Nieuwsbrief nr. 46
ISSN 1386-6451
januari 2016 - 23e jaargang nr. 1



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
http://nieuwsbrief.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
„Waer werd oprechter trouw ...?”Paul van den Hout &
Lydwina Meerman
In memoriam: de kleine w.w.w.Roger Schenk
R.I.P. PaulJohn Beringen
Jan de Brabander, een nobel man in de JordaanPaul van den Hout
Ich bin ein KöpenickerRoger Schenk
(Gast)column: Hoe is het toch met ...? (Of: wie waren die drie oude mannen in Humbeek?)John Beringen
Wat er met „De Zwarte Heks” gebeurdeRoger Schenk
De Zwarte Heks speelbal van golven en natuurgeweld(anonymus)
Watermannelijke woningen, deel 5: 1951-1957Roger Schenk
De voetbalmatchHenry W.
Enkele foto’s uit BromboroughFons Verhaegen & Frank Engelen
Hoe warm hert was, en ver
Domd gezellig
Jaap de Heer Inserrink




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen

Paul van den Hout is niet meer.

Op 1 december 2015 bereikte ons het droevige bericht dat Paul van den Hout, de tweede zoon van Willem en Wiesje van den Hout, de ongelijke strijd tegen longkanker had verloren. Aangezien Paul veel meer dan zijn twee en een half jaar geleden overleden oudste broer Peter betrokken was bij het Bob Evers-gebeuren, hebben wij onze hoofdredacteur bereid gevonden een korte necrologie te schrijven; deze vindt u elders in deze Nieuwsbrief.
Jaap van der Born („
Het Vrije Vers”) noemt Paul terecht „een van de betere en onbekendste plezierdichters van ons land”. Tijdens de begrafenis haalde iemand nog aan dat de overledene niet eens een eigen lemma op Wikipedia was. Inderdaad, maar de redactie van uw Nieuwsbrief heeft er hoogstpersoonlijk voor gezorgd dat Paul van den Hout sinds kort wél een eigen lemma vormt in de Nederlandse Poëzie Encyclopedie. Elders op die laatste site vinden we overigens ook nog een necrologie.
Pauls begrafenis vond plaats op 3 december op begraafplaats Sint-Barbara in Amsterdam; namens het Bob Evers Genootschap waren Peter J. Muller, voorzitter, en de vier buitengewoon honoraire leden aanwezig om Paul de laatste eer te bewijzen. Rogers necrologie is de speech die hij ter plekke had willen houden, maar die door omstandigheden niet doorging.
In de vorige Nieuwsbrieven treft u onder andere tien bijdragen van Paul aan; ter gelegenheid van Pauls overlijden hebben we daar in dit nieuwe exemplaar maar liefst twee nieuwe bijdragen aan toegevoegd. In Pauls nalatenschap werd een sonnet aangetroffen, dat zo ontroerend is dat wij het de lezers van de Nieuwsbrief onder geen voorwaarde willen en mogen onthouden: in tegenstelling tot zijn in dit medium nogal vaak aangehaalde vader was Paul natuurlijk wél in staat om gevoelens van liefde voor anderen te ontwikkelen en te uiten, in dit geval voor zijn vriendin Lydwina. Op haar beurt schreef Lydwina na Pauls dood een minstens even ontroerend acrostichon; beide gedichten vindt u verenigd onder het kopje „Waer werd oprechter trouw ...?”
Verder een grappig verhaal, waaruit eens te meer blijkt dat Paul een zoon is en blijft van de onvergetelijke Willem van den Hout.
Laatstgenoemde beweerde overigens met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk dat toeval niet bestaat. Dat kan allemaal best waar zijn, maar hoe verklaren wij dan het gegeven dat er op de begrafenis van de 76-jarige Paul op de kop af 76 bezoekers waren?

Paul van den Hout (tweede van links) bij zijn laatste publieke optreden op 6 juni 2015, omringd door de vier buitengewoon honoraire leden van het Bob Evers Genootschap, tevens zijnde de complete redactie van de Bob Evers Nieuwsbrief.
© Peter de Bruijn.
Wie Paul van den Hout nog eenmaal wil horen, kan terecht op de site van
De Avonden, waar Paul te horen is van 35:25 tot 53:09, maar bijvoorbeeld ook op YouTube, waar Paul voorleest uit eigen werk.


Ook in 2016 zullen er twee nieuwe Bob Evers-delen verschijnen!

Ondanks het feit dat life goes on een enorme dooddoener is, is er naast het overlijden van Paul gelukkig ook goed nieuws: Peter de Zwaan heeft ruim vóór zijn verhuizing naar Meppel de delen 56 en 57 van de onverwoestbare Bob Evers-serie voltooid.

Flyers van Uitgeverij Zwarte Zwaan, waaruit blijkt dat de nieuwe delen „Spektakelspel van
Fons de Schilder” en „Het smokkelspoor van meneer Maik” gaan heten.

Inderdaad, u leest het goed: De Zwaan heeft na jaren Enschede verlaten om terug te keren naar zijn geboortestad, die er vanaf oktober 2015 naast „een parkje met mistroostige herten, een muziekkiosk, een winkelstraat en een stuk water met wat binnenvaartschepen” („Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig”, p. 198) dus twee nieuwe „bijzondere aantrekkelijkheden” (ibidem) bij heeft: in de personen van Lia Krijnen en Peter de Zwaan! Wij hopen vurig - heel vurig - uiterst vurig - dat de plaats Meppel minstens even vruchtbaar voor Peters creatieve processen moge zijn als Enschede! De eerste tekenen zijn wat dat betreft uitermate hoopvol: afgaande op de werktitel van deel 58 zullen we over niet al te lange tijd kunnen genieten van het weerzien met een oude bekende! Van dat hééle oude en hééle bekende, weet u niet?
Lia Krijnen gunde de Nieuwsbrief de wereldprimeur van de voorkant van „Spektakelspel van Fons de Schilder”. Alhoewel wereldprimeur... degene die model stond voor de afgebeelde motorrijder mocht natuurlijk als eerste een blik werpen op deze mooie voorkant.


„Eeuwenoud” raadsel opgelost!

Maar dan hebben we het wel over het begin van deze eeuw... In Nieuwsbrief 26 (januari 2006) liet wijlen Marie-José van den Hout ons een foto zien van Willem naast een onbekende man; dezelfde foto (en dezelfde onbekende man, door Marie-José met veel gevoel voor alliteratie „Mystery Man” gedoopt) kunnen we ook zien op haar website Gelukkig Gisteren. Het is een foto die vermoedelijk op dezelfde dag is genomen als de foto’s waarop we Carel Willink aan boord van datzelfde schuitje zien en dat had ons natuurlijk op het juiste spoor kunnen of misschien wel moeten brengen...


Willem en de (voormalige) „Mystery Man”

Het raadsel werd onlangs definitief opgelost door een „Grootvizierlijk” pakketje post op de redactionele burelen: het pakketje bevatte de biografie van Carel Willink door Jouke Mulder. Deze kort voor Carels dood verschenen en door hemzelf geautoriseerde biografie bevat een deel van een dagboek van zijn vierde echtgenote, Sylvia Quiël, van wie overigens ook connecties met een zekere Willem W. Waterman aantoonbaar zijn en wier naam wij verderop in deze Nieuwsbrief nogmaals zullen tegenkomen. In dat dagboek („Willinks Waarheid”, pp. 235-6) wordt melding gemaakt van twee boottochtjes van Sylvia, Carel en een zekere Frieder op de boot van Captain W. (8 en 23/24 juni 1983). Die laatste naam staat voor natuurlijk voor onze eigen Willem; Sylvia zegt dat ze op 8 juni foto’s cadeau heeft gekregen van een aardige fotograaf die op de steiger de toeristen kiekte. De bewuste steiger is tegenover het Parkhotel (waar in onze eigen tempo doeloe een oud-kolonel van het Indische Leger tot insluiper werd en waar diens zoon jaren later een poot uitgedraaid zou worden).
Wat dom dat wij daar nooit eerder aan hebben gedacht! Op begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam ligt deze Frieder nota bene in hetzelfde graf als Carel Willink zijn eeuwige rust te genieten. Op het grafmonument, dat door Sylvia zelf is ontworpen, vinden we de volledige naam van de „Mystery Man”: Dr. Frieder Peter Weissmann. Deze als Samuel („Semmy”) Weissmann geboren componist veranderde zijn naam in 1916 in Friedrich („Frieder”) Weissmann. In de jaren ’20 voegde hij de voornaam Peter toe aan zijn naam. Hij dirigeerde o.a. vier jaar lang de Dresdner Philharmonie en vanaf herfst 1932 de Berliner Philharmonie; met het laatste orkest kon hij slechts vier concerten dirigeren en één plaat opnemen (ironischer wijze de ouverture van Hitlers lievelingsopera „Cola Rienzi, der letzte der Tribunen”), voor hij eind januari zijn vaderland moest ontvluchten na de machtsovername van diezelfde Hitler. Hij kwam daarna terecht in o.a. Nederland, Argentinië en de Verenigde Staten (vanaf 1944 Amerikaans staatsburger) en was na zijn terugkeer naar Nederland een goede vriend van Sylvia Quiël, die hem in haar dagboek overigens Peter Frieder in plaats van Frieder Peter) noemt. Van haar is ook een korte necrologie verschenen.
Voor ons is wellicht nog interessant om te weten dat Weissmann van 1943 tot 1950 dirigent was van het Scranton Philharmonic Orchestra. Ware Bob Evers-liefhebbers zullen in de naam van de plaats in Pennsylvania één van de bijnamen van Jerry Miller herkennen: William John Scranton...

Het Konkelbergproces” als luisterboek.

Zeer recent is bekend geworden dat het boek „Willem Waterman en het Konkelbergproces” tot luisterboek bewerkt gaat worden. Degene die dit karwei op zich heeft genomen, is Jack Mulder. Voor velen onder u een onbekende naam. Weinigen weten echter dat deze heer Mulder degene is die het hoorspel „De negen biljoen namen van God” (naar een verhaal van Arthur C. Clarke) opnam en dat de geschiedenis in ging als het eerste hoorspel ooit dat werd beluisterd in de ruimte; door André Kuipers, om precies te zijn.
Voor de bewerking van „Het Konkelbergproces” zijn echter een paar maatregelen genomen teneinde ervoor te zorgen dat het boek, dat op 6 juni jl. verscheen, extra uniek wordt en een grotere verzamelaarswaarde krijgt: in het geluidsdocument zijn zowel kleine scènes weggelaten als enige subtiele grappen (lees: speldenprikken) toegevoegd. Het is nog niet bekend wanneer dit project afgerond zal zijn. Dat zal t.z.t. uiteraard via Facebook en de Bob Evers-Mailinglist bekend worden gemaakt. Een klein fragment (van dat hééle kleine, weet u niet?) heeft John speciaal voor de lezers van de Nieuwsbrief alvast prijsgegeven,
John - de schrijver van (o.a.) „Willem Waterman en het Konkelbergproces” is overigens zo vrij geweest om alvast een klein gedichtje te schrijven dat zowel op het boek als op het geluidsdocument van toepassing is:

Wie kent niet het boek „Het Konkelbergproces
dat in werkelijkheid gevuld is met zoete wraak,
vrijwel onzichtbaar, maar met redelijk succes,
verpakt in ogenschijnlijk onschuldig vermaak.

Het commentaar is aan de lezer/luisteraar.

Kerstpuzzel

Alweer voor het vierde achtereenvolgende jaar (een tetralogie dus, nogal a-typisch voor Bob Evers, maar inmiddels wél een mooie traditie) treft u in het januari-nummer een puzzel aan; vorige edities heetten doorgaans „Nieuwjaarspuzzel”, maar omdat de Nieuwsbrief door omstandigheden ditmaal al vóór de kerst kon verschijnen, hebben we het ding nu „Kerstpuzzel” genoemd. Veel puzzelplezier tijdens de feestdagen!

Bob Evers leeft nog steeds!

Zonder het zelf te beseffen en zonder het zelf te willen was Paul van den Hout de laatste tijd de belangrijkste promotor van de namen Bob Evers en Bob Evers Nieuwsbrief: vrijwel alle necrologieën (zie links hierboven) noemen de boeken van Pauls vader in één adem met de overleden vertaler en dichter.

Wie de naam van Pauls vader overigens niet noemt, is Jack van der Weide, die in het begin december verschenen honderdste nummer van „De Parelduiker” een alleszins lezens- en aanbevelenswaardige speurtocht naar de vroege jaren van Joyce & Co. doet: „Kees, Geerten en de rest”. Genoemde Kees en Geerten zijn (waren), zoals we natuurlijk weten, ook oprichters en bestuursleden van het Bob Evers Genootschap. Kortom: kóóp dat tijdschrift, ook al omdat er natuurlijk stil wordt gestaan bij het overlijden van Heinz Polzer, beter bekend als Drs. P.!

Naast aandacht voor de helaas overleden Paul van den Hout is er in deze Nieuwsbrief ook ruimte voor een verhaal over „De Zwarte Heks”, het schip dat ooit van de ons welbekende Sjoerd van Hasselt was. Geerten Meijsing laat zich nogmaals verontschuldigen; daar staat dan wel een column van John Beringen tegenover, naast een gedicht van dit heerschap. Uit het archief vol heim- en worstwee dook de redactie wederom een oud prachtverhaal van Willem op. Verder zijn er natuurlijk de vaste rubrieken, „Watermannelijke Woningen” en Enkele foto’s uit ..., plus een bijdrage van Roger over de Hauptmann von Köpenick, wiens tragi-komische gestalte in zijn ogen wel wat weg had van Willem.

Dit is natuurlijk niet het laatste nummer van de Bob Evers Nieuwsbrief: in juli zijn we er weer met een spiksplinternieuw exemplaar. Danny Engelman heeft een hernieuwd bezoekje aan De Kaag aangekondigd, ergens in de loop van dit jaar. Meer bijzonderheden leest u uiteraard in de volgende Nieuwsbrief.
Vindt u dat er meer te melden is dan alleen deze bijeenkomst? Stuur dan uiterlijk 1 juni uw bijdrage naar nieuwsbrief@apriana.nl of naar het in de kop genoemde postadres: daar bevindt zich nog steeds een doodgewone brievenbus, dus ook „ouderwetse” snailmail is meer dan welkom!





„Waer werd oprechter trouw ...?”
Paul van den Hout & Lydwina Meerman

A Blessing in Disguise,
A Lesson for the Wise


                                        Voor Lydwina

Wat is er mij per saldo aan gelegen
dat ik niet alles wat ik wilde heb bereikt?
Wanneer ik op mijn leventje terugkijk,
dan valt het nog wel mee, nou ja, niet tegen.

Ik heb mijn portie lief en leed gekregen,
normaal verdeeld, naar puur statistisch blijkt,
al prevel ik wel eens verongelijkt:
„Het leed was volgens mij toch overwégend.”

Wat evenwel te zeggen van die zegen,
mild als de avondzon, die plots verschijnt
en licht werpt op mijn pad, na storm en regen?

Bijvoorbeeld dit, en hoor mij aan, terdege:
„Wie op zijn pad zo’n vrouw treft aan het eind,
beseft het wondere van ’s Heeren wegen.”




Across

                                        Voor Paul

Paul van den Hout, mijn vriend, een man, die,
als haast vanzelf, vanuit zijn hart,
u, mij, ontroeren kon met van die
lichtvoetigheid (Light verse? Apart!),
vijfjambig’ door het leven gaande
(al hield hij zich met moeite staande
na een, twee glaasjes in ’t café
- daar deed hij het meestal wel mee),
er treffend woorden aan kon geven
- niet dat hij daar zo prat op ging;
hij deed, bescheiden, slechts zijn ding -
op het tapijt dat hij kon weven,
uit liefdesgaren, draad voor draad,
tot ’t eind toe dragend, maat na maat.

                                        Dag lieveling,
                                                     Lydwina







In memoriam: de kleine w.w.w.
Roger Schenk

Geboorte-advertentie.
En ook hier weer die rare toevoeging „Menzies”-van den Hout (zie
Nieuwsbrief 43 en 45). Dat degene die deze advertentie aan de krant heeft opgegeven een levendige fantasie had, wisten we al, maar hoe ver kan een mens heen zijn als hij zelfs bij een heuglijk feit als de geboorte van een zoon niet meer buiten z’n eigen schijnwereld kan?

Voor ik begin met mijn eigenlijke korte speech moet ik u vermoeien met enkele mededelingen van mensen die hier hadden kunnen, moeten en willen zijn, maar door uiteenlopende omstandigheden verhinderd zijn. Allereerst vroegen Pauls halfbroers Constantijn en Michiel mij met klem om hun aller diepste gevoelens van dankbaarheid en medeleven over te brengen aan Lydwina. Een andere halfbroer, Tjeerd, en een nicht, Annemarie, laten zich verontschuldigen, echter niet zonder het verzoek om ook hun medeleven over te brengen aan allen die Paul een warm hart toedroegen.
Ook het bestuur van het Bob Evers Genootschap - alhier vertegenwoordigd door de voorzitter, Peter J. Muller, en de vier buitengewoon honoraire leden - heeft mij gevraagd om zijn oprechte deelname en condoleance over te brengen aan familie en vrienden van Paul.

Ja, Paul: daarmee is de naam Bob Evers gevallen, qua omvang en bekendheid het magnum opus van jouw vader, waarmee respectievelijk met wie jij zo lang een haat-liefderelatie hebt gehad. Er waren slechts enkele werken van wijlen jouw pipa die jouw onverdeelde goedkeuring konden wegdragen: „De roof der Sabijnse Maagden” en - sinds kort - „Assistentie… wij zinken!

Voor zover bekend zijn dit de oudste foto’s van Paul van den Hout en zijn anderhalf jaar oudere broertje Peter; de foto’s zijn gemaakt in de zomer van 1941 in de tuin van het pand Van Imhoffstraat 31, het „kleine huis” uit „Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen?”. Later zou de tuin annex zandbak plaats maken voor de aanleg van een schuilkelder.


Zo poneerde jij met enige regelmaat de stelling dat jouw vader („Willem”, zoals je hem steevast noemde) helemaal geen biografie verdient. Maar ik had en heb de stellige overtuiging dat jij het stiekem toch leuk vond dat zo’n knulletje als ik bezig is met een heuse biografie van Willem; waar mogelijk heb je mij daarbij zelfs geholpen. Dat er een haast mythische cultus omtrent jouw vader en zijn boekjes ontstond, verbaasde jou, maar vervulde jou ook - alweer stiekem - met enige trots. Je was zowaar vaak aanwezig op bijeenkomsten, zelfs afgelopen voorjaar nog, toen wij in Den Bosch de honderdste geboortedag van Willem vierden.
Ook in de Bob Evers-gemeenschap is de verslagenheid over jouw overlijden - inderdaad, uitgerekend in het jaar waarin jouw vader honderd zou zijn geworden - groot. Talloze fans hebben op de mailinglist en via Facebook hun medeleven betuigd en herinneringen aan jouw persoontje opgehaald. Aimabel, vriendelijk, rustig, erudiet en bescheiden zijn de epitheta die voor de mensen die jou gekend hebben onlosmakelijk met Charles-Paul van den Hout zijn verbonden.

Die bescheidenheid sierde jou; ze blijkt uit jouw prachtige, weemoedige, maar vooral ook autobiografische gedichtje Bardje uit de bundel „Oud heden” (Amsterdam, 2002), dat ik even wil voordragen:

Bardje

Hij voelt zich nu al jarenlang miskend,
ons dichtertje, hoewel hij hele zeeën
van tranen al in jamben en trocheeën
bekwaam berijmd heeft, mét enjambement.

Bevlogen verzen heeft hij neergepend
en ook gestuurd aan stil aanbeden feeën,
met wie hij in zijn droom slechts heeft gevreeën,
want in potentie is hij niet zo'n vent.

Vereenzaamd, arm, écht werken nooit gewend,
zit hij daar, driehoog-achter, weg te kwijnen,
stug sleutelend aan zijn latent talent.

Maar, denkt hij, al weet niemand wie je bent,
toch zijn ze, mijn sonnetten en kwatrijnen,
aere perennius - een monument.

O, die bescheidenheid! Zo achteloos laatdunkend als jij je over de literaire kwaliteiten van Willem uitte, zo sprak jij ook over jouw eigen literaire en andere kwaliteiten! Ik had jou natuurlijk wel vaker gezien op die al eerder gememoreerde Bob Evers-bijeenkomsten, maar altijd bleef ik op eerbiedige afstand: de armzalige, kleine fan versus de Zoon van de Grote Schrijver van Bob Evers! Tot die septemberzondag in 2005, waarop jouw tante haar boekje „Gelukkig Gisteren” presenteerde - u hoort het, dames en heren: vrijwel de hele familie Van den Hout is literair onderlegd. Ik bracht jou vanaf de locatie in het mooie Leusden naar het station van Amersfoort en vertelde langs mijn neus weg dat ik jouw gedicht - dit mooie Bardje - kort tevoren nog in een repetitie over Horatius had voorgelegd aan mijn vijfdeklassers: bij die ode van Horatius, die begint met die historische woorden exegi monumentum aere perennius. Dat was voor het eerst dat ik jou werkelijk zag gloeien van trots!

Uit de Seelenverwantschaft van deze twee classici is vanaf dat moment een vriendschap ontstaan die tot op de dag van heden voortduurt, dood of geen dood. Ja, jouw dichterlijk oeuvre was klein qua omvang, maar wel… aere perennius, duurzamer dan brons.

Paul van den Hout samen zijn tante Marie-José en Peter de Zwaan op de bijeenkomst in Apeldoorn (2 oktober 1993)
© Carla Terstegen.

Na een korte carrière als schrijver en redacteur bij De Telegraaf, Televizier en Elsevier legde jij je toe op het vertalen. Vertalers worden, zoals wij allen maar al te goed weten, ondergewaardeerd en onderbetaald. Populair-wetenschappelijk werk, zoals enkele Time-Life-boeken kom ik van jouw vertalershand tegen, romans, maar vooral ook veel afleveringen uit de Candlelight- en Bouquetreeks - en dat werk wordt al helemáál ondergewaardeerd. Zelf heb ik ook links en rechts wel eens wat vertaald - Biggles, artikelen over Karl May, klassieke werken, wetenschappelijke onderwerpen - en weet dus dat het je inlezen in het onderwerp al lastig genoeg is, of dit nou vliegtuigjes uit de Eerste Wereldoorlog betreft, het Saksische en Pruisische gevangeniswezen in de 19e eeuw of de opstand van Zenobia, om maar eens wat te noemen; maar al deze dingen kun je met ietwat geduld natuurlijk leren. Maar bij dit soort romans - de Bouquetreeks - moet je als vertaler ook precies die juiste toon van vals sentiment zien te treffen, want het lezerspubliek (voor het merendeel dames, neem ik aan, zonder seksistisch dedain) serveert je vertalingen genadeloos af als de vertaling houterig is en niet de juiste snaar weet te raken.

Het hoogtepunt op vertaalgebied is echter jouw vertaling van het lange tijd als onvertaalbaar beschouwde „The Golden Gate” van Vikram Seth uit 1986; negen jaar na de eerste Engelstalige druk presteerde jij echter het schier onmogelijke door dit meesterwerk op meesterlijke wijze in maar liefst 590 zogeheten Oneginstrofen te vertalen! De Oneginstrofe is een wonderlijke versvorm, een variant op het klassiek geworden Shakespeare-sonnet, maar dan met achtereenvolgens gekruist, gepaard en omarmend rijm, afgesloten door een distichon, dat aan allerlei strakke regels is gebonden, vol mannelijk en vrouwelijk rijm en een afwisseling van acht en negen lettergrepen. Alle achting voor degene die een dergelijke roman in dergelijke verzen kan schrijven, maar bijna nog meer achting voor degene die een dergelijke roman in dergelijke verzen kan vertalen! Zelf heb ik mij één keer in mijn leventje aan één zo’n Oneginstrofe gewaagd en weet dus welk een hels karwei dit is. Eén strofe! Jij vertaalde er mir nichts, dir nichts 590!

En alsof dat nog niet genoeg was, inspireerde de vertaling van „De Golden Gate” jou ook nog eens tot het zelf schrijven van een literaire thriller in 194 Oneginstrofen: „De muze en de misdaad” (2010). Het boek speelt zich af in het benauwende kringetje van Amsterdamse uitgevers, dichters en vertalers en is een sleutelroman, net als bijvoorbeeld „De Grachtengordel” van Geerten Meijsing, óók classicus en in tegenstelling tot jou zelf een vurig bewonderaar van jouw vader, Willem. Het is echt zó intens jammer, Paul, dat jij ervoor hebt gekozen om van al die landen op onze aardkloot uitgerekend in het benauwende Nederland geboren te worden: het land waarin wij ervan houden om mensen, dieren en dingen in hokjes te stoppen: een literaire thriller en dan ook nog eens in dichtvorm! Wij, simpele kaaskoppen, konden daar helemaal niets mee: „we” konden het boek onmogelijk in drie hokjes stoppen, dus „wij” negeerden het gemakshalve maar massaal, terwijl het toch - zonder te willen overdrijven, omdat ik hier nou toevallig op jouw begrafenis spreek - naar mijn bescheiden mening tot de hoogtepunten van de na-oorlogse literatuur in dit kikkerlandje beschouwd dient te worden.
Inmiddels had Paul een nieuwe muze gevonden in de vorm van zijn lieve Lydwina. Ook zij vond dat het meesterwerk een prominente plaats in de boekhandel verdiende en verzorgde in 2013 een herdruk, met een nieuwe, door haar getekende voorkant en een nieuwe titel: „Een moordfeest”. Wederom werd het geen bestseller. Scháám je, Nederlandse „literatuurkenner”!

Daarmee is de naam Lydwina gevallen. En ik ben er trots op dat ik haar „lieve Lydwina” mag noemen! Wie Paul een jaar of vijf à tien geleden gekend had, zou gezworen hebben dat hij de kant van zijn vader opging: een onderbetaalde broodschrijver, die alleen nog maar dronk - méér dronk dan zijn inkomen kon handelen, als ik het zo mag zeggen - en vooral niets at. Dankzij de zorgen van de lieve Lydwina kreeg jouw leven een nieuwe zin, Paul, en ik heb jou de laatste jaren zien opbloeien als nooit tevoren: een ware Metamorfose waar zo’n Ovidius en zo’n Couperus nog een gigantische punt aan hadden kunnen zuigen!

Lydwina Meerman en Paul van den Hout bij de presentatie op 23 november 2013 van het boek „YOGA. Beginnen & doorgaan” van eerstgenoemde. Op de achtergrond speelt en zingt Christophe Chaplet - oud-leerling van Paul - een chanson, net als een paar jaar later op Pauls begrafenis.

Lieve Lydwina, jij verbleef de afgelopen zomer ter inspiratie enkele maanden in India en Pauls intense liefde voor jou bleek uit de intense zorgen die hij zich om jou maakte; jij vertikte het om een mobieltje aan te schaffen en was dusdoende vaak enkele dagen tot een week onbereikbaar. Jeetje! Die Paul! Die periode heb ik benut om Paul naar zijn beide halfbroers in het uiterste noorden van Drenthe te rijden en onderweg uitte Paul vrijwel voortdurend zijn zorgen, maar ook zijn blijdschap omdat jij een week na onze tocht weer naar Nederland zou komen, lieve Lydwina. Op zijn beurt had Paul op ontroerende wijze jouw zorgzaamheid voor anderen overgenomen: speciaal voor deze chauffeur had Paul zich uitgeput in het meenemen van gebak en het maken van twee thermoskannen vol koffie, in twee varianten: koffie met melk en suiker en zwarte koffie zonder suiker. Dat ik dan weer prompt zo iemand ben, die een derde variant verkiest (koffie met melk, maar zonder suiker), kon Paul natuurlijk niet weten, maar dat kon hem de pret niet drukken, net zo min als het feit dat ik er niet in getraind ben om al rijdende op een drukke snelweg koffie te drinken...

Bijna aan het einde van lofrede kan ik uit de grond van mijn hart zeggen dat ik trots ben dat ik Paul heb mogen kennen, dat ik - in navolging van Constantijn - dankbaar ben voor alles wat lieve Lydwina voor mijn dierbare vriend Paul heeft gedaan en bovenal dat ik blij ben dat ik het laatste bezoekje van Paul aan Constantijn en Michiel mogelijk heb gemaakt.

Tenslotte - en dan laat ik u allen eindelijk echt met rust - nog die ene Oneginstrofe waar ik gistermiddag en -avond mee heb geworsteld.
Paul noemde het gedicht ter ere van zijn overleden vader in 1985 „I.M. W.W.W.” (In memoriam: Willem W. Waterman).

I.M. W.W.W.

Een stil terras waar men een vroege borrel schenkt,
Zacht stofgoudlicht dat veel herinneringen brengt,
Een lauwe wind, naar verse aarde riekend...
Zo’n voorjaarsdag waarop je aan je doden denkt.

Mijn gedicht - mijn enige Oneginstrofe - voor Paul kán daarom niet anders heten dan „In memoriam: de kleine w.w.w.”. „De kleine Waterman” was het cognomen dat gemunt is door niemand minder dan Sylvia Quiël.

In memoriam: de kleine w.w.w.

De Kleine ... nee hoor, gróót qua kunde.
Daar héb je weer diezelfde fout:
Te weinig eer voor Paul van den Hout,
Een man die ’k wat beters gunde!
Er zijn geen kleine Watermannen,
die bijnaam zij voortaan verbannen!
Pauls oeuvre was niet volumineus,
maar wát hij schreef, was fabuleus:
„De Meester der Oneginstrofe”,
dat ís de naam die Paul verdient,
of wellicht gewoon: „Oprechte Vriend”!
Niet slechts voor z’n filosofe,
die hij zo’n intens warm hart toedroeg,
maar voor elkeen die daarom vroeg!

Paul van den Hout voor het eerst in jaren samen met zijn vader Willem op de foto: naast het schilderij van Adrian van Loon, waarover ik in de vorige Nieuwsbrief heb verteld. Voor zover bekend is dit de laatste foto van Paul van den Hout tijdens zijn leven, genomen op 29 augustus 2015.







R.I.P. Paul
John Beringen

Een trein ratelt in de verte, zwijgend staan wij rond het graf,
vogels kijken verbaasd op ons neer vanuit de kale bomen,
mogelijk begrijpen zij het niet en vragen zich verwonderd af,
waarom die groep stille en trieste mensen is samengekomen.

Wij beseffen dat we nooit meer met hem kunnen spreken,
en proberen de mooie momenten voor de geest te halen,
bijzondere herinneringen die nu zo oneindig ver weg leken,
moeilijk zichtbaar door de schaduw die begint neer te dalen.

Dan komt dat vreselijke moment; ook de kist daalt nu neer,
we weten dat wij hem echt voorgoed moeten achterlaten,
als wij uiteindelijk langzaam weglopen, rest ons niets meer,
om koffie te drinken en wat over vroeger tijden na te praten.

Foto van de uitvaart van Paul van den Hout op Begraafplaats Sint-Barbara te Amsterdam, genomen op 3 december 2015.
Op de foto herkennen wij o.a. Roger Schenk, Hans Kleppe, John Beringen, Jean Pierre Rawie, Lydwina Meerman en Jan Kal.







Jan de Brabander, een nobel man in de Jordaan
Paul van den Hout

Het was, zoals altijd, behoorlijk druk in het schaars verlichte nachtcafé. Vanuit de deuropening zag Hein dat er aan de bar toch nog één kruk vrij was. Hij nam schielijk plaats en bestelde een kleintje pils. Vrijwel meteen besefte hij waarom die plaats onbezet was gebleven: zijn buurvrouw ter linkerzijde was zo’n „verkeerd soort Jordanese”, schreeuwerig, de lolligste thuis, kwistig strooiend met „kanjer” en „moppie” en dat alles met een stem die langs je trommelvliezen schuurde. Omdat ze van plan leek voorlopig te blijven zitten waar ze zat, stond Hein na een paar slokken van zijn bier maar weer op en ging op een rustig plekje bij het raam staan.
Toen zijn ogen zich wat aan het schemerdonker hadden aangepast, kon hij vandaar de man onderscheiden die aan de andere kant van het mens zat, blijkbaar een van haar „kanjers”. Die twijfelachtige eer ontleende hij misschien mede aan het feit dat hij, zo zag Hein, haar met enige regelmaat wat munten toestopte waarmee ze even gretig als vergeefs de fruitautomaat in de hoek ging staan voeden. Dat het apparaat hardnekkig weigerde iets uit te betalen, weerhield de man er niet van om, telkens wanneer ze unverfroren weer bij hem kwam bedelen, haar opgehouden hand met guldens te vullen, zonder dat daar ook maar een dankje of drankje tegenover stond.
Het was niet het enige opmerkelijke aan hem. Wat Hein óók aan hem trof, was zijn bedrieglijk nonchalante kleding: een peperduur, smaakvol leren jasje op een gestreken lichtblauw overhemd met open kraag, een kakikleurige broek met omslagen en klassieke, bruinleren schoenen. Afgaande op de enkele woorden die hij tot de vrouw sprak, meende Hein als Brabander in hem een provinciegenoot te herkennen.
Na haar zoveelste vergeefse poging om de fortuin naar haar hand te zetten, gaf de vrouw er opeens de brui aan en liep, zonder haar gulle geldschieter ook nog maar één blik waardig te keuren, van de gokkast rechtstreeks de deur uit. Hein hees zich prompt met een dankbare zucht op de leeg gekomen kruk naast die toch wat mysterieuze man, die onder de onheuse bejegening ogenschijnlijk volkomen onberoerd was gebleven.
„Ach, u moet maar denken, ondank is ’s werelds loon,” wendde Hein zich tot hem.
„Zegt u dat wel,” beaamde deze. „Weet u, meneer, het gaat mij niet om het geld. Ik weet dat het een beetje plat klinkt, maar ik ben rijk. Als u het wilt horen, zal ik u vertellen hoe dat komt. Het is een vreemd verhaal, maar het duurt niet lang. Overigens, ik heet Jan en ik kom uit Breda.” „En ik heet Hein,” zei Hein, „Ik kom uit Den Bosch en ik ben dol op een verhaal. Wilt u misschien nog een biertje?” Hij wachtte het antwoord niet af en bestelde twee kleintjes bier, die hij meteen afrekende, want in die zaak was het ‘boter bij de vis’. „Proost, Jan! Ik ben één en al oor.”
„Kijk,” begon Jan, „ik ben nogal handig. Ik kon als jongen al aardig goochelen, en zo ben ik later in de techniek beland. Mijn vader was ingenieur en die had een slimme uitvinding gedaan waardoor wasmachines beter werkten. Ik houd het maar simpel, want de technische details doen er niet toe. Maar mijn vader was vergeten patent aan te vragen op zijn vinding. Toen hij was gestorven, heb ik een beetje gesleuteld aan die uitvinding van hem en er toen wèl meteen patent op aangevraagd, want het was een ander principe geworden, zal ik maar zeggen. En sindsdien stroomt het geld binnen. U mag rustig weten, ik woon heel fraai in Breda, heb ook nog een huis in Zwitserland en rijd in een knappe auto. Hij staat hier voor de deur. Kijkt u zelf maar.”
Dat laatste was niet nodig, want de slanke sportwagen die voor het café geparkeerd stond, was Hein bij aankomst al opgevallen, al had hij geen idee wat voor merk het was.
„Ik word dus slapend rijk, zonder dat ik er eigenlijk iets voor heb gedaan,” besloot de man.
„Laatste ronde!” riep de barman.
Hein trok een tientje uit zijn borstzakje en gaf een teken aan de jongen om hun glazen nog een keer te vullen. Maar Jan plukte het biljet uit Heins hand, frommelde het terug in diens borstzakje en nam de bestelling over. Ze proostten nogmaals en dronken hun glas leeg. Toen ze even later gezamenlijk naar buiten liepen, zei de man: „Zeg, als je soms zin hebt om met mij mee te rijden, ik weet niet ver buiten de stad een heel plezierige gelegenheid die nog open is.”
„Hè, wat jammer,” zei Hein. „In alle andere omstandigheden was ik heel graag met je meegereden in dat karretje van je, maar ik heb helaas om negen uur vanochtend een afspraak, op het belastingkantoor. En daar moet ik beslist zijn, anders plukken ze me kaal. Maar we zien elkaar misschien nog wel een keer.”
„Nee,” zei de man met een dromerige blik. „Dat denk ik niet. Maar ik vond het heel plezierig om met je te hebben gepraat. En je zal nog wel eens aan me denken.” Bij die laatste woorden zond hij Hein een mysterieus glimlachje; toen stapte hij in zijn auto en reed weg.
Hein deed zijn fiets van het slot, stapte op en reed naar een broodjeszaak in de Marnixstraat die heel vroeg open ging. Een stevige uitsmijter, een paar koppen koffie, dan naar huis om te douchen en vervolgens ontnuchterd en als een oppassend burger door naar die aasgieren aan de Wibautstraat.
In het koffiehuis ging hij eerst even naar het toilet. Toen hij zijn haar wilde kammen en naar het kammetje greep dat hij altijd in zijn borstzakje stak, vonden zijn vingers het joetje waarmee hij had willen betalen, maar dat zijn metgezel daarin had teruggestopt. Bijna had hij het veilig weggeborgen in zijn achterzak, toen hem iets opviel. In het schelle licht van het toilet zag het blauw van het tientje er opeens anders uit, haast groen. En ... Hein draaide het briefje om en om ... een 10 had toch maar één 0!? En hier stonden er, ja, hij telde echt goed ... drie! Een bankje van duizend! Een rug!
Hein zeeg verbluft terug op de bril van de WC en hoorde het hem weer zeggen: „Ik kon als jongen al aardig goochelen.”
Ja-ja.
„Je zal nog wel eens aan me denken.”
Reken maar!

Naschrift: bovenstaand verhaal - een van de laatste verhalen van Paul, misschien wel het allerlaatste verhaal dat hij ooit schreef - was zijn inzending voor een korte-verhalenwedstrijd in de Jordaan, afgelopen voorjaar, onder het pseudoniem „Margot Pyrc” (een anagram van Pauls favoriete puzzelsoort).Wat de jury niet weet, maar de lezers van deze Nieuwsbrief nu wel, is dat de „Hein” uit het verhaal in werkelijkheid Paul zelf was, want ...:
Dit is me echt zo overkomen. En ik heb die man ook nooit meer gezien. Overigens heeft hij mij in werkelijkheid wel een uur of anderhalf vergast op allerlei met geld te maken hebbende verhalen, voordat wij afscheid namen, en alles zonder een zweem van snoeverij. Ik weet van die duizend piek alleen nog dat ik er een heel goed woordenboek van heb gekocht, meteen diezelfde dag. De rest zal wel zijn opgegaan aan openstaande en nog te creëren kroegrekeningen.
„... nog te creëren kroegrekeningen”: prachtig! Meteen schieten mij de woorden van Ab Pruis over Pauls vader te binnen: „Dat verdwijnen van het geld van Willem was dan ook een hele gebeurtenis. Eerst ging hij naar een grote Apeldoornse gelegenheid, waar hij zijn laatst gemaakte schulden betaalde. Dan gaf hij de bazin een of tweehonderd gulden in dépot, bestelde een paar voortreffelijke saté’s, spoelde de pindasaus weg met enige liters bier en toog naar het volgende café. Zo bouwde hij een spoor van dépots, helemaal tot in Amsterdam.” („Het stinkdier”, p. 34).





Ich bin ein Köpenicker
Roger Schenk

In de mooie nazomer van het jaar 1906 betreedt de werkloze schoenmaker Wilhelm Voigt de tweedehands winkel van Bertold Remlinger in de Mittelstraβe 3 in Potsdam, midden in het Höllandische Viertel, dat het een kleine eeuw later nog zou schoppen tot een vermelding in „Bakkeleien in een Berlijnse bios”. De op dat moment 57-jarige Voigt, getooid met een martiale snor, monstert de uitgestalde waren - door Remlinger hardnekkig „antiek” genoemd - en schaft uiteindelijk een oude jas van een officier van het 1. Garderegiment zu Fuβ aan. De dan al enkele malen wegens kruimeldiefstellen en valsheid in geschrifte veroordeelde kerel had sinds augustus een verblijfsverbod voor Berlijn en directe omgeving. Dat weerhoudt hem er echter niet van om in de daaropvolgende dagen diverse tweedehands winkeltjes af te struinen, net zo lang tot hij een min of meer bij elkaar passend uniform heeft samengesteld.
Dat schilderachtige geheel trekt hij aan en begeeft zich in de zonovergoten ochtend van 16 oktober op weg van het voor hem verboden dorp Rixdorf (het huidige Berlijnse stadsdeel Neukölln) naar de Plötzensee, waar zich in die tijd een zwembad voor militairen bevindt, tot hij twee patrouilles gardesoldaten tegenkomt. Met een vervalste machtiging van het keizerlijk kabinet neemt „Hauptmann” Voigt het commando van de patrouilles op zich; de stoet neemt vervolgens de tram naar het dorp Köpenick (dat tegenwoordig eveneens een stadsdeel van Berlijn is). Om mogelijke vragen van de verbaasde gardesoldaten voor te zijn, zuigt hij als een ware Arie Roos de smoes dat het hem onmogelijk was om een motorvoertuig te confisqueren uit zijn duim. Het gaat er eigenlijk heel gemoedelijk aan toe: het bonte gezelschap onderbreekt de tramreis ook nog eens om een koel glas bier te drinken; bij aankomst op het station te Köpenick geeft hij de soldaten zelfs een fooi en ze gaan gezamenlijk naar het stadhuis van Köpenick. Het is op z’n minst opmerkelijk dat geen van de soldaten deze handelwijze raar vindt. Bij aankomst op het stadhuis laat hij de plaatselijke hermandad de omgeving afzetten en geeft hij „zijn” gardesoldaten de opdracht alle in- en uitgangen te bezetten en alle medewerkers en bezoekers vast te houden; zelf begeeft hij zich naar het kantoor van de burgemeester, Dr. Georg Langerhans. „In naam van Zijne Majesteit” worden deze, eerste secretaris Rosenkranz en kassier von Wittburg gearresteerd. Voigt laat zich het kasboek voorleggen en constateert een tekort van ruim van 1,67 Mark „bij de afrekening van rioolwerkzaamheden”. Er worden bodes naar nabijgelegen postkantoren gestuurd om contant geld op te nemen en uiteindelijk wordt er om onduidelijke redenen een bedrag van maar liefst 3557,47 Mark bijeengebracht; Voigt neemt alles in beslag, ondertekent - weliswaar met een valse naam - op verzoek zelfs een bewijs van ontvangst en laat Langerhans en von Wittburg door de gendarmes in gehuurde koetsen naar de Neue Wache in Berlijn brengen. Zelf wandelt hij op zijn dooie akkertje met zijn buit naar het station, drinkt daar een glas bier en verdwijnt per trein in de richting van Berlijn.
Pas tien dagen later wordt zijn verblijfplaats door een voormalige celgenoot verraden, in de hoop op een beloning; Voigt wordt bij het ontbijt gearresteerd en tot vier jaar cel veroordeeld wegens het onbevoegd dragen van een uniform, valsheid in geschrifte, vrijheidsberoving en bedrog.

Het onbedoelde gevolg van deze actie van Wilhelm Voigt was dat heel Duitsland - benevens een groot deel van het buitenland - in een deuk lag van het lachen. Ook de keizer, Wilhelm II., toonde zich geamuseerd en verleende Voigt nog geen twee jaar later gratie. De „Daily Mail” berichtte dat de keizer Voigt een „geniale kerel” had genoemd; dat de keizer ook gezegd zou hebben „Hieraan kun je zien wat discipline vermag. Geen enkel ander volk ter aarde doet ons dat na”, is echter nooit bewezen; bovendien hebben wij gegronde reden om aan het laatste deel van die bewering te twijfelen!
In het naburige Nederland bijvoorbeeld, verscheen in medio jaren ’60 van de vorige eeuw het „Medisch-pharmaceutisch tijdschrift Aesculaap”, In het tijdschrift werd, anders dan in andere medische en wetenschappelijke tijdschriften, met enige regelmaat anoniem geschreven: het stond „Redactioneel onder supervisie van een medische commissie”. Met deze laatste vage omschrijving kun je natuurlijk alle kanten op. Zelfs een geleerd iemand als Prof. Dr. J.P. Slooff, hoofd van de afdeling pediatrie van de faculteit der geneeskunde van de R.K. Universiteit Nijmegen, zag hier echter niets vreemds in: sterker nog, hij was geïmponeerd door de kwaliteit van de (anonieme) schrijver en verzocht in een brief van 10 mei 1965 om toezending van meer exemplaren. Andere artikelen vol opgeklopte bla-bla waren afkomstig van de „Amerikaanse psychiater C.B. McInverness, M.D., Ph.D.”, in eendrachtige samenwerking met een zekere W.H.M. van den Hout. De artikelen maken op een leek wellicht enige indruk en hebben steevast de volgende ingrediënten: een handvol bij elkaar gestolen of voor de gelegenheid zelf verzonnen stellingen waar geen speld tussen te krijgen is („Intelligentie is de capaciteit om verworven kennis en ervaring toe te passen op geheel nieuwe omstandigheden”, uit het artikel „Enkele observaties betreffende intelligentie-metingen”), uitwerkingen van deze stellingen, waarbij met kwistige hand verwezen wordt naar anonieme bronnen als „een ingenieur uit Delft” of „een onderzoek op de Wittevrouwensingel” en last but not least enkele wonderschone grafieken, die er eigenlijk allemaal uitzien of ze afkomstig zijn uit een wiskundeboek voor HBS’ers en voor de gelegenheid voorzien van een bij het „onderzoek” passende, maar volkomen onbegrijpelijke legenda. En niet alleen op een leek maakten ze indruk, zoals gebleken is. Bronvermeldingen ontbreken ten enen male en dat maakt de manier waarop een weldenkende hoogleraar als Slooff met open ogen in deze kolder trapte, nog vele malen onbegrijpelijker dan de manier waarop een kerel in een bijeengeraapt uniform zestig jaar eerder gedisciplineerde Pruisische koddebeiers en beambten, wier hersenen ophielden te functioneren op het moment dat ze verblind werden door een stel blinkende knopen, om de tuin kon leiden.
Na enkele nummers verdween „Aesculaap” alweer, maar een decennium later deed Willem van den Hout het trucje nog eens dunnetjes over met het blad „Arts en Wereld”. De naam C.B. McInverness, M.D., Ph.D. vinden we vervolgens o.a. terug in quasi-wetenschappelijke boekjes als „Dokter, ik kom niet klaar” en „Erotisch spel” en op de koperen plaat op het pand Hugo de Grootstraat 26 te Den Haag, dat laatste overigens in combinatie met de niet-beschermde functie van „prae-adviseur voor psychiatrie”, die Willem zichzelf toebedacht had.
Nog geheel afgezien van de twee genoemde tijdschriften kunnen we zelfs met een gerust hart stellen dat Willem van den Hout degene is die het begrip Köpenickiade heeft geperfectioneerd: van zijn indiensttreding bij Philips in 1937 - via zijn verhalen over zijn dubbelspionagerol in de Tweede Wereldoorlog, zijn schimmige pseudoniemenspel, het schrijven van meisjesboeken met een halve snor onder het pseudoniem Sylvia Sillevis en zijn werkzaamheden voor het blad „Candy” onder de dekmantel van Joke Raviera - tot zijn rol als „sexuoloog Dr. P.G. van de Woudere” in het blad „Cash”.
Teruggaande naar Wilhelm Voigt kunnen wij echter beweren dat deze legendarische „Hauptmann von Köpenick” niet bepaald de eerste was die deze streek heeft uitgehaald: op 29 maart 1869 bezocht de zichzelf „Polizeileutnant von Wolframsdorf uit Leipzig” noemende, werkloze voormalige onderwijzer Karl May (1842-1912) het winkeltje van marktkoopman en kousenmaker Carl Friedrich Reimann in Wiederau in Saksen en vroeg met barse stem of hij het aanwezige geld mocht zien. „Uiteraard” ontdekte de pseudo-luitenant dat vrijwel alle bankbiljetten vals waren en nam hij deze in beslag; de arme, nietsvermoedende Reimann werd gearresteerd, maar tijdens de rit „naar de gevangenis” in het naburige Clauβnitz verdween May met medeneming van de „valse” bankbiljetten, de verbaasde koopman achterlatend.
Voigt emigreerde na zijn vrijlating naar Luxemburg en stierf daar op 3 januari 1922, volledig verarmd; op weg het Liebfrauenfriedhof passeerde de begrafenisstoet enkele dagen later een troep Franse soldaten, die toentertijd in Luxemburg gestationeerd waren. Op de vraag wie de overledene was, antwoordde men „Le capitaine de Coepenick”, waarna de rouwstoet onder militair eerbetoon verder ging, omdat de Fransen werkelijk dachten dat het om een overleden officier ging. Al meteen in 1906 verscheen het eerste toneelstuk over de Köpenickiade, gevolgd door talloze andere toneelstukken, waarvan dat van Carl Zuckmeyer het beroemdst is geworden, en films. Er zijn zelfs biografieën over de man geschreven, een eer die zijn Nederlandse evenknie Willem van den Hout nog niet ten deel is gevallen, maar aan dat ernstige mankement wordt achter de schermen druk gewerkt.





Hoe is het toch met ...? (Of: wie waren die drie oude mannen in Humbeek?)
John Beringen

Met het overlijden van Paul van der Hout moesten wij afscheid nemen van de laatste persoon die Willem als directe familie goed gekend heeft in de tijd voordat hij aan Bob Evers begon. Zijn broer Peter en zijn tante Marie-José gingen hem voor in resp. 2013 en 2009. Ik herinner mij nog goed dat Marie-José in 2002 enige dagen bij ons in Wijk bij Duurstede logeerde om alhier (toen nog „Huize Waterman”) haar 75ste verjaardag te vieren. Ze vond Wijk bij Duurstede een interessante nederzetting; we bezochten de stadsmuur en de molen waar je onderdoor kunt rijden. Van deze bouwwijze kom je nergens (in ieder geval in heel Europa) een tweede voorbeeld tegen. De mop is dat het oorspronkelijk gaat om een poortgebouw; zo’n 300 jaar geleden besloot men daar een molen bovenop te bouwen. Ook bezochten wij het park rondom Kasteel Duurstede. Een imposant bouwwerk dat ooit nog veel groter was, maar dat in de loop der eeuwen door allerlei conflicten en gevechtshandelingen terug is gebracht tot de afmeting die het thans (nog) heeft. We zaten op een bankje dat een mooi uitzicht biedt op de slotgracht. Carla vereeuwigde dit moment waarop Marie-José de bewuste foto zou plaatsen op haar website Gelukkig Gisteren. Daarmee ben ik beland bij de titel van deze column: „Hoe is het toch met…?”
Sommigen onder u zullen deze vraag herkennen als titel van een televisieprogramma van de Evangelische Omroep waarin Bert van Leeuwen BN’ers opzoekt die uit de publiciteit verdwenen zijn. Marie-José verwoordde deze kwestie ooit als „door een beslagen ruit terug kijken teneinde te proberen om nog iets te zien uit een tijd van weleer.” Het roept associaties op met begrippen als vergankelijkheid en hoogtijdagen (waarover je alleen spreekt als deze in het verleden, al dan niet ver, achter je liggen). Helden op papier, celluloid of digitale dragers verouderen echter nooit. Willem ging daar even op in tijdens zijn interview met Pamela Koevoets: „Hoor eens, die jongens (Jan, Bob en Arie, JB) moeten inmiddels al zo’n 42 zijn met al die avonturen die ze achter de rug hebben.”
Hij voegde er aan toe dat je dit probleem bijvoorbeeld ook had met Sherlock Holmes. Het is herkenbaar. Zelf las ik vroeger de Buck Danny-serie (over een Amerikaanse luchtmachtpiloot). De serie begon rondom de aanval op Pearl Harbor en vele delen later zagen we hoe Ronald Reagan de scepter zwaaide in het Witte Huis. En Buck Danny...? Die was intussen niet veel ouder geworden.
Maar terug naar dat beroemde bankje. We spraken over uiteenlopende onderwerpen. Op zeker moment diende de vraag zich aan wanneer Bob Evers geboren zou zijn. Binnen dit vraagstuk betrokken we ook het blad „Jeugd” om uiteindelijk tot de slotsom te komen dat het, net als bij Marie-José, 1927 moet zijn geweest. Voor het gemak gaan we er van uit dat Jan en Arie even oud zijn (ze zijn in de serie trouwens nooit jarig of jarig geweest). Dat betekent dat de jongens inmiddels 88 jaar zijn. We laten de eeuwige jeugd even los en stellen de vraag: Hoe zou het nu met ze zijn? Een hypothetische doch zeer interessante kwestie.

Jan Prins: hij zal hoogstwaarschijnlijk nooit getrouwd zijn. Mogelijk door zijn gierigheid, mogelijk door zijn koppige karakter waar de meeste vrouwen door worden afgeschrikt. Zelfs al zou er ooit een vrouw zijn geweest die hem leuk vond, dan is het niet denkbeeldig dat Jan het heeft afgehouden, omdat hij vermoedde dat ze gewoon achter zijn geld aan zat. Nog goed van lijf en leden, hoewel alles wel wat stijver is geworden, zal hij ergens in een klein huis wonen en inmiddels ontdekt hebben dat zijn geld, dat hij altijd zo zorgvuldig heeft beheerd, toch niet alles is. Met enige afgunst kijkt hij naar de buren waar regelmatig kinderen (en kleinkinderen) op bezoek komen; niet alleen voor de gezelligheid, maar ook om een handje te helpen als er iets moet gebeuren. Hij vult zijn dagen met het rondkijken op internet, waar nog veel meer informatie is te vinden dan in de „Encyclopaedia Britannica”. Zijn enige sociale contact bestaat uit Arie, eveneens ongetrouwd, die regelmatig met zijn scootmobiel langs komt. Arie haalt nog steeds de nodige grappen en grollen uit. Alleen heeft zijn nooit aflatende eetlust inmiddels zijn sporen achtergelaten. Hij is in lichte mate hartpatiënt geworden en heeft zwaar suiker; lopen is inmiddels ook wat moeilijker geworden. En Bob? Die ziet er nog steeds uit als een zestiger. Toen zijn vader lang geleden overleed, heeft hij de fabriek overgenomen. Die runde hij tot zijn 70ste en werd weer overgenomen door twee van zijn zoons (want Bob is wel getrouwd) die inmiddels de vijftig al zijn gepasseerd. Overbodig om op te merken dat een kleinzoon van Bob (ergens achterin de twintig) ook al meedraait.

Somber? Misschien; hoe triest ook: het is een beeld dat voor ons allen herkenbaar is. Laat ik voor mijzelf spreken: het lijkt nog zo kort geleden toen ik als 12- of 13-jarige voor de allereerste keer Bob Evers las (ik geef toe dat dit door de meeste lezers als „erg laat” zal worden aangemerkt). Inmiddels is er zo’n 45 (!) jaar verstreken. Het is als los zand dat tussen je vingers wegloopt. Echter... zoals eerder opgemerkt, blijven helden op papier voor de lezers hun charme behouden omdat ze (gelukkig) altijd jong blijven.
Hoewel... er is desondanks iets gebeurd waarover ik nog steeds loop te piekeren: Humbeek, juni 2012. Rob van Renssen verrichtte de prachtige daad die bestond uit het in het (inmiddels sterk vervuilde) water van het kanaal een colaflesje te gooien en dit vervolgens weer op te vissen. De aldaar aanwezigen weten dat ik dit ritueel filmde om vast te leggen voor latere generaties Bob Evers-lezers. Pas later drong het tot mij door, maar uit mijn ooghoek zag ik toen langs de huizen op de kade drie oude mannen lopen die het geheel in het voorbijgaan wat grinnikend en hoofdschuddende bekeken. Het tempo van dat groepje wandelaars lag niet al te hoog omdat de meest gezette van de drie zich niet zo snel bleek te kunnen voortbewegen. Uiteraard bekeek ik het filmpje van Rob aandachtig; niets te zien. Logisch, want de daad van Rob was hetgeen goed in beeld gebracht diende te worden. Ook al het ruwe filmmateriaal liet niets zien van het drietal; zelfs geen fractie van een seconde.
Wie waren die drie oude mannen in Humbeek...?





Wat er met „De Zwarte Heks” gebeurde
Roger Schenk

Een fragmentje uit „Een klopjacht op een kapitein” („In Leiden op de Haagweg ligt een grote woonboot die „Roussalka” heet. Daar woont een knaap op, die behoorlijk bij de pinken is. Sjoerd van Hasselt, heet hij. Het telefoonnummer is K 1710-31707. [...]”) dat ogenschijnlijk totaal niets heeft te maken met een fragmentje uit „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” („Dat is een mooi verhaal voor jou, Bobbie. Want de mop ervan zit ’m in een Engelse woordspeling. „The Black Witch”, in het Hollands „De Zwarte Heks”, was een plezierjacht, dat twee Hollanders gebruikten om er Zwitserse horloges mee te smokkelen. De benzinetank had een dubbele bodem die was dichtgesoldeerd en daarin zaten enkele lagen horloges die Engeland binnen werden gesmokkeld en dan verkocht op de zwarte markt. En toen hebben Jan en ik zo gelachen, omdat ze zeiden dat ze dat jacht beter „The Black Watch” hadden kunnen noemen.”)
De samenhang tussen deze twee fragmenten bleek pas toen in 1979 Willems quasi-autobiografische roman „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” verscheen, meer in het bijzonder het hoofdstuk „Bob en Sjoerd emigreren naar Hawaiï (sic)”. Kort samengevat komt het erop neer dat Sjoerd van Hasselt (deel 14) en een kornuit van hem, Bob Roes (die in de inleiding van voornoemd boek hardnekkig Bob Reen wordt genoemd) een boot kopen, genaamd „Willi Waw” (een naam die wij ook kennen uit de boeken van Jack Londen én uit de beroemdste Nederlandse jongensboekenserie), maar deze herdopen in „The Black Witch”, hetgeen volgens Willem zelf „The Black Watch” had moeten zijn, omdat het jacht gebruikt werd om horloges te smokkelen (zoals in deel 25). Bob Roes vaart mee tot Calais en verkoopt zijn helft van de boot daar aan Sjoerd van Hasselt om vervolgens linea recta naar Nederland terug te keren.

In Nieuwsbrief 27 wist Bart-Jeroen Hemstra in zijn doorwrochte artikel „Op zoek naar Sjoerd van Hasselt” al te melden dat het jacht helemaal niet „The Black Witch” heette, maar gewoon, op z’n Hollands, „De Zwarte Heks” en dat het schip voor de Venezolaanse kust verging. Dezelfde Bart-Jeroen Hemstra kwam in Nieuwsbrief 33 met het droevige nieuws dat Sjoerd van Hasselt op 19 juni 2008 was overleden.
Maar wat er nou precies gebeurde met „De Zwarte Heks” wordt ons pas echt duidelijk aan de hand van een viertal artikelen uit Amigoe di Curaçao - Dagblad voor de Nederlandse Antillen. Alle vier de artikelen zijn anoniem verschenen in deze krant; het eerste dateert van zaterdag 3 april 1954 en luidt:

ARUBA ZEILEN EN OCEAANVAART
Oranjestad. - Donderdag 8 April a.s. zal de heer Sjoerd van Hasselt in een der lokalen van de Julianaschool een lezing houden over zijn reis met de „Zwarte Heks” over de oceaan. De lezing, welke vooral voor de leden van de Aruba Boating Club interessant zal zijn, staat onder auspiciën van de Volksuniversiteit en zal vermoedelijk als titel dragen Zeilen en Oceaanvaart.


Eén dag na de lezing, op vrijdag 9 april 1954 dus, werd er nogmaals aandacht besteed aan Sjoerd van Hasselt en zijn lezing:

ZEILEN EN OCEAANVAART
Oranjestad. - Gisteravond hield de heer Sjoerd van Hasselt onder auspiciën van de Volks-Universiteit en de Aruba Boating Club voor een vijftigtal belangstellenden w.o. wij een vijftal Frères opmerkten een lezing onder bovenstaande titel. Hadden wij de titel moeten kiezen, dan had deze lezing geheten „Je moet het maar durven”.
Begonnen werd met het aardige filmpje over de Boating Club op Koninginnedag van het vorig jaar. De heer Van Hasselt behandelde uitvoerig de toebereidselen welke voor de reis rondom de wereld nodig waren. Dat was voorwaar geen kleinigheid, want het is niet slechts proviand inslaan voor een bepaalde tijd, maar men moet in de kortst mogelijke tijd een volmaakt zeeman trachten te worden. Tussen zeilen op binnenwateren en zeilen op zee bestaat een heel groot verschil. Men moet regelmatig de koers kunnen controleren en de plaats waar men zich bevindt kunnen bepalen. Spreker hield een boeiend relaas van zijn reizen en trekken, doorspekt hier en daar met aardige anecdotes. Na de lezing werd een druk gebruik gemaakt van de gelegenheid tot vragen, een teken dat men geheel in de lezing was opgegaan. Over enige tijd kiest de „Zwarte Heks” weer zee en zet dan koers naar Panama. Vandaar gaat de reis via de Zuidzee-eilanden naar Nieuw-Guinea. Hoewel het in de bedoeling van de heer Van Hasselt ligt zijn reis om de wereld te voltooien, hetgeen tot dusverre nog geen Hollander gelukt is met een zeilscheepje van deze afmetingen, kon hij toch nog geen definitieve route opgeven, daar dit weer afhankelijk zou zijn van verdere avonturen. Mogelijk gaat de reis via Australië en Nieuw-Zeeland naar Zuid-Afrika, of regelrecht van Nieuw-Guinea naar Afrika en Europa. De heer Dumaine, voorzitter van de Volks-Universiteit, dankte de spreker hartelijk voor diens boeiende lezing.


Het derde artikel, van dinsdag 22 maart 1955, draagt de titel „De Zwarte Heks speelbal van golven en natuurgeweld” en de ondertitels „Bange dagen voor vreemde kusten” en „Indianen braken het schip tot aan de kiel af”. Dit is het belangwekkendste van het kwartet, omdat het uitvoerig ingaat op het einde van „De Zwarte Heks”. Het is een spannend relaas, dat niet zou misstaan in een van de Bob Evers-delen. Dit verslag is hieronder apart opgenomen; in dit artikel wil ik enkele interessante zaken eruit aanstippen: de eerste metgezel van Sjoerd van Hasselt werd in Frankrijk ziek en ging terug naar Nederland; dit moet de uit „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” bekende Bob Roes („Reen”) zijn.
Het schip droeg inderdaad een Nederlandse naam, maar ook Sjoerd van Hasselt zelf heeft de laatste reis van het schip niet meegemaakt.

Opvallend is dat „De Zwarte Heks” in 1953 vanuit Europa - met Sjoerd van Hasselt nog aan boord - koers zette naar Trinidad. Twee jaar nadat deze oversteek had plaatsgevonden, liet Willem een avontuur op dat eiland spelen. Het kan de oplettende lezer natuurlijk onmogelijk zijn ontgaan dat van alle eilanden in de Caraïbische Zee Trinidad nou nét het minst in aanmerking komt om illegaal de grens van de Verenigde Staten over te steken: het pre-communistische Cuba, Hispaniola, Jamaica en Puerto Rico liggen geografisch gezien veel meer voor de hand. Zou het noemen van de naam Trinidad door Sjoerd van Hasselt Willems keuze voor dit eiland soms bewust of onbewust hebben beïnvloed? De rest was een kwestie van wat opzoekwerk in een summier gidsje, zoals de PanAm ze ooit uitgaf en waaruit Willem met graagte zijn kennis over verre landen bij elkaar harkte, en/of natuurlijk het boek „Whitaker”: hoofdstad Port of Spain, Drakenbek, afstand tot de Venezolaanse kust, Asfaltmeer en het beroemde „Queen’s Park Hotel”. De overige geografische gegevens stammen uit Willems eigen Arie Roos-achtige duim, met als onbetwist „hoogtepunt” het kaartje waarop de plantages van de Schot en de Ier dertig mijl ten westen van Port of Spain liggen! Hoe het ook zij: na de oversteek van Trinidad naar Curaçao en vervolgens Aruba lag het in de bedoeling om de reis van „De Zwarte Heks” voort te zetten via het Panamakanaal. Plannen voor een kanaal door Nicaragua bestonden in die tijd nog lang niet, dus nu kon die reis ook moeilijk anders vervolgd worden als Van Hasselt en zijn nieuwe metgezel tenminste het plan hadden om in de Stille Zuidzee terecht te komen, maar opvallend is het wel dat ook Willems deel 21 van de Bob Evers-serie in Panama speelt!
Na de aftocht van Bob Roes had Van Hasselt een nieuwe metgezel gevonden in de persoon van Reinier Ranselaar. Later kwam er n og een derde persoon bij die luisterde naar de toepasselijke naam Visman, maar Van Hasselt zelf haakte nu af omdat hij werk vond in Canada, waar hij uiteindelijk tot zijn dood is blijven wonen. Het complete derde artikel uit Amigoe di Curaçao - Dagblad voor de Nederlandse Antillen (welke laatste benaming inmiddels ook al ten grave is gedragen) vindt u, zoals gezegd, hieronder; wellicht is het hier de juiste plaats om te vermelden dat ik de vele taal- en zetfouten uit de vier artikelen heb verbeterd, maar de jaren vijftig-spelling niet. Geografische namen zijn alle in de gangbare, Spaanse spelling weergegeven: het Colombiaanse schiereiland La Guajira bijvoorbeeld wordt in het artikel afwisselend „La Coagira” en „La Goagira” genoemd, hetgeen eventueel opzoekwerk er niet bepaald eenvoudiger op maakt. Ook „Porto Vigo” vindt men op geen enkele kaart uit heden en verleden terug.

Wederom een jaar later, op dinsdag 3 april 1956 om precies te zijn, volgde ten slotte een vierde artikel waarin de naam Sjoerd van Hasselt wordt genoemd:

Oranjestad. - Gistermiddag hadden wij het genoegen op het prinses Beatrixvliegveld een oude kennis te begroeten. Het was de heer Sjoerd van Hasselt, die eens met de „Zwarte Heks” de oversteek maakte van Nederland met zijn tochtgenoot Reinier Ranselaar. De heer Van Hasselt was 2 jaar geleden naar Canada gegaan en heeft de Canadezen Engels, Frans, Duits, en nog en paar talen geleerd. Hij is nu op weg naar Nederland om weer naar Canada terug te keren, doch brengt op Aruba zijn vakantie door.
Inmiddels is de „Zwarte Heks” op de Venezolaanse kust het vorige jaar aan een roemloos einde gekomen, waarover wij toen een uitgebreid verslag gaven.


Uit dit laatste artikel moge blijken dat Sjoerd in Canada leraar is geworden; na alles wat Willem in „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” over Sjoerds belerende toontje schreef, zal dat niemand verbazen.





De Zwarte Heks speelbal van golven en natuurgeweld
Bange dagen voor vreemde kusten
Indianen braken het schip tot aan de kiel af

(anonymus)

Oranjestad. - Er zijn bepaalde maanden in het jaar, t.w. ongeveer de eerste vier maanden van het jaar, dat wind en stroom in deze gebieden zo sterk zijn, dat zelfs de beste zeelieden er niet doorheen kunnen komen. De „Zwarte Heks”, welke de oversteek maakte van Europa naar het Westelijk halfrond, vond dan ook een roemloos einde aan de woeste kust van het Columbiaanse schiereiland La Guajira. De beide schipbreukelingen, de heren M. Visman van Handel Mij. Kusters (Aruba) N.V. en Reinier Ranselaar van de firma K. Loonstra, kwamen er na tal van avonturen en ontberingen nog heelhuids van af. Van hun wederwaardigheden geven wij hieronder een getrouw verslag.

Platzak terug naar Aruba

De „Zwarte Heks” was in Juni 1953 van Nederland vertrokken, maar in Frankrijk werd de oorspronkelijke eigenaar ziek en hij verkocht de boot aan zijn metgezel, Sjoerd van Hasselt. De heer Van Hasselt ging ook terug naar Nederland, maar met de bedoeling een bemanningslid aan te monsteren, die met hem de reis over de oceaan zou willen meemaken. Deze vond hij in de persoon van Reinier Ranselaar. In twee dagen tijd waren alle zaken geregeld en de grote reis nam een aanvang. Via Spaanse, Portugese, en Marokkaanse havens nam men de grote oversteek van Las Palmas naar Trinidad. Weer via andere eilanden kwamen zij in December 1953 op Curaçao. Daar kwamen zij in contact met de heer Visman, die zelf een enthousiast zeiler was en zich onmiddellijk interesseerde voor de reis. Het lag n.l. in de bedoeling de reis via het Panamakanaal voort te zetten naar de Stille Zuidzee, Australië en Nieuw-Zeeland. De „Zwarte Heks” bleek echter wat al te klein voor zo’n grote reis. Inmiddels vond de heer Ranselaar werk bij de firma Loonstra en de heren van Hasselt en Visman zeilden de boot naar Aruba.
De heer van Hasselt vertrok in Mei 1964 naar Canada om daar enige maanden door te brengen, doch vond er goed werk en zou er voorlopig blijven.
Terzelfder tijd werd de heer Visman overgeplaatst van Curaçao naar Aruba. Visman en Ranselaar onderhielden de „Zwarte Heks” zo goed en zo kwaad als dat ging, want zij waren voor de helft eigenaar van het jacht geworden.

De uitreis

Op Dinsdagmorgen 8 Maart, des morgen om 6 uur vertrok men van Oranjestad. Aan boord was voldoende proviand, water e.d.. Men zou de eerstvolgende Zaterdag of Zondag weer terug zijn. Het begin was prachtig. Met een flinke wind trok men langs de kust van Aruba ongeveer tot Savaneta en voer daarop pal Zuid in een steeds toenemende wind, welke zij achter hadden. In 5 uren tijd hadden zij reeds de kust van Paraguaná aan bakoord, ter hoogte van La Macolla. Dit is een afstand van ongeveer 40 mijl. De kale kust werd gevolgd totdat zij, volgens de zeil-aanwijzingen als eerste verplichte aanleghaven Las Piedras bereikte. Zij wisten toen niet, dat juist een week geleden deze plaats door de immigratie ambtenaren verlaten was en dat die enige havens verderop hun tenten hadden opgeslagen. Het was reeds donker geworden en zij kozen ligplaats tussen enige vissersboten om er de nacht door te brengen. Onderweg hadden zij veel vis gevangen en hadden dit onder de mensen op de scheepjes verdeeld.

De volgende morgen, Woensdag 9 Maart, trokken zij een haven verder. Zij meerden aan een klein steigertje en raakte daar aan de grond. Een juist passerende Amerikaan waarschuwde hen, dat als de douane hen hier zou aantreffen, zij een boete zouden krijgen van $ 600.-. Met grote inspanning kregen zij, met behulp van een lier de boot los en trokken naar de opvolger van Las Piedras, die eerst een week in gebruik was en die als naam voerde Guaranao-dock.

Dit is de officiële havenplaats van Punto Fijo. Zij werden naar het begin van de pier gesleept, waar 4 officials aan boord sprongen. De bemanning van de „Heks” meende alle documenten in orde te hebben, want er waren er 7 in getal, doch er was nog ’n 8ste nodig, de zg. vertrekpas. Zij overhandigde daarom maar de vaarvergunning, waarmede de ambtenaren genoegen namen. De ambtenaren waren in hun optreden zeer correct Toen kregen de twee bemanningsleden volledige vrijheid om te gaan waar zij wilden.

In Venezuela

Aan de wal ontmoetten zij een Curaçaose jongeman, Richard genaamd, aan wie zij zeer veel te danken hebben gehad. Richard fungeerde als gids en zij zijn twee dagen met hem opgetrokken.
Punto Fijo is eigenlijk een z.g. boomtown, doch van een bijzonder type. Het stadje is wel zo groot als Oranjestad, er zijn veel nieuwe gebouwen van steen opgetrokken, doch er is bij de bouw gerekend, dat er in de toekomst wel een verdieping bij kan komen; vandaar ziet men overal de platte betonnen daken, waar de bosjes betonijzer bovenuit steken. De inwoners zijn in meerderheid Italiaanse immigranten en men kan er van alles te koop vinden. Er wordt buitengewoon hard gewerkt en men krijgt het grootste respect voor de vooruitstrevendheid van het Venezolaans Gouvernement.
Alle medische onderzoekingen zijn er kosteloos en op het gebied van de prostitutie heeft men drastische maatregelen getroffen om ziekten zoveel mogelijk tegen te gaan.
Het Venezolaans Gouvernement gebruikt het aandeel in de winst, welke zij van de Olie Maatschappijen ontvangt geheel voor de opbouw van het enorme grote land.

Platzak

Op Vrijdag 11 Maart zou men de terugtocht aanvaarden. De officiële uitklaringspapieren kostten 45 bolivars. Toen men vertrok stak er een storm op. Zij moesten er echter doorheen, want zouden zij tot de volgende dag wachten, dan zou dit nog eens een extra Bs. 90.- kosten. Die rijkdom bezat de bemanning van de „Zwarte Heks” op dat moment niet. Ze waren volkomen platzak.
De boot had nog nooit met gereefde zeilen behoeven te varen, doch er woei zo’n ontzettende wind, dat men verplicht was met dubbele gereefde zeilen zee te kiezen. In één stuk werd doorgevaren, totdat men La Macolla bereikte en in een kalme baai werd het anker uitgeworpen en de nacht doorgebracht.
De volgende morgen, Zaterdag 12 Maart, werd het anker binnen gehaald om vanaf de kop van het schiereiland Paraguaná naar Aruba te varen, doch er stond geen wind, zodat de stroom hen steeds meer Westwaarts voerde. In de nacht van Zaterdag op Zondag stak er weer een storm op en in die nacht voeren zij Aruba voorbij. Zij zagen de lichten van de bakens, doch zij konden het land niet bereiken door de wind en de stroom. Het was die nacht vreselijk koud en de hoge zeeën sloegen herhaaldelijk over de boot heen. Tot overmaat van ramp, bleek de gasbom, die het kleine fornuisje moest voeden, plotseling leeg te zijn gelopen, zodat vanaf dat ogenblik niets meer gekookt kon worden en er ook geen koffie of thee gezet kon worden. De volgende morgen zag men nog even het topje van de Hooiberg, doch ook dit verdween weldra uit het gezicht. De „Heks” bleek een speelbal van wind en golven te zijn geworden. Ondanks het feit dat er voldoende eten aan boord was, kon dit door gebrek aan gas niet worden bereid. Daar het maar onophoudelijk hard bleef waaien, werd Z.O. gekoerst om Paraguaná weer te bereiken, om het van daaruit weer eens te proberen. Wind en stroom dreven hen echter af. Zo gingen zij de nacht in, doch de wind ging niet liggen. Toen zij de volgende dag, Maandag 14 Maart, land zagen, waren zij in de veronderstelling, dat dit het schiereiland Paraguaná moest zijn. Het bleek dat de „Heks” slecht zeilde, de bemanning zette de motor aan om zich door de stroom heen te worstelen, doch spoedig raakte de gasoline op. Eerst later is het gebleken, dat zij het Colombiaanse schiereiland La Guajira voor zich hadden gezien. Er was geen eten meer aan boord en ook het drinkwater was opgeraakt. Zij hadden nog een tankje aan boord waar een jaar geleden water in was gedaan, doch dit bleek ondeugdelijk te zijn. Er waren nog wel blikjes melk dus werden deze gebruikt. De nacht van Maandag op Dinsdag werd naar het Zuiden gekoerst en zij kwamen 60 mijl verder West terecht door de stroom en de wind.
Tegen de avond kwam er land in zicht, dat veel leek op de omgeving van Punta Cardón, doch het land was kaal en verlaten. Er was geen lichtje te zien. Er werd getracht uit te zoeken waar men was, doch dit lukte door de duisternis niet. De gehele avond werd gelaveerd, tot men eindelijk achter een rotsformatie voor anker ging. De zeilers hadden zeer veel last van de koude, doch er waren geen mogelijkheden om zich te verwarmen. Met een lege maag en rillend van de kou hebben zij nog getracht te slapen, doch het was alles tevergeefs.
De gehele volgende dag werd voor de kust gelaveerd en getracht werd de punt van het schiereiland om te zeilen. Over een afstand van 30 mijl werd de gehele dag gedaan. De windkracht was afgenomen, doch de richting was ongunstig. Op een van de vele heuvels zagen de opvarenden een aantal hutten, niet wetende, dat zij daar dichtbij schipbreuk zouden lijden. Tegen de avond hoopte men om de punt van Punta Espada van het schiereiland La Guajira te kunnen zeilen om zo in de Golf van Maracaibo terecht te komen en uit de stroom te geraken. Het scheen er op te lijken, dat het zou gelukken en zij maakten grote streken met het laveren van wel 1 à 2 uur ieder. Toen om 11 uur Visman afgelost zou worden door Ranselaar en de koers juist gewijzigd zou worden, bleek het dat het roer gebroken was, en dit betekende het eind van de „Zwarte Heks”. De opvarenden wilden onmiddellijk het anker uitgooien om de volgende morgen het roer te repareren, doch terwijl zij daarmede bezig waren stootte de kiel van de boot op de grond. De branding werd steeds heviger en telkens kwam de boot, na door de golven te zijn opgenomen, met een smak op de bodem. Het lawaai was oorverdovend en de twee mannen konden elkaar niet meer verstaan. Golven sloegen met grote kracht over het schip, ruiten, vensters, deuren, stukken reling sloegen over boord. De stagen braken en het werd aan dek levensgevaarlijk. Toch moesten de mannen zich trachten staande te houden. Want zij wisten niet of zij op een zandplaat of op de kust terecht waren gekomen en het was er buitendien aardig donker. Er was geen maan en de sterren waren achter dikke wolkenlagen verscholen. De mannen bleven zo lang mogelijk op dek, doch met groot geweld werd de boot telkens opgenomen en verder op het droge gesmakt.

Prooi van het geweld

Zij hadden de tegenwoordigheid van geest gehad zwemvesten aan te trekken, doch die van Reinier Ranselaar werd hem door de krachtige golven over het hoofd weggeslagen. De boot sloeg nu van de ene kant op de andere en het geloei en gebrul van de branding en wind, gepaard met de vreselijke schokken van de boot op het strand, deed de schipbreukelingen horen en zien vergaan. Ranselaar sprong in de moed der wanhoop nog in de kajuit om te trachten te redden wat er te redden viel. De kajuit was echter geheel volgelopen en onder water haalde Ranselaar nog een koffer naar boven, waar een en ander aan kleren en papieren was opgeborgen. Ook een camera behoorde tot de inventaris. Hij raakte daarbij nog beklemd en kon zich met de grootste moeite los werken. Visman was met zijn voet in een stuk losgeslagen staalkabel gevangen aan dek, doch ook hier kwam uitkomst, nadat zijn voet bijna was afgeknepen.
De „Heks” was inmiddels zover op het strand geworpen, dat men kon onderscheiden, dat men voor de kust lag. De schipbreukelingen sprongen daarop over boord en het bleek, dat zij tot de borst in het water konden staan. Zij brachten de geredde goederen naar de wal en gingen nog enige malen terug om zoveel mogelijk goederen van boord in veiligheid te brengen.
Het waren angstige ogenblikken, want in de kajuit, onder water, is Ranselaar een tweede maal beklemd geraakt. Van het zeil werd een tent gemaakt, doch de nacht werd rillend van de koude doorgebracht.


Uit logeren bij de Indianen na de schipbreuk.

Een troep Indianen en Colombianen voor de „Zwarte Heks”.

De strandjutters

Onmiddellijk na zonsopgang werd er op verkenning uitgegaan en na een heel eind lopen ontdekten de mannen heel in de verte enige geiten, maar ook een paar koeien. Waar koeien zijn, moeten ook mensen zijn, dus werd de voettocht verder voortgezet. Daar ontwaarden zij eindelijk het eerste menselijke wezen. Het was een Indiaan, slechts gekleed met een schortje, dat door middel van een touw om zijn lenden van voren en achter vast werd gehouden. Het bleek, dat de man geen Spaans verstond, want toen men hem vroeg of zij in Colombia waren, antwoordde hij „Si” en dit ook toen hem gevraagd werd of zij misschien in Venezuela waren. Op alle vragen werd prompt met „Si” geantwoord. De gebarentaal bleek beter te helpen toen op deze wijze gevraagd werd om hen bij andere mensen te brengen. Een voetreis van ongeveer twee uur volgde door duinen, zoutpannen, rotsen e.d. totdat zij kwamen op een plaats waar een 25-tal lemen hutten bij elkaar stond. Enige bewoners bleken een weinig Spaans te spreken. Toen zij hoorden, dat er een wrak op de kust lag, verzamelde de mannelijke bevolking zich en trachtte aan de weet te komen, wat zich allemaal aan boord bevond. De Indianen gingen daarop in de grootste haast naar het wrak en hebben er uitgehaald wat zij maar konden.

De sloperij

De schipbreukelingen probeerden wat te eten te krijgen, maar in het dorp was in het geheel niets, behalve wat rijst met vis. Zij moesten brak water drinken, dat uit een gegraven put in de grond werd gehaald. Doodmoe van de doorgestane ellende sliepen Visman en Ranselaar die nacht in een echt Indiaanse hangmat, doch buiten de deur onder de blote hemel. Overdag kregen zij wel een hut toegewezen. Des nachts tegen 3 uur werden zij wakker van het lawaai, en toen bleek het dat de dorpelingen zich gereed maakten voor de grote rooftocht. Schroevendraaiers en ander gereedschap werden meegenomen om zoveel mogelijk te kunnen slopen. Dit alles moesten de vreemdelingen met lede ogen aanzien. Zij besteedden twee dagen met hier en daar een praatje te houden en te wachten op de auto’s, welke naar de bewering van de bewoners hier veel kwamen. Inderdaad kwam die Vrijdagmiddag een grote open truck in het dorp aan.


Het wrak van de „Zwarte Heks” bij het aanbreken van de dag en voordat de strandjutters het onder handen hadden gehad, nadien bleef slechts de romp over.

Bij de Indianen. Zie de vrouwen met haar beschilderde gezichten, die alleen maar „Si” zeiden, wat men hen ook vroeg.

De redding

De truck bleek te zijn bemand met drie mannen, gewapend met geweren en een knots van een pistool. Zij spraken Spaans en waren gekleed in lange broek, in tegenstelling tot de andere bewoners. Het heet, dat zij zich moeten wapenen tegen de Indianen, hoewel zij zelf ook van dat ras zijn, doch Colombianen heten. Visman legde de chauffeur hun hachelijke situatie uit en deze beloofde hen te helpen, door hen naar het dichtstbijzijnde plaatsje te brengen, waar wel motorschoeners kwamen, die naar Aruba gingen. Zij moesten echter eerst het wrak zien. Daar hun weg toch via het wrak zou gaan, er waren n.l. geen wegen en de truck rijdt zo maar door het woeste landschap, was dit een gemakkelijke opgaaf. Bij het wrak gekomen, stonden er nog enige horden Indianen omheen, doch van de „Heks” was niet veel meer overgebleven dan alleen de romp. De rest was gesloopt. De Indianen hadden zelfs een eenvoudig kruis van hout, dat Visman en Ranselaar daar in de grond hadden gestoken, weggehaald en de grond daaronder omgewoeld om te zien of er niets onder lag begraven. Naar zij van de chauffeur van de truck vernamen, worden zelfs de doden zonder enig kenteken begraven, daar anders de Indianen de graven leeg halen.
De tocht per truck ging door een buitengewoon woest landschap, dat wel veel op een maanlandschap leek met kraters. Gedurende 2½ uur werden zij door elkaar gehotst, doch eindelijk kwamen zij in een gehuchtje, dat de schone naam van Puerto Estrella draagt. Daar maakten zij hun laatste rantsoen op en leden verder honger, want er was niemand, die hun een maaltje eten aanbood. Slechts als zij vroegen om wat koffie, kregen zij een heel klein kopje. Bij een familie werden zij ondergebracht en kregen twee hangmatten te leen. Dat was dan ook alles.
Twee dagen en twee nachten brachten zij op deze wijze door in Puerto Estrella, toen de „Ana Angela” binnenliep, een Colombiaanse motorschoener, welke regelmatig tussen Colombia en Aruba vaart. De kapitein was op Aruba reeds gewaarschuwd naar de „Zwarte Heks” uit te kijken, dus was niet verwonderd de twee schipbreukelingen hier te ontmoeten. Dank zij de grote zeemanskunst van de kapitein, waren Visman en Ranselaar in 14 uur op Aruba. Zij waren Zondagnacht vertrokken om 19 uur en arriveerden doodmoe en hongerig om 9 uur op Aruba. De hulp van de truck kost de heren ieder 100 pesos en de reis per schoener ƒ 50.-. Dan zijn zij verder nog de boot kwijt en vrijwel hun gehele bagage.
Zij verzochten echter hun warme dank over te brengen aan allen, die op Aruba aandeel hebben gehad in de reddingspogingen, waarvan zij eerst na hun aankomst hier van hoorden.
Dat het inderdaad zwaar weer geweest is, moge blijken, dat op dezelfde kusten nog twee andere schoeners vergaan zijn.







Watermannelijke woningen, deel 5: 1951-1957
Roger Schenk

Frederik Hendriklaan 23, Den Haag : 1951-1952.
Bijna een jaar nadat Willem het Statenkwartier heeft verlaten (zie Nieuwsbrief 45) maakt hij op 15 november 1951 een verrassende „comeback”: hij keert niet alleen terug naar deze wijk, maar zelfs naar een woning waar hij van 23 mei 1949 tot 26 april 1950 ook al huisde: Frederik Hendriklaan 23. Of hij nu weer op dezelfde verdieping woonde als twee jaar eerder, is helaas niet meer na te gaan.


Poeldijk 13, Rijpwetering (gem. Alkemade) : 1952-1955.
Nadat Willem en zijn nieuwe liefde Anneliese Jülkenbeck in de zomer van 1951 een paar weekjes hadden doorgebracht in een houten zomerhuisje in Rijpwetering waren zij helemaal bezeten van het idee om aan het water te wonen en de grote stad te ontvluchten. Medio 1952 deed zich de mogelijkheid voor om een oud Duits motorschip uit de Eerste Wereldoorlog te kopen; het schip lag in het ons zo bekende Humbeek in België. Over de aanschaf van deze „Maia” en het vervoer ervan naar Rijpwetering heeft Willem drie niet eens zo veel van elkaar verschillende versies de wereld in geholpen (een eerste versie vinden we in Jeugdkampioen (1952), een tweede in Panorama (1960) en een derde in boekvorm bij Uitgeverij Gemini (1972)). Hoe het ook zij: de min of meer opgeknapte „Maia” werd aangemeerd in het jachthaventje bij Poeldijk nr. 13, hetgeen van 26 mei 1952 Willems officiële adres werd en dat tot begin 1955 zou blijven. Jachthaven De Ade is er nog steeds, maar de „Maia” verkeert inmiddels in de eeuwige jachtvelden. Nauwelijks tweehonderd meter verderop bevindt zich een inham in de Ade, die Willem literair heeft vereeuwigd: hier overvielen Hennie Schol en Bonzo Jan en Bob („Een motorboot voor een drijvend flesje”).


Julianalaan 60c, Kaag (gem. Alkemade) : 1955.
Mettertijd werd de „Maia” wellicht te oud en te tochtig om in te wonen, wellicht was de Poeldijk te afgelegen en te ongezellig voor een levensgenieter als Willem, wellicht waren er andere redenen waarom Willem en Anneliese op 13 januari 1955 terugkeerden naar de wal; de wal van Kaageiland, dat dan weer wel. Ze huurden een houten bungalowtje, ideaal gelegen tussen de terrassen van „Het Kompas” en „De Bontekoe”. Laatstgenoemd café, dat werd beheerd door Jan van Ees jr., zoals we kunnen lezen in „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig”, bestaat inmiddels niet meer, Willems bungalowtje en „Het Kompas” nog wel, zoals de bezoekers van de Bob Evers-bijeenkomsten in 2000 en 2001 hebben kunnen constateren.


Herenstraat 4, Den Haag : 1955.
Waar over de motieven waarom Willem en Anneliese naar Kaagdorp verhuisden nog enige twijfel bestond, laat Willem geen enkele onduidelijkheid bestaan over de vraag waarom hij op 18 april 1955 alweer (tijdelijk) naar Den Haag vertrekt: hij doet dat „om er ongestoord te kunnen werken” („Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig”, p. 144). Dat er van dat „ongestoord werken” niet zo gek veel terecht komt, ligt waarschijnlijk aan het feit dat hij uitgerekend domicilie kiest boven de „Horseshoe-Bar” en valt na te lezen in het hoofdstuk „Spionage in de Horseshoe-Bar” in genoemd boek. Daar valt ook te lezen dat hij vanaf de „Maia” naar Den Haag verhuist, maar de verhuisdata die hij bij de Burgerlijke Stand heeft opgegeven, laten een wat ander beeld zien.


Julianalaan 60c, Kaag (gem. Alkemade) : 1955-1957.
Na zijn wederwaardigheden met de Amerikaanse kolonel Berndt Balchen en waarschijnlijk na het voltooien van een of meer boeken keert Willem op 13 juli van hetzelfde jaar alweer officieel terug naar zijn bungalowtje op Kaageiland. Hij houdt het hier - ondanks of juist dankzij de aanwezigheid van de twee cafés? - ditmaal anderhalf jaar uit, al gaat dat niet zonder slag of stoot. In het hoofdstuk „Mijn verbanning naar Meppel” valt te lezen dat Willem ook nu weer tijdelijk elders wordt gehuisvest om diverse deadlines te kunnen halen; zijn verblijf in „Hotel Ogterop” in Meppel werd bekostigd door Stenvert, maar is bij de Burgerlijke Stand nooit officieel geworden. Bij die gelegenheid heeft de huidige schrijver van de Bob Evers-serie en inmiddels wederom in Meppel wonende Peter de Zwaan Willem voort het eerst ontmoet. Uit „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” krijgen wij overigens niet de indruk dat zijn tweede vrouw, Anneliese, erg lang bij hem op de Julianalaan heeft gewoond, hoewel het huwelijk tussen haar en Willem pas officieel op 22 augustus 1956 werd ontbonden: het in het hoofdstuk „Mijn verbanning naar Meppel” genoemde boek „Vreemd krakeel in Californië”, dat Willem in Meppel voltooid zou hebben, verscheen reeds in het najaar van 1955.
Het betreft dezelfde bungalow als hierboven, maar nu vanuit een andere hoek gefotografeerd.







De voetbalmatch
Henry W.

In een tijd waarin een visueel gehandicapte bondscoach erin is geslaagd om het ooit zo trotse Nederlands Elftal af te laten glijden naar de onderste regionen van het Europese voetbal verschaft niemand minder dan good old Willem van den Hout onze gekwelde zielen enige troost met een live-verslag van een klinkende overwinning van Oranje... of toch niet?
Onderstaand verhaal werd in 1950 voor het eerst gepubliceerd in
Amor’s Magazine nr. 8, waarbij Willem zich bediende van het pseudoniem ‘Henry W.’ Alle pseudoniemen ten spijt, maar de ware identiteit van de schrijver wordt verraden door de onmiskenbare schrijfstijl.

Bob, een flinke gezonde boy uit de vierde klas van de H.B.S., is verliefd. Niet zo maar een klein beetje, maar met alle kracht van zijn oersterke body. Alleen, het voorwerp van zijn grote liefde weet het niet. Of ze doet maar alsof. Iedere nieuwe dag is een marteling voor Bob. Zijn meisje zit vlak voor hem in de bank van dezelfde klas. Wat de leraar allemaal prevelt en doceert, hoort hij niet meer. Zijn vurige ogen staren maar naar de gebogen rug in het rode truitje daar vlak voor hem. Lieve, lieve Toos, waarom draai je je niet eens om? Maar Toos hoort niets en ziet niets dan die droge thema’s en die moeilijke sommen.
Zaterdagmorgen onder het speelkwartier komt eindelijk de lang verwachte kans. Toos kan niet uit een vraagstuk komen.
„Heb jij die soms al opgelost, Bob?”
„O, natuurlijk. Niets aan. Zal ik haar even voor je uitleggen?”
„Graag.”
Samen buigen ze zich over de schriften. Haar bruine krullen strijken langs zijn gezicht.
„Wat heb je een mooi haar, Toos.”
„Heeft dat ook iets met die som te maken?”
„Neen, maar wel met jou. Ik vind het reuze mooi. Past precies bij je truitje.”
„Allemaal goed en wel, maar hoe is die som nu? Vertel me dat eerst eens.”
„Als je mij belooft dat je morgenmiddag bij mij naar de voetbalmatch komt luisteren.”
„Dat gaat toch niet. Ik heb al met Ria afgesproken om naar de bios te gaan.”
„Hè Toos, doe het nu eens voor één keertje. Ik heb zelf een prachtig toestel gebouwd met pick up. Als ik boven op mijn kamer spreek, kunnen ze het beneden door de luidspreker verstaan.”
„Als je vader het maar goed vindt.”
„O, die is lekker niet thuis. Vader heeft morgen geen praktijk en dan gaan ze altijd samen met de auto naar zee.”
„Ben je dan helemaal alleen?”
„Ja. Kom je? Dan zal ik de hele week de sommen voor je maken.”
Tegen dit laatste argument weet Toos niets in te brengen. Een hele week geen hoofdpijn over algebra en meetkunde.
„Goed. Maar niet langer dan een half uurtje.”
„Een half uurtje? En de match duurt anderhalf uur.”
„Naar de match zou ik maar niet luisteren. Het wordt minstens tien-nul voor Engeland. Geloof maar niet dat die jongens van ons één doelpuntje kunnen maken.”
Bob legt haar de moeilijke som uit, maar daar zijn gedachten er heel niet bij zijn, snapt hij er zelf niets meer van. En Toos nog veel minder. Ten einde raad geeft hij haar zijn schrift maar mee naar het toilet, zodat ze de opgave zonder bang te zijn dat een ander het ziet, netjes kan overschrijven.
Toos heeft het laatste schooluurtje alle wilskracht nodig om bij haar werk te blijven. Bob is toch wel een aardige jongen. Zo groot en zo sterk. Die wordt later ook vast dokter, net als zijn vader. Zou hij haar werkelijk zo mooi vinden?
Stiekem kijkt ze even vlug achterom, recht in de vreemd schitterende ogen van Bob. Ze kan het heus niet helpen dat ze rood wordt. En morgen zijn ze samen...

De hele morgen verkeert Bob in een nerveuze spanning.
„Wat heb je toch, jo?”
„Als je niets tegen vader of moeder zegt, zal ik het je vertellen. Ken jij Toos Bertels?”
„Dat kind met dat eigenwijze wipneusje?”
„Ze heeft geen eigenwijs wipneusje.”
De oudere broer moet lachen. Hij hoeft al niet verder te vragen. Hij weet al hoe laat het is.
„Nou, dan niet. Maar wat is er met dat meisje? Ben je op haar verliefd?”
„Ik houd veel van haar, Ben. Je hoeft er niet om te lachen. Vanmiddag komt ze naar de radio luisteren. Maar ik weet niet hoe ik haar vertellen moet…”
„Dus ze weet nog van niets? Jammer voor dat kind. Enfin… zeg Bob, heb je niet een tientje te leen zolang tot de eerste? Ik wil ook vanavond met een kindje uit.”
„Ik heb je pas…”
„Dan niet, ook goed. Ik wou je enkel een dienst bewijzen.”
„Eerst zeggen.”
„Nou, je vraagt doodgewoon voor elke goal die de Hollanders maken een zoen.”
„De Hollanders maken geen doelpunt... Kan ik lang wachten.”
„Kun je niet weten man... je kunt het proberen. Heb je een tientje?”
„Hier!”
Bob gaat wat rommelen tussen een wirwar van draadjes en inderdaad, als de bel gaat, heeft-ie muziek. Marsen ter ere van de grote match, die zo aanstonds zal beginnen.
Vlug rent Bob naar de deur.
„Hallo Toos, wat fijn dat je gekomen bent. Hang je hoed en je mantel hier maar aan de kapstok.”
Terwijl hij het meisje helpt, kijken zijn ogen begerig naar het brutale figuurtje. Ze is nog jong, nog maar net achttien, maar haar figuur heeft de rijpheid van een volwassen vrouw. Bob moet even zijn ogen sluiten om niet in de verleiding te komen haar te strelen.
„Wedden dat we minstens gelijk spelen, Toos?”
„Haha, wat een verbeelding. Ik wed om alles dat de Hollanders er geen goaltje in krijgen.”
„Accoord. Kom ga zitten. Voor elk doelpunt dat wij maken, moet je me een pand geven. Een kledingstuk of een kus.”
Nu weet Toos heel zeker, dat Bob haar graag mag. Maar om nu al zo direct te gaan kussen. Ze heeft nog nooit een jongen gekust. Maar och... doelpunten kwamen er toch niet.
„Die weddenschap kan ik best aannemen. Die win ik toch.”
Dicht bij elkaar gezeten luisteren ze naar de spannende reportage. Bob heeft het al gauw bekeken. De Hollanders maken niets klaar. Pech. Na een kwartier is het al twee-nul voor de tegenstanders. Hij zucht. Toos kijkt hem medelijdend aan. Arme jongen.
Maar ineens begint de radio raar te doen. Bob stapt van zijn stoel om te zien waar die storing vandaan komt... even is er helemaal geen reportage meer te horen, maar dan is de stem er weer. Nu veel duidelijker. Gerustgesteld zet Bob zich weer naast het meisje.
„... Abe is doorgebroken... geeft afgemeten naar de vrijstaande Schaap... wat zal hij er mee doen... niet te lang treuzelen... vooruit nu... een pass naar Rozenburg... Ja... ja... hij komt vrij voor doel... een schot... Goal... goal...!!!!”
Dol van vreugde dansen de twee hand in hand door de kamer.
Maar ineens denkt Bob aan de weddenschap.
„Verloren.”
„Wat?”
„We hebben een doelpunt. Een pand of een zoentje.”
Bedeesd kijkt Toos in de grote stralende ogen... Dan buigt ze zich gelaten naar hem over. Bob neemt haar voorzichtig in zijn armen en drukt een warme kus op de rode lippen.
Met neergeslagen ogen zet Toos zich weer naast de radio. Ze vond het heerlijk gekust te worden. Maar ze durft dat niet te tonen.
„... de Hollanders zijn er nu veel beter in... Lenstra passeert drie, vier tegenstanders... een schot... Goal... goal... Nog een goal... twee, drie... vier... Tien-twee voor Holland.”
Toos en Bob luisteren al lang niet meer naar de reeks van doelpunten, die de reporter de huiskamer binnenschreeuwt.
Samen liggen ze dicht tegen elkaar op de divan. Toos is over haar schuchterheid heen en neemt haar uitgedeelde kussen met interest terug. Dan buigt Bob zijn hoofd en vleit zich tegen haar aan.
Geen van beiden hebben er erg in, dat de deur zachtjes open is gegaan.
„O... stoor ik?... Ik kwam vragen of je een vuurtje voor me had.”
De verliefde jongelui vliegen verschrikt op. Toos strijkt verward haar rokje recht. Maar Bob kijkt niet eens. Hij loopt naar de radio.
„Dames en Heren, dit was een reportage van de voetbalwedstrijd Holland-Engeland, die door de onzen met 8-0 is verloren...”
Grinnikend verlaat Ben de kamer. Toch gemakkelijk, zo’n huismegafoon.





Enkele foto’s uit Bromborough
Fons Verhaegen & Frank Engelen

Deel negen in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
In het voorjaar van 1995 - inderdaad, alweer 21 jaar geleden: waar blijft toch die vermaledijde tijd? - was het echtpaar Verhaegen op vakantie in het lieflijke Wales. Een echte Bob Evers-fan maalt er niet om om vanuit zijn hotel 200 kilometer te rijden naar een locatie uit de serie, met als enig doel enkele foto’s te maken, en vervolgens weer die 200 kilometer terug te rijden. That’s the spirit, Fons! Fons reed naar het ons allen welbekende Bromborough en zag dat de plaats toch ietwat anders in elkaar stak dan de grote meester met de vele pseudoniemen ons wilde doen geloven.
Een paar jaar later, om precies te zijn in het najaar van 1999, deed Frank Engelen dit nog eens dunnetjes over, om aldaar net als Robert Falcon Scott op de Zuidpool te ontdekken dat een ander hem voor was geweest: in dit geval betrof het zelfs twee anderen, te weten Ger Derksen en Yovka van Santen, die het verslag van hun bezoek op een
eigen website hebben geplaatst. In dit geval wel makkelijk, want Frank kon zich bij zijn speurtocht verlaten op de bevindingen van Ger en Yovka.


Kaartje van Bromborough.
De nummers 1 t/m 8 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.



Er is geen „Bromborough Hotel” in het dorp - sinds 1974 samen met o.a. Eastham, Rock Ferry, Port Sunlight, Tranmere en Birkenhead deel uitmakend van de metropolitan borough of Wirral -, maar wel deze pub, genaamd „The Bromborough”; vaak hoort bij een pub op het Engelse platteland ook een klein hotel. (1, FV)



Midden in het dorp, op de hoek van de Bromborough Village Road en de High Street ligt een postagentschap: was dit het befaamde postkantoor van Mrs. Fentwick? Er stonden anno 1995 twee jonge meisjes van vooraan in de twintig in dit postagentschap, die mij helaas niets konden vertellen over het Bromborough van vroeger; wel verkopen ze ansichtkaarten en plattegronden, waarvan ik er enkele heb aangeschaft. (2, FV)



Schuin tegenover het postkantoor, aan een straat die The Rake heet en achter de enige echte bezienswaardigheid van het dorp - The Cross, een kruis uit de 13de resp. 19de eeuw dat aangeeft dat Bromborough al vanaf 1278 marktrechten bezit - ligt een gebouw dat Village Centre heet. Het hoort (nu?) bij de St. Barnabas Church, maar het zou heel goed de in het boek genoemde Village Hall kunnen zijn, waar John en de twee Finnen de boel op stelten zetten. (3, FV)
De door Ger en Yovka gefotografeerde „voormalige
Village Hall” maakt onderdeel uit van hetzelfde complex bij de St. Barnabas Church. (FE)



Ger en Yovka spraken echter enkele Bromboroughse inboorlingen op leeftijd en die wezen hun op het pand aan de Allport Lane nr. 23: nu een makelaar, daarvoor een schoonheidssalon, in „mijn” tijd en die van Ger en Yovka een bloemenzaak, maar in de tijd van onze helden het postkantoortje van het stadje: hier huisvestte Mrs. Fentwick dus Jackie Brass, Jan Prins en Barnett!
Dat het inderdaad om dit voormalige postkantoor moet gaan, wordt bevestigd door de foto’s 5 en 6: het heeft natuurlijk geen enkele zin om pruimen te gaan stelen in een tuin die een mijl van het postkantoor verwijderd ligt.
(4, FE)



In de tijd van Jan, Bob, Arie, John, Lois, Barnet en Jeffries lagen tegenover het postkantoor van Mrs. Fentwick allerlei winkeltjes, waarvan sommige met portieken, waarin John Bennett zijn „verdachte” uiterlijke verschijning dacht te kunnen verstoppen; de meeste portiekwinkels recht tegenover het voormalige postkantoor zijn inmiddels afgebroken en vervangen door een enorme discountsupermarkt waar kraak noch smaak aan zit; wat gebleven is, zijn enkele winkels, schuin tegenover nummer 23; omdat ik nét iets minder vrijpostig en vraatzuchtig ben dan Arie, snaaide ik geen pruimen, maar kocht ik die eerlijk bij Taylors. (5, FE)



Een eindje verderop in deze Allport Lane, op nummer 75 om precies te zijn, bevindt zich nog steeds een tandheelkundige praktijk. Toen Marie-José van den Hout eind jaren ’40 als au pair in Bromborough werkte, heeft zijn de hier wonende tandarts Drake nogal ... eh ... goed gekend, zullen we maar zeggen.
Natuurlijk heeft zij haar broertje Willem van de nodige informatie over het dorp voorzien, maar Willem heeft er natuurlijk weer een geheel eigen draai aan gegeven: in de buurt van het voormalige huis van Drake is in een geen velden of wegen een losse muur te ontdekken; de huizen erachter zijn ook al oud genoeg om die ene nacht vol deining meegemaakt te hebben; mogelijk werd Willem geïnspireerd door Marie-José’s verhalen over een 47 meter lang stuk muur met een poort erin, vermoedelijk nog een overblijfsel uit de late Middeleeuwen. De betreffende muur bevindt echter zich ten noorden van „The Bromborough”. Soms moet je als schrijver een beetje goochelen met de waarheid, als dat zo uitkomt.
(6, FE)



In het postagentschap aangeschafte ansichtkaart van de Allport Road (Allport Lane, Allport Road: hm, afwisselende namen hebben ze hier; je zult er maar postbode zijn). De in het boek genoemde Primrose Lane bestaat niet, maar de Plymyard Avenue daarentegen wel. De Mersey stroomt vlak langs het dorp, dus ik veronderstelde altijd dat Willy van der Heide hier wel eens met zijn boot heeft aangelegd; dankzij de Kleppe Brothers en de Nieuwsbrief weet ik echter beter: Willy kende de naam Bromborough dus, omdat zijn zus Marie-José hier eind jaren ’40 woonde, in een huis genaamd Inishfall, aan de Plymyard Avenue. Zij was dus au pair bij een zekere tandarts Drake en die kennen wij maar al te goed! (7, FV)



Eastham bezat in de tijd van „Sensatie op een Engelse vrachtboot” géén eigen station, Bromborough zelf echter wel; Jan Prins en Jackie Brass liepen op hun route naar het postkantoor door de op de ansichtkaart (7) afgebeelde Allport Road.
Om te bewijzen dat er echt een stationnetje Bromborough bestaat (en dat al sinds 1841!), heeft de redactie deze foto van Wikipedia gehaald: noch Fons noch Frank had een foto hiervan.
(8, red.)







Hoe warm het was, en ver
Domd gezellig

Jaap de Heer Inserrink

Met al die gedichten hierboven is de onderhavige Nieuwsbrief met afstand het meest poëtische exemplaar aller tijden, te meer omdat we bij ontstentenis van een „Vergrootglas” van Geerten Meijsing hieronder een oud gedicht van Jaap de Heer Inserrink hebben opgenomen, dat op 23 april 1977 in het tijdschrift De Nieuwe Clercke verscheen: dat Groningse tijdschrift, waaraan indertijd o.a. Willem van den Hout, Driek van Wissen en Jean Pierre Rawie meewerkten. Willem publiceerde er in 1977 en 1978 een groot aantal verhalen, die later in „Toen ik een nieuw leven en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” werden gebundeld.
Jaap de Heer Inserrink publiceerde wel vaker in
De Nieuwe Clercke en maakte deel uit van de uitgelezen groep dichters en schrijvers met wie Willem grootse plannen had en voor wie hij de hoogdravende naam De Nieuwe Tachtigers had bedacht, hetgeen helaas nooit van de grond is gekomen. De ook genoemde Petrus (Peer) Hoosemans behoorde aanvankelijk ook bij die club, maar kreeg later ruzie met Rawie en Van Wissen: hoe dat precies zat, zou hier te ver voeren, maar is voor de liefhebber wel na te lezen in de Nederlandse Poëzie Encyclopedie.
De voetnoten onderaan het gedicht zijn van De Heer Inserrink zelf afkomstig en ook op 23 april 1977 onder het gedicht zelf geplaatst.


HOE WARM HET WAS, EN VER
DOMD GEZELLIG


Herinnering aan de kennismaking met Willem W. Waterman

voor hem en ook voor Peer Hoosemans

Ik was te gast bij Amsterdam
Mers op een eeuwenoude heer
Lijkheid. Ik had hen op de Tram
Polinebaan mijn mooiste veer
Zen voorgedragen; men was lam!
Pekappenimporteur of meer
Derjarig drinkebroer. Een kam
Per schilleboertje liet zich neer
Gezeten op een eiken stam
Caféameublement een peer
Icoop voordragen uit mijn Kram
Pverwekkend vers: „Hoe men het leer
Zaamst lunchen kan met kaas.” En jam
Bementen zijn daarin het weer
Barstigst element. Een halve gram 1)
Schap deed zich voor: de man was teer!
Ingachtig, dacht ik. Men was klam!
Boes aan het maken, want het weer
Galoos program las: Op de Dam
Pendzwoele grasmat zal een Heer
Lijkdiepe middagdut het lam 2)
Gelegde lijf hernieuwen. Veer! 3)
Tig troostrijke minuten! Sam
Panschippers voeren op het meer
Minthema oude stukken op, van Bram
Zeilschoten, zeerovers en zeer
Beminde dames!
                                 Amsterdam!
se vrienden: Weet toch hoe de Heer
Inserrink genoten heeft! 4)

                           Jaap de Heer Inserrink


Voetnoten, behorende bij „Hoe warm het was”

1)

Van deze verslijn deugt metrisch natuurlijk geen fluit!

2)

Eerst nu meen ik op te merken, dat in Mozarts strijkkwartet in F-groot KV 590 hier en daar een enkel enjambement doorzweemt. Leuk! Nihil Novi Sub Sole, zeiden ze. Profetisch? Komaan, wij moeten voort!

3)

Het wordt al minder, wellicht moesten we er maar eens een punt aan draaien. Wat een rotvak!

4)

Een open einde dan maar, anders ben ik over een jaar nog aan de gang. Ik doe dit ook nooit weer!








Nieuwsbrief 45
Nieuwsbrief 46 als pdf
Nieuwsbrief 47
Startpagina van de Nieuwsbrief
Startpagina