Nieuwsbrief nr. 45
ISSN 1386-6451
juli 2015 - 22e jaargang nr. 2


             

Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
Willem W. Waterman: voer voor kunstmagnetenRoger Schenk
Recensie van deel 54: Jeugdsentiment in de AppalachenSchout-bij-kunstlicht Spook
Recensie van deel 55: Nostalgie in Noord-BrabantSchout-bij-kunstlicht Spook
D-Day in Den BoschWilly van den Boschrand
Enkele foto’s van D-Day in Den Bosch© Roger Schenk
Wie zei dat je in dezen tijd niet kon preken?
Toespraak in Den Bosch van 6 juni 2015
John Beringen
Bob Evers-toespraak 6 juni 2015 in De 4 Kolommen, Vught
t.g.v. de 100ste geboortedag van Willem W. Waterman
Peter J. Muller
(Gast)column: Trammelant en gekrakeelPeter de Zwaan
Watermannelijke woningen, deel 4: 1946-1951Roger Schenk
De zwijgzameW.H.M. van den Hout-Menzies
Enkele foto’s uit OdiliapeelRoger Schenk
Een gelukkig kapitein van een gelukkig schipRoger Schenk




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen

Dollemansrit met een Mighty Mite” en „De perikelen van kolonel Prins” verschenen



Voorzijde van „Dollemansrit met een Mighty Mite”,
door Lia Krijnen

Voorzijde van „De perikelen van kolonel Prins”,
door Lia Krijnen

Per 21 februari 2015 is de website van
Peter de Zwaan geheel vernieuwd. De redactie van de Nieuwsbrief zag, uiteraard geheel onbevooroordeeld en minstens zo toevallig, de volgende pagina in de nieuwe look:

Toen, in die donkere en natte sprokkelmaanddagen, prijkten bovenstaande omslagen van „Dollemansrit met een Mighty Mite” en „De perikelen van kolonel Prins” nog niet op de site, maar die schade is inmiddels ruimschoots ingehaald.
Wie beide nieuwe delen wil bestellen - en laten we nou eerlijk zijn: wie wil dat niet? - kan natuurlijk eveneens op de website van Peter terecht.


Willem Waterman en het Konkelbergproces

En ook de onvermoeibare John Beringen heeft in het kader van het Watermanjaar een nieuw boek het licht doen zien: „Willem Waterman en het Konkelbergproces”.
Het gaat om een kafkaëske, maar toch ook kolderieke roman waarin Willem Waterman een rol speelt. Beringen zelf noemt deze literaire stroming „irrealisme”: een bestaand persoon treedt in één boek samen met fictieve personen op. Het gaat in de roman namelijk om twee toonbeelden van fictieve figuren, namelijk Sinterklaas en de Kerstman, die om verschillende redenen zijn gestrand in het eveneens fictieve plaatsje Konkelberg; zij ontmoeten elkaar en lopen tegen keiharde bureaucratische muren op. Uiteindelijk komt het tot een proces; interessant hierbij is het om te weten dat de schrijver van het wereldberoemde boek „Der Prozess”, Franz Kafka, op 3 juni 1924 is overleden: die datum 3 juni kennen wij maar al te goed, hè? Zeg nou nog maar eens dat toeval niet bestaat!
In ieder geval stuurt Het Landelijk dagblad (inderdaad, „dagblad” wordt in het boek consequent met kleine letter gespeld) als verslaggever van het proces een zekere Willem Waterman naar het plaatsje en vanaf dat punt in de roman (vanaf pagina 110) wordt het natuurlijk smullen voor de Bob Evers-fan, die zich - meer nog dan de gewone lezer- schaterlachend een weg baant door de overige 50 pagina’s van het boek. Want Willem W. Waterman verschijnt nooit alleen ten tonele: hij wordt steevast vergezeld door zijn vaste partner, Humor (met een hoofdletter). Iedereen die het boek leest, zal zich een kriek lachen, maar voor de Watermankenner - en -liefhebber heeft John er ook nog eens allerlei herkenbare elementen in gestopt, zoals op pagina 156:
          „Doe mij maar een lekkere London Tonic,” reageerde Willem.
          De Chinees dacht een moment na.
          „Het spijt mij meneer, maar wij hebben geen London Tonic; alleen Schweppes Tonic,” zei hij tenslotte.
          „Wat? Geen London Tonic?” bracht Willem uit.
Op de voorzijde staat een prachtig beeldje van Willem, vervaardigd door Ruben Verheggen. Helaas heeft John de levendigheid van de Bob Evers-fanclub ondanks alles danig overschat: waar hij twintig jaar geleden nog moeiteloos meer dan duizend exemplaren van zijn „Het verschijnsel Bob Evers” en de drie daaropvolgende delen aan de vrouw en/of man kon brengen, haalde hij nu nog niet eens de honderd. Zegge en schrijve achtenzeventig mensen bestelden en betaalden een boek: zij hebben dit inmiddels ontvangen en er hopelijk van genoten. Nog eens vijf man zijn blijkbaar tot ons diepste leedwezen tussen het moment van bestellen en het moment van betalen overleden; en de rest van de Bob Evers-fans moet inmiddels al kassiewijle zijn geweest toen John het boek aankondigde. In de februari-Nieuwsbrief ging John Beringen uitvoerig in op de vraag wat hij ging doen met het beeldje wanneer de gehele oplage - die hij uit voorzorg al beperkt had tot honderd exemplaren - vóór 1 juli verkocht zou zijn, maar ook wie het beeldje ten deel zou vallen als deze cijfers niet gehaald werden. De honderd werd niet gehaald en zodoende heeft John daarmee een ander lid van de redactie intens gelukkig gemaakt!
Voor de minder gelukkigen is er een schrale troost: het krijgen van het beeldje inspireerde Roger tot het schrijven van een inspirerend artikel over Willem W. Waterman in de kunst.

Hoe kom ik alsnog in het bezit van de Blijvende Herinnering van 2015 en van 2007?

Op 6 juni jl. is aan iedere aanwezige bij het evenement in Den Bosch een plaquette ter gelegenheid van de 100ste geboortedag van Willy van der Heide uitgereikt.
Omdat er een aantal exemplaren over is, worden deze te koop aangeboden.
Zowel de plaquette van 2015 als van 2007 is te koop voor slechts € 7,50 per stuk, en dat is inclusief verzendkosten. Wil je de complete set van twee B.H.’s hebben dan wordt de prijs van de gecombineerde zending slechts € 12,50 en ook dat is inclusief verzendkosten.
Uitsluitend te reserveren via het e-mail adres: tonkleppe@hetnet.nl.
Wie het eerst komt, het eerst maalt. De volgorde wordt bepaald door e-mail datum en tijdstip. Wegens afwezigheid in juli kan pas in augustus worden gereageerd en verzonden.
Zie foto, afmeting van beide plaquettes is circa 13 x 17,5 cm en voorzien van een plastic standaard.



Puzzel

U hebt van ons nog tegoed de oplossing van de Grote B.E.-/W.W.W.-Nieuwjaarspuzzel.

Bob Evers leeft nog steeds!

Op 3 juni was er welgeteld één landelijke krant die aandacht besteedde aan de honderdste geboortedag van Willem: Trouw: „Willem van den Hout, spraakmaker met een verleden”. Gelukkig liet de schrijver ervan, ene Ton den Boon, Willems duistere oorlogsverleden niet onberoerd! Stel je voor, dat er eens een artikel in een zichzelf gerenommeerd noemend dagblad zou verschijnen zónder dat er aandacht was besteed aan dat oorlogsverleden: wij, Bob Evers-fans, zouden minstens een week van slag zijn en de journalist in kwestie zou stante pede de keien opgezwiept worden!
En dus kon ook Mieske van Eck in het Brabants Dagblad niet om dat oorlogsverleden heen, weliswaar slechts in één zin, maar toch...: „Schrijver, schelm en schepper van Bob Evers: honderdste geboortedag Willy van der Heide” (6 juni). Op diezelfde dag verscheen een artikeltje van Peter de Bruijn op de website van diezelfde krant: „London Tonic in Zuid-Willemsvaart voor schrijver Willy van der Heide uit Den Bosch” Peter de Bruijn heeft in Café De Smidse Roger Schenk een half uur lang geïnterviewd en vervolgens Paul van den Hout, nog zelfs iets langer dan een half uur. Hij was namelijk voornemens om op maandag 8 juni nóg een groot artikel aan de honderdjarige Willem te wijden, maar dat is er helaas nooit van gekomen. Het bange vermoeden bestaat dat de arbeidsovereenkomst tussen Peter de Bruijn en het Brabants Dagblad in beëindigende zin is voortgezet, omdat hij nou eenmaal heeft verzuimd om in het internetartikel van 6 juni het oorlogsverleden te vermelden...
En daarom heeft de journalist van de Wijkse Courant die op 10 juni het artikel „Het Konkelbergproces is irrealisme” publiceerde, zijn naam wijselijk niet bekend gemaakt: in het artikel wordt acht maal de naam Waterman/Van der Heide genoemd, maar de argeloze lezers van de Wijkse Courant werden niet op de hoogte gesteld van ’s mans schimmige oorlogsverleden. Tssss... Tijd voor een ingezonden brief, want dit kan natuurlijk absoluut niet door de beugel!

In deze Nieuwsbrief natuurlijk veel aandacht voor de bijeenkomst in Den Bosch ter gelegenheid van Willems honderdste geboortedag: zo treffen we naast enkele foto’s van het gebeuren uiteraard ook de speeches van de heren Beringen en Muller, plus een summier verslagje van deze memorabele dag door Willy van den Boschrand; in deze laatste naam zou men zomaar een pseudoniem kunnen vermoeden en dat vermoeden is maar al te juist. Naam en emailadres van de olijkerd die hier onder deze wel heel doorzichtige schuilnaam optreedt, zijn bij de redactie bekend. In al dat geweld rondom de herdenking van Willem zou je bijna vergeten dat er ook weer twee nieuwe Bob Evers-delen zijn verschenen; onze oud-militair Spook liet er als gebruikelijk zijn licht over schijnen. In navolging daarvan hebben we meteen ook al een aantal foto’s van een van de plaatsen van handeling in de aanbieding: Odiliapeel.
Voorts natuurlijk deel 4 in de serie Watermannelijke Woningen; we zijn speciaal voor jullie weer met onze neus in oude kranten gedoken en hebben daarin wederom een onbekend verhaal van Willem ontdekt en de gebruikelijke gastcolumn is ditmaal van de hand van niemand minder dan Peter de Zwaan.
Wij moeten onze lezers helaas teleurstellen met de mededeling dat de altijd even doorwrochte als veelgelezen bijdrage Onder het vergrootglas van Geerten Meijsing ditmaal door omstandigheden komt te vervallen. In plaats daarvan gaat Roger Schenk wat dieper in op het afgelopen januari voor het eerst in 72 jaar weer op de radio uitgezonden hoorspel „Een gelukkig kapitein van een gelukkig schip”. Wij hopen vurig, héél vurig, dat Geerten en zijn vergrootglas de volgende keer weer van de partij zullen zijn.

Ook in het post-Watermanjaar zal de Nieuwsbrief namelijk blijven verschijnen; in januari volgend jaar hopen wij Nieuwsbrief nr. 46 in jullie virtuele brievenbus te kunnen deponeren; een en ander is echter niet mogelijk zonder jullie hulp. Jullie hebben vast nog wel een verhaal of een anekdote over Willem van den Hout of Peter de Zwaan; of wellicht een geheel nieuwe invalshoek of een ongedachte analyse van een van de inmiddels 55 delen. Als jullie die met de grote Bob Evers-familie willen delen, kunnen jullie je bijdrage uiterlijk 1 december naar nieuwsbrief@apriana.nl sturen.





Willem W. Waterman: voer voor kunstmagneten
Roger Schenk

Nu er eindelijk, voor zover wij weten voor het eerst in de geschiedenis, een beeldje van Willem is vervaardigd, wordt het wellicht tijd om een - zeer waarschijnlijk onvolledig - overzicht te geven van de kunstenaars die Willem W. Waterman hebben weergegeven. In dat overzicht heb ik geen foto’s van Willem opgenomen, omdat een overzicht daarvan te uitputtend is en bovendien alleen maar incompleet kan zijn, heus niet omdat ik professionele foto’s van bijvoorbeeld een Frans Verpoorten jr. geen kunstvorm acht.
Aanvullingen op deze kleine expositie van Willem als kunstobject zijn natuurlijk altijd van harte welkom!

1. Anoniem (Ellen Bottenheim-Niemer?) :

Allereerst treffen wij op de laatste pagina van het blaadje Cash, nummer 47, een advertentie aan waarbij een blote juffrouw reclame maakt voor een uiterst ranzig artikel in het volgende nummer. Aan de muur achter deze niet-geknakte juffrouw hangt de hier afgebeelde tekening waarin wij moeiteloos onze eigen Willem herkennen; aangezien dit soort blaadjes volgens de legende alleen maar gekocht worden vanwege de goede interviews heb ik de juffer en haar foute bezigheden maar weggehaald en alleen de tekening van Willem in deze Nieuwsbrief opgenomen.
De tekening hing ooit op Willems werkkamer in Den Haag, maar of ze nu nog bestaat en zo ja, waar ze is, is onbekend. Die aanwezigheid van de tekening op Willems werkkamer werpt, in combinatie met de aanwezigheid van dit juffie, een nog eigenaardiger licht op Willems relatie met Marjon Niemeijer: „De avonturen van Willem lieten haar [Marjon, red.] Siberies en er was maar een voorwaarde aan verbonden: geen enkele vriendin van Willem kon ongestraft haar huis betreden. Wanneer een of ander avontuur Willem teveel werd, was zijn geijkte recept zijn geliefde mee te nemen om kennis te maken met zijn vrouw. Als een soort prooi werd het slachtoffer dan door Willem meegetroond naar zijn huis waar zij met dodelijke koele Haagse intelligente hooghartigheid psychies aan flarden werd gescheurd. Dit was de prijs. Willem was meestal direct van een hem te lastige vriendin af en zijn vrouw smaakte het genoegen van een triomfantelijke overwinning: de verstandhouding tussen de beide echtlieden bleef goed,” schreef Ab Pruis lang geleden („Het Stinkdier”, p. 40).
Ook in Cash 29 (p. 68) zien we een (klein deel van) deze tekening; op de voorgrond zit - een andere (?) - juffer die zich uitkleedt; zij zit vóór de tekening op een bed, hetgeen ook op het begrip „werkkamer” een wat apart licht werpt.
Hoe dan ook: we zien Willem gekleed in een coltrui en een colbertje; afgaande op de grootte van de tekening in combinatie met die van de afgebeelde gekke juffrouw moet het gaan om een tekening (vermoedelijk gemaakt met houtskool op papier) op A3-formaat. Als titel staat er een onleesbaar woord en dan „W.W. Waterman”; de maakster heeft in elk geval een voornaam die sterk lijkt op de naam Ellen, maar de achternaam is niet te ontcijferen: die is in elk geval te kort om Bottenheim-Niemer of Niemer (zie het artikel „De Stad en de Dichter” in de vorige Nieuwsbrief) te kunnen zijn; mogelijkerwijze staat er wel „Ellen B.-N.”, maar dit zou dan om een unicum gaan: Ellen Bottenheim-Niemer signeerde haar schilderijen met haar volledige naam of met de afkorting „EBN”, maar nooit met „Ellen B.-N.”. Als jaartal is 1970 (of 1976?) aangegeven; in het colofon van het betreffende nummer van Cash staat het jaartal 1975, maar dat moet een vergissing zijn, want ergens in het blaadje is een ansichtkaart opgenomen die uit 1976 dateert.
Al met al lijkt dit niet bepaald het soort tekening waar een kunstmagneet warm voor loopt, dus dat zullen wij als amateurs dan ook maar niet doen. Bovendien levert de tekening alleen maar vragen op, dus we gaan snel naar de volgende artistieke weergave van Willem.

2. Fred Bakker :

In het blad De Nieuwe Clercke publiceerde Willem delen van zijn autobiografische roman „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren 50”. In nummer 4 (12 maart 1977) verscheen onder de auteursnaam Willem van den Hout het verhaal „Het jasje van Karel Sijmonds”, dat vergezeld ging van de eerste drie hierboven afgebeelde tekeningetjes; de tekeningen waren gesigneerd met de Griekse letter β. In nummer 6 (28 mei 1977) verscheen onder de auteursnaam ‘Willem Sophokles Waterman, tevens Willy van der Heide’ - Hee! Alweer een nieuw pseudoniem! - het verhaal „Toen ik een nieuw leven ging beginnen... (Worsteling van een man met zijn Noodlot)”, aflevering twee, met daarin de laatste drie tekeningetjes. Waar we bij de eerste drie tekeningetjes een nette Willem in opeenvolgende stadia van zijn leven zagen, zien we nu een uiterst slordige Willem, met als titels „Dikkie en de Dingen die Branden” (Willem met een brandende sigaar in zijn mond), „Dikkie en de Dingen die Snijden” (Willem met een uit de kluiten gewassen stel snijtanden) resp. „Dikkie en de Dingen die Breken” (Willem met een gebroken bril). Zoals in het verhaal wordt uitgelegd, plande Willem onder deze titels twee vervolgdelen op zijn educatieve werkje „Dikkie en de Dingen die Branden”; ook onder deze tekeningen staat weer de letter β, maar bij de laatste tekeningen staat de opmerking: „Tekeningen Fred Bakker.”.
Fred Bakker verzorgde vaker illustraties in De Nieuwe Clercke, maar ook in boeken van Driek van Wissen en Jean-Pierre Rawie, die beiden ook betrokken waren bij dit blad.

3. Eppo Doeve :

Deze tekening met waskrijt op papier draagt de indrukwekkende titel „De levens-waarnemer Waterman-Van der Heide, zoals bij Scheltema zélf waargenomen door Eppo Doeve”.
Scheltema is het bekende café-restaurant op de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam dat van oudsher vooral bezocht werd door journalisten en schrijvers; onder hen natuurlijk ook onze besnorde veelschrijver: tenminste, zolang hij in een café te handhaven was en zijn AQ (Alcoholquotiënt) zijn IQ niet ál te zeer had aangetast. Jozef Ferdinand „Eppo” Doeve (1907-1981) was, al zou je dat aan bovenstaande tekening misschien niet direct aflezen, een begenadigd tekenaar en schilder. Van zijn hand komt het portret van Hugo de Groot, dat jarenlang het Nederlandse tientje sierde, maar ook de reclameposter van de ober van Heineken; hij illustreerde ook tijdschriften zoals Elseviers Weekblad, de AvroBode en de Haagsche Post. Na ’s mans dood op 11 juni 1981 werden in zijn huis stapels tekeningen ontdekt, tot achter de verwarming aan toe: achteloos weggestopt, maar niet weggegooid.
Over bovenstaande tekening schrijft Willem in een brief van een woensdagavond in februari 1977 aan zijn De Nieuwe Clercke-compagnon Driek van Wissen het volgende: „Ik heb een pracht van een caricatuur van mijn lachwekkend gelaat, bij Scheltema neergeslingerd door Eppo Doeve. Crayon. Die heb ik de vorige week naar onze fotograaf gebracht, met opdracht daar een clicheerbare harde afdruk van te vervaardigen. Zodra ik deze heb, zend ik deze op.” De terminologie „levens-waarnemer” die Eppo Doeve gebruikt om Waterman te omschrijven, is mooi en passend: Willem nam inderdaad álle facetten van het leven waar, vaak als deelnemer aan die facetten, maar altijd als nauwgezet chroniqueur van alles wat het leven te bieden had.
Deze acht tekeningen zijn allemaal leuk en aardig, maar eerlijk gezegd niet de moeite waard om er de kap van je tomaatrode Ferrari „van ver voor de oorlog” (sic!) voor open te schroeven, om over het vermoeiende karwei van het verstoppen ervan in de vleugels van een sportvliegtuigje of het verpakken en smokkelen in zinken kokers op schepen van Rederij Roos maar helemaal te zwijgen. Anders wordt het wellicht bij de volgende kunstwerken..

4. Adrian van Loon : „Willem W. Waterman

De Haagse kunstenaar Adrianus (Adrian) Johannes Hubertus van Loon werd geboren in 1934. Hij is een vriend van Constantijn van den Hout, de schilderende vierde zoon van Willem, en heeft deze onderwezen in het vak. Beiden zijn samen eigenaar van Atelier Terp en Tijn. Waar de laatste zich heeft gespecialiseerd in dierenportretten en schilderijen van honden, katten en vooral paarden, schildert Van Loon vooral portretten van mensen, maar ook landschappen en afbeeldingen van vogels zijn geliefde thema’s. Bovenstaand portret in olieverf op doek maakte Adrian van Loon van de vader van zijn vriend. Het portret is postuum gemaakt; het voorbeeld daarbij was een bekende foto van Willem. Van Loon heeft blijkbaar een voorliefde voor het maken van portretten van overleden beroemdheden: op de website van Atelier Terp en Tijn herkennen we moeiteloos allerlei lieden die Willem inmiddels gezelschap houden op de eeuwige jachtvelden: o.a. Ludwig van Beethoven, Marlon Brando, Pim Fortuyn, Theo van Gogh, Audrey Hepburn, Sugar Lee Hooper, Napoleon en Mathilde Willink. Belangrijke uitzonderingen zijn Koningin Beatrix, Constantijn van den Hout en ook diens tante Marie-José; dat de laatste inmiddels, na het voltooien van het schilderij, ook het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld, is een ander geval.
Het schilderij stelt Willem in diepe contemplatie voor, de eeuwige Caballero-zonder-filter in zijn linkerhand. Het doek is vooral zo prachtig omdat het een toestand van serene rust uitstraalt, een schril contrast met de doorgaans zo luidruchtige verschijning van de beroemde schrijver.
Het schilderij was oorspronkelijk bijna vierkant, maar is later blijkbaar afgesneden om in de hierboven afgebeelde lijst te passen. Of misschien wel om onder een hemd te passen, want dit schilderij is het natuurlijk wél waard om door een Amerikaan als handbeschilderd hemd (in plaats van een handbeschilderde das) over de „streng bewaakte” Belgisch-Nederlandse grens gesmokkeld te worden!

5a. Sylvia Quiël : „Lezende schipper

Dit schilderij van olieverf op doek, dat 58 x 70 cm meet, stelt een lezende schipper voor, zoals de titel luidt (op de achtergrond zien we de zee met twee schepen en een boortoren), maar we herkennen hier moeiteloos onze beroemde schrijver in. Het gaat om een vroeg werk van Sylvia Quiël (geboren in 1944, de latere Sylvia Willink-Quiël) uit 1968, toen zij nog studente was op het Instituut voor Kunstnijverheid in Amsterdam, die nu de Gerrit Rietveld Academie heet. Voor Sylvia Quiël de vriendin van Carel Willink werd, had zij korte tijd een relatie met Willem (zie „Het Stinkdier” van Ab Pruis, p. 39), die in een brief aan alweer Driek van Wissen (19 maart 1977) nogal denigrerend over haar opmerkt: „die, toen ik haar leerde kennen niet meer was dan ontwerpster van borduurpatronen op een confectie-atelier”. Zij schilderde in een magisch-realistische stijl die lijkt op die van haar latere echtgenoot Willink (1900-1983); na haar huwelijk begon zij ook met het maken van portretbustes, vooral van haar man, maar ook van koningin Beatrix en van de bevriende schrijver W.F. Hermans. Een van die Hermans-bustes sierde overigens Willems bureau in de Hugo de Grootstraat in Den Haag, maar dit geheel terzijde.
Op de website van Marie-José van den Hout zien we een uiterst kleine zwart/wit-versie van het schilderij, maar nu we de kleurenversie voor ons zien, is (met wat moeite) te onderscheiden dat Willem ligt te lezen in „Shipmaster”, een roman van Gwyn Griffin uit 1964, die gaat over een schip dat in de Indische Oceaan in een tropische wervelstorm terecht komt, toch wel een van Willems favoriete onderwerpen: denk maar eens aan de „Esperanza” („Avonturen in de Stille Zuidzee”) en vooral de „Surfpride” („Nummer Negen seint New York”). Het schilderij bevindt zich in de collectie van de ING Bank.

5b. Sylvia Quiël : „Willem W. Waterman

Eveneens van Sylvia Willink-Quiël is dit 100 x 81 cm grote portret van olieverf op doek, dat net als het voorgaande uit 1968 stamt. We zien Willem, gekleed in een kamerjas, die bij het felle licht van een lamp iets uit een boek kopieert. Welk boek dat is, kunnen we niet zien; het wordt zelfs niet duidelijk of hij iets overschrijft of overtekent: in het bakje rechts staan kroontjespennen, maar ook penselen. Willem zelf geeft aan: „... ik kan nog geen poppetje tekenen. Ik moet alles met woorden uitbeelden.” („Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren 50”, p. 159), maar van de andere kant: heeft iemand wel eens een handgeschreven manuscript van de man onder ogen gehad? Er zijn alleen maar met veel geweld op zijn onafscheidelijke typemachine gebeukte typoscripten bewaard gebleven. Alweer een nieuw raadsel dus. Over raadselen gesproken: in de eerste klas van het lyceum kreeg Willem last van zijn ogen: hij kon niet goed meer lezen wat er op het bord geschreven stond; vanaf dat moment droeg hij een bril. Waarom, in naam van alles wat roodharig is, beeldt Sylvia Willem hier af zónder bril?
Het schilderij bevindt zich in de collectie van het Letterkundig Museum in Den Haag, temidden van 499 andere portretten van Nederlandse schrijvers.

6. Ruben Verheggen : „Willem Waterman

De Utrechtse kunstenaar Ruben Verheggen (geboren in 1987) maakt samen met zijn vriendin Eva Post al jaren 3D-kunstwerken, die ze zelf omschrijven als „Kunst met een knipoog”. Landelijke bekendheid kreeg hij in 2014 met de verjaardagscadeaus voor Johan Derksen en René van der Gijp, beiden bekend van het TV-programma Voetbal International.
Om zijn nieuwste boek, „Willem Waterman en het Konkelbergproces”, te promoten, bestelde John Beringen bovenstaand beeldje bij Ruben Verheggen en plaatste het vervolgens op de voorkant van zijn boek. Over de omstandigheden waaronder het beeldje uiteindelijk terechtkwam in de begerige klauwen van de schrijver van dit artikel is al genoeg gezegd. Voor dit moment is het voldoende om te constateren dat het beeldje veilig in Dordrecht staat, net als elders in die stad het beeldje van René van der Gijp.
Het beeldje zelf is voor zover bekend het enige beeld dat ooit is vervaardigd van Willem W. Waterman; het is gemaakt van klei en verf en is 18 centimeter hoog. De breedte is 10 cm en de diepte 16. Het stelt Willem voor, zittend in een hoge leunstoel en netjes gekleed in een donkerblauw colbertje en een donkergrijze broek. Verder draagt Willem een keurig gestreken, hagelwit hemd en een handgeschilderde (!) stropdas. Volgens zijn zus Marie-José had Willem een bloedhekel aan hemden die niet goed gestreken waren; zowel Willem als Marie-José zou dus uiterst content zijn geweest met het werk van Ruben Verheggen als zij dit zittend op en wit wolkje en dwars door daken en muren konden waarnemen. De Caballero-zonder-filter (vgl. het schilderij van Adrian van Loon) is hier naar zijn mondhoek verhuisd; met oog voor detail heeft de kunstenaar zelfs de rookpluim weergegeven d.m.v. watten of iets dergelijks. Fantastisch! Geniaal! Willem leest Het Landelijk dagblad, dezelfde krant waaraan hij volgens het boek in een journalistieke functie is verbonden. Het beeldje figureert ook in een door John Beringen ter gelegenheid van het Watermanjaar opgenomen filmpje.





Recensie van deel 54: Jeugdsentiment in de Appalachen
Schout-bij-kunstlicht Spook

Hoe blij was ik toen in de Bob Evers Nieuwsbrief van februari werd aangekondigd dat er dit jaar niet één, maar twee nieuwe Bob Evers-delen zouden verschijnen. Nog veel vrolijker werd ik toen uitlekte dat deel 54 in Pennsylvania zou spelen. Eindelijk! Van alle 53 tot dan toe verschenen delen waren er maar twee die zich echt in Bobs vaderland afspelen, „Vreemd gespuis in een warenhuis” en „Wilde sport om een nummerbord”. In het eerste deeltje zuigt Willem nog een handvol plaatsnamen uit zijn duim, maar vanaf het einde van dat deel en gedurende het hele deel 23 worden er alleen maar bestaande plaatsnamen genoemd en was ik als puber in staat om de hele route op de atlas te volgen. De finale van „Wilde sport” speelde zich af in dat geheimzinnige gebergte, waarvan ik tot dan toe nog nooit had gehoord, maar dat ik later zo heb leren waarderen: de Appalachen. Op mij kwam het gebergte destijds, toen ik het boek voor de eerste maal las, nu meer dan een halve eeuw geleden, als een zeer beklemmende omgeving voor, waarin in alle verborgen berghutten en -passen, in alle kloven en in alle bossen handlangers van mafioso Dalmonte (let op de Italiaanse achternaam van de schurk!) verborgen zaten, die via een geheimzinnig communicatiesysteem met elkaar in verbinding stonden: de overeenkomst met Zuid-Italië en Sicilië was treffend.
En je houdt het niet voor mogelijk: ook
Peter de Zwaan voert ons naar dit gebergte. De mafiosi zijn verdwenen, maar de beklemmende sfeer van dorpsbewoners die zich als één man tegen elke indringer keren, blijft. Dat wordt meteen al in het eerste hoofdstuk van „Dollemansrit met een Mighty Mite” geïllustreerd aan de hand van de privé-detective die door de eigenaar van de Mighty Mite wordt ingehuurd en in elkaar geslagen en verfomfaaid naar Pittsburgh terugkeert. De sfeer wordt zelfs nog griezeliger dan in de tijd dat Johnny Dalmonte de scepter zwaaide over de Pittsburghse onderwereld, want waar in „Wilde sport om een nummerbord” nog sprake was van zomerse omstandigheden en volop daglicht, speelt „Dollemansrit met een Mighty Mite” zich nu deels af in een koud, donker en vooral erg nat stuk van de Appalachen.
Maar hoe raken de jongens ditmaal in die bergketen verzeild? Na het opknappen van het karweitje van pa Roos in Mexico is het de beurt aan pa Evers om de drie immer jeugdige avonturiers in losse dienst te nemen: een van zijn ingenieurs, Dean Homer, is zijn geliefde Mighty Mite, een soort jeep, kwijt en daardoor een beetje van slag, waardoor hij op slag waardeloos is geworden als ingenieur bij de Evers-motorenfabrieken. Daarom geeft pa Evers Jan, Bob en Arie de opdracht om Homer te helpen. Deze verdenkt een mede-verzamelaar van oude auto’s, een zekere Darrin Trasco, ervan dat hij zijn teerbeminde Mighty Mite heeft gestolen; hij weet voor 100% zeker dat deze Trasco de dief is, maar het grote probleem is dat deze dus in het meest ontoegankelijke en onherbergzame deel van de Appalachen, de Endless Mountains, woont. Zoals gebruikelijk geven Arie en Bob klauwen met geld uit, tot eeuwige afschuw van Jan, om toegang te krijgen tot het wagenpark van Trasco. Dat lukt wonderwel; het lukt Jan en Bob uiteindelijk zelfs om de Mighty Mite na een dollemansrit - zoals we op grond van de titel al hadden kunnen vermoeden - langs de boorden van de Mehoopany te ontvoeren, terwijl Arie er aanvankelijk qua avonturen wat bekaaid af lijkt te komen: hij wordt namelijk door Trasco gevangen gezet in een smeerput, maar weet te ontsnappen. Natuurlijk blijkt Arie dan (we zitten inmiddels op blz. 152 van de 184) zoals zo vaak de lachende derde: hij kan papieren overleggen waaruit blijkt dat de Mighty Mite in kwestie eerlijk gekocht is door Trasco, kortom: de jongens hebben het grootste deel van het boek een volkomen verkeerd spoor gevolgd! Ze zijn weer helemaal terug bij „af”, gaan niet langs „start” en ontvangen niet eens 200 Griekse eurocenten! De resterende 32 bladzijden moeten uitwijzen of de drie bengels er nu wél in slagen om de juiste Mighty Mite op te sporen en ingenieur Dean Homer en dus ook pa Evers tevreden te stellen. Of hun dat lukt, moet iedereen zelf maar even lezen, want het is niet mijn bedoeling om de zeer verrassende afloop van deze ongemeen spannende roman nu al te verklappen!
Peter de Zwaan, „Dollemansrit met een Mighty Mite”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2014 (sic!). ISBN: 9789082052343.






Recensie van deel 55: Nostalgie in Noord-Brabant
Schout-bij-kunstlicht Spook

Na de delen 5, 8, 11 t/m 15, 25, 26, 27 en 50 is „De perikelen van kolonel Prins” pas het twaalfde deel van de Bob Evers-serie dat zich geheel (of althans grotendeels) binnen de grenzen van het Koninkrijk der Nederlanden afspeelt. Iets meer dan één op de vijf delen dus. Niet slecht voor een „internationaal” aandoende serie. Maar toch... ergens blijven de delen die in Nederland spelen het leukste, juist omdat het allemaal zo herkenbaar is en al is het Nederland van „Rumoer in een rustgebied” en „De perikelen van kolonel Prins” een heel ander Nederland dan dat van „Drie jongens en een caravan” of „Een klopjacht op een kapitein”: het is en blijft onmiskenbaar Nederland.
Het boek speelt zich grotendeels af in Odiliapeel; de naam van het dorp zegt het al: in de Peel dus, dat merkwaardige stukje veengrond op de grens van Noord-Brabant en Limburg, dat ’s avonds zo mooi „in brand” kan staan volgens Jack Poels (Rowwen Hèze), een lied dat eenzelfde nostalgie uitstraalt als de Bob Evers-serie. Nu is Nederland maar klein, maar toch duurt het tot op bladzijde 63 voor de drie jongens in Odiliapeel zijn gearriveerd: zo maakt Bob een omweg via Alkmaar (alwéér nostalgie ten top voor de Bob Evers-lezer) en Arie via Uddel (alwéér nostalgie ten top voor de Pim Pandoer-lezer). Omwegen zijn niet de enige oorzaak van die lange reis: eerst moeten de knapen natuurlijk uitvoerig op de hoogte worden gebracht waarom zij zich naar Odiliapeel moeten begeven. Na klusjes voor pa Roos in Mexico en voor pa Evers in Pennsylvania is het nu de beurt aan pa Prins om de jeugdige rabauwen aan het werk te zetten. Kolonel Prins’ huishoudster Marianne heeft namelijk van een neef een huis geërfd in Odiliapeel. Voor zij deze erfenis aanvaardt, wil zij haar toekomstige bezit eerst bekijken: een begrijpelijke zwakte. Daar hebben meer erfgenamen last van; maar wat Marianne wantrouwig maakt, is dat ze door een grote man weggejaagd wordt van haar eigen geërfde huis. Dat is inderdaad een dusdanig rare situatie, dat Jan, Bob en Arie meteen in actie komen omdat ook zij het naadje van de kous willen weten.
Door een handigheidje weet eerst Arie in het huis door te dringen, waar een gekke kunstschilder blijkt te wonen, die ogenschijnlijk niets anders doet dan de tien beroemdste schilderijen ter wereld na te schilderen. Een kunstzwendel lijkt dit niet te zijn, want alle nagemaakte schilderijen hebben een ander formaat dan de originelen. Wat is er dan wel aan de hand in dit geheimzinnige „huis van de neef van Marianne”? Even later weten Jan en Bob binnen te sluipen in de stallen die bij het huis horen; ze vinden het er maar vreemd ruiken. Als lezer denk je - net als Jan en Bob - meteen aan drugs of een xtc-laboratorium, maar dat blijkt toch niet het geval te zijn. Jan en Bob vinden nagemaakte pakjes Belinda en wederom gaat ons hart sneller kloppen van pure, onversneden nostalgie: de tekening van de blonde vrouw op de pakjes Belinda is van niemand minder dan Frans Mettes, een naam die voor de gemiddelde en zelfs beduidend minder gemiddelde Bob Evers-liefhebber geen nadere toelichting behoeft!
Het geheimzinnige gebeuren in en om het „huis van de neef van Marianne” heeft dus iets met sigaretten te maken. Hoe de vork precies in de steel zit, hopen we in een volgend deel te lezen, want „De perikelen van kolonel Prins” is nog maar het begin van een trilogie, die volgend jaar voortgezet en afgerond zal worden met alweer twee nieuwe delen: „Spektakelstuk van Fons de Schilder” en het nog titelloze deel 57. Het zijn mooie tijden!
Net als deel 54 begint het verhaal van deel 55 al op blz. 3 en in beide delen staat op blz. 2 een merkwaardig foutje: bij het copyright staat het jaartal 2014 vermeld in plaats van 2015. Een kniesoor die hierop let, natuurlijk; maar is het niet de taak van een recensent om een kniesoor te zijn?
Peter de Zwaan, „De perikelen van kolonel Prins”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2014 (sic!). ISBN: 9789082052350.






D-Day in Den Bosch
Willy van den Boschrand

Al vanaf begin januari werden wij via Facebook voorbereid op het spektakel dat in juni zou plaatsvinden in ’s-Hertogenbosch, de plaats waar Willy van der Heide oftewel Willem van den Hout 100 jaar eerder geboren was: we zagen regelmatig foto’s verschijnen van Hans Kleppe, Ton Kleppe en Roger Schenk voor het geboortehuis van Willy, in een kroeg in ’s-Hertogenbosch of in de Sint-Jan, dus ja: wij kregen er zin „an”!
Uiteraard gaf ik mij op voor het hele programma, inclusief het afsluitende „bamismijten”. Vol verwachting pakte ik op die roemruchte zesde juni de trein naar ’s-Hertogenbosch; onderweg trof ik al de nodige andere rood-gele gekken. Juni 2015 was qua weer een herfstige maand om heel snel te vergeten, maar wonderwel had de organisatie voor deze zaterdag mooi weer geregeld, dus de wandeling van Station ’s-Hertogenbosch naar Café De Smidse was alvast één groot feest. Daar aangekomen zagen wij als eerste de huidige schrijver van de serie,
Peter de Zwaan, en zijn vrouw. Natuurlijk waren ook de vier leden van het Bob Evers Genootschap ¹, die deze dag hadden georganiseerd, aanwezig, maar mijn nieuwsgierigheid werd vooral toch gewekt door een wat oudere heer met een lichtblauwe spencer aan: dus dit was Paul van den Hout, de tweede zoon van Willy! Voor mij was het een hoogtepunt van de dag om nu eindelijk eens een van Willy’s kinderen „live’ te kunnen ontmoeten. Hij bleek langdurig aan de tand gevoeld te worden door een journalist, zodat ik ruimschoots de tijd had om de man nader te bekijken: ja, wat lijkt hij op zijn vader! Afgezien van de omvang van zijn snor dan altijd. Er werden wat boeken te koop aangeboden, maar omdat het ging om boeken van Willy in een bont gezelschap van Bob Evers-fans werd er niet echt veel verkocht, heb ik de indruk: iedereen heeft alles al. ˂Jan Prins-modus˃En wat ik nog niet had, bijvoorbeeld de Italiaanse vertaling van „The House of Pain”, was mij te duur.˂/Jan Prins-modus˃.
Gekleed in een rood priestergewaad verscheen John Beringen achter de bar en begon een preek van ongeveer twintig minuten, die begon met de sinds de laatste bijeenkomst overleden Bob Evers-fans en eindigde met het overlijden van Willy van der Heide. Als je dit zo leest, denk je dat de preek dus alleen maar kommer en kwel bevatte, zoals men mag verwachten van iemand in een priestergewaad, maar gelukkig zat er ook de nodige humor in Johns speech. Voor nog meer kommer en kwel zorgde vervolgens de korte mededeling van Roger Schenk dat diezelfde ochtend Pierre Brice was overleden: voor ons „oudere jongeren” de man die onze jeugdheld Winnetou op overtuigende wijze gestalte gaf in de Sauerkraut-Westerns uit de jaren ’60, die eigenlijk alleen maar de titel gemeen hadden met de romans van Karl May. Vervolgens kondigde dezelfde spreker de puzzeltocht om en door ’s-Hertogenbosch aan. Het grootste deel van de tocht zou te voet afgelegd moeten worden, maar het laatste deel per auto; omdat enkele fans al via de mailinglijst hadden afgesproken dat ze met de trein zouden komen en zich steeds meer mensen daarbij aansloten (ikzelf niet uitgezonderd), dreigde er een tekort aan auto’s te ontstaan. Uiteindelijk kwam alles toch nog goed en gingen we in een groepje van vijf man op pad.
De puzzeltocht was leuk en tevens informatief, al moet ik wel zeggen dat hij nogal lang duurde: we haalden De 4 kolommen maar nét op tijd om de toespraak van Peter Muller nog te kunnen horen. Maar daarover niet geklaagd, want het was mooi weer en zoals Roger Schenk al had verklaard: Willy werd honderd, dus honderd was een logisch aantal vragen. Overigens ging het niet alleen om vragen (die overigens makkelijk te beantwoorden waren), maar er waren ook 32 foto-opdrachten bij, waaronder twee „selfies”. Gelukkig is dit alleen een schriftelijk verslag, dus mijn „selfies” zal ik u besparen. 32 is binnen Bob Evers-kringen een bekend getal; er bleven dus 68 vragen en een hele hoop wandelkilometers over.
Moe maar voldaan konden we na de eerste 90 vragen en opdrachten dan eindelijk plaatsnemen in een van de meegebrachte auto’s, die ons naar Vught bracht. Alle lof voor de organisatie (waarin wij gezien het gebruikte Latijn bij sommige vragen en de overvloed aan informatie de hand van Roger Schenk menen te herkennen): alle woonhuizen van Willy, alle scholen die hij heeft bezocht, ja, zelfs het huis van zijn eerste schoonvader hebben we kunnen zien, net als de kerk waarin hij met Wiesje trouwde! We hadden net als Jan, Bob en Arie in „Drie jongens en een caravan” wel een spontane duik willen nemen in De IJzeren Man, maar we moesten helaas al weer snel verder: Peter Muller, voorzitter van het Bob Evers Genootschap, zou ons toespreken in restaurant De 4 kolommen. Dat deed de man met verve: hij hield ons maar liefst drie kwartier bezig met zijn speech, die eindigde in een donderspeech (met als strekking: verspreid Het Woord van Willy) en het kwistig rondstrooien van oorkondes; één oorkonde was interessant, want daarmee werd Bert Meppelinks toetreding tot het Genootschap bezegeld. De avond werd afgesloten met een oosters buffet, waarna wij terug liftten naar Station Vught om vervolgens de trein richting „boven de Moerdijk” te nemen.
Terugkijkend op 6 juni mag ik vanuit de grond van mijn hart zeggen dat D-Day in Den Bosch een zeer geslaagde dag was, maar: man, man, man, wat hébben we gelopen! Van een van de Kleppe Brothers kregen we alweer een Blijvende Herinnering, die nog mooier is dan die uit Amsterdam van acht jaar geleden en van Roger Schenk een boekje, waarin niet alleen de oplossing van alle vragen stond, maar ook een tot nu toe onbekende tekst van Willy: „De witte jas”. En dát was nou eens toevallig een boekje dat níét te koop lag in Café De Smidse, want beide items waren helemaal ˂Jan Prins-modus˃gratis˂/Jan Prins-modus˃! En ’s-Hertogenbosch is een onverwacht mooi stadje, waar ik vast en zeker nog eens ooit terug zal komen om alles nogmaals op mijn gemakje te bekijken.

¹     Buitengewoon Honorair Leden (Red.).






Enkele foto’s van D-Day in Den Bosch
© Roger Schenk



Meer foto’s van D-Day in Den Bosch zijn
elders op deze website te zien.





Wie zei dat je in dezen tijd niet kon preken?
Toespraak in Den Bosch van 6 juni 2015

John Beringen

Broeders en zusters,

Vandaag zijn wij bijeengekomen in een stad die vele namen kent: Den Bosch, ’s-Hertogenbosch, in carnavalstijd Oeteldonk en vandaag dus „Brabants Bethlehem”. Want wij gedenken het feit dat het afgelopen woensdag honderd jaar geleden was dat er, niet ver hier vandaan, een bijzonder jongetje werd geboren. Een jongetje dat wij later zouden leren kennen als Willy van der Heide, schrijver van de Bob Evers-boeken. Honderd jaar is een hele tijd. En in die periode zijn er heel veel mensen geboren en overleden die allemaal direct of indirect iets met Bob Evers te maken hadden. Ik denk in deze context aan onder andere:

Carla Beringen
Marie-José van den Hout
Henk J. Meijer
Doeska Meijssing
Keith Kanger Snell
Johan van der Ploeg
Peter Schilperoort.

En daarnaast zijn er uiteraard ook mensen overleden uit onze eigen omgeving die niet zo bekend waren, maar minstens net zo belangrijk. Ik verzoek u allen om te gaan staan en enige momenten van stilte in acht te nemen waarbij wij allemaal op onze eigen manier heel even kunnen terugdenken aan al diegenen die ons zijn ontvallen.

Dank u.
We gaan terug naar 1915. Willem van den Hout, alias Willy van der Heide werd geboren. Hij groeide op als een ondernemende jongen. Apenstreken, humor, heel veel pret maken en een ongekende fantasie bleken facetten te zijn die ruimschoots in zijn genen aanwezig waren. Zoals hij het zelf ooit becommentarieerde: „Ik was absoluut geen doorsnee braaf en saai Hollands jongetje.” Zijn opmerkelijke eigenschappen zouden hem later als schrijver bij wijze van inspiratiebron goed van pas komen. Een absoluut hoogtepunt in zijn leven werd gevormd door het moment waarop hij Bob Evers het levenslicht liet zien. Een serie die aanvankelijk moeilijk van de grond leek te komen. Vier gerenommeerde uitgevers, aan wie Willem zijn manuscripten aanbood, lieten weten dat het te on-Hollands was en voegden er doodleuk aan toe dat je zo geen jongensboeken schreef. Willem geloofde echter in zijn werk en hij bleek gelijk te hebben. Een van de voorvaderen uit de Stenvert-dynastie zag er brood in en ging aan de slag. Het effect was verbluffend. De stelling, die Willem zo vaak ventileerde, dat de jeugdige lezer nou eenmaal de beste beoordelaar vormde, werd bewaarheid. Het tandengeknars en het gesputter van de uitgevers die deze kans hadden laten lopen, werd ruimschoots overstemd door het kassagerinkel en de loeiende drukpersen die bijna overuren moesten maken om aan de Bob Evers-honger te kunnen voldoen. Miljoenen exemplaren gingen over de toonbank. Een bibliothecaresse vatte het ooit heel kernachtig samen: „Alleen Sinterklaas presteert het om nog meer kinderen in beweging te krijgen.” Een succes? Ja. Het werd hem echter door velen niet gegund. Jaloerse mensen, gedreven door afgunst alsmede slechte verliezers hadden er geen goed woord voor over. Nooit mocht hij ook maar één positieve recensie ontvangen op zijn werk. Werkelijk alles werd uit de kast gehaald om te proberen Willem en daarmee Bob Evers te torpederen. Maar eigenlijk wist iedereen al van te voren dat al deze pogingen gedoemd waren om te mislukken. Het is dan ook de vraag of al die mensen, die het op Willem als persoon hadden voorzien, werkelijk geloofden dat hun hoogst afkeurenswaardige acties het gewenste resultaat zouden opleveren. In feite vernedereden zij slechts zichzelf. Natuurlijk weten wij van de situaties waarin Willem zich in de nesten werkte door zijn levenshouding die gewoon anders dan anders was. Maar daarbij moet wel worden opgemerkt dat Willem zelf, iedere keer als hij om de een of andere reden in problemen kwam, ook zelf het boetekleed aantrok met een bewoording als: „Het was ook mijn eigen schuld.” Dat getuigt van een geestkracht die weer totaal niet is aan te treffen bij al die personen die stelden dat Willem niet deugde en daarmee zijn werk evenmin. Als wij dit consequent zouden doortrekken, zou de literatuurlijst zoals die op middelbare scholen rondgaat, er maar heel magertjes uit komen te zien.
Toen kwam de dag waarop Willem overleed: zondag 24 februari 1985. Het ging aan de meesten voorbij; slechts één enkele kleine publicatie was enige maanden later waar te nemen. Wat dat aangaat, is de dood van Willem te vergelijken met de situatie waarin men aan het begin van een lange nacht een steen midden in een groot meer gooit. De steen zinkt dan meteen naar de bodem; de rimpeling op het water verspreidt zich naar alle kanten. Echter… toen het ochtendgloren zich aandiende, waren de rimpelingen niet verdwenen. Nee, ze waren gegroeid tot het formaat van een tsunami. En om het figuurlijke aspect te benadrukken: die nacht staat uiteraard voor een periode van vele jaren. Een tijdvak waarin internet zijn intrede deed en eenieder die op de oevers van datzelfde meer zat te mijmeren over die ene schrijver die er niet meer was, ontdekte dat hij daar niet alleen in stond. Ineens bleken er hele legioenen aan gelijkgestemden te bestaan. De tsunami had iedereen in één klap wakker geschud. Er volgden ontmoetingen, kennismaking en vriendschappen tussen mensen die anders wildvreemden voor elkaar zouden zijn gebleven. Er ontstonden zelfs relaties waardoor er nu mensen op deze wereld rondlopen die nooit geboren zouden zijn als Bob Evers niet had bestaan. Wat door alle religies op deze wereld zo wordt nagestreefd en slechts moeizaam lukt, kreeg Willem vele jaren na zijn dood voor elkaar: verbroedering door één en dezelfde fascinatie die hij bij ons allen liet ontstaan.

Voor ik de laatste zinnen zal uitspreken, wil ik broeder Hans Kleppe verzoeken om rond te gaan met de Drosties. En als u deze lekkernij tot u neemt, denk dan terug aan al die keren dat u gelachen hebt toen u de verwikkelingen rondom Jan, Bob en Arie las. Denk ook terug aan Willem die nu al ruim 30 jaar niet meer onder ons is. Uiteraard was dat een triest moment, maar vandaag zijn wij bij elkaar om te genieten van die ene erfenis die ook bij een overlijden hoort en die niet in geld is uit te drukken: namelijk het feit dat wij hier en nu samen zijn en ook terug kunnen denken aan die keren dat wij als kind ziek op bed lagen en wat werden opgevrolijkt door het lezen een gebonden boek of een rood-gele pocket. Het is geen erfenis van een zonderling… het is de erfenis van een wonderling.





Bob Evers-toespraak 6 juni 2015 in De 4 Kolommen, Vught
t.g.v. de 100ste geboortedag van Willem W. Waterman

Peter J. Muller

Dames en heren, geachte aanwezigen, in het bijzonder Paul van den Hout, de vrucht van Willems schoot - altijd bijzonder eervol u in ons midden te weten - en in deze openingszin ook graag betrekkend de gelouwerde ereleden van het BEG, te weten de heren Hans Kleppe en Ton Kleppe, John Beringen en Roger Schenk, door mij wel aangeduid als „de harde BE kern” - het is mij, kom ik tot de afronding van deze zin - velen zullen nog volgen - in mijn hoedanigheid van voorzitter van het Bob Evers Genootschap, een eer en een genoegen U allen op deze heug’lijke dag, waarop wij de 100ste geboortedag van Wilhelmus Henricus Maria van den Hout gedenken, hier in het mooie Vught toe te mogen spreken.

Helaas zijn de Bestuursleden niet voltallig aanwezig - de heer Meijsing verblijft in zijn geliefde Italië, maar had er veel voor over gehad hier ook te zijn, ware het niet dat het economisch getij voor Geerten ongunstig is, wat - wil ik hier op persoonlijke titel aan toevoegen - duidelijk maakt hoe Nederland placht met zijn grote schrijvers om te gaan.
Bestuurslid Van der Linden is geen schrijver, maar salesmanager van een damesblad voor heren en komt deshalve materieel niets te kort, maar ernstiger, wordt in de steek gelaten door zijn fysieke gesteldheid, die het hem helaas onmogelijk maakt de verre reis van Amstelveen naar Vught te ondernemen.
Neem van mij aan dat Van der Linden en Meijsing in gedachten bij ons zijn.
U zult het dus moeten stellen met Bestuurslid secretaris Verpoorten en mijzelf, beiden op leeftijd maar nog goed ter been, voor zo ver u daarin geïnteresseerd bent.

Het leven, goede vrienden, bestaat uit ups en downs - en voor ik toe ben aan de bijzondere aanleiding van deze Bob Evers-dag, de reden waarom we hier bij elkaar zijn, wil ik kort stil staan bij de downs die de afgelopen jaren sinds de Bob Evers-manifestatie in 2007 in Amsterdam, ook aan enkele van de hier aanwezigen alsmede aan het Bob Evers Genootschap niet voorbij zijn gegaan.

Een eerbiedig saluut breng ik aan de op 9/9/2009 om 9 over 9 overleden Marie-José van den Hout, de geliefde zuster van Willem, die wij ons herinneren als een erudiete dame met een sprankelende persoonlijkheid en een fascinerende levensloop. Zij leeft in woord en beeld voort op haar website - meer dan een website een tijdmachine, waar als je er eenmaal in zit - met tegenzin terugkeert in het heden.

Een jaar later, op 18 juni 2010 verwisselde veel te jong ons Bestuurslid de heer Snell het tijdelijke voor het eeuwige. Een bijzonder mens die, zoals zijn boezemvriend Geerten Meijsing schreef:

waarschijnlijk niemand van u ooit in levenden lijve hebt gezien, maar hij was wel degelijk aanwezig bij de oprichting van het Genootschap op 6 december 1972, met het begraven van de luchtdichte koker met geheime inhoud in de bouwput onder het destijds verdwenen, en mede dankzij de inzet van het Genootschap later weer herrezen Noord-Zuid-Hollandsch Koffiehuis, alles gedocumenteerd met fotografieën.” Einde quote

Geerten noemde Keith Snell „het meest aanwezig door afwezigheid” - een staat van zijn die - als je er over nadenkt - op het complete BEG van toepassing is, maar dit terzijde.

Levenswijsheid bestaat in het kennen van de dwaasheden des levens, sprak een wijsgeer. (En zo is het maar net, voeg ik daar aan toe.)

En dat brengt mij op het bijzondere feit, de aanleiding dat we hier aanwezig zijn, dat 100 jaar geleden op 3 juni 1915 de schepper van de Bob Evers-boeken in ’s-Hertogenbosch werd geboren. Voldoende reden voor het organiseren van deze feestelijke dag - met als hilarisch hoogtepunt, althans zo zie ik het, het ledigen van een flesje London Tonic in de vaart voor het geboortehuis van Willem W. Waterman.
Dat klinkt als een gedicht van Wim T. Schippers.

Het ledigen van een flesje London Tonic in de vaart voor het geboortehuis van Willem W. Waterman.

Geef toe, een volslagen dwaze handeling, uitgevoerd bij hun volle verstand door hoogopgeleide volwassen mannen, hier aanwezig - en dat mag ik zeggen - want mijn hele loopbaan als bladenmaker is één grote dwaasheid met als uitschieter het prettig gestoorde weekblad De Nieuwe waarin wij de sensationele scoop brachten dat de hemel vol zit en er niemand meer bij kan.

Wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, staat geschreven...
Ik sluit mij in alle eenvoud aan bij deze woorden.

Deze wereld heeft briljante, kunstzinnige en doordachte dwaasheid nodig, gelijk de lucht stikstof nodig heeft om te kunnen ademen.
Er zijn twee soorten van gekken en dwazen, bedacht ik mij - zij die ons in het verderf storten, u hoeft daar de krant maar voor open te slaan - of zij die ons plezier, humor en ontspanning bieden - de stikstof die nodig is om te ademen - u hoeft daar de Bob Evers-boeken maar voor open te slaan.

Wij vieren dan de 100ste geboortedag van een geniale dwaas, een gek, fantast, idioot, zonderling, zot - een heerlijke man - een avonturier, bohémien, gentleman, womanizer en begenadigd schrijver die op zijn geheel eigen wijze - kolderiek, mallotig, dol, getikt, krankzinnig, maf, mal, onnozel, raar, vreemd, bezopen, dom, kluchtig, ongerijmd, onverstandig, onwijs, onzinnig, stom, buitensporig, overdreven, uitzinnig maar zelden betekenisloos vorm en inhoud gaf aan een bijzonder leven dat in 1915 aanving, het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog een jaar oud was.
Het jaar 1915 ook waarin de dichter Leo Vroman, de schrijver Arthur Miller, de jazz & swing-muzikant Boy Edgar, de crooner Frank Sinatra en de Hollywood-acteur Orson Welles het levenslicht aanschouwden, mannen waar Willem een grote bewondering voor koesterde.

Over Willem is veel geschreven en besproken - de misverstanden, hele en halve waarheden, geruchten, mystificaties, spoedtelegrammen, dubbele bodems, dubbele levens, dubbele uitsmijters en dubbele jenevers - de biograaf die het bij zijn volle verstand aandurft zich in dat drijfzand te begeven om dat complexe leven in een boek te verklaren, uit te leggen, te onderbouwen en in kaart te brengen, staat voor een onmogelijke bijkans gekmakende opgave.
Een veelbelovend begin maakte de helaas veel te vroeg overleden Johan van der Ploeg - maar als er iemand is die het BEG de vervolmaking van deze mission impossible zou willen en durven toevertrouwen, dan is het wel - hier aanwezig - ons gedreven, maar toch gewoon gebleven Buitengewoon Honorair Lid - Roger Schenk.

Ton Kleppe hiernaar gevraagd roemt Schenks „bijna fotografisch geheugen” en „ongewoon grote kennis” van de Bob Evers-serie. „Wat hij niet weet,” aldus Kleppe, „is de moeite van het onthouden niet waard.”

Maar hoe encyclopedisch groot ook de kennis, de vraag stellen - Wie was Willem W. Waterman - is met de vraag blijven zitten.
Een prachtige schets van het fenomeen WILLEM gaf Geerten Meijsing tijdens zijn Bob Evers- toespraak op 2 oktober 1993, ik meen in Apeldoorn.

En daar zat hij.
Een grote man met een rafelige snor en een scheepspet op en een stem die tot buiten hoorbaar was, gekleed in een corduroy broek, een militair hemd en een houtje-touwtje-jas. Nadat hij, à la Arie Roos, een dubbele biefstuk die helemaal zwart werd gestrooid met peper had verorberd, ging hij ons voor naar zijn schip, waar een gezellig potkacheltje werd aangestoken en waar hij zijn gasten blikken ham en blikken ananas aanbood - alweer precies als in de boeken.
Willy van der Heide, berucht als Willem W. Waterman, was een kleurrijker persoonlijkheid dan wij in onze stoutste dromen hadden kunnen vermoeden, veel wilder dan de boeken, turbulenter dan alle boeven- en jongenskarakters tezamen van die reeks, met behoud van de krankzinnige charme en aantrekkelijkheid van beide categorieën.


Van het Bestuur van het BEG heeft Meijsing het meest intens verkeerd met Willem, maar Coen van der Linden, die in 1971 in café De Oude Wester voor het eerst Willems bulderlach opving, heeft van al zijn vrienden in mijn directe omgeving, verreweg het meeste met hem te stellen, en het meeste van hem te verduren gehad.
Sander van der Linden, het petekind van Coen, weet zich nog goed te herinneren hoe hij - negen of tien jaar oud - op de studeerkamer van zijn oom en peetoom „De Strijd om het Goudschip” ontdekte.
Ik citeer:

Toen ik wat rond de veertien, vijftien was, placht ik te logeren bij mijn oom in de Rozenstraat in Amsterdam. Buiten het feit dat de meest vreemdsoortige figuren op bezoek kwamen, werd er ook hasj gerookt. Dat was iets magisch. Zeker in die tijd. Eén van die kleurrijke figuren boeide mij zeer. Een vent met een martiale snor, ‘stevig’ taalgebruik en dito alcoholinname. Coen vertelde mij dat dit Willem Waterman was, eigenlijk Willy van der Heide, de schrijver van de Bob Evers-serie.
Tegen die tijd had ik elk deel van de serie zeker zes keer gelezen en deze ontboezeming maakte dat ik Willem als een soort nedergedaalde godheid bekeek. Hij woonde ondertussen in de ruimte beneden de woning van Coen en kwam ’s nachts vaak oeverloos dronken aanwaaien waarbij er echt hele vreemde gesprekken plaatsvonden die ik echter bijzonder amusant vond. Ik weet nog dat Coen mij vertelde over het Koffiehuis-gebeuren, de oprichting van het Genootschap.


Een nedergedaalde godheid”.

Toe maar!
De onuitwisbare indruk die Willem maakte op jong en oud, werd ook door de SF bestseller-auteur Koos Verkaik beeldend onder woorden gebracht. Koos leerde Willem kennen in 1974 in zijn hoedanigheid van hoofdredacteur van het sexblad Candy nadat ik dit roemruchte tijdschrift, waar Willem mede zijn verzameling schaamhaar aan te danken had, van de hand had gedaan om het weekblad Weekend op te starten. Willem en Coen gingen verder onder hoofdredacteurschap van Koos Verkaik en zijn helaas veel te vroeg overleden broer Marien. Koos herinnert zich nog goed,

quote:
wat ik de legendarische Willem W. Waterman vroeg, toen ik hem voor het eerst ontmoette. Ook zijn antwoord staat me in het geheugen gegrift.
„Hoeveel boeken hebt u nu eigenlijk al geschreven, meneer Waterman?”
„Wat gaat jou dat aan, snotneus? Melkmuil! Haha!”
En dat ‘haha’ klonk dan als een dubbele donderklap.
” Persoonlijk prefereer ik „bulderlach”, maar „donderklap” kan er mee door. „Ik was begin twintig en bevond me in het huis van Coen in de Jordaan. We hadden Willem midden op de dag snurkend en mompelend op de bank aangetroffen, waar hij zijn roes lag uit te slapen; telkens wanneer hij uitademde, schudde zijn walrussensnor vervaarlijk op en neer. Eenmaal wakker beweerde hij niet of nauwelijks geslapen te hebben. Hij had juist heel lang met een buitenlandse geheime dienst gebeld, waar wij verder geen vragen over dienden te stellen. Vervolgens stond de reus op om zijn sigaretten op te diepen uit de zak van zijn camelkleurige houtje-touwtje-jas die ergens op de planken vloer lag. Hij stak een sigaret op en inhaleerde met open mond zo diep dat de rook welhaast van onder zijn teennagels weer te voorschijn moest komen. „Die vent is knettergek,” dacht ik, maar tegelijkertijd werd ik overspoeld door een bijzonder gevoel dat vroeger veel mensen in het Wilde Westen moeten hebben ervaren wanneer zij iemand als Buffalo Bill hadden ontmoet en het hadden gewaagd hem aan te spreken.

Het BEG, opgericht in 1972, is niet meer en niet minder dan een denkbeeldig mausoleum waarin de 34 delen Bob Evers op fluwelen kussentjes opgebaard liggen - een mausoleum waarvan de deuren in 1977 met het uitkomen van „Bob Evers belegert Fort B” met een daverende dreun in het slot vielen.
Slechts de Gewone Leden, verenigd in het Bestuur - alsmede de Buitengewoon Honorair Leden, is het gegeven, na het uittrekken van hun schoenen, het Mausoleum te betreden en eer te bewijzen aan deze drie dekselse deugnieten die in de geschiedenis van het Nederlandse jongensboek zo’n unieke positie innemen.
Als bewijs van onze erkentelijkheid en ter herinnering aan de 100ste geboortedag van Willem zal de secretaris van het Genootschap, de heer Verpoorten, hier aanwezig, na afloop van deze toespraak de heren Beringen, Kleppe en Schenk een speciale Oorkonde overhandigen.

Maar ook al zijn de deuren van het Mausoleum gesloten, daarmee is niet gezegd dat Bob Evers dood en begraven is, ik mag wel zeggen - integendeel.
Behoren de muf ruikende boeken met stofomslag tot het culturele erfgoed, tot het verleden, mijn hart maakt telkenmale een buiten-genootschappelijk sprongetje van vreugde bij de gedachte, dat er nog steeds jongeren zijn die de fakkel brandende houden, en net als wij in onze jongensjaren in de ban raken van de adembenemende avonturen waarin het drieste drietal ook na de periode „Willy van der Heide” zich enthousiast is blijven storten.
Dat mag de grote verdienste heten van auteur en winnaar o.a. van de Gouden Strop - Peter de Zwaan, de man die na „Bob Evers belegert Fort B” de serie bij de tijd weet te houden door het schrijven van nieuwe, telkens weer verrassende, en in de titels, zoals het hoort, aangenaam allitererende Bob Evers-avonturen, waarvan onlangs - mind you - het 55ste deel, „De perikelen van kolonel Prins”, is verschenen.

Bedankt daarvoor heer De Zwaan, en ga zo door, en hou vooral de Bulderlach er in.

Als bewijs van onze erkentelijkheid en ter herinnering aan de 100ste geboortedag van WILLEM zal de secretaris van het Genootschap, de heer Verpoorten, na afloop van deze toespraak de heer De Zwaan de Oorkonde overhandigen.
In die verankering van de naam Bob Evers en Willem W. Waterman spelen de BH leden Roger Schenk en John Beringen een grote rol. Ook al zijn wij slechts dwergen op de schouders van een groot schrijver, de betekenis van drs Roger Schenk, docent klassieke talen, die zijn monumentale Bob Evers-kennisreservoir - de „Apriana” - in alle onbaatzuchtigheid voor het publiek ontsloten heeft, vervult het BEG met grote bewondering. Bedankt daarvoor Roger, en asjeblieft: ga door!

De rol van John Beringen is met de jaren gegroeid van groot naar zeer groot. Niet alleen door de invulling, samenstelling en verspreiding van de Bob Evers Nieuwsbrief, in nauwe samenwerking met Schenk en de oer-Bob Eversen Hans en Ton Kleppe, maar ook door de vele Eversiaanse boeken die hij op zijn naam heeft staan, en waarvan ik noem „Het Verschijnsel Bob Evers”, „Het Bob Evers Virus”, „Twee jongens en een Bob Evers-serie”, enzovoort enzovoort En dan heb ik het nog niet eens over de YouTube-filmpjes en de BE-hoorspelserie waar hij nu aan werkt, gebaseerd op de hoorspelscripts van Roger Schenk.
Bedankt daarvoor John, en ook jij, asjeblieft: ga door!

Alvorens ik bij de afsluiting van mijn rede kom, ontkom ik er niet aan, maar zie ik het ook als een verplichting zo kort na de mei-maand, even stil te staan bij het omstreden verleden van Willem W. Waterman.
Hiervoor de ogen te sluiten, zoals sommigen verkiezen, of even kwalijk, de activiteiten van Willem in de oorlogsjaren te romantiseren door mee te gaan in de fantasie dat hij in werkelijkheid als dubbelagent voor de geallieerden werkte en dat soort flauwekul - is in de ogen van het BEG niet te rechtvaardigen. Laten wij klare wijn schenken en Willem recht doen door hem in zijn ware gedaante neer te zetten.

En daar hoort bij dat Willem zich niet heeft aangesloten bij foute clubjes zoals de Kultuurkamer, het Journalistenverbond of de NSB, noch werd hij na de oorlog veroordeeld, er werd kortom mild over de excentrieke schrijver geoordeeld - maar zijn enthousiaste medewerking aan de foute Gil en de foute Radio Gil Club en verblind door een kinderlijke hang naar jongensavonturen en passie voor Amerikaanse swingmuziek, stond Waterman, zoals Henk van Gelder het verwoordde „als profiteur van de buitencategorie aan de foute kant van de geschiedenis” en dat, vrienden - of we het leuk vinden of niet - is een feit en dat is hem blijvend aangerekend.

Maar voor mij het belangrijkste, en ik zeg dat op persoonlijke titel... Willem was een provocateur, een „alcoholische brulaap” zoals zijn aartsvijand Martin van Amerongen hem noemde, iemand die het leuk vond de mensen te shockeren, zijn leven was één grote Wahrheid und Dichtung, je wist niet waar Bob Waterman begon en Willem Evers eindigde, het liep allemaal door elkaar. Maar de nuchtere niet benevelde Willem was beslist géén antisemiet en géén fascist - niet voor, niet in, en niet na de oorlog. Laat daarover geen misverstand bestaan.

Het Genootschap is blij dat de gebroeders Kleppe, Schenk en Beringen noch in de „Apriana” noch in de Bob Evers Nieuwsbrieven de activiteiten van WWW tussen 1940 en ’45 hebben getracht weg te moffelen, af te zwakken of te verzwijgen - alles wat u daarover weten wilt, is eenvoudig en transparant tot in detail gedocumenteerd terug te vinden. Vriend en vijand komen daar aan hun trekken.

Tot uw opluchting het slot naderend van de Bob Evers Toespraak 2015, wil ik nogmaals in alfabetische volgorde de BH Leden John Beringen, Hans Kleppe, Ton Kleppe en Roger Schenk, en verder de jongens en meisjes hier in de zaal en daarbuiten, te land, ter zee of in de lucht, allen die op liefdevolle wijze bijdragen aan het hoog houden van de naam Bob Evers driewerf dank zeggen. Dank, dank, dank.

Naderen wij op een haar na de afsluitende ceremonie - (nog even geduld, ik sta hier ook niet voor mijn lol - het voorzitterschap drukt zwaar op me, maar de plicht roept. De toespraken van Fidel Castro duurden heel wat langer, moet u maar rekenen.)

Ten aanzien van het Buitengewoon Honorair Lidmaatschap (BHL) bereikte het Bestuur de legitieme vraag waarom de heer Paul van den Hout geen Buitengewoon Honorair Lid is. Binnen het Bestuur is daarover van gedachten gewisseld - ja, u ziet, we zitten niet stil - maar wij vinden dat dit ongepast zou zijn omdat de status van „de zoon zijn van” - Paul bij geboorte gegeven - reeds de hoogste onderscheiding is, verre uitstijgende boven de autoriteit van het BEG en al haar certificaten en oorkondes bij elkaar. (Vanzelfsprekend hoeft Paul maar te kikken en wij laten de Oorkondes en Erelidmaatschappen gelijk Drosteflikken op hem neerdalen, dat moge duidelijk zijn.)

Thans, in het verlossende zicht van de afsluiting mijner redevoering - ik wil u ook niet langer ophouden dan nodig is - wil ik na het lof toezwaaien aan de BH leden, uw aandacht vragen voor de noeste buitengenootschappelijke werkzaamheden van de al jaren in Bob Evers- en Willem-kringen bekende Bert Meppelink, die zich op literair-wetenschappelijk verantwoorde wijze heeft verdiept in de bonte verzameling erotische schrifturen die Willem in de jaren ’50, ’60 en ’70 onder een schier onontwarbaar kluwen van exotische pseudoniemen heeft nagelaten. Meppelink, die al eerder het boek „Lizzie Scott gaat de vernieling in” het licht heeft doen zien, heeft nu het plan opgevat om veel nog onbekend erotische werk van Waterman of aan hem toegedicht, verder te onderzoeken en te ontsluiten, en dat in nauwe samenwerking met twee respectabele uitgeverijen. Te denken valt, verneem ik, aan de heruitgave van „Dokter, ik kom niet klaar” - een bundel casussen uit de praktijk van seksuoloog McInverness - maar ook zullen nog onbekende WWW pennevruchten als „De kartuizer monnik”, „Het klooster van de zalige lusten” en „De wellustige Turk” aan de vergetelheid worden ontrukt. En dat is nog maar een tipje van de sluier. Het Bestuur ziet in het diepgravende en tijdslurpende onderzoek naar dit aspect van onze viriele veelschrijver voldoende reden aanwezig om de heer Meppelink op te nemen in de rijen van het BEG door hem te benoemen als Buitengewoon Lid (BL), de op twéé na hoogste genootschappelijke onderscheiding.


Uitgeverij Aquarius

Nederlandsche Keurboekerij

Triton Pers

Uitgeverij Kerco

Mag ik dan alvorens aan mijn 45 minuten durende slotwoord te beginnen, de secretaris van het Genootschap verzoeken de heer Meppelink, beiden hier aanwezig, naar voren te roepen.

Frans: „De heer Meppelink!”

-- volgt uitreiking --

Tot slot wil ik de secretaris van het Genootschap verzoeken de heer Vinkenoog naar voren te roepen.

Frans: „De heer Vinkenoog!”

-- volgt uitreiking --

Het Genootschap heeft besloten met name de internetactiviteiten waarmee Paul Vinkenoog zijn steentje bijdraagt aan de verspreiding en instandhouding van de naam Bob Evers - in het bijzonder onder jongeren - ter aanmoediging te belonen met de bijzondere Oorkonde - het voorportaal, je weet maar nooit, tot toetreding als Buitengewoon Lid van het BEG.

Dan ben ik nu aan het einde van mijn toespraak gekomen. Het BEG dankt de organisatoren recht hartelijk voor deze bijzondere en gedenkwaardige dag - het Bestuur trekt zich voor de komende jaren ter contemplatie terug en richt zich Deo Volente op het jaar 2022 waarin het BEG 50 jaar bestaat. En Willem, rare man, gek, grote held, bedenker en schrijver van de Bob Evers-boeken, wij brengen jou een eerbiedig saluut, militairement zoals je dat het liefst zag - en u, dames en heren, jongens en meisjes, nog veel plezier vanavond, laat u de London Tonic en dubbele uitsmijters goed smaken - en als U straks weer uitgewaaierd bent, terug in uw vertrouwde omgeving, thuis of in de inrichting of waar dan ook, het Bestuur doet namens de rondwaaierende geest van Willem W. Waterman een dringend beroep op u allemaal....

Maak heibel! Kabaal! Trammelant! Schop naar believen tumult! Speel hoog spel! En laat door gans het land de bulderlach klinken die in de mooiste en beste jongensboekenserie ooit op deze planeet geschreven zo menig maal door onze vrienden Bob Evers, Arie Roos en Jan Prins werd aangeheven.

Ik dank u wel.

NASCHRIFT: de heren De Zwaan en Vinkenoog waren niet aanwezig, de hen toegekende Oorkonde is te bekomen bij het secretariaat van het Bob Evers Genoootschap, Oranjestraat 4 te Haarlem op vertoon van een geldig legitimatiebewijs.





Trammelant en gekrakeel
Peter de Zwaan

Op de Willy van der Heide-dag in Den Bosch kreeg ik het over me. Ik zag, tussen de twee Kleppebrothers in, een rij hardcover Bob Evers-boeken en ik dacht: ik wil ze weer.
Een jaar of wat geleden, na het schrijven van deel 50, had ik het gevoel dat ik het had gehad met Jan, Bob en Arie. Ik zag het voor me: een schrijver van 82 jaar die gebogen over zijn computer met extra grote letters deel 90 zit te typen over jongens die al driekwart eeuw maar geen 20 willen worden. Huiveringwekkend, vond ik en van pure schrik verkocht ik al mijn mooie A4-formaat boeken. Behalve „Stille Zuidzee”, want daar stonden een opdracht en een handtekening in van de schrijver zelf, de lange man met de snor die vriend Henk en ik zo vaak over de Stationsweg in Meppel hadden zien lopen en die in hotel - nu schouwburg - Ogterop voor het raam zat te werken in opdracht van zijn uitgever die hem bij de hand wilde houden.
Al bij het schrijven van deel 51 had ik een beetje spijt van de verkoop en in Den Bosch wilde ik de 32 delen opeens terug, allemaal en met stofomslag. Dankzij Hans Kleppe en Marco Meinders had ik er binnen een week 24. Bijna allemaal met omslagen. Maar net niet de omslagen van „Trammelant op Trinidad” en „Vreemd krakeel in Californië”, de boeken die me na aan het hart lagen.
Omdat ze leuk zijn, omdat ze hilarische hoofdstukken bevatten (het krattenonderzoek in „Trammelant” en het laatste hoofdstuk van „Krakeel”), omdat ze van de eerste tot de laatste pagina bestaan uit jeugdsentiment.
Ik was tien jaar toen, in 1955, de boeken in de etalage van Huisman lagen, de boekwinkel vlak bij de Zuiderbrug met het mooie bord „Meppel, de stad waar u zo gezellig winkelt” dat wordt genoemd in „Krakeel”. We liepen er elke dag langs, Henk en ik, en we bekeken ademloos de prachtige omslagtekeningen van Frans Mettes en stelden vast dat geel en blauw de mooiste kleuren waren voor de strook onder de titel.
Ik weet niet meer wanneer de boeken in de etalage werden gelegd, maar ik weet nog heel goed dat het lang wachten was tot mijn verjaardag in augustus.
Ik weet ook hoe mijn verlanglijst eruit zag.
1. „Trammelant op Trinidad” en „Vreemd krakeel in Californië”.
2. „Trammelant op Trinidad” en „Vreemd krakeel in Californië”.
3. „Trammelant op Trinidad” en „Vreemd krakeel in Californië”.
Dit ging door tot en met nummer 9, want ik wilde niet dat er misverstanden zouden ontstaan. Omdat ik van mijn ouders ook iets anders op de lijst moest zetten, eindigde ik met:
10. Iets anders.
Ik herinner me niet meer wat ik kreeg na het wakker worden, misschien mooie dingen, misschien nuttige dingen, maar nog jaren later vertelden mijn ouders dat ik gaandeweg de dag knap chagrijnig werd. Pas laat in de namiddag kreeg ik twee pakjes van A4-formaat. Daar waren ze, allebei.
De rest van de dag zat ik te lezen en na een paar uur had ik „Trammelant” uit.
„Kind toch, het is zonde,” zei mijn moeder. „Zulke dure cadeaus en je hebt er maar een paar uur plezier van.”
„Nietes,” zei ik. „Morgen lees ik het andere boek en daarna „Trammelant op Trinidad” voor de tweede keer en „Vreemd krakeel” voor de tweede keer en dan weer „Trammelant” en … Minstens vijf keer.”
In de eerste week, wel te verstaan.
En elke keer lachen bij het lezen van dezelfde stukken. En er met Henk over praten.
Dit waren de mooiste boeken ter wereld.
Ik wist het toen zeker en ik weet het nu nog zekerder.
Jeugdsentiment maakt boeken mooier dan ze zijn. Wie ouder wordt, weet precies wat ik bedoel.





Watermannelijke woningen, deel 4: 1946-1951
Roger Schenk

Van Alkemadelaan 850, Den Haag : 1946-1948
In de loop van 1946 werd Willem vanuit Fort Blauwkapel overgebracht naar het Huis van Bewaring te Scheveningen; deze gevangenis werd in 1919 gebouwd en stond tussen 1940 en 1945 bekend onder de naam Oranjehotel, een nogal eufemistische benaming voor deze naargeestige gevangenis, waar de Duitsers hun (politieke) gevangenen in verzekerde bewaring hielden. Na de oorlog werden hier (en in allerlei bijgebouwen, de zogeheten Cellenbarakken) talloze al dan niet vermeende collaborateurs opgesloten; tegenwoordig bevindt zich de zogeheten United Nations Detention Unit in het gebouw, dat nu officieel de naam Penitentiaire Inrichting Haaglanden draagt. Types als Slobodan Milošević, Radovan Karadžić, Ratko Mladić en Charles Taylor zaten hier in afwachting van hun proces.
Te zien is Het Poortje (met plaquette): de poort die uitkomt op de Van Alkemadelaan, waardoor de Duitsers in de jaren 1940-1945 ter dood veroordeelden naar de ertegenover gelegen Waalsdorpervlakte brachten om hen te fusilleren, een lot dat ook Anton Mussert in 1946 moest ondergaan. In datzelfde jaar kwam dus ook Willem van den Hout hier terecht; hij moest zijn cel delen met de zeer beruchte Friedrich Weinreb (1910-1988), voor wie Willem hand- en spandiensten verrichtte: een en ander was mogelijk omdat het door het te grote aantal gevangenen onmogelijk was om een strakke discipline te handhaven. In de tijd dat Willem hier huisde, vond ook het incident plaats met de ladders en de potten verf, waarvan Jan Prins op p. 73 (hardcover) van „Hoog spel in Hong-Kong” kond doet; in tegenstelling tot wat in het boek wordt beweerd, was het niet de gevangenisdirecteur die het verhaal aan kolonel Prins - jaja, die van de perikelen - vertelde: Willem hoorde het verhaal min of meer uit eerste hand: de directeur van de gevangenis zal vast geen goede vriend van Willem zijn geweest!


Frankenslag 40, Den Haag : 1948-1949.
Zonder veroordeling wordt Willem op een koude decemberzaterdagmiddag uit de Cellenbarakken ontslagen; met zijn hele hebben en houden staat de schrijver op straat. Zijn zus José-Marie (die zich later in Frankrijk Marie-José zou noemen, omdat men in dat land de combinatie José-Marie niet kent) is degene die zich over hem ontfermt: met maar liefst drie taxi’s neemt zij Willem en zijn boeltje mee naar haar appartement op de Frankenslag. Afgaande op officiële bescheiden van de Burgerlijke Stand zou men gemakkelijk kunnen concluderen dat Willem en José-Marie vijf maanden lang met elkaar onder één dank hebben gewoond. Niets is echter minder waar: José-Marie gaat al snel wonen en werken in Bromborough, waarvan een in Bob Evers Nieuwsbrief 23 gepubliceerde brief d.d. 29 april 1949 getuigt. Jaren later zou - inmiddels - Marie-José desgewenst verklaren: „God bewaar me, samenwonen met ene Willempie!”
We krijgen haast het idee van Willem als koekoeksjong, of, in het onderhavige geval, koekoeksbroer. Om allerlei onopgehelderde redenen lijkt José-Maries vertrek naar het plaatsje dat wij zo goed kennen uit het in 1950 verschenen boek „Sensatie op een Engelse vrachtboot” niets meer of minder dan een vlucht.


Frederik Hendriklaan 23, Den Haag : 1949-1950.
Op 23 mei 1949, op de kop af vijf maanden nadat hij zich officieel heeft laten inschrijven als bewoner van de Frankenslag, vertrekt Willem naar een eigen adres: Frederik Hendriklaan 23. De etage die hij in het hierboven afgebeelde huis huurt, ligt hemelsbreed nog geen 50 meter verderop. De statige huizen in dit deel van Scheveningen dat Statenkwartier heet, zijn veelal tussen 1890 en 1915 gebouwd; het huren van een heel huis is in dit naoorlogse jaren vol woningschaarste een niet te verwezenlijken droom voor een schrijver die net uit de gevangenis is ontslagen en nu aan het begin staat van een (nieuwe) carrière.


Van Aerssenstraat 263, Den Haag : 1950.
Het schijnt Willem wonderwel te bevallen in het Statenkwartier, want elf maanden later - om precies te zijn op 26 april 1950, als de eerste twee à drie Bob Evers-boeken in de winkel liggen - is hij financieel in staat om achthonderd meter verderop, in de Van Aerssenstraat, een wat groter huis te huren. Hij verhuurt een kamer aan een zekere Jaap Nefkens (* 14/03/1926, † 29/09/1999), die later Willems Strato-Stervaart-serie van passende illustraties zou voorzien en die in 1994 op Radio Heuvelrug Centraal (inmiddels Radio 90 FM geheten) de volgende anekdote vertelde: Willems toenmalige vriendin Annelies (met wie Willem in 1952 trouwde) dronk nogal veel; om daar voor eens en voor altijd een einde aan te maken, wilde uitgerekend drankorgel Willem haar dusdanig laten schrikken dat zij voorgoed van de fles zou afblijven: samen met een vriend, Jack Bendien, roofde hij zowat alle tuinkabouters van Scheveningen en zette die op Annelies’ slaapkamer. Bij het wakker worden schrok Annelies inderdaad enorm, maar of het geholpen heeft om haar verder nuchter te houden, zal wel voor altijd in nevelen gehuld blijven; in „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren 50” krijgen wij niet die indruk. Het gehele, kostelijke tuinkabouter-incident valt na te lezen op p. 52 e.v. van John Beringens „Bob Evers’ laatste ereronde”.


Heemskerckstraat 38, Den Haag : 1950-1951.
Op 27 november 1950 verlaat Willem het Statenkwartier (voorlopig), om zich te vestigen in het Zeeheldenkwartier in Den Haag (anderhalve kilometer verderop); om precies te zijn in de Heemskerckstraat, een „kaarsrechte, statige, goedgeverfde Haagse straat”, aldus Willem op p. 84 van „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren 50”. Zijn overbuurman in die straat was echter geen katholieke HoofdLegerAalmoezenier, zoals in voornoemd boek, maar in werkelijkheid dominee J.H. Sillevis-Smit, hoofdvlootpredikant der Nederlandse Marine, die net als Willem boekjes schreef, maar dan van een geheel ander kaliber: christelijke tractaatjes; „dat is nog es wat anders dan wat nummers van Candy in blanco envelop”, om het maar eens in Willems eigen woorden uit te drukken.
Willem en Annelies houden het hier nét geen jaar vol: op 15 november 1951 verhuist het paar weer naar een wel zeer verrassend adres; maar dat leest u in de volgende Nieuwsbrief.








De zwijgzame
W.H.M. van den Hout-Menzies

In de periode 1936-1940 noemde Willem zich vaker Menzies of Van den Hout-Menzies (zie Nieuwsbrief 43); onder die naam publiceerde hij in 1938 drie maal hetzelfde verhaal onder drie verschillende titels in drie verschillende kranten.
Op 4 januari verscheen het verhaal - voor zover we op dit moment nu weten - voor het eerst onder de titel die ook hierboven staat, „
De zwijgzame”, in het Utrechts Nieuwsblad. Op 12 januari bracht Het Nieuwsblad van het Noorden exact hetzelfde verhaal, maar nu onder de titel „De verteller: Geheime dienst” en op 3 april tenslotte konden de lezers van De Gooi- en Eemlander genieten van „Korte vertellingen: Geheime Dienst”.
Het korte verhaal speelt zich af tijdens de Japanse bezetting van China: voor het eerst schrijft Willem hier dus over die vermaledijde oorlog die tot ver na zijn dood zo’n belangrijke rol in zijn leven zou spelen en die hem uiteindelijk een
Berufsverbot en ons de Bob Evers-serie zou opleveren; als Willem ook na de Tweede Wereldoorlog „gewoon” als journalist was blijven werken, was hij hoogstwaarschijnlijk nooit aan het 31-delige vervolg op „De avonturen van drie jongens in de Stille Zuidzee” begonnen.

Drie dagen lang had Matsoeki laten zoeken. Drie dagen lang had hij iedereen in het uitgestrekte gebouw van den Japanschen Generalen Staf te Sjanghai ondervraagd, drie lange dagen waren er wachtposten voor hem verschenen, kolonels, militairen der administratie en luitenants die verbleekten onder hun gele huid.
Het was nu de avond van den derden dag en de drie mannen in de groote kamer staarden naar de rechterbovenlade van het zware schrijfbureau in den. hoek. De zon was ondergegaan en door de gesprongen ruiten in de hooge ramen flakkerde nu op den tegenoverliggenden muur de rosse gloed van het in de verte brandende Sjanghai. Het rakende geluid van barstende granaten rees en daalde in kracht.
In den stalen voorwand van de lade van het schrijfbureau schitterde de rand van een uitgezaagd slot. Matsoeki streelde peinzend met den vinger over de scherpe snede:
„Er is maar één man, die hier de hand in het spel gehad kan hebben,” zei hij en blikte naar den man voor het raam, wiens korte gestalte als een zwart silhouet afstak tegen den vuurgloed in de verte, „dit is nu de tweede maal dat het gebeurt, we hadden alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen, geen mensch heeft binnen of buiten de kringen van wachtposten kunnen komen en toch is de diefstal geschied. Er is een verrader in ons midden, door ondervragen kunnen we hem niet vinden, maar er is één man die hem ons kan wijzen!”
„Ling Hao” zei de man voor het raam, zonder zich om te keeren. Matsoeki knikte peinzend:
„Inderdaad... Ling Hao! Al twee maanden woont die Chinees nu in zijn hotel, vier straten verder. Al zijn doen en laten wordt bespied. We weten dat hij een van de gevaarlijkste leden is van den Chineeschen Geheimen Dienst. Hij spreekt met niemand, correspondeert met niemand, maar hij woont daar niet voor niets. De documenten zijn uit deze laden verdwenen, weggehaald door een van onze eigen mannen, Ling Hao weet wie de verrader is en waar ze gebleven zijn......!”
De derde man zat onbeweeglijk In een stoel, en de rook van zijn lange sigaret rees stil omhoog: „Ik herhaal nogmaals,” zei hij langzaam, „dat zijn kamers in stilte zijn doorzocht, toen hij afwezig was, dat zijn bagage nageplozen en zijn post gecontroleerd is. Al zijn gangen zijn nagegaan. Twee dagen geleden heb ik hem op den hoek van een duistere straat laten overvallen en geheel laten nazoeken. Hij draagt geen snipper papier bij zich. Het eenige papier op zijn kamer bestaat uit bankbiljetten en een kalender. Hij heeft zelfs geen notitieboekje. Niets, volkomen niets!”
Matsoeki staarde even naar buiten en draaide dan zijn hoofd met een ruk om: „Al maanden zitten we hem nu al op de hielen... nooit kan er iets bewezen worden. Juist de absolute afwezigheid van eenig papier of eenige notitie bij een man van zijn positie wijst er op, dat hij geen sporen wil achterlaten. En wij allen weten al kunnen we het niet bewijzen, dat het Ling Hao is, die al de diefstallen en spionnages in de afgeloopen maanden in scène gezet heeft. Hij weet, wie de verrader in ons midden is, en hij zal het zeggen...”
Hij zweeg, de man die voor het venster had gestaan, keerde zich om en trad langzaam op hem toe. Achter hem werd de vuurgloed sterker naarmate het daglicht verdween. „In dat geval...” fluisterde hij en aarzelde... Matsoeki knikte kort: „Afdeeling vier van den Geheimen Dienst. Haal hem vannacht uit zijn hotel onofficieel, zonder drukte en laat hem spreken. Morgen rapport!”
De chef van Afdeeling 4, de meest geheime en duistere afdeeling van den Japanschen Geheimen Dienst, ging onhoorbaar naar de deur.

Kapitein Ling Hao zat in een stoel in zijn eenvoudige hotelkamer, rookte een sigaret en staarde door het venster naar de brandende stad in de verte. De weerschijn der vlammen bescheen zijn gelaat, maar geen enkele trek daarvan verried waaraan hij op dat oogenblik dacht.
Plotseling rinkelde de telefoon, de centrale van het hotel kondigde een tweetal heeren aan om hem te spreken.
„Wie zijn het?” vroeg Ling Hao en doofde zijn sigaret.
„Twee Japansche heeren,” antwoordde de muzikale stem der telefoniste, „ze zeiden dat u hen waarschijnlijk niet zou kennen”.
Ling Hao glimlachte heel even:
„Laat maar boven!”
Hij hing den hoorn op en zette zich achter zijn kleine schrijftafel, een tafel met een gepolijst marmeren blad waarop een ledig waterglas stond, een doos sigaretten en in het midden een pressepapier. Verder niets. Toen sprong de deur open, en het volgende oogenbikken waren twee revolvers op hem gevestigd, uit twee verschillende hoeken van het vertrek. De twee knaldempers op de uiteinden der loopen wezen onbeweeglijk op zijn borst. De deur viel in het slot.
„Verroer je niet, kapitein Ling-Hao,” zei de kleinste der twee mannen zacht.
Ling Hao verroerde zich niet, plaatste de vingertoppen tegen elkaar en glimlachte. Hij had zijn taak volbracht, de plannen voor den Japanschen veldtocht waren reeds dagen lang veilig achter de Chineesche linies... niets zou hem nog kunnen dwingen zijn helpers achter de Japansche linies te verraden.
„Ik begrijp het niet,” merkte hij op, „ge hebt mijn kamers eenige malen doorzocht, naar ik bespeurd heb, maar niets gevonden...”
De kleine Japanner knikte en in de korte stilte werd het gekraak der barstende granaten steeds luider.
„Natuurlijk hebben we niets gevonden! Kapitein Ling Hao’s reputatie is niet op niets gebaseerd. Maar wc zullen te weten komen wie de verrader in ons midden is! We kennen middelen die zelfs kapitein Ling Hao aan het spreken krijgen!”
„Ik twijfel er niet aan!” boog de Chinees hoffelijk en bukte zich voorover om een sigaret uit het doosje te nemen...
„Laat dat!” snauwde de ander... „Je zult geen gelegenheid tot zelfmoord krijgen. Sogoyati, doorzoek hem.”
Geen wapen werd op Ling Hao bevonden, geen mes, geen fleschje vergif, geen scherpe vergiftigde naald... Niets. Sogoyati trad achteruit en richtte zijn revolver weer op Ling Hao.
Deze glimlachte nog steeds. In geen geval zou hij levend in handen der Japanners vallen, om in een kelder, onder de meest verfijnde wreedheden zijn geheim misschien prijs te moeten geven om zijn helpers te verraden...
„Zou ik mogen verzoeken,” sprak Ling Hao zacht, „om een glas water, een enkel glas helder water. Wellicht mijn allerlaatste glas water, als laatste hoffelijkheid?”
De Japanner dacht even na, keek hem scherp aan en knikte dan. Hij deed een pas vooruit, greep het glas, dat voor Ling Hao op tafel stond en onderzocht het zorgvuldig. Het glas was volkomen leeg. Hij knikte tevreden, en vulde het glas onder het fonteintje in den hoek van het vertrek. Ling Hao stond op uit zijn stoel, nam het glas water aan en dronk het langzaam leeg, terwijl de twee Japanners hem scherp in het oog hielden. Op het oogenblik dat hij het ledige glas van zijn mond nam en neer wilde zetten, richtte hij zich een oogenblik hoog op om dan met het hoofd op het marmeren tafelblad te vallen. Het glas rinkelde op den parketvloer in scherven.

„Hoe was dat mogelijk?” riep Matsoeki den volgenden morgen, toen de chef van Afdeeling 4 rapport uitbracht, „hoe heb je den misslag kunnen begaan, niet op te letten, of er niet iets in dat glas zat?”
„Er wás niets in dat glas,” antwoordde de ander rustig.
„Dan had je hem geen gelegenheid moeten geven er iets in te doen, terwijl hij dronk!” bulderde Matsoeki.
„Hij heeft er niets ingedaan!”
In de plotseling invallende diepe stilte donderde een salvo uit de kanonnen der Japansche oorlogsschepen in de Jangtse-kiang. Even later barstten de granaten krakend boven Tsapei.
„Hoe was dat dan mogelijk?” fluisterde Matsoeki.
De man tegenover hem deed langzaam een trek aan zijn sigaret.
„Zelfs in het laatste oogenblik van zijn leven is hij ons te slim af geweest ... een kleine capsule met snelwerkend, kleurloos vergif was in de waterkraan aangebracht.”





Enkele foto’s uit Odiliapeel
Roger Schenk

Deel acht in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
Het meest recente Bob Evers-deel, „De perikelen van kolonel Prins”, speelt zich eindelijk weer eens geheel af op Nederlandse bodem. Reden genoeg voor onze hoofdredacteur, „ons Roger”, om gewapend met een camera naar het Brabantse land - waar het leven zo goed schijnt te zijn - af te reizen, nu de herinnering aan dit deel bij elke fan nog kersvers is.


Kaartje van Odiliapeel.
De nummers 1 t/m 6 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.


Bij het verlaten Texaco-pompstation - de letters zijn nog vaag te lezen - schuin tegenover Dierenpark Zie-Zoo stond ditmaal géén „kale”, kleurloze Bedford, maar een keurige, gris fulminator Citroën. Om toch een heel klein beetje in de stijl te blijven was de chauffeur van dit vehikel kaal, maar die bevond zich aan de andere kant van de camera, zodat zijn aanblik de geachte lezer bespaard blijft. (1)



Odiliapeel is maar klein, maar beschikt wel over een eigen pretpark: Hemelrijk. Ze hebben er zelfs een achtbaan, dus Arie kan zo vaak misselijk worden als hij wil, volgens de eeuwig zuinige Jan Prins. (2)



De eerste 32 delen van de Bob Evers-serie (plus nog wat nagekomen spul) werden geschreven door Willy van der Heide; de man had de neiging om enorm te overdrijven. Zijn opvolger, Peter de Zwaan, is precies het tegenovergestelde: hij „onderdijft”, zouden we kunnen zeggen als dat een bestaand woord was. Zo noemt hij deze Kerk van de Heilige Kruisvinding „de lelijkste kerk van Brabant”, het understatement of the year! Het gaat hier namelijk met afstand om de lelijkste kerk van heel Nederland, die in de verkiezing van lelijkste kerk van Europa waarschijnlijk ook zeer hoge ogen zou gooien. (3)



Tegenover deze karikatuur van een kerk staan enkele bankjes, waarop Arie neerzijgt met zijn te zware aankopen.
Achter het bankje zien we een bordje dat de naam van het plein verraadt: Terraveenplein. Odiliapeel is een tamelijk nieuw dorp: het werd namelijk gesticht in 1922 en heette in de eerste acht jaar van zijn bestaan Terraveen.
(4)



In dit gebouw was tot voor kort De Spar, waar Arie Roos zijn boodschapjes doet, gevestigd. Als je de zaak negatief bekijkt, kun je beweren dat de Bob Evers-serie veroudert waar je bij staat: deel 55 is nét uit en nu al is De Spar verleden tijd.
Met een wat positievere kijk op de wereld kun je natuurlijk ook zeggen: „
De perikelen van kolonel Prins” is nu al een klassieker, want zoals zo veel zaken uit de eerste 32 delen bestaat De Spar ook al niet meer... (5)



Arie koopt een fiets in Garage Schenk. De eigenaar van de zaak leek meer op een leraar klassieke talen dan op een monteur, maar was toch uiterst zakelijk, volgens Peter de Zwaan. Nou blijkt dat zakelijke in de praktijk dus nogal tegen te vallen, anders had de garage nog steeds bestaan!
(6)

Foto’s van het voor ons belangrijkste gebouw van Odiliapeel, het door Marianne geërfde huis, ontbreken. Het bestaat wel degelijk, aldus de schrijver van de serie, maar het ligt niet op de plek waar het volgens het boek zou moeten liggen; omwille van de privacy van de bewoners wil Peter de exacte ligging niet verklappen, iets wat wij als makers en lezers van de Nieuwsbrief betreuren, maar respecteren.







Een gelukkig kapitein van een gelukkig schip
Roger Schenk

Tussen 19 maart en 1 oktober 1943 schreef Willem W. Waterman een (vrijwel) wekelijkse column in het blad Cinema & Theater. Na het verdwijnen van de Luistergids in juni 1943 werd Cinema & Theater tevens de nationale omroepgids van de enig toegestane omroep, de „gelijkgeschakelde” (dus: foute) Nederlandsche Omroep; vanaf half juli wordt ook het programma-overzicht door Willem W. Waterman in altijd luchtige, doch niet altijd even objectieve bewoordingen verzorgd.
In zijn column „Rond de microfoon” in Cinema & Theater van 20 augustus 1943 kondigt Willem (als Willem W. Waterman!) op merkwaardig neutrale wijze het luisterspel „Een gelukkig kapitein van een gelukkig schip” van de jonge auteur Willy van der Heide aan, die - aldus Waterman - in het jongenstijdschrift Jeugd ook het vervolgverhaal „De avonturen van 3 jongens in de Stille Zuidzee” schrijft. De uitzending zal plaatsvinden op zondag 22 augustus 1943 om 15.00u.
Helaas zijn de programmagegevens van 22 t/m 28 augustus 1943 verloren gegaan, zodat het niet meer na te gaan is wat de bezetting der diverse rollen in het luisterspel (dat pas na de oorlog „hoorspel” zou gaan heten) is geweest; we weten alleen dat Adolf Bouwmeester (1889-1959) een rol voor zijn rekening nam. Op 3 september (Cinema & Theater 36) bespreekt Willem W. Waterman het luisterspel van Willy van der Heide iets uitvoeriger:

„Wat de luisterspelen betreft, is de Nederlandsche Omroep even onberekenbaar als een meisje van 16. Wie van de lezers heeft Zondag 22 Augustus om 15.00 het luisterspel gehoord: „Een Gelukkig Kapitein van een Gelukkig Schip?”.... Om geheel onbekende redenen zijn de uitvoerenden hier uit hun slof geschoten op niet geringe wijze. Ik zwijg hier geheel over de verdiensten van het luisterspel zelf, dat van de hand was van Willy van der Heide. Het gaat mij hier over de uitvoering alleen. Ik verdeel in deze kolommen steeds lof en critiek met onpartijdige pen. De uitvoering van luisterspelen is soms om den criticus aan den luidspreker grijze haren te bezorgen.... Hiermede bedoel ik niet technische feilen, zooals een gaping waar een acteur vergat tijdig in te vallen, of een slecht ingemengd geluid. De fout zit dikwijls dieper.... in een niet juist aanvoelen van de gevoelswaarde van een rol door acteur of regisseur.. Ik zal hier binnenkort een uitgebreider stukje aan wijden. Vooropgesteld, dat de tekst en dramatische bouw van een hoorspel goed is, mag en moet elk acteur binnen het kader van den tekst, dezen aanvullen met pauzes, uitroepen, zuchten.... al naar hij dit als juist voelt. De regisseur geeft hierin de noodige indices. Op het tooneel is de dictie van een tekst van veel minder primair belang dan voor de micro. Hier moet alles.... karakter, gemoedsgesteldheid en humeur van den uitgebeelden persoon uitsluitend via den tekst en vooral de manier van voordragen tot den luisteraar worden gebracht. Ik herinner me luisterspelen van den B.B.C., waarin bepaalde liefdesscènes, bestonden uit aarzelingen, afgebroken stukjes zin, heel zacht vlak voor den microfoon gesproken, meer zachte lachen e.d. dan uit drogen tekst. Op Zondag 22 Aug. kwam in het hoorspel bovengenoemd een karakter: „Kanters” voor, directeur van een reederij. Er werd niet vermeld wie deze rol speelde en evenmin, wie de regie had. De uitbeelding van „Kanters” echter was een klein meesterstuk. De stijl van spreken.... zijn pauzes op de goede momenten.... de suggestie van hypocrisie achter zijn gesprek met kapitein Frederiks, - dit alles was A I, zooals Lloyds het noemt. Geluiden waren uitstekend en goed verwerkt.... En, bovenal belangrijk: Men speelde het klaar, een „Stem” te vinden voor den verbindenden tekst, die niet trachtte een eigen uitleg van dien tekst te geven, maar vlak en onpersoonlijk voordroeg zooals steeds met een verbindenden tekst dient te geschieden.
Welk regisseur mag dit op zijn credit-zijde schrijven?”

Merkt u hoe geraffineerd onze Willem ter werk ging door met opzet de naam „Freeriks” fout te schrijven, zodat niemand ooit op het idee zou kunnen komen dat Willem W. Waterman en Willy van der Heide een en dezelfde persoon waren?

Een week later, in zijn column van 10 september 1943, toont Willem zich een warm voorstander van het gebruik van een „stem” in een luister- of hoorspel: dit is iemand die de stukken gesproken tekst met elkaar verbindt; van deze „stem” wordt volgens hem tegenwoordig (1943) te weinig gebruik gemaakt, behalve natuurlijk in

„de meesterlijke uitvoering van het luisterspel: „Een Gelukkig Kapitein van een Gelukkig Schip”. Juist over dit luisterspel werd de opmerking gemaakt, dat er veel te veel „Stem” in voorkwam....”

Een mens kan natuurlijk ook overdrijven met zijn loftuitingen: deze nieuwe verwijzing naar zijn eigen luister- of hoorspel kostte Willem de kop bij De Nederlandsche Omroep: het bedrog was ontdekt! Vraag me niet hoe, maar op een of andere manier was de ware identiteit van Willy van der Heide tot Mr. Scholte, de hoofdredacteur van De Nederlandsche Omroep doorgedrongen.
De column in Cinema & Theater 38 was van Willems generatiegenoot en „broeder in het kwaad” Henri van Hoof (1914-1992) - later zouden beide heerschappen nog samen werken bij de zeer foute Kampfsender „Radio Arnhem” en „Radio Het Vrije Zuiden” - en gaat over een heel ander onderwerp; de column in nr. 39 was van hoorspelschrijver Klaas Smelik (1897-1986), die het fijne van de zaak nog niet helemaal door heeft, maar Willems recensie van het bewuste luisterspel wel opmerkelijk vindt:

„Dat Willem W. Waterman het probleem van den „verteller” aansneed, had zijn nut, al was het alleen maar om een enkele hardnekkige stem uit het verleden tot zwijgen te brengen. Dat hij echter suggereerde als zou de Nederlandsche Omroep officieel het standpunt huldigen, dat een „verteller” in het luisterspel niet wordt toegelaten, was per sé fout. Het door hemzelf ietwat opmerkelijk gunstig beoordeelde luisterspel „Een gelukkig kapitein van een gelukkig schip”, waarin op rijkelijke wijze van een „verteller” gebruik werd gemaakt, bewijst dit overigens overduidelijk.”

De column „Rond de microfoon” in Cinema & Theater 40 (1 oktober 1943) was dan wel weer van Willems hand, maar dat moet een column zijn die al lang klaar lag, want op 24 september 1943 - de dag waarop Cinema & Theater 39 verscheen - was Willem al ontslagen bij De Nederlandsche Omroep; in de brief van hoofdredacteur Mr, H. Scholte (elders op deze website integraal te vinden) worden vier redenen genoemd waarom Willem wordt ontslagen; de eerste reden is:

„Er is mij namelijk van de zijde van den Omroep op gewezen, dat je verschillende malen je rubriek in dienst gesteld hebt van zakelijk eigenbelang; de laatste keer bijvoorbeeld door het tot tweemaal toe naar voren brengen van je eigen hoorspel: „Een gelukkige kapitein op een gelukkig schip” (sic!), zonder vermelding, dat het van jezelf was.”

Zo zou een van de leukste luister- of hoorspelen van Willem dus leiden tot zijn eigen ontslag bij De Nederlandsche Omroep en hem steeds verder in de foute richting drijven: vrijwel alles wat Willem voor deze omroep had geschreven, was volslagen apolitiek. De man moest toch ergens van leven, dus hij stelde zijn schrijverskwaliteiten steeds meer in dienst van de bezetter: van zijn medewerking aan De Gil en - later - de Radio Gil Club tot de uiterst verwerpelijke bijdragen aan de beide genoemde Kampfsender.

Zoals hierboven reeds gezegd zijn de programmagegevens van de week waarin het luister- dan wel hoorspel ten gehore gebracht werd verloren gegaan; erger dan dat is het feit dat ook de uitzending zelf nergens is opgeslagen, dus tot 2013 dachten wij dat het bij deze eenmalige uitzending van 22 augustus 1943 zou blijven.
Wij hebben het echter aan het onvermoeibare speurwerk van de helaas veel te vroeg overleden Johan van der Ploeg te danken dat het script van het luisterspel werd teruggevonden; mijn mede-redacteur John Beringen is via dit medium al enkele keren „uit de kast gekomen” als uiterst gedreven hoorspelfanaat, dus deze stond ogenblikkelijk in vuur en vlam. Zijn enthousiasme werkte aanstekelijk en hij zorgde zowaar voor een nieuwe uitvoering van „Een gelukkig kapitein van een gelukkig schip”! Hij voerde zelf de regie van het stuk en wist in die hoedanigheid Bert Bijl te strikken als verteller (oftewel, „Stem”, om in Willems termen te blijven), Ronald van Steendelaar voor de rol van havenmeester, Evert Wybenga als waterklerk Harry, Roel Oostra als kapitein Freeriks, Robert Kamer als stuurman, Gerard de Vries als kastelein, Erik Hartman als klerk, John Beringen zelf als Kanters, Maarten Nederhorst als Michiels, Jack Mulder als loods, Rob Antonides als scheepsagent en René Heyman als roerganger. Gerard de Vries, die wij wellicht beter kennen als „Cowboy Gerard” overleed op 11 juni j.l., zodat zijn rolletje in „Een gelukkig kapitein op een gelukkig schip” een van zijn laatste publieke optredens zou zijn; ook de aankondiging is overigens gesproken door De Vries.
De uitzending van de nieuwe versie van het hoorspel vond plaats op donderdag 22 januari 2015 op de regionale zender Radio 90 FM om 8 uur ’s avonds. Het hoorspel duurt iets langer dan drie kwartier en de mensen die om wat voor reden dan niet in staat waren om in januari naar Radio 90 FM te luisteren, kunnen het hoorspel
hier downloaden. Het beluisteren ervan is echt de moeite waard en ik hoop dat ik niet alleen sta in mijn wens naar meer aan de vergetelheid ontrukte hoorspelen van onze ouwe Willem!






Nieuwsbrief 44
Nieuwsbrief 45 als pdf
Nieuwsbrief 46
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina