Nieuwsbrief nr. 44
ISSN 1386-6451
februari 2015 - 22e jaargang nr. 1


             

Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Een Eekhoorn in het nauw maakt rare sprongenKoos Verkaik
PersberichtDutch Media Books
Peter en de KinderboekenweekRonald Cobet
Bob Evers belegert Fort BSander van der Linden
(Gast)column: De kopermijn in StolzembourgReinhard Beskers
Watermannelijke woningen, deel 3: 1941-1946Roger Schenk
De Stad en de DichterWWW
Over (Bob Evers-)hoorspelen: hoe praatte Bob nou precies?John Beringen
Column: Vier plankenHenk Bergman
De anticlimaxJohn Beringen
Enkele foto’s uit CasablancaRoger Schenk
Column: Onder het vergrootglas (nieuwe serie 17) :
Drie tips
Geerten Meijsing




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen


2015 : Het Willem W. Watermanjaar!

In Oost-Galicië heroveren Duitse en Oostenrijks-Hongaarse legereenheden het fort en de stad Przemyśl, hetgeen een einde maakt aan negen maanden Russische bezetting en het lijden van de joodse bevolking onder Russische pogroms; in Noord-Brabant klinkt De Gil van een baby, hetgeen een einde maakt aan negen maanden zwangerschap van Jantiena van den Hout-Bodewes en het lijden van Willem van den Hout (sr.). Beide wapenfeiten geschiedden op 3 juni 1915, nu bijna honderd jaar geleden.
Het zou wellicht te veel gevraagd zijn om de twee belangrijkste gebeurtenissen van die dag allebei ter plekke te gaan herdenken; daarom heeft het Bob Evers Genootschap ervoor gekozen om slechts laatstgenoemd feit te herdenken. Het Genootschap nodigt iedereen uit om op zaterdag 6 juni 2015 naar ’s-Hertogenbosch te komen voor een grootschalige herdenkingsplechtigheid; aangezien genoemde baby luttele decennia later nogal laatdunkend schreef over de invasie, is deze D-Day-datum welgekozen, zo meent het Genootschap.

De feestelijke aftrap van de Willem W. Watermanherdenking zal die dag om 12.00 uur een aanvang nemen in het Bossche café
De Smidse, Torenstraat 8-10, pal naast de bekende kathedraal waar zich het verhaal „Zonder de kracht van het woord” van wijlen Marie-José van den Hout afspeelt. U bent van harte welkom vanaf half twaalf!

Om een ruwe inschatting te maken van het aantal personen dat ons aller Willem W. Waterman op 6 juni wenst te gedenken, verzoekt het Bob Evers Genootschap verzoekt eenieder zijn of haar komst kenbaar te maken middels een mailtje aan nieuwsbrief@apriana.nl.

Op loopafstand van De Smidse bevinden zich weliswaar twee parkeergarages (de Sint Josephgarage in de Sint Josephstraat en de Put Garage in de Lange Putstraat), maar wie niet bepaald over het inkomen van Jan, Bob of Arie beschikt, zij verwezen naar de uiterst voordelige Transferia, waar men voor de somma van vier euro niet alleen de hele dag kan parkeren, maar bovendien ook nog eens (met maximaal vier personen) gratis gebruik kan maken van de bus. Vanaf Transferium De Vliert (die om organisatorische redenen onze voorkeur geniet, omdat het avondprogramma elders plaats zal vinden) rijdt buslijn 70 elke 10 à 20 minuten zonder te stoppen naar de Sint Josephstraat, die zich - zoals gezegd - op loopafstand van De Smidse bevindt.


Berichtje in de Provinciale Noordbrabantsche en ’s-Hertogenbossche Courant van zaterdag 5 juni 1915

En dát er „eendje” jarig zal zijn, nou: dat zal zoete lieve Gerritje weten!


Zeg maar nee, dan krijg je er twee!



Voorzijde van „Dollemansrit met een Mighty Mite”,
door Lia Krijnen

Voorzijde van „De perikelen van kolonel Prins”,
door Lia Krijnen

Kunt u, beste lezer, zich nog die mooie jaren ’50 herinneren, waarin er met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk drie spiksplinternieuwe Bob Evers-deeltjes per jaar verschenen? Minstens de helft van de redactie van de Nieuwsbrief is helaas nog te jong om zich die tijd voor de geest te halen, maar de complete redactie is ervan overtuigd dat dat mooie tijden geweest moeten zijn. Wat een heerlijke verrassing was het dan ook voor de redactie - en, naar wij menen, voor iedereen die Jan, Bob en Arie een warm hart toedraagt - toen Peter de Zwaan liet doorschemeren een poging te doen om dat mooie gemiddelde van een halve eeuw geleden tenminste enigszins te laten herleven, door in het jaar waarin Willy van der Heide 100 jaar zou zijn geworden niet één, maar twee nieuwe titels uit te brengen!!! Chapeau! Er moeten meer en meer nieuwe titels uitgebracht worden! Van die hééle nieuwe, weten jullie niet?
Zoals bekend zal deel 54 „Dollemansrit met een Mighty Mite” gaan heten Dat deel, dat oud en vertrouwd in Pennsylvania speelt, zal eind april, begin mei verschijnen, tegelijkertijd met „De perikelen van kolonel Prins”, deel 55, dat nog ouder en nog vertrouwder in Nederland zal spelen. Waar deel 54 nog een ‘los’ deel is, zal 55 naar goed oud gebruik het eerste deel van een trilogie zijn, waarvan Peter ons het tweede en derde deel voor 2016 belooft. Voor meer bijzonderheden over deze spectaculaire productie van Peter de Zwaan en de bestelwijze van al dit fraais verwijzen wij u graag naar zijn eigen website.
De redactie van de Nieuwsbrief snapt nu waarom Peter onlangs de opmerking maakte dat je het na je pensioen nog vele malen drukker krijgt dan daarvoor. Naast Bob Evers-fans bestaat er namelijk ook nog een grote schare Jeff Meeks-fans, die met z’n allen amechtig zitten te popelen tot De Zwaan de nieuwste thriller uit hun geliefde serie, „De Dwergbowler”, zal uitbrengen.

Willem Waterman en het Konkelberg-proces”.

Dat is het boek dat redactielid John Beringen speciaal schreef in het kader van het Willem W. Waterman-jaar. De oplettende lezer zal reeds bespeurd hebben dat het een éénmalige uitgave is van 100 genummerde exemplaren en dit natuurlijk omdat Willem in juni a.s. 100 jaar zou zijn geworden. Voor de goede orde moet John vermelden dat er slechts 98 exemplaren beschikbaar zullen zijn omdat er al twee lang van te voren zijn gereserveerd. Een voor de schrijver zelf en een voor de kunstenaar die het beeldje voor de omslag vervaardigde (waarover verderop meer). Nu zal er bij belangstellenden een aantal vragen rijzen, die John even langs loopt.

Om maar met de meest voor de hand liggende (en meest Nederlandse) vraag te beginnen: Wat gaat het kosten?
Antwoord: € 16,95. Dit bedrag zal ongetwijfeld de Jan Prins in de lezers doen ontwaken. E.e.a. heeft te maken met het feit dat het een relatief kleine oplage betreft van een boek van 200 pagina’s EN de kosten van het beeldje, waarvan de prijs menigeen hartkloppingen en/of hartritmestoornissen zou bezorgen. Echter: één van de 98 kopers zal dit gaan bezitten omdat dit kunstwerk onder diezelfde kopers verloot zal gaan worden. Uiteraard zal dit op gepaste wijze geschieden en in het bijzijn van getuigen teneinde iedere zweem van manipulatie of gekonkel te vermijden. Het beeldje is niet alleen zeer verzamelwaardig door wat het voorstelt, maar ook door wie het gemaakt heeft: Ruben Verheggen. Deze geniet enerzijds bekendheid door zijn conceptuele ontwerpbureau waar „Kunst met een R” een onderdeel van vormt en door het buitengewoon originele verjaardagscadeau dat hij vorig jaar op TV overhandigde aan Johan Derksen voor diens 65ste verjaardag. Het ligt in de bedoeling dat die verloting plaats zal vinden tijdens de bijeenkomst op 6 juni, er van uitgaande dat de 98 resterende exemplaren inderdaad verkocht zijn. Mocht dat niet het geval blijken te zijn, dan houdt John nog wat speelruimte open tot 1 juli (de verloting zal dan alsnog plaats vinden onder dezelfde condities voor wat betreft het controle-element en ook ten bewijze gefilmd worden). Is dan nummer 98 niet besteld, dan zal het worden overgedragen aan het privé Bob Evers-museum van Roger Schenk.

De volgende vraag: Hoe kan men in het bezit komen van het boek?
Dat is heel simpel: stuur John gewoon een mailtje (john.beringen@casema.nl) met als onderwerp „Konkelberg” en de namen zullen worden genoteerd totdat de lijst op 98 staat. Vermeld dan wel de voorkeur: afhalen op de bijeenkomst en aldaar betalen (dit om portokosten te omzeilen) of overmaken met portokosten zodat John het opstuurt. Uiteraard zal hij voor die tijd laten weten hoe e.e.a. is verlopen voor wat betreft de stand waarbij hij de lijst van namen alfabetisch zal weergeven. N.B.: als de belangstelling heel groot is, zullen er mensen teleurgesteld worden, omdat het risico aanwezig is dat de vraag groter is dan het aanbod van 98 stuks. Hiervoor geldt het wat kille „Wie het eerst komt, het eerst maalt.” Als pleister op de wond kan John deze personen toezeggen dat hij geen enkele vorm van auteurs- of merkenrecht op „Het Konkelberg-proces” laat berusten. Voor deze mensen zal hij het boek t.z.t. ook digitaal beschikbaar maken.
Dat brengt ons bij op een (letterlijk) zeer breekbaar onderwerp: het beeldje. Dit is vervaardigd van een soort keramiek en bijzonder kwetsbaar. John Beringen zal dat in Den Bosch niet bij zich hebben, omdat het niet ondenkbaar is dat de winnaar niet aanwezig is en John het niet aandurft om dit kunstwerk twee ritten te moeten transporteren; bovendien zou de winnaar - indien aanwezig - de rest van de bijeenkomst ook heel veel kopzorgen hebben om het heelhuids thuis te krijgen (en al helemaal als hij of zij een borreltje zou drinken). Daarom wil John voor dat punt één ding afspreken: woont de winnaar of winnares binnen een straal van 60 kilometer van Wijk bij Duurstede, dan komt hij het persoonlijk bezorgen; is de afstand groter, dan moet er ergens onderweg een plaats voor de overdracht worden afgesproken. Wie overigens langs wil komen bij John thuis om het af te halen, is natuurlijk ook welkom. Mocht de gelukkige in het buitenland wonen dan is John bereid om het beeldje bij een familie-adres hier in Nederland van de betrokkene af te leveren. Technisch detail: het beeldje meet van vloer tot kruin zo’n 17 centimeter. Dit om aan te geven hoeveel ruimte er moet worden gerealiseerd in een vitrine, glazen kastje of eventueel voor de maat van een glazen stolp (dit laatste is trouwens wel erg kostbaar).

Vraag nummer 3: Wanneer is het boek verkrijgbaar?
Waarschijnlijk eind maart. John houdt hier bewust een ruime marge aan, omdat hij nog wat werk heeft m.b.t. de definitieve omslag (de getoonde afbeelding is slechts een indicatie van hoe het ongeveer gaat worden). Het drukken zelf zal drie à vier weken in beslag gaan nemen. E-mails van belangstellenden mogen in ieder geval al verstuurd worden. Degenen die aangeven te willen overmaken, zullen Johns rekeningnummer pas krijgen als hij de boeken ook daadwerkelijk in huis heeft. Zoals eerder opgemerkt, zal hij de stand van zaken tussentijds doorgeven.
We sluiten af met een link naar een kort filmpje.

De (met Bob Evers) gevulde boekenkast van ...

De journalist Erwin Reijers zoekt in alle beschikbare media naar foto’s van bekende Nederlanders die voor hun boekenkast staan. Met een loep probeert hij zoveel mogelijk titels te ontcijferen, met als achterliggende boodschap het aloude adagium laat mij uw boekenkast zien en ik zeg u wie u bent. De resultaten daarvan worden op gezette tijden gepubliceerd op de website De Boekenkast Van. In de aflevering van 3 mei 2014 was het de beurt aan niemand minder dan de voorzitter van het Bob Evers Genootschap, Peter J. Muller. Op de foto zijn zeker acht titels uit de onvergetelijke Bob Evers-serie te zien; Reijers lijkt ietwat teleurgesteld door de magere „oogst” aan pornoboeken in Mullers kast. De redactie is alleen maar teleurgesteld door de magere „oogst” aan Bob Evers-boeken. Maar goed, acht boeken zijn altijd nog beter dan de nul Bob Evers in de overige boekenkasten op De Boekenkast Van: zijn er dan verder helemaal geen Bob Evers-fans? Wat ons betreft, hebben alleen Keith Richards en J.K. Rowling een geldig excuus om geen enkel boek van Willy van der Heide (zoals je die naam correct spelt, meneer Reijers!) in hun boekenkast te hebben.
Van de gelegenheid maken wij graag gebruik door te melden dat Peter J. Muller nu ook een eigen website heeft. Dat hij een adept is van ons aller Willem W. Waterman, moge blijken uit de ondertitel: Welkom in mijn Wondere Wereld!. Wij nodigen iedereen uit om toch vooral eens een kijkje te nemen in die Wondere Wereld, want we zien behalve uiterst leerzame en vermakelijke teksten ook foto’s en verhalen over Willem van den Hout.

Puzzels

U hebt van ons nog tegoed de oplossing van de puzzel van Jan Hulshof uit de vorige Nieuwsbrief. Had u alle antwoorden goed?
Wat ruim twee jaar geleden als pleister op de wonde voor het niet meer verschijnen van de traditionele, door Hans van Oudenaarden getekende nieuwjaarskaart van De Boekenhalte, begint inmiddels zelf al een aardige traditie te worden: de Grote B.E.-/W.W.W.-Nieuwjaarspuzzel. De redactie is ditmaal op zoek naar 85 verschillende plaatsnamen; de eerste letters van die plaatsnamen, die u op het schema van pagina 4 t/m 6 kunt invullen, leveren tezamen een vrome wens op. Zoals altijd wensen wij u veel puzzelplezier!

Niet allemaal tegelijk, alstublieft!

Onder de titel „Uiterst aantrekkelijk aanbod van een uitgever” werd in de vorige Nieuwsbrief kond gedaan van het feit dat dhr. M.G. Stenvert de auteursrechten van de eerste 32 delen van de Bob Evers-serie wilde verkopen; aangezien de redactie op dat moment wat krap bij kas zat, kwam zij op het idee om een stichting op te richten om via crowdfunding aan de door de heer Stenvert geopperde vraagprijs te kunnen voldoen. Helaas kwam er zegge en schrijve slechts één reactie binnen bij de redactie, zodat wij de heer Stenvert met pijn in onze harten moesten laten weten dat wij helaas geen gebruik kunnen maken van zijn genereuze aanbod. Op Sinterklaasavond 2014 verrasten de heer Stenvert en Dutch Media Books B.V. vervolgens vriend en vijand met een persbericht, dat jullie elders in deze Nieuwsbrief zullen aantreffen. Te zeggen dat de redactie verbaasd en teleurgesteld is dat Dutch Media Books beweert dat de originele serie uit slechts 32 delen bestaat, is een understatement. Zeker omdat het moment waarop de serie uit 65 delen zal bestaan en er dus meer De Zwaan-delen dan Van der Heide-delen zullen zijn, met rasse schreden nadert.
Al is het persbericht nog zo snel, de actualiteit achterhaalt het wel: begin januari 2015 veranderde de nieuwe eigenaar zijn naam in Overamstel uitgevers.

Bob Evers leeft nog steeds!

De verkoop van de rechten aan Dutch Media Books heeft inmiddels ook de landelijke pers gehaald: in Boekennieuws, De Volkskrant, Het Parool, enz., verscheen het elders in deze Nieuwsbrief weergegeven persbericht (of varianten daarop).
Ook het radioprogramma De Taalstaat van Frits Spits besteedde aandacht aan dit opmerkelijke bericht: omdat de uitnodiging van dit radioprogramma de huidige schrijver van de serie, De Zwaan, te laat bereikte, was redactielid van de Nieuwsbrief John Beringen het ideale „slachtoffer” om door Frits Spits aan de tand gevoeld te worden over diens mening betreffende de verkoop van deze rechten, waarbij de interviewer het gesprek zeer spitsvondig in de richting van Willems oorlogsverleden probeerde te leiden. Het volledige interview van ruim zeven minuten kunt u hier downloaden en beluisteren. In hetzelfde programma, dat natuurlijk veel langer dan zeven minuten duurde, was ook Jan Mulder aanwezig, die onthulde dat ook hij vroeger de serie aan flarden had gelezen. De aanwezigheid van beide Bob Evers-fanaten leverde de volgende foto op:



Wie Stenvert zegt, zegt De Eekhoorn. Lazen wij in Nieuwsbrief 38 niet iets over een doorstart van deze uitgeverij, onder leiding van een zekere Wick Stenvert? Inderdaad, deze neef van bovengenoemde heer M.G. Stenvert had indertijd grootste plannen. Sindsdien is het echter verdacht stil gebleven rondom De Eekhoorn. Welnu, in het ijzingwekkende, maar toch ook onbedoeld (?) komische relaas van Koos Verkaik hieronder kunt u lezen waarom. Koos Verkaik poseert in Nieuwsbrief 38 nog broederlijk naast Wick Stenvert, maar inmiddels is de relatie tussen beiden ietwat bekoeld; Bob Evers-fans kennen hem natuurlijk als auteur van het kostelijke verhaal „Temidden van prutsers en klunzers ben ik gedoemd om te leven!” op gelukkig-gisteren.nl, de website van Willems zus Marie-José, maar de inmiddels 63-jarige Verkaik heeft meer dan vijftig boeken geschreven, voornamelijk in het science fiction- en fantasy-genre, zowel voor volwassenen als voor kinderen.
Voorts bevat deze Nieuwsbrief een verslag van een bevlogen leraar die erin slaagde om zijn passie, (boeken van) Peter de Zwaan, over te brengen op zijn leerlingen én het „lijdend voorwerp” van die passie voor de klas te halen, een jaloers makend relaas (en foto) van Sander van der Linden uit Houten (inderdaad: neef van Coen), twee verhandelingen van hoorspelfanaat Beringen, deel 3 uit de serie Watermannelijke Woningen en deel 7 uit de serie locaties van de Bob Evers-serie. De gastcolumn is ditmaal van Reinhard Beskers en de Nieuwsbrief wordt traditioneel afgesloten met Geerten Meijsings Onder het vergrootglas. Voor we hier echter zijn aanbeland, stuiten we nog op een onbekend gedicht van de Meester zelf en een column van de speciaal voor het Willem W. Watermanjaar teruggekeerde Henk Bergman.

In de vorige Nieuwsbrief maakten wij gewag van het verschijnen van „Drie kwajongens op zwart zaad” van Willem van den Hout. De uitgever, Hans van den Boom, laat ons weten dat er nog slechts een beperkt aantal exemplaren van dit uiterst humoristische boek verkrijgbaar is, dus bestel het boek bij Hans, voor het te laat is!
Nog veel beperkter inmiddels is de voorraad luisterboeken op CD van „Rumoer in een rustgebied” en „De Loverman”, uitgegeven door Peter van Eerdenburg.

Kopij voor Nieuwsbrief 45 gelieve uiterlijk 1 juni naar: nieuwsbrief@apriana.nl.





Een Eekhoorn in het nauw maakt rare sprongen
Koos Verkaik

Een van mijn favoriete schrijvers is Theodore Sturgeon. De titel van het eerste hoofdstuk van zijn boek „Meer dan Menselijk” is: De Fabelachtige Idioot. Ik heb nooit gedacht dat ik nog eens een uitgever zo zou noemen - een fabelachtige idioot. Nou ja, een echte uitgever is hij eigenlijk nooit geweest, maar een fabelachtige idioot... dat ongetwijfeld!

Toen ik een foto maakte van een lege kantoorruimte in Meppel, kon ik niet vermoeden dat juist dit pand de splijtzwam zou vormen tussen mij en de nieuwe eigenaar van
Uitgeverij De Eekhoorn.
Want op dat moment zag alles er nog rooskleurig uit: de uitgever van De Eekhoorn had een voorlopig huurcontract getekend voor het pand, zou met spoed op zoek gaan naar een secretaresse en redacteuren en ik kreeg een sleutel, zodat ik kon komen en gaan wanneer ik wilde.
Van mijn boekenserie zou hij immers, dat wist hij zeker, zo’n 50.000 exemplaren per deel verkopen.
Het uiteindelijke trieste resultaat zou zijn, dat hij nog geen tien boeken van het eerste deel verkocht, de drukker niet betaalde, de rekeningen van het Centraal Boekhuis nooit zou voldoen en mij zou weigeren een lening terug te betalen; ik had hem 3000 euro gegeven om problemen te voorkomen die alles te maken hadden met die lege kantoorruimte in Meppel...
De nieuwe uitgever van De Eekhoorn bleek helemaal geen geld te hebben en was er van overtuigd dat hij door pure bluf een zaak kon opbouwen die minstens zo zou floreren als die van zijn grootvader (die namelijk ook eigenaar van De Eekhoorn was geweest).

Laten we naar het begin gaan, toen ik de uitgever ontmoette. Op zijn website had ik een foto gezien van zijn grootvader en mijn oude vriend Willy van der Heide, pseudoniem voor Willem van den Hout, bij mij beter bekend als Willem W. Waterman.
Grootvader had massa’s Bob Evers-boeken verkocht. Willy van der Heide vertelt het een en ander over hem in zijn magistrale boek „Toen ik een nieuw leven ging beginnen”. Het was om deze foto dat ik contact opnam met de uitgever. Hij nodigde me uit in een boerderijtje onder de rook van Meppel.
Hij was eigenaar van het hele pand, legde hij me uit, bewoonde zelf een klein gedeelte en verhuurde de rest. Het rieten dak moest binnenkort worden vernieuwd, voor de lieve som van 60.000 euro. Daar haalde de uitgever zijn schouders over op: hij zou later nog vaker met hoge bedragen smijten. Zo ging hij 25.000 euro steken in een internetproject dat het makkelijk maakte om iemands stamboom uit te zoeken en zou hij het benodigde geld storten om van zijn uitgeverij een BV te maken.
Pas veel later zou blijken dat zijn bankrekening leeg was en dat hij zijn kamer en kantoortje in het boerderijtje gewoon moest huren...
Wick, zoals de man zichzelf noemt, pochte over tientallen jaren ervaring als het om uitgeven ging. Alleen al zijn familienaam stond garant voor succes. Hij zou zijn serie kinderboeken wel even verkopen, hij had de juiste contacten.
Tijdens mijn tweede bezoek, om een contract te tekenen, vertelde hij me dat hij Uitgeverij De Eekhoorn had gekocht: die was nu weer terug waar hij hoorde, namelijk bij de familie die hem had opgericht. Vlak voor het tekenen van het contract wees Wick nog naar een foto van Willy van der Heide die aan de muur hing. Hij was er van overtuigd dat Willy en zijn grootvader op een wolk zaten toe te kijken en hun goedkeuring gaven aan onze samenwerking.
Tijdens mijn derde bezoek was een verslaggeefster van De Telegraaf aanwezig, die een stukje zou schrijven over de herrijzenis van De Eekhoorn.
Wick zat op zijn praatstoel en vertelde dat hij voor iedere leeftijdsgroep nieuwe boeken op de markt ging brengen en dat de uitgeverij binnenkort zou verhuizen naar Meppel. Een tweede vestiging in Apeldoorn zat er aan te komen.
Inmiddels was ik er achter gekomen dat hij meer dronk dan goed voor hem was (zijn handen trilden voortdurend) en dat hij vlak voordat hij iemand ontving een stickie moest roken om kalm te worden. Hoewel astmatisch, rookte hij als een ketter.

We gingen naar de drukker in Raalte, ik reed in mijn auto achter hem aan. Voor de drukkerij parkeerden we naast elkaar. Wick stapte uit in een wolk van hasjrook. Eenmaal binnen liet hij blijken nergens verstand van te hebben en liet mij alles doen: formaat bepalen, lettertype, papiersoort, etc. „Hoe meer je laat drukken, hoe goedkoper per boek,” legde de drukker nog uit, maar Wick wilde absoluut niet meer dan duizend exemplaren laten vervaardigen.
Ik regelde het ISBN voor het boek en zorgde er voor dat Wick zich meldde bij het Centraal Boekhuis. Het was me duidelijk geworden dat hij geen bal verstand had van het uitgeversvak, maar ik gaf hem nog het voordeel van de twijfel - wellicht bleek hij een schrandere, gehaaide verkoper te zijn.
Hij kwam vrolijk lachend met de onthutsende mededeling dat hij nooit las!
„Dat deed mijn opa ook nooit,” beweerde hij.
Hoe kon hij in godsnaam manuscripten aankopen als hij ze niet las?
Dat vond hij meer een taak voor mij: of ik misschien adjunct-directeur wilde worden. Daar bedankte ik vriendelijk voor.
Hij belde me minimaal vijf keer per dag. Ook stuurde hij me talloze e-mails. Daaruit bleek, dat hij niet in staat was twee zinnen achter elkaar foutloos te schrijven. Een abominabel taalgebruik! Ook op zijn website wemelde het van de fouten. Maar Wick wuifde al mijn opmerkingen daarover weg en verzekerde me dat hij bezig was iets groots op te bouwen. Als ik hem ’s morgens opzocht, danste de graatmagere uitgever door zijn kantoortje met een goedkope toiletspuitbus om de hasjluchten te verdringen. Herhaaldelijk vroeg hij me of ik niet blij was dat ik bij De Eekhoorn zat. Als ik even iets op zijn laptop wilde doen, wees hij naar zijn stoel achter een piepklein bureautje en zei: „Ja, ga maar eens zitten, dan weet je hoe het voelt om even de uitgever van De Eekhoorn te zijn.”
De drukker leverde de duizend delen van mijn boek af. Ik had een verkoopbrief voor Wick geschreven en doorgemaild, zodat hij die naar inkooporganisaties kon sturen.
Dat deed hij en toen nam hij een volle maand rust.
„We kunnen achterover leunen, de rest gaat nu vanzelf,” voorspelde hij keer op keer via de telefoon. „De inkopers melden zich wel...”
’s Middags om twaalf uur kon hij spontaan bellen: „Wat een mooi vak heb ik toch, Koos! Ik ben net wakker en ga meteen aan de borrel!”
Toen ik het meer dan zat was, ging ik maar weer eens naar hem toe en dwong hem met enkele mensen te bellen. Niemand van de inkopers kon zich boek of brief herinneren. Had hij geen aanbiedingsfolder?
Wick liet zich geenszins uit het veld slaan en zoop gewoon door en verzuimde ook niet met grote regelmaat een stickie op te steken.
Inmiddels kreeg hij trammelant met de man die hem het kantoorpand in Meppel had verhuurd. Er was immers een voorlopig huurcontract getekend. De man, ex-drukker en zelfs ex-eigenaar van De Eekhoorn, liet er geen gras over groeien. Er kwamen aangetekende brieven, die echter niet werden aangenomen, en uiteindelijk kwam het tot een rechtszaak. Wick ging er heen zonder advocaat, de tegenpartij had er twee gestuurd... Wick belde me in paniek op. Als hij niet meteen 3000 euro ophoestte, zou hij met uitgeverij en al failliet gaan. Ik vroeg hem of hij dan helemaal geen geld had.
„Jawel, maar geen 3000...”
Had hij de drukker wel betaald? Nou, nee, dat nog niet, maar dat was geen urgent probleem.
Kortom, hij leende de 3000 euro van mij, met de belofte alles zo snel mogelijk weer terug te betalen. Want hij wist nog wel aan geld te komen. Een paar dagen later belde hij over iets vreemds bij het Centraal Boekhuis: het aantal boeken dat er in voorraad was, wilde maar niet slinken. Nog niet één exemplaar ging er af. Dus vroeg ik hem of hij zijn rekening wel had betaald. Opnieuw: nou, nee, dat nog niet...
Een unieke situatie deed zich voor: de bibliotheekdienst bestelde exemplaren van mijn boek, maar die konden niet geleverd worden omdat de hele oplage aan de ketting was gelegd!

Wick, die de Bob Evers-serie opnieuw zou gaan uitgeven, die grootse plannen had met nieuwe series, die wel eens even zou laten zien dat het echte uitgeversbloed door zijn aderen stroomde, die zelf nooit een boek of manuscript las, die geen regel foutloos kon schrijven, bleek zonder ook maar het kleinste kapitaal aan de slag te zijn gegaan.
Van het uitgeversvak snapte hij niets en het verbaasde hem ten zeerste dat de inkopers niet in rijen voor zijn deur stonden te smeken om Eekhoorn-boeken.

De schulden liepen op, ook de belastingdienst had er genoeg van en Wick begon zich voor iedereen te verschuilen. Spontane longontsteking hield hem wekenlang aan het bed gekluisterd (dat dan waarschijnlijk in de kroeg stond), hij was (letterlijk!) op zijn achterhoofd gevallen - in een dronken toestand van zijn fiets gedonderd - en moest naar het ziekenhuis voor een scan. Nee, ’t was niet heel ernstig, maar hij moest zich heel rustig houden.
Toen ik hem begon op te jagen, omdat ik mijn 3000 euro terug wilde, kreeg ik een mail van zijn moeder. Arme Wick (bijna 40 jaar!) werd door haar verzorgd. De arme knul had een lichte hartaanval gehad en mocht met niemand spreken. Interessant om te zien dat moeder dezelfde schrijffouten maakte als haar zoon... Met andere woorden: dat mailtje had hij gewoon zelf in elkaar gedraaid.

Telefonisch is Wick nooit voor iemand bereikbaar geweest, behalve wanneer je het nummer had van zijn mobieltje en hij zich verwaardigde je te woord te staan. Iedereen - auteurs, illustratoren, drukkers en advocaten - kreeg iemand van een callcenter aan de lijn en doorverbinden was er niet bij. Op e-mail reageerde hij uiteindelijk helemaal niet meer. Alleen nog toen ik hem testte, door te vragen of De Eekhoorn te koop was en wat hij er voor wilde hebben. Inmiddels wordt de website van De Eekhoorn weer opgebouwd. Toen ik Wick mailde dat ik alvast iets vriendelijks in het gastenboek had geschreven, duurde het maar een uur voordat datzelfde gastenboek was verdwenen...

Terwijl hij me behalve geld ook veel dank verschuldigd is, wil hij mij absoluut niet zien.
„Als je langskomt, slaan bij mij de stoppen door.”
Of nauwkeuriger, zoals hij het zegt:
Dan slaon bie mien de stop’n deur.
Dus sta ik sindsdien regelmatig voor zijn deur, hopend dit fenomeen werkelijk te mogen aanschouwen. Helaas is hij nooit thuis. Alleen kat Felix zit zielig in het raam voor zich uit te staren.

As through this life you travel, you meet some funny men, some rob you with a six-gun and some with a fountain pen”, zongen The Byrds ooit *.
Willy van der Heide en ik hebben heel wat van die wonderbaarlijke figuren gekend. Ik schreef er over op de website van zijn zus.
In de tijd dat we elkaar veel zagen, vroeg een uitgever me of hij een van mijn boeken mocht herdrukken. „Conflict Afrika” was met een oplage van 20.000 exemplaren gedrukt - mooi gebonden, goudopdruk, stofomslag. Er kwamen er nu 5000 bij. Ik kreeg één exemplaar, de overige 4999 werden opgeslagen. Een dag later brandde het gebouw af.
Zo ben ik dus wat de pocketuitgave betreft in het bezit van het enige exemplaar.
En dankzij Wick ben ik nu ook in het bezit van het enige boek dat zijn vernieuwde uitgeverij De Eekhoorn wist te produceren...


De Monsterherberg” (Alex en de Wolpertinger,
deel 1) als Eekhoorn-uitgave

De Monsterherberg” (Alex en de Wolpertinger,
deel 1) als Literoza-uitgave

Is Wick een oplichter? Welnee. Oplichters zorgen er voor dat zij beter worden van iedere deal die zij sluiten. Wick is overtuigd van zichzelf en weet zeker dat hij het ooit helemaal gaat maken. Ik wens hem veel succes; proost! Alles wat hij tot nog toe met zijn onkunde heeft aangetoond is dat een eekhoorn in het nauw rare sprongen kan maken. Voor mij blijft hij een fabelachtige idioot.

Mijn kinderserie is inmiddels in goede handen. Deel acht komt straks uit en ik werk zelf aan deel elf, terwijl ik er dertig ga maken: Alex en de Wolpertinger. In Canada wordt de serie ook uitgebracht, daar verschijnt binnenkort deel vier. Verschillende romans hebben vorig jaar het licht gezien („De Dans van de Nar”, „Neanderthaler Dromen”, in de USA werd „The Nibelung Gold” gepubliceerd, in Canada werd „Heavenly Vision” uitgegeven), dus ik heb geen klagen.
Ik wil alleen nog eens zien hoe bij Wick de stop’n deur slaon en speciaal daarvoor zal ik nog graag eens bij hem aankloppen...

Zelf ga ik vrolijk door na mijn belevenissen met deze wonderbaarlijke figuur.
Er zijn echter mensen die zich gekwetst en bedonderd voelen en dan heb ik het niet over drukkers, advocaten of deurwaarders.
Een enkel voorbeeld: een schrijfster die een contract kreeg en haar dromen bijna werkelijkheid zag worden, is ten einde raad en heeft me meerdere malen in beverige paniek opgebeld.
Een nieuw plan van onze Wick, Meneertje App, strandde al meteen toen hij een tekenaar aan het werk zette en de rekening... alweer niet betaalde!
Ik ben bang dat De Eekhoorn straks opnieuw een valkuil zal blijken te zijn waar veel auteurs in zullen trappen.

*

In „Pretty Boy Floyd”, van het album „Sweetheart of the Rodeo” (1968).







Persbericht
Dutch Media Books
¹


Amsterdam, 5 december 2014

Dutch Media Books verwerft de rechten van de fameuze Bob Evers-serie

Dutch Media Books heeft de rechten verworven van de originele Bob Evers-serie. Een boekenserie waar menigeen in Nederland en Vlaanderen mee is opgegroeid.


Dutch Media Books zal de Bob Evers-serie in alle mogelijke formats opnieuw gaan uitgeven, zowel digitaal als in print. Daarnaast gaat de uitgeverij op zoek naar mogelijkheden tot de verfilming van delen uit de reeks.

De Bob Evers-serie is een reeks jeugdboeken geschreven door Willem van den Hout onder het pseudoniem Willy van de Heide. Het eerste deel, Een overval in de lucht, verscheen in 1949. De originele serie beslaat 32 delen en er zijn meer dan vijf miljoen exemplaren verkocht.

De hoofdrollen in de Bob Evers-serie worden vervuld door de HBS-jongens Arie Roos, Jan Prins en hun Amerikaanse vriend Bob Evers. Niet door geldgebrek gehinderd (ze hebben een grote beloning gekregen voor hun hulp bij de verovering van een goudschat in hun eerste avontuur) reizen de jongens de halve wereld rond, meestal om een bende bandieten, muiters of ander gespuis het leven zuur te maken.


¹

Begin 2015 is de naam van de uitgever veranderd in Overamstel uitgevers, maar bovenstaand persbericht verscheen nog onder de oude naam: Dutch Media Books.








Peter en de Kinderboekenweek
Ronald Cobet

Werken op een school waar je kinderen van buitenlandse ouders in no-time Nederlands probeert te leren, zorgt voor veel afwisseling. Zonder uitzondering zijn deze kinderen leergierig, want zonder kennis van het Nederlands kom je niet ver. In één groep zitten leerlingen van wel zes nationaliteiten. Ze begrijpen elkaar niet, als ze niet een gemeenschappelijke taal hebben en in dit geval is dat Nederlands. En dat leer je o.a. door heel veel te lezen. In het kader van Kinderboekenweek wat extra leuke boeken meegenomen, waaronder boeken voor de jeugd door Peter de Zwaan.
               Als een leerling ongeveer een half jaar bij ons op school zit, zit hij/zij op niveau groep 4/5 en dan zijn de boeken voor 9-10 jarigen nog te moeilijk. Maar ze beten zich er in vast. Na een stukje voorlezen en boekjes laten zien en leuke voorvallen vertellen, wilden ze de boekjes lezen. Om niet mijn eigen collectie te hoeven gebruiken, was Marktplaats de plek om vele boekjes snel tweedehands te bestellen, zodat ze die konden lezen. En dan plots komt de vraag wie die schrijver is en of ze hem iets kunnen vragen. Kan hij niet komen, want de andere groep krijgt immers een illustrator op bezoek? Pfffffffff. Wat een vraag.

Maar ik heb connecties met Peter en de kinderen staan om me heen, als ik zomaar een e-mail durf te schrijven naar meneer Peter de Zwaan. Hoe bijzonder ze dit ook vinden, na elke vijf minuten vragen ze al of er al antwoord is. Na ongeveer een uur klinkt de ping van de e-mail. Ze stormen naar mijn bureau voor ik er zelf bij kan. Gejuich gaat op zonder dat ze ook meer één letter hebben kunnen lezen. Maar de e-mail is wel van Peter en hij wil wel komen! Ze breken zowat de tent af na dit bericht.
               Na het regelen van formaliteiten en een afspraak maken, hebben ze nog een week de tijd om één of meer boeken te lezen. Ze doen hun best, maar de beste leerling komt nog maar halverwege een boek. Toch hebben ze de sfeer van het boek kunnen proeven en ze vinden het allemaal prachtig of spannend of leuk! Ook de meisjes vinden de BE-boeken leuk, lekker stoer. Niet één vond een boek niet mooi. Dat zegt toch wel iets over de kwaliteit van deze kinderboeken, die immers voor kinderen geschreven zijn. Ook de reeks van Tijger Tigran vindt gretig aftrek. Collega’s graaien de boeken voor volwassenen onder mijn neus weg. Allemaal best, als ze er allemaal maar zijn op die speciale dag.

Er zijn draaiboeken voor scholen voor wat betreft het ontvangen van beroemdheden en Peter is er één. Aan zo’n bezoek moet je wel de nodige aandacht besteden. Niet alleen met betrekking tot de ontvangst, maar ook hoe het allemaal gaat op zo’n dag. Dus droog oefenen op toneel (kun je wel een uur zitten op kussens of zitzak en hoe stel je een vraag? Hoe vang je iemand op aan de weg en wijs je hem de weg door school? Enz., enz.) en de aankleding voor het toneel verzorgen. Heeft-ie een prijs gewonnen? Hoe ziet die eruit? Mogen we die namaken? Heeft U gele kleden? Mogen we de Sinterklaaskachel gebruiken? Het podium zal er prachtig uitzien straks.

Als de leerlingen zenuwachtig aan de weg staan te wachten in fluorgele hesjes met rode schouderstukken, à la BE, komt Peter dan aangereden. Uiteraard is er een speciale privé-parkeerplaats voor hem vrijgehouden (P...... de Zwaan).




               Binnen kunnen even later de leerlingen hun plaats innemen. Door zelf gewoon weg te lopen, moeten de leerlingen het nu wel zelf doen en het gaat ze prima af. Peter wordt netjes geïntroduceerd en krijgt zowaar een spontaan applaus! Leuk. Dan neemt hij het over en het komende uur beantwoordt hij vragen en speelt met de aandacht van de kinderen als een volleerd pedagoochelaar. Hij heeft al zo vaak voor klassen vol kinderen gestaan, dat deze intieme sessie van 41 leerlingen geen probleem voor hem is. Het toneel is warm aangekleed, met vele omslagen en boeken om hem heen, een gezellige schemerlamp, de prijs „de gouden strop”, een open haard en een BE-wand met alle omslagen. En uiteraard een stoel en tafeltje met water.
               Niet alle leerlingen kunnen zijn zinnen al begrijpen, maar Peter vertelt zo rustig en zo amuserend en informatief, dat ze luisteren alsof hij een verhaaltje vertelt voor het slapen gaan. Pas na drie kwartier beginnen de leerlingen wat te bewegen op de kussens. Peter vertelt over de boeken voor volwassenen, zijn prijs, zijn leven, zijn werkwijze, en over alle jeugdboeken die hij geschreven heeft. Je ziet af en toe een leerling opveren als hij het over het boek heeft, dat hij of zij aan het lezen is. Vragen, vragen, allemaal vragen, het houdt niet op. En goede vragen. En als een leerlinge nog niet uit de woorden kan komen, maar wel een vraag heeft, neemt Peter alle tijd voor haar. Vier maanden in Nederland en toch al durven vragen......




               Maar er zijn ook leerlingen die al langer dan een jaar hier zijn, en die stellen vraag na vraag, als Peter ronde na ronde afwerkt. Als primeur mogen zij (en ik!) als eersten de omslag van het eerstvolgende BE-boek zien. Ze vinden het werk van Lia mooi, maar beseffen uiteraard niet de waarde van deze primeur. Ik wel! En andere bijzondere BE-informatie laat hij los. Wow, wat een primeurs voor mij. Maar het is aan Peter om die aan jullie te vertellen, sorry.
               Na een uur moeten we er toch een eind aan breien en Peter is dan ook nog te porren voor een handtekeningensessie!
               Op speciale kaartjes zet hij voor elk kind een handtekening (en dat zijn er wat als je daar zit!) en krijgt hij netjes een handje als bedankje.




               Daarna mogen de „ceremoniemeesters” hem bedanken en krijgt hij een mooie bos rood/gele bloemen voor Lia en een paar Shell-wagonnetjes met inhoud. Ze begeleiden hem naar zijn auto en nemen afscheid.
               In de klas willen de leerlingen onmiddellijk een blaadje om een verhaal te gaan schrijven. De drang is groot en we gooien het lesschema overboord. Laat ze maar gaan, dit is uniek. Het bruist hier van motivatie en ideeën.
               Na een uur hebben drie leerlingen elkaar gevonden. Twee schrijven een verhaal dat niet in een paar bladzijden af zal zijn en eentje is bezig met een stripverhaal. De leerlingen uit de andere klas kunnen al veel beter Nederlands en daar zal het aantal „schrijvers” groter zijn.

Maar wat een dag. Een geweldige dag voor de kinderen en Peter was zo motiverend en stimulerend voor hen, dat ’s middags al mijn boeken uitgeleend waren. Uiteraard ook weer de andere boeken door collega’s. Vooral „In mijn hoofd” heeft menigeen inwendig geraakt.
               Peter, enorm bedankt, dat je dit hebt willen doen. Het was een onvergetelijke ochtend voor deze leerlingen en je hebt er zeer waarschijnlijk klantjes door gekregen! En terecht, je schrijft prachtige jeugdboeken.




Epiloog
Weet je wat ik nou zo bijzonder vind aan dit alles? In mijn groep zitten kinderen met 10 verschillende nationaliteiten. En ze vinden allemaal de boeken van Peter mooi. Dat zeggen ze niet over die speciale boekjes waarmee ze moeten leren lezen: nee, juist deze avonturenboeken van Peter lezen ze wel graag, hoe moeilijk het ook is.
Toch bijzonder, dat een schrijver zo internationaal kan schrijven. Van Syrië tot Eritrea, van Rusland tot Spanje, Van Egypte tot Polen, van Armenië tot Iran, zoveel verschillende culturen en de boeken vallen in de smaak. Dan mag je toch wel stellen, dat hij een schrijver is met bijzondere kwaliteiten.





Bob Evers belegert Fort B
Sander van der Linden

Ik was, denk ik, zo’n negen of tien jaar oud, toen ik op de studeerkamer van mijn opa een rijtje boeken ontdekte, jongensboeken, bij nader inzien. Eén gebonden boek trok mijn aandacht, met name door de wervende titel „De Strijd om het Goudschip”. Ademloos las ik het, met een zaklamp onder de dekens. Helaas was dit het enige Bob Evers-boek dat ik aantrof. Toen ik op zoek ging in de boekhandel trof ik het bekende rijtje Eekhoornpockets en binnen no-time ging al mijn zakgeld op aan het kopen en onmiddellijk lezen van de avonturen van onze drie vrienden.
Toen ik wat ouder was, rond de veertien, vijftien, placht ik te logeren bij een broer van mijn vader, en bijgeval mijn oom én peetoom Coen van der Linden, domicilie houdende in de Rozenstraat in Amsterdam. Een buitengewoon boeiende tijd. Buiten het feit dat er de meest vreemdsoortige en kleurrijke figuren op bezoek kwamen, werd er ook hasj gerookt. Dat was iets magisch. Zeker in die tijd. Eén van die kleurrijke figuren boeide mij zeer. Een vent met een martiale snor, ‘stevig’ taalgebruik en dito alcoholinname. Coen vertelde mij dat dit Willem Waterman was, eigenlijk Willy van der Heide, de schrijver van de Bob Evers-serie.
Tegen die tijd had ik elk deel van de serie zeker zes keer gelezen en deze ontboezeming maakte dat ik Willem als een soort nedergedaalde godheid bekeek. In onze gesprekjes hadden we het uiteraard regelmatig over de serie. Later bleek dat Willem weer was begonnen met schrijven. In ’77 kwam „Bob Evers belegert Fort B” uit. Een schok der herkenning maar toch... anders? Willem beloofde mij boek en handtekening. Hij woonde ondertussen in de ruimte beneden de woning van Coen van der Linden. Vaak kwam hij ’s nachts oeverloos dronken aanwaaien waarbij er echt hele vreemde gesprekken plaatsvonden die ik echter bijzonder amusant vond.

De opdracht aan mij en handtekening gaan hierbij. Voor in het archief. Op de foto’s in eerdere Nieuwsbrieven met betrekking tot het Genootschap zie ik uiteraard Coen van der Linden en Peter Muller, die ik mij nog goed herinner van Coens tijd bij Candy (nog zo’n detail dat mijn status onder mijn vrienden echt onaantastbaar maakte). Ik weet nog dat Coen mij vertelde over het Koffiehuis-gebeuren, de oprichting van het Genootschap.
In de jaren erna heb ik nog herhaaldelijk de boeken ter hand genomen, maar lezen kwam er niet van, totdat ik opeens recent weer getriggerd raakte en vol verwachting startte in „Een Overval in de Lucht”. Onmiddellijk weer ondergedompeld in de magie! Ongelooflijk hoe beeldend en vol vaart Willem kon schrijven. Vandaag zocht ik opeens op de Nieuwsbrieven en herinnerde mij de opdracht van Willem. Ik bewaar het boek nog steeds met een aparte status!







De kopermijn in Stolzembourg
Reinhard Beskers

Laatst had ik een Bob Evers-moment. Het was zoiets als een déjà vu, maar dan door de kosmos gepresenteerd als een treffende gelijkenis. Ik bezocht met de kinderen een kopermijn in het plaatsje Stolzembourg. Dat ligt in het oosten van Luxemburg aan de rivier de Our, in een wat afgelegen gebied. De weg erheen loopt een paar kilometer lang naar beneden. Het is een beetje alsof je naar de rand van de wereld gaat, net alsof je bij Houston in een vliegtuig zit, zeg maar. In het museumgebouw kregen we eerst een lezing over de kopermijn. Er loopt een koperader, maar de mijn is nooit echt rendabel geweest. Toch zijn er door de eeuwen heen telkens avonturiers geweest die met hun unieke inzicht de mijn wel even rendabel zouden maken. Er werd zelfs een spoorlijn aangelegd om het koper te vervoeren en er werd gezweet en gezwoegd. Lotgevallen genoeg. Na zo’n periode van ontginning kwam er telkens een periode van stilstand. Net als nu in feite. Laat ik parallel aan de mijnlezing maar mijn lezing over Bob Evers-verhalen houden. Aan de Bob Evers-verhalen zitten soms rafels, alsof het nog niet helemaal af is. Zo had ik in de briefjesjacht de hele Kalahari lang het idee, dat we nog een verhaal tegoed hadden. Hoe was Bob hier in verzeild geraakt? Hoe kende hij John en Lois?
          „Luister goed, Jan, Ik heb geen tijd om alles uit te leggen. Dat zou uren duren.”
Toen we eindelijk in Engeland waren aangeland werd dat verhaal helemaal niet verteld.
          „Door een toeval - het duurt veel te lang om u dat precies uit te leggen - kwam ik in contact met neef en nicht, …”
Het zijn deze rafels die doen denken aan een sterk verhaal in de kroeg, zoals we Willem uit de overlevering kennen. Dat onbezonnene, met groteske gebaren en met volle overtuiging gebracht. Impulsief en soms de grenzen van het toelaatbare overschrijdend. De politie wordt meestal beschouwd als een lastpost, die er om heel specifieke redenen buiten gehouden moet worden. Met natuurlijk de meest mogelijke details, zodat het verhaal niet verzonnen kàn zijn. Willem heeft in een interview eens gezegd dat de illustraties van Mettes op de een of andere manier zo goed bij zijn verhalen pasten. Die illustraties leken niet af te zijn. En dat niet-affe, dat oorspronkelijke, dat karakteriseert ook de serie.

Na de lezing volgde een wandeling de berg op, waar men een depot had. Hier kregen we laarzen en plastic regenjassen tegen het druppelen in de onderaardse gangen. We waren er toen nog niet. Het depot stond bij de hoogste uitgang, voor de rondleiding liepen we weer een eind bergafwaarts. Door de afwateringstunnel bereikten we de mijn. De laatste in de rij sloot de zware deur (die moest echt op slot) en met zaklantaarns liepen we door de lange gang. We hadden zelfs helmen op gekregen, omdat de gang net niet manshoog was. Na een lange onderaardse tocht kwamen we aan het begin van de koperontginning. De rondleiding kon beginnen. Nog steeds dacht ik niet aan Arie, Jan of Bob. Onze leidster kon ontzettend leuk vertellen, ik stond achteraan en kon nog niets zien, maar ze was goed verstaanbaar. Na het verhaal trokken de voorsten zich terug en konden de mensen achteraan de koperschacht bewonderen. Een gat van zestig meter diep dat tot aan de rand volgelopen was met water. Over leuk vertellen gesproken: het leuke aan de verhalen van Willem is dat ze wat rauw en wispelturig zijn. Het heeft allemaal te maken met het karakter van de schrijver, die vooral schreef als hij geld nodig had, die liever nog wat in de kroeg had gezeten, maar voor wie geen zee te hoog ging. Het moest gewoon niet netjes zijn. Het werd ook nooit een vast stramien en zo is de loop van de avonturen ook onvoorspelbaar. In „Fort B” lijkt het avontuur maar niet op gang te komen, mijnen zijn kennelijk moeilijk bereikbaar, of het nu om smaragd- of kopermijnen gaat. Houston, Jan en Bob stranden in de wildernis waar vervolgens allerlei dingen gebeuren die niets met het verhaal te maken hebben. Het is het veelbeproefde verhaal in een verhaal, ons allen zeer bekend, een typische Van der Heide-stijlfiguur. „Fort B” leest als één lange inleiding tot een avontuur, vond ik. Ik verwachtte minstens nog een deel waarin het avontuur zich ten volle zou ontrollen. Maar die belegering was vrij kort en het avontuur plotseling uit. Heel onvoorspelbaar. Daar moest ik ineens aan denken bij die schacht, in een kosmisch Bob Evers-moment. Eindelijk bij de kopermijn aangekomen, bleek het begin van de rondleiding ook het einde te zijn, er waren verder geen gangen, er was alleen die ene schacht en na die gezien te hebben beklommen we de trappen rechtstreeks de donkere aarde uit naar het depot. Het was zomaar afgelopen. En wat is nu de moraal van dit verhaal? Die is er niet. Mijn column is ook zomaar afgelopen. En de kinderen vonden het allemaal prachtig.





Watermannelijke woningen, deel 3: 1941-1946
Roger Schenk

1e Van den Boschstraat 11, Den Haag : 1941.
Gedurende het grootste deel van het in 1944 verschenen boek „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?” (maar in werkelijkheid slechts 145 dagen) woonden Willem en Wiesje in het „grote huis” aan de Haagse 1e Van den Boschstraat, in de chique Haagse wijk Bezuidenhout. En uitgerekend van dit „grote huis” is na het geallieerde bombardement van het Bezuidenhout op 3 maart 1945 en de daaropvolgende herbouw geen steen bewaard gebleven, zodat we het met een oude archieffoto uit 1933 (waarop het „grote huis” tot overmaat van ramp ook nog eens gedeeltelijk schuil gaat achter een boom) moeten doen. Op de plek van de voormalige 1e Van den Boschstraat - de toenmalige straten waren veelal genoemd naar voormalige gouverneurs-generaal van de VOC en de WIC - liggen nu de Prins Clauslaan en de Utrechtsebaan. Wellicht had Willem een profetische blik, want waar eens het „grote huis” stond, staat nu een nog vele malen groter „huis”: het huidige Ministerie van Buitenlandse Zaken: qua grootte moet Willem vast en zeker dit gebouw voor ogen hebben gehad.
© foto: Haagse Beeldbank.


Van Imhoffstraat 31, Den Haag : 1941-1945.
Na het mislukte experiment om met al dan niet gelijkgestemde zielen een soort commune avant la lettre te beginnen, huurde het echtpaar Van den Hout het in „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?” genoemde „kleine huis”. Deze straat en dit huis - eveneens in het Bezuidenhout - hebben het beruchte bombardement van die zaterdagochtend op wonderbaarlijke manier vrijwel ongedeerd overleefd, omdat de wind plotseling draaide van noord naar noordoost, zodat ik anno 2014 hoogstpersoonlijk bovenstaande foto kon nemen van deze inmiddels alweer twaalfde Watermannelijke Woning. Klein lijkt het huis overigens allerminst: het is waarschijnlijker dat Willem en Wiesje slechts een deel van het huis huurden.
Zoon Peter van den Hout geeft op pp. 162 en 163 van zijn boek „Het kralensnoer” een summiere beschrijving van dit huis, waaruit Willem op een gegeven moment was weggelopen (p. 161); zus Marie-José daarentegen beschrijft in haar boek „Gelukkig Gisteren” (p. 50) hoe Willem op de dag van het bombardement van het Bezuidenhout door de Duitsers werd weggevoerd, maar later weer op geheimzinnige wijze terugkwam. Willem zal dus pas in maart of april 1945 uit Wiesjes, Peters en Pauls leven zijn verdwenen.


Aan boord van schroefstoomschip „Annie”, op het Rokin, Amsterdam : 1945.
Zes dagen na de capitulatie vinden „we” Willem terug aan boord van een oude stoomboot op het Rokin: naar eigen zeggen zit hij daar ongeduldig te wachten op nadere instructies van de geheimzinnige Geheime Dienst Nederland, maar die komen maar niet; wel komen er rond 22u45 van de avond van 11 mei 1945 twee jeeps vol Canadese militairen en mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten, die Willem arresteren.
De „N.V. Middelburgsche Schroefstoombootdienst Annie” was eigendom geweest van de vader van Willems opvolger bij Philips, Johannes Cornelis de Vries. Deze J.C. de Vries wordt vanaf 1938 goede maatjes met Willem en speelt onder de naam JeeCee een rol in „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?”. In de laatste weken van de oorlog mocht Willem deze boot lenen, omdat ze nu toch stil lag; op het moment van Willems arrestatie bevond de boot zich op het Rokin, tegenover het toenmalige gebouw van De Nederlandsche Bank (nu: het Allard Pierson Museum aan de Oude Turfmarkt), ongeveer op de plek waar we hierboven de rondvaartboot zien liggen. Van de „Annie” bestaan helaas geen afbeeldingen, terwijl er toch drie schepen onder die naam hebben rondgevaren: „Annie I”, „Annie II” en „Annie III”. Opvallend is overigens dat de boot van reder Evers in het feuilleton „De avonturen van drie jongens in de Stille Zuidzee” in het blad Jeugd (1943) ook „Annie” heet.


Levantkade, Amsterdam : 1945.
Vrijwel onmiddellijk na de arrestatie wordt Willem overgebracht naar de vrachtloodsen aan de Levantkade, die inmiddels (niet) waren ingericht als bewaarplaats voor politieke delinquenten. Op 18 mei schrijft hij een brief aan de commandant van dat kamp, die afgedrukt is in Bob Evers Nieuwsbrief 26. Vuistdikke rapporten van historici doen vermoeden dat gevangenissen als Abu Ghraib en Guantánamo luxe vakantie-oorden zijn, vergeleken met deze als provisorische gevangenis gebruikte loodsen. Vijf jaar lang ondraaglijk lijden - of het zien dan wel horen van zulk een lijden - had van de zich als bewakers opgeworpen „goede” Nederlanders een zelfde soort beulen gemaakt als de voormalige bezetters waren geweest. Het urineren van de bewakers in het eten en drinken van de delinquenten (of liever gezegd: verdachten) was in feite nog wel het minst erge wat de „foute” Nederlanders in deze loodsen overkwam.
Van alle loodsen op de Levantkade is dit de enige die de tand des tijds heeft doorstaan: alle andere loodsen op dit KNSM-Eiland hebben inmiddels plaats moeten maken voor luxe woonhuizen; of dit de exacte loods is waarin Willem wekenlang gevangen werd gehouden, is helaas niet meer na te gaan.


Huis van Bewaring II (Havenstraat 6/Amstelveenseweg), Amsterdam : 1945.
Na enige weken in deze „ hel op aarde” werd Willem overgebracht naar Huis van Bewaring II.
Deze in 1890 gebouwde gevangenis telde in de oorlog enkele prominente gevangenen, zoals Hannie Schaft, Johannes Kleiman en Victor Kugler. Na de oorlog was dit een van de 130 plekken waar de meer dan 100.000 gevangen genomen politieke delinquenten (of wat daarvoor door moest gaan) en in vele gevallen ook hun familieleden werden gedetineerd. In 1978, toen de Penitentiaire Inrichtingen Over-Amstel (de „Bijlmerbajes”) werden geopend, verloor Huis van Bewaring II zijn functie, maar het cellentekort dwong Justitie om deze gevangenis tussen 1987 en 2013 opnieuw te gebruiken voor het huisvesten van gevangenen, nu echter onder veel betere leefomstandigheden dan in de jaren ’40 van de vorige eeuw.


Fort Blauwkapel, Utrecht : 1945-1946.
Van de in totaal 130 fabrieksgebouwen, forten, gevangenissen, kastelen, kazernes, kloosters, loodsen, scholen, verwaarloosde woonhuizen en de door de bezetter gebouwde barakkenkampen, waarin verdachten kort na de bevrijding werden opgesloten, bleven in maart 1946 uiteindelijk negen grotere interneringskampen over. Het gevolg hiervan was dat bijna de helft van de gevangen al dan niet „foute” Nederlanders” vrijgelaten werd en de overige delinquenten voortdurend van het ene naar het andere cachot werden geschoven. Dat laatste was ook het lot van Willem, die in het late najaar van 1945 terechtkwam in de voormalige Artillerieloods B in Fort Blauwkapel; dit fort als geheel was in de vroege jaren ’20 van de negentiende eeuw gebouwd als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie; het afgebeelde Fort B (waar kennen we die naam toch van?), dat sinds 1883 bestaat, is inmiddels een Rijksmonument (nr. 47085, om precies te zijn).
Hier gebeurde het voorval, waarbij bewakers Willem afranselden onder het slaken van de kreet „Wie zei dat je in deze tijd niet lachen kunt?”. Ruim een jaar hiervoor had de minister-president van het kabinet in Londen, P.J. Gerbrandy, na een reis door het bevrijde zuiden, al geconstateerd dat de zeer willekeurig samengestelde troepen van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) „eigenmachtig aan het arresteren zijn gegaan, met het gevolg, dat naast de NSB’ers en collaborateurs, ook honderden onschuldigen nu vele weken gevangen zitten onder ondraaglijke hygiënische en immorele omstandigheden.” In 1944 en begin 1945 was deze bittere constatering nog een dankbaar onderwerp geweest voor Willem in diens uitzendingen van de Radio Gil-Club en Het bevrijde Zuiden, nu ondervond hij genoemde omstandigheden aan den eigen lijve.








De Stad en de Dichter
WWW

Voor de afwisseling in deze Nieuwsbrief geen verhaal van Willem, maar een tot op de dag van heden ongepubliceerd gedicht. Het zou wellicht net iets te veel eer zijn om Willem op eenzelfde voetstuk te plaatsen als Goethe (je weet wel: de befaamde dichter die als een ventilator in zijn Weimarer graf lag te wentelen bij het horen van de woorden „Wie rijdt er zo laat door nacht en wind? ’t Is kolonel Prins zijn enigst (sic!) kind”), maar zoals deze topper onder de wereldliteraten zich liet inspireren door dames als een Käthchen Schönkopf (what’s in a name?), een Friederike Brion, een Charlotte Buff en een Charlotte von Stein, zo kende ook Willem W. Waterman zijn al dan niet literaire Muzen. Een van hen was de kunstenares Ellen Bottenheim-Niemer, aan wie het onderstaande gedicht is opgedragen.
Ellen Josephine Niemer werd op 21 januari 1911 geboren te Abcoude. In 1932 trouwde zij met de 31 jaar oudere Johan Out, van wie zij twee-en-een-half jaar later scheidde; na een huwelijk met Frans Naerebout, dat nog geen half jaar stand hield, trouwde zij op 11 mei 1953 voor de derde (?) keer, nu met J.A.J. Bottenheim. Dit huwelijk hield beduidend langer stand, hetgeen voor haar reden was om haar schilderijen voortaan te signeren als ‘Ellen Bottenheim-Niemer’ of ‘EBN’. De heer Bottenheim was een goede vriend van Joseph Luns: vandaar dat wij Luns op de linker foto
bepaaldelijk naast de schilderes aantreffen, wanneer hij in 1968 een tentoonstelling van Ellen Bottenheim-Niemer in het Anne Frank-huis opent; te zien is verder haar bekende schilderij „Circus”. Op de rechter foto een zelfportret van haar.
Inmiddels zijn zowel Ellen, haar drie ex-echtgenoten als Joseph Luns overleden.





     De Stad en de Dichter

                    (opgedragen aan de schilderes
                    Ellen Bottenheim-Niemer).

De dichter,
     klankendronken troubadour,
is hofnar van een schikgodin.
De dichter kan een kleur bevruchten:
zijn waanzin een fantoom verluchten
doch:
          de dichter heeft de stad getrouwd
          de ijzerdreun van het Centraal Station
          het klankconfetti van een carillon...
De stad praalt als een grootvorstin
hij tooide haar met lichtjuwelen
met diademen van kantelen
met bloembrocaat langs vondelvijvers
met zuidertorenminaretten
met jubelende klarinetten
in de oercadans van bas.

          maar steeds blijft Ellen.

          Ellen is
                    een van die spectaculaire prenten
          plots passerend langs een ruit
          zowel gracieus als cynisch
          wereldwijs en vaag virginisch
          met een ziel als bitter fruit.

          Ellen is select en eenzaam
          Ellen is een schilderes
          trizofreen en bijna schaakbaar
          soms pikant en bijna schaakbaar:
          gevoel in een kristallen fles.

          Zij werd gratievol geboren
          in de oprechtheid van Gauguin
          zonder patina of pose
          met al het éclat de la rose
          et la fraîcheur du jasmin.

maar
de dichter heeft de stad getrouwd:
het is de grootsheid van zijn stad
dat niemand haar ooit gans bezat
dat niemand haar volledig kende
dat niemand ooit haar lot bestemde
de stad laat 1000 burgers sneven
opdat één klanksonnet zal leven.

          Ellen kan snel reageren:
          flitsend,
               schrander en gevat
          maar ook sportief capituleren
          na een geestvol schaak - en mat.

          Ellen, in haar lange mouwen
          wijd omzoomd met oude kant
          kan elegant wat thee serveren
          of charmant ten groet offreren
          haar wat verstrooide, slanke hand.

          Blikkend langs haar marterharen wimpers
          peinst zij in haar smeulend vuur
          en dan,
                    ineens
          die godvergeten glimlach
          of die lichte heesheid in haar stem -
          die zwerfblik in haar onrustogen
          haar stemmingen als regenbogen
          en dat eindeloos geduldig wachten
                              in de regen
                              bij een halte van de trem.

De dichter is een zwerveling
een Odysseus - een sterveling
die immer op geluk blijft hopen
maar nooit zijn dromen kan verkopen:
een dwaallicht is zijn richtkompas.

          en hij herinnert zich:
          de sfeer van Ellen
                              samen met een spaniel
                              trampend door de natte hei -
                              zwervend over stille wegen -
                              talmend in een warme regen
                              bij een oud hek
                              langs een wei.

                              Hoe fantastischer haar haren
                              des te meer précair haar trouw
                              en hoe exotischer
                                   de oorsprong der gevaren
                              zwevend in haar onwaarschijnlijk klare
                              ogen,
                              die van hardsteenblauw
                              in extase plots verwaven
                                   tot het schemerteer turquoise
                              van een tijdloos kratermeer.

Dit schrijft de dichter van de mens:
beschutting lijkt zijn diepste wens
de zwerftocht zijn bestemming.

Het is der vrouwen diepste grief
dat zij zijn ziel niet raken:
hij heeft tevéle dingen lief
en kan hen niet verzaken.

                    Soms hoort hij eeuwen in een woord
                    en tranen zijn kristallen;
                    dan ziet hij Ellen
                    in de knop gebroken
                    in de tuin van macadam
                    groot zijn glorieus verglijdend
                    dronken op haar cakewalk rijdend
                    brandend in haar eigen vlam:

                    Ellen,
                              wier sophistication
                    droog is als een vroed vernis
                    schreef sereen en vaag verdorven;
                    wrang patijn, uit pijn verworven
                    en een vleug verdoemenis.

                    O, klokkenspel vol colorieten
                    schaamvol spectrum vol van klank
                    meer dan vrouw en altijd meisje
                    parafrase op een oeroud wijsje
                    onvangbaar als een wolkenbank...

en de pleinen sidderen in neonprenten
waarlangs de trem rijdt

                    met zijn bruut HEEMAF.

                                                            WWW








Over (Bob Evers-)hoorspelen: hoe praatte Bob nou precies?
John Beringen

Hoorspelen... velen onder u weten dat dit een andere passie van mij is. Niet alleen geweldig leuk om naar te luisteren, maar ook om ze op te nemen. En dit laatste vereist een speciale aanpak, omdat een hoorspel iets is wat alleen „met de oren beleefd” kan worden; het visuele aspect ontbreekt. Aan de ene kant maakt het e.e.a. wat gemakkelijker, omdat je geen decors, bepaalde kleding, belichting enz. nodig hebt. De hoorspelacteur kan, bij wijze van spreken, gekleed in slechts een zwembroek en staande in een rommelhok een rol spelen waarin hij zogezegd als generaal, gekleed in gala-uniform, zijn manschappen toespreekt. Het beeld dat bij de ten gehore gebrachte scène hoort, vult de luisteraar zelf in gedachten in. Aan de andere kant is hoorspel-acteren vreselijk moeilijk, omdat de acteur/actrice alles moet doen met slechts zijn/haar stem. Iedere emotie en gemoedstoestand moet daarmee geloofwaardig vormgegeven worden. Degene die geen aanleg heeft voor deze kunst leest gewoon een tekst voor, degene die er iets meer van snapt, speelt niet onverdienstelijk een rol en de professional IS de persoon die hij of zij moet invullen. Daar zit ’m het verschil in. Zowel de microfoon als de luisteraars zijn op dit punt genadeloos. Als iemand die kunst niet goed verstaat, krijg je ongeveer een gelijksoortig effect als iemand die in een hoorspel verklaart op een Suzuki 750 te stappen om vervolgens een Solex weg te horen sputteren. De luisteraar PIKT dit eenvoudigweg niet omdat hij hier zonder pardon doorheen prikt. Het luistert (letterlijk) heel nauw. Dit tot zover over het uitvoeren van een hoorspel. Dan komen we op een ander punt: een boek bewerken tot hoorspel, zoals dat indertijd met enige Bob Evers-verhalen geschiedde. Voor zover wij dat kunnen nagaan, is dat met drie delen gebeurd: „Een overval in de lucht”, „De jacht op het koperen kanon” (VARA) en „Drie jongens en een caravan” (KRO). Van dit laatste boek (over de Caravan) wist ik de hand te leggen op het script van het allerlaatste deel. En hierin worden we meteen al iets gewaar over wat ik eerder aanhaalde i.v.m. „uitsluitend met de oren beleven”. Even ter illustratie: als iemand in een toneelstuk een pistool te voorschijn haalt, dan weet de toeschouwer meteen wat er aan de hand is. In een hoorspel zal iemand (ter verduidelijking) iets moeten roepen in de trant van „Wat moet dat met dat pistool?” De luisteraar kan immers niets zien en wordt op die manier op de hoogte gebracht van het feit dat iemand een pistool trekt. Bij het bewerken van een boek tot hoorspel loop je constant tegen dit soort kwesties aan. De dialogen zijn gewoon 1 op 1 over te nemen, maar dan komt datgene aan de orde wat door de alwetende verteller onder de aandacht wordt gebracht en onmisbaar is om de verdere verhaallijn te kunnen volgen. Deels is dat te ondervangen door de dialogen wat uit te breiden, maar met een hoop zaken lukt dat absoluut NIET, omdat die simpelweg niet in dialogen zijn onder te brengen. Daarvoor heeft men weer de „voice over” uitgevonden. Ter verduidelijking: iemand die tussen de gespeelde scènes wat achtergrondinformatie verschaft over wat er verder gebeurt. Ook daar zijn weer twee methodieken in: iemand die in het verdere stuk helemaal niet meer voorkomt en alleen het benodigde commentaar levert (Even voor de kenners: zoals de TROS het indertijd aanpakte met „Oorlog en vrede”) of één van de personen uit het stuk - meestal de hoofdpersoon - twee petten geven: die van medespeler EN voice over. (Dit laatste gebeurde weer in hoorspelen als „Ga zitten en sterf”, „Het vierde scalpel” en „Vijf dode oude dames”). Deze aanpak hanteerde men dus ook in „Drie jongens en een caravan”. Daar is het Arie die een rol speelt, maar ook als voice over de rol van de alwetende vertelinstantie overneemt, hetgeen in het script wordt aangeduid als „verhalend”. Voorbeeld:

Jan schoot een broek en short aan, draaide de sleutel van de buitendeur om en rolde die opzij. Beneden, onderaan het trapje, stond een kleine man, in een grijze streepjesbroek met een zwart jasje. Zijn schoenen waren glimmend gepoetst en over zijn arm hing een keurig opgerolde parapluie.

Verderop treedt hij weer als character op. Niks mis mee, want de luisteraar kan zo goed volgen waar het precies over gaat en hoe het allemaal verloopt zonder op een gegeven moment de draad kwijt te raken. Dan komen wij op een geheel ander punt en in deze context moet ik opmerken dat het buitengewoon jammer is dat er niet ook maar één minuut van de Bob Evers-hoorspelen uit de jaren ’50 bewaard is gebleven, omdat we daardoor tot in eeuwigheid moeten blijven raden hoe men het hoofd bood aan een ander aspect, nl. dat Bob een Amerikaan is. In een boek is het heel eenvoudig: als daarin bijvoorbeeld een Fin spreekt met een Arabier dan geeft dat niet zoveel problemen. Of er is een tolk aanwezig die duidelijk maakt wat er over en weer gezegd wordt, of beiden spreken Engels waardoor ze zich aan elkaar verstaanbaar kunnen maken. Kortom: de taalbarrière is op papier eenvoudig te overbruggen; de lezer volgt het gesprek zonder enige problemen. In de Bob Evers-verhalen wordt een enkele keer subtiel aangegeven dat Bob Engels spreekt door bijvoorbeeld een zin als: „Sure,” zei Bob op nadenkende toon, „bij ons in Amerika pakken ze dat heel anders aan.”

Maar een hoorspel bestaat uitsluitend uit gesproken tekst... En dan kun je slechts kiezen uit twee methodieken: iedereen gewoon Nederlands laten spreken. Dat klinkt wellicht onlogisch, maar er zijn heel veel voorbeelden van hoorspelen waarin een Fransman op vakantie is in Duitsland (om maar wat te noemen) en die aldaar een gesprek heeft met een Duitser zonder dat er iets van een verschil is te horen. Het gaat allemaal gewoon in het Nederlands. En daarnaast kan men kiezen voor een aanpak waarin de Engelssprekende persoon Nederlands spreekt met een Engels accent. Iedereen weet wel hoe dat dan ongeveer klinkt: zoals je dat kunt horen bij een Engelsman die al dertig jaar in Nederland woont en goed Nederlands spreekt, maar toch dat bepaalde accent behoudt. Dit zo aanpakken in een hoorspel houdt wel in dat het ook consequent moet worden volgehouden. Als iemand „jij” als „jai” uitspreekt om te accentueren dat hij of zij geen Nederlander van geboorte is, dan is het heel onwezenlijk als je die persoon op een onbewaakt moment ineens het Nederlandse „jij” hoort zeggen.
De vraag zal blijven: „Hoe loste men dat in de jaren ’50 op en hoe praatte Bob precies?” Wat dat aangaat, zou ik heel graag 1 minuutje uit de VARA-bewerking willen horen en 1 minuutje uit de KRO-versie van toen. Dat zal wel altijd een schone droom blijven, zodat we hier nooit een echt antwoord op zullen krijgen. Stiekem hoop ik op een revival van het fenomeen hoorspel: wie weet, komt men ooit zelfs (weer) op het idee om BE-verhalen tot hoorspel te bewerken.





Vier planken
Henk Bergmans column

In mijn werkkamer staat een grote boekenkast. In totaal zijn het bijna zestig planken, gevuld met het vele bedrukt papier dat ik in de loop van de jaren heb gekocht en gekregen. Vier planken in het bijzonder zijn me dierbaar. Op twee ervan staat mijn volledige Bob Evers-verzameling: de gebonden uitgaven (het overgrote deel met stofomslag), de geelrode pockets en een aantal boeken over de serie. De twee andere bevatten de complete verzameling jongensboeken die mijn opa heeft geschreven. Ja, inderdaad: mijn grootvader was ook een jongensboekenschrijver, net als Willem Waterman. Maar er zijn wel enkele opvallende verschillen.

Mijn opa (de vader van mijn moeder) heette Jac. van der Klei, werd geboren in 1879 en overleed in 1951. Hij was onderwijzer en schrijver: het eerste zowel op het Friese platteland als in de Amsterdamse Jordaan; het tweede hoofdzakelijk in de schoolvakanties. Hij schreef een dikke veertig boeken, voor het grootste deel uitgegeven door Kluitman in Alkmaar. Ik weet het niet, maar ik vermoed dat degene die wij in 2015 herdenken vanwege zijn honderdste geboortedag de Bob Evers-serie indertijd ook aan deze bekende, nog steeds bestaande uitgeverij van jeugdboeken heeft aangeboden. Die heeft dat aanbod vervolgens beleefd, maar beslist afgeslagen - en daar later torenhoge spijt van gekregen.

Weinig alliteraties bij mijn opa; hij doet het met titels als „Pietje Blank”, „Lief en leed van de Van Doorns”, „Goudhartje”, „Onder het linnen dak” en „Veendorper jongens”. Sommige boeken herlees ik net zo vaak als „Kabaal om een varkensleren koffer”. Het zijn verhalen over de strijd tussen arme, eerlijke en rijke, oneerlijke mensen, waarbij eerst de oneerlijke partij lijkt te winnen, maar waarin later de eerlijke partij toch zegeviert en de grootsheid heeft zich met de oneerlijke tegenstander te verzoenen. De passages waarin die verzoening plaatsvindt, staan boordevol zinsneden over „vochtige ogen” en „zacht geschrei”. Bij het lezen daarvan krijg ik zelf altijd tranen in mijn ogen. Ik weet dat ze eraan komen, die passages, maar het lukt me nooit ze helemaal droog door te komen. Nee, bij Bob Evers heb ik nooit last van opwellende waterlanders. Daar staat weer tegenover dat ik om de boeken van mijn grootvader nooit moet lachen - zelfs niet op de momenten dat hij leuk probeert te zijn.

Hoe „de jongens” van mijn opa eruit zien? Anders dan de Willem Waterman-avonturiers. Neem Pietje Blank, hoofdpersoon in het gelijknamige boek. We leren hem kennen als een zorgeloze, levenslustige jongen, niet vies van het uithalen van enig kattenkwaad. Daarbij heeft hij één nadeel: hij kan niet rennen. Zijn benen zijn te dun; er zitten geen stevige spieren aan. Knap lastig als je je snel uit de voeten moet maken - en dat moet hij regelmatig. Pietje is „hoofdman van de rooversbende van Wimpie Lodigijs”. Om die aanduiding moeten de meeste bewoners van zijn dorp Steendam lachen, maar enkelen krijgen er toch een benauwd gevoel van. Ten onrechte, want de streken van Pietje en zijn kornuiten (Wim, Louw, Dirk en Gijs) gaan niet verder dan het schrijven van een dreigende brief aan Koning Winter (als het maar niet wil vriezen), het plagen van de nieuwe politieagent (die heel wat te stellen heeft met „die dekselsche jongens”) en het ontvoeren van de kat van de notaris en daar 25.000 gulden losgeld voor vragen (die betaald wordt in de vorm van vijftig appels in een koffertje). Dat is toch wat anders dan de deviezen- en schilderijensmokkel of de diamantenroof waarmee Bob, Arie en Jan zich bezighouden.

Ook „als mens” waren Jac. van der Klei en Willem Waterman nogal verschillend. Met geld smijten, schulden hebben, geen belasting betalen, kroegen terroriseren, vrouwen versieren, het hoogste woord hebben - alle zaken waarin de Bob Evers-verwekker een ongeëvenaarde hoogte had bereikt waren mijn opa vreemd. Hij was een vriendelijke, maar ook bangige man, die in een permanente angst leefde dat iets of iemand het op zijn rieten dak had voorzien. Geen lucifer kon er in zijn huis worden afgestoken of hij riep: „Pas op het dak, zo komt er brand.” Elke deur was voorzien van een slot. ’s Avonds was hij een kwartier bezig om het huis inbraakvrij te maken. Wie ’s ochtends het ongeluk had als eerste beneden te komen liep zich te pletter op een eindeloze serie geblokkeerde doorgangen. De serre was vaak pas in de middag weer open.

Ik ben de enige Nederlander die zich bezighoudt met de Jac. van der Klei-kunde. Voor zover ik weet, heeft Willem Waterman geen kleinkinderen die zijn geestelijk erfgoed bewaren. Maar die heeft hij ook niet nodig; daar zorgen wij met z’n allen wel voor.





De anticlimax
John Beringen

Wie de boeken van Willem leest, wordt regelmatig geconfronteerd met chaotische, maar vooral hilarische verwikkelingen. De heisa is vaak niet van de lucht. Er is echter één situatie aan te wijzen in zijn werk waarin je echt kunt spreken van een anticlimax. Daarvoor gaan we naar deel 27: „Kunstgrepen met kunstschatten”. Jan Prins krijgt aan boord van de „Roos van Dekama” een flinke uitbrander van kapitein Holdert als deze hoort dat de vader van Jan kolonel is. De kapitein wordt furieus en vraagt Jan wat zijn vader wel niet zou zeggen als hij zou horen dat zijn zoon probeerde te smokkelen. Arie merkt hierover later eenvoudig op dat Jan het natuurlijk weer helemaal verkeerd had aangepakt. Jan had volgens Arie moeten zeggen dat zijn vader ook smokkelaar was, want dan had de kapitein hooguit kunnen opmerken dat hij zijn zoon het vak maar slecht had geleerd. Ook dit is weer een staaltje van Roos-logica waarbij je jezelf op een gedachte betrapt in de trant van: „Hoe KOMT hij erop?” Maar dit even terzijde.
Wat verderop in het verhaal denkt Jan de angstige Lammers eveneens de les te lezen over de smokkelpraktijken. Als hij in deze context vraagt wat de vader van Lammers deed, schiet de man tegen iedere verwachting in compleet in de verdediging. Nu weet ik niet hoe het eenieder verging die voor de eerste keer in zijn leven deze scène las, maar ik werd meteen dodelijk nieuwsgierig naar wat er nou ineens gebeurde. De emoties lopen bij Lammers ongekend snel op. Zijn plotselinge felheid staat in schril contrast met zijn angstige houding zoals hij die tentoonspreidde voordat Jan over zijn vader begon. Een volle pagina wordt de lezer in het ongewisse gelaten over wat de oorzaak hiervoor kan zijn. Uiteindelijk valt het kwartje: de vader van Lammers was kolonel. Wat verwacht je dan als lezer? Daar kun je eindeloos over fantaseren. Mogelijk had Jan kunnen opmerken dat dit wel heel toevallig was omdat zijn eigen vader het zelfde beroep had; hij had zijn excuses kunnen aanbieden en verklaren dat het niet zijn bedoeling was om Lammers van streek of boos te maken, of kunnen vragen of het beroep van kolonel hem niks had geleken of dat hij het wel had gewild, maar dat hij er wellicht de capaciteiten niet voor had gehad... Nee, de passage wordt afgesloten met:

Toen ging Jan Prins koffie zetten. Dat was niet moeilijk, want in een muurkast waren een kraan, een wasbak, en een gasringetje, waarop gekookt kon worden.

Een ongelooflijke anticlimax. We worden niets gewaar omtrent hetgeen in Jans hoofd omgaat. De alwetende verteller laat gewoon in slechts twee zinnetjes weten dat hij zich naar de keuken begeeft om koffie te zetten. Desondanks proeven we, uit de manier waarop deze scène eindigt, werkelijk groot raffinement van de schrijver. We „zien” Jan Prins, compleet uit het veld geslagen, gedwee naar de keuken lopen. „Sprakeloos” en „verbluft” zijn begrippen die sfeer kleuren terwijl dat op geen enkele manier wordt benadrukt. Punt.
Nog even afgezien hiervan is het wederom een prachtig voorbeeld van de zoveelste keer dat Jan „op zijn snuit valt” als hij denkt eens een keer iets net zo aan te kunnen pakken als een ander, om vervolgens te ontdekken dat zijn „geleende strategie” totaal anders blijkt uit te pakken dan hij had ingeschat.





Enkele foto’s uit Casablanca
Roger Schenk

Deel zeven in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
Van jongs af aan heeft de stad Casablanca een magische aantrekkingskracht gehad op Roger Schenk. Komt dat door het feit dat „Cnall-effecten in Casablanca” lange tijd het laatste deel uit de serie was? Of misschien juist door de geheimzinnigheid waarmee het tijdens Willems leven nooit verschenen deel 33 was omgeven? Of door de haast onmerkbare overgang van de Franse (vooral deel 32 en pakweg de eerste helft van deel 33) naar de Marokkaanse (ruwweg de tweede helft van deel 33) cultuur? Misschien wel door het door filmliefhebber Van der Heide volledig negeren van elke herinnering aan de weergaloze film „Casablanca” met Humphrey Bogart en Ingrid Bergman, of gewoon een combinatie van al die dingen? In elk geval zag Roger in het voorjaar van 2014 een lang gekoesterde droom in vervulling gaan: een bezoekje aan Casablanca, in de voetsporen van Jan, Bob en vooral Arie.
Het toeval - dat rare verschijnsel, dat volgens onze Grote Schrijver helemaal niet bestaat - wilde dat Roger nog geen maand na zijn thuiskomst uit Casablanca van Peter J. Muller, de voorzitter van het Bob Evers Genootschap, het originele typoscript van „Een zeegevecht met watervrees” (althans: het deel van Willy van der Heide) overhandigd kreeg.


Kaartje van Casablanca.
De nummers 1 t/m 6 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.


Overnachten in Casablanca doe je natúúrlijk in Hôtel Transatlantique. Weliswaar niet in de kamer van Arie Roos of Bernhard Cnall (want de nummers 178 en 180 blijken niet te bestaan), maar kamer 108 komt toch aardig in de buurt.
Let vooral ook eens op de kleur van de trottoirbanden voor het hotel!
(1)



Het El Mansour Hotel (dat tegenwoordig trouwens Le Royal Mansour Meridien heet) ziet er een heel stuk duurder uit dan dat goeie, ouwe Transatlantique. En dat blijkt ook - nog steeds - te kloppen, alhoewel Transatlantique wel een stuk gezelliger is, precies zoals Arie Roos al vermoedde. Hoe dan ook, dit is de lobby van El Mansour, zoals we het maar blijven noemen, waarin we rond 18.00 uur anderhalf uur hebben gewacht tot de man met de wandelstok met witivoren knop zich wenste te vertonen, maar helaas. Dus hebben we ons koffertje met 100.000 dollar en onze Hell Snelzender maar zelf gehouden. (2)



Er drijft inderdaad van alles en nog wat in de haven van Casablanca. Een mens zou er spontaan watervrees van krijgen!
Maar een rood-geel „pieremaggoggeltje daar beneden, met zijn hakkepoffer er achteraan” is dan weer wel helemaal in de beste
Bob Evers-traditie. (3)



Zoals wij allemaal weten, was Piscine Orthlieb ooit het grootste zwembad ter wereld. Nadat het er in dit zoutwaterbad van 480 meter lang en 75 meter breed na de opening op 14 juli 1934 gemoedelijk aan toe ging en het bad door alle lagen van de bevolking werd gebruikt, zocht de blanke bovenlaag van de bevolking al snel zijn heil in diverse andere zwembaden langs de kust. In hoeverre Willy van der Heide op de hoogte was van deze gang van zaken, blijft giswerk; in de delen 32 en 33 wordt er niets over verteld. Het gevolg was dat Centre Balnéaire Georges Orhlieb een kwijnend bestaan leidde en eind jaren ’80 z’n deuren moest sluiten. Ervoor in de plaats kwam de Hassan II Moskee, het op twee na grootste religieuze bouwwerk te wereld, die op 30 augustus 1993 werd geopend en die gedeeltelijk boven het water van de Atlantische Oceaan is gebouwd; in de catacomben van de moskee wordt momenteel de laatste hand gelegd aan een hamam, een Turks bad, zodat er tenminste nog iets van de glorie van het aloude Orthlieb kan herleven. (4)



En dit is ’m dan: de „wereldberoemde” Boulevard Aïn Diab, die in werkelijkheid Boulevard de la Corniche heet en die vele kilometers lang is; de nummering ervan loopt inderdaad tot in de vier cijfers, maar voor de rest klopt er vrij weinig van Willy’s beschrijving: aan de zeekant van de boulevard zijn nauwelijks huizen en de bergen waarover hij het heeft, ontbreken geheel. (5)



Aan een foto van „Dolce Far Niente” op nummer 3649 van diezelfde boulevard kan ik jullie natuurlijk niet helpen, want zoals iedereen zwart op vergeeld heeft kunnen lezen, is de bungalow die Bernhard Cnall huurde, lang geleden ten prooi gevallen aan de vlammen. Soortgelijke bungalows, vaak achter witte muren, tref je echter in ruime mate aan, echter vooral aan de landzijde. In de tijd van „Cnall-effecten in Casablanca” en „Een zeegevecht met watervrees” waren satellietschotels overigens nog niet het belangrijkste attribuut van zo’n bungalow. (6)


Als extraatje het originele typoscript van „Een zeegevecht met watervrees”, met als bijlagen o.a. twee blaadjes waarop wijlen Willem W.W. enkele van zijn ideeën omtrent de afloop van deel 33 had geschreven resp. getypt, plus een informatieboekje van de PanAm over o.a. Marokko, waarin Willem enkele zinnen heeft onderstreept, die hij in „Cnall-effecten in Casablanca” vrijwel woordelijk heeft gebruikt, benevens een dienstregeling van diezelfde PanAm uit het jaar 1965. We weten nu in elk geval zeker in welk jaar Willem zijn deel van deel 33 heeft geschreven. Dies weet de redactie op dit moment exact wáár de in deze Nieuwsbrief al vaker gememoreerde Peter de Zwaan het stokje heeft overgenomen, maar heeft met de auteur afgesproken om dit (voorlopig) nog niet wereldkundig te maken. De mythe blijve voortleven!







Onder het vergrootglas (nieuwe serie 17) : Drie tips
Geerten Meijsing

Aan de ene kant wordt WWW, ons aller Willy van der Heide, altijd geassocieerd met de „jongensboeken” van de Bob Evers-serie. Vanzelfsprekend! Ik weet niet of Willem, zoals ik hem kende, gecharmeerd zou zijn van de rechtenhandel die nu plaatsvindt. Wel weet ik dat de meester nog tijdens zijn leven ervan verzekerd was dat de serie in het Engels zou verschijnen, en dat hij verguld was met de belangstelling van de Nederlandse filmer Jan Louter om de serie te verfilmen. Ik was bij die onderhandelingen aanwezig. Volgens mij een onmogelijk plan.
Aanpassen aan de tijd, zoals al eens gebeurd is in de tekst, met hier en daar rampzalige gevolgen? Kroeskoppen, negers - de woorden moeten in zijn tijd geplaatst worden. Ook Schotten kunnen aanstoot nemen, of de Belgische gendarmerie - maar leven we niet juist heden in een tijdperk waarin duidelijk moet worden dat wij, West-Europeanen, geen boodschap hebben aan gevoeligheden inzake ras of godsdienst van anderen, onszelf inbegrepen? De Beatles in plaats van de Glenn Miller Big Band of de muziek van Buck Clayton of Jerry Fuller? (Denk aan de merkwaardige naamsverwisseling van Jerry Miller in Jerry Fuller, omdat de muziek van de laatste luid uit de oude radio schalde vanuit de badkamer in Kresse’s huis te Humbeek, waar Jerry Miller/Fuller een warm bad neemt.) Of worden het streng historische films, met kleding en auto’s uit de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw? Me dunkt dat HBS-jongens uit die tijd nauwelijks passen in onze voorstelling van Jan, Bob en Arie.
Wat de heruitgave van de BE-boeken betreft, welke tekst gaat gebruikt worden? Er is in het verleden, met de uitgave van de pockets door De Eekhoorn, al veel geknoeid aan de oorspronkelijke tekst. Het Bob Evers Genootschap heeft altijd garant willen staan, en staat nog steeds garant, voor het bewaren en behoeden van de oorspronkelijke teksten! Als ware filologen: ad fontes! Het zou eigenlijk onze plicht zijn de oorspronkelijke loodgietsels te bemachtigen. Evenwel heeft het BEG problemen met de cash flow.
Van de andere kant had WWW beslist hogere aspiraties. Zoals ons welzeergeachte bestuurslid Coen van der Linden het heeft geformuleerd: „Hij wilde graag gezien worden als the grand old man van de Nederlandse literatuur.” Naar het voorbeeld van Hemingway, voor wie Waterman overigens weinig respect had: „Eerst beweren dat de belangrijkste opgave voor een schrijver is to survive, en dan een dubbelloops jachtgeweer in je mond zetten!” Willem was een survivor.
Op de titel van grand old man van de Nederlandse Literatuur (yek!) kon WWW natuurlijk geen aanspraak maken, behalve misschien met zijn oorlogsroman „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?” (1942), door de pers doorgaans als „een fout boek” aangemerkt, maar dat is het allerminst! Of met het epische gedicht „De roof der Sabijnse maagden - een sous-realistisch proefstuk in klankkleur, ritme en plastiek”, Bosbespers, 19852, geïllustreerd door zijn vriend Flip van der Burgt. En hier wil ik niet vergeten de andere „oorlogsboeken”, zoals „Amerika filmt: een visie op Hollywood en op Hollywood’s wonderlijke werkwijzen” uit 1944, nog steeds kostelijke lectuur, waarvan veel is terechtgekomen in BE 19, „Vreemd krakeel in Californië”; en natuurlijk „De kruistocht van Generaal Taillehaeck” (1942), waarin Waterman uitlegt hoe slecht het Nederlandse Leger (per fiets naar de Grebbeberg) was uitgerust tijdens de mobilisatie. Al deze boeken zijn bij de Waterman-liefhebber natuurlijk bekend.

Wat mijzelf betreft - ik heb dit reeds eerder prijsgegeven - heeft WWW wel degelijk invloed op mij gehad, in de rol van oude veteraan der literatuur (niet de vaderlandse), die een jonkie nog wat kon bijbrengen. Faulkner moest ik lezen (las ik al), Michael Arlen („The Green Hat”, 1924) heeft Willem mij aangereikt, zoals de boeken over en niet van Scott Fitzgerald: van Sheila Graham: „The Education Of A Woman” (1958, het jaar daarop verfilmd): zij was de vrouw die Scott in zijn laatste, hoogst ongelukkige levensdagen, heeft bijgestaan, of de reminiscenties van Tony Buttitta, „After The Good Gay Times” (1974). Op een enkele foto van het BEG kun je de boekenkast van Willem op zijn adres in Den Haag zien (koperen plaat aan de deur: „Prae-adviseur voor psychiatrie” - louter een middel om vrouwen te lokken? Nee, Waterman was, net als Simenon of, waarom niet, James Joyce, zeer belezen in Freud en met name Jung, en in mijn ogen begiftigd met een diep psychologisch inzicht - behalve in zichzelf misschien): die boekenkast was volgepakt met Penguins en Pelicans, afgezien van de „Encyclopedia Britannica” en de psychologische handboeken.
Ook in psychologische zin viel er derhalve veel van Waterman te leren.
Vervolgens zijn technisch inzicht en de „padvinder-achtige” bereidheid problemen, ook van anderen, op te lossen. Ik herinner mij een woeste tocht in een sneeuwjacht in de Ardennen. In mijn eerste DS waren we op de terugreis, in één ruk, van Bellagio naar Amsterdam, toen de ruitenwissers het begaven. Dat wil zeggen het motortje dat de ruitenwissers aandrijft. Terwijl we bleven rijden (Meijsing stopt nooit) rukte Willem het handschoenenkastje open, stootte met zijn vuist door de dunne voering heen, en sloeg toen handmatig de ruitenwissers heen en weer, tot zijn knokkels bloedden.

Waar ik heen wil, zijn enkele schrijftips, die ik niet mondeling van Waterman kreeg uitgelegd, maar die men overal kan vinden in de BE-boeken. Ik noem er drie.
1.)

De lichte toets waarmee soms de Almachtige Verteller in de persoon van Willy van der Heide wordt opgevoerd, alsof de jongens hun avonturen later aan de schrijver vertellen: „‘Kijk eens, meneer van der Heide,’ vertelde Arie mij later...” passim. Hiermee wordt een distantie gecreëerd die het waarheidsgehalte van de gebeurtenissen verhoogt, en tegelijk wordt de band met de lezer aangehaald, alsof die persoonlijk bij het vertellen van de vertelling aanwezig is.

2.)

Het herschrijven van eenzelfde gebeurtenis of liever scène, op eenzelfde tijdstip en locatie, maar gezien door de ogen van een ander personage. „Als ik, de teboeksteller van deze belevenissen, dit verhaal goed wil navertellen [cursivering van mij], moet ik nu allereerst overspringen naar de activiteiten van de dikke Arie Roos…”
Daarnaast het schuiven met de tijd, voorwaarts en terug, in eenzelfde situatie of scène. Het duidelijkst gebeurt dit in „Bombarie om een Bunker”, weer rondom het huis van Kresse in Humbeek, een boek waarin de voortgang van het verhaal wordt stilgelegd, en dat streng beantwoordt aan de drie-eenheid van tijd, locatie en scène; er gebeurt eigenlijk niks in dit boek (betreffende het grotere verhaal van het drieluik; de tijd wordt stilgezet, en alle actie beperkt zich tot het huis van Kresse - in het huis, om het huis, buiten het huis, tot de apotheose van het affikken van Kresse’s huis. Deze truc zien we ook bij voorbeeld wanneer de eigenaar van Woonschip Roussalka (de echte naam van een vriend van Waterman) met zijn motorfiets op pad gaat in „Een klopjacht op een Kapitein”.

3.)

Misschien is de belangrijkste tip wel: de afwisseling van scènes (en Willy van der Heide is machtig goed in het langzaam opbouwen en naar een hoogtepunt voeren van een ingewikkelde en uitgebreide scène) met verhalende tekst, of dialogen vol overwegingen. Kort gezegd: je kunt (moet) schrijven in scènes of in lopende tekst. Scènes bestaan uit een treffen van verschillende personages in stilstaande tegenwoordige tijd. In de lopende tekst wordt het verhaal of de plot uitgebeeld in een tijdlijn.

Ik hoop dat de lezer mij nog kan volgen. Voor mijzelf zijn dit geweldige tools of gereedschappen voor het schrijven.

Mag ik tot slot toevoegen dat Willem, behalve leermeester en door ons gevierde auteur van de Bob Evers-boeken en de andere boeken (ik vergat nog te vertellen dat Willem ver gevorderd was met een „systematisch woordenboek” - ik ken slechts één ander voorbeeld: „Het juiste woord” van Professor L. Brouwers, s.j. - waarvan ik het typoscript heb ingezien: waar is dat nooit gepubliceerde boek gebleven, Paul?) in de eerste plaats voor mij een goede, zeer goede vriend is geweest. We gingen op voet van gelijkheid en vertrouwelijkheid met elkaar om, hebben eindeloos met elkaar gesproken (nooit over de Bob Evers-boeken - dat was voor hem geen onderwerp), hebben samen reizen gemaakt en avonturen beleefd, ook tragische, en afgezien van de literaire tenvoorbeeldstelling heb ik vooral veel van Willem geleerd aangaande „de dingen des levens”, als u begrijpt wat ik bedoel.






Nieuwsbrief 43
Nieuwsbrief 44 als pdf
Nieuwsbrief 45
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina