”
„Nou, vooruit dan maar.”

VAN TOP TOT TEEN BIJGESCHMINKT
Die avond om elf uur parkeerde ik mijn schip in de Lijnbaansgracht tegenover het politiebureau. De volgende morgen om tien uur wandelde ik de paar honderd meter naar Schrofers studio. De hele naaktmeute zat daar al bijeen. Toen deed ik mijn kleren uit en iedereen kreeg zowat een hartverlamming. Ik zei toch, dat het een kleurenfilm was? Nou - ik zat des zomers, met alleen een shortje aan op die sloep. Bij de eerste opnames had ik een regenachtige periode achter de rug en alleen mijn bilpartij was toen een beetje met schmink bijgekleurd. Maar na die paar weken zon was ik zo bruin als een noot. Nou kun je, na het opzetten van een knijpbrilletjes wél cynisch door alle nep heenkijken en ineens alles naakt zien. Maar het is verrekte lastig om het publiek duidelijk te maken, waarom de oude, wijze man zonder aanwijsbare reden als een kameleon van tint verandert. Er was maar één wanhopige oplossing, en die dan ook maar toegepast: twee jongelieden (waarbij een overtuigde poot) plus de lieve Rifka begonnen aan de schier bovenmenselijke taak, mij van top tot teen bij te werken. Ik geloof, dat ze er bijna vier uur mee bezig zijn geweest. En intussen hebben ze alles op me uitgeprobeerd, wat er ooit op een menselijke huid kan zijn gesmeerd: vanaf Max Factor tot en met varkensreuzel en nachtcrème. Weet je waar ze het uiteindelijk mee gedaan hebben? Tot crème-tint gemengde muurverf op waterbasis. En daar moest ik verrekte mee uitkijken, want als ik te veel boog of draaide, barstte die rotverf er in schilfers af.

DE PREMIÈRE
Twee volle maanden later belde Flip van der Burgt me op: „Willem! Izzy draait vanmiddag die film met jou en Saskia in Premiére. Dat MOET ik zien!”
„Waarom heeft niemand MIJ dat laten weten?”
„Geen enkele van de acteurs is uitgenodigd.”
„Maar wie dan wél?”
„Erik de Vries van de Televisie.”
Dáár stond ik paf van. Ik heb zelf met Erik bij Philips gezeten en hij is op het ogenblik God de Vader zelf bij de televisie. Hoe had Izzy dát nou weer geritseld gekregen?
Mensen - ik heb van mijn leven niet zó iets mallotigs op een filmscherm zien vertonen. Met die vlekkerige en afschilferende verf op mijn bast zag ik er de helft van de scènes uit: niet als een Oude, Wijze Kater, maar als een mottige jaguar. Van de geluidsband was geen stom woord te verstaan en op de momenten dat de acteurs moesten overgaan van naakt op gekleed, en omgekeerd, versprongen ze soms wel een halve meter van positie.
Die film moet nog ergens in een archief liggen. Die is een kapitaal waard als curiositeit. Misschien wel een aardig bruidsgeschenk voor Saskia als ze nog ooit een rijke man trouwt.





Recensie van deel 53: Een cover met een nep-Elvis
Schout-bij-kunstlicht Spook


Zelden in de geschiedenis van Bob Evers heeft een trilogie zo lang op haar voltooiing moeten wachten als nu: op 1 oktober 2008 verscheen op
Peter de Zwaans homepage het eerste hoofdstuk van het feuilleton „Clandestiene streken op een cruiseschip” en in april 2014 verscheen „Glorierijke missers in La Gloria”. In de wereld van 2014, vol Snowdens en Zuckerbergen, krijgen wij steeds meer openheid en inzicht in van alles en nog wat, ook in het creatieve denkproces van onze geliefde schrijver. Naar verluidt presenteerde De Zwaan reeds een half jaar geleden een voorzijde van het nieuwe deel 53, waarop een nep-Elvis prominent aanwezig was. Na klachten van de fans op de Bob Evers Mailinglist of de Bob Evers-groep op Facebook (welke van de twee weet ik helaas niet meer, want uw trouwe schout-bij-kunstlicht is met enige regelmaat actief op enkele van de zeven zeeën waar internetverkeer niet mogelijk is) is de nep-Elvis ietwat naar de achtergrond verdrongen. Daaraan kun je zien dat het inderdaad om een nep-Elvis gaat, want de echte Elvis laat zich zelfs 37 jaar na zijn dood natuurlijk niet naar de achtergrond verdringen, maar dit terzijde.
Het nieuwe deeltje, de vierde uitgave van Uitgverij Zwarte Zwaan, verscheen dus in april 2014 en na een eerste, ademloze lezing, mag ik namens alle fans, denk ik, zeggen dat dit het wachten meer dan waard was!
Wij ijzervreters van de oude stempel gaan natuurlijk niet over één nacht ijs, dus sinds het verschijnen heb ik het boek nog tweemaal van kaft tot kaft gelezen, zodat ik in staat ben om voor de Bob Evers Nieuwsbrief een weloverwogen recensie te schrijven.
Jan, Bob en Arie waren aan het eind van „Prijsschieten op een premiejager” weer met elkaar verenigd, maar zijn het spoor van de familie Rivas grondig bijster. Vlak voor Arie bevrijd werd, heeft een Rivastelg hem verteld dat de familie oorspronkelijk uit de plaats La Gloria komt, maar net op het moment dat hij zou onthullen welk La Gloria hij bedoelt, stappen Jan en Bob binnen. In een internetcafé - ja, ja, twee van de drie „HBS-bengels” van weleer gaan met hun tijd mee! Arie fantaseert te graag om internet nodig te hebben, aldus de jeugdige Amerikaan - ontdekt Bob al snel dat elke zichzelf respecterende staat van Mexico minimaal één plaats heeft die La Gloria heet, maar welke van al die plaatsen is nou de juiste? Omdat het cruisschip „SeaRose” o.a. zal aanleggen bij het eiland Cozumel in de staat Quintana Roo, gokt Bob dat het gehucht La Gloria op het vasteland in diezelfde staat het juiste La Gloria zal zijn. En die gok blijkt merkwaardig juist, al valt La Gloria zelf nogal tegen: enkele barakken en huizen in een stuk jungle. Maar ze hebben er wel London Tonic en dat is het voor het eerst in twintig delen van deze serie die de naam London Tonic beroemd heeft gemaakt! Pure Nostalgie!
Iets minder nostalgisch is de aanwezigheid van premiejager Bruce Jonaths, die de drie jongens niet op een eerlijke, ouderwetse manier heeft gevolgd door gebruik te maken van huurauto’s en door onderweg driemaal van taxi te verwisselen, maar door middel van een tracker. Ook is er een ouderwets feest, compleet met nep-Elvis, nep-Shrek en nep-Charlie Chaplin, dat zoals te doen gebruikelijk bij Peter de Zwaan ontaardt in een vechtpartij, waar de drie jongens echter nauwelijks iets mee te maken hebben; in de verwarring die ontstaat, schiet Jan per ongeluk een kogel in een doos met vuurwerk en iedereen snapt het al: voor de derde maal in zijn carrière schrijft Enschedeër De Zwaan over een vuurwerkramp. Huiskamervraag: in welke twee boeken deed hij dat eerder?
Arie ontdekt in het tumult Cristina Rivas en weet haar te volgen tot in het ruïnecomplex van Tulum. Bob toont zich een waardig leerling van de „Hogeschool der Inbrekerij” van Masters („Dollarjacht”) en breekt in in Cristina’s bungalow in Playa del Carmen; daar ontdekt hij een spoor dat leidt naar Chetumal, vlak bij de grens met Belize, alwaar de ontknoping plaatsvindt. Die ontknoping gebeurt d.m.v. een slim trucje van Jan, die daarbij behalve 13.000 dollar van de inmiddels bevrijde Bruce Jonaths ook nog eens 1000 dollar incasseert van zijn slachtoffer, Antonio Rivas, en ditmaal eens niet met veel spectaculaire acties, knallen en klappen. Dat mag voor veel lezers wellicht enigszins teleurstellend zijn, maar er wordt in de rest van het boek al zoveel geknald en geklapt, dat ook de meest sensatiebeluste lezer ruimschoots aan zijn of haar trekken komt!






Wie zei dat je in dezen tijd geen „nieuwe” boeken van WWW kon vinden?
Roger Schenk

In „Het maken van de eerste Nederlandse porno-film” hierboven wordt de naam Flip van der Burgt genoemd. Zegt deze naam u nog iets?
Juist: een Bossche kunstenaar, in 1977 op veertigjarige leeftijd overleden en bij „ons soort mensen” het meest vermaard om zijn samenwerking met de in 1985 op negenenzestigjarige leeftijd overleden Bossche schrijver Willem W. Waterman. De samenwerking tussen dit voornamelijk in Amsterdam opererende duo resulteerde in 1970 in het „sous-realistische proefstuk in klankkleur, ritme en plastiek” „De Roof van de Sabijnse Maagden” (Keurboekerij, Amsterdam, 1970; heruitgave Bosbespers, Oosterbeek, 1985).
Wie nu echter denkt dat de samenwerking tussen Willem en Flip tot deze ene uitgave beperkt bleef, komt bedrogen uit.

Reeds in 1965 verscheen bij Graphil te Amsterdam - een door Flip van der Burgt zelf opgerichte „organisatie die op geëngageerde wijze exposities, discussies, acties en boekuitgaven verzorgde” - het boek „Bijbel Zwart/Wit”. Dit is een verzameling van 107 houtsneden van Flip van der Burgt (om precies te zijn: 56 oudtestamentische en 51 nieuwtestamentische themata); bij het boek werd een inlegvel geleverd, met 107 bij de houtsneden behorende, eenregelige Nederlandse teksten van Koos van Doorne (1908 - 1984) en evenzovele Engelstalige teksten van Willem van den Hout (zoals de man bij de Burgerlijke Stand bekend stond); de Nederlandse en Engelse teksten ontstonden onafhankelijk van elkaar en zijn geen vertalingen. In 1966 volgde een ongewijzigde herdruk; de derde druk werd in 1978 postuum uitgegeven door Flips eega Adik. In deze laatste druk is het inlegvel in het boekblok zelf opgenomen. Driemaal is het boek dus uitgegeven, driemaal is het blijkbaar - tot nu toe - aan de aandacht van Bob Evers-fans en -kenners ontsnapt!
Acht jaar na Flip van der Burgts overlijden werden dezelfde 107 houtsneden opnieuw in boekvorm uitgegeven, nu echter onder de titel „Allemaal mensen in de bijbel” (Bosch & Keuning NV). Ditmaal zorgde de predikant Hans Bouma (geb. 1941) voor 107 begeleidende tekstuele bijdragen, zo’n dikke 200 woorden per houtsnede.
Een jaar na „Bijbel Zwart/Wit” verscheen bij datzelfde Graphil de tweede - en laatste - uitgave: „Kruisgang A.D. 1966”. Bij deze zestien als kruiswegstaties bedoelde houtsneden (waarom eigenlijk geen veertien, zoals bij een - sinds paus Clemens XII - klassieke kruisweg?) is de inbreng van Willem van den Hout aanmerkelijk groter: Willem leverde bij elke houtsnede een Engelstalig gedichtje van maximaal tien regels. Het boek is opgedragen aan „Het proces” van Franz Kafka en aan „Universal Soldier” van Buffy Sainte-Marie resp. Donovan, waarmee het boek meteen al gekwalificeerd kan worden als een typisch product van de jaren ’60: ogenschijnlijk gaat het om kruiswegstaties, maar er wordt in woord en beeld stevige kritiek geuit op bureaucratie - al schreef men dat toen in bepaalde kringen anders - en militarisme. Statie 1 draagt als titel: „In naam van het universele soldatendom: gearresteerd” en Willem schreef hierbij het gedicht:
                  most life is built on safe assumptions.
                  no one believes he can be shot
                  until
                  the unsespected trapdoor falls.
                  walled-in by bayonets
                  a different strength is needed.
                  where can it be got?

In 1984 gaf de Stichting Vrienden van Flip van der Burgt een mini-biografie van Flip van der Burgt uit, nogal toepasselijk getiteld „Flip van der Burgt 1927 - 1977”; de bekende journalist Wim Zaal schreef een biografische schets („Een omlijsting”), Nicole van der Schaaf presenteerde een overzicht van Van der Burgts werk. Fnuikend is de volkomen afwezigheid van Willem van den Hout in dat overzicht: de boeken „Bijbel Zwart/Wit” en „Kruisgang A.D. 1966” worden uitvoerig genoemd en geroemd, maar de schrijver(s) van de teksten in die boeken blijft/blijven onvermeld; „De Roof van de Sabijnse Maagden” schittert zelfs geheel door afwezigheid. In dat licht bezien is het after all toch niet zo heel raar, dat nooit iemand van „ons soort mensen” tot op heden aandacht heeft besteed aan de twee hierboven beschreven boekwerkjes.

De vondst van deze, tot nu toe onbekende boeken, in zo korte tijd, bracht Peter de Zwaan tot de verzuchting dat hij, wanneer hij Willems biograaf was, de bange droom zou hebben dat hij onmiddellijk na voltooiing van de biografie een telefoontje zou krijgen met de mededeling dat het belangrijkste boek („De hemel volgens Willem”, of iets dergelijks) geheel aan zijn aandacht was ontsnapt. Een reëel scenario; maar dat is nou eenmaal het risico van het vak. Hoeveel „nieuwe”, oude boeken zijn er niet ontdekt sinds het verschijnen van de Kleppemap III? En deze twee uitgaven van Flip van der Burgt en Willem van den Hout hebben we alvast, ruim vóór het verschijnen van de biografie, binnen!





Enkele foto’s uit La Crucecita & Tulum
Lia Krijnen

Deel zes in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
In tegenstelling tot Willy van der Heide documenteert
Peter de Zwaan zich het liefst ter plaatse, volkomen terecht, naar wij menen. Zijn vrouw Lia Krijnen en haar camera zijn daarbij zijn trouwe metgezellen. Lia verraste de redactie met onderstaande foto’s, zodat ook wij een vleugje couleur locale van twee plaatsen van handeling van de zojuist afgesloten trilogie („Clandestiene streken op een cruiseschip”, „Prijsschieten op een premiejager” en „Glorierijke missers in La Gloria”) kunnen opsnuiven.


Kaartje van Mexico.
De nummers 1 t/m 5 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.


Het centrale plein van La Crucecita, gezien vanaf het terras van „Restaurant La Estrella”, dat - zoals bijna alle cafés en restaurant van het plaatsje - rondom dit plein ligt. Volgens Jan Prins heeft deze ligging slechts twee nadelen: ten eerste natuurlijk de prijs, zoals wij ons wel kunnen voorstellen in zo’n toeristenval, en ten tweede de „garnering van koolmonoxide en roet” op je salade. Maar voor de rest hoor je de kolonelszoon echt niet zeuren... (1)



Jan, Bob en Arie vragen zich 25 bladzijden lang af wat een tapiceria toch kan zijn. Veelvraat Roos denkt natuurlijk meteen in termen van voedsel: een tapasbedrijf? („Prijsschieten op een premiejager”, p. 130). Het grappige is dat het antwoord dat Jan uiteindelijk vindt, ook te maken heeft met voedsel: omdat hij geen zin heeft in het voedsel dat het bij foto (1) genoemde restaurant verstrekt, koopt hij bij een stalletje één taco (vooral niet meer dan een, stel je voor!) en krijgt hij als gevolg van de aanwezige groene pepers dorst, zodat hij een zijstraatje inwandelt, op zoek naar een cola-automaat. De aandacht van de gemiddelde Bob Evers-fanaat zou meteen getrokken worden door de rood-gele gevel van „El Coyote”, links op de foto, maar Janneman Prins is natuurlijk allesbehalve gemiddeld: zijn aandacht gaat dus veeleer uit naar de blauwe letters tapiceria op de groene ondergrond: de sombere kleurencombinatie die Peter op p. 154 letterlijk beschrijft. (2)



Vóór rolronde Arie Roos het tempelcomplex van Tulum betreedt, ziet hij dezelfde hoge paal met touwen en linten eraan als Peter en ik. Toen de jongens ons later hun avonturen vertelden, vertelde Arie ons erbij dat de erfgenamen van de Maya’s alleen om twee en vijf uur op wonderbaarlijke wijze rond deze paal slingerden en als extraatje in het weekend om acht uur ’s avonds. Wij zijn Arie nog steeds dankbaar voor deze mededeling, want door rekening te houden met deze tijden zagen wij een onvergetelijk schouwspel dat hijzelf nooit heeft mogen aanschouwen. („Glorierijke missers in La Gloria”, pp. 105-106) (3)



Een ander, nog vele malen wonderlijker schouwspel hebben wij bij ons bezoek aan Tulum echter helaas gemist: namelijk hoe de sproetenkolos, gekleed in een sombrero en een uiteraard veel te kleine kinderponcho, langs deze ruïne rende. Hoewel wij mensen zelden of nooit op hun uiterlijkheden plegen te beoordelen, zouden we Arie op dat moment gegarandeerd voor de 782.613e keer in zijn leven hebben uitgelachen. Naast de ruïne ontdekten wij in navolging van Arie echter wel het pad dat naar het vrijwel ongerepte stukje strand leidde. (4)



Het zien van dit vrijwel ongerepte stuk strand naast het tempelcomplex van Tulum brengt Arie in een filosofische bui: „Waarom maken een man en een vrouw een afspraak op een verlaten strand?” (De redactie van de Nieuwsbrief kan wel enkele antwoorden op deze vraag bedenken, maar die horen niet thuis in een Bob Evers-boek, Red.) en „Mexico heeft honderden kilometers kust en het stukje achter de ruïnes van Tulum behoorde zeker niet tot de slechtste. Het was alleen niet ingericht voor toeristen die zich behoorden te vergapen aan de overblijfselen uit de tijd van de Maya’s om daarna spoorslags terug te gaan naar hun appartement aan een strand vol tenten met drank, ijsjes en taco’s.” Deze laatste overpeinzing doet het donkerbruine vermoeden rijzen dat Arie toch iets meer belangstelling heeft voor de inwendige Roos dan voor archeologische toplocaties... (5)







De overeenkomst tussen Alfred Hitchcock, Edgar Wallace en Willy van der Heide
John Beringen

Onlangs herlas ik een paar BE’s; iets waar ik persoonlijk overigens nooit genoeg van krijg. Nou zijn er al haast bibliotheken vol geschreven over de vraag wat Bob Evers zo bijzonder maakt en dat levert een heel scala aan trefwoorden op. Men denke aan: de nodige grappen en grollen, spanning, hyperbolen, amusante overdrijving, hilarische gebeurtenissen, situatie-humor (zoals Willem het zelf ooit verwoordde), de wonderlijke figuren die zomaar ineens opduiken op uiterst ongelegen momenten en die men kan onderverdelen in excentriekelingen, uiterst domme personen, het soort mensen dat je als dorpsgek zou kunnen aanmerken... enzovoorts. Ik vermoed dat ik hiermee niets nieuws vertel.
Maar een geheel ander punt is de manier waarop Willem een BE-avontuur liet beginnen, in combinatie met de gave om de lezer op het verkeerde been te zetten en vooral de vragen te doen rijzen die uiteindelijk netjes beantwoord worden. Iedere lezer zal zich wellicht, bij de allereerste keer dat hij/zij de boeken las, die verwondering kunnen herinneren: „Wat zit er in vredesnaam in de dicht gesoldeerde stukken pijp die gesmokkeld worden?” „Wat is er met dat witte tonnetje en die varkensleren koffer aan de hand?” „Waarom worden er mensen op klaarlichte dag ontvoerd?” („Krakeel”). Als de nieuwsgierigheid goed geprikkeld wordt, blijf je gewoon doorlezen tot je op al die vragen het antwoord hebt.
Maar om terug te komen op de vraag hoe Willem een verhaal begint: eigenlijk had ik daar nooit echt bij stil gestaan, maar men kan hier twee manieren in bespeuren. De eerste methode bestaat uit de aanpak om een verhaal op gang te laten komen waarbij de lezer dan gewoon wel ziet wat er verder gebeurt. Voorbeelden: het Zuidzee-avontuur, de briefjesjacht en het spektakel in het toeristenhotel. Verreweg de meeste verhalen worden op deze manier „ingeleid”. Maar daarnaast zijn er verhalen aan te wijzen waarin de lezer ineens midden in een avontuur terecht komt dat zomaar uit de lucht komt vallen. Bijvoorbeeld zoals dat het geval is bij „Vreemd krakeel in Californië” (dat in dezen de kroon spant), „Arie Roos wordt geheim agent” en het avontuur rondom de valse dollars. Soms is een echte scheidslijn tussen de twee methodieken van de verschillende avonturen overigens niet echt scherp te trekken.
Ik noemde al „Vreemd krakeel in Californië”, één van de éénakters uit de serie. Dat verhaal heeft mij altijd op de één of andere manier bijzonder gefascineerd. Waarom? Wellicht is het een combinatie van factoren. Om te beginnen spreekt de locatie Hollywood, met alle gewichtigheid rondom de filmwereld, waar Willem tussen de regels door zo nu en dan flink de draak mee steekt, erg tot de verbeelding. Een ander punt is het volslagen onlogische en op geen enkele wijze te beredeneren incident waar Arie bij betrokken raakt en waar dit avontuur mee begint. Nu mag ik er van uit gaan dat iedereen dit verhaal wel kan dromen, dus ik volsta in de rest van dit artikel met slechts wat interessante punten aan te stippen.
Op zeker moment worden we gewaar dat er in totaal vijf mensen zijn ontvoerd, te weten:
Arie, Poortstra, Vera Vitella, William Prentiss en de trompettist. Als snel wordt duidelijk dat alle vijf de personen één ding gemeen hebben: ze hadden een Nederlandse krant gekocht in de winkel van John Jeffrey Gillmore. Nou is „Gillmore” uiteraard een naam die veel voorkomt, maar Willem kennende zou je meteen denken aan een verhulde grap in de trant van „Er moet meer en meer geGild worden.” Maar dit even terzijde. De kleding van de heer Gillmore stemt trouwens ook even tot nadenken: een hardgroen shirt, met een oranje stropdas en een oranje broek (!). Nog even afgezien van de vreselijke combinatie is een oranje broek wel redelijk bizar te noemen. Het schijnt gewoon te kunnen in Hollywood; hier zou men zoiets hooguit verwachten in de tijd dat er een EK- of WK-toernooi gaande is. Zoals gezegd, wordt duidelijk dat e.e.a. met de gekochte krant te maken heeft. Bijna alle ontvoerde personen hebben een plausibele reden waarom ze besloten een Nederlandse krant te kopen. Alleen Vera Vitella laat de lezer daaromtrent in het ongewisse. Ze zegt hierover: „Ik wacht op een bepaalde, in het Engels gestelde advertentie die erin zal verschijnen. Wat die advertentie is, gaat niemand behalve mij en de steller ervan één cent aan.” Heel vaag... in eerste instantie zou men geneigd zijn te denken dat het om een contact-advertentie gaat, maar verderop in het verhaal blijkt dat ze verloofd is. Hoewel ze in de kelder weer verklaart dat ze nooit „mevrouw” hoopt te worden en dus helemaal niet aan trouwen denkt. Dan haar beroep: slangendanseres. Waarop Arie vraagt: „Danst u als een slang?” en Vera hierop vervolgens laat weten dat ze MET slangen danst (ook weer een schitterende grap van Willem).
Uiteindelijk komt de aap uit de mouw: men komt erachter dat tegen iedereen de opmerking is gemaakt over de sinaasappeloogst en dat de ontvoeringen daar dus iets mee te maken moeten hebben. Op dat moment rijst de vraag bij de lezer: „Wie van de vijf personen is degene die de ontvoerders moeten hebben?” Het is duidelijk dat het Poortstra sowieso niet kan zijn. Die spreekt bijna geen woord Engels en hem was de mededeling over de sinaasappeloogst volledig ontgaan. Arie kunnen we ook uitsluiten, zodat overblijven: Vera Vitella, Prentiss en de trompettist. En daarmee zijn we beland bij het punt waarop Willem de lezer op een razend knappe manier op het verkeerde been weet te zetten, hetgeen we pas verderop in het verhaal zouden beseffen. De lezer komt voor zichzelf op de gedachte dat het Vera Vitella of Prentiss moet zijn. Vitella omdat ze heel erg onduidelijk doet over de reden waarom ze die krant kocht en Prentiss omdat die door Arie wordt verdacht van het feit dat hij heeft zitten klikken bij de ontvoerders om zogezegd een wit voetje te halen. De trompettist lijkt juist het minst verdacht. Dat is echter wat er in de lezer opkomt als hij/zij alles op een rijtje zet. Arie heeft echter zijn twijfels en weet op verbluffende wijze de juiste persoon er tussenuit te pikken. Zijn overwegingen blijken even geniaal als simpel te zijn. Op bladzijde 161 - bijna aan het einde dus - lezen we hierover:

De mensen die er wérkelijk niets mee te maken hadden, waren vanzelfsprekend spinnijdig dat ze voor niets waren opgepakt en opgesloten. Maar dat was degene, die het in opdracht deed, natuurlijk niet. Daar kwam nog wat bij: degene die het wérkelijk in opdracht had gedaan, had natuurlijk reuzehaast om die boodschap over te gaan brengen aan de man die hem daarvoor had gehuurd. Nogal glad. Die had des te méér haast, omdat hij al uren had verloren met vastzitten die middag. Ik kon er dus op rekenen, dat de man of vrouw die het wérkelijk was, er geen zin in zou hebben, om eerst nog eens uren door te brengen met opmaken van processen-verbaal op een politiebureau, en dat óók alweer omdat zijn eigen geweten niet zuiver was. Daarom reed ik in die Chrysler terug en begon iedereen lekker op te jutten om mee te gaan naar de politie! Daar waren ze allemaal direct voor te porren... behalve de trompettist. En die had van alle drie de minste reden om er geen zin in te hebben... want die had tóch niets te doen. En hoe meer ik aandrong, hoe minder zin hij er in had. En toen wist ik zeker dat de trompettist de man was, die ik zocht. Eenvoudig, hè?

Inderdaad... heel eenvoudig... achteraf. Ik kan me nog goed herinneren dat ik dit boek voor de allereerste keer las (ik moet toen 15 of 16 zijn geweest) en dus ook voor de eerste keer deze ontknoping zo uiteengezet zag. Stond ik daar even met de mond vol tanden, want ik had er faliekant naast gezeten met mijn eigen vermoedens. En met mij waarschijnlijk nog vele anderen.
Een ander aspect, dat dit boek voor mij persoonlijk zo bijzonder maakt, betreft het voorval met de pot verf die op het koude buffet valt met de daarop volgende commotie. Ik heb toen echt het boek even opzij moeten leggen om enige minuten later met buikpijn van het lachen verder te lezen. Maar even afgezien van deze vrolijke noot: dit verhaal is gewoon razend knap uitgedacht en wederom een sterk staaltje van het „Arie Roos-brein”. Als je dit zo weet op te zetten dan bespeur je vaardigheden die je doen denken aan Alfred Hitchcock en Edgar Wallace.

Over Alfred Hitchcock lezen we het volgende:
In veel van zijn films wordt, vaak op een komische wijze, naar de Amerikaanse maatschappij en haar inwoners gekeken. Hitchcock was zelf een Engelsman en bekeek daardoor de Amerikaanse maatschappij als buitenstaander. Veel films zijn zowel een lofzang als een aanklacht tegen Amerika.
(Eigenlijk geldt dit ook voor het gehele oeuvre van Willem)
In „North by Northwest” bijvoorbeeld is een microfilm de drijvende kracht achter de acties van de personages, terwijl op geen enkel moment duidelijk wordt wat er op de microfilm staat en waarom dat zo belangrijk is.
(Ook goed voor behoorlijk vreemd krakeel)

Over Edgar Wallace:
Hij was een meester in het opbouwen van spanning, naar een climax, en het uitwerken van ingenieuze plots waar de identiteit van de dader, en de manier waarop deze de misdaad pleegde, pas op het allerlaatste nippertje wordt onthuld.

We kunnen stellen dat Willem zich in goed gezelschap bevindt.





„Daar stonden Jan en Arie te bellen...”
Paul Stenvert

Aangezien ik geboren en getogen ben in Utrecht, heeft „Kabaal om een varkensleren koffer” (deel 12) altijd een speciale betekenis voor mij gehad, omdat dit boek zich deels afspeelt in deze prachtige stad waarbij (inmiddels verdwenen) locaties genoemd worden die ik als kind zo goed gekend heb.
Het verhaal begint bij het prachtige oude Centraal Station dat in 1975 gesloopt zou worden. Wij lezen: „Jan Prins hinkte moeizaam de brede trappen van het Centraal Station af...”
Op onderstaande foto zien wij een schaalmodel van de oorspronkelijke ingang: een brede gegolfde trap, bestaande uit drie treden met daarboven een waaiervormige betonnen luifel, waarin ronde glasplaten waren aangebracht teneinde de entree niet al te donker te maken en die werd ondersteund door drie pilaren die rustten op uitsparingen van de onderste trede. Tussen de pilaren op de achtergrond bevonden zich glazen deuren waardoor men in de grote hal terecht kwam. Saillant detail: in de jaren ’60 merkte een radioreporter op dat „de hal van het Centraal Station Utrecht in Monaco had kunnen staan.” Dit oude station was inderdaad een schitterend bouwwerk.


Maquette Utrecht CS; Sybold van Ravesteyn

Vredenburg, prentbriefkaart

Nu verklaarde Willem in 1974 in een radio-interview met Pamela Koevoets (waarvan de integrale tekst in de boekjes van John Beringen staat) dat de boeken van Bob Evers waren gestoeld op immense realiteit („Een auto van dat type hééft een verborgen compartiment; die telefooncel stáát op die plek.”). Wij weten uiteraard dat hij met die auto doelde op de Renault Frégate uit het avontuur „Kunstgrepen”, „Bombarie” en „Ali Roos”. Voor wat betreft de telefooncel moest ik meteen denken aan de cel die zich inderdaad bevond op het Vredenburg, een groot plein dat grensde aan het Jaarbeursgebouw, alwaar Jan en Arie op blz. 70 en 71 belanden. Dit grote gebouw zou in 1970 gesloopt worden om uiteindelijk plaats te maken voor het muziekcentrum dat inmiddels trouwens óók alweer gesloopt is. De hierboven afgebeelde oude prentbriefkaart geeft ons een idee hoe Utrecht er uit heeft gezien ten tijde van het avontuur rondom de vermaarde koffer. Wat zien wij? We staan met de rug naar het station. Rechts zien we de rotonde van het Smakkelaarsveld met daarop de vierkant zuil. Op de achtergrond het grote bruine Jaarbeursgebouw.
Op de derde foto zien we een screenshotje dat ik even heb geleend uit een filmpje dat op
YouTube te vinden is en waarvan ik hoop dat de maker er niet te zwaar aan tilt dat ik dit heb verwerkt in deze column. We zien hier wederom het Jaarbeursgebouw (nu voorzien van Oranjeboom-reclame) met daarachter het Vredenburg. Op de plaats, die is aangegeven met een rood ‘Bob Evers-driehoekje’, stond inderdaad de beroemde telefooncel. Houd mij echter ten goede: ik kan er een paar meter naast zitten. Maar dit even terzijde. Op de laatste foto zien we trouwens dat er twee cellen naast elkaar stonden (eveneens in een rood driehoekje). Toevallig staat er op foto 3 een stadsbus. Op die plaats had je namelijk een bushalte. Ontelbare keren heb ik daar samen met mijn moeder gestaan om op lijn 6 te stappen die via het Ondiep - waar wij toen woonden - naar Zuilen reed. En wat doet een Bob Evers lezend kind dat, wellicht ietwat ongeduldig, staat te wachten? Juist: even achterom kijken naar de telefooncellen en denken: „Daar stonden Jan en Arie te bellen...”


Vredenburg, luchtopname (screenshot).

Vredenburg (screenshot).






Watermannelijke woningen, deel 2: 1937-1941
Roger Schenk

Sperwerstraat 15, Eindhoven : 1937 - 1939.
In de eerste aflevering van deze serie (Nieuwsbrief 42) waren we blijven steken in Den Bosch; officieel bleef de jonge Willy (later: Wim, nog later: Willem) van den Hout daar wonen tot 1937, maar - voer voor biografen! - wat officieel is, is lang niet altijd conform de werkelijkheid. vader Willem van den Hout was na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1931 hertrouwd met zijn huishoudster, Petronella van Duijghuijzen. Willem jr. hield het thuis, in de nabijheid van zijn stiefmoeder, die slechts drie jaar (!) ouder was dan hijzelf, niet meer uit en zodra hij zijn kweekschooldiploma in de wacht had gesleept en zichzelf middels wat werkzaamheden voor Noordbrabantsch Dagblad Het Huisgezin kon bedruipen, huurde hij voor vijf gulden per maand een kamertje, verderop in de Hinthamerstraat in Den Bosch. Van 4 december 1934 tot 14 september 1935 is Willem in militaire dienst en gelegerd in Waalsdorp, waarna hij weer terugkeert naar Den Bosch, maar niet voor lang, want zijn geboortestad wordt hem te benauwd: hij vertrekt al gauw naar Amsterdam, waar hij een kamer huurt in een goedkoop pensionnetje op de Leidsestraat. Al die tijd blijft hij schrijven voor genoemde krant uit zijn geboortestad (met als hoogtepunt de verhalen die wij sinds kort kennen onder de titel „Drie kwajongens op zwart zaad”), maar in mei 1937 treedt hij in dienst bij Philips in Eindhoven als onderdirecteur van het persbureau Buitenland; zoals wel meer vrijgezelle medewerkers van Philips bracht de fabriek hem onder in een pension aan de Ruusbroecklaan in Eindhoven. Dit zijn allemaal officieuze adressen; er is helaas niet meer na te gaan in welke panden Willem in die tijd woonde, laat staan dat wij daar foto’s van hebben.
Zijn baan bij Philips maakte het mogelijk om al snel een echte, officiële eigen woning te huren, iets wat door het huwelijk met en de zwangerschap van Wiesje Grossouw noodzakelijk werd. Op 23 september 1937 was het zover: Willem en Wiesje huurden dit pand aan de Sperwerlaan, waar op 24 november van dat jaar oudste zoon Peter het levenslicht zag.


P.C. Hooftstraat 167 hs, Amsterdam : 1939
Op 1 mei 1939 treedt Willem in dienst van het Amsterdamse reclamebedrijf The Netherlands Publicity Service N.V. Sell More, waar hij meteen tweemaal zoveel geld gaat verdienen als bij Philips. Willem keert terug naar de hoofdstad, maar hoeft nu niet meer in een pensionnetje te wonen: hij is nu in staat om een appartementje te huren in bovenstaand pand in de P.C. Hooftstraat. Geen al te groot appartement, want Wiesje gaat weer (tijdelijk) bij haar ouders wonen, zodat zoon Paul op 26 juni 1939 in Den Bosch wordt geboren (net als zijn vader).


Juliana van Stolberglaan 114, Naarden : 1939 - 1940
De nieuwste gezinsuitbreiding noopte Willem tot het zoeken naar adequate woonruimte in de omgeving van Amsterdam. Het zou een huisje in de polder bij Naarden worden, dat in de hete augustusmaand van 1939 werd ingericht. Dit zou een ideaal onderkomen worden voor het gezin Van den Hout: feestelijkheden met de talrijke kennissen liepen nogal eens uit de hand, maar buren die hierover konden klagen, waren er niet. De oorlogsdreiging wierp echter roet in het eten: het huis was nog maar net ingericht, toen duidelijk werd dat het een risico vormde voor de op handen zijnde oorlogshandelingen. Als noodoplossing werd het tot sloop gedoemde huis tijdelijk verhuurd, eerst aan een vriend van Willem en later aan een kapitein van het Nederlandse leger, zoals we weten uit „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?”, terwijl Willem en Wiesje - zonder ook maar één dag te hebben gewoond in het pas ingerichte polderhuisje - op 24 augustus 1939 officieel hun intrek namen op enkele kamers in bovenstaand pand in de stad Naarden. Vijf dagen later werd echter de algehele mobilisatie afgekondigd, zodat Wiesje hier in principe alleen met beide kinderen bleef wonen. Op 22 december van dat jaar werd Willem overgeplaatst van de Grenadiers en Jagers naar het Korps Motordienst; dat maakte het voor hem mogelijk om Wiesje vaak te bezoeken; en hij bracht een hele „staart” vrienden mee!


Soestdijkseweg Noord 32, Bilthoven : 1940
Het polderhuisje bij Naarden zou perfect zijn geweest voor de uitgebreide feesten van de Van den Houtjes, maar dat ging dus niet door. Wie „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?” heeft gelezen, weet dat Willem en Wiesje geheel eigen opvattingen hadden over de bepaling in het huurcontract die „het ontvangen van occasioneel bezoek” toestond. Ruzie met de hoofdbewoners noopte het stel om per 31 mei 1940 te verhuizen; ditmaal werd een verdieping in dit huis, Soestdijkseweg Noord 32 (tegenwoordig: 332), gehuurd. Ook hier was het bezoek verre van „occasioneel”.
Jaren later heeft Willem het huis tot literair monument verheven als „huis van Munno Prins” in „Drie jongens als circusdetective” en weer wat jaartjes later bezochten de Bob Evers-fans de tuin van dit huis (Zie Nieuwsbrief 40).


Stationsstraat 26B, Amersfoort : 1940 - 1941
Dat er weinig mensen het echtpaar Van den Hout als bovenburen wilden hebben, blijkt uit het feit dat Willem en Wiesje nauwelijks vier maanden later (op 4 oktober 1940, om precies te zijn) alweer vertrokken; ditmaal waren de hoofdbewoners van Stationsstraat 26B te Amersfoort de klos; wij kennen hun reacties uit „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?”, evenals de geruststellende mededeling dat Willems nieuwe baan hem dwong om te verhuizen naar Den Haag. De brave burgers van Amersfoort konden opgelucht ademhalen: op 3 maart 1941 reed de verhuiswagen voor, die hen zou verlossen van iets wat bijna nog erger was dan de bezetting: de feesten van de familie Van den Hout.
In het al eerder genoemde boek „Drie jongens als circusdetective” is de bovenwoning het adres van smokkelaar Luuk van Genderen.








Er is meer tusschen hemel en aarde...
W.H.M. van den Hout-Menziers

Met Afrikaanse, Deense, Duitse, Engelse en Italiaanse vertalingen van een of meer van zijn werken, om over Belgische uitgaven maar te zwijgen, heeft Willem van den Hout zijn naam (of een van zijn pseudoniemen) toch ook in het buitenland gevestigd. Daar komt nog een land bij dat tegenwoordig buitenland is, maar in 1938 nog niet: op 3 juni van dat jaar (Willems 23e verjaardag!) verscheen in het Bataviaasch Nieuwsblad het korte verhaal „Er is meer tusschen hemel en aarde...” van een zekere W.H.M. van den Hout-Menziers.
In de periode 1936-1940 noemde Willem zich vaker Menzies of Van den Hout-Menzies: het eerste „Joop & Peter”-verhaal in het
Noordbrabantsch Dagblad Het Huisgezin verscheen onder de naam Keit. Menzies (inmiddels hoofdstuk 1 van „Drie kwajongens op zwart zaad”); in sommige van die verhalen noemt hij zich „Menzies” en pocht hij een enkele keer over Schotse voorouders (Menzies is de naam van een Schotse clan); de Nenasu - Nederlandsche Nationaal-Socialistische Uitgeverij - stuurde op 26 juni 1940 een antwoord op een eerdere brief aan W.H.M. van den Hout Menzies. De naam Van den Hout-Menziers in het Bataviaasch Nieuwsblad lijkt een drukfout.
Twee van de namen die in het korte verhaal voorkomen, zijn interessant: Fred ter Heyde en Van Baerle; we kennen beide namen ook uit „
De kruistocht van Generaal Taillehaeck”, Ter Heyde bovendien uit de „Joop & Peter”-verhalen: zoals reeds in de vorige Nieuwsbrief gesteld, was Willem helemaal niet zo creatief in het verzinnen van nieuwe namen van zijn protagonisten: bepaalde namen blijven in heel zijn oeuvre terugkeren.

Fred ter Heyde bracht het zaakje aan het rollen. Met zijn drieën zaten we op een regenachtigen middag in van Baerle’s flat om enkele dingen te bespreken en van Baerle schonk ons juist een borrel in toen Fred zei: „Zeg, Van Baerle, heb je al gehoord dat het op het kasteel weer spookt?”
„Vertel geen onzin!” bromde van Baerle.
„’t Is geen onzin,” zei Fred, „dat kasteel heeft jaren leeg gestaan tot er een paar weken geleden iemand is komen opdagen die een contract voor een jaar afsloot en het ding liet meubileeren. Maandagochtend heeft hij zijn intrek in het gebouw genomen. Maandagnacht om half twee is hij eruit gerend zonder zijn jas aan te trekken. Sindsdien heeft hij hardnekkig geweigerd er een voet in te zetten na zes uur ’s avonds.”
„Jullie zijn stapelgek,” zei van Baerle snuivend, - „we leven in de twintigste eeuw, - die vent heeft te diep in zijn glaasje gekeken.”
„Kan wel zijn,” zei Fred, met een veelbeteekenende knipoog onzen kant uit, - „maar er is met dat kasteel iets niet in orde, je weet, er is meer tusschen hemel en aarde.........?”
Van Baerle werd nijdig en er ontstond een heen én weer gepraat tot Fred hem uitdaagde:
„Nou, van Baerle,” zei hij. „je schept zoo op, ik tart je om vannacht zonder wapens bij je in die stikdonkere, verlaten kast van een kasteel te blijven!”
Van Baerle kreeg geen achterdocht en liep er tot onze vreugde in:
„Aangenomen,” zei hij, met zijn vuist op tafel slaand, „ik wed om vijf-en-twintig pop dat ik rustig in dat kasteel blijf tot zonsopgang.”
„Jammer genoeg kan ik er niet bij zijn,” zei Fred, met een tweeden wenk in onze richting, „maar van Straaten en Willem gaan vast en zeker met je mee om je te controleeren. Ze kunnen beneden in de hall blijven zitten terwijl jij boven bent. Maar als je met hen praat of hen roept, heb je je weddenschap verloren.”
„Accoord,” lachte van Baerle, „van die vijf-en-twintig pop geef ik een etentje...... spoken! Haha, wat een klets!”
Van Straaten en ik spraken af, van Baerle om tien uur te halen. Samen met Fred gingen we weg. Er stond buiten een flinke wind en de regen kletterde op de kap van Van Straaten’s wagen toen we erin klommen.
„Prachtig,” grinnikte Fred toen we wegreden, „ik heb altijd van Baerle eens te pakken willen nemen, - hij doet altijd of hij de wijsheid in pacht heeft, - dit is een dot van een kans. We hebben hem prachtig op stang gejaagd! Willem, - hier is een sleutel van het kasteel, den andere heb ik. Ik ga vannacht in dat gebouw voor spook spelen. Als van Baerle daar in zijn eentje boven zit, in het stik-donker met den wind om zijn ooren huilend en ik geef enkele bloedverstijvende kreten, is hij een flinke vent als hij het er lang uithoudt. Denk eraan, - ik ga eerder dan jullie erheen, om een uur of negen. Als jullie komen, zit ik ergens in het kasteel, gehuld in het traditioneele spooklaken. Mijn auto rijd ik wel ergens verdekt in een zijweg.”
Van Straaten grinnikte: „Ik ben benieuwd of het lukt! Er is natuurlijk een kans dat hij er genoeg van krijgt en ’m inderdaad smeert! Dan lach ik me dood. Blijft hij zitten en krijgt hij jou in je spooklaken te pakken, dan is de lol nog veel grooter! Ik doe mee.”

*

„Zoo,” zei Van Baerle, - „we zullen maar geen tijd verknoeien. Jullie zijn er getuigen van dat ik de voorwaarden van de weddenschap in acht neem. Ik ga meteen naar boven, - ik wil mijn vijf en twintig pop verdienen en het is al laat. Ik zal jullie groeten doen aan het spook, so long!”
„’t Beste” grinnikte Van Straaten. We zagen zijn gestalte, vaag gesilhouetteerd tegen de lichtvlek die zijn lantaren wierp, de hall oversteken en de eerste helft van de breede trap opgaan. Rond een hoek verdween hij uit het gezicht.
Onze wacht, daar beneden in de stikdonkere, koude hall was geen pretje. We zetten onze jaskragen op en gingen of stoelen zitten die de laatste huurder van het huis nog steeds in het gebouw had staan. Het huis was vol van zonderlinge geluiden. Er moesten ergens een paar ruiten zijn stukgewaaid, want nu en dan blies een ijzige wind om ons heen. De regen kletterde tegen de dubbele voordeur en siste door de boomen in het park. We praatten weinig, maar wachtten tot Fred zou verschijnen. We wachtten een half uur, drie kwartier, en juist toen ik ongeduldig van de verlichte wijzerplaat van mijn horloge opkeek en meldde dat er een uur verstreken was, zag ik voor mij, op tien meter afstand Fred staan, - een lange, bleeke gestalte.
„Hei, Van Straaten,” zei ik, „daar is-ie! Zeg, Fred, schiet wat op met de voorstelling! Het is hier allemachtig koud.” Fred’s vage, witte schim bewoog niet. Van Straaten keerde zich om, rillend van kou en maakte nijdig enkele opmerkingen.
Fred maakte een golvende beweging, gleed een eindje achteruit en dan klonk door de wijde, steenen hall een kreet die een ijskoude rilling over mijn geheele lichaam deed loopen. Het geluid begon laag en hol, als de klacht van een mensch die schijndood in een lijkkist is genageld, zwol aan, werd sterker en sterker en eindigde plotseling in een krijsch vol van demonische woede.
Ik zat doodstil in mijn stoel. De gestalte gleed snel in de richting van de trap. Ik werd me bewust van een koud zweet op mijn voorhoofd.
„Dat...... dat......” hijgde Van Straaten, „dat was allemachtig goed gedaan, zeg...... Willem, zeg, haha, als-ie dat dadelijk boven doet!”
Ik zag de bleeke schim de steenen trap opglijden en om een hoek uit het gezicht verdwijnen.
„Ja,” fluisterde ik en wischte mijn voorhoofd af, - „als-ie dat dadelijk boven bij Van Baerle doet......”
En toen kwam van boven, van de eerste étage, diezelfde kreet, alleen honderdmaal erger dan zoo juist, een lage huilende kreet die mijn hart deed stilstaan. Langzaam, heel langzaam kroop in die oneindig lang aangehouden kreet een snerp van woede, - van waanzinnige, koude, wreede woede..... dan, plotseling, sloeg de huiltoon over in een triomfeerenden krijsch.
Het was me onmogelijk me te verroeren, - ik gevoelde mijn lichaam als gehouwen uit de kille steen van een grafzerk. Dan brulde er plotseling boven ons een mensch, - brulde een mensch in doodsnood, in panischen, onbedwingbaren angst. Een oogenblik later rende Van Baerle de treden van de breede, steile trap af. Een doodsbleek gelaat was het eenige wat in de duisternis zichtbaar was, een gelaat als een bleeke vlek. En op hetzelfde oogenblik gebeurde het afgrijselijke: een geluid of er iemand struikelde, de bleeke vlek beschreef een boog, het gebrul veranderde in een gillenden angstkreet. Twee doffe bonzen onder elkaar op de trap, een krakende smak......... dan was alles stil.
„Hij...... hij is van de trap gevallen...... hij heeft zijn nek gebroken! Wat zijn we voor onzin begonnen! Waar is Fred, Fred! Waar ben je, Fred!!”
Op dat oogenblik knarste er een sleutel in het slot van de voordeur en de stormwind woei de zware deur met een galmenden slag terug tegen den muur van de hall. Een lange gestalte trad binnen, de regen spetterend op een leeren jas.
„Schreeuw niet zoo, man,” zei de gestalte...... „hier ben ik. Ik heb pech gehad met den wagen...... op een verlaten stuk weg, ik kon niet eerder...... Ik...... wat is er? Wat is er gebeurd? Van Straaten, man, wat is er?”
„Stil!” zei Van Straaten, schor, „luister!” En uit het binnenste van het boven het fluiten van den wind uit klonk voor de derde maal dien nacht een duivelsche, gillende, triomfeerende kreet.
We leven in de twintigste eeuw, zooals Van Baerle zei, maar...... er is Van Baerle’s lijk.





Waar lag Het Eiland nou eigenlijk? Een poging tot identificatie
Roger Schenk

Als we te weten willen komen op welk eiland Jan, Bob en Arie eigenlijk zaten gedurende hun eerste avontuur, zullen we eerst moeten kijken welke gegevens de boeken ons leveren.
Zowel in het feuilleton „De avonturen van drie jongens in de Stille Zuidzee” (afl. 1, in het blad Jeugd, 1943) als in de hardcover-editie van „Avonturen in de Stille Zuidzee” (p. 7) vertrekt de „Annie” (feuilleton) resp. „Esperanza” (boek) op 3 augustus vanuit Amsterdam; in de pocketeditie (p. 7) is de datum veranderd in 16 juli. Tot en met de jaren ’50 van de vorige eeuw sloot de zomervakantie aardig aan op het werk op het land en besloeg de hele maand augustus, de oogstmaand; later is de vakantie naar voren geschoven en duurde ze zes weken, vandaar dat de datum in de pocketreeks werd veranderd. Onveranderd bleef het gegeven dat de jongens in september weer terug in Nederland moeten zijn, „want dan begint de school weer” (feuilleton, afl. 11; hardcover, p. 71; pocket, p. 66). Zoals we weten, lukte dat met dank aan Braggart c.s. niet: Jan Prins, die aardig wat tijd op de brug van de „Annie”-„Esperanza” en het muiterschip heeft doorgebracht, beweert met valse bescheidenheid dat hij de tel van de dagen is kwijtgeraakt, maar als hij schat dat de eerste dag op het eiland half september („Drie jongens op een onbewoond eiland”, hardcover, p. 7) resp. half augustus (pocket, p. 7) is, mogen we hem met een gerust hart geloven. In de hardcover is de school dan alweer begonnen, in de pocket gaat de school straks weer beginnen. Hoe dan ook: zonder de drie jongens.
In 1939 - vier jaar voor het verschijnen van het feuilleton - liep in Danzig het Nederlandse vrachtschip „MS Abbekerk” van stapel; het schip van 7900 BRT was voor die tijd een van de modernste en snelste vrachtschepen ter wereld en haalde op z’n sloffen 17 knopen. De „Annie” resp. „Esperanza” moet een soortgelijk modern schip zijn geweest. De bedoeling was dat het schip - ondanks Arie Roos’ eetlust - zonder tussenstops naar Buenos Aires zou varen... waar het, zoals wij deksels goed weten, nooit zou arriveren. Een schip dat 17 knopen haalt, doet er om en nabij de 13 dagen over om voor de Braziliaanse kust te geraken (de afstand Amsterdam - Rio de Janeiro bedraagt 9509 km). De website van Hapag-Lloyd beweert dat een hedendaags vrachtschip er 22 à 23 dagen over doet om van Amsterdam naar Buenos Aires (afstand 11.373 km) te varen: vrachtschepen hebben dan wel krachtiger motoren dan die van een halve eeuw geleden, maar ze zijn ook groter en logger geworden; daar komt nog bij dat rederijen van containerschepen hun snelheid in verband met de hoge benzineprijzen sinds 2010 hebben verlaagd naar 12 knopen. De „Annie”-„Esperanza” zou 15 dagen nodig hebben gehad om Buenos Aires te bereiken. Voor de Braziliaanse kust, op een paar dagen varen van Buenos Aires (feuilleton, afl. 6; hardcover, p. 43; pocket, p. 40), worden de drie jongens opgepikt door het Amerikaanse vrachtschip „Vancouver” (feuilleton) resp. „Frisco” (boek). Dat ouderwetse, tragere schip vaart om Kaap Hoorn heen naar een plek „ééns zo dicht bij de meest nabije eilandengroep als bij Kaap Hoorn” (feuilleton, afl. 30; hardcover, p. 174; pocket, p. 165). Die dichtstbijzijnde eilandengroep wordt door Jack kortweg Tuamotu genoemd, maar bestaat in feite uit diverse eilandengroepen. Op het moment van de overval bevindt de „Willi Waw” zich dus halverwege Kaap Hoorn en Tuamotu, iets ten zuiden van Paaseiland. Zeven dagen later landt de „Willi Waw” op het eiland, dat we voor het gemak maar „het eiland van Jan, Bob en Arie” noemen; als Jans schatting uit de hardcover van half september klopt, is dat circa 44 dagen na hun vertrek uit Amsterdam.
De afstand van Rio de Janeiro via Ushuaia (Vuurland) naar Paaseiland is 8612 km; de „Frisco” doet 22 dagen (= 44 - 15 - 7) over die afstand: een snelheid van 9 à 10 knopen, afhankelijk van de grootte van de boog die het schip om Kaap Hoorn maakt. De afstand van Paaseiland naar de Marquesaseilanden, een deel van Frans Polynesië, bedraagt 3745 km; een eenvoudig rekensommetje leert ons dat de „Willi Waw” zeven dagen lang een constante snelheid van 12 knopen ontwikkelt.


Frans-Polynesië

Eiao; Landsat-satellietopname (2006)

Als je vanuit Zuid-Amerika naar het westen vaart, is de eerste eilandengroep die je normaal gesproken tegenkomt de Gambierarchipel (ca. 1600 km ten zuidoosten van Tahiti), een groep van 43 eilanden die onderdeel uitmaken van Tuamotu. De enige noemenswaardige berg is de Mont Duff op Mangareva; omdat dat eiland echter bewoond is, kan dit onmogelijk „het eiland van Jan, Bob en Arie” zijn. De 39 onbewoonde eilanden van deze archipel zijn vlakke atollen en komen dus evenmin in aanmerking. Heb je deze eilandengroep gemist en vaar je verder naar het westen, dan laveer je tussen de 78 eilanden van de Tuamotu-archipel, de 7 Australeilanden en de 14 Genootschapseilanden door; al deze eilanden zijn óf platte atollen óf bewoond; de vierde en laatste archipel van het Franse overzeese land (Pays d’Outre Mer) Frans-Polynesië (hoofdstad Papeete op Tahiti) wordt gevormd door de Marquesaseilanden. Deze eilandengroep ligt op 1600 kilometer ten noordoosten van Tahiti en zo’n 1000 km ten zuiden van de evenaar. Van deze veertien eilanden zijn er zes bewoond; ook zij vallen af als kandidaat voor „het eiland van Jan, Bob en Arie”. Van de acht onbewoonde eilanden zijn er twee bergachtig genoeg om in aanmerking te komen: het hoogste punt van Moho Tani in de Zuidelijke Groep van de archipel is 520 meter, het hoogste punt van Eiao in de Noordelijke Groep is 576 meter. Als de jongens de berg op hun eiland beklimmen, ontdekken ze het eiland waar Jack, Joe, Hennessey, Harry, Barney en „Mickey Mouse” al die tijd verblijven: dat ligt volgens een schatting van Bob zo'n zes à acht kilometer verderop. Daarmee valt Moho Tani af, want het dichtstbijzijnde eiland, Motu Nao, ligt maar liefst veertig kilometer naar het zuidoosten toe. De enige mogelijkheid die we dus overhouden, is het eiland Eiao in de Noordelijke Groep. Het eiland ligt zo’n 200 kilometer ten noordwesten van het administratief centrum van de Marquesaseilanden, Hiva ’Oa: het eiland waar schilder Paul Gauguin en zanger Jacques Brel begraven liggen. De conclusie kan niet anders zijn dan dat de „Willi Waw” niet pal westelijk is gevaren, maar vanaf het punt waar ze zeven dagen eerder door de muiters werd overvallen een westnoordwestelijke koers heeft aangehouden.
Als je vanuit de richting van Zuid-Amerika komt, nader je vanzelfsprekend de oostzijde van het eiland: hier vinden we inderdaad een baai, zoals dat ook in het boek wordt beschreven. Er is geen vulkaantop op het eiland; veeleer bestaat het hele eiland uit de rand van een caldera van een reeds lang in zee verdwenen vulkaan. Het hoogste punt van deze onregelmatig gevormde calderarand („Kameelrotsrug” in Bob Evers-terminologie) heette in de taal van de oorspronkelijke bewoners Moukatiketike. Oorspronkelijke bewoners? Inderdaad: lang voor de Europeanen in dit werelddeel ten tonele verschenen, werd het eiland bewoond door de Tuametaki, een zeer krijgshaftige stam; toen de Amerikaanse kapitein James Ingraham het eiland op 21 april 1791 ontdekte (en het Knox Island noemde), was het echter alweer onbewoond. In de 19de eeuw is het 13 kilometer en 3,5 kilometer brede eiland korte tijd als leprakolonie gebruikt en daarna voor de tweede maal verlaten, tot Jan, Bob en Arie er neerstreken. De wateren rondom het eiland zijn zeer visrijk, zoals we weten: „Zij snapten niet, hoe zoveel vissen tegelijk in het water konden rondzwemmen, zonder elkaar aan te rijden of aan te varen” („Drie jongens op een onbewoond eiland”, hardcover, p. 83; pocket, p. 91), zodat er tegenwoordig complete vissafari’s naar Eiao worden georganiseerd vanaf een van de grotere eilanden, Nuku Hiva of Hiva ’Oa, die heden ten dage vanuit Tahiti makkelijk per vliegtuig bereikbaar zijn. In de tijd van Jan, Bob en Arie was het eiland echter volkomen verlaten, tenminste: door mensen. Over het eveneens onbewoonde eiland Moho Tani merkt de Franstalige Wikipedia op dat de biodiversiteit van dat eiland is aangetast door de import van schapen en varkens. Moho Tani zal niet het enige eiland zijn waar dat is gebeurd: de Duitstalige Wikipedia heeft het over schapen, geiten en varkens op Eiao. De broodboom is inheems (denk aan het verhaal van de „Bounty”), de kokospalm is door de Europeanen naar dit deel van Polynesië gebracht.


De kust van Eiao

Een catamaran voor de kust van Eiao

Broodvruchten

De baai waar de „Willi Waw” aanmeert, ligt in het noordoosten van het eiland en is door de Fransen Baie de Avaneo gedoopt. Daarvan heb ik geen foto’s, wel van een soortgelijke baai aan de westkust, de Baie de Vaituha. Deze baai zal de kloof annex fjord zijn, waarover Willy het heeft op pagina 153 van de hardcover en pagina 166 van de pocket. Als je de calderarand beklimt, kom je op een geërodeerde, kale hoogvlakte, precies zoals Willem het beschreef (hardcover, p. 159; pocket, p. 172). Van daaruit ziet Bob het eiland van Jack, Joe, Hennessey en de drie muiters: dat moet dan het eiland Hatutu zijn, zo’n drie kilometer ten oosten van Eiao en een voortzetting van dezelfde calderarand.


Baie de Vaituha

Baie de Vaituha, de enige goede natuurlijke haven van het eiland


De kale hoogvlakte

De kale hoogvlakte en een blik op de zuidoostpunt van het eiland

Nu schat Bob weliswaar dat dat andere eiland zes à acht kilometer verderop ligt, maar Bob is natuurlijk een doorgewinterde landrot, voor wie het schatten van afstanden op zee lastig is. Voor een schrijver uit ’s-Hertogenbosch, ondanks alle mogelijke snoeverij eveneens landrot in hart en nieren, is het verschil tussen oost en west blijkbaar ook lastig, want hij schrijft: „Van hieruit hadden zij een prachtig uitzicht over de zee ten zuiden en ten westen van het eiland,” al is het wel zo dat Bob ronddraait met zijn Zeisskijker en de hele horizon afzoekt. Het 6,6 km² grote Hatutu heeft o.a. een baai aan de westkant van het eiland, waar de „Willi Waw” ligt: „... in een baai aan de westkust van dit eiland, zestig meter uit de kust en de muiters zitten er op en snurken” („De strijd om het goudschip”, hardcover, p. 31; pocket, p. 29).
De „Frisco” ligt aan het begin van „De strijd om het goudschip” (hardcover, p. 35; pocket, p. 34) enkele honderden mijlen ten zuiden van Eiao en Hatutu, binnen het barrièrerif van een atol: dat moet dan een van de Tuamotu-eilanden zijn, mogelijk een van de zogeheten Îles du Désappointement, vanuit het standpunt der muiters gezien een veelzeggende naam. De „Frisco” ligt daar maandenlang voor anker, maar vaart uitgerekend een dag later dan Jan, Bob en Arie naar uitgerekend datzelfde eilandje Hatutu waar de „Willi Waw” ligt.

Wie gaat googelen op de naam Eiao, komt niet alleen uit bij „het eiland van Jan, Bob en Arie”, maar ook bij de gebruikelijke afkorting van de Escuela Industrial y Preparatoria Técnica „Álvaro Obregón” in Monterrey, een plaats die wij kennen uit „Lotgevallen rond een locomotief”: toeval bestaat niet, volgens de schrijver van de Bob Evers-serie...

Tot slot nog een overpeinzing: hoe stelde Willy van der Heide zich het begin van het schooljaar voor, in het geval dat de „Annie”-„Esperanza” niet was gezonken? 15 dagen van Amsterdam naar Buenos Aires, vervolgens wilde vaart („Buenos Aires en Argentinië en gauchos zien.... Rio de Janeiro bekijken.... en een maand lang ronddwalen op zee!” in het feuilleton, „Buenos Aires bekijken en politieagenten plagen in Montevideo” in de boekuitgaven), maar het schip zou toch ook weer ooit terug naar Nederland moeten varen...





Achternamenpuzzel
Jan Hulshof

Jan Hulshof, de man die onze Nieuwjaarspuzzel als eerste wist op te lossen, is gegrepen door het puzzelvirus: hij maakte onderstaande puzzel. Een blad om de juiste oplossingen in te vullen kunt u hier downloaden.

Lees de vraag en bedenk wat de achternaam is van deze persoon en vul die dan in op het oplossingenblad.
Het aantal vakjes is het aantal letters en de ij is 1 letter.
Onder de pijl ontstaat dan een spreuk.

  1 - Schatgravende kapitein.
  2 - Heeft kanariezangzaad bij zich.
  3 - Wachtmeester die houdt van gedichten.
  4 - Chauffeur die een horloge als onderpand krijgt van Arie Roos.
  5 - Filmacteur die Arie Roos moet vervangen.
  6 - Brullende blanke duivel.
  7 - Hoteleigenaar in Hong-Kong.
  8 - Overleden professor.
  9 - Ziet totaal niks zonder bril.
10 - Alles is vierkant bij deze persoon.
11 - Vliegtuigbreukeling die aardig met een mes kan gooien.
12 - Nummer 6.
13 - Leverancier van fietskogeltjes.
14 - Volgens een taxichauffeur heeft hij een houten been en draagt een geel pak.
15 - Alles is groen bij deze persoon.
16 - Geef hem een vriendelijke klap en je vliegt samen de lucht in.
17 - Met een bos rozen kun je een afspraak met hem maken.
18 - Chauffeur van The Galleries.
19 - Danst met slangen.
20 - Orang Oetang met knijptangen als handen.
21 - Detective met twee horloges.
22 - Zit vol met spreekwoorden.
23 - Draagt om beide polsen een horloge met de wijzerplaten naar binnen gekeerd.
24 - Gooide vanuit een taxi zijn schoenen naar buiten.
25 - Kijkt ongelofelijk scheel en wil elke dag een mop horen.
26 - Hoteleigenaar die oplichter is en voogd.
27 - Kapitein van de Roos van Dekama.
28 - Naam van circus waar de dollarjacht begon.
29 - Leider van de illegalensmokkelaars.
30 - Geoloog in de Kalahariwoestijn.
31 - Wiens handschoenen verdwenen in de automatiek.
32 - Eieretende boef.
33 - Nachtwaker van het grootste zwembad ter wereld.
34 - Verkoopt ondergoed en koopt een krant.
35 - Fransman geeft de 3 jongens een cadeautje p.p. tot een waarde van 1000 francs.
36 - Kanakenkapitein.
37 - Woont op de Laan van Meerdervoort.
38 - Doet zijn naam eer aan en staat op een cover.
39 - Tandarts met pruimen in de tuin.
40 - Echte naam van Zwartsnor.
41 - Welke Piet was bijgelovig.
42 - Springt uit het raam ondanks zijn 284 ponden.
43 - Boef die denkt de roulette te kunnen verslaan.
44 - Muiterkapitein die gedood is.
45 - Nummer 2.
46 - Eigenaar van de Bliksemstraal.
47 - Engelse dood van Pierlala.





Onder het vergrootglas (nieuwe serie 16) : Willy van der Heide beantwoordt het Proust Questionnaire
Geerten Meijsing

Het is onder de lezers van de Bob Evers-boeken welbekend dat hun lievelingsauteur, Willy van de Heide, de publiciteit altijd heeft geschuwd. Onder de nog niet verstorven Bestuursleden van het Bob Evers Genootschap (kortweg het BEG) is het een goed bewaard geheim dat hun schrijver onsterfelijk is. In letterlijke zin: zijn dood is destijds, februari 1985, in scène gezet, volgens precieze instructies van de Meester zelf, onder weer een andere naam heeft hij in het verborgene gewoon verder geleefd - wáár zal ik niet prijsgeven - en heeft hij inmiddels de alleszins respectabele leeftijd van 99 jaar bereikt, welke verjaardag hij in zéér intieme kring, vanwege zijn onverwoestbare gezondheid, gevierd heeft als zijn vijfenzeventigste! Zum wohl! drinken wij hem toe.
Ondergetekende, die zoals bekend reeds vroeg bejaard geworden is en onvast ter been, vindt bij het gaan regelmatig houvast bij zijn nog krachtige vriend en mentor. Volgend jaar zal Willy van der Heide derhalve zijn honderdste verjaardag vieren, bij welke gelegenheid - net als destijds het geval was bij zijn geliefde auteur Ernst Jünger, toen Mitterand en Kohl samen bij hem op de thee zijn geweest - Angela Merkel en de voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker op zijn schip een koffiemaaltijd met blikken ham en ananas zullen genieten.
Zo ver is het echter nog niet en we willen niet in de toekomst schouwen. Wel heeft schrijver dezes, onzeker of hij het zelf nog een jaar zal uitzingen, de Meester zo ver weten te krijgen eindelijk eens een fatsoenlijk interview af te geven, waarvoor de interviewer zich gemakshalve heeft willen bedienen van het befaamde Proust Questionnaire.
„Ik heb niets met die langdradige auteur van het Oude Volkje!” brieste Willy vanonder zijn woeste snor, toen ik hem daartoe trachtte over te halen. „Nu moet u goed begrijpen, Meneer van der Heide,” was daarop mijn antwoord, „dat U een dergelijke vragenlijst ook schriftelijk kunt invullen, en dat daarbij geenszins naaktfoto’s van de auteur worden afgedrukt.”
Aldus geschiedde, en wat hier volgt, zijn de ongecensureerde antwoorden die mij per post onlangs bereikt hebben, getikt op zijn oude handslagmachine van het onverwoestbare merk Adler, al was het inktlint daarvan enigszins uitgedroogd: de letters waren toch goed leesbaar, omdat Willy zoals zijn gewoonte nog steeds is de letters letterlijk door het papier heen slaat.

*  *  *

  1) Uw favoriete deugden?
Geheimzinnigheid en ongrijpbaarheid. Een schrijver moet slechts in zijn werken naar buiten treden. Deze idiote vragenlijst vul ik slechts in om jullie een plezier te doen. Mijn leven gaat niemand wat aan. Ik heb niet voor niets een cordon sanitaire van rookgordijnen om mij opgetrokken.
  2)

Uw favoriete eigenschappen in een man?
Overlevingskunst. Een echte man moet met wapens kunnen omgaan, maar mag zijn tegenstander slechts doden indien hij zelf in levensgevaar verkeert. Een echte man zal nooit de hand aan zichzelf slaan, zoals de grote Hemingway, waarschijnlijk vergiftigd door die gestoorde dictator Fidel Castro, wél heeft gedaan. Eerst zeggen: The important thing for a writer is to survive en vervolgens een dubbelloops jachtgeweer tegen de kin zetten. Dat is mij behoorlijk van hem tegengevallen.

  3)

(U kunt de vragen het best zo kort mogelijk beantwoorden) Uw favoriete eigenschappen in een vrouw?
Avontuurlijkheid, jeugd. Het zij een man toegestaan tijdig zijn partner te verwisselen voor een jonger exemplaar van hetzelfde geslacht, de andere kunne, welteverstaan.

  4)

Uw voornaamste karakteristiek?

  5)

Wat apprecieert U het meest in Uw vrienden?
Trouw, loyaliteit, dat ik mij in de rug gedekt weet.

  6)

Uw voornaamste tekort?
Wat zullen we nu krijgen, vlegel!

  7)

Uw voornaamste bezigheid?
En dat vraag je aan een schrijver, kwajongen? Lezen en schrijven, natuurlijk. Ook van de lichamelijke liefde lust ik wel pap.

  8)

Uw voorstelling van geluk?
Met rust gelaten te worden, de hond uitlaten. Enne, op zijn tijd een uitsmijter of biefstuk met veel peper; plus altijd een kan water bij de hand, gewoon kraanwater is goed genoeg, dus nooit zonder water te zitten... Met een scheut whisky erin. Kortom: dat de fles nooit leeg raakt.

  9)

Uw idee van misère?
Zonder water te zitten natuurlijk, aap van een jongen dat je bent! Dus geen drinken, een lege fles. Ik ben geen woestijnrover zoals T.H. Lawrence.

10)

Wie zou U willen zijn als U niet Willy van der Heide was?
Mijzelf. Zoals de mensen die ik bewonder het liefst Willy van der Heide zouden zijn.
[Merk op dat het antwoord van Meneer van der Heide hier precies overeenkomt met het antwoord dat Proust op deze vraag gaf.]

11)

Waar zou U het liefst willen wonen?
Met behoud van mijn schip maakt het niet zo veel uit waar. Op de Kaag, in de Stille Zuidzee, langs het kanaal van Brussel naar Antwerpen ter hoogte van Humbeek, op Trinidad, ja, de West lijkt me wel wat, de Overzeesche Gebiedsdelen als die tenminste nog van ons zijn sinds ze het dubbeltje hebben afgeschaft en Nieuw-Guinea hebben weggegeven. Want België scoort heel hoog in mijn voorkeuren, hoor. In Zuid-Afrika voor de vrijlating van Mandela; liefst tussen blanke settlers eigenlijk, die nog iets van de Voortrekkersgeest behouden hebben.

12)

Uw favoriete kleuren en bloemen?
Heb ik niet. Ik ben toch geen mietje? Vraag dat maar aan Jan Prins.

13)

Uw lievelingsschrijvers?
Faulkner, Michel Arlen (die ken je zeker niet, hè?), Hemingway en nog eens Faulkner. Ezra Pound. Van de modernen misschien James Salter.

14)

Uw lievelingsdichters?
Henny Schol!
[Hier barstte Meneer van der Heide in een onbedaarlijk lachen uit, dat overging in een hoestbui, een rochel en een fluim tegen de vloer. Vervolgens, na enig nadenken:]
De roof van de Sabijnse Maagden”, geïllustreerd door Flip van den Burgt, dát is nog eens een meesterwerk van dichtkunst! En Emily Dickinson - daar kun je niet omheen.

15)

Uw favoriete romanpersonages?
De Vier Musketiers, Iris Storm, uit „The Green Hat” van Michel Arlen. De Vliegende Hollander, maar dan zonder Wagner. Kolonel Prins mag er ook wezen, net als de huisknecht van Kresse overigens. En Oblomov niet te vergeten!

16)

Uw favoriete vrouwelijke personage?
Je denkt toch niet dat ik nu Anna Karenina ga zeggen, die tuttekop? Zie boven. Sheila Graham uit „The Education Of A Woman”. En, onder ons gezegd en gezwegen, Juliette van de Markies je weet wel Wie.

17)

Uw favoriete schilders en componisten?
Peter Schilperoort, Pyke Koch.

18)

Uw helden uit het echte leven?
T.H. Lawrence, Erwin Rommel, Generaal de Gaulle, hoewel ook Maarschalk Pétain zijn kwaliteiten had ... en soms denk ik: gewoon mijn eigen kinderen.

19)

Aan welke historische figuren heeft U de grootste hekel?
Willem van Oranje, Churchill, Keizer Augustus, Kapitein Dreyfuss.

20)

Uw favoriete eten en drinken?
Zie boven. Ik zeg de dingen het liefst één keer.

21)

Wat haat U het meest?
Ze zeggen dat haat een deugd is. Ik ben geen haatdragend persoon. Ik haat mensen die op gymnastiekschoenen door het leven gaan. Ik haat het Openbaar Vervoer. Ik haat kanker, dood & verderf.

22)

De Militaire Slag die U het meest bewondert?
El Alamein. De Slag in het Teutoburger Woud.

23)

De uitvinding die U het meest bewondert?
Zeg, jongen, hoe lang gaat dit nog duren? Ben jij wel goed bij het hoofd? Vooruit: de onderzeeër, Duitse uitvinding overigens, net als de atoombom.

24)

Een talent dat U graag zou bezitten?
Ik heb alle talenten die ik nodig heb. Ik kan lezen en schrijven, goed schrijven - laat daarover geen misverstand bestaan - en ik weet hoe je een vrouw het hof moet maken, maar dat laten we hier liever buiten beschouwing. Ik geloof dat je moeder mij wel aardig vond...

25)

Hoe zou U het liefst sterven?
Nu denk jij zeker dat ik ga zeggen: op het veld van eer, zoals Alain Fournier? Niks hoor: „Ik wou dat ik thuus en in mien bedde waar...”

26)

Wat is Uw huidige gemoedstoestand?
Als ik eerlijk mag zijn: uiterste verveling vanwege deze eindeloze, idiote vragenlijst.
[Ook het antwoord op deze vraag komt precies met het antwoord overeen dat de jeugdige Proust op deze vraag gegeven heeft.]

27)

Uw favoriete motto?
Dat ontleen ik graag aan mijn goede en betreurde vriend Peter Schilperoort - waar blijven al die vrienden toch van weleer - nu heb je toch nog een snaar van ontroering in mij teweeg weten te brengen, hoewel Peter ook een rotjongen kon zijn hoor, het waren eigenlijk allemaal rotjongens, Coen ook, maar toch waren en blijven het mijn vrienden, want zonder vrienden kun je niet. Wat dat motto betreft, mijn laatste woorden: „Geloof nooit wat de mensen je vertellen voor je het zelf hebt onderzocht.” Heb je een glas water voor me, gewoon kraanwater is goed genoeg... met een klein scheutje...








Nieuwsbrief 42
Nieuwsbrief 43 als pdf
Nieuwsbrief 44
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina